CConstaterende datTerneuzen
Koppel je AI →
Document · PDF

2024-09-11 - bijlage 1 Concept ruimtelijke onderbouwing Herengracht 15 Terneuzen (geanonimiseerd)

gemeenteraad 26 september 2024, gemeente TerneuzenBij agendapunt: Vaststellen bindend advies woningontwikkeling Herengracht 15 Terneuzen38.715 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 5

EN VONDSTEN

Naam

Zeeuws

Archeologisch Depot

Contactpersoon

(geanonimiseerd) (geanonimiseerd)

Adres

(geanonimiseerd) (geanonimiseerd) (geanonimiseerd) Postbus 49, B (geanonimiseerd) Middelburg

Telefoon

0118

Email

(geanonimiseerd) BWeerfgoedzeeland.nl

E-depot

EDNA

670870

(E-Depot

Nederlandse

archeologie

via

www.easy.dans.knaw.nl)

UITVOERDER Naam

Artefact! Advies

Contactpersoon

(geanonimiseerd) (geanonimiseerd)

Adres

(geanonimiseerd) (geanonimiseerd) (geanonimiseerd)

Telefoon

0115

Email

janwattenberghe@artefact-info.nl

Certificaat

ARC-010/3

en

Onderzoek in

Erfgoed

B.V.

851614

-

BRL40oo

SIKB:

protocollen 4002, 4003 en 4004

ONDERZOEKSGEGEVENS

Planologische aanleiding

Buitenplanse OmgevingsPlanActiviteit (BOPA) omgevingsvergunning

Begin/einddatum veldwerk

17 mei 2024

Projectnummer Artefact

2024ART97

Archis

5606386100

onderzoeksmelding

Vindplaats(en)

Vestingwerken vit de 16° eeuw (BEWV.VX) Bewoning vit de (Late) Nieuwe Tijd en Recente Tijd (BEWV.X)

ARTEFACT

RAPPORT

TERNEUZEN

g12

1

Inleiding

1.1

Aanleiding

HERENGRACHT 15

het onderzoek

van

(geanonimiseerd) BM heeft Artefact!

Erfgoed een archeologisch bureavonderzoek en een boringen uitgevoerd binnen een plangebied gelegen aan de Herengracht 15 te Terneuzen (gemeente Terneuzen, figuur 1 en 2). De aanleiding tot het onderzoek vormt het voornemen om het huidige pand, een voormalig ABN Amro bankkantoor, te slopen en te vervangen door een nieuwbouwproject. Het plangebied omvat (delen van) percelen die kadastraal bekend staan onder Gemeente Terneuzen, Sectie L, Perceel 2922, 2930, 3837 en 3390. Het beslaat een oppervlakte van circa 2.230 vierkante meter. In

opdracht

van

Advies

inventariserend veldonderzoek door middel

en

van

45600 1

Onderzoek

in

verkennende

48000

50400 Í

1

a

od + 5

Oo

s

5oo

21000M

pr HOE ef

%

8

°

EN

a

Plangebied 8

N252

o kel el 8 A 5

Terneuzen

N290

ie 0 all

8

N61

en

N

rg

vans, N62

Kd

Figuur

1

Ligging

van

het

plangebied

in Nederland, schaal

1:60.oo0.

Bron:

ESRI

5

/

Nederland, Community Map Contributors

2024.

Het

ligt gesitveerd binnen het bestemmingsplan Terneuzen Centrum (2013) met een enkelbestemming Mogelijk aanwezige archeologische waarden worden planologisch beschermd door een dubbelbestemming waarde archeologie 1. Dit houdt in dat binnen het plangebied een verbod geldt op het uitvoeren van (graaf)werkzaamheden die groter zijn dan 100 vierkante meter en dieper reiken dan 0,50 meter beneden maaiveld. Dergelijke werkzaamheden zijn wel vergunbaar mits een archeologisch onderzoeksrapport wordt voorgelegd waarin wordt aangetoond dat geen archeologische waarden aanwezig zijn, dat deze niet behoudenswaardig zijn of dat deze door de voorgenomen werkzaamheden niet onevenredig worden geschaad. Daar de vrijstellingsgrenzen zullen worden overschreven dient in het kader van de benodigde Buitenplanse OmgevingsPlanActiviteit (BOPA) omgevingsvergunning een archeologisch onderzoeksrapport te worden voorgelegd. te

onderzoeken

gebied

Kantoor

en

Verkeer.

ARTEFACT RAPPORT 912

TERNEUZEN HERENGRACHT

15

Figuur 2 Ligging van het plangebied op een uitsnede van de Topografische Kaart, schaal 1:6. 000. Bron: ESRI Nederland, Community Map Contributors 2024.

1. 2

Doel

van

het onderzoek

en

onderzoeksvragen

Conform de AMZ‐cyclus start een archeologisch onderzoek steeds met een bureauonderzoek. Het doel van een bureauonderzoek is het opstellen van een gespecificeerde, archeologische verwachting, met behulp van informatie van bestaande bronnen over bekende of verwachte archeologische waarden binnen een omschreven gebied. Het resultaat is een standaardrapport met een advies op basis waarvan de bevoegde overheid een besluit kan nemen over het al dan niet laten uitvoeren van vervolgonderzoek. 1 De resultaten van het standaardrapport bureauonderzoek kunnen leiden tot één van de volgende uitkomsten: Er zijn onvoldoende data: er wordt nader archeologisch onderzoek geadviseerd conform protocol Inventariserend Veldonderzoek

4003

Er zijn voldoende data: er wordt geen vervolgonderzoek geadviseerd Het doel van een inventariserend veldonderzoek is het aanvullen en toetsen van de gespecificeerde archeologische verwachting, zoals geformuleerd in het bureauonderzoek en/of in het Programma van Eisen. Het gaat om gebieds‐ of vindplaatsgericht onderzoek. Inventariserend veldonderzoek gebeurt door middel van waarnemingen in het veld, waarbij (extra) informatie wordt verkregen over bekende en/of verwachte archeologische waarden in een onderzoeksgebied. Dit omvat de aan‐ of afwezigheid, de aard, de omvang, de datering, de gaafheid, de conservering 1 SIKB,

Protocol 4002, Versie 4. 1, d. d. 19 februari 2018: p. 4.

8

ARTEFACT RAPPORT 912

TERNEUZEN HERENGRACHT

15

de inhoudelijke kwaliteit van de archeologische waarden. Een inventariserend veldonderzoek kan uitgevoerd worden als een IVO‐proefsleuvenonderzoek (IVO‐P waarbij veldwerk bestaat uit het aanleggen van proefsleuven en/of proefputten) of als een IVO‐overig (IVO‐O waarbij het veldwerk kan bestaan uit oppervlaktekartering, boringen, profielputjes of geofysisch onderzoek). 2 en

Een inventariserend veldonderzoek kent drie mogelijke fasen: een verkennende, een karterende en een waarderende fase. Het is vanzelfsprekend niet steeds noodzakelijk al deze fasen te doorlopen. De verkennende fase heeft als doel om inzicht te krijgen in de vormeenheden van het landschap die van invloed zijn op de locatiekeuze in het verleden. Dit kan met een eenvoudige terreininspectie, maar ook door geo‐archeologisch booronderzoek en het graven van profielputjes. Doel daarbij is het uitsluiten van kansarme zones en het selecteren van kansrijke zones voor de volgende vormen van onderzoek. Tijdens de karterende fase wordt het terrein systematisch onderzocht op de aanwezigheid van vondsten en/of sporen.

Tijdens de waarderende fase kan het waarnemingsnet verdicht worden om de aard, omvang, datering, gaafheid, conservering en inhoudelijke kwaliteit van de archeologische resten vast te stellen. Het resultaat van een inventariserend veldonderzoek is een standaardrapport met een waardering en een inhoudelijk selectieadvies (buiten normen van tijd en geld), op basis waarvan een beleidsbeslissing (meestal een selectiebesluit) kan worden genomen. Om te komen tot het resultaat moeten de veldactiviteiten uitgevoerd worden tot het niveau waarop de beleidsbeslissing gefundeerd genomen kan worden, d. w. z. dat de archeologische waarden van het terrein/vindplaats in voldoende mate zijn vastgesteld. Indien er onvoldoende data voor waardering en selectie‐advies zijn, kunnen deze niet opgesteld worden. 3 Het advies kan dan zijn: vrijgeven, vervolgonderzoek en/of planologische bescherming. Het voorliggend onderzoek betreft een bureauonderzoek gecombineerd met een inventariserend veldonderzoek door middel van boringen (IVO‐O, verkennende fase). Conform de Regeling aanvullende richtlijnen voor archeologisch onderzoek in de provincie Zeeland 2019 4 dient een archeologisch vooronderzoek, behoudens anders besloten na overleg met de bevoegde overheid, immers (minimaal) te bestaan uit een bureauonderzoek gecombineerd met een inventariserend veldonderzoek door middel van (verkennende) boringen.

Het resultaat van het bureauonderzoek (het verwachtingsmodel) is opgenomen in hoofdstuk 2. 6. Het resultaat van het inventariserend veldonderzoek door middel van (verkennende) boringen is opgenomen in hoofdstuk 4. 1. Het bepalen van de landschappelijke vormeenheden staat daarbij voorop met als doel het uitsluiten van kansarme zones en het selecteren van kansrijke zones voor eventuele volgende vormen van onderzoek. Tijdens dit onderzoek worden de volgende vragen beantwoord: Wat is de geo(morfo)logische situatie binnen het plangebied? Is de bodem intact of werden verstoringen vastgesteld? Werden binnen het plangebied (aanwijzingen voor de aanwezigheid van) vindplaatsen vastgesteld? Zo ja, binnen welk deel van het plangebied en op welk niveau/diepte? Bestaat binnen het plangebied een verwachting op het voorkomen van vindplaatsen? Zo ja, binnen welk deel van het plan gebied en op welk niveau/diepte? Met andere woorden: kan het verwachtingsmodel uit het bureauonderzoek worden bijgesteld? Worden de (vastgestelde planontwikkeling?

of verwachte)

archeologische

Is het plangebied in voldoende mate onderzocht? Zo geadviseerd?

2

SIKB, Protocol 4003, Versie 4. 1, d. d. 19 februari 2018: p. 4 Protocol 4003, Versie 4. 1, d. d. 19 februari 2018: p. 4‐5. 4 Provinciaal Blad van Zeeland nr. 8080, 12 december 2019. 3 SIKB,

waarden

nee,

welke

bedreigd

door

vorm

vervolgonderzoek wordt

van

de

voorgenomen

9

ARTEFACT RAPPORT 912

TERNEUZEN HERENGRACHT

15

Wettelijk kader en beleid

1. 3

De zorg voor het (archeologisch) erfgoed werd in Nederland gereguleerd in de Monumentenwet 1988. In 1992 werd het Europese Verdrag van Malta door de lidstaten ondertekend. Het verdrag beoogt het cultureel erfgoed, dat zich in de bodem bevindt, beter te beschermen. De drie belangrijkste bepalingen daarbij zijn het behoud in situ, een goede en vroegtijdige inpassing in het ruimtelijke ordening(proces) en het verstoorder betaalt principe. Dit verdrag werd binnen de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd met de Wet op de archeologische monumentenzorg uit 2007. Met de komst van de (herziene) Wet op de archeologische Monumentenzorg (Wamz) in 2007 en de Wet ruimtelijke ordening (Wro) in 2008 werd de verantwoordelijkheid voor het cultureel erfgoed in grote mate gedecentraliseerd en verschoven van Rijk en provincie naar de gemeenten. Gemeenten werden verantwoordelijk gehouden voor de omgang met archeologische waarden en dienden daartoe een eigen archeologiebeleid te voeren en te verankeren in de ruimtelijke ordening, c. q. bestemmingsplannen. Als gevolg van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo, 2010) werden de burgemeester en wethouders bevoegde overheid in het kader van de omgevingsvergunning. De bevoegdheid voor archeologische rijksmonumenten bleef echter onveranderd bij het Ministerie van OC&W, i. c. de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE).

Sinds 1 juli 2016 is de Erfgoedwet van kracht die samen met de op 1 januari 2024 in werking getreden Omgevingswet een integrale bescherming van het cultureel erfgoed mogelijk maken. Een gedeelte van de Monumentenwet is opgegaan in de Erfgoedwet, waar onder meer de certificering in de archeologie wordt geregeld. Alle regelingen rond (de omgang met cultureel erfgoed in) de fysieke leefomgeving zijn opgenomen in de Omgevingswet. Daarbinnen dient dus ook rekening te worden gehouden met het belang en behoud van cultureel erfgoed en werelderfgoed dat als onderdeel van de leefomgeving uit 5 elementen kan bestaan: monumenten (gebouwd erfgoed, tuinen, parken), stads‐ en dorpsgezichten, cultuurlandschappen, immaterieel erfgoed indien dat verbonden is aan specifieke locaties en dus ook (bekende of verwachte) archeologische monumenten. De bescherming van erfgoed wordt geregeld in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal), de omgevingsverordening en het omgevingsplan. Binnen de Omgevingswet bestaan drie wetsinstrumenten: De omgevingsvisie is een strategische visie voor de lange termijn voor de gehele fysieke leefomgeving. Deze wordt opgesteld door het Rijk, de provincie en de gemeente. Een omgevingsvisie gaat onder andere in op de samenhang tussen ruimte, water, milieu, natuur, landschap, verkeer en vervoer, infras tructuur en cultureel erfgoed.

Cultureel erfgoed draagt bij aan een goede omgevingskwaliteit en kan een brede, drijvende kracht zijn om opgaven uit andere sectoren met elkaar te verbinden. De omgevingsverordening bevat alle provinciale regels voor de fysieke leefomgeving. Dit kunnen regels zijn over activiteiten. Bijvoorbeeld regels over activiteiten in natuurgebieden. In uitzonderlijke gevallen kan de provincie ook regels stellen over de toedeling van functies aan locaties. De provincie moet de kernkwaliteiten van een aantal werelderfgoederen en erfgoederen op de Voorlopige Lijst van werelderfgoed uitwerken in hun omgevingsverordening. Ook stelt de provincie daartoe in de omgevingsverordening regels aan omgevingsplannen. Het omgevingsplan bevat alle algemene regels die de gemeente over de fysieke leefomgeving binnen haar grondgebied stelt. Er moet daarbij rekening worden gehouden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed en er moet een toereikend beschermingsregime worden opgenomen. Tot slot kan de gemeente (lokale) regels stellen om archeologische monumenten in de bodem te beschermen of ze deskundig te laten opgraven.

Eén van de uitgangspunten van de Omgevingswet is om zoveel mogelijk activiteiten te regelen met algemene regels. In sommige gevallen kan een initiatiefnemer volstaan met het doen van een melding voordat de activiteit mag worden uitgevoerd. Daarnaast is een beperkt aantal activiteiten vergunningplichtig. In die gevallen moet de initiatiefnemer een omgevingsvergunning aanvragen. Een aanvraag kan enkelvoudig of meervoudig zijn: met 1 aangevraagde activiteit of meerdere aangevraagde activiteiten. De omgevingsplanactiviteit (OPA) kent 2 vormen: 1.

Binnenplanse omgevingsplanactiviteit (OPA): dit is een activiteit waarvoor de gemeente in het omgevingsplan bepaalt dat het uitvoeren zonder omgevingsvergunning verboden is. De gemeente regelt in

10

ARTEFACT RAPPORT 912

TERNEUZEN HERENGRACHT

15

het omgevingsplan voor welke omgevingsplanactiviteiten een omgevingsvergunning nodig is. In het omgevingsplan worden ook de beoordelingsregels over het verlenen van de omgevingsvergunning opgenomen. Op basis van deze beoordelingsregels van de vergunning voor de omgevingsplanactiviteit voert de initiatiefnemer de benodigde gedetailleerde onderzoeken uit. 2.

Buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA): dit is een activiteit die in strijd is met de regels van het omgevingsplan. Het bevoegd gezag beoordeelt of de buitenplanse omgevingsplanactiviteit voldoet aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Onderdeel hiervan is het toetsen van de BOPA aan het geldende beleid van het Rijk, de provincie en de gemeente. Als de ontwikkeling afwijkt van het beleid maar toch wenselijk is, kan het bevoegd gezag de BOPA ook verlenen. Er is een goede motivering van het besluit in afwijking van het beleid nodig. De Omgevingsregeling stelt specifieke aanvraagvereisten voor de BOPA. Onder andere dat de aanvrager de gegevens verstrekt die nodig zijn om de gevolgen van die activiteit te beoordelen voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Het bevoegd gezag beslist over een vergunningaanvraag. Soms is het bevoegd gezag daarbij verplicht om advies of instemming te vragen. Bij meerdere samenhangende aanvragen bepaalt de coördinatieregeling welk bestuursorgaan de aanvraag coördineert. Soms vindt een activiteit plaats op het grondgebied van meer dan 1 gemeente, provincie of waterschap. Het bevoegd gezag is dan de gemeente, het waterschap of de provincie waar de activiteit in hoofdzaak zal worden verricht. Meestal is de gemeente het bevoegd gezag voor de algemene rijksregels in het omgevingsplan. Een en ander is afhankelijk van het orgaan dat ze gemaakt heeft. De provincie is het bevoegd gezag voor de algemene regels in de omgevingsverordening. Het waterschap is het bevoegd gezag voor de algemene regels in de waterschapsverordening. Archeologische rijksmonumenten en bevoegd gezag Archeologische rijksmonumenten worden aangewezen op grond van de Erfgoedwet. Voor de status van rijksmonument is het dus niet nodig om het monument of archeologisch monument in het omgevingsplan de functie ‘rijksmonument’ te geven. De daadwerkelijke bescherming van het rijksmonument komt tot stand met de in artikel 5. 1 lid 1 onder b van de Omgevingswet opgenomen vergunningplicht en de algemene regels in hoofdstuk 13 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal).

Gemeenten kunnen aan de locatie van een rijksmonument wel de functie ‘rijksmonument’ geven met het oog op het stellen van andere regels dan de eerder genoemde vergunningplicht en algemene regels. Daartoe kan de locatie van het rijksmonument ook worden verbeeld in het omgevingsplan. Dergelijke aanvullende regels kunnen bijvoorbeeld betrekking hebben op het gewenste of toegelaten gebruik van de locatie. De regels voor rijksmonumenten(activiteiten) zijn gesteld met het oog op het behoud van cultureel erfgoed. Voor een rijksmonumentenactiviteit is het college van burgemeester en wethouders het bevoegd gezag bij zogeheten meervoudige aanvragen. Dus bijvoorbeeld in combinatie met een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit of een omgevingsplanactiviteit. De minister van Onderwijs Cultuur en Wetenschap (OCW) heeft dan wel recht van advies en instemming. In de praktijk is dit de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed. Indien een aanvraag alleen betrekking heeft op een archeologische rijksmonumentenactiviteit (= enkelvoudige aanvraag) dan bepaalt de Omgevingswet en artikel 4. 13 van het Omgevingsbesluit dat de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) bevoegd gezag is. Dat geldt niet indien het rijksmonument in de territoriale zee buiten een gemeente ligt. In dat geval is de minister van Infrastructuur en Waterstaat het bevoegd gezag.

Voor een rijksmonumentenactiviteit die wordt verricht op dezelfde locatie als een activiteit waarvoor een door gedeputeerde staten verleende omgevingsvergunning geldt, zijn gedeputeerde staten het bevoegd gezag dat een maatwerkvoorschrift kan stellen. Onderzoeksagenda’s en richtlijnen Op landelijk niveau is een Nationale Onderzoeksagenda Archeologie (NOaA2) opgesteld waarin het Zeeuws kleigebied als archeoregio een afzonderlijk hoofdstuk vormt en de regiogebonden onderzoeksthema’s en ‐vragen toegelicht

11

ARTEFACT RAPPORT 912

TERNEUZEN HERENGRACHT

15

worden. Daarnaast worden in deze NOaA2 ook per periode en complextype specifieke onderzoeksthema’s en –vragen geformuleerd die richtinggevend kunnen zijn bij onderzoek. Het beleid van de provincie Zeeland ten aanzien van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ) is vastgelegd in de CultuurNota 2017‐2020. In februari 2017 heeft het College van Gedeputeerde Staten van Zeeland het ‘Toetsingskader archeologie Provincie Zeeland 2017’ vastgesteld.5 In het toetsingskader is vastgesteld wanneer archeologisch (voor)onderzoek noodzakelijk is indien de provincie als bevoegde overheid optreedt. Daarnaast werd in 2016 de Provinciale Onderzoeksagenda Archeologie Zeeland 2017‐2020 gepubliceerd waarin de kernthema’s en zwaartepunten voor archeologisch onderzoek in de provincie Zeeland worden gepresenteerd: Basale harde gegevens en diachrone datasets Archeologisch onderzoek in diepere bodemontsluitingen Uitwerking oud archeologisch onderzoek Verdronken land en dorpen Onderzoek naar infrastructuur Verdedigingswerken in Zeeland Boerderijen en rurale nederzettingen Voedseleconomie van stad en platteland Religieuze en rituele verschijningsvormen Scheeps‐ en onderwaterarcheologie Publiekswerking van archeologisch onderzoek Tot slot heeft de provincie ee n Regeling aanvullende richtlijnen voor archeologisch onderzoek in de provincie Zeeland 2019. 6

1. 4

Plangebied

en

planvorming

Het plangebied is gelegen aan de Herengracht 15 te Terneuzen (gemeente Terneuzen), op de hoek waar deze kruist met de Jongestraat. Het bevindt zich daarmee in het centrum van de stad, direct langs het water. Het terrein heeft een oppervlakte van circa 2. 230 vierkante meter en beslaat (delen van) percelen die kadastraal bekend staan onder Gemeente Terneuzen, Sectie L, Perceel 2922, 2930, 3837 en 339o. Daar het plangebied zich in stedelijk gebied bevindt, is deze momenteel bebouwd (figuur 3). Het huidige pand op de hoek van de Herengracht en de Jongestraat, het voormalige ABN Amro bankkantoor, heeft een oppervlakte van bijna 500 vierkante meter en is voor een derde deel onderkelderd tot circa 3,00 meter ‐mv. Achter het gebouw is een grote parkeerplaats aangelegd, ten behoeve van het ontvangen van klanten, met rondom smalle groenstroken. De initiatiefnemer heeft het voornemen om hier een nieuwbouwproject te realiseren. Dit nieuwbouwproject zal bestaan uit een commerciële ruimte en een aangrenzend appartementencomplex met bijbehorende parkeerplaatsen en bergingen (zie bijlage 4). Voor de commerciële ruimte is een oppervlakte van 538 vierkante meter voorzien en is met de ingang gelegen aan De Jongestraat. Hierboven en direct grenzend aan deze ruimte zal een woongebouw worden gerealiseerd met 28 appartementen.

Het appartementencomplex zal een aparte entree krijgen vanaf de Herengracht. Op dezelfde locatie als het huidige parkeerterrein, zullen nieuwe parkeerplaatsen worden gecreëerd met ten westen ervan een rij bergingen, corresponderend met het aantal woningen. Rondom de parkeerplaats en aan de voorzijde van het nieuwe pand worden tenslotte meerdere nieuwe groenstroken en bomen geplant. Tot op heden is echter nog niet bekend hoe diep de toekomstige plannen de bodem zullen gaan verstoren.

5

6

Toetsingskader archeologie Provincie Zeeland 2017, Provinciaal blad 2017 nr. 605, 15 februari 2017. Provinciaal Blad van Zeeland nr. 8080, 12 december 2019.

12

ARTEFACT RAPPORT 912

TERNEUZEN HERENGRACHT

Figuur 3 De huidige situatie van het plangebied, geprojecteerd op de luchtfoto van 2023. Bron: Beeldmateriaal. nl.

13

15

ARTEFACT RAPPORT 912

TERNEUZEN HERENGRACHT

2

Archeologisch bureauonderzoek

2. 1

Methoden

15

Het voorliggend hoofdstuk omvat de resultaten van het archeologisch bureauonderzoek. Het onderzoek is uitgevoerd conform protocol 4002 van de KNA 4. 1 en de Regeling aanvullende richtlijnen voor archeologisch onderzoek in de provincie Zeeland 2019. 7 Hierbij werden de volgende processtappen doorlopen: Processtap

Specificatie

Hoofdstuk

Afbakenen plan/onderzoeksgebied; vaststellen consequenties toekomstig gebruik

LS01

1. 4

Vermelden (en toepassen) overheidsbeleid

LS01

1. 3

Beschrijven huidig gebruik

LS02

1. 4

Beschrijven historische situatie

LS03

2. 3. 1

Beschrijven mogelijke verstoringen

LS03

2. 3. 2

Beschrijven mogelijke aanwezigheid bouwhistorische waarden ondergrond

LS02‐03‐04

2. 5

Beschrijven bekende aardwetenschappelijke kenmerken

LS04

2. 2. 2

Beschrijven bekende archeologische kenmerken

LS04

2. 4

Opstellen gespecificeerde verwachting

LS05

2. 6

Tijdens het uitvoeren van de bovengenoemde processtappen werd een groot aantal bronnen geraadpleegd. Deze worden hieronder benoemd en in het bronnenoverzicht nader gespecificeerd.

van

diverse aard

(Landelijke en regionale) bodem‐, geologische en geomorfologische (overzichts)kaarten

Paleogeografische kaarten Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) (Specialistische) literatuur Rapporten van eerder uitgevoerd archeolo gisch en cultuurhistorisch onderzoek Inrichtingsplannen en conditionerende onderzoeksrapporten: milieu, ecologie, niet‐gesprongen explosieven Lucht‐ en satellietfoto’s Kaartmateriaal: topografische (militaire) kaarten, oud(st)e kadasterkaarten, oude en/of historische kaarten Gemeentelijk en/of provinciaal archief Archeologische Monumenten Kaart (AMK) Het Archeologisch Informatie Systeem (Archis) Centraal Monumenten Archief (CMA) en Centraal Arc heologisch Archief (CAA) werden niet geraadpleegd omdat deze oude papieren archieven na de introductie door de ROB werden ingevoerd in Archis Cultuurhistorie: gemeentelijke waardenkaart en/of de provinciale Cultuurhistorische Hoofdstructuur (CHS) Data en Informatie van de Nederlandse Ondergrond (DINO) Gemeentelijke verwachtings‐ en beleidskaarten Indicatieve Kaart Archeo logische Waarden (IKAW), kaarten beschikbaar zijn

maar

enkel indien geen

meer

gedetailleerde regionale

Provinciaal depot: archief van het Zeeuws Archeologisch Depot (ZAD)

7

Provinciaal Blad van Zeeland nr. 8080, 12 december 2019.

14

ARTEFACT

RAPPORT

TERNEUZEN

g12

2.2

Landschap

2.2.1

Landschappelijke ontwikkeling

Zeeland

maakt

deel

vit

geologie

en

gestapeld landschap bestaande vit eolische waaronder het plangebied valt, vormt een afzettingen, hebben holocene met verschillende sedimentatiefasen zich afzettingen vrij complex geologisch geheel. Enerzijds ingesneden in het oudere landschap, anderzijds vormen zij een afdekkende laag waaronder het vroeg-holocene en pleistocene landschap nog intact bewaard kan zijn. Daartussen lopen dekzandruggen als landschappelijk relict vit de laatste ijstijd. Omdat de locatiekeuze van bewoning en nederzettingspatronen voor een groot deel worden bepaald door de mogelijkheden die het natuurlijke landschap daartoe bood, is het zinvol de landschappelijke ontwikkeling gedurende de laatste fase van het Pleistoceen en het Holoceen in beeld te krijgen. De landschappelijke evolutie van het Zeeuwse kustgebied kan worden geschetst aan de hand van de paleogeografische kaarten die door (geanonimiseerd) (geanonimiseerd) BJ en GM kaarten ontwikkeld door de analyse van grote hoeveelheden bodemdata en Paleogeografische zijn gepubliceerd? zijn bieden aan de hand van momentopnamen inzicht in het waarschijnlijke landschapsbeeld. De veranderende landschappelijke omgeving gedurende de laatste 12.000 jaar, en de globale ligging van het plangebied, wordt afgebeeld op figuur 4. van

het

HERENGRACHT 15

mariene sedimenten

zuidwestelijk zeekleigebied, en

sedentaat

een

sterk

(veen). Zeeuws-Vlaanderen,

De

geologische basis ter plaatse van het plangebied wordt gevormd door tertiaire stugge Boomse klei, behorende tot de Rupel Formatie, afgezet tussen 33,7 en 23,8 miljoen jaar geleden. Boven de Rupel Formatie liggen afzettingen van fluviatiele oorsprong, die tot de Formatie van Koewacht worden gerekend. De afzettingen van de Formatie van Koewacht worden gerelateerd aan de bedding van de Schelde, die hier gedurende het Vroeg-Pleniglaciaal of VroegGlaciaal haar stroomgebied heeft gehad. Deze bedding bestond uit een breed stroomgebied waarbinnen de rivier zich verspreidde in een vlechtwerk van smalle geulen. De afzettingen bestaan vit een pakket matig fijn tot grof zand, soms met laagjes herwerkte glauconietzanden of laagjes met meer silthoudend materiaal. Deze zanden bevatten ook geremanieerde schelpresten en grind (afgeronde vuursteen, afgeronde fosforietknollen, kalksteen en fijne kwarts). Tijdens geoarcheologisch booronderzoek binnen het projectgebied Nieuwe Sluis Terneuzen is hierin ook een geremanieerd versteend walvisbot en een stukje bot van onbekende oorsprong aangetroffen.> afzettingen van de Formatie van Koewacht worden afzettingen van de Formatie van Boxtel aangetroffen. vit het Dryas-stadiaal, één van de koude fasen vit het Laat-Glaciaal van het Weichselien.

Onderin dit de pakket, op grens met de afzettingen van de Formatie van Koewacht, is een laminatie van organische en anorganische lagen waarneembaar. Dit betreft eveneens Scheldeafzettingen. De grens tussen de Formatie van Boxtel en de Formatie van Koewacht is daardoor vaak erg complex en moeilijk waarneembaar. In het eerder genoemde onderzoek in het projectgebied Nieuwe Sluis Terneuzen kon toch een onderscheid worden gemaakt tussen de verschillende pakketten die de Formatie van Boxtel vormen. Ten eerste betreft het onderin fijne Scheldeafzettingen (Laagpakket van Singraven, Formatie van Boxtel), die in het Vroeg Pleniglaciaal en Vroeg Glaciaal zijn ontstaan in het meanderende riviersysteem. Ten tweede betreft het hierboven Schelderestgevlafzettingen (Laagpakket van van Formatie Boxtel), die zich tussen 45.000 en 35.000 jaar geleden hebben afgezet in de restgeul van de Singraven, Schelde. Ten derde betreft het dekzandafzettingen (Laagpakket van Wierden, Formatie van Boxtel) die tussen circa 16.000 en 10.000 jaar geleden onder eolische invloed zijn afgezet vanuit het droogliggende Noordzeebekken. Dit dekzand bestaat uit fijnzandige afzettingen met ingeschakelde leemlagen en een aantal gyttja- en venige Vooral in de van deze formatie is een opbouw van verschillende vegetatieniveaus gyttjalaagjes.”° laat-pleistocene fase (paleosols) waarneembaar.

In Zeeland kunnen deze laat-pleistocene venige lagen in het dekzand veelal gerelateerd worden aan het Allerad-interstadiaal: de warmere periode tussen het Oude Dryas en het Jonge Dryas. Recent onderzoek van een venige paleosol bij Heikant, circa 20 km ten zuidoosten van het plangebied, wijst uit dat die veenlaag een ouderdom heeft die overeenkomt met het midden van het Allered-interstadiaal, overeenkomend met de vorming van de laag van Usselo van laat-paleolithische ouderdom. De uitkomsten van de dateringen van de Bovenop

de

Deze dateren

8 9

(geanonimise rd) en (geanonimiseerd) | 2018. (geanonimise rd) et al. 2015.

1e, (geanonimiseerd) 19778, 12.

15

ARTEFACT

RAPPORT

TERNEUZEN

g12

HERENGRACHT 15

veenlaag zijn 11.120 +/- 50 BP (GrA 49518) voor de top en 11.650 +/- 50 BP ( GrA 49506) voorde basis. De 14 C-dateringen zijn gekalibreerd naar kalenderjaren voor heden (cal BP). De veenlaag heeft zich ontwikkeld tussen circa 13.000 en 13.500 jaar geleden.” Bij het

onderzoek

projectgebied Nieuwe Sluis Terneuzen zijn de verschillende niveaus die de aangetroffen op een diepte tussen circa 10 en 17 meter -NAP (Scheldeafzettingen), tussen circa 3 en 12 meter -NAP (Schelderestgeul-afzettingen) en tussen circa 2 en 5 meter -NAP (met een maximaal reliëf van circa 2 meter; Laagpakket van Wierden). De dikte van het Laagpakket van Wierden was hierbij slechts o,5 tot 1 meter. Het onderscheid tussen de Scheldeafzettingen en het Laagpakket van Wierden wordt in DINOook over eventuele ondergrondmodellen niet gemaakt. Het ondergrondmodel geeft geen informatie paleosols binnen de Formatie van Boxtel. (vegetatieniveaus) Formatie

ter

Boxtel

van

plaatse

van

het

vormen,

?

Het

pleistocene dekzandlandschap (Laagpakket van Wierden) vertoont ten zuiden van Terneuzen verschillende welvingen, waarvan de voornaamste de zogenaamde Grote Dekzandrug is. Deze is ontstaan tussen Maldegem en Stekene (Oost-Vlaanderen, België), waar de eolische zanden werden tegengehouden door hoger gelegen tertiaire klei. Zo kon zich een uitgestrekte, brede dekzandrug vormen. Deze duikt op ter hoogte van Gistel (West-Vlaanderen, België) en is met korte onderbrekingen van Maldegem tot Stekene (Oost-Vlaanderen, België) in de ondergrond aanwezig. Vanaf Stekene buigt de rug meer naar het noorden af, over Hulst en Saaftinge tot bij Rilland (dit deel wordt ook de Rillandrug genoemd). De zogenaamde Rillandrug verhinderde dat de toenmalige Scheldeloop een westelijke richting kon nemen. afloop van de laatste ijstijd (en het einde van het Pleistoceen) werd het klimaat warmer en begon het Holoceen. van de ijskap ten gevolge van de toegenomen temperatuur, begon de zeespiegel vanaf het LaatAtlanticum sterk te stijgen. De sterke stuwing van het grondwater veroorzaakte op vele plaatsen langs het westelijke een sterke kustgebied veengroei (Basisveen Laagpakket; Formatie van Nieuwkoop). Tijdens het holoceen maximum ontstonden vervolgens mariene afzettingen van het Laagpakket van Wormer (Formatie van Naaldwijk).

Op dat ogenblik was de gemiddelde temperatuur het hoogst en bevond ook de zeespiegel zich op een maximum. Er ontstond in grote delen van Zeeland een getijdenlandschap, doorsneden door brede geulen. In deze gevlen werden oudere holocene en pleistocene afzettingen opgeruimd. Andere delen raakten bedekt met dikke lagen marien sediment. In grote delen van Zeeuws-Vlaanderen is de invloed van de Formatie van Naaldwijk echter beperkt gebleven. Enkel lager gelegen delen in het viterste westen van Zeeuws-Vlaanderen en noordelijke delen van Oost-Zeeuws-Vlaanderen zijn overstroomd door de zee. In de omgeving van het huidige plangebied hebben zich geen mariene sedimenten afgezet gedurende deze periode. Na

Door het afsmelten

Na

het

holoceen

zogenaamde

maximum

nam

de

invloed

van

de

zee

af

en

ontwikkelde

zich

opnieuw

een

veenlandschap,

het

Laagpakket (Formatie van Nieuwkoop). In de hoger gelegen delen van Zeeuws-Vlaanderen, afzettingen van het Laagpakket van Wormer geen invloed hadden, ontwikkelde het nieuwe veenpakket zich rechtstreeks op de dagzomende pleistocene dekzandafzettingen of op het reeds aanwezige Basisveen. Hierbij kan vaak geen onderscheid gemaakt worden tussen het Basisveen en het Hollandveen; soms lukt dit de

waar

Hollandveen

mariene

echter wel.**

HL

Hoek 2014, 16.

(geanonimise rd) (geanonimise rd)

16

(geanonimiseerd) 1997, 53-

(geanonimiseerd)

(geanonimiseerd) 2018, 56-57.

ARTEFACT RAPPORT 912

TERNEUZEN HERENGRACHT

17

15

ARTEFACT

RAPPORT

TERNEUZEN

g12

®

Plangebied

mm

Stedelijk gebied

Waterlopen

Ll

Binnenwater

L_

Buitenwater

e=

Hoge duinen

ze

Strandwallen

en

lage duinen

==

Strandwallen

en

duinen

Strandvlakten ET

ms

lage

Kwelders

en

ri

slikken riviervlakten

en

Gebieden met kwelderwallen Ez

mm

ZS

Figuur4

Paleogeografische ontwikkeling

1850AD

Zeeland.

De

blauwe

-ruggen

zandgebieden,

beneden 16

en

Pleistocene

zandgebieden,

ma

Riviervlakten

ma

Rivierduinen

Lössgebied

Bedijkte kwelders en

ea

Gestuwd

oudere

met Tertiaire

Bedijkte kwelders en e

riviervlakten

ra

Stuifzand

mm

Droogmakerij

_

Buitenland

plangebied

beekdalen

en

afzettingen

mm

het

en

-NAP

gebied

Gebieden

ligging van

om.

boven om. NAP

Veengebied

de

-NAP

Pleistocene

ma

stip duidt

zandgebieden,

beneden 16m.

=2

riviervlakten

t-

La

en

Pleistocene ea

en

duinvalleien Wadden

r—

HERENGRACHT 15

aan.

Bron:

(geanonimiseerd) | «m(geanonimise rd)

(geanonimiseerd) 2013. 18

ARTEFACT

RAPPORT

TERNEUZEN

g12

HERENGRACHT 15

Radiokoolstofdateringen dateren het begin van de veengroei in en rond Terneuzen tussen circa 3627 en 2928 v. Chr.*s Deze gegevens kunnen in dit geval vrij specifiek worden gehanteerd, omdat het veen in 1962, bij de bouw van de derde sluis te Terneuzen, is onderzocht door (geanonimiseerd) MN Ter plaatse van de ontgraving vond hij een oerbos van boomstronken en -stammen. Hij stelde hierbij onder meer vast dat op het dekzand een eikenbos aanwezig was, dat door de vernatting en de veengroei is verstikt. Dit wordt op basis van recent onderzoek ontkracht. De bomen zouden in en op het veen gegroeid hebben en niet rechtstreeks op het dekzand.*® Ook het veen dat is aangetroffen bij de onderzoeken in het projectgebied Nieuwe Sluis Terneuzen” en ter plaatse van de kanaaltunnel te Sluiskil®® is gedateerd en stamt eveneens uit het Midden-Neolithicum. Het veen in het projectgebied Nieuwe Sluis Terneuzen heeft een datering tussen 3640 en 3381 v. Chr.'® De datering van het veen uit het onderzoek ter plaatse van de Sluiskiltunnel is vroeger: hier is de aanvang van de veengroei gedateerd in 4500 v. Chr.2° Omstreeks het

200

v.

Chr.

stopte de veengroei.*! Door een goede ontwatering ging het veen

veenoppervlak.

strandwal

voor

Knokke

De invloed

van

de

zee

het laatste

kwart

van

Dit proces werd Cadzand

en

nam

in de

de

eeuw

bevorderd door de

insneed

van

zeearm

de

en

ontstond erosie die zich vanaf de

het oosten. Deze

3° eeuw opnieuw toe, waardoor versneld

de

inklinken

aanwezigheid Honte, ontwikkelde zich geleidelijk tot een richting getijdengeul dat de Schelde met de zee zou verbinden en de Westerschelde zou vormen. zeegat viteindelijk Dateringen van de top van het veen doen vermoeden dat deze zeearm in de Late IJzertijd al tot bij Terneuzen moet zijn doorgedrongen.” Daarnaast werden vooral in de Romeinse Tijd ontwateringskanaaltjes aangelegd om de bewoningscondities te verbeteren. Gedurende een periode van enkele eeuwen was het veenlandschap hierdoor geschikt voor bewoning. van

door de

een

getijdenlandschap ontstond.” Dit proces werd in beperkte waterbouwkundige infrastructuur die

3° teloorgang aangelegd in de Romeinse Tijd.“ Deze toegenomen mariene invloed, die vroeger omschreven werd als Duinkerke II-transgressies, wordt nu veeleer gezien als een rustig sedimentatie- en verlandingsproces, gespreid over verschillende eeuwen.” Deze vroegere Duinkerke Il-afzettingen worden nu benoemd als Sluiskilafzettingen, behorende tot het Laagpakket van Walcheren (Formatie van Naaldwijk).? van

de

was

Sluiskilafzettingen bestaan ter plaatse van het nabijgelegen projectgebied Nieuwe Sluis Terneuzen enerzijds uit kwelderafzettingen van zware klei, die aan de basis vaak humeus zijn, en anderzijds vit sterk gelaagde geulafzettingen bestaande uit kleien met fijne zandlaagjes. Over het algemeen zijn de gevlafzettingen schelploos, in de top bevinden zich wel schelpen in leefstand. De ondergrens is veelal scherp (zowel voor de kwelder- als de gevlafzettingen). Op basis van dateringen van kweldervegetatie uit de Sluiskilafzettingen kon de overstroming van het veen in het kader van het geoarcheologisch vooronderzoek in het projectgebied Nieuwe Sluis Terneuzen gedateerd worden in de periode na 200 n. Chr. en het meest waarschijnlijk in de periode tussen 200 en 225. Deze afzettingen komen daar voor vanaf een diepte van 1 tot 3 meter -NAP. De plaatselijk aanwezige geulafzettingen hebben vaak de onderliggende horizonten (veen en pleistoceen zand) geërodeerd tot een diepte van ruim 10 meter -NAP.7 De Sluiskilafzettingen zijn ontstaan in een systeem van kwelders en gevlen en zorgden ervoor dat het plangebied en omgeving niet langer geschikt was voor bewoning. Net zoals in de eerdere nattere fasen hoeft dit echter niet te betekenen dat de mens gedurende deze periode volledig wegbleef vit dit gebied.

Uit onderzoeken die zijn vitgevoerd in de omgeving van Terneuzen is gebleken dat deze Sluiskilafzettingen in de Vroege Middeleeuwen gingen verlanden en dat er bodemvorming De

15

(geanonimiseerd) 1967; Deforce

®

Zie

Bats 18 19 20

(geanonimiseerd)

2011.

et al. 2013, 110.

etal. 2014;

(BW geanonimise rd) eta!.

19

2015.

(geanonimiseerd) | et al. 2013, 51-53.

(le

(geanonimise rd) et al. 2015.

(geanonimiseerd) et al. 2013, 86.

“In

hetkader van het geoarcheologisch vooronderzoek in het projectgebied Nieuwe Sluis Terneuzen kon een geoxideerde top van veenlaag gedateerd worden in de Late Bronstijd. Dit betreft echter niet de laatste fase van veengroei. De bovenzijde van het veen was hier namelijk gedeeltelijk geoxideerd en deels geërodeerd. (| geanonimise rd) etal. 2015. de 2

23 24 2s 26

(geanonimiseerd) ed. 2002, 16. (geanonimiseerd) 2003, 14; (geanonimiseerd) en (geanonimiseerd) 2009. | 2008; (geanonimiseerd) | Lases en (geanonimiseerd) 2009, 30. Baeteman

2007.

(geanonimise rd) et al. 2008. 27 (geanonimise rd) etal. 2015

ARTEFACT

RAPPORT

TERNEUZEN

g12

HERENGRACHT 15

plaatsvond. Hierdoor mag aangenomen worden dat omstreeks 1000 n. Chr. deze afzettingen zijn gestopt.® De toen afgesloten actieve mariene periode resulteerde onder andere in enkele grotere noord-zuid georiënteerde inbraakgeulen in dit deel van Zeeuws-Vlaanderen, zoals de Blide (van Terneuzen naar Axel), welke in het oostelijke deel van Terneuzen was gelegen en ook in het uiterste oosten van het huidig plangebied mag verwacht worden. Het schorrengebied rond de kreken slibde langzaam op, waardoor de kwelders niet meer regelmatig overstroomden. Tussen

het einde

getijdengevlen in de kustvlakte ingedijkt, wat uiteindelijk leidde tot de verhoging van het stormvloedniveau in het buitendijkse gebied? Bedijking zorgde er echter voor dat de Westerschelde zich kon ontwikkelen tot een brede getijdenstroom, wat er op zijn beurt voor zorgde dat het binnendijkse gebied gevoelig werd voor stormvloeden. De bekendste (maar lang niet de enige) zijn die van 1134, ? Deze 1214, 1375, de Sint-Elisabethsvloeden van 1404 en 1421 en de grootschalige overstroming van 1530. stormvloeden, maar ook militaire inundaties die op grote schaal gedurende de Tachtigjarige Oorlog werden doorgevoerd, hadden als gevolg dat dit gebied weer sterk onder mariene invloed kwam te staan.” Smalle en brede inbraakgeulen sneden zich hierdoor in dit landschap in, ook de lager gelegen delen werden overspoeld door het water. Tot ver landinwaarts werd hierdoor een dik pakket sediment afgezet, waardoor grote delen van het oude landschap bedekt raakten. Deze jongere afzettingen, ontstaan gedvrende de laatste 1000 jaar, bestaan vit mariene zanden en kleien en worden benoemd als Westerscheldeafzettingen.

De kwelderafzettingen die deel uitmaken van de binnen het Nieuwe Sluis Terneuzen Westerscheldeafzettingen, zijn aangetroffen op een diepte tussen circa plangebied o en 1 meter -NAP, de in het noordwesten van het toenmalig plangebied gelegen grote getijdengeul heeft zich tot een ingesneden diepte van 20 30 meter -NAP en heeft bijgevolg tot die diepte oudere afzettingen geërodeerd. # van

de 20°

en

het einde

van

de 11°

werden

eeuw

de

—

Aardkundige

2.2.2

waarden

Geologie Op de Geologische overzichtskaart

van

Nederland

is het

Duinkerke

op

Hollandveen

op

het

plangebied gelegen

in een

van

Pleistoceen

(code Do.3°).

van

dekzand

(code

Walcheren

zone

met

de code Na8.

Dit duidt

is gelegen op Formatie van ondergrond waarin Laagpakket Nieuwkoop. Vanwege de relatieve grofschaligheid van deze kaart is hier geen uitsnede afgebeeld. De Geologische Kaart van (geanonimiseerd) geeft een meer gedetailleerd beeld (figuur 5). Het plangebied valt daarbij binnen een zone BN waaraan de code Do.3° is gegeven. Hier zijn kreekafzettingen van Duinkerke Illa aanwezig. De Duinkerke afzettingen worden vandaag de dag allen gerekend tot het Laagpakket van Walcheren. Op korte afstand wordt het plangebied aan weerszijden omgeven door gronden waar afzettingen van Duinkerke IIIb zijn gelegen op oudere afzettingen van

op

zeeklei

een

Fo.3°).

Het

Ten dus

noorden

en

zuiden

de

van

komen

opnieuw

enkel

kreekafzettingen plangebied ligt gesitveerd hoogte geulrug oudere afzettingen, zoals dat van het Hollandveen en het dekzand, geheel of grotendeels zijn weggeslagen door de erosieve kracht van het water. Volgens de bijkaarten van de Geologische Kaart komt het dekzand binnen het plangebied nog wel voor, maar pas op een diepte van meer dan 20,00 meter -NAP. voor

daarmee

veen

ter

van

een

brede

waar

Data

en

Data

en

Informatie

van

Informatie

van

de Nederlandse

Ondergrond (DINO)

de Nederlandse

Ondergrond (DINO) zijn bruikbaar om de diepteligging van de verschillende geologische Raadpleging van de ondergrondgegevens in het DINO-loket? leert dat binnen het bekend plangebied geen boringen zijn. In de nabije en ruimere omgeving zijn wel meerdere boringen verricht. In totaal zullen hieronder 4 boringen worden besproken, waarvan 3 zich in dezelfde geologische zone als het plangebied bevinden en 1 boring op de overgang van de Do.3° en Fo.3° gronden is gelegen (figuur 5). niveaus te achterhalen.

sj B Ee (geanonimise rd)

2015.

20

3

(geanonimiseerd) 1993, 43.

3

(geanonimise rd) zozo, 91.

31

(geanonimiseerd) 1997, 21; (geanonimiseerd) red. 2002, 16. 109. (geanonimiseerd) en (geanonimiseerd)

32 EE

A:

(geanonimise rd)

34

(geanonimiseerd) et al 2003.

35

www.dinoloket.nl, geraadpleegd op

3 mei

2024.

ARTEFACT

RAPPORT

TERNEUZEN

g12

o

Em

a ®

Figuur 5 boringen.

Uitsnede Bron:

van

de

Geologische

Kaart

van

Nederland

1978 en DINO-loket. (geanonimiseerd) |

met

daarop

de

locatie

van

de

HERENGRACHT 15

250

500

m

|

Plangebied DINO boring

in dit rapport

gebruikte

DINO-

Aan de

Lange Kerkstraat, 160 meter ten westen van het plangebied, bevindt zich boring B54Eo200 (boring 1 op figuur 5), gelegen op de overgang van de geulrug naar iets lager gelegen terrein waar oudere afzettingen niet volledig zijn geërodeerd door middeleeuwse overstromingen. In grote lijnen liggen afzettingen van het Laagpakket van Walcheren op Hollandveen op afzettingen van de Formatie van Koewacht. Het Laagpakket van Walcheren bestaat aan de basis uit een dik kleipakket met aan de bovenzijde nog een dunne laag matig fijn zand. De bovenzijde van het veen is gemeten op 5,80 meter -mv (4,80 meter -NAP) en bezit nog een dikte van 1,40 meter. De rest van het boorprofiel, tot de maximale boordiepte van 28,60 meter -mv (27, 60 meter -NAP) wordt ingenomen door de Formatie van Koewacht. De afzettingen kenmerken zich door een sterke afwisselingen tussen klei en zandlagen. plangebied (B54E0154), tussen de Havenstraat en Spuistraat, vertoont een ietwat andere en minder gevarieerde opbouw dan in boring 2 het geval is (boring 2 op figuur 5). Het jongste pakket betreft het Laagpakket van Walcheren, volledig opgebouwd uit klei.

Opvallend is echter dat deze een 2,00 meter dik veenpakket afdekt (vanaf 3,00 meter -mv/o,10 meter -NAP), terwijl deze boring eveneens in de geologische zone valt waar de ondergrond voornamelijk bestaat vit diepreikende geulafzettingen die het veen volledig zouden hebben weggeslagen. Hieronder ontbreekt ook de Formatie van Koewacht en zijn in plaats daarvan fijne zandafzettingen van de Formatie van Boxtel (vanaf 5,00 meter -mv/2,10 meter -NAP) op zandlagen van de Eem Formatie vastgesteld (vanaf 15,00 meter -mv/12,10 meter -NAP). Zoals beschreven in hoofdstuk 2.2.1, is het niet altijd eenvoudig een goed onderscheid te maken tussen afzettingen van de Formatie van Boxtel en Koewacht en kan dan mogelijk ook als verklaring worden aangehaald waarom de Formatie van Boxtel in de vorige boring niet aanwezig is. De Eem Formatie is ontstaan tijdens het Eemien, de laatste interglaciale periode ten tijde van het Pleistoceen. De

boring 130 meter ten

noorden

van

het

21

ARTEFACT RAPPORT 912

TERNEUZEN HERENGRACHT

15

Aan de Steenkamplaan, circa 170 meter ten oosten van het plangebied, werden in boring B54E0199 daarentegen tot de maximale boordiepte van 23,00 meter ‐mv (22,00 meter ‐NAP) enkel afzettingen van het Laagpakket van Walcheren aangetroffen (boring 3 op figuur 5). De bovenste meter heeft zich als een kleilaag gevormd dat overgaat in een zandpakket (vanaf 1,00 meter ‐mv/0 meter NAP) dat vervolgens opnieuw een dik kleipakket afdekt (vanaf 3,80 meter ‐mv/2,80 meter ‐NAP). Tussen de verschillende kleiafzettingen zijn meerdere veenlagen aanwezig die een dikte hebben van 1,30 en 0,70 meter (8,50 – 9,80 en 13,50 – 14,20 meter ‐mv/7,50 – 8,80 en 12,50 – 13,20 meter ‐NAP). Ondanks dat het veenafzettingen zijn, behoren deze niet tot het Hollandveen, maar zijn onderdeel van het Laagpakket van Walcheren. Ze hebben zich weten te vormen in tijden dat de invloed van de zee was afgenomen, maar ook al snel weer werden afgedekt door een nieuw marien pakket. Geheel onderaan het boorprofiel is tenslotte de klei weer overgegaan in een zandlaag (vanaf 20,30 meter ‐mv/19,30 meter ‐NAP).

Figuur 6 Uitsnede van de Bodemkaart. Bron: Stichting voor Bodemkartering 1982. De laatste boring ligt circa 450 meter ten zuidoosten van het plangebied (B54E0020), op de hoek van de Leeuwenlaan en Emmalaan (boring 4 op figuur 5). Opnieuw zijn diepreikende geulafzettingen aangeboord tot de maximale boordiepte van 15,90 meter ‐mv/13,72 meter ‐NAP). In plaats van een afwisseling tussen klei‐ en zandafzettingen, heeft zich alleen aan de bovenzijde van het bodemprofiel een kleilaag gevormd dat vanaf 1,00 meter ‐mv (1,18 meter +NAP) overgaat in een dik zandpakket. Geheel onderaan de boring is nog net de bovenzijde van een veenlaag aangeboord, die ook hier niet tot het Hollandveen, maar tot het Laagpakket van Walcheren wordt gerekend (vanaf 15,80 meter ‐ mv/13,62 meter ‐NAP).

22

ARTEFACT

RAPPORT

TERNEUZEN

g12

HERENGRACHT 15

Bodem

Op

de Bodemkaart

Nederland

(figuur 6) ligt het plangebied in ongekarteerd, stedelijk gebied. Rondom de stad Terneuzen komen met name de volgende gronden veelvuldig voor: Kalkrijke poldervaaggronden, ontwikkeld in lichte zavel (code Mna2A en Mna5A) Kalkrijke poldervaaggronden, ontwikkeld in zware zavel (code Mn25A). Kalkrijke poldervaaggronden, ontwikkeld in lichte klei (code Mn35A). Kalkrijke poldervaaggronden ontwikkeld in zware klei (code Mn45A). het Bij bepalen van het grondwaterregime wordt gewerkt met grondwatertrappen (zie onderstaande tabel). Deze trappen geven een klassenindeling weer van ten eerste de verschillende grondwaterstanden naar diepte en ten tweede de seizoensvariatie in de grondwaterstanden. De gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) wordt doorgaans bepaald door de ontwatering van de percelen; de gemiddeld laagste grondwaterstand (GLG) wordt echter beïnvloed door de aard van de ondergrond. Deze trappen worden vastgesteld op een schaal van Il tot en met VII, van respectievelijk extreem nat tot extreem droog. Gebieden met een goede ontwatering zijn zeer geschikt voor landbouw. Mede daarom, met name in het verleden, vormden goed ontwaterde gebieden mogelijk een aantrekkelijk vestigingsgebied. Opnieuw kan dit niet worden bepaald voor het plangebied zelf, maar de zojuist genoemde zones rondom de stad hebben allen een grondwatertrap VI.

Dit betekent dat de ontwatering hier in het algemeen goed is. van

—

—

—

—

Il

II

GHG

in cm

-mv

(< 20)

(<40)

<40

GLG

in cm

-mv

<50

50-80

80-120

Indeling grondwatertrappen

GHG

gemiddeld hoogste grondwaterstand

/ GLG

II

Iv >

40

80-120

Vv

VI

<40

40-80

>120

>

120

VII >

80

(> 160)

gemiddeld laagste grondwaterstand

47300

49450

a

Figuur 7 Projectie van het plangebied op een uitsnede van de Geomorfologische

Kaart van

Plangebied

Nederland. Bron:

(geanonimiseerd) | & De Lange

1987.

23

ARTEFACT RAPPORT 912

TERNEUZEN HERENGRACHT

15

Geomorfologie Projectie op de Geomorfologische Kaart van Nederland (figuur 7) laat zien dat het plangebied ook hier in ongekarteerd gebied is gelegen. In de omgeving van Terneuzen komen hoofdzakelijk vlaktes van getijafzettingen (code 2M35) en welvingen in getijafzettingen (code 3L20) voor, waardoorheen getij‐(kreek)bedding/zee‐erosiegeulen lopen (code 2R13/14). Dergelijke afzettingen vormen wellicht ook de ondergrond binnen de stadskern. Actueel Hoogtebestand Nederland Het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) vormt een belangrijke aanvullende informatiebron voor de landschapsanalyse. Dit met behulp van laser‐altimetrie (LiDAR) verkregen digitale bestand toont een goed beeld van het huidige reliëf in het plangebied en de omgeving (figuur 8 en 9). De lager gelegen gebieden hebben een blauwe kleur, de hoger gelegen delen hebben een gele tot rode tint gekregen. Kleine hoogteverschillen kunnen zo visueel in kaart worden gebracht, hetgeen belangrijk kan zijn voor de lokalisering van verdwenen nederzettingspatronen.

Figuur 8 Projectie van het plangebied (zwart) op bewerkte uitsnede Actueel Hoogtebestand Nederland. Bron: www. pdok. nl (AHN4 0,5 meter raster DTM).

Figuur 8 toont een bewerkte uitsnede van de AHN van de ruime omgeving van het plangebied. Hiermee wordt het grillige karakter van het voormalige getijdengebied in dit deel van Zeeuws‐Vlaanderen duidelijk. Zo zijn er meerdere smalle en brede kreekbeddingen aanwezig die op de hoogtekaart herkenbaar zijn als depressie (donkerblauw gekleurde zones). Verschillende van deze kreken zijn vandaag de dag nog watervoerend. In dit gebied varieert het maaiveld globaal tussen een hoogte van 0 en 1,50 meter +NAP. De hoger gelegen gronden geven geulruggen weer van oudere geulsystemen die op de Geologische Kaart ook wel staan aangegeven met de codes Do. 3 a en D0. 3.b Terneuzen zelf bevindt zich ook op zo een brede inversierug. Deze hebben een maaiveldhoogte van circa 1,50 tot 2,00 meter +NAP. In het oog springen ook de donkerrood getinte gebieden die de zeedijken langs de Westerschelde aanduiden, maar ook binnendijken, wegen en de havenwerken langs het Kanaal van Gent naar Terneuzen. 24

ARTEFACT RAPPORT 912

TERNEUZEN HERENGRACHT

15

Een kleinschaliger uitsnede van de AHN wordt weergegeven op figuur 9. De zeedijken en de dijken langs de kanaalmonding vormen brede hoog gelegen gebieden met een maaiveldhoogte dat kan oplopen tot zeker 9,00 meter +NAP. Binnen de kern van het oude Terneuzen valt ook een opdeling op in het hoger gelegen (noord)oosten, van 2,00 tot 4,00 meter +NAP, en het lager gelegen (zuid)westen, met een hoogte tussen 0,50 en 1,00 meter +NAP. Dit onderscheid geeft de omvang aan van de voormalige vestingwerken (zie hoofdstuk 2. 3). Het plangebied bevindt zich daarmee binnen de contouren van deze structuur en heeft een maaiveldhoogte van rond de 3,00 meter +NAP. Aan de overzijde van de gracht komt het gebied weer lager te liggen tussen de 1,00 en 2,00 meter +NAP. Doordat het plangebied in een bebouwde zone is gesitueerd, is de AHN geen geschikt middel om eventueel kleinschalige oude structuren te herkennen. Deze konden dan ook in en rond het plangebied niet worden waargenomen.

Figuur 9 Projectie van het plangebied (zwart) op bewerkte uitsnede Actueel Hoogtebestand Nederland. Bron: www. pdok. nl (AHN4 0,5 meter raster DTM).

Samenvatting Samenvattend kan worden gesteld dat het plangebied op hoger gelegen gronden is gelegen binnen de grenzen van de oude kern van Terneuzen. Dit is in eerste instantie te wijten aan de aanwezigheid van een brede inversierug waar diepreikende geulafzettingen oudere niveaus, zoals dat van het Hollandveen en het pleistoceen dekzand, geheel of grotendeels hebben weggeslagen. Ten zuiden en oosten van het plangebied reiken deze afzettingen, aan de hand van gegevens uit het DINO‐loket, tot een diepte van minimaal 23,00 meter ‐mv (22,00 meter ‐NAP). Ze zijn afwisselend opgebouwd uit zand‐ en kleilagen, waartussen zich ook lagen veen hebben gevormd. Een boring die ten noorden van het plangebied is gezet en binnen dezelfde geologische zone valt, vertoont daarentegen wel nog een 2,00 meter dik pakket veen dat, in tegenstelling tot de beide andere zojuist genoemde boringen, tot de Formatie van Nieuwkoop wordt gerekend. Het veen is gelegen op afzettingen van de Formatie van Boxtel of Koewacht, al kan het onderscheid 25

ARTEFACT

RAPPORT

TERNEUZEN

g12

boorprofielen niet altijd even duidelijk worden gemaakt. Ter hoogte van het plangebied zou aanwezig kunnen zijn en de top bevindt zich, volgens de bijkaarten van de Geologische Kaart, op

beide niveaus in de

tussen

het dekzand

nog wel

diepte van meer dan 20,00

een

HERENGRACHT 15

-NAP.

meter

De

hogere ligging van het plangebied kan ook worden verklaard als op detailniveau naar de oude stadskern wordt gekeken, waar een verschil in hoogte waarneembaar is tussen het (noord)oostelijke en (zuid)westelijke deel. Dit is daarentegen veroorzaakt door antropogene invloeden, daar zich rondom de voormalige vestingwerken hebben bevonden.

2.3

Historie

2.3.1

Historisch-geografische ontwikkeling

In de vele de

eeuwen

provincie een

een

halt

het jaar

o was

doorheen

hernieuwde

activiteit

bijna geheel Zeeland

door toename

toegeroepen

te banen

weg

Deze

voor

van

het

landschap, waarbij

van

de

zee

wordt

in de

bedekt door

de invloed

de

van

de hoofdinbraak

veen.

groei ervan werd echter in delen van

Zo wist in de

zee.

gezocht

literatuur ook wel de

De

3° eeuw

v.

Chr. het water zich

kan worden ten noorden

Duinkerke

|- of

van

Walcheren.

pre-Romeinse transgressie

genoemd. betrekkelijk rustig, waardoor de mogelijkheid onze jaartelling werd gecreëerd zich op de veengronden en de afgezette lagen van de zojuist genoemde transgressiefase te vestigen.2 In de omgeving van het plangebied zijn deze afzettingen niet bekend en tevens zijn tot op heden nog geen vindplaatsen uit de IJzertijd of Romeinse Tijd in de nabijheid aangetroffen. Wel kan een vondst van meerdere losse scherven vit de Midden Romeinse Tijd worden vermeld die zijn gevonden aan de westelijke oever van het huidige kanaal (zie hoofdstuk 2.4). Bewoning komt in deze periode echter wel voor in Zeeuws-Vlaanderen. Het meest bekende voorbeeld is het castellum van Aardenburg. Dat vondsten of sporen in de top van het veen kunnen worden gevonden ter hoogte van het plangebied, is vrijwel geheel uitgesloten, daar het Hollandveen/Basisveen pakket door latere overstromingen volledig is geërodeerd. In de Laat Romeinse Tijd begon namelijk de invloed van de zee opnieuw toe te nemen. Zeeland kwam grotendeels onder water staan door wat ook wel bekend staat als de Duinkerke II-transgressiefase. Het water te schuurde bestaande watergangen, waarvan een deel terug te leiden zijn tot de Romeinse Tijd, maar ook nieuwe gevlen- en krekensystemen vit.

De kracht waarmee het water het land teisterde zorgde ervoor dat zeker in de grote en brede geulen de onderliggende veen, de klei- en zandpakketten behorende tot het Laagpakket van Wormer (indien aanwezig), en soms ook het pleistocene dekzand geheel of grotendeels werden opgeruimd. Dit heeft onder andere geleid tot het ontstaan van een inham aan het kustgebied dat later het Zwin werd genoemd, maar in de oudere bronnen ook wel bekend stond onder de naam Sincfal. Na verloop van tijd verzandden de kreken en geulen. Deze zogenaamde kreek- of geulruggen kwamen hogerte liggen dan hun omgeving, want daar waar nog wel veen aanwezig was in de bodem, klonk deze door het gewicht van de mariene afzettingen in. In de eerste drie

Pas

Na enkele zee.

eeuwen

Dit wordt

aanleggen

van

van

ook

de

van

7° eeuw

van

rust

wel

dijken om

leek de

was

de

zee

weer

te

bedaren,

zee

weer

periode van rust ontstond en men een kans kreeg zich in het landschap te vestigen. Al in de 8° eeuw zijn aanwijzingen voor menselijke aanwezigheid in Zeeuws-Vlaanderen gevonden. Men heeft zich als eerste neergelaten op de hoger gelegen dekzand- en kreekruggen. Langs de kust waren met name drassigere gronden aanwezig. De slikken en schorren in dit gebied eigenden zich echter wel goed voor het weiden van schapen. aan

het einde

eeuwen

nieuwe

kreeg het land vanaf het einde van de 10° eeuw te maken met hernieuwde activiteit van de begin gezien van de Duinkerke IIl-transgressiefase. Men is toen begonnen met het zich enigszins tegen het water te kunnen weren.“ Het gevaar dat het water vormde werd

(geanonimiseerd) | 1971, 11-14.

3

Archis

8

(geanonimiseerd) 1971, 17, 19-20 (geanonimiseerd) 1983a, 15. 2002, 17. (geanonimiseerd) 1983a, 15(geanonimiseerd) 1993, 43; (geanonimiseerd) | (geanonimiseerd) 1983a, 20.

40

een

als het

36

39

waardoor

vondstmelding 1030822.

26

(geanonimiseerd)

ARTEFACT

vooral

RAPPORT

TERNEUZEN

g12

duidelijk tijdens de stormvloed

Vlaanderen,

maar

van

waarbij grote schade werd aangericht langs

1014

ook op de eilanden Walcheren

Zuid-Beveland.

en

Na deze ramp

is men

de kust

HERENGRACHT 15

van

in grotere mate

het

huidige

overgegaan

kunstmatige (woon)hoogten.* Het afsluiten van het gebied tegen de zee en de betere drainage van de gronden met behulp van ontwateringssluizen in de dijken, zorgde ervoor dat er meer land ter beschikking kwam dat ontgonnen kon worden. Dit had o.a. tot gevolg dat de bevolking de 11° eeuw kon toenemen. vanaf Op zijn beurt was de bevolkingsgroei ook weer de oorzaak waardoor meerdere gronden gewonnen moesten worden om het stijgende aantal monden te kunnen blijven voeden. Zo zagen de graven van Vlaanderen, de grote abdijen en verschillende particulieren hun kans om van deze wisselwerking gebruik te maken en het economisch te exploiteren.* kustgebied tot

het

lokaal

Het

latere

bestaande

meer

opwerpen

Terneuzen vit

de

bestuurlijke eenheid Vier

Ambachten,

behoorde

ambachten

het

tot van

dijkjes,

begin

doordat

ze

een

dammen

van

Assenede,

graafschap

binnen het

komt

kleine

van

de

Tachtigjarige Oorlog

Boekhoute,

van

en

Vlaanderen.

Axel

en

Hulst.

Dat deze vier

gemeenschappelijke

keure

tot

het

Een

ambacht

gebied

gebieden

bezaten,

van

werden

wat

de

vormde

Vier

Ambachten,

juridische en samengetrokken tot de

inhoudt

dat

een

het

bestuur,

de

rechtspraak en de waterstaatsregels identiek waren.#? Binnen de Vier Ambachten vond reeds in deze periode bewoning plaats. Zo wordt de naam Vremdijcke voor het eerst vermeld in 1114 en is daarmee de oudst bekende dijknaam in dit gebied.# Nog ouder dan Vremdijcke is de aanleg van de Yevendijk. Wellicht dat deze rond het jaar 1000 al is aangelegd en de structuur kan daarmee worden gerekend tot één van de oudste grootschalige zeewerende bedijkingen. Het verliep in oorsprong van Groede in zuidwestelijke richting tot in Bredene in België.* Richting het noorden zou de dijk tot direct ten oosten van het latere Terneuzen zijn doorgetrokken*®, al is niet geweten of dit stuk van de structuur eveneens in die vroege fase is aangelegd. In

het jaar 1134 werd Zeeland getroffen door

zoals de

Honte,

de rivier die later bekend

zou

een

zeer

komen

zware

stormvloed.

Bestaande

te staan als de Westerschelde.

getijdegevlen werden verbreed, Dankzij deze ramp kon de Honte

belangrijke vaarroute worden tot op de dag van vandaag.#7 Binnen de Vier Ambachten overstroomden grote gebieden en ontstonden diepe inbraakgeulen die in het binnenland tot aan Axel en Hulst reikten, waardoor beide nederzettingen in verbinding kwamen te staan met de Honte via de Blijde en de Hulsterse havengeul.“® Men heeft na de stormvloed ingezien dat het lokaal opwerpen van enkele kunstmatige hoogten niet voldoende bescherming bood tegen de zee. Mede ook dankzij de bevolkingstoename en de voortschrijdende technologische kennis, is men overgegaan op een nieuwe bedijkingsstrategie. Het was niet langer een lokaal en individualistisch ondernemen, maar nu was het de gemeenschap die zich op de aanleg van de dijken ging richten. Deze systematische bedijking was in het begin defensief van aard, waarbij land dat ten tijde van de stormvloed verloren is gegaan, werd teruggewonnen op de zee, maar later is men overgeschakeld op een offensieve strategie, toen ook nieuwe gebieden werden ingepolderd.49 een

Na 1134 duiken aldus meerdere Ambachten

dijknamen

in de literaire bronnen op.

Nog voor de 13° eeuw zou het gebied van de Vier de nieuwe gronden en de bevolkingsgroei hangt belang Dit weerspiegelt zich ook in een stijgend aantal stichtingen van

zijn bedijkt. de opkomst van de Vlaamse steden. nederzettingen, kerken en kapellen. Zo ontstaan nog aan het einde van de 12° eeuw Stee(n)land en Willemskercke en in de daaropvolgende 13° eeuw Nieuwerkercke, Hertinghe en Peerboom. Deze dorpen bevinden zich in het gebied ten westen van de Blijde en staan ook wel bekend als zogenaamde moerdorpen, van waaruit in de directe omgeving veen werd afgegraven ten behoeve van het winnen van zout of als stookmateriaal. Ten oosten van de Blijde bevinden zich in deze periode de nederzettingen van Triniteit en Hugersluis (figuur 11).5° ook

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14446973/1