2024-06-19 - bijlage 2 onderbouwing woningbouw Zaamslag (geanonimiseerd)
Tekst van het document
Initiatiefnemers zijn voornemens om op deze percelen zogenoemde levensloopappartementen, hofwoningen, vrije kavels en twee-onder-één-kapwoningen te realiseren. Ook zijn er wegen, parkeerplaatsen, groenvoorziening en een dierenweide met waterpoel voorzien. De begrenzende waterlopen aan de west- en zuidzijde van het plangebied worden omgevormd van sloten tot herstelde kreek, hetgeen zal neerkomen op plaatselijk variërende verbredingen. De inrichtingsplannen zijn nog niet openbaar en worden nog nader uitgewerkt. 8
7 De
Visser & De Weerd 2017: bijlage 3.
8 Informatie ontleend aan
documenten en schriftelijke communicatie van de opdrachtgever d. d. 5 december 2023 en 12 januari 2024 en een brief van Kennedy West Vastgoed B. V. aan het College van Burgemeester & Wethouders van Terneuzen d. d. 25 mei 2023.
13
ARTEFACT RAPPORT 864
ZAAMSLAG WESTSTRAAT
Figuur 3 Projectie van het plangebied (rode polygoon) op een uitsnede van een luchtfoto (2023). Bron: Beeldmateriaal. nl.
14
ARTEFACT RAPPORT 864
2
Archeologisch bureauonderzoek
2. 1
Methoden
ZAAMSLAG WESTSTRAAT
Het voorliggend hoofdstuk omvat de resultaten van het archeologisch bureauonderzoek. Het onderzoek is uitgevoerd conform protocol 4002 van de KNA 4. 1 en de Regeling aanvullende richtlijnen voor archeologisch onderzoek in de provincie Zeeland 2019. 9 Hierbij werden de volgende processtappen doorlopen: Processtap
Specificatie
Hoofdstuk
Afbakenen plan/onderzoeksgebied; vaststellen consequenties toekomstig gebruik
LS01
1. 4
Vermelden (en toepassen) overheidsbeleid
LS01
1. 3
Beschrijven huidig gebruik
LS02
1. 4
Beschrijven historische situatie
LS03
2. 3. 1
Beschrijven mogelijke verstoringen
LS03
2. 3. 2
Beschrijven mogelijke aanwezigheid bouwhistorische waarden ondergrond
LS02-03-04
2. 5
Beschrijven bekende aardwetenschappelijke kenmerken
LS04
2. 2. 2
Beschrijven bekende archeologische kenmerken
LS04
2. 4
Opstellen gespecificeerde verwachting
LS05
2. 6
Tijdens het uitvoeren van de bovengenoemde processtappen werd een groot aantal bronnen geraadpleegd. Deze worden hieronder benoemd en in het bronnenoverzicht nader gespecificeerd.
diverse aard
⎯
(Landelijke en regionale) bodem-, geologische en geomorfologische (overzichts)kaarten
⎯
Paleogeografische kaarten
⎯
Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN)
⎯
(Specialistische) literatuur
⎯
Rapporten van eerder uitgevoerd archeologisch en cultuurhistorisch onderzoek
⎯
Inrichtingsplannen en conditionerende onderzoeksrapporten: milieu, ecologie, niet-gesprongen explosieven
⎯
Lucht- en satellietfoto’s
⎯
Kaartmateriaal: topografische (militaire) kaarten, oud(st)e kadasterkaarten, oude en/of historische kaarten Gemeentelijk en/of provinciaal archief
⎯
Archeologische Monumenten Kaart (AMK)
⎯
Het Archeologisch Informatie Systeem (Archis)
⎯
⎯
Centraal Monumenten Archief (CMA) en Centraal Archeologisch Archief (CAA) werden niet geraadpleegd omdat deze oude papieren archieven na de introductie door de ROB werden ingevoerd in Archis
⎯
Cultuurhistorie: gemeentelijke waardenkaart en/of de provinciale Cultuurhistorische Hoofdstructuur (CHS)
⎯
Data en Informatie van de Nederlandse Ondergrond (DINO)
⎯
Gemeentelijke verwachtings- en beleidskaarten
⎯
⎯
9
van
Indicatieve Kaart Archeologische Waarden (IKAW), maar enkel indien geen meer gedetailleerde regionale kaarten beschikbaar zijn Provinciaal depot: archief van het Zeeuws Archeologisch Depot (ZAD)
Provinciaal Blad van Zeeland nr. 8080, 12 december 2019.
15
ARTEFACT RAPPORT 864
ZAAMSLAG WESTSTRAAT
2. 2
Landschap
2. 2. 1
Landschappelijke ontwikkeling 10
en
geologie
Zeeland maakt deel uit van het zuidwestelijk zeekleigebied, een sterk gestapeld landschap bestaande uit eolische afzettingen, mariene sedimenten en sedentaat (veen). Zeeuws-Vlaanderen, waaronder het plangebied valt, vormt een vrij complex geologisch geheel. Enerzijds hebben holocene afzettingen met verschillende sedimentatiefasen zich ingesneden in het oudere landschap, anderzijds vormen zij een afdekkende laag waaronder het vroeg-holocene en pleistocene landschap nog intact bewaard kan zijn. Daartussen lopen dekzandruggen als landschappelijk relict uit de laatste ijstijd. Omdat de locatiekeuze van bewoning en nederzettingspatronen voor een groot deel worden bepaald door de mogelijkheden die het natuurlijke landschap daartoe bood, is het zinvol de landschappelijke ontwikkeling gedurende de laatste fase van het Pleistoceen en het Holoceen in beeld te krijgen. De landschappelijke evolutie van het Zeeuwse kustgebied kan worden geschetst aan de hand van de paleogeografische kaarten die door Vos et al. zijn gepubliceerd. 11 Paleogeografische kaarten zijn ontwikkeld door de analyse van grote hoeveelheden bodemdata en bieden aan de hand van momentopnamen inzicht in het waarschijnlijke landschapsbeeld. De veranderende landschappelijke omgeving gedurende de laatste 12. 000 jaar, en de globale ligging van het plangebied, wordt afgebeeld op figuur 5.
De geologische basis ter plaatse van het plangebied wordt gevormd door tertiaire stugge Boomse klei behorende tot de Rupel Formatie, afgezet tussen 33,7 en 23,8 miljoen jaar geleden, en de hierop afgezette grove glauconiethoudende zanden van de Formatie van Breda (afgezet 23,8 tot 4 miljoen jaar geleden). Glauconietzanden zijn typerend voor matig warme ondiepe zeeën waarin vaak fossielen van haaien, walvissen, schelpen en andere zeedieren voorkomen. De genese van deze Formatie van Breda heeft plaatsgevonden in het Laat-Oligoceen tot het Vroeg-Plioceen. Boven de Formatie van Breda ligt een pakket matig fijn tot grof zand, soms met laagjes herwerkte glauconietzanden of laagjes met meer silthoudend materiaal. Deze zanden bevatten eveneens geremanieerde schelpresten en grind
(afgeronde vuursteen, afgeronde fosforiet knollen, kalksteen en fijne kwarts). Tijdens het geoarcheologisch booronderzoek binnen het projectgebied Nieuwe Sluis Terneuzen, enkele kilometer ten westen van het huidige plangebied, werd hierin ook een geremanieerd versteend walvisbot en een stukje bot van onbekende oorsprong in aangetroffen. 12 Deze afzettingen zijn fluviatiel van oorsprong en worden tot de Formatie van Koewacht gerekend. Een opvallend kenmerk van deze afzettingen zijn concentraties van schelpfragmenten. De afzettingen van de Formatie van Koewacht worden gerelateerd aan de bedding van de proto-Schelde, die hier gedurende het Vroeg-Pleniglaciaal of Vroeg-Glaciaal zijn stroomgebied heeft gehad. Dit stroomgebied liep ongeveer via het huidige Gent en Terneuzen in noordelijke richting en was zeer breed met een gespreid vlechtwerk van smalle geulen. Meestal wordt bovenop de afzettingen van de Formatie van Koewacht de Formatie van Boxtel aangetroffen. Laatstgenoemde bestaat in elk geval voor een belangrijk deel uit eolisch dekzand (Laagpakket van Wierden). Op de grens tussen beide formaties is er echter een laminatie van organische en anorganische lagen waarneembaar. Hiermee wordt het dynamische karakter van deze overgang benadrukt. De grens tussen de Formatie van Boxtel en Formatie van Koewacht is daardoor vaak erg complex en moeilijk waarneembaar.
In het eerder genoemde, in 2015 uitgevoerde onderzoek in projectgebied Nieuwe Sluis Terneuzen kon toch een onderscheid worden gemaakt tussen de verschillende pakketten die de Formatie van Boxtel vormen en zijn deze afzettingen opgesplitst. Onderin is sprake van fijne Scheldeafzettingen (fijner dan die van de Formatie van Koewacht) die in het Vroeg-Pleniglaciaal en Vroeg-Glaciaal in het nog steeds meanderende riviersysteem zijn ontstaan (Laagpakket van Singraven, Formatie van Boxtel; diepte: tussen circa 10 en 17 m -NAP). Hierboven liggen restgeulafzettingen van de Schelde (Laagpakket van Singraven, Formatie van Boxtel; diepte: tussen circa 3 en 12 m -NAP) die zijn afgezet tussen 45. 000 en 35. 000 jaar geleden, en dekzandafzettingen (Laagpakket van Wierden, Formatie van Boxtel; diepte: tussen circa 2 en 5 m -NAP) die zijn afgezet
Voorliggend hoofdstuk is voor een groot deel gebaseerd op, en deels overgenomen uit, een eerder bureauonderzoek dat 16 Artefact heeft uitgevoerd naar een plangebied in Zaamslag (Delporte 2018). 11 Vos et al. 2018. 12 Vos et al. 2015. 10
ARTEFACT RAPPORT 864
ZAAMSLAG WESTSTRAAT
onder eolische invloed tussen circa 16. 000 en 10. 000 jaar geleden). De dikte van het Laagpakket van Wierden was hierbij slechts 0,5 tot 1 m. 13 Het onderscheid tussen de Scheldeafzettingen en het Laagpakket van Wierden wordt in DINO-ondergrondmodellen niet gemaakt. De Scheldeafzettingen van het Laagpakket van Singraven betreft een pakket dat net als de oudere, onderliggende Formatie van Koewacht is gevormd door het vlechtende riviersysteem van de Schelde, maar dat uit een fijnere afzetting (gelaagde matig fijne zanden en lemige niveaus of laagjes met geremanieerd glauconiet en schelpen) bestaat dan die van de Formatie van Koewacht. Deze afzettingen zijn net als de Formatie van Koewacht tijdens het Vroeg-Pleniglaciaal of Vroeg-Glaciaal gevormd en gaan geleidelijk over in deze Koewachtafzettingen. De Schelderestgeulafzettingen bestaan uit sterk wisselende gelaagde afzettingen van matig fijne zanden met kleiige en lemige laagjes, organische laagjes en niveaus met bodemvorming. De bodemvorming wijst op perioden van relatieve droogte en organische laagjes op perioden met stagnerend water. Deze afzettingen zijn afgezet in de laatste (restgeul-) fase
de Scheldeloop. Tijdens onderzoek binnen projectgebied Sluiskiltunnel, eveneens op enkele kilometers ten zuidwesten van het huidige plangebied, werden zowel in 2008 als in 2011 humeuze, venige en/of lemige laagjes aangetroffen, die het gevolg zijn van de hierboven vermelde bodemvorming. 14 van
Het Laagpakket van Wierden heeft zich gevormd gedurende het Dryas-stadiaal (een van de koude fasen uit het LaatGlaciaal van het Weichselien) vanuit het droogliggende Noordzeebekken. Dit zijn fijnzandige afzettingen met ingeschakelde leemlagen en een aantal gyttja- en venige gyttjalaagjes. 15 Binnen het Laagpakket van Wierden is een opbouw van verschillende vegetatieniveaus (paleosols) 16 waarneembaar. In Zeeland kunnen dergelijke laatpleistocene venige lagen in het dekzand veelal gerelateerd worden aan het Allerød-interstadiaal: de warmere periode tussen het Oude Dryas en het Jonge Dryas. Recent onderzoek van een venige paleosol bij Heikant, circa 10 km ten zuidoosten van het plangebied, wijst uit dat die veenlaag een ouderdom heeft die overeenkomt met het midden van het Allerød-interstadiaal, overeenkomend met de vorming van de laag van Usselo van laat-paleolithische ouderdom. De uitkomsten van de dateringen van de veenlaag zijn 11. 120 +/- 50 BP (GrA 49518) voor de top en 11. 650 +/- 50 BP ( GrA 49506) voor de basis. De 14 C-dateringen zijn gekalibreerd naar kalenderjaren voor heden (cal BP). De veenlaag heeft zich ontwikkeld tussen circa 13. 000 en 13. 500 jaar geleden. 17 DINO-ondergrondmodellen geven geen informatie over eventuele paleosols binnen de Formatie van Boxtel.
Het pleistocene dekzandlandschap (Laagpakket van Wierden) vertoont aan het oppervlak verschillende welvingen in de vorm van dekzandruggen, die in Zeeuws-Vlaanderen veelal zuidwest-noordoost georiënteerd zijn. 18 Ook het plangebied valt ter hoogte van zo’n rug te situeren (zie figuur 4).
13 Vos 14 Bats
et al. 2015. et al. 2008; De Moor et al. 2011.
15 Van
17
Rummelen 1977b: 12. deze laat-pleistocene venige lagen in het dekzand veelal gerelateerd worden aan het Allerød-interstadiaal: de warmere periode tussen het Oude Dryas en het Jonge Dryas. Recent onderzoek van een venige paleosol bij Heikant, circa 10 km ten zuidoosten van het plangebied, wijst uit dat die veenlaag een ouderdom heeft die overeenkomt met het midden van het Allerødinterstadiaal, overeenkomend met de vorming van de laag van Usselo van laat-paleolithische ouderdom. De uitkomsten van de dateringen van de veenlaag zijn 11. 120 +/- 50 BP (GrA 49518) voor de top en 11. 650 +/- 50 BP ( GrA 49506) voor de basis. De 14 C dateringen zijn gecalibreerd naar kalenderjaren voor heden (cal BP). De veenlaag heeft zich ontwikkeld tussen circa 13 en 13,5 duizend jaar geleden. Omtrent de datering van deze paleosol, zie Hoek 2014: 16. 17 Hoek 2014: 16. 18 Van Rummelen 1977b: 30. 16 In Zeeland kunnen
ARTEFACT RAPPORT 864
ZAAMSLAG WESTSTRAAT
Figuur 4 Projectie van het plangebied (rode polygoon) op een overzichtskaart van pleistocene dekzandruggen in ZeeuwsVlaanderen. Deze worden in het algemeen bedekt door holocene afzettingen. Bron: Van Rummelen 1977b: 30, fig. 11.
18
ARTEFACT RAPPORT 864
ZAAMSLAG WESTSTRAAT
19
ARTEFACT RAPPORT 864
ZAAMSLAG WESTSTRAAT
Figuur 5 Paleogeografische ontwikkeling Zeeland. Blauwe stip: ligging plangebied. Bron: Vos et al. 2018.
20
ARTEFACT RAPPORT 864
ZAAMSLAG WESTSTRAAT
Na afloop van de laatste ijstijd (en het einde van het Pleistoceen) werd het klimaat warmer en begon het Holoceen. Door het afsmelten van de ijskap ten gevolge van de toegenomen temperatuur, begon de zeespiegel vanaf het LaatAtlanticum sterk te stijgen. De sterke stuwing van het grondwater veroorzaakte op vele plaatsen langs het westelijke kustgebied een sterke veengroei (Basisveen Laag; Formatie van Nieuwkoop). In Zeeuws-Vlaanderen gebeurde dit enkel in het noordelijke deel van Oost Zeeuws-Vlaanderen. Radiokoolstofdateringen dateren het begin van de veengroei in en rond het Terneuzen tussen circa 5. 577 BP en 4. 878 BP, 19 recenter onderzoek bij de Sluiskiltunnel heeft hiervoor een datering van 6. 450 BP opgeleverd. 20 Deze gegevens kunnen in dit geval vrij specifiek worden gehanteerd, omdat in 1962, bij de bouw van de derde sluis te Terneuzen, het veen is onderzocht door Munaut. Ter plaatse van de ontgraving vond hij een oerbos van boomstronken en -stammen. Hij ging ervan uit dat dit een eikenbos op het dekzand betrof, maar uit recenter onderzoek komt naar voren dat de bomen in en op het veen hebben gegroeid, en niet
rechtstreeks op het dekzand. 21 De eiken groeiden aanvankelijk ook periodiek samen met dennenbomen en werden er geleidelijk door verdrongen. Zo ontstond uiteindelijk een dennenbos. Na circa drie eeuwen eindigde de begroeiing met dennen ten gevolge van bruuske stijging van de grondwatertafel en de hiermee gepaard gaande vernatting van de bodem. Bij het begin van het Subboreaal ontstond volgens de gegevens geleidelijk een compleet nieuwe begroeiing met veenmosveen en later
heideveen. 22 Tijdens het zogenoemde holoceen maximum vormden zich vervolgens op veel plaatsen mariene afzettingen van het Laagpakket van Wormer (Formatie van Naaldwijk). Op dat ogenblik was de gemiddelde temperatuur het hoogst en bevond ook de zeespiegel zich op een maximum. Hierbij ontstond in grote delen van Zeeland een getijdenlandschap, doorsneden door brede geulen. In deze geulen werden oudere holocene en pleistocene afzettingen opgeruimd. Andere delen raakten bedekt met dikke lagen marien sediment. 23 In grote delen van Zeeuws-Vlaanderen is de invloed van het Laagpakket van Wormer echter beperkt gebleven. Enkel lager gelegen delen in het uiterste westen van ZeeuwsVlaanderen en noordelijke delen van Oost-Zeeuws-Vlaanderen zijn overstroomd door de zee. In de omgeving van het huidige plangebied hebben zich geen mariene sedimenten afgezet gedurende deze periode. Na het holoceen maximum
de invloed van de zee af en ontwikkelde zich opnieuw een veenlandschap, het zogenaamde Hollandveen Laagpakket (Formatie van Nieuwkoop). In de hoger gelegen delen van Zeeuws-Vlaanderen, waar de mariene afzettingen van het Laagpakket van Wormer geen invloed hadden, ontwikkelde dit nieuwe veenpakket zich rechtstreeks op dagzomende pleistocene dekzandafzettingen of op het reeds aanwezige Basisveen. Hierbij kan vaak geen onderscheid gemaakt worden tussen het Basisveen en het Hollandveen; soms lukt dit echter wel. 24 nam
Omstreeks 200 v. Chr. stopte de veengroei. 25 Door een goede ontwatering ging het veen inklinken en ontstond erosie van het veenoppervlak. Dit proces werd bevorderd door de aanwezigheid van de zeearm de Honte, die zich vanaf de strandwal voor Knokke en Cadzand insneed richting het oosten. Deze getijdengeul ontwikkelde zich geleidelijk tot een zeegat dat de Schelde met de zee zou verbinden en uiteindelijk de Westerschelde zou vormen. Dateringen van de top van het veen doen vermoeden dat deze zeearm in de Late IJzertijd al tot bij Terneuzen moet zijn doorgedrongen. 26 Daarnaast werden vooral in de Romeinse tijd ontwateringskanaaltjes aangelegd om de bewoningscondities te verbeteren. Gedurende een periode van enkele eeuwen was het veenlandschap hierdoor geschikt voor bewoning. Bij
19 3. 627
en 2. 928 v. Chr. : Munaut 1967 ; Deforce 2011. v. Chr. Brijker et al. 2013: 51-53. 21 Zie Brijker et al. 2013: 110. 20 4500
22 Munaut
21
1967: 26. & Van Heeringen 1997: 53. 24 Zie Delporte & D’hondt 2018: 56-57. 25 In het kader van het geoarcheologisch vooronderzoek in het projectgebied Nieuwe Sluis Terneuzen kon een geoxideerde top van de veenlaag gedateerd worden in de Late Bronstijd. Dit betreft echter niet de laatste fase van veengroei; de bovenzijde van het veen was hier namelijk gedeeltelijk geoxideerd en deels geërodeerd. Vos et al. 2015. 26 De Kraker 2002: 16. 23 Vos
ARTEFACT RAPPORT 864
ZAAMSLAG WESTSTRAAT
onderzoeken in de omgeving van Terneuzen werd intact of deels intact veen aangetroffen op dieptes tussen 0,60 en 1,98 m -NAP. 27 Uit de resultaten van een archeologische opgraving in Ellewoutsdijk is gebleken dat reeds vanaf het midden van de 2 de eeuw n. Chr. het veenlandschap onder een sterkere mariene invloed kwam te staan. Toch was bewoning hier nog mogelijk tot in de 3 de eeuw. Deze mariene invloed nam toe gedurende de 3 de eeuw, waardoor dit landschap geleidelijk werd afgebroken en een getijdenlandschap ontstond. 28 Dit proces werd in het laatste kwart van de 3 de eeuw bespoedigd door de teloorgang van de beperkte waterbouwkundige infrastructuur uit de Romeinse Tijd. 29 Deze toegenomen mariene invloed, die vroeger omschreven werd als Duinkerke II-transgressies, wordt nu veeleer gezien als een rustig sedimentatie- en verlandingsproces, gespreid over verschillende eeuwen. 30 Deze afzettingen worden in dit deel van Zeeland benoemd als Sluiskilafzettingen, behorende tot het Laagpakket van Walcheren (Formatie van
Naaldwijk). 31 De Sluiskilafzettingen bestaan enerzijds uit kwelderafzettingen van zware klei die aan de basis vaak humeus zijn en anderzijds uit sterk gelaagde geulafzettingen bestaande uit kleien met fijne zandlaagjes. De ondergrens is veelal scherp (zowel voor de kwelder- als de geulafzettingen). Op basis van dateringen van kweldervegetatie uit de Sluiskilafzettingen kon de overstroming van het veen in het projectgebied Nieuwe Sluis Terneuzen gedateerd worden in de periode na 200 n. Chr. en het meest waarschijnlijk in de periode tussen 200 en 225. Deze afzettingen komen daar voor vanaf een diepte van 1 tot 3 m -NAP. De plaatselijk aanwezige geulafzettingen hebben vaak de onderliggende horizonten (veen en pleistoceen zand) geërodeerd tot een diepte van ruim 10 m -NAP. 32 Aan de kust was het verlandingsproces omstreeks 750 n. Chr. zo goed als afgelopen, waarna de menselijke invloed op dit gebied sterk toenam. Tussen het einde van de 10 de en het einde van de 11 de eeuw werden de getijdengeulen in de kustvlakte ingedijkt, hetgeen uiteindelijk leidde tot de verhoging van het stormvloedniveau in het buitendijkse gebied. 33 Bedijking zorgde ervoor dat de zeearm de Honte (de voorloper van de Westerschelde) zich kon ontwikkelen tot een brede getijdenstroom, wat er op zijn beurt voor zorgde dat het binnendijkse gebied gevoelig werd voor stormvloeden.
De bekendste, maar lang niet enige, hiervan zijn die van 1134, 1214, 1375, de Sint Elisabethsvloeden van 1404 en 1421 en de grootschalige overstroming van 1530. 34 Deze stormvloeden, maar ook militaire inundaties die op grote schaal gedurende de Tachtigjarige Oorlog zijn doorgevoerd, hadden als gevolg dat dit gebied weer sterk onder mariene invloed kwam te staan. 35 Smalle en brede inbraakgeulen sneden zich in in dit landschap (figuur 6) en de lager gelegen delen werden overspoeld. Tot ver landinwaarts werd hierdoor een dik pakket sediment afgezet, waarbij grote delen van het oude landschap bedekt geraken. Deze jongere afzettingen, ontstaan gedurende de laatste 1. 000 jaar, bestaan uit mariene zanden en kleien. Deze werden vroeger tot de Duinkerke III-afzettingen gerekend, maar worden heden benoemd als Westerscheldeafzettingen. 36 Deze maken deel uit van het Laagpakket van Walcheren. Bij projectie op onderstaande figuur blijkt dat het plangebied circa 200 m ten westen van zo’n jonge geul te situeren is.
27 Van
den Berg & Wattenberghe 2022; Delporte 2017; Delporte 2020; Delporte & D’hondt 2018; Laan & Tol 2018. Clercq & Van Dierendonck 2008; De Clercq 2009. 29 Lases & De Kraker 2009: 30. 28 Sier 2003: 14; De 30 Baeteman 31 Lases
2007.
& De Kraker 2009: 30; Vos et al. 2008.
32 Vos
et al. 2015.
33 Tys
2010: 91.
34 De
Kraker 1997: 21; De Kraker et al. 2002: 16. 35 Van Strydonck & De Mulder 2000: 109. 36 Vos et al. 2015.
22
ARTEFACT RAPPORT 864
ZAAMSLAG WESTSTRAAT
Figuur 6 Kaart van Oost-Zeeuws-Vlaanderen met de verschillende inbraakgeulen ten gevolge van stormvloeden en militaire inundaties in de 16 de eeuw. De rode stip markeert de ligging van het plangebied. Bron: De Kraker 1997: 213, naar Van Rummelen 1977a.
2. 2. 2
Aardkundige waarden
Geologie Op de Geologische Overzichtskaart van Nederland 37 (niet afgebeeld) ligt het plangebied binnen een Na6, hetgeen betekent dat hier het Laagpakket van Walcheren aanwezig is (zeeklei en -zand).
zone met
code
Op de fijnmaziger Geologische Kaart van Nederland 38 (figuur 7) is te zien dat grofweg de westelijke helft van het plangebied deel uitmaakt van een zone met code F0. 3b met witte ruitjes. Dit wil zeggen dat hier sprake is van Afzettingen van Duinkerke IIIb op oudere Afzettingen van Duinkerke (de nieuwe nomenclatuur voor Afzettingen van
Duinkerke luidt het Laagpakket van Walcheren), op Hollandveen op Pleistoceen. Grofweg de oostelijke helft van het plangebied maakt deel uit van een zone met code F0. 2. Deze code duidt op Afzettingen van Duinkerke II op Hollandveen op Pleistoceen.
37 TNO
2010, naar De Mulder et al. 2003.
38 Van Rummelen 1977a.
23
ARTEFACT RAPPORT 864
ZAAMSLAG WESTSTRAAT
Volgens de bijkaarten van de Geologische Kaart heeft het Hollandveen ter hoogte van het plangebied een dikte van 0,5 tot 1 m. Het pleistocene dekzand kan volgens de bijkaarten worden verwacht op een diepte tussen 1 en 2 m -NAP.
Figuur 7 Projectie van het plangebied (in rood) en situering van de dichtstbijzijnde relevante DINO-boringen van de Geologische Kaart. Bron: Van Rummelen 1977a.
op een uitsnede
Data en Informatie van de Nederlandse Ondergrond (DINO) Data
en Informatie van
de Nederlandse Ondergrond (DINO) zijn bruikbaar om de diepteligging van de verschillende
geologische niveaus te achterhalen. Raadpleging van de ondergrondgegevens in het DINOloket 39 leert dat binnen het plangebied geen geologische boringen bekend zijn. De dichtstbijzijnde boringen zijn gezet op enkele honderden meters ten noorden van het plangebied. Dit betreft boringen B54F0464, B54F0463 en B54F0462, op bovenstaande figuur aangeduid met de nummers 1, 2 en 3. In deze boringen is vanaf het maaiveld klei van het Laagpakket van Walcheren aangeboord tot 1,50 - 2,10 m -mv/ 0,90 - 1,50 m -NAP, met hieronder, op de einddiepte, nog net de bovenzijde van het Hollandveen Laagpakket. Op een kleine 500
m ten zuiden van het plangebied is een boring dieper doorgezet. Dit betreft boring B54F0347, aangeduid met nummer 4 op bovenstaande figuur. Hier was tot 1,80 m -mv/ 0,90 m -NAP sprake van klei van het Laagpakket van Walcheren, met hieronder een 1,10 m dikke laag Hollandveen. Onder het veen bevindt zich vanaf 2,90 m -mv/ 2,00 m -NAP tot aan de einddiepte van 3,50 m -mv/ 2,60 m -NAP zand van de Formatie van Boxtel.
39 www.
dinoloket. nl/ondergrondgegevens.
24
ARTEFACT RAPPORT 864
ZAAMSLAG WESTSTRAAT
Een Appelboormodel van DINO 40 voorspelt dat de Formatie van Boxtel in het plangebied te verwachten is vanaf 3 m mv/ 2,75 m -NAP en dat deze circa 3 m dik is. Hieronder valt vanaf 6 m -mv/ 5,75 m -NAP de Formatie van Koewacht te verwachten met een dikte van circa 9 m.
Bodem Op de Bodemkaart van Nederland 41 (figuur 8) maakt vrijwel het hele plangebied deel uit van een zone met code Mn15A. Dit wil zeggen dat hier sprake is van kalkrijke poldervaaggronden, ontwikkeld in lichte zavel. De donkerblauwe gestreepte lijnen ten zuidwesten van het plangebied duiden op een smalle kreekbedding dan wel geul. In het verlengde
hiervan vormt een smalle, zuidwest-noordoost georiënteerde waterloop de westelijke begrenzing van onderhavig plangebied. Een zeer klein, noordoostelijk deel van het plangebied maakt deel uit van de niet-gekarteerde dorpskern van Zaamslag.
Figuur 8 Projectie van het plangebied (rode polygoon) op een uitsnede van de Bodemkaart van Nederland. Bron: Stichting voor Bodemkartering 1980a. Bij het bepalen van het grondwaterregime van de bodem wordt gewerkt met grondwatertrappen. Deze trappen geven een
klassenindeling
weer
van
ten eerste
de verschillende grondwaterstanden
naar
diepte
en ten
tweede de
seizoensvariatie in de grondwaterstanden. De gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) wordt doorgaans bepaald door de ontwatering van de percelen; de gemiddeld laagste grondwaterstand (GLG) wordt echter beïnvloed door de aard van de ondergrond. De grondwatertrappen worden vastgesteld op een schaal van I tot en met VII, van respectievelijk extreem nat tot extreem droog (zie onderstaande tabel). Gebiedsdelen met een goede ontwatering dinoloket. nl/ondergrondmodellen. Stichting voor Bodemkartering 1980a.
40 www. 41
25
ARTEFACT RAPPORT 864
ZAAMSLAG WESTSTRAAT
geschikt voor landbouw en vormden mede daarom, met name in het verleden, een aantrekkelijk vestigingsgebied. In gebieden met een hoge grondwaterstand kunnen daarentegen goed geconserveerde, met name organische, archeologische resten worden aangetroffen. De Bodemkaart van Nederland geeft niet duidelijk aan van welke grondwatertrap er precies binnen het plangebied sprake is. In de wijde omtrek van het plangebied is meestal sprake van grondwatertrap VI, hetgeen duidt op een goede ontwatering. (Gwt VI
en
VII) zijn
zeer
grondwatertrap
I
II
III
IV
V
VI
GHG in cm -mv
( < 20)
( < 40)
< 40
> 40
< 40
40
GLG in cm -mv
< 50
50-80
80-120
80-120
> 120
> 120
= gemiddeld
GHG
VII 80
–
> 80
( > 160)
hoogste grondwaterstand / GLG = gemiddeld laagste grondwaterstand
Geomorfologie Projectie op de Geomorfologische Kaart van Nederland (figuur 9) 42 laat zien dat het plangebied vrijwel geheel deel uitmaakt van een zone met code 3L20. Dit wil zeggen dat hier sprake is van welvingen in getijafzettingen. De stippellijn langs de westelijke begrenzing van het plangebied duidt op een smalle geul. Deze ligt in het verlengde van een getij(kreek)bedding dan wel zee-erosiegeul (code 2R13/14) ten zuidwesten van het plangebied. Een zeer klein noordoostelijk deel van het plangebied maakt deel uit van de niet-gekarteerde dorpskern van Zaamslag. Code 2M35, waarvan sprake is in grote gebieden in de omgeving van Zaamslag, duidt op vlakten van getijafzettingen. De roze lineaire elementen geven dijken aan.
42 Brus
& De Lange 1987.
26
ARTEFACT RAPPORT 864
ZAAMSLAG WESTSTRAAT
Figuur 9 Projectie van het plangebied (in rood) op een uitsnede van de Geomorfologische Kaart van Nederland. Bron: Brus & De Lange 1987.
Actueel Hoogtebestand Nederland Het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) vormt een belangrijke aanvullende informatiebron voor de landschapsanalyse. Dit met behulp van laser-altimetrie (LiDAR) verkregen digitale bestand toont een goed beeld van het huidige reliëf in het plangebied en de omgeving (figuur 10). Hierbij is de hoger gelegen dorpskern van Zaamslag te onderscheiden, waar de maaiveldhoogte veelal boven 1 m +NAP ligt, oplopend tot 2,55 m +NAP op het Plein en circa 3 m +NAP op de Torenberg. Ten zuidwesten van Zaamslag zijn kronkelende laagten te zien die zijn veroorzaakt door vroegere waterlopen. Het maaiveld ligt hier rond of onder NAP. Ten westen van het plangebied liep een uitloper van de Otheensche Kreek (zie hoofdstuk 2. 3. 1). Het plangebied ligt qua maaiveldhoogte in een overgangsgebied tussen betreffende laagte en de relatief hooggelegen dorpskern, met maaiveldhoogten variërend van 0,1 tot 0,8 m +NAP.
27
ARTEFACT RAPPORT 864
Figuur 10 Projectie van het plangebied (zwarte polygoon) Nederland. Bron: www. pdok. nl (AHN4 0,5 meter raster DTM).
ZAAMSLAG WESTSTRAAT
op een
bewerkte uitsnede
van
het Actueel Hoogtebestand
Indien verder wordt ingezoomd en verfijnd (figuur 11), is de variatie in maaiveldhoogten binnen het plangebied beter te zien. Op de meeste plaatsen bedraagt de maaiveldhoogte omstreeks 0,5 m +NAP. Aan de zuidwestzijde ligt het maaiveld het laagst (circa 0,1 m +NAP); dit is te relateren aan de voormalige kreekuitloper. Binnen het plangebied zijn drie afzonderlijke hoogten te onderscheiden, waar het maaiveld oploopt tot circa 0,8 m +NAP. Het is niet duidelijk waardoor dit komt. Duidelijke aanwijzingen voor eventuele archeologische vindplaatsen binnen of aangrenzend aan het plangebied zijn niet op het AHN waargenomen.
28
ARTEFACT RAPPORT 864
ZAAMSLAG WESTSTRAAT
Figuur 11 Projectie van het plangebied (zwarte polygoon) op een bewerkte uitsnede van het Actueel Hoogtebestand Nederland. Bron: www. pdok. nl (AHN4 0,5 meter raster DTM).
Samenvatting landschap en geologie Samenvattend is in de ondergrond van het plangebied waarschijnlijk intact pleistoceen dekzand van het Laagpakket van Wierden (Formatie van Boxtel) aanwezig, mogelijk te relateren aan een dekzandrug. Hieronder vallen afzettingen van de oude Schelde te verwachten, behorend tot het Laagpakket van Singraven (Formatie van Boxtel) en/of de Formatie van Koewacht. Ondergrondgegevens en een model van het DINOloket geven het beeld dat de top van het dekzand te verwachten valt vanaf 2,00 - 2,75 m -NAP; volgens de bijkaarten bij de Geologische Kaart van Nederland kan er al vanaf 1 m -NAP dekzand worden aangetroffen. Het dekzand wordt afgedekt door veen (Basisveen en/of Hollandveen) van de Formatie van Nieuwkoop. Het plangebied valt buiten het afzettingsgebied van het Laagpakket van Wormer. De veenlaag kan meer dan 1 m dik zijn. De bovenzijde ligt omstreeks 0,90 m -NAP. Het veen wordt afgedekt door het Laagpakket van Walcheren, bestaande uit Sluiskilafzettingen, waarschijnlijk plaatselijk (voornamelijk in de westelijke helft van het plangebied) afgedekt door Westerscheldeafzettingen. Langs de westelijke begrenzing van het plangebied valt rekening te houden met dieper reikende Westerscheldeafzettingen die te relateren zijn aan het hier aanwezige kreekrestant dat tegenwoordig een perceelsgrens vormt.
Het maaiveld ligt in het plangebied gemiddeld rond 0,50 m +NAP, met uitschieters van respectievelijk 0,10 m +NAP in het zuidwesten (te relateren aan het kreekrestant) tot 0,80 m +NAP op drie plaatsen centraal in het plangebied.
29
ARTEFACT RAPPORT 864
2. 3
Historie
2. 3. 1
Historisch-geografische ontwikkeling 43
ZAAMSLAG WESTSTRAAT
Het beschrijven van de historische situatie dient meerdere doelen. Er wordt archeologisch inhoudelijk gekeken of eventueel sprake is van historische bebouwing, mogelijke (vaar)wegen en/of subrecent gebruik, waarbij vastgesteld moet worden of sprake is van verstoringen (bijvoorbeeld ontgrondingen, stortingen en verhardingen). Bij het tot stand
komen van voorliggend onderzoeksrapport werd gebruikt gemaakt van meerdere historische of oude kaarten. Enkel de kaarten waarop nieuwe, afwijkende of kenmerkende informatie met betrekking tot het plangebied wordt weergegeven, zijn afgebeeld in dit rapport. Hierbij dient opgemerkt dat de projecties die zijn gemaakt op oude kaarten, vrij betrouwbaar zijn voor alle kaarten daterend vanaf het midden van de 18 de eeuw, toen, dikwijls voor militaire doeleinden, topografische kaarten ontwikkeld werden met vrij grote schaalnauwkeurigheid. De projecties op de kaarten daterend voor deze periode moeten dan ook als indicatief worden beschouwd. Vanaf de 10 de eeuw vermelden historische bronnen plaatsen als Axel, Boterzande en Ostholt. Deze vermeldingen duiden op een toenemend economisch belang van de streek, met de productie van schapenwol als een belangrijke economische pijler. De eerste polders in dit deel van Zeeuws-Vlaanderen ontstonden pas na 1100. De oudste hier bekende dijknaam is Vroondijke, vermeld in 1114. De systematische inpoldering van het gebied duidt op een duidelijke toename in economisch belang vanaf de 12 de eeuw. Deze toename is ingegeven door de sterke bevolkingsgroei en de opkomst van de stad Gent als belangrijkste en grootste Vlaamse stad. Hierbij werden voordien economisch weinig belangrijke gebieden tot grotere productiviteit gebracht.
De economische expansie ging gepaard met een bevolkingstoename binnen dit nieuw ontgonnen gebied, hetgeen zich weerspiegelde in een toenemende aantal stichtingen van nederzettingen, kerken en kapellen in de nieuwe polders. 44 Zo moet op het (toen nog eiland) Zaamslag reeds in de 12 de de eeuw een gelijknamige parochie zijn ontstaan, samen met Othene en Aandijke. 45 De 12-eeuwse bewoning van de parochie Zaamslag is tot op heden geattesteerd door de vondst van archeologica uit deze periode. Woningen zijn nog niet eerder aangetroffen, maar zullen vermoedelijk uit houtbouw hebben bestaan. Lensen vermoedt op basis van historisch onderzoek dat er gedurende de 12 de eeuw reeds een houten kerkgebouw aanwezig moet geweest zijn. 46 Ten zuidoosten van de nederzetting lag op dat moment een mottekasteel (de latere Torenberg). Het initiatief tot de exploitatie van de nieuwe polders was hoofdzakelijk in handen van de Vlaamse abdijen, maar ook personen met wereldlijke macht, zoals lokale heren en poorters, lieten het gebied ontginnen. De abdijen lieten in dit gebied grote hoeven (grangiae) bouwen te Graauw, Lamswaarde, Stoppeldijk en Othene. Deze zogenoemde uithoven hadden vermoedelijk hun eigen verzorgingsgebied, al ontbreken historische gegevens hierover.
Lensen betoogt, uitgaande van geulen en watergangen als natuurlijke grenzen, dat de uithof van Othene het gebied rond Zaamslag in beheer had. 47 Het zwaartepunt van de economische activiteit lag na de inpoldering op landbouw (veeteelt en akkerbouw) en veenontginning (moeren). De gunstige economische situatie droeg bij tot het ontstaan van steden. Het nabijgelegen Axel had een rechtstreekse toegang tot de Honte via de Blijde en groeide uit tot een handelsstad. Bij de stormvloed van 1214 ging het aan de noordzijde van het eiland Zaamslag gelegen Othene samen met enkele omliggende polders verloren. De bij deze stormvloed overstroomde gebieden werden maar ten dele herdijkt, waarbij de polders Oud en Nieuw Othene, Diepenee, Ser Mandinspolder en Copwijk ontstonden. De polder Oud Othene sloot aan op het oostelijk gelegen Aendijcke; Nieuw Othene lag ten westen daarvan. De polders Nieuw Othene en Diepenee
Voorliggend hoofdstuk is deels overgenomen uit een eerder door Artefact uitgevoerd bureauonderzoek in Zaamslag (Delporte 2018), toegespitst op het onderhavige plangebied en aangepast en aangevuld met specifieke en aanvullende 43
gegevens. 44 45
Gottschalk 1984. Gotstschalk 1984: 98.
46 Lensen
2016: 67-68.
47 Lensen
2013: 34-36.
30
ARTEFACT RAPPORT 864
ZAAMSLAG WESTSTRAAT
grensden aan de westzijde aan de Blijde. 48 Na de stormvloed van 1214 werden door de cisterciënzerabdijen van Ten Duinen, Boudelo en Cambron in Zeeuws-Vlaanderen op grote schaal nieuwe offensieve dijken aangelegd. Eveneens tijdens de 13 de eeuw werd geleidelijk
een aantal gebouwen in de nederzetting Zaamslag en omgeving door baksteenbouw. Hierbij moet volgens Lensen 49 worden gedacht aan de gebouwen van de uithof bij Othene en de parochiekerk van Zaamslag, alsook gebouwen op en rondom de motte waar in de loop van de 13 de eeuw een kasteelcomplex ontstond met een hoofdburg ter plaatse van het voormalige opperhof en een voorburg ter plaatse van het voormalige neerhof. Op de hoofdburg werd hierbij onder andere een vierkante woontoren gebouwd. Als laatste werden vermoedelijk ook de gebouwen van de nabij Zaamslag gelegen Tempeliercommanderij in deze periode in baksteen herbouwd. Deze commanderij was in de 12 de eeuw gesticht door de Tempeliers en lag ruim 1 km ten westen van onderhavig plangebied. 50 Nadat deze orde in het begin van de 14 de eeuw was opgeheven, is dit goed echter blijven bestaan en overgegaan naar het bezit van de Hospitaalridders. 51 In, of in de omgeving van Zaamslag is omstreeks het einde van de 13 de of het begin van de 14 de eeuw een hospitaal gesticht. Het bestond vermoedelijk uit meerdere gebouwen, waaronder een ziekenzaal, leef- en slaapvertrekken voor de religieuzen die in dit hospitaal actief waren, en een boerderij. Het is onbekend wie de oorspronkelijke oprichters van dit hospitaal waren, een lokale heer, de tempeliers of de Hospitaalorde.
Wel is bekend dat dit hospitaal uiteindelijk werd uitgebaat door de Hospitaalorde. Omstreeks 1520 raakte het hospitaal in onbruik, waarna het vanaf 1523 in gebruik genomen werd als klooster door de zusters van Derde Orde van Sint Franciscus. Het is onbekend of het geheel op dat moment nog een secundaire functie als hospitaal behield. 52 Over de vraag waar het hospitaal precies gelegen heeft, bestaat discussie (zie hoofdstuk 2. 4). vervangen
Bestuurlijk viel de omgeving van Zaamslag vanaf de 13 de eeuw onder de Vier Ambachten. Dit was een samenvoeging van het Axeler-, Hulster, Boekhouter- en Assenederambacht onder een gemeenschappelijke keure uit de 13 de eeuw. In deze bestuurlijke eenheid werd naast waterbeheer en dijkwerken ook rechtspraak uitgeoefend. 53 De onderlinge grenzen tussen deze ambachten werden ten dele bepaald door de inbraakgeulen die vanuit de Honte het land insneden. Naar het zuiden toe werd hiervan afgeweken en is het moeilijk om de grenzen op basis van de huidige topografie exact te bepalen. De ambachtsheerlijkheid Zaamslag vormde een aparte entiteit binnen de Axeler Ambacht, die pas in 1518 onder gezag van het Axeler Ambacht werd gesteld. De Figurative kaert van de gelegendheyd van Vlaenderen, ten tyde van graef Guy van Dampierre (ook wel Dampierrekaart genoemd), bewaard in een historische kopie door Van Thuyne uit 1617 uit het archief van de Sint-Pietersabdij te Gent, geeft de situatie van Noord-Vlaanderen omstreeks het laatste kwart van de 13 de eeuw weer (figuur 12). Dit betreft een kopie van het origineel uit 1274. Op deze kaart worden de verschillende ambachten afzonderlijk ingekleurd weergegeven maar wordt geen onderscheid gemaakt tussen het Axeler Ambacht en de hierin gelegen (sub-ambacht) Zaamslag.
48 Gottschalk 1984: 54-57. 49 Lensen
2016: 95-96, 166-175. 50 Lensen 2016: 133-152. 51 Van Der Baan 1859: 39. 52 Lensen 2016: 200-213. 53 De Kraker 2004: 51-52.
31
ARTEFACT RAPPORT 864
ZAAMSLAG WESTSTRAAT
de Figuur 12 Uitsnede uit een vroeg-17-eeuwse kopie door Van Thuyne van de Figurative kaert van de gelegendheyd van Vlaenderen, ten tyde van graef Guy van Dampierre uit 1274. In detail is hier het gebied rond en ten noorden van Axel weergegeven. De globale ligging van het Zaemslach is met een lichtblauwe cirkel aangegeven. De verschillende ambachten zijn met een aparte kleur ingedeeld. Bron: RAG-VZ1-5.
Omdat de oorspronkelijke kopie door Van Thuyne uit 1617 moeilijk leesbaar en deels beschadigd is, wordt hieronder een recentere kopie, eveneens afkomstig uit het archief van de Sint-Pietersabdij, van de betreffende kaart weergegeven (figuur 13). Deze kaart wijkt in die zin van het origineel af dat op deze kopie het in de 14 de eeuw ontstane Ter Neusen (eerste vermelding uit 1325) toegevoegd is. Het is echter met een afzonderlijke lijn omringd die in het noorden verder doorloopt dan de grens van het land zoals op de kaart weergegeven. In de omgeving van Saemslach worden de parochies van Ooten en Aendijck en Triniteyt aangegeven. Triniteit, ontstaan in de 14 de eeuw, lag in de eveneens in de 14 de eeuw aangelegde Zuidpolder, die onderdeel uitmaakte van het eiland van Zaamslag. Ten westen van Saemslach staat de Tempel Hof aangegeven. Dit betreft geen afzonderlijke parochie, maar de in de 12 de eeuw gestichte commanderij van de Tempeliers. 54
54 Zie
hoger.
32
ARTEFACT RAPPORT 864
ZAAMSLAG WESTSTRAAT
Figuur 13 Uitsnede uit een andere kopie van de hoger weergegeven, door Van Thuyne in 1617 gemaakte, kopie van de zogenaamde Dampierrekaart (Figurative kaert van de gelegendheyd van Vlaenderen, ten tyde van graef Guy van Dampierre uit 1274). In detail is hier het gebied rond en ten noorden van Axel weergegeven. De globale ligging van het Saemslach is met een lichtblauwe cirkel aangegeven. Bron: RAG-VZ1-7. Door het verlanden van de aanwezige geulen en zeearmen rondom het eiland Zaamslag in combinatie met het actief
inpolderen van deze verlandende gebieden werd Zaamslag tegen het einde van de 13 de en het begin van de 14 de eeuw geleidelijk onderdeel van het vasteland. 55 Ondanks de grootschalige inpolderingscampagnes werd de regio in de hele 13 de 14 de en 15 de eeuw regelmatig door stormvloeden overspoeld. De streek wordt dan ook gekenmerkt door continue strijd tegen het water. Hierdoor kent het landschap een geschiedenis van bedijken en herbedijken, waarbij slechts zelden nieuw land gewonnen kon worden. 56 Twee stormvloeden waren in deze periode dermate bepalend voor het verdere geologische en historischgeografische verloop in het plangebied, dat deze hier nader besproken worden. De eerste is de stormvloed van 1375. Hierbij ontstond bij de Braakman een groot zeegat en werd de noordelijke helft van het Boekhouter Ambacht weggespoeld. De tweede belangrijke stormvloed voor dit gebied vond plaats in 1488. Tijdens deze storm werd de Braakman verder uitgediept naar het oosten toe. De noordelijke helft van het Asseneder Ambacht en het aangrenzende Boekhouter en Axeler Ambacht gingen verloren als gevolg van het doorbreken van een sluis te Nieuwersluis. Tevens werden tijdens de stormvloed in deze regio moerparochies verzwolgen door het water, de meeste voorgoed.
Na de stormvloed van 1488 kwam het zeewater tot bij de Axelsche Vaart (ten zuiden van Axel wordt deze waterweg als Gentse Vaart aangeduid) en in het zuiden zelfs tot bij Zelzate. Pas na het beëindigen van de oorlog met Maximiliaan van Oostenrijk in 1492 (Vrede van Cadzand) werd de Landdijk tussen Terneuzen en Boekhoute ,
55
Gottschalk 1984: 203-210.
56 Gottschalk 1983.
33
ARTEFACT RAPPORT 864
ZAAMSLAG WESTSTRAAT
aangelegd, die een verder doorbreken van de Braakman in het achterland moest verhinderen. 57 De parochies Vremdijcke, Willemskercke, Coudekercke, Steelandt, Hertinghe, Moerkerke, Niewkercke en Hughersluis lagen buiten deze Landdijk. 58 Van de volledig onder water gelopen polders werden enkel de Vremdijckepolder en de Willemskerckepolder herbedijkt in 1498 en 1518. In 1530 werd het gebied opnieuw geteisterd door stormvloeden. Hierbij werd vanuit de Braakman onder andere een groot gat in de Landdijk tussen Assenede en Westdorpe geslagen en werden ook de dijken langs de Honte op
verschillende plaatsen doorgeslagen. Hierbij kwam het gebied ten noorden van de Braakman en het noorden van het Axeler Ambacht, alsook een gebied rond Axel zelf, onder water te staan. 59 Ook Zaamslag en het plangebied lagen in overstroomd gebied (zie figuur 14). De grote omvang van de inundaties leidde tot de aanleg van een dijk op de grens tussen het Axeler en Asseneder Ambacht: de Creckeldijck. 60
Figuur 14 Reconstructie van de omvang van de overstromingen in de Vier Ambachten en het Land van Saeftinghe na 1530. De lichtblauwe cirkel duidt indicatief de ligging van Zaamslag aan. Zaamslag lag op dat moment in overstroomd gebied. Bron: De Kraker 1997: 68. De relatieve stabiliteit tussen 1530 en 1552 liet toe vele schorren in het gebied rond de Braakman opnieuw te bedijken en in te polderen. Dit gebeurde voornamelijk ten noorden van Assenede en Boekhoute, ten westen van Axel en ten westen van Terneuzen. 61 Op figuur 15 is de situatie omstreeks 1550 weergegeven. Evenals de Dampierrekaart betreft dit een door Van Thuyne gemaakte, in het archief van de Sint-Pietersabdij bewaarde, kopie van een ouder origineel. De voormalige verbindingen tussen Axel en de Honte en Hulst en de Honte zijn nog steeds in het kaartbeeld aanwezig. Op deze figuur staat enkel Othene (Nooten) als parochie weergegeven binnen het gebied van het voormalige eiland Zaamslag. Dit betreft een tweede Othene, dat gesticht is op een andere locatie dan het verdronken, oorspronkelijke Othene. Saemslach en de Tempel Hof worden niet afgebeeld, maar komen wel als plaatsaanduiding op deze kaart voor,
57 De
Kraker 1997: 37-38. Kraker 1997: 37-38. 59 De Kraker 1997: 66-67. 60 De Kraker 1997: 66-67. 61 Wilderom 1973: 172-176. 58 De
34
ARTEFACT RAPPORT 864
ZAAMSLAG WESTSTRAAT
hetgeen laat vermoeden dat deze wel nog in het landschap aanwezig waren. Dit vermoeden wordt bevestigd door de kaart van Horenbault uit 1569 (figuur 16).
Figuur 15 Uitsnede uit de kaart van noordelijk deel van Vlaanderen omstreeks 1550, kopie door Van Thuyne, bewaard in het archief van de Sint-Pietersabdij. Op deze kaart is de Braakman weergegeven als een groot getijdengebied (westzijde van het kaartbeeld). Bemerk ook de verschillende polders op de kaart weergegeven. De vermelding van Saemslach is met een lichtblauwe lijn onderstreept. Bron: RAG-VZ1-19. Op de kaart door Horenbault uit 1569 staat Zaemslach links onderaan het kaartbeeld afgebeeld. Een uitsnede hiervan is te zien op figuur 16. Deze kaart geeft een goed beeld van de laatmiddeleeuwse situatie en geeft het geheel weer als
straatdorp met centraal een ommuurd kerkterrein en ten zuiden en oosten van de kerk wat verspreide bewoning. In het westen van de nederzetting staat een ommuurd terrein weergegeven met de vermelding Spittael; er valt van uit te gaan dat hier gedoeld wordt op het hospitaal, al wordt ook met de mogelijkheid rekening gehouden dat de Tempelhof ermee wordt aangeduid. 62 een
Ten oosten van de kern van Zaemslach wordt op de kaart door Horenbault een omgrachte hoeve weergegeven met de benaming pastorie. Mogelijk betreft het hier een uit historische bronnen gekende hofstede die het eigendom was van de vicarie van Zaamslag. Het laatste opvallende complex betreft het kasteel van Zaamslag, weergegeven ten zuiden van de dorpskern. Op de kaart door Horenbault wordt het kasteel weergegeven als een omgracht geheel met binnen het ommuurde terrein een woontoren en ten noordoosten daarvan enkele bijgebouwen. Op dat moment was dit kasteel echter al deels in verval. Met name oorlogs- en natuurgeweld zorgden in de loop van de 15 de en 16 de eeuw voor
62 Briels &
De Visser 2015a: 32-38.
35
ARTEFACT RAPPORT 864
ZAAMSLAG WESTSTRAAT
vernielingen aan dit kasteel, waardoor delen ervan reeds op het einde van de 16 de eeuw (dus na het opstellen van de kaart door Horenbault) werden afgebroken. Enkel de woontoren bleef uiteindelijk nog over. 63
Figuur 16 Uitsnede van figuratieve kaart van het poldergebied tussen Zaamslag en Heinsdijk door Horenbault in 1569. Bron: RAG-VZ1-2647.
Waren de voorgaande overstromingen het gevolg van natuurlijke fenomenen, tijdens de Tachtigjarige Oorlog vond een reeks van inundaties plaats die door de mens zelf werden veroorzaakt. Dit gebeurde bijvoorbeeld in 1584, toen opstandelingen zeedijken doorstaken in het Hulster Ambacht en het Land van Saeftinghe, in een poging om de Spanjaarden die Gent, Brugge en Antwerpen bedreigden, vanaf de zuidelijke oever van de Westerschelde te verdrijven. In datzelfde jaar werd de sluis bij Kampen vernield, in een poging om de Spaanse troepen te beletten Axel in te nemen. Kort daarna werd ook de sluis bij Nieuw-Othene doorgestoken. Hierdoor kwamen de polders van Othene, Zaamslag en Aendijcke onder water te staan (zie figuur 17). Ondanks verwoede pogingen van de Spaanse soldaten om de schade te herstellen, werd het herstelwerk snel weer ongedaan gemaakt. Intussen waren ook de polders bij Terneuzen en de Triniteytpolder onder water gelopen. Na de inname van Axel door Staatse troepen werd in 1586 ook de Landdijk bij Buucxgate doorgestoken. Hierdoor kreeg de zee vrij spel en verdronken grote gebieden in het Asseneder Ambacht en
het zuiden van het Axeler Ambacht nagenoeg compleet. 64
63 Lensen 64 De
2016: 183-188.
Kraker 1997: 134-143.
36
ARTEFACT RAPPORT 864
ZAAMSLAG WESTSTRAAT
Figuur 17 Reconstructie van de omvang van de militaire inundaties in de Vier Ambachten en het Land van Saeftinghe in 15831586. De indicatieve ligging van Zaamslag is met een lichtblauwe cirkel aangeduid. Bron: De Kraker 1997: 68. De gevolgen van deze militaire inundaties voor het landschap waren groot, terwijl het beoogde resultaat, zijnde het verdrijven van de Spanjaarden en het redden van de steden, niet behaald werd. 65 De steden Hulst en Axel waren omgeven met water en raakten geïsoleerd. Het uitgemoerde middeleeuwse landschap verdween onder het water en werd bedolven met nieuw sediment. Op figuur 18, een kaart door Verbist uit de 1632, is te zien hoe het grondgebied van Zaamslag quasi volledig verdwenen is en deel uitmaakt van de uitgebreide slikken en schorren langs de bij de overstroming ontstane nieuwe geulen. De gebieden rond Terneuzen en Axel zijn herschapen tot eilanden. Van de verdronken nederzettingen wordt enkel Saemslach weergegeven, met ten noorden daarvan de Tempelhof. Van
Saemslach betreft dit een weergave van een toren, vermoedelijk betreft dit de woontoren van het voormalige kasteel.
65 De Kraker 2015.
37
ARTEFACT RAPPORT 864
ZAAMSLAG WESTSTRAAT
Figuur 18 Uitsnede van de kaart van het graafschap Zeeland, vervaardigd door Pieter Verbist in 1632. De locatie van het verdronken Saemslach en de Tempelhof zijn met een lichtblauwe pijl aangegeven. Bron: RAG-VZ1 – 778.
Tijdens deze militaire inundaties ontstonden ook veel nieuwe waterlopen, die vaak nog in het tegenwoordige landschap te herkennen zijn. Een voorbeeld hiervan is een kreekrestant aan de westzijde van het plangebied, dat tot op heden bepalend is gebleven in de – verder meestal kaarsrechte – verkaveling. Dit betreft een ingedijkte, voormalige zijarm van de Otheensche Kreek. Nadat de rust in het gebied was teruggekeerd in het begin van de 17 de eeuw begon men opnieuw met de inpoldering van de verloren gebieden. Voor de zone rondom Zaamslag werd voor het eerst een bedijkingsoctrooi verleend in 1610. De bedijking bleef echter uit, waarschijnlijk ten gevolge van de blijvende oorlogsdreiging. 66 Op de kaart van Visscher uit circa 1650 is het geheel dan ook nog altijd een schorrengebied (figuur 19 geeft deze kaart weer zoals deze is gepubliceerd door Ottens in 1740). Binnen dit schorrengebied zijn echter enkele belangrijke ‘landmarks’ aanwezig die opgetekend werden, zoals drie stellen en de vierkante Toorn van Saemslach (de voormalige woontoren van het kasteel), Den Tempel (voormalige Tempelierscommanderij) en het Hospitael (zie inzet figuur 19).
66 Wilderom 1973: 165.
38
ARTEFACT RAPPORT 864
ZAAMSLAG WESTSTRAAT
Figuur 19
Uitsnede van de Zelandiae comitatus novissima tabula door Visscher, circa 1650 zoals uitgegeven door Ottens in locatie van Saemslach is met een blauwe pijl aangegeven en wordt links onderaan uitvergroot weergegeven. Bron: Nationale Bibliotheek Frankrijk. 1740. De
Na de Vrede
Münster (1648) werd opnieuw een octrooi verleend voor het bedijken voor het gebied rondom Zaamslag, ditmaal aan de nieuwe ambachtsheer van Zaamslag. In 1650 kwam de nieuwe dijckagie van Saemslach gereed. In figuur 20 wordt een detail weergegeven van de Kaart van de bedijkingswerken in Zaamslag in het Ambacht Axel. Deze kaart is opgemaakt door Wissche omstreeks 1650 en werd authentiek verklaard door Van Nieuwenhuyse, beëdigd landmeter in 1705. Op deze kaart is de polder alsook de percelering binnen deze polder ingetekend. Ook de nog bestaande middeleeuwse dijktrajecten, die blijkbaar nog als dusdanig in het landschap zichtbaar waren, zijn ingetekend (met een dunne zwarte lijn). Een van deze oude dijken doorsnijdt het westen van het nieuwe Zaamslag. Dit nieuwe Zaamslag werd gebouwd op en nabij de ruïnes van de verdwenen middeleeuwse nederzetting. Het nog aanwezige puin werd gebruikt om de nieuwe wegen binnen het dorp te verharden en mogelijk ook om een ondergrond aan te leggen waarop delen van het nieuwe dorp konden verrijzen. 67 De dorpskern bestond volgens onderstaande tekening op dat moment nog maar uit drie gebouwen. Het vierkante grondplan dat het centrum vormt van dit nieuwe Zaamslag is wel al ingetekend. De eerste in dit dorp gebouwde woning betreft volgens historisch onderzoek door R. van
2016: 266. Deze puinverharding is in het verleden meermaals aangetroffen bij verschillende graafwerkzaamheden in tuinen, onder huizen en in de straten. Mondelinge mededeling (2018) R. Lensen. 67 Lensen
39
ARTEFACT RAPPORT 864
ZAAMSLAG WESTSTRAAT
Lensen een pand aan Plein 10 (aan de westzijde van het Plein; dit is afgebroken in 1961). Dit pand dateerde al uit 1648, 68 dus nog voordat de inpoldering afgerond was. Op de kaart wordt ten oosten van de nieuw uitgezette dorpskern het leen van de Heren van Saemslach aangegeven. In dit leen is eveneens een gebouw ingetekend, mogelijk betreft dit een verwijzing naar de hier gelegen voormalige woontoren die pas omstreeks 1697 afgebroken is, 69 al is niet uitgesloten dat dit al een weergave betreft van de Torenhoeve die op het terrein van het voormalige kasteel werd gebouwd, nog voordat de toren werd afgebroken. Het plangebied te situeren in buitengebied ten zuidwesten van de dorpskern. Het kan enkel globaal worden geprojecteerd. Het is daarom niet met zekerheid te zeggen of de getekende zuidwestnoordoost georiënteerde perceelsgrens aan de westzijde in werkelijkheid binnen het plangebied lag of toch net erbuiten, zoals ook het geval is op de 19 de -eeuwse Kadastrale Minuut en de hedendaagse situatie (zie verderop). Bebouwing of andere bijzonderheden staan binnen en in de omgeving van het plangebied niet ingetekend.
Figuur 20 Projectie bij benadering van het plangebied (rode polygoon) op een uitsnede van de kaart van de bedijkingswerken in Zaamslag in het Ambacht Axel uit circa 1650, authentiek verklaard door Van Nieuwenhuyse, beëdigd landmeter in Axel, in 1705. Bron: RAG-VZ1
–
915.
De atlas door Hattinga uit 1750 geeft de situatie in Zeeland weer omstreeks het midden van de 18 de eeuw (figuur 21). Zaamslag is op deze kaart gelegen binnen de Zaamslag en de geanexeerde Polders. Deze is door de voortschrijdende inpoldering opnieuw deel gaan uitmaken van een groot aaneengesloten vasteland. De Zaamslag en de geannexeerde polders grenzen in het noorden ook niet langer aan de Honte, de zone ten noorden van Zaamslag is namelijk ingepolderd als de Magarita Polder (uit 1742), De groote Huissens Polder (uit 1695), de Kleyne Huissens Polder (uit 1712), de Kreeke Polderie (uit 1718) en de Aandyke Polder (uit 1671). De kern van Zaamslag is op deze kaart verder volgebouwd en is voorzien van een kerk (gebouwd tussen 1657 en 1658). Doordat zowel het Plein als de Veerstraat op deze kaart ingetekend zijn, is een projectie bij benadering mogelijk. Ter hoogte van het plangebied geeft de kaart geen bebouwing aan. Aan de westzijde bevindt zich een zuidwest-noordoost georiënteerde waterloop. Dit betreft een zijarm van de zuidelijker en westelijker gelegen Otheensche Kreek (Notense Kreek). De ligging en loop van het water corresponderen met die van de perceelgrens op bovenstaande
68 Lensen
2016: 266. 1859: 95.
69 Van Der Baan
bedijkingskaart.
40
ARTEFACT RAPPORT 864
ZAAMSLAG WESTSTRAAT
Figuur 21 Projectie van het plangebied (roze polygoon; bij benadering) op een uitsnede van de atlas door Hattinga uit het midden van de 18 de eeuw. Bron: Geoloket Cultuurhistorie Provincie Zeeland. Het Minuutplan van de Kadastrale Kaart uit omstreeks 1830 (figuur 22) is opgemaakt met als doel grondbelasting te
kunnen heffen op grondbezit en gebouwen en geeft dan ook de kadastrale percelen en gebouwen nauwkeurig weer en geeft ook meer naamsaanduidingen dan oudere kaarten, zoals straatnamen. Ten oosten van het plangebied staan bijvoorbeeld de Axelse Straat (de tegenwoordige Axelsestraat) en de Roozemaryn Straat (de huidige Rozemarijnstraat) aangegeven. De Weststraat en de Molenstraat bestonden nog niet, maar de loop ervan is al wel te zien in de vorm van perceelsgrenzen. Het plangebied was onbebouwd. Het maakte waarschijnlijk deel uit van twee percelen. Raadpleging van de Oorspronkelijk Aanwijzende Tafels leert dat beide percelen in gebruik waren als weiland en het eigendom waren van particulier Cornelis Wisse uit Zaamslag.
41
ARTEFACT RAPPORT 864
ZAAMSLAG WESTSTRAAT
Figuur 22 Projectie van het plangebied (roze polygoon) op een uitsnede van de gedigitaliseerde Kadastrale Minuut, omstreeks 1830. Bron: Geoloket Provincie Zeeland.
Figuur 23 toont de verdere ontwikkelingen in het plangebied en omgeving. Hierop valt te zien dat er tot ver in de 20 ste eeuw veel boomgaarden in de omgeving van het plangebied stonden. Ook in een oostelijk deel van het plangebied stonden in de eerste helft van de 20 ste eeuw enige bomen; verder is het plangebied steeds in gebruik geweest als weiland en akkerland. Aan de loop en ligging van het kreekrestant aan de westzijde van het plangebied lijkt in de loop der tijd weinig te zijn veranderd; deze waterloop vormt van oudsher een perceelscheiding.
Vanaf de late 19 de eeuw breidde de bebouwing zich aan de zuidzijde van Zaamslag zich mondjesmaat en geleidelijk uit. Ten westen van het Plein verrees de wijk Nieuw-Zaamslag, waarvan de Weststraat deel uitmaakt. 70 De Weststraat staat voor het eerst ingetekend op kaartmateriaal uit de vroege 20 ste eeuw. De ten zuiden van het plangebied gelegen Molenstraat is halverwege de 20 ste eeuw voor het eerst ingetekend. Ter hoogte van het westelijke uiteinde van de Molenstraat heeft binnen het plangebied in de tweede helft van de 20 ste eeuw bebouwing gestaan. Deze staat aangegeven op kaartmateriaal uit de jaren ’70-’80. Het betreft een los gebouw, centraal in het zuiden van het plangebied. Halverwege de jaren ’80 is het weer van de kaart verdwenen. Verder zijn geen aanwijzingen gezien dat er op enig moment bebouwing in het plangebied aanwezig is geweest.
70 Lensen
2016: 215.
42
ARTEFACT RAPPORT 864
ZAAMSLAG WESTSTRAAT
Figuur 23 Projectie van het plangebied (roze polygoon) op de Topografische Kaart uit 1916, 1950, 1972, 1990, 2000 en 2021. Bron: Esri Nederland, Kadaster.
Samenvatting historisch-geografische ontwikkeling In de Middeleeuwen bevond het plangebied zich ten westen van het middeleeuwse dorp Zaamslag, waar zich toen tevens een kasteel bevond. In de omgeving van het plangebied bevond zich in de Late Middeleeuwen behalve een dorp ook een hospitaal. De bestudeerde historische gegevens hebben geen specifieke informatie opgeleverd over de inrichting en het gebruik van het plangebied gedurende de Middeleeuwen. In de jaren ’80 van de 16 de eeuw werd de omgeving van Zaamslag – en daarmee het plangebied – opzettelijk geïnundeerd in het kader van de Tachtigjarige Oorlog. Een restant van een uitloper van de toen ontstane Otheensche Kreek vormt nog altijd de westelijke begrenzing van het plangebied. Het gebied is halverwege de 17 de eeuw opnieuw ingepolderd. Sindsdien lijkt het plangebied enkel agrarisch te zijn gebruikt. Op basis van het bestudeerde kaartmateriaal valt niet uit te sluiten dat het kreekrestant aan de westzijde aanvankelijk ook iets binnen de contour van het plangebied heeft gelopen. De enige vastgestelde aanwijzing voor bebouwing binnen het plangebied betreft een los gebouw dat in de tweede helft van de 20 ste eeuw enige jaren aan de Molenstraat heeft gestaan.
43
ARTEFACT RAPPORT 864
2. 3. 2
ZAAMSLAG WESTSTRAAT
Verstoringsgeschiedenis
Bodemloket In het Bodemloket 71 en de website Bodemrapportages Zeeland 72 worden de bodemkwaliteit en de status/voortgang
eventueel uitgevoerde onderzoeken weergegeven. Raadpleging plangebied geen bodemonderzoeken of saneringen bekend zijn. van
van
beide websites leert dat binnen het
Historische gegevens Het plangebied is langdurig gebruikt als landbouwgrond. Als gevolg van landbewerking kan de natuurlijke ondergrond oppervlakkig verstoord zijn geraakt. Centraal in het zuiden van het plangebied heeft in de tweede helft van de 20 ste eeuw een los gebouw gestaan, met een oppervlakte van naar schatting 10 x 15 m. Het gebouw is te zien op figuur 23 (kaart van 1972). De aard ervan is niet bekend. De bouw en sloop van het gebouw zullen hier tot enige mate van verstoring (onbekende diepte) hebben geleid ter plaatse van het bouwvlak. KLIC De graafmelding geeft aanwijzingen voor enkele verstoringen in het plangebied. Langs de westelijke begrenzing van het plangebied loopt een ondergronds riool onder over- of onderdruk. Deze leiding ligt enkele meters ten oosten van, en parallel aan, de sloot (kreekrestant). Langs de oostelijke begrenzing van het plangebied ligt een vrijvervalriool. Dit ligt ongeveer 2 m ten westen van de oostelijke begrenzing van het plangebied. In beide gevallen dient rekening te worden gehouden met een sleufvormige verstoring van onbekende breedte en diepte.