CConstaterende datTerneuzen
Koppel je AI →
Document · PDF

2024-06-19 - bijlage 2 onderbouwing woningbouw Zaamslag (geanonimiseerd)

commissie Omgeving 19 juni 2024, gemeente TerneuzenBij agendapunt: Bindend Advies Planontwikkeling woningbouw Zaamslag33.300 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

voor

het verlenen

van de

omgevingsvergunning.

4. 5. DUURZAAMHEID Duurzaamheid is het waarborgen van de bestaansmogelijkheden van en het voorzien in de behoeften van de huidige generatie zonder daarmee de behoeften van toekomstige generaties in gevaar te brengen. Duurzaam omgaan met de ruimte betekent onder meer rekening houden met de huidige gebruiksfuncties en de mogelijkheid voor toekomstige generaties om functies aan een gebied te geven. Bij duurzame gebiedsontwikkeling gaat het om duurzaam gebruik van materialen, energie, natuur en mobiliteit. Omdat duurzaamheid veel facetten heeft, is een integrale benadering noodzakelijk. Motivering Om een toekomstbestendige ontwikkeling tot stand te brengen is in de planontwikkeling veel aandacht besteed aan duurzaamheidsaspecten. De woningen en appartementen moeten nog nader worden uitgewerkt, maar worden zo energiezuinig mogelijk gerealiseerd. De woningen worden voorzien van zonnepanelen, een warmteterugwininstallatie (WTW) en een warmtepomp. Om de warmtevraag tot het minimum te beperken worden de woningen goed geïsoleerd. Het merendeel van de grondgebonden woningen heeft een achtertuin georiënteerd op het zuiden/zuidoosten. Hierdoor wordt optimaal gebruik gemaakt van passieve zonne-energie. Verder wordt duurzaam omgegaan met de openbare ruimte.

Er wordt zo weinig mogelijk verharding toegepast, het gebied wordt klimaatadaptief ingericht (bijvoorbeeld veel ruimte voor waterberging en infiltratie) en er worden maatregelen genomen om de natuur te bevorderen, zoals de natuurvriendelijke oevers. Door de inrichting met veel groen en natuur wordt hittestress ook mede voorkomen. Het aspect ‘duurzaamheid’ vormt geen belemmering

voor

het verlenen van de omgevingsvergunning.

4. 6. GEZONDE LEEFOMGEVING Een van de maatschappelijke doelen van de Omgevingswet is een gezonde fysieke leefomgeving. Binnen de kaders van Omgevingswet kunnen overheden eigen gezondheidsambities vastleggen en uitwerken. Het aspect gezondheid is veelomvattend en zeer divers. Aan de meeste milieuaspecten (o. a. luchtkwaliteit, geluid en geur) zijn in meer of mindere mate immers gezondheidsaspecten verboden. De fysieke leefomgeving kan gevolgen hebben voor de gezondheid van mensen, in positieve of negatieve zin. Zo kan een groene en beweegvriendelijke omgeving goed zijn voor de gezondheid. Aan de andere kant kunnen bijvoorbeeld een matige luchtkwaliteit of een lawaaiige omgeving ongezond zijn.

21

4. 6. 1.

Bewegen

Motivering Het plan is gericht op het bevorderen van ontmoeting. Enerzijds tussen verschillende doelgroepen (door verschillende woningtypologieën in het plan) en anderzijds ontmoeting tussen ouderen. Er is in het plan veel verblijfsruimte voorzien en er worden goede (wandel)verbindingen gerealiseerd naar de bestaande maatschappelijke voorzieningen (o. a. het Stropievat) in de nabijheid van het plangebied. Het gebied wordt zodanig ingericht dat het uitnodigt om naar buiten te gaan. De bestaande hondenspeelweide is een schakel tussen het plangebied en de bestaande Molenhof. De stichting die deze weide beheert heeft een belangrijke maatschappelijke functie in het dorp. Conclusie Het aspect ‘bewegen’ vormt geen belemmering voor het verlenen van de omgevingsvergunning. 4. 6. 2.

Groen

Motivering Groen draagt bij aan een positieve gezondheid en het welbevinden van mensen. Daarbij zijn kwantiteit, kwaliteit en afstand van invloed. Het plan bevat veel groen, de appartementengebouwen staan vrij in het groen en het centrale hofje wordt groen ingericht. De auto is in het plangebied zoveel mogelijk te gast. Door toepassing van veel groen wordt stress vermindert, waardoor er een rustgevende plek ontstaat die het mentale welzijn verbetert. Door het plan wordt ook het natuurgebied meer het dorp ingetrokken, wat een positief effect heeft. Hiernaast is door toepassing van veel groen ook minder sprake van hittestress. Conclusie De ontwikkeling vindt plaats in een ruim opgezette setting waarbij in hoge mate groenbeleving aanwezig is. Het aspect ‘groen’ vormt geen belemmering voor het verlenen van de omgevingsvergunning. 4. 6. 3.

Milieuzonering

Een evenwichtige toedeling van functies aan locaties moet ervoor zorgen dat voorzienbare hinder en gevaar door milieubelastende activiteiten voorkomen wordt. Sommige activiteiten die vanuit een planologisch perspectief mogelijk worden gemaakt, veroorzaken milieubelasting voor de omgeving. Andere (gevoelige) functies moeten juist beschermd worden tegen milieubelastende activiteiten. Door bij nieuwe ontwikkelingen voldoende afstand in acht te nemen tussen milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en gevoelige functies (zoals woningen) worden hinder en gevaar voorkomen en wordt het bedrijven mogelijk gemaakt zich binnen aanvaardbare voorwaarden te vestigen. Het doel van milieuzonering is om te komen tot een optimale kwaliteit van de leefomgeving. Motivering Om de afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies te bepalen, wordt vooralsnog gebruik gemaakt van de VNG-publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’. Er wordt gewerkt aan de milieuzonering ‘nieuwe stijl’, echter deze is nog niet definitief. Naar verwachting zal de uitkomst van een toetsing op basis van de nieuwe stijl niet wezenlijk afwijken van een beoordeling op basis van de VNG-publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’. Het reguleren van de gebruiksruimte voor geluid en geur per bedrijf staat centraal in de nieuwe systematiek voor milieuzonering.

De gebruiksruimte van een bedrijf is de milieuruimte die een bedrijf mag benutten voor het uitoefenen van zijn bedrijfsvoering. Aan de noordzijde van het plangebied zijn een rioolgemaal en een bergbezinkbassin aanwezig. Voor een rioolgemaal kan worden uitgegaan van een richtafstand van 30 meter tot een woning. Daarbij is het aspect ‘geur’ bepalend. Aan deze afstand wordt ten opzichte van de dichtstbij gelegen nieuwe woning voldaan. Een bergbezinkbassin komt niet specifiek voor in de richtafstandenlijst. De vraag is of de invloed van het bergbezinkbassin vergelijkbaar is met een rioolgemaal en om die reden dezelfde afstand gehanteerd moet worden. De kortste afstand van het bergbezinkbassin tot woningen is 13,9 meter. Geconstateerd is dat het bergbezinkbassin een gesloten systeem betreft. Er komen in het geheel geen geuren vrij. Daarnaast is er ook geen pomp aanwezig die geluid produceert. Om die reden is het aanhouden van de genoemde richtafstand niet nodig, er is ook geen sprake van

22

milieugebruiksruimte. Het bergbezinkbassin vormt woningen.

geen

belemmering

voor

het leefklimaat in en om de nieuwe

Conclusie Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor het verlenen van de omgevingsvergunning. 4. 6. 4.

Omgevingsveiligheid

Omgevingsveiligheid beschrijft de risico’s die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Voor omgevingsveiligheid zijn instructieregels opgenomen in paragraaf 5. 1. 2 Bkl. De paragrafen 5. 1. 2. 2 tot en met 5. 1. 2. 6 Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties. Dit in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. De doelstelling van omgevingsveiligheid is het realiseren van een veilige woon- en leefomgeving door het beheersen van risico's van activiteiten met gevaarlijke stoffen. Omgevingsveiligheid is erop gericht te voorkomen dat er dichtbij gevoelige bestemmingen activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden. Bij nieuwe (ruimtelijke) ontwikkelingen dient rekening te worden gehouden met risicobronnen in de omgeving. De instructieregels van paragraaf 5. 1. 2 zijn erop gericht gebouwen en locaties te beschermen waar personen gedurende een periode verblijven. Motivering In de nabijheid van het plangebied zijn geen relevante risicobronnen aanwezig. Het LPG-tankstation aan de Terneuzensestraat en de propaanopslag van een oliehandel liggen op ruime afstand.

Het plangebied ligt niet binnen de plaatsgebonden risicocontour, en de brand- en explosieaandachtsgebieden van die bedrijven. Er zijn voorts geen routes uit het Basisnet die relevant zijn voor het plan. De route voor gevaarlijke stoffen over de weg ligt op voldoende afstand en er zijn geen relevantie buisleidingen met een risico in de nabijheid van het plangebied.

Afbeelding 6 | Uitsnede risicokaart

23

Conclusie Het aspect ‘omgevingsveiligheid’ vormt geen belemmering 4. 6. 5.

voor

het verlenen

van de

omgevingsvergunning.

Geluid

Geluid kan hinderlijk en schadelijk voor de gezondheid zijn. Zo kunnen hoge geluidsniveaus het gehoor beschadigen. Maar ook verstoring van de slaap kan op de lange duur slecht zijn voor de gezondheid. In Nederland zijn afspraken gemaakt over wat acceptabele geluidsniveaus zijn en wat niet (de geluidsnormen). Bij ruimtelijke plannen kan akoestisch onderzoek nodig zijn om geluidhinder bij geluidgevoelige objecten (scholen, woningen, etc. ) te voorkomen. De Omgevingswet bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai, industrielawaai en luchtvaartlawaai. Een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd als een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een aandachtsgebied van een bestaande geluidbron of indien het plan een nieuwe geluidbron mogelijk maakt. Motivering Het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) is van toepassing op verharde gemeentewegen en waterschapswegen met een verkeersintensiteit hoger dan 1000 mtv/etmaal. Voor die wegen worden op grond van de Omgevingsregeling, afhankelijk van de rijsnelheid en het aantal rijstroken, de aandachtsgebieden vastgesteld. Wordt er binnen het aandachtsgebied een nieuw geluidgevoelig gebouw toegevoegd, dan dient een akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai te worden uitgevoerd.

Het plangebied ligt binnen het geluidaandachtsgebied van de Terneuzensestraat en de Molenstraat. Om die reden is door Kraaij Akoestisch Adviesbureau een onderzoek uitgevoerd naar wegverkeerslawaai (bijlage 8, rapportage 27 maart 2024). Het geluid door de twee genoemde gemeentewegen is berekend en getoetst aan de geluidnormen uit het Bkl. Uit het onderzoek blijkt dat voldaan wordt aan de standaardwaarde van 53 dB. Er is op basis van een kwalitatieve beoordeling van het gecumuleerd geluid overal sprake van een zeer goede akoestische leefomgeving. Een aanvullend (bouw)akoestisch onderzoek naar de karakteristieke geluidwering van de uitwendige gevelconstructie is niet nodig. Een goed akoestisch klimaat in de woningen en appartementen is op basis van de minimumeis voor geluidwering van een geluidgevoelig gebouw gewaarborgd. Er is voorts geen sprake van relevante andere geluidbronnen in de omgeving. Een onderzoek naar industrielawaai is daarom ook niet nodig. Conclusie Het aspect ‘geluid’ vormt geen belemmering voor het verlenen van de omgevingsvergunning. 4. 6. 6.

Luchtkwaliteit

Bij het toelaten van activiteiten moeten in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, de gevolgen voor de luchtkwaliteit worden beoordeeld. Als sprake is van een zeer beperkte bijdrage aan de concentratie van stikstofdioxide (NO2) en PM10 is geen beoordeling nodig of aan de omgevingswaarde wordt voldaan. Er is sprake van een 'niet in betekenende mate bijdrage’ wanneer de toename van de concentratie NO2 en PM10 in de buitenlucht niet hoger is dan 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van PM10 en NO2. Daarnaast is een aantal categorieën aangewezen die in elk geval als ‘niet in betekenende mate’ worden aangemerkt. Bij activiteiten en werken die binnen deze categorieën vallen hoeft verder niet door middel van berekeningen of op een andere manier aangetoond te worden dat de toename van de concentraties niet de van toepassing zijnde grens voor NIBM overschrijdt. ,

.

Motivering In artikel 5. 54 Bkl zijn de standaardgevallen genoemd die niet in betekende mate bijdragen aan de concentratie van stikstofdioxide (NO)2 en PM.10 Hierin is onder andere aangegeven, dat gebouwen met een woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan, met ten hoogste 1. 500 woningen en één ontsluitingsweg aan te merken zijn als een categorie die ‘niet in betekende mate’ bijdraagt aan de concentratie van stikstofdioxide.

24

De voorgenomen ontwikkeling betreft een woningbouwlocatie met 80 woningen. Dit plan valt onder de hiervoor genoemde categorie. De instructieregels voor de bescherming van de kwaliteit van de buitenlucht zijn derhalve niet van toepassing. Het plan draagt niet in betekenende mate bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Conclusie Het aspect ‘luchtkwaliteit’ vormt geen belemmering voor het verlenen van de omgevingsvergunning. 4. 6. 7.

Milieueffectrapportage

De wetgeving omtrent de milieueffectrapportage (m. e. r) is opgenomen in afdeling 16. 4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit. In bijlage V van het Omgevingsbesluit zijn diverse activiteiten opgenomen waarvoor een m. e. r. -beoordelingsplicht geldt. Hierbij moet beoordeeld worden of er aanzienlijke milieueffecten te verwachten zijn. Motivering Bij de ontwikkeling van woningen moet beoordeeld worden of er sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject. Voor de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra en de aanleg van parkeerterreinen als bedoeld in kolom 1 onder J11 uit bijlage V Omgevingsbesluit geldt een mer-beoordelingsplicht waarbij een zogenaamde ‘mededeling’ van het voornemen voor de planontwikkeling moet worden gedaan (voorheen de aanmeldnotitie). Er moet beoordeeld worden of er aanzienlijke milieueffecten te verwachten zijn. Deze motivering wordt gezien als de ‘mededeling’. Of er sprake is van aanzienlijke milieueffecten is mede afhankelijk van de aard en omvang van de ontwikkeling en de relatie met andere plannen, projecten of activiteiten en de kenmerken van de effecten en van de gebieden die kunnen worden beïnvloed. In onderhavig plan worden in totaal 80 extra woningen mogelijk gemaakt aansluitend aan een kern.

Er zijn in de omgeving geen relevante projecten aanwezig die een cumulatief effect zouden kunnen hebben op deze ontwikkeling. Er zijn op basis van de criteria uit de Europese richtlijn geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu te verwachten, omdat de milieueffecten zeer beperkt en lokaal zijn (zie paragraaf 4. 1 t/m 4. 6). Het plan zal de bijzondere natuurlijke kenmerken van het gebied en het landschap versterken. In de planontwikkeling dient rekening te worden gehouden met mogelijk aanwezige archeologische waarden. Conclusie Het opstellen van een milieueffectrapport is niet nodig.

25

5. CONCLUSIE 5. 1. EVENWICHTIGE TOEDELING VAN FUNCTIES AAN LOCATIES Om een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit te verkrijgen, moet gemotiveerd worden dat de ontwikkeling met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL) aanvaardbaar wordt geacht, volgens artikel 8. 0a, tweede lid van het Besluit kwaliteit leefomgeving (hierna: Bkl). Daarnaast moet ook voldaan worden aan de instructieregels en instructies van zowel de provincie als het Rijk (artikel 8. 0b Bkl). In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op het geldende beleid en zijn de relevante milieu- en omgevingsaspecten beschouwd. Hieronder is aangegeven of aan een aspect voldaan wordt, niet wordt voldaan of onder voorwaarden kan worden voldaan. Kan aan aspect worden voldaan Kan onder voorwaarden worden voldaan Kan niet aan aspect worden voldaan

Bodem Archeologie Bodemkwaliteit Niet Gesprongen Explosieven

V ~

X

~

V ~

Natuur en water Weging van het waterbelang Natuur

V V

Omgevingskwaliteit Ladder voor duurzame verstedelijking Landschappelijke en stedenbouwkundige kwaliteit Cultuurhistorische waarden

V V V

Mobiliteit en bereikbaarheid Verkeersgeneratie Vervoersmodaliteit en ontsluiting Parkeren

V V V

Duurzaamheid

V

Gezonde leefomgeving Bewegen Groen Milieuzonering Omgevingsveiligheid Geluid Luchtkwaliteit Milieueffectrapportage

V V V V V V V

5. 2. BELANGENAFWEGING Het plan past binnen het door de overheden vastgestelde beleidskader en draagt bij aan een uniek woonmilieu. Daarbij is het uitvoeren van een nader onderzoek naar archeologische waarden nog wel een aandachtspunt. Nader onderzoek is daarnaast nodig naar het voorkomen van een beschermde plantsoort: de Kleine Wolfsmelk. Voordat het plan wordt uitgevoerd is het gewenst een ecologisch werkprotocol op te stellen om te voorkomen dat beschermde soorten zich tijdens de werkzaamheden in het plangebied vestigen. Er dient gekozen te worden voor amfibievriendelijke straatkolken. Bij uitvoering van het plan dient voldaan te worden aan de regels voor

26

watercompensatie. De realisatie hiervan kan als voorwaarde aan de vergunning worden gekoppeld. Voor de uitvoering kan het in verband met een veilige werkomgeving daarnaast nodig zijn om een beoordeling vanwege niet gesprongen explosieven uit te voeren voordat met de werkzaamheden wordt gestart. Hierover dient voor uitvoering overleg plaats te vinden tussen de initiatiefnemer en de gemeente Terneuzen. Verder voldoen alle thema’s aan de daarvoor geldende (wettelijke) kaders. 5. 3. PLANOLOGISCH BASISBESLUIT De omgevingsvergunning voor de buitenplanse omgevingsplanactiviteit waar deze onderbouwing deel van uitmaakt biedt, op grond van artikel 12. 27a van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl), een juridisch-planologisch kader voor verdere (nader uit te werken) activiteiten. Wanneer nader uit te werken activiteiten voldoen aan de uitgangspunten zoals genoemd in deze paragraaf hoeft bij die nader uit te werken activiteiten niet opnieuw een afweging plaats te vinden of wordt voldaan aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL). Deze aspecten zijn immers al nadrukkelijk in deze onderbouwing. In het kader van de opvolgende toegestaan omgevingsvergunningaanvraag vindt alleen beoordeling plaats op de onderdelen van het bouwplan waarin deze onderbouwing niet voorziet.

Wel zal een aanvraag om omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit moeten worden aangevraagd omdat de aanvraag immers in beginsel niet voldoet aan het omgevingsplan. Bij toepassing van artikel 8. 0a, tweede lid Bkl (alleen verlening bij een ETFAL) is volgens artikel 12. 27a Bkl sprake van een ETFAL als de aanvraag niet in strijd is met een eerde verleende omgevingsvergunning. Uitgangspunten Een omgevingsvergunning voor nader uitgewerkte activiteiten kan worden verleend als aan de hieronder genoemde uitgangspunten wordt voldaan. Daarbij geldt de situering in het stedenbouwkundig ontwerp (bijlage 1) als uitgangspunt. Kleine verschuivingen in de situering (maximaal 2 meter vanwege de nadere uitwerking zijn toelaatbaar. Met dit juridisch-planologisch kader worden de volgende omgevingsplanactiviteiten mogelijk gemaakt: Het bouwen, in stand houden en gebruiken van 2 appartementengebouwen met maximaal 54 appartementen. De appartementengebouwen bestaan uit maximaal 3 bouwlagen en hebben een oppervlakte o (buitenwerkse maat) van maximaal XX m². De bouwhoogte bedraagt maximaal 10 meter, exclusief eventuele liftopbouwen, installaties en andere ondergeschikte bouwdelen. Bebouwing wordt gerealiseerd binnen het bouwvlak (nog definiëren op kaart?). Het bouwen, in stand houden en gebruiken van maximaal 10 hofwoningen.

o De hofwoningen bestaan uit 1 bouwlaag met kap en worden geschakeld gerealiseerd. De goothoogte bedraagt maximaal 4 meter en de bouwhoogte maximaal 8 meter. Bebouwing wordt gerealiseerd binnen het bouwvlak (nog definiëren op kaart?). Het bouwen, in stand houden en gebruiken van maximaal 6 vrijstaande woningen. De vrijstaande woningen bestaan uit 1 bouwlaag met kap. De goothoogte bedraagt maximaal 4 meter en o de bouwhoogte bedraagt maximaal 8 meter; De onderlinge afstand tussen de woningen bedraagt minimaal 5 meter. De afstand tot de zijdelingse o perceelsgrens bedraagt in ieder geval 1,5 meter. Bij elke woning is een vrije ruimte tot de zijdelingse perceelsgrenzen van in totaal 5 meter; De afstand vanaf de voorgevels tot aan de openbare weg bedraagt 4 meter. Dit betreft een vaste maat die o als voorgevelrooilijn wordt gezien; Bebouwing wordt gerealiseerd binnen het bouwvlak (nog definiëren op kaart?). o Het bouwen, in stand houden en gebruiken van maximaal 8 twee-onder-één-kapwoningen. o De 4 noordelijk gelegen woningen bestaan uit 2 bouwlagen met kap. De goothoogte bedraagt maximaal 6 meter en de bouwhoogte maximaal 10 meter; o De 4 zuidelijk gelegen woningen bestaan uit 1 bouwlaag met kap.

De goothoogte bedraagt maximaal 4 meter en de bouwhoogte maximaal 8 meter; o De afstand tot de zijdelingse perceelsgrens bedraagt aan de niet bebouwde zijde van de woningen minimaal 2,5 meter (exclusief aan- en uitbouwen). De afstand vanaf de voorgevels tot aan de openbare weg bedraagt minimaal 2,5 meter. De gekozen maat is daarna van toepassing op alle woningen van dit type; o Bebouwing wordt gerealiseerd binnen het bouwvlak (nog definiëren op kaart?). Het bouwen, in stand houden en gebruiken van aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen bij grondgebonden woningen. Deze voldoen aan de volgende regels: Maximaal 60 m² bij percelen tot 500 m², waarbij de gezamenlijke oppervlakte van aan- en uitbouwen, o bijgebouwen en overkappingen maximaal 50% bedraagt van het erf gelegen achter het hoofdgebouw; Maximaal 90 m² bij percelen groter dan 500 m², waarbij de gezamenlijke oppervlakte van aan- en o

27

uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen maximaal 50% bedraagt van het erf gelegen achter het hoofdgebouw; o Minimaal 3 meter achter de voorgevel van het hoofdgebouw; o Goothoogte maximaal 3,5 m; o Bouwhoogte aan- en uitbouwen en bijgebouwen maximaal 6 m; o Bouwhoogte overkapping maximaal 3,5 m; o Het realiseren van vrijstaande bijgebouwen en overkappingen bij appartementengebouwen is niet toegestaan. Het bouwen en in stand houden van bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde. Deze voldoen aan de volgende regels: De hoogte van erf- en terreinafscheidingen bij grondgebonden woningen bedraagt maximaal 2 meter o achter de voorgevel van het hoofdgebouw en 1 meter voor de voorgevel van het hoofdgebouw; De hoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde is maximaal 3 meter. o Het realiseren, in stand houden en gebruiken van de openbare ruimte in de vorm van wegen, paden, parkeervoorzieningen, groen, water, natuur en bijbehorende voorzieningen. De ontsluiting van het plangebied voor gemotoriseerd verkeer vindt uitsluitend plaats via de Molenstraat. Daarbij geldt voorts: De 2 appartementengebouwen met 54 woningen, de 10 hofwoningen, de 6 vrijstaande woningen en de 8 tweeonder-één-kapwoningen worden uitsluitend gebruikt ten behoeve van Wonen, zoals omschreven in het “Facetbestemmingsplan Wonen Terneuzen " met IMRO-code NL. IMRO.

BPFWT01-VG01, vastgesteld op 1 juli 2021, welke deel uitmaakt van het Omgevingsplan Terneuzen en zoals dat geldt ten tijde van het verlenen van de omgevingsvergunning (planologisch basisbesluit); De aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen worden gebouwd ten dienste van Wonen, zoals omschreven in het “Facetbestemmingsplan Wonen Terneuzen " met IMRO-code NL. IMRO. BPFWT01-VG01, vastgesteld op 1 juli 2021, welke deel uitmaakt van het Omgevingsplan Terneuzen en zoals dat geldt ten tijde van het verlenen van de omgevingsvergunning (planologisch basisbesluit); Voor de begrippen en de wijze van meten wordt aangesloten bij het bestemmingsplan “Hoek, Windlust II " met IMRO-code NL. IMRO. 0715. BPHK02-VG01, vastgesteld op 28 september 2023, welke deel uitmaakt van het Omgevingsplan Terneuzen en zoals dat geldt ten tijde van het verlenen van de omgevingsvergunning

(planologisch basisbesluit); Kleinschalige beroeps- en bedrijfsmatige activiteiten in een woning zijn toegestaan conform artikel 7. 6 van het bestemmingsplan “Hoek, Windlust II " met IMRO-code NL. IMRO. 0715. BPHK02-VG01, vastgesteld op 28 september 2023, welke deel uitmaakt van het Omgevingsplan Terneuzen en zoals dat geldt ten tijde van het verlenen van de omgevingsvergunning (planologisch basisbesluit).

28

6. UITVOERBAARHEID 6. 1. ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID Het verlenen van een omgevingsvergunning met een buitenplanse omgevingsplanactiviteit is gericht op uitvoering van een project. Om te waarborgen dat het project ook daadwerkelijk wordt gerealiseerd moet aangetoond worden dat het ook financieel uitvoerbaar is. Zo wordt voorkomen dat vergunningen worden verleend die uiteindelijk niet uitgevoerd kunnen worden. Er is sprake van een ontwikkeling welke volledig op initiatief en voor eigen rekening van de ontwikkelaar plaatsvindt. De te verhalen kosten voor de gemeente betreffen eventuele nadeelcompensatie en proceskosten. Ten aanzien van deze aspecten is het mogelijk een privaatrechtelijke overeenkomst te sluiten tussen de gemeente en de initiatiefnemer zodat er geen publiekrechtelijk kostenverhaal in het kader van de buitenplanse omgevingsplanactiviteit nodig is. Deze overeenkomst zal voor het verlenen van de omgevingsvergunning worden gesloten. De ontwikkeling heeft voor de gemeente geen negatieve financiële gevolgen. 6. 2. MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID 6. 2. 1 Participatie Participatie is een belangrijk onderdeel van de Omgevingswet. Een initiatiefnemer moet bij het aanvragen van een omgevingsvergunning aangeven of hij aan participatie heeft gedaan en wat de resultaten zijn. Dit aanvraagvereiste omvat geen verplichting voor de aanvrager om aan participatie te doen.

De gemeenteraad kan echter gevallen aanwijzen waarin participatie verplicht is. Motivering In de gemeente Terneuzen is er een overzicht van gevallen voor verplichte participatie en adviesrecht van de gemeenteraad. Voor het toevoegen van extra woningen voor permanente bewoning buiten de bebouwde kom is door de gemeenteraad participatie verplicht gesteld. Tevens is er advies nodig ten behoeve van de omgevingsvergunning. Vastgelegd is dat belanghebbenden geconsulteerd moeten worden volgens participatieniveau 3 uit de handreiking participatie. Het initiatief heeft veel impact op de omgeving, waardoor het belangrijk is om de belanghebbenden goed te informeren en mee te laten denken. In dit kader is een participatieplan opgesteld (bijlage X, toevoegen?). De participatie is tot nu toe ook uitgevoerd conform dat participatieplan. Het participatieverslag is bijgevoegd. (bijlage

9). Met het indienen van de aanvraag omgevingsvergunning afgerond. Ook richting de uitvoering wordt de omgeving

…….

het realiseren wat is het plan?.

voor

van

het plan is de participatie niet

.. .

Conclusie Naar aanleiding van inbreng van omwonenden bij de initiatiefnemer en bij de gemeente Terneuzen is het plan aangepast. Op onderdelen kon tegemoet worden gekomen aan wensen vanuit de omgeving. Participatie betekent in zijn algemeenheid niet dat iedereen tevreden gesteld kan worden. Geconcludeerd wordt wel dat er voldoende draagvlak is om het plan te realiseren. PM 6. 2. 2 Omgevingstafel Bij een positieve grondhouding ten aanzien van ontwikkelplannen worden deze voorgelegd aan de Omgevingstafel. Bij een Omgevingstafel is er een gesprek met alle belangrijke gesprekspartners van de gemeente om samen te kijken naar de beste manier om een initiatief mogelijk te maken. Onder andere het waterschap, de provincie, omgevingsdienst, veiligheidsregio en GGD sluiten aan bij de Omgevingstafel. Motivering Het plan is behandeld in de Omgevingstafel van PM. Daarin zijn de volgende zaken naar voren gekomen: PM

29

BIJLAGEN

BIJLAGE 1: STEDENBOUWKUNDIG ONTWERP

Het ontwerp b e z in k b a s s in

e e n g e z in s w n o in g 2 l a g e n + kap

Appartement 3 lagen

Le v e n s lo o p 1

la a g + k a p p ka+

ga l1a d aan i sj vr

Gebruik groene hof met bewoners in te vullen

Appartement 3 lagen

Le v e n s lo p e e n g e z in s w

o 1 la a g + k a p

o n in g 1 l a a g + k

ap

dierenweide

hondenspeelweide hondensnuffelweide

kunst

referentie Inrichting hofje

referentie Inrichting hofje

referentie vrijstaande woningen

referentie eengezinswoning

referentie levensloop bestendig

referentie appartementen

Referentie voetgangersbrug

Ontmoeten in het gebied

BIJLAGE 2: ARCHEOLOGISCH ONDERZOEK

ARTEFACT! RAPPORT 864

Zaamslag Weststraat Gemeente Terneuzen Archeologisch Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek door middel van verkennende boringen

M. van den Berg

ARTEFACT

RAPPORT

864

ZAAMSLAG

WESTSTRAAT

Colofon Titel

Zaamslag

Weststraat.

Gemeente

Terneuzen.

Inventariserend Veldonderzoek door middel

Auteur(s)

(geanonimiseerd)

Artefact rapport

864

Status

van

Archeologisch verkennende

Bureavonderzoek

boringen

(geanonimiseerd) Definitief

rapport

Voorliggend rapport

is beoordeeld en

goedgekeurd

2

Projectcode

2024ART2

Projectmedewerker(s)

(geanonimiseerd)

ISSN

22137424

Autorisatie

Naam

Projectleider

veldwerk

en

bevoegde

overheid.

(geanonimiseerd)

Te

Artefact! Advies

door de

april 2024

Datum

(geanonimiseerd) Lo

Onderzoek in Erfgoed

B.V.

erts Wa, DN

NSS

Riemensstraat 9 4543 BW

Kd

2

Zaamslag

ke

(geanonimiseerd) W

_www.artefact-info.nl

©

Artefact! Advies

Artefact! Advies

en

en

u o

led

“pe

Onderzoek in

Onderzoek in

figuren zijn vervaardigd

Erfgoed aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend

door de auteur(s)

60% SB hee“

Erfgoed B.V., 2024

gebruik van de resultaten van dit onderzoek of de toepassing van het hierin verwoorde advies. Alle

en

tenzij anders vermeld.

uit het

ARTEFACT RAPPORT 864

ZAAMSLAG WESTSTRAAT

Inhoud Samenvatting

................................ ..........................................................................................................

Administratieve Gegevens.

1

4

.........................................................................................................................

5

Inleiding . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 7 1. 1 Aanleiding van het onderzoek. 7 .......................................................................................................

1. 2

Doel van het onderzoek en onderzoeksvragen

1. 3

Beleidskader

1. 4

Plangebied, onderzoeksgebied en planvorming

.................................................................................

................................ .............................................................................................

..............................................................................

8

10 13

Archeologisch bureauonderzoek . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 15

2 2. 1

Methoden

2. 2

Landschap en geologie

...............................................................................................................

2. 2. 1

Landschappelijke ontwikkeling

2. 2. 2

Aardkundige waarden

Historie

2. 3

................................ ................................................................................................

16

........................................................................................

16

....................................................................................................

23

................................ ....................................................................................................

30

2. 3. 1

Historisch-geografische ontwikkeling

...............................................................................

30

2. 3. 2

Verstoringsgeschiedenis.

................................................................................................

44

2. 4

Archeologische waarden

2. 5

Bouw- en cultuurhistorische waarden.

2. 6

15

.............................................................................................................

...........................................................................................

45

56

57 Archeologisch verwachtingsmodel Inventariserend veldonderzoek . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 61

3

...............................................................................................

3. 1

Methoden

3. 2

Geologie en bodem.

3. 3

Archeologie

................................ ................................................................................................

61

. . . . . . . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .

62

................................ .............................................................................................

64

Conclusie en advies . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 68

4 4. 1

Conclusie: beantwoording onderzoeksvragen.

4. 2

Advies

................................ .....................................................................................................

71

Lijst met figuren

................................ ......................................................................................................

73

................................ .................................................................................................................

75

Bronnen

Bijlage 1

AMZ-cyclus

Bijlage 2

Verklarende woordenlijst en afkortingen

Bijlage 3

Tijdstabel

Bijlage 4

Boorstaten

68

...............................................................................

3

ARTEFACT RAPPORT 864

ZAAMSLAG WESTSTRAAT

Samenvatting Een initiatiefnemer heeft het voornemen om op een aantal agrarische percelen aan de Weststraat te Zaamslag (gemeente Terneuzen) woningen en appartementen te realiseren. In het kader van de hiertoe benodigde Buitenplanse OmgevingsPlanActiviteit (BOPA)‐omgevingsvergunning heeft Artefact! Advies en Onderzoek in Erfgoed in opdracht van Juust een archeologisch vooronderzoek uitgevoerd. Hiertoe is een bureauonderzoek uitgevoerd, waarbij een gespecificeerd verwachtingsmodel werd opgesteld voor het plangebied. Dit model is vervolgens getoetst door het uitvoeren van een inventariserend veldonderzoek door middel van verkennende boringen. De doelen van deze twee vormen van onderzoek staan opgesomd in hoofdstuk 1. 2. Op basis hiervan kan het volgende gesteld worden: ⎯ Het Laagpakket van Wierden is op de meeste plaatsen intact aanwezig op diepten vanaf 1,88 m -mv/ 1,91 m NAP ⎯ Het dekzand wordt afgedekt door veen van de Formatie van Nieuwkoop. In delen van het plangebied is het veen geheel of grotendeels intact en al dan niet veraard aanwezig vanaf 1,45 – 1,60 m -mv (plaatselijk in het uiterste zuidwesten van het plangebied 1,05 m -mv)/ 1 m -NAP. ⎯ De bovenzijde van de natuurlijke ondergrond bestaat overal uit het Laagpakket van Walcheren (Formatie van Naaldwijk).

Verspreid over het plangebied zijn één of potentieel meer oudere niveaus binnen het Laagpakket van Walcheren waargenomen, op diepten vanaf 0,40 m -mv/ 0,15 m +NAP. ⎯ De oudere niveaus maakten in de Middeleeuwen deel uit van een cultuurlandschap. Op basis van historische bronnen is bekend dat dit landschap in de omgeving van Zaamslag intensief is bewoond en geëxploiteerd. ⎯ In de Tachtigjarige Oorlog kwam het plangebied ruim een halve eeuw buitendijks te liggen. Hierbij kwam een uitloper van de Otheensche Kreek aan de westzijde van het plangebied te liggen; een vermoedelijk zijarmpje hiervan heeft zich plaatselijk binnen het plangebied ingesneden tot in de Formatie van Nieuwkoop. ⎯ Sinds 1650 maakt het deel uit van de Zaamslagpolder; cartografische referenties geven geen aanwijzingen dat het plangebied nadien anders dan agrarisch is gebruikt. ⎯ De bodem is onder de bouwvoor grotendeels intact. ⎯ In een noordoostelijk deel van het plangebied is in het Laagpakket van Walcheren sprake van een cultuurlaag. Archeologische indicatoren zijn hier aangetroffen in zowel de natuurlijke afzettingen, als de cultuurlaag en bouwvoor, alsook plaatselijk aan het maaiveld in de vorm van een puinwaaier met hierin laatmiddeleeuws ⎯

materiaal. Al met al gelden in het plangebied meerdere verwachtingen, op de meeste plaatsen vanaf 0,25 dan wel 0,40 m -mv.

In het kader van de BOPA wordt dan ook geadviseerd om geen bodemingrepen te verrichten die dieper reiken dan de diepten die staan aangegeven op figuur 34. Hierbij zijn geen verdere veiligheidsmarges aangehouden, aangezien het hier reeds de minimale diepten betreft waarop mogelijke archeologische resten kunnen worden geraakt. Daar waar deze diepten zullen worden overschreden, wordt archeologisch vervolgonderzoek noodzakelijk geacht in de vorm van een Inventariserend Veldonderzoek door middel van Proefsleuven. Voor een toelichting hierbij en het doel hiervan

wordt verwezen naar hoofdstuk 4. 2. Tot slot dient opgemerkt dat in die delen waar geen vervolgonderzoek is geadviseerd, toch relevante archeologische vindplaatsen in de bodem verborgen kunnen zijn, die in de uitvoeringsfase van de toekomstige graafwerkzaamheden aan het licht komen. Voor dergelijke vondsten bestaat een wettelijke meldingsplicht op grond van artikel 5. 10 van de Erfgoedwet (2016).

4

ARTEFACT

RAPPORT

864

ZAAMSLAG

Administratieve

WESTSTRAAT

Gegevens

Projectnaam

Zaamslag Weststraat

Onderzoeksvorm

Archeologisch

Bureavonderzoek

door middel

verkennende

van

en

Inventariserend Veldonderzoek

boringen

LOCATIE

Provincie

Zeeland

Gemeente

Terneuzen

Plaats

Zaamslag

Adres / Locatie

Weststraat

Hoekpuntcoördinaten

RD

NW ZW

51.824 / 370.160 51.722/ 370.033

Centrumcoördinaat RD

51.862 / 370.098

Kaartblad

67F

Kadastraal

perceel

Gemeente

Zaamslag,

NO

51.966 / 370.180

ZO51.943/ 370.021

Sectie

F, Perceel „881, 4879, 4884,

Oppervlakte plangebied (= onderzoeksgebied)

24.556

Vigerende bestemmingsplannen

Buitengebied Terneuzen (2013); enkelbestemming Agrarisch; Waarde Archeologie 2 (5oo m° {/ 0,50 m -mv); Zaamslag (2012); enkelbestemming Wonen; Waarde Archeologie 3 (500 m° {0,50 m -mv)

BEKENDE

Mm?

WAARDEN

Gemeentelijke vindplaats

Geen

AMK

Geen

status

Archis vondstlocatie

Geen

Zeeuws

Geen

Archeologisch Depot

(mail helpdesk ZAD d.d. 12 januari 2024)

OPDRACHTGEVER Naam

Juust

Contactpersoon

(geanonimiseerd)

Adres Telefoon Email

BEVOEGDE

OVERHEID

Naam

Contactpersoon Adres Telefoon Email

Gemeente

Terneuzen

(geanonimiseerd)

ARTEFACT

RAPPORT

TOETSING

864

ZAAMSLAG

NAMENS

BEVOEGDE

OVERHEID

Naam

Gemeente

Contactpersoon

(geanonimiseerd)

Adres Telefoon Email

BEHEER

EN PLAATS

DOCUMENTATIE

EN

Terneuzen

VONDSTEN

Archeologisch Depot

Naam

Zeeuws

Contactpersoon

(geanonimiseerd)

Email

(geanonimiseerd)

E-depot

EDNA

Adres Telefoon

(E-Depot Nederlandse archeologie

via

www.

easy. dans. knaw.nl)

UITVOERDER

Artefact! Advies

Naam

en

Onderzoek in Erfgoed.

(geanonimiseerd)

Contactpersoon Adres Telefoon Email Certificaat

ARC-010/3

-

BRL4000

SIKB:

protocollen „002,

ONDERZOEKSGEGEVENS

Planologische aanleiding

BOPA-omgevingsvergunning

Begin/einddatum

23

Projectnummer Archis

veldwerk Artefact

onderzoeksmelding

Vindplaats(en)

WESTSTRAAT

januari 2024

2023ART2 5494566100

Bewoning (inclusief verdediging);

MEL-NTV

4003

en

4004

ARTEFACT RAPPORT 864

1

Inleiding

1. 1

Aanleiding

ZAAMSLAG WESTSTRAAT

van

het onderzoek

In opdracht van Juust heeft Artefact! Advies en Onderzoek in Erfgoed

archeologisch bureauonderzoek en een inventariserend veldonderzoek door middel van verkennende boringen uitgevoerd binnen een plangebied aan de Weststraat te Zaamslag (gemeente Terneuzen; figuren 1 en 2). De aanleiding tot het onderzoek is het voornemen van initiatiefnemers om hier op een terrein dat nu nog agrarisch wordt gebruikt, woningen en appartementen te realiseren, o. a. in het kader van een extramuraal woonzorgconcept. Het plangebied omvat drie percelen, die kadastraal bekendstaan onder Gemeente Zaamslag, Sectie F, Perceel 4884, 4881 en 4879 en beslaat een oppervlakte van 24. 556 een

m.2

Figuur 1 Ligging in Nederland. Bron: Esri Nederland, Community Map Contributors. Het overgrote deel van het plangebied is binnen bestemmingsplan Buitengebied Terneuzen (2013) gesitueerd in een

gebied met enkelbestemming Agrarisch. Mogelijke archeologische waarden worden hier planologisch beschermd door een dubbelbestemming Waarde Archeologie 2. Het meest oostelijke deel van het plangebied, namelijk perceel F4879, heeft binnen bestemmingsplan Zaamslag (2012) een enkelbestemming Wonen. Mogelijke archeologische waarden worden hier planologisch beschermd door een dubbelbestemming Waarde Archeologie 3. Binnen beide gebieden geldt een verbod op het uitvoeren van (graaf)werkzaamheden die groter zijn dan 500 m 2 én dieper reiken dan 0,50 m -mv (meter beneden maaiveld). In 2017 heeft de gemeente zijn (vernieuwde) Vrijstellingenkaart Terneuzen gepubliceerd. Toetsing aan deze kaart leert dat binnen het plangebied geen verhoogde dieptevrijstellingsgrens gehanteerd wordt. 7

ARTEFACT RAPPORT 864

ZAAMSLAG WESTSTRAAT

de voorgenomen ontwikkeling zullen deze vrijstellingsgrenzen worden overschreden. De voorgenomen ontwikkeling past niet binnen het bestaande bestemmingsplan/omgevingsplan en is dus een Buitenplanse OmgevingsPlanActiviteit (BOPA). Om de plannen mogelijk te maken is een BOPA‐omgevingsvergunning noodzakelijk. In het kader hiervan is voorliggend archeologisch onderzoek uitgevoerd. Met

Figuur 2 Ligging van het plangebied (rode polygoon) Community Map Contributors.

Doel

1. 2

van

het onderzoek

op een

en

uitsnede van de Topografische Kaart. Bron: Esri Nederland,

onderzoeksvragen

Conform de AMZ-cyclus start een archeologisch onderzoek steeds met een bureauonderzoek. Het doel van een bureauonderzoek is het opstellen van een gespecificeerde, archeologische verwachting, met behulp van informatie van bestaande bronnen over bekende of verwachte archeologische waarden binnen een omschreven gebied, met als resultaat inzicht in bekende en te verwachten sites. Het resultaat is een standaardrapport met een advies op basis waarvan de bevoegde overheid een besluit kan nemen over het al dan niet laten uitvoeren van vervolgonderzoek. 1 De resultaten van het standaardrapport bureauonderzoek kunnen leiden tot één van de volgende uitkomsten: ⎯

Er zijn onvoldoende data:

er

wordt nader archeologisch onderzoek geadviseerd conform protocol 4003

Inventariserend Veldonderzoek

1 SIKB,

Protocol 4002, Versie 4. 1, d. d. 19 februari 2018: p. 4.

8

ARTEFACT RAPPORT 864

⎯

ZAAMSLAG WESTSTRAAT

Er zijn voldoende data: er wordt geen vervolgonderzoek geadviseerd

Het doel van een inventariserend veldonderzoek is het aanvullen en toetsen van de gespecificeerde archeologische verwachting, zoals geformuleerd in het bureauonderzoek en/of in het Programma van Eisen. Het gaat om gebieds- of vindplaatsgericht onderzoek. Inventariserend veldonderzoek gebeurt door middel van waarnemingen in het veld, waarbij (extra) informatie wordt verkregen over bekende en/of verwachte archeologische waarden in een onderzoeksgebied. Dit omvat de aan- of afwezigheid, de aard, de omvang, de datering, de gaafheid, de conservering,

de inhoudelijke kwaliteit van de archeologische waarden, de diepteligging, locatie, uiterlijke kenmerken en mogelijke verstoringen van de archeologische waarden. Een inventariserend veldonderzoek kan uitgevoerd worden als een IVOproefsleuvenonderzoek (IVO-P waarbij veldwerk bestaat uit het aanleggen van proefsleuven en/of proefputten) of als een IVO-overig (IVO-O waarbij het veldwerk kan bestaan uit oppervlaktekartering, boringen, profielputjes of geofysisch onderzoek). 2 Een inventariserend veldonderzoek kent drie mogelijke fasen: een verkennende, een karterende en een waarderende fase. Het is vanzelfsprekend niet steeds noodzakelijk al deze fasen te doorlopen. ⎯

De verkennende fase heeft niet alleen als doel waar mogelijk het verwachtingsmodel te toetsen, maar ook inzicht te krijgen in de vormeenheden van het landschap die van invloed zijn op de locatiekeuze in het verleden. Dit kan met een eenvoudige terreininspectie, maar ook door geo-archeologisch booronderzoek en het graven van profielputjes. Doel daarbij is het uitsluiten van kansarme zones en het selecteren van kansrijke zones voor

⎯

de volgende vormen van onderzoek

Tijdens de karterende fase wordt het terrein systematisch onderzocht op de aanwezigheid van vondsten en/of sporen

⎯

Tijdens de waarderende fase kan het waarnemingsnet verdicht worden om de aard, omvang, datering, gaafheid, conservering en inhoudelijke kwaliteit van de archeologische resten vast te stellen

Het resultaat van een inventariserend veldonderzoek is een standaardrapport met een waardering en een inhoudelijk

selectieadvies (buiten normen van tijd en geld), op basis waarvan een beleidsbeslissing (meestal een selectiebesluit) kan worden genomen. Om te komen tot het resultaat moeten de veldactiviteiten uitgevoerd worden tot het niveau waarop de beleidsbeslissing gefundeerd genomen kan worden, d. w. z. dat de archeologische waarden van het terrein/vindplaats in voldoende mate zijn vastgesteld. Indien er onvoldoende data voor waardering en selectie-advies zijn, kunnen deze niet opgesteld worden. 3 Het advies kan dan zijn: vrijgeven, vervolgonderzoek en/of planologische bescherming. Het voorliggend onderzoek betreft een bureauonderzoek gecombineerd met een inventariserend veldonderzoek door middel van boringen (IVO-O, verkennende fase). Conform de Regeling aanvullende richtlijnen voor archeologisch onderzoek in de provincie Zeeland 2019 4 dient een archeologisch vooronderzoek in de Provincie Zeeland, behoudens anders besloten na overleg met de bevoegde overheid, immers (minimaal) te bestaan uit een bureauonderzoek

gecombineerd met een inventariserend veldonderzoek door middel van (verkennende) boringen. Het resultaat van het bureauonderzoek (het verwachtingsmodel) is opgenomen in hoofdstuk 2. 6. Het resultaat

van het inventariserend veldonderzoek door middel van (verkennende) boringen is opgenomen in hoofdstuk 4. 1. Het bepalen van de landschappelijke vormeenheden staat daarbij voorop met als doel het uitsluiten van kansarme zones en het selecteren van kansrijke zones voor eventuele volgende vormen van onderzoek. Tijdens het booronderzoek worden de volgende vragen beantwoord: ⎯

2

Wat is de geo(morfo)logische situatie binnen het plangebied?

SIKB, Protocol 4003, Versie 4. 1, d. d. 19 februari 2018: p. 4 Protocol 4003, Versie 4. 1, d. d. 19 februari 2018: p. 4-5. 4 Provinciaal Blad van Zeeland nr. 8080, 12 december 2019. 3 SIKB,

9

ARTEFACT RAPPORT 864

⎯ ⎯

⎯

⎯

⎯

ZAAMSLAG WESTSTRAAT

Is de bodem intact of werden verstoringen vastgesteld?

Werden binnen het plangebied (aanwijzingen voor de aanwezigheid van) vindplaatsen vastgesteld? Zo ja, binnen welk deel van het plangebied en op welk niveau/diepte? Bestaat binnen het plangebied een verwachting op het voorkomen van vindplaatsen? Zo ja, binnen welk deel van het plangebied en op welk niveau/diepte? Met andere woorden: kan het verwachtingsmodel uit het bureauonderzoek worden bijgesteld? Worden de (vastgestelde of verwachte) planontwikkeling?

archeologische waarden

Is het plangebied in voldoende mate onderzocht? Zo

nee,

welke

bedreigd door de vorm van

voorgenomen

vervolgonderzoek wordt

geadviseerd?

Beleidskader

1. 3

De zorg voor het (archeologisch) erfgoed werd in Nederland gereguleerd in de Monumentenwet 1988. In 1992 werd het Europese Verdrag van Malta door de lidstaten ondertekend. Het verdrag beoogt het cultureel erfgoed, dat zich in de bodem bevindt, beter te beschermen. De drie belangrijkste bepalingen daarbij zijn het behoud in situ, een goede en vroegtijdige inpassing in het ruimtelijke ordening(proces) en het verstoorder betaalt principe. Dit verdrag werd binnen de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd met de Wet op de archeologische monumentenzorg uit 2007. Met de komst van de (herziene) Wet op de archeologische Monumentenzorg (Wamz) in 2007 en de Wet ruimtelijke ordening (Wro) in 2008 werd de verantwoordelijkheid voor het cultureel erfgoed in grote mate gedecentraliseerd en verschoven van Rijk en provincie naar de gemeenten. Gemeenten werden verantwoordelijk gehouden voor de omgang met archeologische waarden. Gemeenten werden verantwoordelijk gehouden voor de omgang met archeologische waarden, dienden daartoe een eigen archeologiebeleid te voeren en te verankeren in de ruimtelijke ordening, c. q. bestemmingsplannen. Als gevolg van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo, 2010) werden de burgemeester en wethouders bevoegde overheid in het kader van de omgevingsvergunning.

De bevoegdheid voor archeologische rijksmonumenten bleef echter onveranderd bij het Ministerie van OC&W, i. c. de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE).

Sinds 1 juli 2016 is de Erfgoedwet van kracht die samen met de op 1 januari 2024 in werking getreden Omgevingswet een integrale bescherming van het cultureel erfgoed mogelijk maakt. Een gedeelte van de Monumentenwet is opgegaan in de Erfgoedwet, waar onder meer de certificering in de archeologie wordt geregeld. Alle regelingen rond (de omgang met cultureel erfgoed in) de fysieke leefomgeving zijn opgenomen in de Omgevingswet. Daarbinnen dient dus ook rekening te worden gehouden met het belang en behoud van cultureel erfgoed en werelderfgoed dat als onderdeel van de leefomgeving uit 5 elementen kan bestaan: monumenten (gebouwd erfgoed, tuinen, parken), stadsen dorpsgezichten, cultuurlandschappen, immaterieel erfgoed indien dat verbonden is aan specifieke locaties en dus ook (bekende of verwachte) archeologische monumenten. De bescherming van erfgoed wordt geregeld in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal), de omgevingsverordening en het omgevingsplan. Binnen de Omgevingswet bestaan drie wetsinstrumenten: ⎯

De omgevingsvisie is een strategische visie voor de lange termijn voor de gehele fysieke leefomgeving. Deze wordt opgesteld door het Rijk, de provincie en de gemeente. Een omgevingsvisie gaat onder andere in op de samenhang tussen ruimte, water, milieu, natuur, landschap, verkeer en vervoer, infrastructuur en cultureel

erfgoed. Cultureel erfgoed draagt bij aan een goede omgevingskwaliteit en kan een brede, drijvende kracht zijn om opgaven uit andere sectoren met elkaar te verbinden. ⎯

De omgevingsverordening bevat alle provinciale regels voor de fysieke leefomgeving. Dit kunnen regels zijn over activiteiten. Bijvoorbeeld regels over activiteiten in natuurgebieden. In uitzonderlijke gevallen kan de provincie ook regels stellen over de toedeling van functies aan locaties. De provincie moet de kernkwaliteiten van een aantal werelderfgoederen en erfgoederen op de Voorlopige Lijst van werelderfgoed uitwerken in hun omgevingsverordening. Ook stelt de provincie daartoe in de omgevingsverordening regels aan

omgevingsplannen.

10

ARTEFACT RAPPORT 864

⎯

ZAAMSLAG WESTSTRAAT

Het omgevingsplan bevat alle algemene regels die de gemeente over de fysieke leefomgeving binnen haar grondgebied stelt. Er moet daarbij rekening worden gehouden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed en er moet een toereikend beschermingsregime worden opgenomen. Tot slot kan de gemeente (lokale) regels stellen om archeologische monumenten in de bodem te beschermen of ze deskundig te laten opgraven.

Eén van de uitgangspunten van de Omgevingswet is om zoveel mogelijk activiteiten te regelen met algemene regels. In sommige gevallen kan een initiatiefnemer volstaan met het doen van een melding voordat de activiteit mag worden uitgevoerd. Daarnaast is een beperkt aantal activiteiten vergunningplichtig. In die gevallen moet de initiatiefnemer een omgevingsvergunning aanvragen. Een aanvraag kan enkelvoudig of meervoudig zijn: met 1 aangevraagde activiteit of meerdere aangevraagde activiteiten. De omgevingsplanactiviteit (OPA) kent 2 vormen: 1.

Binnenplanse omgevingsplanactiviteit (OPA): dit is een activiteit waarvoor de gemeente in het omgevingsplan bepaalt dat het uitvoeren zonder omgevingsvergunning verboden is. De gemeente regelt in het omgevingsplan voor welke omgevingsplanactiviteiten een omgevingsvergunning nodig is. In het omgevingsplan worden ook de beoordelingsregels over het verlenen van de omgevingsvergunning opgenomen. Op basis van deze beoordelingsregels van de vergunning voor de omgevingsplanactiviteit voert de initiatiefnemer de benodigde gedetailleerde onderzoeken uit.

2.

Buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA): dit is een activiteit die in strijd is met de regels van het omgevingsplan. Het bevoegd gezag beoordeelt of de buitenplanse omgevingsplanactiviteit voldoet aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Onderdeel hiervan is het toetsen van de BOPA aan het geldende beleid van het Rijk, de provincie en de gemeente. Als de ontwikkeling afwijkt van het beleid maar toch wenselijk is, kan het bevoegd gezag de BOPA ook verlenen. Er is een goede motivering van het besluit in afwijking van het beleid nodig. De Omgevingsregeling stelt specifieke aanvraagvereisten voor de BOPA. Onder andere dat de aanvrager de gegevens verstrekt die nodig zijn om de gevolgen van die activiteit te beoordelen voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Het bevoegd gezag beslist over een vergunningaanvraag. Soms is het bevoegd gezag daarbij verplicht om advies of instemming te vragen. Bij meerdere samenhangende aanvragen bepaalt de coördinatieregeling welk bestuursorgaan de aanvraag coördineert. Soms vindt een activiteit plaats op het grondgebied van meer dan 1 gemeente, provincie of waterschap. Het bevoegd gezag is dan de gemeente, het waterschap of de provincie waar de activiteit in hoofdzaak

zal worden verricht. Meestal is de gemeente het bevoegd gezag voor de algemene rijksregels in het omgevingsplan. Een en ander is afhankelijk van het orgaan dat ze gemaakt heeft. De provincie is het bevoegd gezag voor de algemene regels in de omgevingsverordening. Het waterschap is het bevoegd gezag voor de algemene regels in de waterschapsverordening. Archeologische rijksmonumenten en bevoegd gezag Archeologische rijksmonumenten worden aangewezen op grond van de Erfgoedwet. Voor de status van rijksmonument is het dus niet nodig om het monument of archeologisch monument in het omgevingsplan de functie ‘rijksmonument’ te geven. De daadwerkelijke bescherming van het rijksmonument komt tot stand met de in artikel 5. 1 lid 1 onder b van de Omgevingswet opgenomen vergunningplicht en de algemene regels in hoofdstuk 13 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Gemeenten kunnen aan de locatie van een rijksmonument wel de functie ‘rijksmonument’ geven met het oog op het stellen van andere regels dan de eerder genoemde vergunningplicht en algemene regels. Daartoe kan de locatie van het rijksmonument ook worden verbeeld in het omgevingsplan. Dergelijke aanvullende regels kunnen bijvoorbeeld betrekking hebben op het gewenste of toegelaten gebruik van de locatie. De regels voor rijksmonumenten(activiteiten) zijn gesteld met het oog op het behoud van cultureel erfgoed.

Voor een rijksmonumentenactiviteit is het college van burgemeester en wethouders het bevoegd gezag bij zogeheten meervoudige aanvragen. Dus bijvoorbeeld in combinatie met een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit of een omgevingsplanactiviteit. De minister van Onderwijs Cultuur en Wetenschap (OCW) heeft dan wel recht van advies en instemming. In de praktijk is dit de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed.

11

ARTEFACT RAPPORT 864

Indien

ZAAMSLAG WESTSTRAAT

alleen betrekking heeft op een archeologische rijksmonumentenactiviteit (= enkelvoudige aanvraag) dan bepaalt de Omgevingswet en artikel 4. 13 van het Omgevingsbesluit dat de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) bevoegd gezag is. een

aanvraag

Dat geldt niet indien het rijksmonument in de territoriale zee buiten een gemeente ligt. In dat geval is de minister van Infrastructuur en Waterstaat het bevoegd gezag. Voor een rijksmonumentenactiviteit die wordt verricht op dezelfde locatie als een activiteit waarvoor een door gedeputeerde staten verleende omgevingsvergunning geldt, zijn

gedeputeerde staten het bevoegd gezag dat een maatwerkvoorschrift kan stellen. Onderzoeksagenda’s en richtlijnen Op landelijk niveau is een Nationale Onderzoeksagenda Archeologie (NOaA2) opgesteld waarin het Zeeuws kleigebied

als archeoregio een afzonderlijk hoofdstuk vormt en de regiogebonden onderzoeksthema’s en -vragen toegelicht worden. Daarnaast worden in deze NOaA2 ook per periode en complextype specifieke onderzoeksthema’s en –vragen geformuleerd die richtinggevend kunnen zijn bij onderzoek. Het beleid van de provincie Zeeland ten aanzien van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ) is vastgelegd in de CultuurNota 2017-2020. In februari 2017 heeft het College van Gedeputeerde Staten van Zeeland het ‘Toetsingskader archeologie Provincie Zeeland 2017’ vastgesteld.5 In het toetsingskader is vastgesteld wanneer archeologisch (voor)onderzoek noodzakelijk is indien de provincie als bevoegde overheid optreedt. Daarnaast werd in 2016 de Provinciale Onderzoeksagenda Archeologie Zeeland 2017-2020 gepubliceerd waarin de kernthema’s en zwaartepunten voor archeologisch onderzoek in de provincie Zeeland worden gepresenteerd: ⎯

Basale harde gegevens en diachrone datasets

⎯

Archeologisch onderzoek in diepere bodemontsluitingen Uitwerking oud archeologisch onderzoek

⎯

Verdronken land en dorpen

⎯

Onderzoek naar infrastructuur

⎯

⎯

Verdedigingswerken in Zeeland Boerderijen en rurale nederzettingen

⎯

Voedseleconomie van stad en platteland

⎯

⎯

Religieuze en rituele verschijningsvormen Scheeps- en onderwaterarcheologie

⎯

Publiekswerking van archeologisch onderzoek

⎯

Tot slot heeft de provincie een Regeling aanvullende richtlijnen voor archeologisch onderzoek in de provincie Zeeland 2019. 6

Met de komst

de Wet op de archeologische Monumentenzorg (Wamz) is de verantwoordelijkheid voor het cultureel erfgoed in grote mate verschoven van Rijk en Provincie naar de gemeenten. Gemeenten worden verantwoordelijk gehouden voor de omgang met archeologische waarden binnen het gemeentelijk grondgebied. Daartoe dienen gemeenten een eigen archeologiebeleid te voeren. Het beleid van de Gemeente Terneuzen is inmiddels verankerd in de bestemmingsplannen en beheersverordeningen. In het plangebied zijn respectievelijk de bestemmingsplannen Buitengebied Terneuzen (2013) met enkelbestemming Agrarisch en dubbelbestemming Waarde Archeologie 2, en Zaamslag (2012) met enkelbestemming Wonen en dubbelbestemming Waarde Archeologie 3 vigerend. In beide gevallen betekent dit dat er een verbod geldt op het uitvoeren van (graaf)werkzaamheden die groter zijn dan 500 m 2 én dieper reiken dan 0,50 m -mv. Het toepassen van een grotere vrijstellingsdiepte is alleen weloverwogen mogelijk. De Gemeente heeft in 2014 daartoe een vrijstellingenkaart laten ontwikkelen, die in 2017 werd geactualiseerd als de Vrijstellingenkaart Gemeente Terneuzen 5

van

Toetsingskader archeologie Provincie Zeeland 2017, Provinciaal blad 2017 nr. 605, 15 februari 2017. Zeeland nr. 8080, 12 december 2019.

6 Provinciaal Blad van

12

ARTEFACT RAPPORT 864

2017 (niet afgebeeld). 7 Toetsing aan deze kaart

ZAAMSLAG WESTSTRAAT

leert dat de dieptevrijstellingsgrens van 0,50 m -mv voor het plangebied

gehandhaafd is. Met

de voorgenomen ontwikkeling zullen deze vrijstellingsgrenzen worden overschreden. De voorgenomen ontwikkeling past niet binnen het bestaande bestemmingsplan/omgevingsplan en is dus een Buitenplanse OmgevingsPlanActiviteit (BOPA). Om de plannen mogelijk te maken is een BOPA‐omgevingsvergunning noodzakelijk.

1. 4

Plangebied, onderzoeksgebied

en

planvorming

Het plangebied (= onderzoeksgebied) ligt aan de Weststraat te Zaamslag (gemeente Terneuzen; figuren 1, 2 en 3). Het plangebied omvat drie percelen die kadastraal bekendstaan onder Gemeente Zaamslag, Sectie F, Perceel 4884, 4881 en 4879 en beslaat een oppervlakte van 24. 556 m.2 Het terrein wordt thans nog agrarisch gebruikt. Aan de noordzijde wordt het plangebied begrensd door respectievelijk de Weststraat en een smal agrarisch perceel, aan de westzijde door

sloot, aan de zuidzijde door respectievelijk een sloot en het uiteinde van de Molenstraat en aan de oostzijde door achtertuinen van woningen. een

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14293842/1