2026-01-21 - Bijlage 1 - Ruimtelijke onderbouwing 251128 Vageland Fase II (geanonimiseerd)
Tekst van het document
ARTEFACT! RAPPORT 1070
KOEWACHT VUURSTEEN
gelegen , natte gebieden. Dit zorgde onder andere voor een brede waaier aan jacht- en activiteitmogelijkheden. Hierbij moet wel de bedenking worden gemaakt dat het plangebied gelegen is op een relatief smalle rug die slechts de voorloper vormt van de uitgestrekter en hoger gelegen Grote Dekzandrug die zich op minder dan 3 km ten zuiden van het plangebied uitstrekt , welke nog betere omstandigheden biedt voor meer permanente bewoning. Vindplaatsen uit de bronstijd tot middeleeuwen kunnen worden verwacht in de top van het dekzand. Mogelijk aan te treffen vindplaatsen kunnen bestaan uit woningen en erven maar ook uit grafvelden. Vindplaatsen met huisplaatsen uit de bronstijd tot ijzertijd kenmerken zich door het voorkomen van (dieper ingegraven) grondsporen (paalsporen , afvalkuilen , greppels , waterkuilen). Voor wat betreft grafvelden kunnen de sporen enerzijds uit graven bestaan maar ook uit grafheuvels , kringgreppels (rond de grafheuvels) en of palenzettingen. Mogelijk aan te treffen vindplaatsen uit Romeinse tijd en middeleeuwen kunnen bestaan rurale nederzettingsterreinen: boerderijen (houten palen en paaltjes , greppelstructuren , afvalkuilen , waterputten , paalgaten) , infrastructuur , aardewerk , botmateriaal , bewerkte natuursteen (vuursteen , maalstenen).
Indien binnen het plangebied de bovenzijde van het bodemprofiel verstoord is , zoals mag verwacht worden op basis van eerder onderzoek in de omgeving , zullen de ondiepe archeologische sporen mogelijk verdwenen zijn , dieper reikende sporen kunnen in dat geval wel bewaard gebleven zijn. De archeologische verwachting voor de bronstijd tot middeleeuwen is op basis van deze mogelijk verstoring en het ontbreken van eerdere vindplaatsen uit deze perioden in de onmiddellijke omgeving middelhoog. Vindplaatsen uit de nieuwe tijd zijn niet tot nauwelijks aangetroffen in de omgeving van het plangebied. Verder blijkt op basis van de historische kaarten dat het plangebied lange tijd deel heeft uitgemaakt van woeste gronden en bebost is geweest. In de 20 e eeuw wordt het plangebied in gebruik genomen als landbouwgrond. In het uiterste oosten heeft mogelijk omstreeks het midden van de 20 e eeuw kortstondig een gebouwtje gestaan. In het gebied kunnen meerdere gedempte perceelsgreppels aanwezig zijn , welke met het doorvoeren van de ruilverkaveling zijn gedempt. De verwachting op het aantreffen van vindplaatsen binnen het plangebied ouder dan de 20 e eeuw wordt laag ingeschat. Mogelijke complexen kunnen bestaan uit huisplaatsen met erfsporen , sporen van landinrichting en grondexploitatie.
Daarbij kunnen resten van houten (paalkuilen) of bakstenen (funderingen) woningen , beerputten , waterputten , afvalkuilen of sporen van ambachtelijke activiteiten worden aangetroffen. Datering Complextype Soort vindplaats Omvang Uiterlijke kenmerken Vondstdichtheid Diepteligging Locatie Gaafheid en conservering Mogelijke verstoringen
Paleolithicum. Algemeen – niet gespecificeerd: bewoning , begraving. Vindplaatsen met alleen een vondststrooiing. Klein (nomadische kampen; < 50 m).2 Voorkomen van archeologische indicatoren zoals verbrand bot , vuursteen , verbrande botanische resten. Maar ook indicatoren die niet met zekerheid als antropogeen kunnen worden bestempeld: onbewerkt natuursteen , onverbrand bot , onverbrand botanisch materiaal. Zeer laag tot laag: < 40 tot 80 per m². Waarschijnlijk dieper dan 1 m -mv. In en op de eventueel aanwezige paleosols. Goed: afgedekt landschap met goede bewaarcondities. Geen.
Datering Complextype Soort vindplaats Omvang
Mesolithicum Algemeen – niet gespecificeerd: bewoning , begraving Vindplaatsen met alleen een vondststrooiing , ondiepe grondsporen Vuursteenvindplaats: zeer klein tot groot ( < 5 m² - enkele honderden m²) 45
ARTEFACT! RAPPORT 1070
KOEWACHT VUURSTEEN
Uiterlijke kenmerken
Voorkomen van archeologische indicatoren zoals verbrand bot , vuursteen , verbrande botanische resten. Maar ook indicatoren die niet met zekerheid als antropogeen kunnen worden bestempeld: onbewerkt natuursteen , onverbrand bot , onverbrand botanisch materiaal Zeer laag tot laag: < 40 tot 80 per m² Top dekzand: vanaf de onderzijde van de A-horizont Hele plangebied Matig: mogelijk verstoord niveau Mogelijk verstoord door doorworteling en landbewerking.
Vondstdichtheid Diepteligging Locatie Gaafheid en conservering Mogelijke verstoringen Datering Complextype Soort vindplaats Omvang Uiterlijke kenmerken Vondstdichtheid Diepteligging Locatie Gaafheid en conservering Mogelijke verstoringen Datering Complextype Soort vindplaats Omvang Uiterlijke kenmerken
Vondstdichtheid Diepteligging Locatie Gaafheid en conservering Mogelijke verstoringen
Neolithicum Algemeen – niet gespecificeerd: bewoning , begraving , agrarische productie en voedselvoorziening Vindplaatsen met zowel grondsporen als een vondststrooiing Huisplaats: 500-2. 000 m² Voorkomen van archeologische indicatoren zoals aardewerk , verbrand bot , vuursteen , verbrande botanische resten. Maar ook indicatoren die niet met zekerheid als antropogeen bestempeld kunnen worden: onbewerkt natuursteen , onverbrand bot , onverbrand botanisch materiaal Zeer laag tot laag: < 40 tot 80 per m² Top dekzand: vanaf de onderzijde van de A-horizont Hele plangebied Matig: mogelijk verstoord niveau Mogelijk verstoord door doorworteling en landbewerking. Bronstijd - middeleeuwen Algemeen – niet gespecificeerd: bewoning , begraving , infrastructuur , nijverheid , agrarische productie en voedselvoorziening Vindplaatsen met alleen grondsporen; vondststrooiing mogelijk Huisplaats: 500-2. 000 m²; nederzetting: 2. 000-8. 000 m² Voorkomen van archeologische indicatoren zoals aardewerk , verbrand bot , verbrande botanische resten.
Maar ook indicatoren die niet met zekerheid als antropogeen kunnen worden bestempeld: onbewerkt natuursteen , onverbrand bot , onverbrand botanisch materiaal; mogelijk voorkomen van leef- , cultuur- of ophooglagen Zeer laag tot laag: < 40 tot 80 per m² Top dekzand: vanaf de onderzijde van de A-horizont Hele plangebied Matig: mogelijk verstoord niveau Mogelijk verstoord door doorworteling en landbewerking.
46
ARTEFACT! RAPPORT 1070
3
Inventariserend
3. 1
Methoden
KOEWACHT VUURSTEEN
veldonderzoek
Het voorliggend hoofdstuk omvat de resultaten van het Inventariserend Veldonderzoek door middel van boringen (IVO-O , verkennende fase). In de aanvullende richtlijnen voor archeologisch onderzoek in de provincie Zeeland staat beschreven dat het , op basis van het voorafgaand bureauonderzoek , opgestelde archeologisch verwachtingsmodel door een verkennend booronderzoek moet worden getoetst. Het onderzoek is uitgevoerd conform protocol 4003 (IVOO) van de KNA 4. 1 , de Aanvullende Richtlijnen van de Provincie Zeeland (2019) en het hiertoe opgestelde Plan van Aanpak. 47 De strategie en werkwijze zijn afgestemd op de bovengenoemde richtlijnen en in onderstaande tabel opgenomen:
Aantal boringen Grid Dichtheid Plaats- en hoogtebepaling Boorgegevens Gebruikte codelijsten - standaard Boordiepte Gehanteerde boor Opsporen indicatoren Monstername Oppervlaktekartering
8 Zoveel mogelijk volgens een verspringend driehoeksgrid (60 x 25 m). Hiervan is afgeweken om leidingen en sloten te ontzien en om gericht een vermoedelijke verstoring te onderzoeken (boring 18) Volgens de richtlijn van 8 boringen per hectare RTK-GNSS (GPS & GLONASS , afwijking max. circa 3 cm) Digitaal vastgelegd op iPad (afgeleide van) ASB (Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode) en ABR (Archeologisch Basis Register) 37, 5 m -mv/ 09, 4 m -NAP (maximaal) Edelmanboor (Ø 7 cm) In het veld visueel door versnijden/verbrokkelen Geen Het maaiveld is geïnspecteerd op de aanwezigheid van archeologische indicatoren
Alle boringen zijn gezet tot ruim in de C-Horizont van het Laagpakket van Wierden (formatie van Boxtel). Volgens de provinciale richtlijn moet de helft van de boringen dieper worden doorgezet , om binnen het Laagpakket van Wierden te zoeken naar mogelijke paleosols. Hier zijn , vanwege de vorm , oriëntatie en oppervlakte van het plangebied , drie boringen dieper doorgezet. Zo werd ook een goed spreiding bekomen. Tijdens het beschrijven van de boringen is specifieke aandacht besteed aan de volgende geologische en bodemkundige kenmerken: ⎯ de aard , kleur en kalkgehalte van het sediment ⎯ aard van de laagovergangen (erosieverschijnselen) ⎯ de genese van de laag ⎯ bodemvormende kenmerken (bodemvorming/veraarding , ontkalking , rijping e. d. ) ⎯ de diepteligging van het reductievlak De boorpuntenkaart wordt afgebeeld op figuur 22 , de boorstaten zijn opgenomen in bijlage 4. Het grootste deel van het plangebied is momenteel in gebruik als akker. Ten tijde van het veldonderzoek stond er geen gewas op de akker. Er is op deze akker dan ook een veldkartering uitgevoerd , waarbij in rijen van vijf meter het 47 Delporte , 24-09-2025:
Plan van Aanpak Inventariserend Veldonderzoek door middel van verkennende boringen Koewacht Vuursteen (AELN605-1467) Gemeente Terneuzen.
47
ARTEFACT! RAPPORT 1070
KOEWACHT VUURSTEEN
maaiveld werd afgezocht op archeologische indicatoren , meer bepaald vuurstenen artefacten. De aangetroffen oppervlaktevondsten zijn individueel ingemeten met een gps-toestel. Het zuidoostelijk deel van het plangebied maakte deel uit van het voormalige bedrijf aan de Emmabaan 7 en was in gebruik als parkeerplaats. Hier kon geen veldkartering plaatsvinden.
Figuur 2 Boorpunten op een uitsnede van de Topografische Kaart. Bron: Esri Nederland , Community Map Contributors. 3. 2
Geologie
en bodem
Het booronderzoek heeft een goed beeld opgeleverd van de bodemopbouw binnen het onderzoeksgebied. In dit hoofdstuk worden de resultaten besproken. De belangrijkste resultaten staan weergegeven op figuur 23. Laagpakket van Wierden – Formatie van Boxtel In alle boringen is zeer fijn , zwak siltig zand aangetroffen. Dit zand valt aan te duiden als jonger eolisch dekzand , behorend tot het Laagpakket van Wierden (Formatie van Boxtel). Dit dekzand heeft zich afgezet tijdens het Pleistoceen. Binnen de C-horizont van dit dekzand is in alle drie dieper doorgezette boringen op een diepte tussen 24 , 5 en 285, m mv (03 , 6 en 00 , 4 meter +NAP) een 10 tot 15 cm dik compact pakket van opeenvolgende bruine , zwak humeuze laagjes aangeboord. Tussen deze laagjes zat telkens een laagje humusloos grijs zand. Dit pakketje valt te interpreteren als een begraven A-horizont , vegetatielaag , oftewel een paleosol , wellicht verband houdende met het Allerød interstadiaal tussen het jonge en het oude Dryas (figuur 23). 48 De hoger gelegen paleosol , zoals beschreven bij eerder onderzoek , 49 is hier niet aangetroffen. Ook werd hier geen venig laagje vastgesteld. 48 Coppens , Cruz , Allemeersch en Storme 2024 , 32. 49 Zie Noens , Laloo en Mikkelsen 2012 en Timmers en van Dasselaar 2009.
48
ARTEFACT! RAPPORT 1070
KOEWACHT VUURSTEEN
In geen van de boringen is in de top van het dekzand een intacte of deels intacte podzol waargenomen (figuur 24). Een podzolbodem is een typisch fenomeen voor dekzandbodems. Het vóórkomen van een podzol is een indicator voor de aanwezigheid van een intacte natuurlijke ondergrond en daarmee voor de mogelijke aanwezigheid van archeologische resten. Is de podzol volledig intact , dan kan het gaan om vindplaatsen met zowel grondsporen als vondststrooiingen. Is de podzol deels intact , dan kunnen er nog vindplaatsen met grondsporen aanwezig zijn. Een podzol bestaat in intacte vorm uit de opeenvolging van een aanrijklaag (A-horizont) , een bleke uitspoelingslaag (E-horizont) , en een inspoelingslaag (B-horizont). De moederbodem , waarop geen bodemvormende processen invloed hebben gehad , duidt men aan met de term C-horizont.
Figuur 23 Foto links: Het boorresidu bij boring 6. Boven de meetlat: 0-1 meter -mv. Onder de meetlat: 1-2 meter -mv. rechts: 2-32 , 5 m -mv. De rode pijl duidt de paleosol aan op 26 , meter -mv. Foto rechts: detail van de paleosol of begraven bodem in boring 6. In de meeste boringen wordt de C-horizont afgedekt door een restant van de BC-horizont: een overgangslaag tussen een B-horizont met duidelijke bodemvorming en het onderliggende C-horizont die het oorspronkelijke moedermateriaal bevat. Enkel in boringen 6 en 7 is hierboven een dun restant ( < 5 cm) van de B-horizont vastgesteld. In de overige boringen zijn noch de E- , noch de B-horizont aangetroffen. Dit betekent dat de top van de natuurlijke ondergrond , zoals deze na het Pleistoceen langdurig aan het oppervlak heeft gelegen , niet meer intact aanwezig is. Dit is enerzijds het gevolg van natuurlijke processen (bv. Boomwortelwerking) , of van antropogene activiteiten (bv. regelmatig ploegen) anderzijds. De overgang tussen de A-horizont en de BC- of C-horizont ligt rond 03 , 0 – 07 , 0 m -mv. De afdekkende Ap-horizont is zwartbruin van kleur en sterk humeus. Door de droogte ten tijde van het veldonderzoek was het niet mogelijk eventueel oudere ploeglagen of mogelijk zelfs plaggenlagen te onderscheiden.
Wel kon in boringen 1 , 2 , 5 en 8 onder de ploeglaag (Ap-horizont) een aparte verstoring van het bodemprofiel worden vastgesteld. Deze verstoring zag er in elke boring ook anders uit , waardoor we vermoeden dat het hier wellicht gaat om het resultaat van lokale graafwerkzaamheden , hoewel een natuurlijke oorzaak ook niet uit te sluiten valt. Dit beeld komt overigens goed overeen met wat bij eerder onderzoek direct ten zuiden van het plangebied is vastgesteld. 50
50 Noens , Laloo en Mikkelsen 2012 , 49.
49
ARTEFACT! RAPPORT 1070
KOEWACHT VUURSTEEN
Figuur 24 Gaafheid van de bodem zoals vastgesteld in de boringen. Bron: Esri Nederland , Community Map Contributors. 3. 3
Archeologie
Archeologische indicatoren aan het maaiveld Tijdens de veldkartering zijn 3 vuursteenvondsten gedaan (figuur 24). Het betreft mogelijk een fragment van een schrabber , een fragment van een afslag en een brokje verbrand vuursteen. Naar analogie met de eerdere vondsten op de belendende percelen ten zuiden van het plangebied worden deze vondsten in de midden steentijd of Mesolithicum gedateerd. 51 Alle vondsten zijn min of meer gegroepeerd in één zone centraal in het noordelijk deel van het plangebied , op de flank van een min of meer noordelijk georiënteerde hogere rug (figuur 25). Het geringe aantal vondsten van de veldkartering alsook de ligging van de grootste concentratie ligt ook in lijn met eerder onderzoek. Hieruit kwam naar voren dat de meeste voorwerpen gesitueerd zijn in meer ten zuiden van het huidige plangebied , eveneens op de flank van de hogere opduiking en dat het aantal vondsten ook minder wordt naar mate men naar het noorden toe , naar het huidige plangebied dus. 52
Figuur 25 Vuursteenvondsten veldkartering. 51 Noens , Laloo en Mikkelsen 2012 , 86-92. 52 Noens , Laloo en Mikkelsen 2012 , 90.
50
ARTEFACT! RAPPORT 1070
KOEWACHT VUURSTEEN
Figuur 26 Resultaten oppervlaktekartering. Bron: www. pdok. nl (AHN4 05 , meter raster DTM). Naast deze prehistorische vondsten werden verspreid over de akker enkele fragmenten aardewerk gevonden aan het maaiveld. Deze waren allen te plaatsen in de 18 e of 19 e eeuw en zijn wellicht ten gevolge van bemesting op de akker terecht gekomen. Deze stukken hebben dan ook slechts beperkt informatiewaarde en zijn dan ook gedeselecteerd. Tot slot is ook vastgesteld dat ter hoogte van de belendende schuur of hangar er redelijk wat modern sloopafval (beton , baksteen , plastic , grind) te vinden was aan het maaiveld. Dit materiaal , dat verband houdt met de bebouwing langs de Emmabaan , werd niet verzameld. Archeologische sporen in de boringen In de boringen 1 , 2 , 5 en 8 is direct onder de ploeglaag of oude strooisellaag een verstoring vastgesteld. In boringen 1 en 5 is dit wellicht te interpreteren als doorworteling doorteling van bomen of zelfs mogelijk een boomval. Dit gebied is eeuwenlang een bosrijk gebied geweest , dat pas in de laatste eeuwen terug in cultuur werd gebracht. In boring 2 wordt verstoring in verband gebracht met landbouwactiviteiten en in boring 8 zou dit wel een het verlengde van de sloot kunnen zijn die reeds bij eerder archeologisch onderzoek is aangetroffen. 53
53 Noens , Laloo en Mikkelsen 2012 , 39-40.
51
ARTEFACT! RAPPORT 1070
KOEWACHT VUURSTEEN
4
Conclusie
4. 1
Conclusie: beantwoording
en
advies onderzoeksvragen
Op basis van de beschikbare aardwetenschappelijke , archeologische en historische gegevens uit het bureauonderzoek werd een gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel opgesteld. Op basis van de resultaten van het uitgevoerde booronderzoek kunnen de onderstaande onderzoeksvragen worden beantwoord en kan het verwachtingsmodel worden bijgesteld en verfijnd. Wat is de geo(morfo)logische situatie binnen het onderzoeksgebied? Zoals verwacht is in alle boringen het Laagpakket van Wierden (Formatie van Boxtel) dagzomend aangetroffen. Het betreft jonger eolisch dekzand , dat is afgezet tijdens de laatste fase van het Pleistoceen. Binnen dit dekzand is op een diepte tussen 245, en 28 , meter -mv een vegetatieniveau of paleosol aanwezig. De oorspronkelijke top van het dekzand is niet meer intact , hetgeen valt af te leiden uit het ontbreken van een intacte podzol. De C-horizont wordt in de meeste gevallen afgedekt door een BC-horizont. In een tweetal boringen is er nog een zeer klein restje van een B-Horizont bewaard , maar bij de overige boringen is – hoofdzakelijk door menselijke ingrepen (i. e. ploegen en graven) – de oorspronkelijk podzolbodem grotendeels verdwenen. ⎯ Is de bodem intact of werden verstoringen vastgesteld? Er is geen sprake van een intacte of deels intacte podzol. Met name het regelmatig ploegen heeft ervoor gezorgd dat de bovenste bodemlagen zijn verstoord.
Het resultaat hiervan is een humeuze ploeglaag met een dikte van 03 , tot 04 , 5 meter. Ook is er , zoals verwacht sprake van enige doorworteling als gevolg van de vroegere aanwezigheid van bomen en er zijn ook lagen aangeboord die wijzen in de richting van menselijke activiteiten in het plangebied. ⎯ Werden binnen het plangebied (aanwijzingen voor de aanwezigheid van) vindplaatsen vastgesteld? Zo ja , binnen welk deel van het plangebied en op welk niveau/diepte? Er zijn binnen het plangebied wel aanwijzingen voor de aanwezigheid van vindplaatsen vastgesteld. Aan het maaiveld zijn drie stuks vuursteen gevonden , waarvan twee bewerkt. Deze vondsten liggen volledig in lijn met wat eerder direct ten zuiden van het plangebied is vastgesteld. Toen werden talrijke vuurstenen voorwerpen en afslagen gevonden die wezen op menselijke activiteit/bewoning uit het Mesolithicum. De vondsten in het plangebied zijn hiervan een verderzetting. Sporen van deze bewoning zijn echter wellicht opgenomen in de ploeglaag en dus niet meer intact bewaard. Overige oppervlaktevondsten laten zien dat dit gebied wellicht pas na de late middeleeuwen in cultuur is geraakt. Dit bleek ook reeds uit het vooronderzoek. Er zijn ook geen andere aanwijzingen voor de aanwezigheid van vindplaatsen uit periodes na het mesolithicum vastgesteld.
⎯ Bestaat binnen het plangebied een verwachting op het voorkomen van vindplaatsen? Zo ja , binnen welk deel van het plangebied en op welk niveau/diepte? Met andere woorden: kan het verwachtingsmodel uit het bureauonderzoek worden bijgesteld? In het plangebied is in het dekzand een paleosol of begraven bodem aangetroffen bestaande uit humeus zand en dit op een diepte tussen 245, en 285, meter -mv (036, en 004, meter +NAP). Deze bodem is ontstaan in de periode tussen het oude en het jonge Dryas , tijdens het Allerød interstadiaal , een warmere fase in de laatste ijstijd. In en op deze paleosol kunnen dus nog resten voorkomen uit het finaal- en laat-paleolithicum. Echter eerder is reeds vrij intensief onderzoek gedaan naar deze paleosols , in een plangebied direct ten zuiden van het huidige. Ondanks de goede bewaringscondities leverde dit niveau echter geen archeologische resten op. Bovendien wordt de begraven bodem in het huidige plangebied tot meer dan een meter dieper verwacht dan in het andere onderzoeksgebied. Vandaar dat de middelhoge verwachting voor het Paleolithicum kan daarom worden bijgesteld naar laag. De oorspronkelijke top van het dekzand blijkt niet meer intact te zijn. Hierdoor zullen vondststrooiingen en ondiepe grondsporen niet meer in situ bewaard zijn gebleven en kan de hoge verwachting voor vindplaatsen uit het Mesolithicum worden bijgesteld naar laag.
De top van het dekzand is ook voor de perioden nadien het archeologisch relevante niveau. Voor de periode vanaf het Neolithicum tot en met de Middeleeuwen valt niet uit te sluiten dat in de ⎯
52
ARTEFACT! RAPPORT 1070
KOEWACHT VUURSTEEN
top van de C-horizont
nog (de onderkanten van dieper ingegraven) grondsporen aanwezig zijn. Tijdens de veldkartering is echter geen enkele indicator uit deze periodes gevonden. Noch zijn in de boringen er lagen gevonden die sporen uit deze periode laten vermoeden. Daarom wordt de archeologische verwachting voor het Neolithicum tot en met de Middeleeuwen bijgesteld van hoog naar laag. Voor de Nieuwe Tijd is er geen aanleiding om de lage verwachting bij te stellen ⎯ Worden de (vastgestelde of verwachte) archeologische waarden bedreigd door de voorgenomen planontwikkeling? Er zullen in het plangebied verschillende typen woningen worden gerealiseerd. Deze bezitten telkens een tuin en worden ontsloten via een nieuw aan te leggen toegangsweg. Langs deze weg worden tevens parkeerplaatsen voorzien. Voor perceel N650 (de huidige akker) is reeds een inrichtingsplan voorzien , voor N1467 (de huidige parkeerplaats) is dit nog niet beschikbaar. De concrete bouwplannen worden nog nader uitgewerkt. Het is dat mogelijk dat verwachte archeologische waarden zullen worden bedreigd door de voorgenomen planontwikkeling , bijvoorbeeld bij het aanbrengen van diepe funderingen , eventuele kelders , rioolinfrastructuren en kabels en leidingen. Deze kans wordt echter als laag ingeschat.
⎯ Is het plangebied in voldoende mate onderzocht? Zo nee , welke vorm van vervolgonderzoek wordt geadviseerd? Het plangebied is voorlopig in voldoende mate onderzocht. Voor de huidige bodemingrepen wordt geen verder onderzoek noodzakelijk geacht. Dit advies wordt toegelicht en geïllustreerd in hoofdstuk 4. 2.
Advies
4. 2
In bovenstaande hoofdstukken wordt het archeologisch potentieel binnen het onderzoeksgebied geïllustreerd. Hieruit komt naar voren dat voor het plangebied een lage verwachting heeft op het aantreffen van archeologische resten uit: ⎯ ⎯
het laat- tot finaal-Paleolithicum in en op de begraven bodem in het Laagpakket van Wierden , op een diepte tussen 24 , 5 en 28 , 8 meter -mv. Het mesolithicum tot de nieuwe tijd in de top van de het Laagpakket van Wierden , tussen 03 , en 07 , meter mv.
Het plan voorziet in de bouw van verschillende woningtypen en de noodzakelijke inrichting , waaronder het aanleggen van kabels , leidingen , verharding en groen. De exacte details van deze planvorming zijn momenteel nog niet bekend. Echter , op basis van de resultaten van zowel dit onderzoek als het reeds uitgevoerde onderzoek in het direct aangrenzende gebied , wordt de kans gering geacht dat de voorziene ingrepen aanwezige archeologische resten zouden kunnen vernietigen. In het kader van de BOPA wordt verder archeologisch onderzoek dan ook niet meer noodzakelijk geacht. Daarbij dient wel het volgende te worden opgemerkt: Het is nooit uit te sluiten dat , ondanks vervolgonderzoek , relevante archeologische vindplaatsen in de bodem verborgen zijn die in de uitvoeringsfase van de toekomstige graafwerkzaamheden aan het licht komen. Voor dergelijke vondsten bestaat een wettelijke meldingsplicht op grond van artikel 5. 10 van de Erfgoedwet (2016).
Om ervoor te zorgen dat aan deze wettelijke plicht wordt voldaan bij het eventueel aantreffen van sporen en/of vondsten tijdens de uitvoering van de werkzaamheden , wordt verzocht om navolgende tekst in het uitvoeringsbestek op te nemen: Archeologie Ondanks vervolgonderzoek is niettemin de kans aanwezig dat archeologische sporen en vondsten in de bodem aanwezig zijn en dat deze in de uitvoeringsfase van de graaf- en inrichtingswerkzaamheden aan het licht komen. Voor dergelijke vondsten bestaat een wettelijke meldingsplicht ex. artikel 5. 10 van de Erfgoedwet uit 2016. Bij graafwerkzaamheden dient men dan ook attent te zijn op eventuele vondsten. Opdrachtgever verplicht de aannemers om attent te zijn op eventuele vondsten en/of sporen tijdens de werkzaamheden en verplicht hen archeologische vondsten direct te melden bij de bevoegde overheid. 53
ARTEFACT! RAPPORT 1070
KOEWACHT VUURSTEEN
Figuur 27 Advieskaart archeologie. Bron: Esri Nederland , Community Map Contributors.
54
ARTEFACT! RAPPORT 1070
Lijst met
KOEWACHT VUURSTEEN
figuren
Figuur 1 Ligging in Nederland. Bron: Esri Nederland
,
Community Map Contributors.
. . .. . .. .. . .. . .. . .. .. . .. . .. . .. . .. .. . .. . .. . .. .. . .. . 7
Figuur 2 Ligging van het plangebied (rode polygoon) op een uitsnede van de Topografische Kaart en de kadasterkaart met perceelsgrenzen. Bron: Esri Nederland , Community Map Contributors. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 8 Figuur 3 Projectie van het plangebied (rode polygoon) op een uitsnede van een luchtfoto (2024). Bron: Atlas van Zeeland. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 13 Figuur 4 Inrichtingsplan voor perceel N650. Bron: opdrachtgever.
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 14
Figuur 5 Paleogeografische ontwikkeling Zeeland. Blauwe stip: ligging plangebied. Bron: Vos et al. 2018. Zie ook figuur 6. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 17 Figuur 6 Paleogeografische ontwikkeling Zeeland. Blauwe stip: ligging plangebied. Bron: Vos et al. 2018. . . . . . . . . . . . . . . 19 Figuur 7 Projectie van het plangebied (in rood) en situering van de dichtstbijzijnde relevante DINO-boringen op een uitsnede van de Geologische Kaart. Bron: Van Rummelen 1977a. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 21 Figuur 8 Projectie van het onderzoeksgebied (in rood) op een uitsnede van de digitale Bodemaart van Nederland. Bron: geodata. nationaalgeoregister , dd. 16-09-2025. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 22 Figuur 9 Uitsnede van de Ruilverkaveling Zuiddorpe- Clinge Bodemkaart in gedetailleerd overzicht.
Bron: van der Sluijs , Ovaa , Bazen en de Buck , 1964. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 23 Figuur 10 Projectie van het plangebied (in rood) op een uitsnede van de Geomorfologische Kaart van Nederland. Bron: Brus en de Lange 1987. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 24 Figuur 1 Projectie van het plangebied (zwarte polygoon) op een bewerkte uitsnede van het Actueel Hoogtebestand Nederland en het Digitaal Hoogtemodel Vlaanderen (DHMV). Bron: www. pdok. nl (AHN4 05 , meter raster DTM) en download. vlaanderen. be (DHMII , DTM raster 1 m). . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 25 Figuur 12 Projectie van het plangebied (zwarte polygoon) op een bewerkte uitsnede van het Actueel Hoogtebestand Nederland. Bron: www. pdok. nl (AHN4 05 , meter raster DTM). . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 25 e Figuur 13 Uitsnede uit een vroeg-17-eeuwse kopie door Van Thuyne van de “Figurative kaert van de gelegendheyd van Vlaenderen , ten tyde van graef Guy van Dampierre uit 1274”. In detail is hier het gebied rond Assenede , Axel en Hulst weergegeven. De verschillende kleuren geven de afzonderlijke ambachten aan. De blauwe pijl geeft Hage (Terhagen) aan. Het plangebied is op deze kaart niet aan te duiden , hiervoor ontbreken voldoende topografische referenties , het is te situeren ten zuiden tot zuidoosten van Haghe. Bron: RAG-VZ1-5. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 28
Figuur 14 Uitsnede van de Ostium Scaldis , door C. Sgrooten , een kaart van de Zeeuwse Delta uit 1573. Bron: Koninklijke Bibliotheek van België. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 29 Figuur 15 “Kaerte van Hulster ambacht , de nieuwe dykagie tusschen Hulst en 't Sas van Ghendt met alle de forten en redouten mede het balliuschap van 't landt van Waes” door Pieter Verbist , 1640. De globale ligging van het plangebied is met een blauwe cirkel aangegeven. BRON: RAG-VZ1-713. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 31
55
ARTEFACT! RAPPORT 1070
KOEWACHT VUURSTEEN
Figuur 16 Gegeorefereerde uitsnede van blad 8 van de Kaarte van “Staats Vlaanderen met de oude en nieuwe limiten mitsgaders de Schelde by Lillo” door W. T. Hattinga in 1745. Bron: Zeeuws Archief , Atlassen Hattinga. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 32 Figuur 17 Gegeorefereerde uitsnede van de “Kaarte der Polder Oostenblij besuijden . . . . ” door A. en J. de Neef , uit 1703 in een kopie door D. W. Hattinga uit 1746. Bron: Zeeuws Archief , Atlassen Hattinga. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 3 Figuur 18 Projectie van het plangebied (zwarte polygoon) op een uitsnede van de gedigitaliseerde Kadastrale Minuut , omstreeks 1830. De percelen zijn ingekleurd op basis van het belastbaar grondgebruik. Bron: Geoloket Provincie Zeeland. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 3 Figuur 19 Projectie van het plangebied (roze polygoon) op de Topografische Kaart uit 1850 , 1916 , 1935 , 1950 , 1968 , 1985 , 1995 en 2005. Bron: Esri Nederland , Kadaster. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 34 Figuur 20 Onderzoeken , vondstlocaties en vindplaatsen in de omgeving van het plangebied. Gegevens ontleend aan Archis 3. Bron: Esri Nederland , Community Map Contributors. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 39 Figuur 21 Projectie van het plangebied op een luchtfoto uit 1959. Bron: Geoloket Atlas van Zeeland.
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 43
Figuur 22 Boorpunten op een uitsnede van de Topografische Kaart. Bron: Esri Nederland , Community Map Contributors. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 48 Figuur 23 Foto links: Het boorresidu bij boring 6. Boven de meetlat: 0-1 meter -mv. Onder de meetlat: 1-2 meter mv. rechts: 2-325, m -mv. De rode pijl duidt de paleosol aan op 26 , meter -mv. Foto rechts: detail van de paleosol of begraven bodem in boring 6. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 49 Figuur 24 Gaafheid van de bodem zoals vastgesteld in de boringen. Bron: Esri Nederland , Community Map Contributors. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .
50 Figuur 25 Vuursteenvondsten veldkartering.
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 50
Figuur 26 Resultaten oppervlaktekartering. Bron: www. pdok. nl (AHN4 05 , meter raster DTM). . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 51 Figuur 27 Advieskaart archeologie. Bron: Esri Nederland , Community Map Contributors.
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 54
56
ARTEFACT!
RAPPORT
KOEWACHT
VUURSTEEN
Interim-beleid
archeologie
1070
Bronnen Literatuur
Archeologisch beleid Gemeente Terneuzen , 2011. Beleidsnota , De onderste Gemeente
boven?
steen
Terneuzen.
Briels , I. R. P. M.
en N. J. G. de
Visser , 2015a. De Tempelhof bureavonderzoek. Gemeente Terneuzen , Terneuzen.
en het
Hospitaal
Briels , LR. P. M.
Torenberg
te
bureavonderzoek.
en
NJ. G. de Visser , 2015b. De Gemeente Terneuzen , Terneuzen.
te Zaamslag
Zaamslag
—
Een
Een
—
uitgebreid archeologisch uitgebreid
archeologisch
Brus , D. J. en G. W. de Lange , 1987. Geomorfologische Kaart van Nederland , schaal 1:50. 000 , kaartblad 53 Sluis — 54 Terneuzen — 55 Hulst — 47 Cadzand — 48 Middelburg — 49 Bergen op Zoom (gedeeltelijk). Wageningen , Stichting voor
Bodemkartering.
Coppens , E. met bijdragen van F. Cruz , L. Allemeersch en A. Storme , 2024. Koewacht Emmabaan Vuursteen). Opgraving — variant archeologische begeleiding. Artefact! Rapport 947 , Zaamslag.
AXLooN149o
(wijk
Gils , R. en (geBanonimise rd) H. M. le Page , 2004. De Spaanse linies tussen Sas van Gent en Hulst in de Tachtigjarige Oorlog (1568 1648) , In: Kruijf , T. de (red. ) , Atlas van de historische vestingwerken in Nederland. Zeeland , Utrecht. Gottschalk , M. K. E. , 1983. Historische geografie
westelijk Zeeuws-Vlaanderen. Deel
van
van 1404 , Dieren.
—
1. Tot de Sint-Elisabethsvloed
M. K. E. , 1984. De Vier Ambachten en het Land van Saeftinghe in de Middeleeuwen: geografisch onderzoek betreffende Oost-Zeeuws-Vlaanderen , Assen: Koninklijke Van Gorcum. Gottschalk
historisch-
een
van het archief van de polder Oud Beoosten Blij Bezuiden , 1634-1965 , in: Gebundelde de archieven van de polders en waterschappen van het voormalige Waterschap Axeler Ambacht , 1595-1965 , pp. 69-82. Terneuzen : Waterschap De Drie Ambachten.
Hollestelle , L. M. , 1989. Inventaris inventarissen
van
Jongepier , J. en K. -J. R. Kerckhaert , 2014. Koewacht Emmabaan 5 inventariserend veldonderzoek overig (IVO-o) door middel van veldverkenningen aan de Emmabaan 5 in Koewacht , Gemeente Terneuzen , Zeeland. SCEZ , Middelburg. Kraker , A. M. J. de , 2004. De polders in de Zeeuwse delta door de eeuwen heen. In Deltalandschap , natuur Nederland in historisch perspectief. Het Zeeuws Landschap , Heinkenszand , 43-74.
van Zuidwest
Kraker , A. M. J. de , 2015. Historisch geografisch onderzoek
Zaamslag.
Kwaliteitsnorm
Nederlandse Gouda. Bodembeheer ,
Archeologie
(KNA) ,
naar
versie
elf archeologische 4. 2 ,
Stichting
en
sites in de gemeente
Infrastructuur
en
van
Groningen.
Noens , G. P. Laloo
Standaardrapport
en J. H. Mikkelsen , van een inventariserend
der Aa , 2003.
De
ondergrond
van
Koewacht-Emmabaan (gemeente veldonderzoek (IVO-O/P). GATE-rapport
2012.
Nederland.
Terneuzen.
Kwaliteitsborging
Lases , W. B. P. M. en A. M. J. de Kraker , 2009. De Westerschelde , natuurlijk? Verdieping van en ontpoldering Westerschelde in historisch perspectief geplaatst. In: Tijdschrift voor Waterstaatsgeschiedenis 18/ 2 , 25-39. de Mulder , E. F. J. de , T. Kuijt en M. G. F. M.
landschap
langs de
Wolters-Noordhoff ,
Terneuzen , Provincie 33 , Evergem.
Zeeland): 57
ARTEFACT! RAPPORT 1070
KOEWACHT VUURSTEEN
Provinciaal Blad van Zeeland , nr. 8080 , 2019. Besluit van gedeputeerde staten van Zeeland van 10 december 2019 , kenmerk 19434306 , houdende vaststelling regeling aanvullende richtlijnen voor archeologisch onderzoek in de provincie Zeeland 2019. Provincie Zeeland , 2017. Wie wat bewaart , die heeft wat. Provinciale Onderzoeksagenda Archeologie Zeeland 20172020. Middelburg. Provincie Zeeland , 2021. Uitvoeringsprogramma Provinciale Onderzoeksagenda Archeologie Zeeland 2021. van Rummelen
F. F. F. E. van , 1977a. Geologische Kaart van Nederland , Zeeuwsch-Vlaanderen (Oostblad) , 1: 50. 000 , Rijks Geologische Dienst , Haarlem. van Rummelen F. F. F. E. van , 1977b. Toelichtingen bij de Geologische 50. 000 , Rijks Geologische Dienst , Haarlem.
Kaart van Nederland
van der Sluijs , I. Ovaa , M. A. Bazen en J. de Buck , 1964. De bodemgesteldheid ‘Zuiddorpe – Clinge”. Stichting voor Bodemkartering , Wageningen.
,
Zeeuwsch-Vlaanderen
, 1:
van het ruilverkavelingsgebied
Termote , J. en A. Zwaenepoel , 2004. Forten en verdedigingswerken in het Oost- en West-Vlaamse Krekengebied. Inventarisatie , beschrijving , beheerssituatie , visieontwikkeling , Sint-Michiels-Brugge. Tys D. , 2010. Embankment as a Social Practice. The historical study of embankments and rising sea level in medieval coastal Flanders and understanding environmental sustainability , geraadpleegd our op http://vub. academia. edu/DriesTys/Papers/1560800/EMBANKMENTS_AS_A_SOCIAL_PRACTICE_The_historical_stu
dy_of_embankments_and_rising_sea_level_in_medieval_coastal_Flanders_and_our_understanding_of_environmen tal_sustainability
Visser , N. J. G. de en R. Emaus , 2014. Project Leemten Bedrijventerreinen. Artefact! Rapport 26 , Middelburg. Visser , N. J. G. de en H. de Weerd EDUFACT rapport 9 , Middelburg.
, 2017.
in Kennis. Gemeente
Terneuzen.
Buitengebied
Handleiding vrijstellingenkaart archeologie 2017. Gemeente
en
Terneuzen.
Vos , P. C. en R. M. van Heeringen , 1997. Holocene geology and occupation history of the province of Zeeland (SW Netherlands) , in: M. M. Fischer , Holocene evolutions of Zeeland (SW Netherlands) , Mededelingen Nederlands Instituut voor Toegapaste Geowetenschappen TNO , 59 , 5-109. Vos , P. en S. de Vries 2013: 2e generatie palaeogeografische kaarten van Nederland (versie 2. 0). Deltares , Utrecht. Op 25 september 2019 gedownload van www. cultureelerfgoed. nl. Weerd , H. de en K-J. R. Kerckhaert , 2014. Handleiding Vrijstellingenkaart archeologie Gemeente Terneuzen. Stichting Cultureel Erfgoed Zeeland , Middelburg. Websites Atlas van Zeeland: https://kaarten. zeeland. nl/map/atlasvanzeeland Archis: archis. cultureelerfgoed. nl
Bodeminformatie Zeeland: https://zeeland. nazca4u. nl/Rapportage/ Bodemloket via www. bodemloket. nl 58
ARTEFACT! RAPPORT 1070
KOEWACHT VUURSTEEN
Cultuurhistorische Hoofdstructuur: http://zldgwb. zeeland. nl/gwbh5/?Viewer=Cultuur%20Historie DINOloket: www. dinoloket. nl Esri Nederland: www. beeldmateriaal. nl Indicatieve Kaart Militair Erfgoed (IKME): www. ikme. nl/ Wageningen University & Research (luchtfoto’s Tweede Wereldoorlog): https://library. wur. nl/WebQuery/geoportal/raf Zeeuws Archief: https://www. zeeuwsarchief. nl/
59
ARTEFACT! RAPPORT 1070
Bijlage 1
KOEWACHT VUURSTEEN
AMZ-cyclus
De KNA processen in relatie tot de Archeologische Monumentenzorg (AMZ). Bron: SIKB , Protocol 4001 , Versie 4. 2 , d. d. 14 maart 2022:p. 4