2024-06-19 - bijlage 2 onderbouwing woningbouw Zaamslag (geanonimiseerd)
Tekst van het document
Overig De grondeigenaar heeft aangegeven dat plaatselijk op 1 à 2 m diepte drainagebuizen zijn aangebracht. 73 Bij de opdrachtgever zijn geen gegevens over mogelijke verstoringen bekend. Ook raadpleging van (de website van) het Zeeuws Archief leverde geen relevante informatie op omtrent eventuele verstoringen van het plangebied.
bodemloket. nl, geraadpleegd op 15 januari 2024. https://zeeland. nazca4u. nl/Rapportage/, geraadpleegd op 15 januari 2024. 73 Mondelinge mededeling dhr. K. Duerink, 18 januari 2024. 71 www. 72
44
ARTEFACT RAPPORT 864
Archeologische waarden
2. 4 Om
ZAAMSLAG WESTSTRAAT
beeld te krijgen van mogelijk aanwezige archeologische waarden, worden in voorliggend hoofdstuk de bekende archeologische gegevens opgesomd binnen een straal van 500 m rond het plangebied. een
Archeologische monumenten De Archeologische Monumentkaart (AMK) is een digitaal bestand waarin de archeologische monumententerreinen, waaronder de wettelijk beschermde monumenten, werden bijgehouden. Sinds 2014 wordt dit bestand echter niet meer bijgewerkt, waardoor het als statisch bestand kan worden beschouwd. Binnen een straal van 500 m rond het plangebied komen drie AMK-terreinen voor. Deze worden in onderstaande tabel opgesomd. Monument-
Arch. waarde
Complextype
Datering
Beschrijving
Hoog
Nederzetting, onbepaald
MEL-NT
Terrein met de oude dorpskern van Zaamslag, daterend uit de Late Middeleeuwen en de Nieuwe Tijd A. Het oude Saemslach dat in de 13 de eeuw (kerk) zal zijn ontstaan bij het zuidoostelijk aangrenzende mottekasteel (mon. nr 1427) de de eeuw ten onder aan overstromingen en ging in de 15/16 inundaties. Pas na herbedijking in 1650 werd het huidige
nr. 13475
dorp gesticht. 1427
hoog, beschermd Zeer
Huisterp,
kasteel, motte /kasteelheuvel / vliedberg, nederzetting, onbepaald
ME-NT
motte/vliedberg met voorburcht, daterend uit de Late Middeleeuwen. De voorburcht kan naar verluidt worden beschouwd als het kasteel van de heren van Zaamslag. Uit onderzoek in 1987 (ROB) blijkt dat de eerste fase (houtbouw) van de voorburcht dateert uit circa 1193 (dendro-datering brugpalen) en de tweede fase (steenbouw) uit de 13 de eeuw. Omstreeks 1385 is er een toren op de berg gebouwd, welke in 1693 is verwoest. In de 14 de en 15 de eeuw werden tal van verbouwingen aan het voorbuchtterrein uitgevoerd. Volgens de kroniek van Axel zou het kasteel in 1469 door blikseminslag zijn 'verbrand' en naar men aanneemt niet meer zijn herbouwd. Overstromingen in 1530 zullen de ruïne hebben opgeruimd. De motte heeft een (rest)hoogte van circa 3,6 m en een diameter van zo'n 52 m. De gracht is als depressie nog gedeeltelijk zichtbaar aan de west- en oostzijde van de vliedberg. De voorburcht valt grotendeels buiten het huidige beschermde monument en is tegenwoordig deels overbouwd. Om de resten van de voorburcht toch een zekere mate van bescherming te bieden is besloten om ten noorden van het wettelijk beschermde gebied een terrein van Zeer Hoge Archeologische Waarde te creëren (monument 16088). In 1983 vond een proefonderzoek plaats (ROB + AWN) waarbij de voorburcht is gelokaliseerd.
In 1987 voerde de ROB een opgraving (noodonderzoek) uit op het terrein van de voorburcht, die zou worden overbouwd. Op aangeven van de AMC is in 2006 aan gebieden die noordelijk en oostelijk aansluiten bij dit monument een Zeer Hoge Archeologische Waarde toegekend, omdat zich daar nog archeologische resten in de bodem bevinden die verband houden met de motte/vliedberg. Terrein
met
resten
van
een
45
ARTEFACT RAPPORT 864
16088
Zeer hoog
ZAAMSLAG WESTSTRAAT
Huisterp,
ME-NT
kasteel, motte /kasteelheuvel / vliedberg, nederzetting, onbepaald
met resten van een motte/vliedberg met voorburcht, daterend uit de Late Middeleeuwen. De voorburcht valt grotendeels buiten het huidige beschermde monument (monumentnr. 1427) en is tegenwoordig deels overbouwd. Om de resten van de voorburcht toch een zekere mate van bescherming te bieden, is besloten om ten noorden van dit wettelijk beschermde gebied onderhavig terrein van Zeer Hoge Archeologische Waarde te creëren. In het voorjaar van 2007 is binnen de grenzen van het monument een terras aangelegd door middel van ophoging (zuidzijde huis).
Terrein
Gemeentelijke beleidsadvies- en/of waardenkaarten De gemeente Terneuzen beschikt sinds 27 januari 2011 over een gemeentelijk interim-beleid archeologie: “De onderste steen boven?”. Om inzicht te krijgen in de archeologische verwachtingswaarde van een gebied of locatie dient volgens dit beleid aan vijf criteria te worden getoetst: de Archeologische Monumentenkaart (AMK), de Indicatieve Kaart van Archeologische Waarden (IKAW), Archis, het Zeeuws Archeologisch Archief (ZAA) en de bodemopbouw. Bij het opstellen van ruimtelijke plannen en vergunningverlening in het kader van de Erfgoedverordening, zal deze toets het uitgangspunt zijn voor de beoordeling. In dit interim-beleid concludeerde de Gemeente echter ook dat de kennisstand van een aantal vindplaatsen ontoereikend was, waarna het project ‘Leemten in kennis’ is gestart. Hiertoe heeft Artefact! Advies en Onderzoek in Erfgoed een inventarisatie gemaakt van vindplaatsen waarvan fundamentele kennis ontbreekt en die in aanmerking komen voor nader onderzoek. 74 Ook is een inventarisatie gemaakt van verdronken dorpen en hun vermoedelijke ligging. In het kader van het ‘Leemten’-project zijn tien grote archeologische bureauonderzoeken uitgevoerd, waarin een aantal specifieke vindplaatsen dan wel verdronken dorpen worden uitgelicht.
75 Daarnaast heeft in het kader van het ‘Leemten’-project historisch-geografisch onderzoek plaatsgevonden. 76 Van de ‘Leemten’-vindplaatsen ligt er geen binnen het plangebied. Binnen een straal van 500 m rond het plangebied liggen er twee. Deze staan op figuur 24 in lichtblauw aangegeven, met de nummers waaronder deze staan geregistreerd in de rapportage uit 2014. In onderstaande tabel worden de betreffende vindplaatsen opgesomd. Nr.
Toponiem
Complextype
Periode
Overige informatie
21
Torenberg; Torenhoeve
MEL-NT
Het betreft een deel van een bestaand AMKterrein (13475).
38
Torenberg; Torenhoeve
Kasteel/ huisterp/ motte/ vliedberg/ nederzetting, onbepaald Kasteel/ huisterp/ motte/ vliedberg/ nederzetting, onbepaald
MEL-NT
Het betreft een deel van een bestaand AMKterrein, uitgebreid met informatie van
luchtfoto-onderzoek.
Eerder uitgevoerd onderzoek Archis is het geautomatiseerde Archeologisch Informatiesysteem voor Nederland. Het bestaat uit een databank waarin allerlei gegevens over archeologische onderzoeken, vindplaatsen en terreinen in Nederland zijn opgeslagen. Het raadplegen van Archis leert dat het plangebied deel uitmaakt van vier onderzoeken. Dit betreft in alle gevallen grote bureauonderzoeken die ten behoeve van het gemeentelijke beleid zijn uitgevoerd, namelijk in het kader van ‘Leemten in kennis’ en de bepaling van vrijstellingsdiepten.
74 De
Visser & Emaus 2014.
Bijvoorbeeld: Briels & De Visser 2015a en b. 76 De Kraker 2015. 75
46
ARTEFACT RAPPORT 864
ZAAMSLAG WESTSTRAAT
In onderstaande figuur worden de locaties
van
bovengenoemde onderzoeken, vondstlocaties
en
‘Leemten’-
vindplaatsen weergegeven.
7
Figuur 24 Onderzoeken, vondstlocaties en ‘Leemten in kennis’-vindplaatsen in de omgeving van het plangebied. Gegevens ontleend aan Archis 3. Bron: Esri Nederland, Community Map Contributors.
In onderstaande tabel worden de onderzoeken samengevat die hebben plaatsgevonden in een straal van 500 m rond het plangebied. De nummers in de linker kolom corresponderen met de groene nummers in bovenstaande figuur.
Nr.
Onderzoek
Uitvoerder
Aard en resultaten onderzoek
RAAP
AAI (kartering; 2000) Rijksweg 61, omleiding Zaamslag. De rondweg loopt noordelijk om Zaamslag heen en sluit in het westen ten hoogte van de Groeneweg op de bestaande rijksweg aan. De diepe
Nummer 1
2009750100
ondergrond van het tracé wordt gevormd door pleistoceen dekzand (op 2,5 tot 4,0 m -mv). Zie vondstlocatie 20. 2
2022329100
SCEZ
Booronderzoek (2000) ‘In De Bogerd’. Het westelijke deel bevindt zich waarschijnlijk in een gebied waar in de Middeleeuwen overstromingen hebben plaatsgevonden, waardoor Duinkerkeafzettingen zijn gevormd, bestaande uit klei en zand. Er zijn in totaal 18 boringen gezet met een gemiddelde diepte van 1,60 m. Drie boringen gingen dieper dan 2 m. In de boor werden vrijwel uitsluitend 47
ARTEFACT RAPPORT 864
ZAAMSLAG WESTSTRAAT
natuurlijke kleiige en zandige afzettingen (kreekafzettingen) aangetroffen met daarin af en toe kleine schelpfragmenten, ontstaan als gevolg van doorbraken door de zee tijdens stormvloeden. Veen en/of dekzand kon niet worden aangetoond. Zie verder: vondstlocatie 24. 3
2053830100
SOB
Archeologische Begeleiding (2002) in het kader van herinrichting van het Plein. Daartoe werden nieuwe wegcunetten gegraven en werd het riool onder de Noordstraat vervangen. Zie vondstlocaties 21, 22 en 23.
4
2078633100
ADC
Proefputten (2000) Omleiding Rijksweg 61. Zie vondstlocatie 20.
5
2162865100
Oranjewoud
Bureauonderzoek (2007) voorafgaand aan een bodemsanering in de Koepoortstraat 13-15.
2170932100
Oranjewoud
Archeologische
Begeleiding (2007) van een sanering Koepoortstraat 13-17. Rapport niet online beschikbaar.
de
6
2357370100
Artefact!
Bureauonderzoek (2012) Waterleidingtracé Terneuzen – Terhole.
7
2380114100
Sweco
Archeologische Begeleiding (2012) aanleg waterleiding Terneuzen – Terhole. Op basis van het Archeologisch Bureauonderzoek werden vier zones afgebakend waarin de werkzaamheden archeologisch begeleid dienden te worden. Daarnaast zijn ook vier dijklocaties geselecteerd. Het overige tracé werd door middel van een inspectie opgevolgd. Geen vindplaatsen in de nabijheid van onderhavig plangebied.
8
2405784100
Aeres Milieu
Verkennend booronderzoek (2013) Bedrijventerrein Zaamslag-West. Er zijn binnen de grenzen van het onderzoeksgebied drie potentiële archeologische niveaus aanwezig, namelijk Duinkerke II op 0,80 m mv (afgaand op de boorstaten komt dit overeen met diepten vanaf circa 0 m NAP), veraard veen op 1,0 – 1,5 m -mv (boorstaten: vanaf 0,64 m -NAP) en pleistoceen dekzand op 2,15 m -mv (boorstaten: plaatselijk vanaf 1,12 m -NAP, maar meestal 1,60 m -NAP of dieper). Advies: planaanpassing of vervolgonderzoek.
9
2406545100
Artefact!
Bureauonderzoek (2013) Riolering Puntstraat.
10
2431922100
Artefact!
Archeologische Begeleiding (2014) Polderstraat. Zie vondstlocatie 27.
11
2434360100
St.
Onderzoek verruiming vrijstellingsdiepte (2014). 77 Zie hoofdstuk 1. 3.
12
2439204100
Cultureel Erfgoed Zeeland Artefact!
13
3291770100
RAAP
Bureauonderzoek (2015) ‘Leemten in kennis’. 79
14
3291932100
RAAP
Bureauonderzoek (2015) naar Steenhoogte, in het kader van ‘Leemten in kennis’. Staat per abuis gesitueerd ter hoogte van het plangebied.
15
3295489100
RAAP
Booronderzoek
aan
Bureauonderzoek (2014) ‘Leemten in kennis’, Kennisplan Buitengebied gemeente Terneuzen. 78 Relevante vindplaatsen zijn eerder in dit hoofdstuk behandeld. naar
de Torenberg, in het kader
van
(2015) Natuurvriendelijke oevers Hoogtepad. Rapport is niet online beschikbaar. Eerste bevindingen: Op basis van
de onderzoeksresultaten en de voorgenomen bodemingrepen kan worden geconcludeerd dat bij de realisering van de plannen geen 77 De
78 De
Weerd & Kerckhaert 2014.
Visser & Emaus 2014. 79 Briels & De Visser 2015b.
48
ARTEFACT RAPPORT 864
ZAAMSLAG WESTSTRAAT
archeologische resten kunnen worden verstoord. De meest ondiepe top van het archeologisch relevante niveau van het dekzand, waarvoor een middelhoge verwachting geldt op het aantreffen van archeologische resten uit de periode van het Laat Paleolithicum tot het Neolithicum, komt voor vanaf circa 2,1 m -NAP. Dit is buiten bereik van de maximale te ontgraven diepte van de voorgenomen natuurvriendelijke oever (maximaal ca. 1,9 m -NAP). 16
4568760100
Edufact
Vrijstellingenkaart (2017). 80 Zie hoofdstuk 1. 3.
17
4635585100
Artefact!
Bureauonderzoek (2018) Veerstraat en Plein. 81
4638290100
Artefact!
Booronderzoek (2018) Veerstraat en Plein. 82 De bovenzijde van het laatmiddeleeuwse niveau op Sluiskilafzettingen van het Laagpakket van Walcheren ligt tussen 0,65 en 1,55 m +NAP. De Formatie van Boxtel is niet bereikt. Zie vondstlocatie 28.
In onderstaande tabel worden de vondstlocaties kort besproken die in Archis bekend zijn in een straal van 500 m rond het plangebied. De nummers in de linker kolom corresponderen met de blauwe nummers in figuur 24. Nr.
Vondst locatie
Datering
Aard van de vondsten
18
1045354
MELA-NTV
Keramiek (o. a. Andenne, kogelpot, roodbakkend geglazuurd, steengoed), daklei en een ophogingslaag, gevonden tijdens een proefonderzoek (1983) naar de Torenberg / Torenhoeve door de AWN o. l. v. de ROB (Trimpe Burger), waarbij net buiten het monument de voorburcht werd gelokaliseerd.
ROMM
2 fragmenten van een
gladwandige kruik.
19
1054664
MELA-NTV
Keramiek (kogelpot, Andenne), houten palen, muren, funderingen, kuilen, ophogingslaag, weg, aangetroffen tijdens noodonderzoek (1987) van de voorburcht t. g. v. een uitbreidingsplan. Drie opgravingsputten. Chronologisch 3 fasen te onderscheiden: - A) in het zuidoostelijk deel van het terrein een aantal kuilen met een gelaagde humeuze vulling, waarin spaarzaam kogelpot, Andenne en vroeg roodgeglazuurd aardewerk. Ook een terpachtige verhoging. In de waterloop een 10-tal brugpalen; dendrochronologische datering ruwweg 1171 of 1193 n. Chr. De brug zal zijn gebouwd in het eerste kwart of de eerste helft van de 13 de eeuw. - B) een vierkant, bakstenen poortgebouw waar de brug het zuidoostelijk deel v. h terrein raakte. Ook wordt het ZO terreingedeelte verder opgehoogd. - C) het poortgebouw is vergroot en heeft een rechthoekig grondvlak. Ter plaatse van de vroegere brug een waterkerende dubbele muur ('dreefmuren'); er ontstaat een toegangsweg.
20
1069564
PALEONEOV
Hoort bij onderzoek nr. 1. Betreft boring 15, 300 cm -mv: houtskool in de top van het dekzand. Daar er alleen houtskool is aangetroffen, is de aard van de vindplaats onduidelijk. De vindplaats is afgedekt met een pakket veen; hierdoor zal de vindplaats goed geconserveerd zijn. De aanwezigheid van houtskool hoeft niet te duiden op menselijke activiteiten; hierdoor blijft het onduidelijk of daarvan sporen verwacht kunnen worden. Gezien de geringe neerslag van archeologisch materiaal op vindplaatsen uit de Steentijd op het dekzand kan niet uitgesloten worden dat er archeologische sporen aanwezig zijn. De
vindplaats ligt op grotere diepte dan de verstoringsdiepte van het tracé, daarom geen vervolgonderzoek. 80 De Visser
& De Weerd 2017.
81 Delporte 2018. 82 Delporte 2018.
49
ARTEFACT RAPPORT 864
21
ZAAMSLAG WESTSTRAAT
1070053
MEVA-NTV
Hoort bij onderzoek
nr. 4. Keramiek (Paffrath, roodbakkend geglazuurd, Pingsdorf, steengoed), metaal (o. a. ijzeren mes, fragmenten koper, ijzer, lood), daklei, cultuurlaag, paalkuilen, greppels, kringgreppels, sloten. Onder Duinkerke III-afzettingen (LME) bevond zich op 1 - 1,5 m -mv een vuile, 20-40 cm dikke laag met vondstmateriaal uit 1300-1600. Bleek te gaan om een stortlaag; er moest worden gedempt omdat de polder in 1584 onder water was gezet (80-jarige oorlog). Onder de stortlaag werden enkele sporen (paalkuilen, greppels, kringgreppels) aangetroffen. Er zal waarschijnlijk een LME huisplaats in de buurt liggen, maar zeker niet binnen de putgrenzen. Vondsten uit enkele van de sporen dateren uit 1300-1550. Textuur: zand/ zavel en kleibandjes. Grondgebruik: bouwland.
1076436
MEL-NT
Hoort bij onderzoek
nr. 3. Greppels, bakstenen waterput, muurrestant. De greppels dateren uit de Late Middeleeuwen en duiden op de aanwezigheid van laatmiddeleeuwse bewoning in de directe omgeving.
waterput en
22
1076437
Hoort bij onderzoek nr. 3. Muurfragment van 6 m lang en 0,5 m breed ten noorden van de kerk. De muur is opgebouwd uit bakstenen met een formaat van 24x12x? cm, waarmee deze in de Nieuwe Tijd en mogelijk Late
MEL-NT
Middeleeuwen gedateerd kan worden. Mogelijk betreft het hier een waarmee het terrein rondom de kerk en het kerkhof werd begrensd. 23
1076438
NT
muur
Hoort bij onderzoek nr. 3. Muurfragment, samengesteld uit bakstenen met een formaat van 18x9x?. Het fragment heeft een lengte van 1,40 m en is zeer waarschijnlijk met de in 1657 gebouwde Hervormde Kerk in verband te
brengen. 1088268
MELB
25
1115480
MELB
Groot kanfragment
26
1116665
MEL-NT
Dierlijk bot, aardewerk (roodbakkend geglazuurde kom en grijsbakkend gedraaide kom), bouwkeramiek en twee cultuurlagen. Aangetroffen tijdens archeologische inspectie (2011) door de SCEZ tijdens rioleringswerkzaamheden in de Stoofstraat na een vondstmelding door de heer R. Lensen. De onderste donkere laag kan van laatmiddeleeuwse ouderdom zijn.
27
1120774
ME-NT
Hoort bij onderzoek
28
1179146
NT
Hoort bij onderzoek nr. 17. Resten van bebouwing en bewoning.
29
1381143
NTM-NTL
Zegelstempel of cachet uit de 18 de -19 de eeuw. Voorstelling: vis met blad. De melder heeft als kind dit artefact gevonden tijdens graafwerkzaamheden t. b. v. het riool op het Plein.
–
NTL
Hoort bij onderzoek nr. 2. Baksteenresten en cultuurlaag.
24
roodbakkend aardewerk met lood-/koperglazuur en radstempeling; herkomst vermoedelijk Vlaanderen. En steengoed kan uit Raeren. De kannen zijn kort na elkaar gevonden in een diepe rioleringssleuf in de Te Waterstraat. van
nr. 10. Keramiek (faience, geelwitbakkend gedraaid, roodbakkend geglazuurd, steengoed, pijpaardewerk), bouwkeramiek (baksteen, wandtegel), natuursteen, cultuurlagen, greppels/sloten, paalkuilen.
Samenvattend blijkt uit bovenstaande informatie dat in een straal van 500 m rond het plangebied veel archeologische resten zijn aangetroffen uit voornamelijk de Late Middeleeuwen en Nieuwe Tijd. Deze hangen samen met de aanwezigheid van het middeleeuwse kasteel en de dorpskern van Zaamslag in respectievelijk de Middeleeuwen en Nieuwe Tijd. Vondstlocaties van grotere ouderdom betreft een deel van nummer 18 (Romeins) en vondstlocatie 20 (Steentijd), al staat van laatstgenoemde niet vast dat deze een antropogene oorsprong heeft.
50
ARTEFACT RAPPORT 864
ZAAMSLAG WESTSTRAAT
Oudere archeologische waarden in de (wijdere) omgeving van het plangebied 83 In de wijdere omgeving van het plangebied zijn wel resten van grotere ouderdom gevonden. Deze worden hieronder besproken. De vroegste getuigen van menselijke aanwezigheid in Zeeuws-Vlaanderen dateren uit het Midden-Paleolithicum (tot circa 35. 000 v. Chr. ) en bestaan uit enkele afslagen en werktuigen, waaronder vuurstenen vuistbijlen. Deze relicten van Neanderthalers zijn echter in verspoelde (Cadzand) of in losse context (Nieuw Namen) aangetroffen. Ook van de daarop volgende periode, het Laat-Paleolithicum (35. 000 tot 8. 800 BC), worden de meeste artefacten in secundaire context waargenomen, bijvoorbeeld rond Nieuw Namen en op het strand van Cadzand. 84 Bij de bouw van een bejaardentehuis in Axel zijn op een paleosol meer dan 100 vuurstenen werktuigen van de Tjongercultuur aangetroffen, die getuigen van menselijke bewoning.
Vindplaatsen uit het Mesolithicum zijn in Zeeland primair bekend uit Zeeuws-Vlaanderen. Bij de aanleg van de Middensluis in het Kanaal van Gent naar Terneuzen is in de jaren ’60 van de vorige eeuw een mesolithische pijlpunt aangetroffen. 85 Bij een nieuwbouwwijk in Othene, direct ten oosten van Terneuzen, is in 2010 een zogenaamde tranchetbijl uit het Mesolithicum gevonden. Deze bijl is gevonden aan het maaiveld, maar is wellicht opgegraven bij de aanleg van een waterpartij. 86 Bij karterend booronderzoek en micromorfologisch onderzoek bij de Sluiskiltunnel zijn in de top van het dekzand verschillende microchips aangetroffen. 87 In 2016 zijn op drie locaties binnen het projectgebied Nieuwe Sluis Terneuzen in totaal drie vuursteenartefacten aangetroffen in de onderzijde van het veen of bovenzijde van het dekzand, deze dateren uit het Mesolithicum of Neolithicum. 88 Archeologische resten uit Neolithicum, Bronstijd en IJzertijd zijn schaars, vermoedelijk omdat er lange tijd sprake is geweest van nattere omstandigheden en veengroei. In 1902 is in Terneuzen een geslepen bijl gevonden, vermoedelijk in het veen. 89 Laatstgenoemde vondst toont aan dat het veengebied in die periode door mensen is bezocht, zonder dat dit per se betekent dat hier bewoning heeft plaatsgevonden.
Nabij Terneuzen, bij de aanleg van de Zeesluis in 1962, zijn in het veen greppels uit de Romeinse tijd waargenomen. 90 dede eeuw gevonden. 91 Bij karterend Rond het sluizencomplex zijn meerdere fragmenten Romeins aardewerk uit de 2/3 en waarderend archeologisch boor-zeefonderzoek in 2016 op drie locaties binnen het projectgebied Nieuwe Sluis Terneuzen zijn eveneens verschillende fragmenten aardewerk aangetroffen die wijzen op bewoning in deze periode. 92 De oudste scherf van Zaamslag dateert eveneens uit de Romeinse tijd. Dit betreft een scherfje van een grofwandige kan van het type Stuart 214, met een datering tussen 40 en 120 n. Chr. Het werd gevonden op een akker bij de rondweg, ongeveer 700 m ten noordwesten van onderhavig plangebied; dit betreft een vondstlocatie die niet in Archis bekend is. 93
Parallel met het Vlaamse kustgebied wordt het mogelijk geacht dat er in de Vroege Middeleeuwen ook op de oevers van de pré-Westerschelde schorren ontstonden die begraasd werden door schapen. In de Vlaamse kustvlakte worden steeds meer archeologische bewijzen gevonden voor zogenaamde ‘Marisci’. Dit zijn kleinschalige schaapsboerderijen die eigendom waren van vrije boeren of grondbezitters. Zij deden in hoofdzaak aan schapenteelt, maar dreven ook
83 Informatie in deze paragraaf 84 Kuipers & 85 De Boer
Swiers 2005: 15. 2013: 28.
86 Mondelinge
is grotendeels ontleend aan: Delporte 2018 en Delporte 2020, tenzij anders vermeld.
51
mededeling dhr. R. Lensen, in: D’hondt & Wattenberghe 2015. et al. 2012: 198. 88 De vondsten zijn opgeboord met een avegaarboor en zijn dan ook gedeeltelijk verplaatst bij het boren, waardoor een exacte bepaling van het vondstniveau niet mogelijk was. Vos et al. 2016. 89 Jongepier 1995: 50. 90 Munaut 1967 : 19. 91 ARCHIS3, vondstlocatie 2958350100; Vos et al. 2016. 92 Vos et al. 2016. 93 Lensen 2016: 49, 373 (nummer 9 op de betreffende kaart; zie ook ‘overige meldingen’ in voorliggend rapport). 87 Noens
ARTEFACT RAPPORT 864
ZAAMSLAG WESTSTRAAT
handel in wol. 94 Meestal liggen deze boerderijen verspreid over het schorrengebied, op de schaarse verheven delen van dit landschap. In sommige gevallen is ook beperkt aan landschapsinrichting gedaan. Behalve kleine bedijkingen en verhoogde wegen werden woonhoogtes opgeworpen. Ook in Zeeland zijn al reeds resten uit deze periode vastgesteld; 95 binnen en in de omgeving van het plangebied ontbreken voorlopig duidelijke aanwijzingen voor bewoning in deze periode. Overige meldingen Historisch en archeologisch onderzoek in Zaamslag 96 heeft twee overzichtskaarten opgeleverd van (potentiële) vindplaatsen en bekende archeologische waarden in respectievelijk de dorpskern en het buitengebied. Bij projectie op deze kaarten (figuren 25 en 26) blijkt ten eerste dat het plangebied wordt omringd door drie mogelijke locaties van het middeleeuwse hospitaal: ⎯ Ter hoogte van de hoek Terneuzensestraat – Groenstraat (circa 800 m ten westen van het plangebied). Hier zijn o. a. een deel van een omgevallen muur, aardewerk en veel fragmenten van daktegels aangetroffen. 97 ⎯ Op een perceel aan de Terneuzensestraat tegenover het tankstation (enkele tientallen meters ten noordwesten van het plangebied). Deze locatie is gebaseerd op historische gegevens. 98 Relevante archeologische resten zijn hier niet bekend. 99 ⎯ In de Weststraat en de wijk Nieuw-Zaamslag.
In de Weststraat zijn bij rioleringswerkzaamheden in de jaren ’50 en ’60 naar verluidt intacte menselijke skeletresten en gemetselde grafkisten of sarcofagen zijn aangetroffen (maar niet gedocumenteerd). Ook zijn in de Weststraat, ter hoogte van de noordelijke begrenzing van onderhavig plangebied, fraaie mozaïektegels gevonden (vondstlocatie aangegeven met nummer 1 op onderstaande figuur) alsook middeleeuws baksteenpuin, soms met muurpleister. Op basis hiervan en op basis van de kaart van Horenbault uit 1569, stelt Lensen een gebied aan de Weststraat voor (enkele meters ten oosten van het plangebied) als derde mogelijke locatie. 100 Bovenstaande drie mogelijke locaties zijn overigens niet de enige waar het hospitaal wordt vermoed (zie verderop). Ten tweede blijkt dat zich
zuidoosten van het plangebied middeleeuwse bebouwing heeft bevonden (geelgekleurd gebied). Hier zijn n middeleeuwse resten gevonden (geelgekleurd gebied), bestaande uit muurresten en ander bouwmateriaal alsook veel middeleeuws aardewerk. Platteeuw (1968: 95-96) opperde de mogelijkheid dat dit de neerhof van het kasteel betrof. Lensen (2016) gaat echter uit van een combinatie van een (historisch bekende) molen (‘op het Zandt’) en een tiendenschuur, in het eigendom van de kasteelheren, met een buurtschapje. 101 ongeveer
50 m
ten
Navraag bij Lensen ten aanzien van specifiek het plangebied
94
Verhulst 1995: 19. Dierendonck 2012: 82.
95 Van
96 Lensen
2016.
Archis-vondstlocaties 1093608 en 1069567; Lensen 2016: 205. 98 De Kraker 2015: 21-22. 99 Briels & De Visser 2015a: 36. 97
Lensen 2016: 214-215. Lensen 2016: 222-226. 102 Telefoongesprek met dhr. R. Lensen, 26 januari 2024. 100 101
102
heeft geen aanvullende gegevens opgeleverd.
52
ARTEFACT RAPPORT 864
Figuur 25
ZAAMSLAG WESTSTRAAT
Projectie van het plangebied (roze polygoon) op een vindplaatsenkaart van de dorpskern van Zaamslag. Bron:
Lensen 2016: 374.
53
ARTEFACT RAPPORT 864
ZAAMSLAG WESTSTRAAT
Figuur 26 Projectie van het plangebied (roze polygoon) op een uitsnede van een kaart met vindplaatsen in het buitengebied van Zaamslag. Bron: Lensen 2016: 373. Legenda: Groene lijn = middeleeuwse dijk volgens kaart Visscher (1649); gele lijnen = middeleeuwse wegen volgens kaart Horenbault (1569); gele cirkels en vierkanten = archeologische vindplaatsen; gele ster = archeologische vindplaats adel; gele kruisen = archeologische vindplaatsen geestelijkheid; wit kruis = locatie 3 Hospitaal (De Kraker 2015); onbevestigd. Legenda nummers: 5. Schuurtje; 6. Commanderij van de Tempelorde; 7. Hospitaal (locatie 1); 8. Vindplaats (arbeiders)huisje; 9. Vindplaats Romeinse randscherf; 10. Middeleeuwse slootjes (Lensen 2013); 11. Hospitaal? Vindplaats grafkelders; 12. Middeleeuwse wijk (’t Sandt?); 13. Parochiekerk; 14. Kasteel (Torenberg); 16. Vindplaats Steenhoogte; 17. Pastorie (volgens Horenbault), grachten; 18. Verspoelde bewoningsresten.
Een van de uitgevoerde bureauonderzoeken in het kader van Leemten in kennis heeft nog enkele mogelijke locaties van het middeleeuwse hospitaal voorgesteld. Deze worden getoond op figuur 27. In het onderzoek wordt locatie A (zoals aangegeven op onderstaande figuur), ter hoogte van ’t Sand, op basis van zowel historische als archeologische gegevens als meest aannemelijk beschouwd. 103 Deze locatie bevindt zich circa 100 m ten zuidoosten van het
plangebied.
103
Briels & De Visser 2015a.
54
ARTEFACT RAPPORT 864
ZAAMSLAG WESTSTRAAT
Figuur 27 Projectie van onderhavig plangebied (roze polygoon) op een door RAAP gegeorefereerde uitsnede van de herdijkingskaart, geprojecteerd op een luchtfoto uit 2015. De rode letters geven mogelijke locaties van het hospitaal aan. Bron: Briels & De Visser 2015a: 35, figuur 11. Navraag bij het Zeeuws Archeologisch Depot (mail helpdesk archeologie d. d. 12 januari 2024) heeft geen aanvullende
informatie opgeleverd t. a. v. het plangebied. Luchtfotoanalyse Luchtfoto’s kunnen soms aan de hand van herkenbare soil- en/of cropmarks aanwijzingen geven voor de aanwezigheid van mogelijke archeologische vindplaatsen (of verstoringen) in de bodem. Tijdens eerdere bureauonderzoeken zijn in de omgeving van Zaamslag diverse soil-/cropmarks aangetroffen die met middeleeuwse vindplaatsen in verband zijn gebracht. 104 In het kader voorliggend bureauonderzoek zijn lucht- en satellietfoto’s geraadpleegduit 1959 en 1970 (Geoloket Atlas van Zeeland), 1989 (Foto-Atlas Zeeland 1989), 2002, 2003, 2005 en 2007 t/m 2023 (Geoloket Atlas van Zeeland). Luchtfoto’s uit de Tweede Wereldoorlog (via Wageningen University & Research) waren voor het plangebied niet beschikbaar. Op een luchtfoto uit 2018 (figuur 28) is een aantal grote verkleuringen zichtbaar in het westen en het oosten van het plangebied. Van een vergelijkbaar beeld, maar dan minder duidelijk, is tevens sprake op luchtfoto’s uit 2016 en 2020. Duidelijke structuren zijn echter op geen van de bestudeerde luchtfoto’s waargenomen.
104
Zie bijvoorbeeld Briels & De Visser 2015a en b.
55
ARTEFACT RAPPORT 864
ZAAMSLAG WESTSTRAAT
Figuur 28 Projectie van het plangebied op een luchtfoto uit 2018. Bron: Geoloket Atlas van Zeeland.
Bouw- en cultuurhistorische waarden
2. 5
Bouw- en cultuurhistorische waarden
stellen of binnen dan wel direct grenzend aan het plangebied waardevolle bouwhistorische of cultuurhistorische elementen voorkomen, is het Geoloket Cultuurhistorie van de Provincie Zeeland geraadpleegd. 105 Hierin staat de ligging binnen de Zaamslagpolder, daterend uit 1650, aangegeven. Dit betreft een herdijking na de militaire inundaties van de Tachtigjarige Oorlog; daarvoor, in de Middeleeuwen, was er ook al sprake van een polder. Als gevolg van die militaire inundaties is het zuidwest-noordoost georiënteerde kreekrestant ontstaan dat ten westen van het plangebied ligt. Dit betreft namelijk een vertakking van de Otheensche Kreek. Voor het overige geeft het Geoloket geen bouw- of cultuurhistorische waarden aan in of direct grenzend aan het plangebied. Om
vast te
Militair erfgoed De Indicatieve Kaart Militair Erfgoed (IKME) geeft een overzicht van de (verwachte) ligging van resten van ondergronds en bovengronds militair erfgoed (vooralsnog enkel uit de Tweede Wereldoorlog). Raadpleging van de kaart leert dat geen militaire relicten worden weergegeven binnen, of direct grenzend aan, het plangebied. In het algemeen geldt dat er resten kunnen worden verwacht van kleinere objecten en structuren zoals crashlocaties, veldgraven en onderduikholen.
105
https://intgwbp. zeeland. nl/geoloket/?Viewer=Cultuurhistorie
56
ARTEFACT RAPPORT 864
ZAAMSLAG WESTSTRAAT
Archeologisch verwachtingsmodel
2. 6
Op basis van de in eerdere hoofdstukken beschreven informatie over de huidige situatie, de aardwetenschappelijke, de historische situatie en bekende archeologische waarden kan een archeologische verwachting worden opgesteld. In het plangebied ligt het maaiveld op de meeste plaatsen rond 0,50 m +NAP, met uitschieters omlaag tot respectievelijk 0,10 m +NAP in het zuidwesten (te relateren aan het kreekrestant aan de westzijde van het plangebied) en omhoog tot 0,80 m +NAP op drie plaatsen centraal in het plangebied. Op basis
de bestudeerde aardkundige gegevens omvat de bovenzijde van de natuurlijke ondergrond naar verwachting getijafzettingen van het Laagpakket van Walcheren, bestaande uit Sluiskilafzettingen, al dan niet afgedekt door Westerscheldeafzettingen. Waarschijnlijk is van Westerscheldeafzettingen vooral sprake in de westelijke helft van het plangebied, in samenhang met de uitloper van de Otheensche Kreek die hier nog altijd een perceelsgrens vormt. Onder het Laagpakket van Walcheren valt vanaf ongeveer 0,90 m -NAP een veenlaag (Basisveen en/of Hollandveen; Formatie van Nieuwkoop) van mogelijk meer dan een meter dikte te verwachten. Hieronder valt intact dekzand van het Laagpakket van Wierden (Formatie van Boxtel) te verwachten. De top ligt waarschijnlijk op diepten vanaf 2 m -NAP, al valt een hogere ligging (omstreeks 1 m -NAP) niet uit te sluiten; het plangebied ligt vermoedelijk ter hoogte van een dekzandrug. In het Laagpakket van Wierden valt rekening te houden met paleosols daterend uit het Laat-Paleolithicum. Op grotere diepten, die vermoedelijk met het booronderzoek niet bereikt zullen worden, zijn diverse oude Schelde-afzettingen te verwachten: in elk geval van de Formatie van Koewacht. Tevens valt op de overgang tussen de Formaties van Boxtel en Koewacht rekening te houden met Schelde- en Schelderestgeulafzettingen van het Laagpakket van Singraven (Formatie van Boxtel). van
Enkel perioden met een middelhoge of hoge verwachting zijn in verwachtingstabellen opgenomen. Pleistoceen landschap – Formatie van Boxtel (Laagpakket van Singraven, Laagpakket van Wierden) Het is mogelijk dat zich binnen het plangebied archeologische waarden bevinden uit het Paleolithicum. Deze kunnen worden aangetroffen in de Scheldeafzettingen en Schelderestgeulafzettingen behorend tot het Laagpakket van Singraven in de onderzijde van de Formatie van Boxtel. Dit betreft fluviatiele gelaagde afzettingen waarin, vooral in de laatste fase, sprake is geweest van drogere perioden waarin bodemvorming kon optreden. Ook op andere niveaus in de Formatie van Boxtel, zoals in het dekzand van het Laagpakket van Wierden, kunnen archeologische waarden uit het (Laat-)Paleolithicum worden aangetroffen, voornamelijk in de niveaus waarin bodemvorming heeft plaatsgevonden (paleosols). Omdat er zelden een dergelijk niveau met archeologische resten is gevonden, is de verwachting voor deze periode niet hoog, maar onbekend. Datering
Paleolithicum
Complextype
Algemeen – niet gespecificeerd: bewoning, begraving
Soort vindplaats
Vindplaatsen met alleen een vondststrooiing
Omvang
Klein (nomadische kampen; < 50 m)2
Uiterlijke kenmerken
Voorkomen van archeologische indicatoren zoals verbrand bot, vuursteen, verbrande botanische resten. Maar ook indicatoren die niet met zekerheid als antropogeen kunnen worden bestempeld: onbewerkt natuursteen, onverbrand bot, onverbrand botanisch materiaal
Vondstdichtheid
Zeer laag tot laag: < 40 tot 80 per m²
Diepteligging
Waarschijnlijk dieper dan 2,10 m -mv/ 2 m -NAP
Locatie Gaafheid en conservering
Hele plangebied Goed: afgedekt landschap met goede bewaarcondities
Mogelijke verstoringen
Rioleringen (plaatselijk in westen en oosten van het plangebied)
57
ARTEFACT RAPPORT 864
ZAAMSLAG WESTSTRAAT
Vindplaatsen uit het Mesolithicum t/m Vroeg-Neolithicum kunnen aanwezig zijn in de top van het pleistocene dekzand. In de wijde omgeving van het plangebied zijn meerdere archeologische waarden uit deze perioden gevonden (hoofdstuk 2. 4). Vindplaatsen uit het Mesolithicum kunnen bestaan uit kleine nederzettingsterreinen, zogenaamde extractiekampen (5 tot 10 m),2 of basiskampen, die een ruimere omvang hebben. Vindplaatsen uit deze periode kenmerken zich voornamelijk door een vondstverspreiding van vuursteen. Ook kunnen ondiepe grondsporen (crematiegraven, haardplaatsen) worden aangetroffen. Vindplaatsen uit het Neolithicum kunnen bestaan uit huizen en erven alsook graven. Huisplaatsen uit deze periode kenmerken zich door het voorkomen van (dieper ingegraven) grondsporen (paalsporen, afvalkuilen, greppels, waterkuilen) en vondststrooiingen met aardewerk en vuursteen. Omdat het dekzand waarschijnlijk door een laag veen wordt afgedekt, valt ervan uit te gaan dat de top van het dekzand intact is. Zodoende wordt de archeologische verwachting hoog geacht. Datering
Mesolithicum
Complextype
Algemeen – niet gespecificeerd: bewoning, begraving
Soort vindplaats
Vindplaatsen met alleen een vondststrooiing, ondiepe grondsporen
Omvang
Vuursteenvindplaats: zeer klein tot groot ( < 5 m² - enkele honderden m²)
Uiterlijke kenmerken
Voorkomen van archeologische indicatoren zoals verbrand bot, vuursteen, verbrande botanische resten. Maar ook indicatoren die niet met zekerheid als antropogeen kunnen worden bestempeld: onbewerkt natuursteen, onverbrand bot, onverbrand botanisch materiaal
Vondstdichtheid Diepteligging
Zeer laag tot laag: < 40 tot 80 per m²
Locatie
Hele plangebied
Gaafheid en conservering
Goed: afgedekt landschap met goede bewaarcondities
Mogelijke verstoringen
Rioleringen (plaatselijk in westen en oosten van het plangebied) en drainagebuizen
Datering
Vroeg-Neolithicum
Complextype
Algemeen – niet gespecificeerd: bewoning, begraving, agrarische productie en voedselvoorziening
Soort vindplaats
Vindplaatsen met zowel grondsporen als een vondststrooiing Huisplaats: 500-2. 000 m²
Omvang
Top dekzand: mogelijk vanaf 2,10 m -mv/ 2 m -NAP
Uiterlijke kenmerken
Voorkomen van archeologische indicatoren zoals aardewerk, verbrand bot, vuursteen, verbrande botanische resten. Maar ook indicatoren die niet met zekerheid als antropogeen bestempeld kunnen worden: onbewerkt natuursteen, onverbrand bot, onverbrand botanisch materiaal
Vondstdichtheid
Zeer laag tot laag: < 40 tot 80 per m²
Diepteligging
Top dekzand: mogelijk vanaf 2,10 m -mv/ 2 m -NAP
Locatie
Hele plangebied
Gaafheid en conservering
Goed: afgedekt landschap met goede bewaarcondities
Mogelijke verstoringen
Rioleringen (plaatselijk in westen en oosten van het plangebied) en drainagebuizen
Veenlandschap – Formatie van Nieuwkoop In het plangebied vormde zich veen vanaf omstreeks het Midden-Neolithicum tot in de Midden-IJzertijd. Het zich ontwikkelende veenmoeras zal vrijwel alleen door mensen zijn gebruikt voor activiteiten die van tijdelijke aard waren. Te denken valt aan al of niet rituele deposities of overblijfselen van vervoer (achtergelaten kano, knuppelweg door het veen). De verwachting op het voorkomen van vindplaatsen uit de periode Midden-Neolithicum – Midden-IJzertijd in
58
ARTEFACT RAPPORT 864
ZAAMSLAG WESTSTRAAT
(de onderzijde van) het veen wordt daarom ook laag geacht. Het zijn bovendien puntlocaties, die moeilijk met geijkte onderzoeksmethoden zijn op te sporen, waardoor ook de kans op het aantreffen daarvan bijzonder klein wordt geacht. In de loop van de IJzertijd en in de Romeinse tijd verbeterde de drainage. Theoretisch kunnen vindplaatsen uit deze periodes worden aangetroffen in de top van het veen. Deze kunnen bestaan uit woningen en erven, maar ook uit grafvelden. Vindplaatsen met huisplaatsen uit deze perioden kenmerken zich door het voorkomen van (dieper ingegraven) grondsporen (paalsporen, afvalkuilen, greppels, waterkuilen). Voor wat betreft grafvelden kunnen de sporen uit graven bestaan, maar ook uit grafheuvels, kringgreppels (rond de grafheuvels) en/of palenzettingen. Als gevolg van overstromingen vanaf de Vroege Middeleeuwen kan het veen geërodeerd zijn. Ook kunnen (laat)middeleeuwse moerneringsactiviteiten het veenlandschap en daarmee eventueel aanwezige vindplaatsen hebben aangetast. In de wijde omgeving van het plangebied zijn evenwel resten uit de Romeinse tijd waargenomen. Daarom geldt voor de Late IJzertijd en Romeinse tijd vooralsnog een middelhoge verwachting.
Datering
Late IJzertijd – Romeinse Tijd
Complextype
Algemeen – niet gespecificeerd: bewoning, begraving, infrastructuur, nijverheid, agrarische productie en voedselvoorziening
Soort vindplaats
Vindplaatsen met alleen grondsporen; vondststrooiing mogelijk
Omvang
Huisplaats: 500-2. 000 m²; nederzetting: 2. 000-8. 000 m²
Uiterlijke kenmerken
Voorkomen van archeologische indicatoren zoals aardewerk, verbrand bot, verbrande botanische resten. Maar ook indicatoren die niet met zekerheid als antropogeen kunnen worden bestempeld: onbewerkt natuursteen, onverbrand bot, onverbrand botanisch materiaal; mogelijk voorkomen van leef-, cultuur- of ophooglagen
Vondstdichtheid
Zeer laag tot laag: < 40 tot 80 per m²
Diepteligging
Bovenzijde veen: vanaf 1 m -mv/ 0,90 m -NAP
Locatie
Hele plangebied
Gaafheid en conservering
Afhankelijk van mate van erosie en/of moernering
Mogelijke verstoringen
Rioleringen (plaatselijk in westen en oosten van het plangebied) en drainagebuizen
Jong getijdenlandschap
–
Laagpakket
van
Walcheren (Sluiskil-/Westerscheldeafzettingen) – Formatie
van
Naaldwijk Uit het bureauonderzoek is gebleken dat vanaf het laatste kwart van de 2 de of het begin van de 3de eeuw n. Chr. de invloed van de zee op de omgeving van het plangebied toenam en het gebied werd afgedekt met Sluiskilafzettingen (Laagpakket van Walcheren; Formatie van Naaldwijk). Dit gebied was in deze vroege periode onbedijkt kwelderlandschap. In de omgeving van het plangebied zijn geen archeologische waarden uit deze periode bekend. Aanvankelijk was sprake van relatief natte, vrij actieve mariene omstandigheden, maar na het hoger opslibben van de kwelders kunnen mogelijk wel vindplaatsen (8 ste - 10 de eeuw) worden aangetroffen op de hoger gelegen delen in het onbedijkte kwelderlandschap. Zodoende wordt voor de Vroege Middeleeuwen uitgegaan van een middelhoge verwachting. In de Late Middeleeuwen vormde Zaamslag een eiland met o. a. een parochie, een (motte)kasteel en een hospitaal. Het hospitaal is nog niet opgespoord; het plangebied wordt omringd door potentiële locaties van dit hospitaal. Voor specifieke bebouwing of andere inrichting binnen het plangebied in de Late Middeleeuwen geven de bestudeerde historische gegevens geen aanwijzingen. Ook het AHN en luchtfoto’s laten geen duidelijke structuren zien. Uit de
bestudeerde archeologische gegevens blijkt echter wel dat centraal ter hoogte van de noordgrens van het plangebied middeleeuwse mozaïektegels zijn gevonden. Hierom, maar ook vanwege de grote hoeveelheid laatmiddeleeuwse vondstlocaties in de omgeving, geldt voor de Late Middeleeuwen een hoge verwachting. Resten uit deze periode zijn te verwachting op, en ingegraven in, de Sluiskilafzettingen. Ze kunnen zijn aangetast door erosie, zeker in de
59
ARTEFACT RAPPORT 864
ZAAMSLAG WESTSTRAAT
westelijke helft van het plangebied, en/of door later gebruik van het gebied. In de post-middeleeuwse Westerscheldeafzettingen kan tevens sprake zijn van contextloze, verspoelde laatmiddeleeuwse resten. Datering
Late Middeleeuwen
Complextype
Algemeen – niet gespecificeerd: bewoning, begraving, infrastructuur, industrie en nijverheid, agrarische productie en voedselvoorziening, grondstofwinning Vindplaatsen met alleen grondsporen; mogelijk vondststrooiing; off-site vindplaatsen
Soort vindplaats Omvang
Huisplaats: 500-2. 000 m²
Uiterlijke kenmerken
Vondstdichtheid
Voorkomen van archeologische indicatoren zoals baksteenpuin, aardewerk, verbrand bot, verbrande botanische resten. Maar ook indicatoren die niet met zekerheid als antropogeen bestempeld kunnen worden: onbewerkt natuursteen, onverbrand bot, onverbrand botanisch materiaal; voorkomen van 'vuile' laag of antropogeen doorwerkte bodem/sporen(niveau); voorkomen van leef-, cultuur- of ophooglagen Zeer laag tot laag: < 40 tot 80 per m²
Diepteligging
Op / ingegraven in Sluiskilafzettingen. Kan al dicht onder het maaiveld zijn, zeker in
de oostelijke helft van het plangebied Locatie
Volledige plangebied
Gaafheid en conservering Mogelijke verstoringen
Mogelijk aangetast door erosie in de 16 de -17 de eeuw en/of later gebruik Rioleringen (plaatselijk in westen en oosten van het plangebied), drainagebuizen, agrarisch gebruik; losse bebouwing in het zuiden van het plangebied
In de jaren ’80 van de 16 de eeuw werd de omgeving van Zaamslag opzettelijk geïnundeerd in het kader van de Tachtigjarige Oorlog. Een restant van een uitloper van de toen ontstane Otheensche Kreek vormt nog altijd de westelijke begrenzing van het plangebied; mogelijk liep het kreekrestant aanvankelijk ook iets binnen de contour van
het plangebied. Sinds de herdijking halverwege de 17 de eeuw (Zaamslagpolder) lijkt het plangebied enkel agrarisch te zijn gebruikt. Zodoende wordt de archeologische verwachting voor de Nieuwe Tijd laag geacht.
60
ARTEFACT RAPPORT 864
ZAAMSLAG WESTSTRAAT
3
Inventariserend veldonderzoek
3. 1
Methoden
Het voorliggend hoofdstuk omvat de resultaten van het Inventariserend Veldonderzoek door middel van boringen (IVO-O, verkennende fase). In de aanvullende richtlijnen voor archeologisch onderzoek in de provincie Zeeland staat
beschreven dat het, op basis van het voorafgaand bureauonderzoek, opgestelde archeologisch verwachtingsmodel door een verkennend booronderzoek moet worden getoetst. Het onderzoek is uitgevoerd conform protocol 4003 (IVOO) van de KNA 4. 1, de Aanvullende Richtlijnen van de Provincie Zeeland (2019) en het hiertoe opgestelde Plan van Aanpak. 106 De strategie en werkwijze zijn afgestemd op de bovengenoemde richtlijnen en in onderstaande tabel opgenomen:
Aantal boringen
20
Grid
Zoveel mogelijk volgens een verspringend driehoeksgrid (35 x 35 m). Hiervan is afgeweken om leidingen en sloten te ontzien en om gericht een vermoedelijke verstoring te onderzoeken (boring 18)
Dichtheid
Volgens de richtlijn van 8 boringen per hectare
Plaats- en hoogtebepaling
RTK-GNSS (GPS & GLONASS, afwijking circa 3-4 m)
Boorgegevens
Digitaal vastgelegd op iPad
Gebruikte codelijsten - standaard Boordiepte Gehanteerde boor Opsporen indicatoren
(afgeleide van) ASB (Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode) en ABR (Archeologisch Basis Register) 4,00 m -mv/ 3,52 m -NAP (maximaal) Edelmanboor (Ø 7 cm), Gutsboor (Ø 3 cm) In het veld visueel door versnijden/verbrokkelen
Monstername
Geen
Oppervlaktekartering
Het maaiveld is geïnspecteerd op de aanwezigheid van archeologische
indicatoren Waar mogelijk, zijn de boringen doorgezet tot in het Laagpakket van Wierden. Volgens de provinciale richtlijn moet de
helft van de boringen dieper worden doorgezet, om binnen het Laagpakket van Wierden te zoeken naar mogelijke paleosols. Dit is echter niet gelukt omdat het dekzand zich moeilijk liet opboren. De boor liep meermaals vast op het zand, en/of het sediment liep de guts uit. Tijdens het beschrijven van de boringen is specifieke aandacht besteed aan de volgende geologische en bodemkundige kenmerken: ⎯
de aard, kleur en kalkgehalte van het sediment
⎯
aard van de laagovergangen (erosieverschijnselen)
⎯
de genese van de laag
⎯
bodemvormende kenmerken (bodemvorming/veraarding, ontkalking, rijping e. d. )
⎯
de diepteligging van het reductievlak
De boorpuntenkaart wordt afgebeeld op figuur 29, de boorstaten zijn opgenomen in bijlage 4.
106 Wattenberghe
& Van den Berg, 19-01-2024: Plan van Aanpak Inventariserend Veldonderzoek door middel van verkennende boringen Zaamslag Weststraat.
61
ARTEFACT RAPPORT 864
Figuur 29 Boorpunten
3. 2
ZAAMSLAG WESTSTRAAT
op een uitsnede van de Topografische Kaart. Bron: Esri Nederland,
Geologie
en
Community Map Contributors.
bodem
Het booronderzoek heeft een goed beeld opgeleverd van de bodemopbouw binnen het onderzoeksgebied. In dit hoofdstuk worden de resultaten besproken. De belangrijkste resultaten staat weergegeven op figuur 30.
Pleistoceen dekzandlandschap – Laagpakket van Wierden – Formatie van Boxtel Aan de basis is in het merendeel van de boringen zeer fijn, zwak tot uiterst siltig, compact zand aangetroffen. Dit is kalkloos en de kleur varieert van witgeel en grijs tot zwartbruin. Dit zand valt lithogenetisch te interpreteren als eolisch dekzand, afgezet tijdens het Pleistoceen. Lithostratigrafisch valt het te rekenen tot het Laagpakket van Wierden. Het was niet mogelijk om de boringen diep genoeg door te zetten om eventuele paleosols in dit dekzand te kunnen vaststellen (zie hoofdstuk 3. 1). De top van het Laagpakket van Wierden ligt in de meeste gevallen rond 2,50 m -NAP (boringen 1 t/m 5, 8, 9, 16 en 17), oftewel vanaf 2,90 m -mv. In boringen 11 t/m 15 en 18 ligt de top iets hoger, namelijk omstreeks 2,00 m -NAP, oftewel vanaf 1,88 m -mv. Duidelijke tekenen van bodemvorming in de top van het dekzand zijn in enkele boringen vastgesteld. Hierbij moet worden opgemerkt dat het dekzand op veel plaatsen lastig op te boren was, waardoor soms enkel een Ahorizont viel vast te stellen. Een volledig podzolprofiel met een A-, E-, B- en C-horizont werd vastgesteld in de meest westelijk uitgevoerde boring 15 (vanaf 1,88 m -mv/ 1,91 m -NAP). In meerdere gevallen is doorworteling en/of bioturbatie in de dekzandtop waargenomen. Ongeacht de mate van bodemvorming, kan overal waar het dekzand
62
ARTEFACT RAPPORT 864
ZAAMSLAG WESTSTRAAT
wordt afgedekt door veen van de Formatie van Nieuwkoop (zie hieronder), worden aangenomen dat het dekzand intact is. In boringen 10 en 20 was op de einddiepte, dieper dan 3 m -NAP, nog sprake van geulafzettingen van het Laagpakket van Walcheren (zie verderop). Het is aannemelijk dat de top van het dekzand hier als gevolg van erosie niet meer aanwezig is. In boring 6 is dit laatste mogelijk ook het geval, al viel hier al geen sediment meer op te boren vanaf 2,75 m -mv/ 2,12 m -NAP.
Veenlandschap – Hollandveen Laagpakket en/of Basisveen Laag – Formatie van Nieuwkoop In de meeste boringen wordt het Laagpakket van Wierden afgedekt door een laag veen met een totale dikte variërend van 0,30 (boring 17) tot 1,90 m (boring 1). Aan de basis bestaat dit veelal uit bosveen waarin veel hout werd aangetroffen. Naar boven toe is tevens veenmosveen en/of mosveen vastgesteld. Als geheel valt het veen te rekenen tot de Formatie van Nieuwkoop. Een duidelijk onderscheid tussen de Basisveen Laag en het Hollandveen Laagpakket viel niet te maken.
Veraarding in de top van het veen is vastgesteld in boringen 1, 5, 13 t/m 16 en 18. De veraarde veentop ligt overal omstreeks 1 m -NAP. Dit komt in de meeste gevallen neer op diepten vanaf 1,60 m -mv. Uitzonderingen vormen boring 15 (1,05 m -mv) en boring 1 (1,45 m -mv). In boringen 2, 7, 8 en 9 is weliswaar geen veraarding vastgesteld, maar ligt de bovenzijde van het veen op vergelijkbare NAP-diepte (en vanaf 1,80 m -mv), waardoor aan te nemen valt dat deze hier slechts beperkt is aangetast. In elk geval in boringen
3, 6, 10
t/m 12, 17 en 20 is naar alle waarschijnlijkheid het veenniveau deels of volledig
geërodeerd, en vervangen door jongere getijdenafzettingen. Jong getijdenlandschap – Laagpakket van Walcheren – Formatie
Naaldwijk De bovenzijde van de natuurlijke ondergrond bestaat in alle boringen uit pakketten grijsgekleurd klei en zand, waarvan de siltigheid en het kalkgehalte sterk uiteenlopen. Tezamen vallen deze lithostratigrafisch te rekenen tot het Laagpakket van Walcheren. Lithogetisch vallen er plaatselijk kwelder-, geul-, poel- en wadafzettingen te onderscheiden. van
Van geulafzettingen is sprake in boringen 6, 10, 11, 12, 17 en 20. In boringen 6, 10 en 20 reiken deze tot aan de einddiepte (2,75 – 4,00 m -mv/ 2,12 – 3,52 m -NAP). De geulafzettingen van boring 6 zijn vermoedelijk te relateren aan
het kreekrestant aan de westzijde van het plangebied; die van boringen 10 en 20, nabij de oostgrens van het plangebied, zijn vermoedelijk te relateren aan oudere kreekafzettingen, waarop ook de dorpskern van Zaamslag ligt. In boringen 11, 12 en 17 dekken de geulafzettingen respectievelijk de Formatie van Nieuwkoop en het Laagpakket van Wierden af; hier betreft het mogelijk een zijarmpje van het kreekrestant aan de westzijde van het plangebied. Binnen het Laagpakket van Walcheren konden in boringen 1, 2, 4, 7, 10, 13, 14, 16 en 18 één of potentieel meer oudere niveaus worden onderscheiden. Deze bevinden zich: ⎯ vanaf 0,40 – 0,55 m -mv/ 0,15 – 0 m +NAP in kwelder- dan wel poelafzettingen in boringen 1, 2, 7, 13, 14, 16 en 18; ⎯ vanaf 0,80 – 0,95 m -mv/ 0,22 – 0,40 m -NAP (of lokaal iets dieper) in kwelder- dan wel poelafzettingen in boringen 1, 2, 4, 14, 16 en 18; ⎯ vanaf 1,65 – 1,92 m -mv/ 1,04 – 1,26 m -NAP in poel- dan wel geulafzettingen in boringen 4, 7, 10 en 13. In nagenoeg alle gevallen zijn per boring twee vermoedelijke oudere niveaus waargenomen. Hiervan bestaat het onderste vermoedelijke niveau uit zwak siltige, stevige, kalkloze klei, die lithogenetisch te duiden is als poelafzettingen (in de boorstaten soms ook als komafzettingen aangeduid). Het bovenste oudere niveau tekende zich steeds duidelijker af dan het onderste.
Hier lag immers het contactvlak tussen de middeleeuwse en de jongere afzettingen, gevormd na de inundatie van 1586. Het onderste grensvlak, tussen de twee middeleeuwse afzettingsniveaus, is
gebaseerd op enkele morfologische en lithologische verschillen (bijvoorbeeld de aanwezigheid van humus, afwezigheid van kalk, amper siltige vs. sterk siltige klei) die beide lagen kenmerken. Dit is echter speculatief omdat dit grensvlak niet in alle andere niveaus is waargenomen en niet kon worden verklaard op basis van de bestaande geologische en geomorfologische kennis van dit gebied. Bovendien ontbraken ook duidelijk ontwikkelde bodems die 63
ARTEFACT RAPPORT 864
ZAAMSLAG WESTSTRAAT
dergelijke interpretatie vergemakkelijken. Dit geldt overigens ook voor het bovenste niveau. Het ontbreken van sporen van bodemvorming kan ook wijzen op erosie van de onderliggende laag. een
De bovenzijde van het Laagpakket van Walcheren wordt overal gevormd door een 0,25 – 0,4 m dikke bouwvoor. Deze bestaat uit zwak tot matig humeuze, zwak tot uiterst siltige, matig slappe klei. In boringen 1, 2, 5 en 10 dekt de bouwvoor een 0,10 – 0,35 m dikke cultuurlaag af (zie hoofdstuk 3. 3).
Verstoringen Grootschalige antropogene verstoringen zijn niet aangetroffen. In boring 18 werd hoofdstuk 2. 3. 2), maar niet vastgesteld.
Figuur 30
3. 3
een
verstoring verwacht (zie
Resultatenkaart booronderzoek: geologie. Bron achtergrond: Esri Nederland, Community Map Contributors.
Archeologie
Tijdens het booronderzoek zijn binnen het Laagpakket van Walcheren enkele archeologische grondsporen dan wel cultuurlagen aangetroffen alsook archeologische indicatoren. De resultaten staan weergegeven op figuur 32. Archeologische indicatoren in natuurlijke afzettingen Laagpakket van Walcheren In boringen 1 t/m 4, 7, 13, 17 en 18 zijn archeologische indicatoren aangetroffen in de natuurlijke afzettingen van het Laagpakket van Walcheren. Dit betreft puin-/baksteenspikkels dan wel puinbrokjes. Ze zijn op basis van uiterlijke 64
ARTEFACT RAPPORT 864
ZAAMSLAG WESTSTRAAT
kenmerken niet scherp te dateren. In vrijwel alle betreffende boringen bevinden deze zich vanaf 0,45 – 0,55 m -mv/ 0,15 – 0,02 m +NAP. In boring 4 bevindt het betreffende niveau zich iets dieper, namelijk op 0,85 m -mv/ 0,36 m -NAP. In het veld werden deze indicatoren in een aantal gevallen in eerste instantie aan verspoeling toegeschreven, maar bij nadere analyse van alle resultaten tezamen wordt eerder aan potentiële archeologische niveaus gedacht. Cultuurlagen, grondsporen Direct onder de bouwvoor is in boringen 1, 2, 5, 8 en 10 een cultuurlaag aangetroffen. Al deze boringen bevinden zich in een noordoostelijk deel van het plangebied. In boring 5 betreft dit een vermoedelijk archeologisch
ingegraven tot 0,65 m -mv/ 0,06 m +NAP in de kwelderafzettingen van het Laagpakket van Walcheren. De vulling bestaat uit sterk zandige, matig stevige klei met een spoor van baksteen. De bovenzijde van dit mogelijke spoor ligt op 0,30 m -mv/ 0,41 m +NAP. In boring 8 omvat de cultuurlaag vermoedelijk
spoor,
greppelvulling, ingegraven tot 1,00 m -mv/ 0,45 m -NAP in kwelderafzettingen van het Laagpakket van Walcheren. De vulling bestaat uit matig siltige, matig stevige klei met sporen van baksteen en houtskool. De bovenzijde ligt op 0,35 m -mv/ 0,20 m +NAP. Het valt niet geheel uit te sluiten dat dit een verstoring betreft. een
In de overige boringen (1, 2 en 10) heeft de cultuurlaag een dikte van 10 tot 20 cm en bestaat deze uit matig tot sterk zandige, matig stevige klei. Deze bevat een spoor van baksteen alsook brokjes puin en plaatselijk houtskoolspikkels. In boringen 1 en 2 is de cultuurlaag zwak humeus. De bovenzijde van deze cultuurlaag bevindt zich hier op 0,30 - 0,35 m -mv/ 0,44 – 0,22 m +NAP. De indicatoren in de cultuurlagen vielen niet scherp te dateren. Een laatmiddeleeuwse datering valt niet uit te sluiten, maar een latere datering evenmin.
Archeologische indicatoren in de bouwvoor In boringen 1, 2 en 3 t/m 10, oftewel grofweg in de noordoostelijke helft van het plangebied, zijn archeologische indicatoren in de bouwvoor aangetroffen. Ook hier betreft het weer puinbrokjes en een spoor van baksteen. Deze kunnen te relateren zijn aan een vindplaats. De spreiding, in de noordoostelijke helft van het plangebied, is grofweg in
lijn met de aanwezigheid van de cultuurlaag. Een andere herkomst, zoals via bemestingsmateriaal, valt voor indicatoren in de bouwvoor nooit uit te sluiten. Hierbij moet worden opgemerkt dat je deze in zo’n geval overal in de bouwvoor zou verwachten; in de zuidwestelijke helft van het plangebied werden in de bouwvoor echter geen indicatoren aangetroffen.
Archeologische indicatoren aan het maaiveld Ter plaatse van boringen 1 en 2, in de nabijheid van de Weststraat in het noordoosten van het plangebied, werden aan het maaiveld veel rode puinbrokken aangetroffen alsook enkele brokken natuursteen. Iets zuidelijker, eveneens in de oostelijke helft van het plangebied, is ter hoogte van boringen 4 en 5 sprake van een puinwaaier aan het geploegde maaiveld (figuur 31). Deze bestaat uit veel baksteenpuin, laatmiddeleeuws aardewerk en stukjes dierlijk bot.
65
ARTEFACT RAPPORT 864
ZAAMSLAG WESTSTRAAT
Figuur 31 Sfeerfoto van de puinwaaier ter hoogte van boringen 4 en 5, gefotografeerd ter plaatse van boring 10 in zuidelijke richting. De puinwaaier tekent zich in het geploegde akkerland af als een rode gloed (aangegeven met de gele pijlen). Foto: Frederik D’hondt (Artefact).
66