2024-06-19 - Bijlage 2 BP Buitengebied, Langeweg 26 (Sluiskil)
Tekst van het document
Uitsnede cultuurhistorische waardenkaart Terneuzen "behoud" (plangebied rood omcirkeld)
Behoud door ontwikkeling: Op de cultuurhistorische waardenkaart van Terneuzen, bevindt het plangebied zich op een kleinschalig deklandschap binnen de strategie “behouden”. De strategie ‘Behoud door ontwikkeling’ is opgenomen in de Structuurvisie Terneuzen 2025. Hier zijn kleinschalige aanpassingen aan de ruimtelijke structuur of ontwikkelingen die passen binnen de functionele omgeving mogelijk, waarbij de nadruk ligt op de kwaliteit van het leefklimaat. Met het planvoornemen wordt het bestaande bedrijventerrein uitgebreid en landschappelijk ingepast, waardoor de structuur van de omgeving niet wordt aangetast.
Bestemmingsplan Buitengebied, Langeweg 26 (Sluiskil)
|29
Uitsnede cultuurhistorische waardenkaart Terneuzen "Behoud door ontwikkeling" (plangebied rood omcirkeld)
Vernieuwing mogelijk: De strategie voor de locatie is niet specifiek gericht op herstructureren, transformeren of behouden.
Uitsnede cultuurhistorische waardenkaart Terneuzen "Vernieuwing mogelijk" (plangebied rood omcirkeld)
Op grond van de Cultuurhistorische waardenkaart zijn in het plangebied geen cultuurhistorische waarden aanwezig. Hiervoor is al aangegeven dat het plangebied valt binnen de strategie ‘behouden’. Binnen de strategie ‘behouden’ gaat het voornamelijk om monumentale objecten met landschapshistorische waarde, alsmede de landschapsreservaten en delen van het landschap met een zeer hoge mate van bepalendheid en gaafheid. Binnen dit landschap zijn kleinschalige aanpassingen mogelijk. Met het planvoornemen wordt het bestaande bedrijventerrein uitgebreid en landschappelijk ingepast, waardoor de structuur van de omgeving niet wordt aangetast. Cultuurhistorische Hoofdstructuur De Cultuurhistorische Hoofdstructuur (CHS) zet karakteristieke landschappelijke kenmerken letterlijk op de kaart. Het bevordert de beleving van het landschap door aan te geven waar cultuurhistorische waardevolle aspecten van het landschap binnen en buiten de bebouwde kom gevonden kunnen worden. Bestemmingsplan Buitengebied, Langeweg 26 (Sluiskil)
|30
Cultuurhistorische hoofdstructuur (CHS) (plangebied rood omcirkeld)
Langs de Langeweg bevinden zich historische boerderijen op nummer 23, 24 en 26. Deze historische boerderijen blijven behouden. De uitbreiding van het bedrijventerrein wordt landschappelijk ingepast, waardoor het beeld van de historische boerderijen langs de Langeweg niet wordt aangetast. Conclusie Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor het planvoornemen.
5.5
Externe veiligheid
Wettelijk kader Bij externe veiligheid gaat het om de gevaren voor de directe omgeving in het geval dat er iets mis gaat tijdens de productie, het behandelen of het vervoer van gevaarlijke stoffen. De verbonden risico’s moeten binnen de perken blijven. Hiervoor worden normstellingen gehanteerd: 1. 2.
Het plaatsgebonden risico is vooral gericht op de te realiseren basisveiligheid voor burgers; Het groepsrisico stelt beperkingen aan de maatschappelijke ontwrichting als gevolg van calamiteiten met gevaarlijke stoffen.
Bij nieuwe ontwikkelingen dient rekening te worden gehouden met het aspect externe veiligheid. Het doel van het externe veiligheidsbeleid is het beperken van risico’s door het hanteren van afstanden tussen risicovolle activiteiten en de mogelijke aanwezigheid van (groepen) mensen in kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten. Toetsing Het planvoornemen betreft het uitbreiding en van vorm veranderen van een bestaand bedrijventerrein. Het bedrijventerrein wordt met 10.000 m2 uitgebreid ten behoeve van nieuwe bedrijfsgebouwen. Er mag maximaal 3.700 m2 extra bebouwing worden gerealiseerd. Aangezien het een bedrijventerrein betreft is sprake van beperkt kwetsbare objecten.
Bestemmingsplan Buitengebied, Langeweg 26 (Sluiskil)
|31
Uitsnede Atlas leefomgeving, veiligheid (plangebied rood omcirkeld)
Risicovolle inrichtingen buiten het plangebied Op een afstand van circa 1400 meter van het plangebied bevindt zich OQ Value BV (voorheen Oppeneer Sluiskil) aan de Mercuriusstraat 5. Op dit terrein zijn een LPG-vulpunt, -reservoir en afleverinstallatie aanwezig. Verder is er op hetzelfde terrein ook een vulpunt en bovengrondse tank voor propaan aanwezig. De grootste risicoafstand PR 10-6 bedraagt 120 meter. Ten aanzien van het groepsrisico is voor de inrichting een invloedsgebied van 150 meter opgenomen. Het plangebied ligt zowel buiten de 10-6-contour als het invloedsgebied. Wel ligt het plangebied binnen het invloedsgebied van één bedrijf, te weten: • Yara Sluiskil B.V. (invloedsgebied: 12.000 meter, afstand tot plangebied: Ca. 1.200 meter) Het bedrijf Yara Sluiskil B.V. heeft een invloedsgebied in verband met de kans op toxisch incidentscenario. Vanwege de afstand van het plangebied tot de risicobron, de ligging van de gehele kern Sluiskil tussen het plangebied en de inrichting en de beperkte toename van de personendichtheid ten opzichte van de bestaande situatie zal geen sprake zijn van een significante toename van het groepsrisico. Daarbij ligt het plangebied op geruime afstand van de PR 10-6 contour van deze risicobron. Verder ligt het plangebied net binnen de 20 km zone van de kerncentrale Borssele.
Dit is de zogenaamde schuilzone, een zone waarbinnen geschuild moet worden in geval van een kernongeval. Dit heeft geen ruimtelijke invloed op onderhavig bestemmingsplan. Transport per buisleidingen Aan de noordkant liggen twee evenwijdig aan elkaar gelegen aardgasleidingen. Dat zijn de Z-551-03 (8 inch, 40 bar) en Z-551-08 (6 inch, 40 bar). Aan de oostzijde ligt één aardgasleiding. Dat is de Z551-01 (12 inch, 40 bar). De dichtstbijzijnde leiding ligt op een afstand van circa 0 meter van het bestaande bedrijventerrein. De afstand tot de uitbreiding bedraagt circa 220 meter. Voor de buisleiding geldt een invloedsgebied van 170 meter (Z-551-01). Het plangebied is derhalve buiten het invloedsgebied van deze buisleiding gelegen.
Bestemmingsplan Buitengebied, Langeweg 26 (Sluiskil)
|32
Transport over de weg of spoor In de omgeving van het plangebied is een traject van een spoorweg behorende bij het basisnet gelegen. Dit traject ligt ten oosten van het plangebied en is aangewezen als transportroute voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. In het Besluit externe veiligheid transportroutes is opgenomen dat voor ontwikkelingen op een afstand van meer dan 200 meter geen ruimtelijke beperkingen worden gesteld. Aan deze afstand wordt voldaan (circa 240 meter tot uitbreiding bedrijventerrein). Wel ligt het plangebied binnen het invloedsgebied van ongevallen met brandbare gassen en giftige stoffen op deze transportroute. Transport over water Het plangebied ligt op circa 1 kilometer van het Kanaal Gent Terneuzen, waarover transport van gevaarlijke stoffen plaats vindt. Dit kanaal kent geen plaatsgebonden risico contour (10-6 contour). Wel ligt het plangebied (gelet op de afstand tot het kanaal) binnen het invloedsgebied van ongevallen met giftige stoffen op het kanaal. Inventarisatie van de risicobronnen Het plangebied mag binnen geen enkele 10-6 contour van eventuele risicobronnen liggen. Dit is een belangrijke voorwaarde om kwetsbare objecten mogelijk te maken. Aan de hand van de inventarisatie van de mogelijke risicobronnen blijkt dat het plangebied niet binnen een 10-6 contour van een risicobron ligt.
Daarnaast verandert het groepsrisico niet significant door de planontwikkeling, waardoor verantwoording van het groepsrisico niet aan de orde is. Uit de inventarisatie van de risicobronnen blijkt dat ongevallen met brandbare gassen (spoorlijn) en giftige stoffen (Yara Sluiskil, spoorlijn en Kanaal Gent – Terneuzen) de maatgevende scenario’s zijn voor het plangebied. Ruimtelijke maatregelen zijn met name te nemen tegen ongevallen met brandbare gassen op de spoorlijn. Ongevallen met brandbare gassen kunnen leiden tot een BLEVE. Dit is het explosief vrijkomen van brandbaar gas in een grote vuurbal. Het plangebied ligt buiten de zone waarin bij een BLEVE sprake is van grote schade en veel slachtoffers. Maatregelen zoals het nemen van meer afstand zijn daarmee niet noodzakelijk. Gelet op de beschikbare vluchttijd bij een dreigende BLEVE als gevolg van een brandende ketelwagon, adviseert de Veiligheidsregio Zeeland om ervoor te zorgen dat het plangebied ontvlucht kan worden in de richting van het spoor vandaan (in westelijke richting over de Langeweg). Indien het plangebied ontruimd moet worden als gevolg van een dreigende explosie op het spoor biedt dit werknemers een vluchtroute van de risicobron vandaan. Groepsrisico Het plangebied ligt op voldoende afstand van eventueel risicovolle bronnen.
De toevoeging van beperkt kwetsbare objecten in de vorm van bedrijfsgebouwen leidt, gelet op de afstand en de tussenliggende functies, niet tot een toename van het groepsrisico. Een verantwoording van het groepsrisico is dus niet aan de orde. Conclusie Het advies van de veiligheidsregio, om ervoor te zorgen dat het plangebied ontvlucht kan worden in westelijke richting, wordt opgevolgd. Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor het planvoornemen.
5.6
Geluid
Wettelijk kader Bij het opstellen of herzien van een ruimtelijk plan worden de regels van de Wet geluidhinder (Wgh) toegepast. De Wgh kent drie soorten geluidsbronnen: industrie, wegverkeer en spoorwegen. De wet bevat geluidsnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidsniveau als gevolg van deze bronnen. Indien het ruimtelijke plan een geluidsgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidzone van een van deze bronnen, of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt,
Bestemmingsplan Buitengebied, Langeweg 26 (Sluiskil)
|33
dient akoestisch onderzoek plaats te vinden bij het voorbereiden van de vaststelling van het ruimtelijk plan. Toetsing Er worden geen nieuwe geluidgevoelige functies toegevoegd in het kader van de Wet geluidhinder. Een akoestisch onderzoek is niet noodzakelijk. Conclusie Het aspect geluid vormt geen belemmering voor het planvoornemen.
5.7
Luchtkwaliteit
Wettelijk kader Door de uitstoot van uitlaatgassen door onder andere de industrie en het verkeer komen schadelijke stoffen in de lucht. Vooral langs drukke wegen kunnen de concentraties van verschillende stoffen zo hoog zijn dat deze de gezondheid kunnen aantasten. Om te voorkomen dat de gezondheid wordt aangetast door luchtverontreiniging dient bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen rekening gehouden te worden met de luchtkwaliteit ter plaatse. De belangrijkste bepalingen over luchtkwaliteitseisen zijn opgenomen in hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer. De Wet luchtkwaliteit is op 15 november 2007 in werking getreden. Met de inwerkingtreding van de Wet luchtkwaliteit is het Besluit Luchtkwaliteit 2005 komen te vervallen. Voor de verschillende stoffen zijn normen (grenswaarden) opgenomen voor de jaargemiddelde concentraties en voor dagelijkse concentraties (vierentwintiguurgemiddelde). Met de Wet luchtkwaliteit en bijbehorende bepalingen en hulpmiddelen, wil de overheid zowel de verbetering van de luchtkwaliteit bewerkstelligen als ook de gewenste ontwikkelingen in ruimtelijke ordening doorgang laten vinden. De Wet luchtkwaliteit voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL).
Het Rijk, provincies en gemeenten werken in het NSL-programma samen aan maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren tot de normen, ook in gebieden waar nu de normen voor luchtkwaliteit niet worden gehaald (overschrijdingsgebieden). De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. In artikel 4 van het ‘Besluit niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)’ en de bijlagen van de ‘Regelingen niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)’ is voor bepaalde categorieën projecten met getalsmatige grenzen vastgesteld dat deze ‘niet in betekenende mate (NIBM)’ bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Toetsing De uitbreiding van het bedrijfsperceel met 10.000 m2 zal gepaard gaan met extra (vracht)verkeersbewegingen. Om te bepalen of deze verkeersbewegingen ‘niet in betekenende mate’ bijdragen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit dient een berekening te worden uitgevoerd met de NIBM-tool. Gezien de ligging van het plangebied in Sluiskil van de gemeente Terneuzen wordt voor het planvoornemen uitgegaan van de cijfers voor ‘Buitengebied – weinig stedelijk’. Onderhavig planvoornemen voorziet in de uitbreiding van een bedrijventerrein, waardoor aansluiting is gezocht bij de kengetallen voor bedrijven.
In de CROW-publicatie zijn kengetallen opgenomen voor ‘Bedrijf arbeidsextensief/ bezoekersextensief (loods, opslag, transportbedrijf)’. Hiervoor geldt een maximale verkeersgeneratie van 5,7 mvt/etmaal per 100 m² BVO. Uitgaande van deze kengetallen bedraagt de maximale bijkomende verkeersgeneratie 210,9 mvt/etmaal. De CROW-publicatie, conform tabel A8 uit de CROW, gaat uit van een aandeel vrachtverkeer van 20,5% (distributieterrein).
Bestemmingsplan Buitengebied, Langeweg 26 (Sluiskil)
|34
Uit de NIBM-tool komt de volgende berekening. Er is geen nader onderzoek noodzakelijk.
Worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit, GCN2022 Jaar van planrealisatie
2024
Extra verkeer als gevolg van het plan Extra voertuigbewegingen (weekdaggemiddelde) Aandeel vrachtverkeer
20,5%
NO2 in μg/m3
0,57
PM10 in μg/m3
0,06 1,2
Maximale bijdrage extra verkeer Grens voor "Niet In Betekenende Mate" in μg/m3
211
Conclusie De bijdrage van het extra verkeer is niet-in-betekenende-mate; geen nader onderzoek nodig Luchtkwaliteit ter plaatse Volgens de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland (GCN en GDN van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu – RIVM) is de concentratie PM2,5 in 2025 (gegevens 2023) ter plaatse minder dan 8 μg/m3. De concentratie PM10 in 2025 (gegevens 2023) is ter plaatse minder dan 14 μg/m3. De concentratie NO2 in 2025 (gegevens 2023) is ter plaatse gelegen tussen de 10 en 15 μg/m3. Op basis van de kaarten van het RIVM is de luchtkwaliteit ter plaatse hiermee ruimschoots voldoende. Daarnaast zal naar verwachting de luchtkwaliteit in de toekomst nog verder verbeteren. Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor het planvoornemen.
5.8
Natuurwetgeving
Wet natuurbescherming Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden. De wet bevat regels voor de bescherming van in het wild levende dier- en plantensoorten en de belangrijkste natuurgebieden in Nederland. Natura 2000-gebieden Natura 2000 is de benaming voor een Europees netwerk van natuurgebieden waarin belangrijke flora en fauna voorkomen, gezien vanuit Europees perspectief. Per Natura 2000-gebied zijn (instandhouding)doelen (voor soorten en vegetatietypen) opgesteld. Iedereen die vermoedt of kan weten dat zijn handelen of nalaten, gelet op de instandhoudingsdoelen, nadelige gevolgen voor een Natura 2000 gebied kan hebben, is verplicht deze handelingen achterwege te laten of te beperken. De provincies hebben de bevoegdheid om bijzonder provinciale landschappen of bijzonder provinciale natuurgebieden aan te wijzen. Zij kunnen in een later stadium door de Minister worden toegevoegd aan de Natura 2000-gebieden. Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN), voorheen de Ecologische Hoofdstructuur (EHS), is het Nederlandse netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter met elkaar en het omringende agrarische gebied verbinden. In het Natuurnetwerk Nederland liggen: Bestemmingsplan Buitengebied, Langeweg 26 (Sluiskil)
|35
• • • • •
Bestaande natuurgebieden, waaronder 20 nationale parken; Gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt; Landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; Ruim 6 miljoen hectare grote wateren, meren, rivieren, de kustzone van de Noordzee en de Waddenzee; Alle Natura 2000-gebieden.
Vanaf 2014 zijn de provincies verantwoordelijk voor de begrenzing en ontwikkeling van dit natuurnetwerk. Tot die tijd was de Rijksoverheid verantwoordelijk. In het Natuurpact hebben de provincies met het Rijk afgesproken om tot 2027, 80.000 ha natuur in te richten. Het NNN moet uiteindelijk samen met de natuurgebieden in andere Europese landen een aaneengesloten Pan-Europese Ecologische Netwerk (PEEN) vormen. Beschermde planten en dieren De Wet natuurbescherming kent drie algemene beschermingsregimes: 1. Soorten Vogelrichtlijn: dit zijn alle van nature in Nederland in het wild levende vogels (zoals bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn); 2. Soorten Habitatrichtlijn: dit zijn soorten die genoemd worden in Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het verdrag van Bern en Bijlage II van het Verdrag van Bonn. In de bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd; 3. Andere soorten: dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage A van de Wnb. Het gaat hier om de bescherming van zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland. De beschermde status van soorten kan echter per provincie verschillen, provincies hebben de bevoegdheid om bij een provinciale verordening vrijstelling te verlenen voor nationaal beschermde soorten.
Voor soorten die ook niet in de bijlage van de Wnb worden genoemd, fungeert de zorgplichtbepaling (artikel 1.11 Wnb) als vangnet. Op grond van deze bepalingen moeten schadelijke behandelingen voor alle in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving in beginsel achterwege worden gelaten, dan wel moeten maatregelen worden genomen om schadelijke gevolgen (zoveel mogelijk) te beperken. Quickscan Natuurwetgeving Voor het plangebied is een quick scan natuurwetgeving uitgevoerd (bijlage, Aeres Milieu, AM23322, 31 juli 2023). Hieruit komen de volgende conclusies en aanbevelingen: Natura 2000 De plannen zullen naar onze mening waarschijnlijk geen effect op de natuurwaarden in Natura 2000-gebieden hebben. Om elk risico uit te sluiten, is het echter te overwegen de te verwachten stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden te laten bepalen. Indien daaruit blijkt dat er een significante toename is te verwachten, is er een vergunning nodig op grond van de Wnb. Natuurnetwerk Nederland De bouw en het gebruik van de bedrijfsgebouwen hebben waarschijnlijk geen negatieve effecten op het NNN. Omdat er geen negatieve effecten op het NNN zijn te verwachten, zijn er op dit punt geen bezwaren vanuit het provinciale natuurbeleid. Beschermde planten en dieren Algemene vogels In de akkervegetatie in het plangebied komen mogelijk beschermde vogelnesten voor tijdens het broedseizoen.
Het gaat om vogels waarvan het nest niet jaarrond wordt beschermd of als strenger beschermd wordt beschouwd. Hiervoor zijn maatregelen die negatieve effecten voorkomen wel verplicht. Verstoring van broedvogels en vernietiging van vogelnesten kan worden voorkomen door Bestemmingsplan Buitengebied, Langeweg 26 (Sluiskil)
|36
de vegetatie buiten de periode 15 maart – 15 juli (het broedseizoen van de meeste vogels) te verwijderen. Door naleving van deze maatregel worden ten aanzien van vogels geen overtredingen op de Wet natuurbescherming begaan. Omdat vogels sporadisch ook buiten de periode 15 maart – 15 juli broeden, kan het verwijderen van vegetatie toch leiden tot overtreding van de Wnb. Indien blijkt dat er broedende vogels aanwezig zijn, dan mogen deze niet worden verstoord. Ook mogen in gebruik zijnde nesten niet worden vernield. Algemeen voorkomende grondgebonden zoogdieren en amfibieën In het plangebied komen mogelijk zoogdieren en amfibieën voor, die onder de Wnb zijn beschermd. Het gaat om algemeen voorkomende soorten (zogenaamde A-soorten), waarvoor in de provincie Zeeland een algemene vrijstelling geldt in geval van ruimtelijke ontwikkeling en beheer en onderhoud. Dit houdt in dat deze soorten verstoord mogen worden, zonder dat daar vooraf een ontheffing voor is verkregen. Wel geldt altijd de Zorgplicht (artikel 1.11 Wnb); deze houdt in dat nadelige gevolgen voor dieren en planten altijd zoveel mogelijk moeten worden voorkomen. Om aan de algemene zorgplicht te voldoen, moeten dieren die tijdens de werkzaamheden worden aangetroffen, zo snel mogelijk naar een aangrenzende locatie buiten het plangebied worden verplaatst.
Stikstofdepositie Het Programma Aanpak Stikstof (PAS) en de daarbij behorende toetsingskader is in werking getreden op 1 juli 2015. Te veel stikstof is slecht voor de natuur, waardoor een natuurvergunning of een ander toestemmingsbesluit nodig is voor activiteiten waar stikstof bij vrij komt (bijvoorbeeld in de landbouw, woningbouw of de industrie). Tot 29 mei 2019 was toestemming voor dergelijke activiteiten gebaseerd op het Programma Aanpak Stikstof. Op 29 mei 2019 heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State het PAS ongeldig verklaard. Het Programma Aanpak Stikstof (PAS) biedt niet genoeg bescherming aan zogenoemde Natura 2000-gebieden. Een nieuwe stikstofrekentoepassing maakt sommige bouwprojecten toch mogelijk. Het kabinet heeft destijds een nieuwe rekenmethode naar buiten gebracht (de ‘AERIUS Calculator 2020’) welke het verlenen van vergunning voor projecten mogelijk moet maken. Inmiddels is ‘AERIUS Calculator (versie 2022.2)’ de meest recente versie waarmee gerekend kan worden. Projecten waarvan (met behulp van deze rekenmethode) kan worden bewezen dat ze de natuur niet raken, komen in aanmerking voor een vergunning. De natuur wordt niet geraakt zolang de depositie van stikstof op beschermde natuurgebieden niet hoger bedraagt dan 0,00 mol/ha/j.
Ten behoeve van onderhavig planvoornemen is een berekening gemaakt met behulp van de Aerius Calculator (bijlage 4, Ordito BV, 19 juli 2023). Deze berekening moet aantonen dat nieuwe situaties niet leiden tot een te hoge waarde. Uit de berekeningen blijkt dat – met de uitgangspunten die in dit onderzoek gedaan zijn - gedurende de aanleg- en gebruiksfase geen toename van de stikstofdepositie groter dan 0,00 mol/ha/jaar is berekend. Dit houdt in dat, met betrekking tot stikstofdepositie, negatieve effecten op stikstofgevoelige habitat- en leefgebieden zijn uit te sluiten. De natuurlijke kenmerken van de stikstofgevoelige gebieden blijven onaangetast. Conclusie Het aspect natuurwetgeving vormt geen belemmering voor het planvoornemen.
5.9
Verkeer en parkeren
Het planvoornemen heeft een gewijzigde verkeersgeneratie als gevolg. Hierdoor dient aangetoond te worden dat het omliggende wegennetwerk de nieuwe verkeersdruk kan verwerken. Daarnaast dient aangegeven te worden hoe omgegaan wordt met parkeren.
Bestemmingsplan Buitengebied, Langeweg 26 (Sluiskil)
|37
Verkeer Het planvoornemen betreft de eenmalige kleinschalige uitbreiding en afronding van het bestaande vlasteelt – en bewerkingsbedrijf. Het bedrijfsperceel wordt netto met circa 10.000 m2 (20%) uitgebreid en de bebouwingsmogelijkheden met 3.700 m2 (eveneens 20%). Verkeersintensiteiten Gezien de ligging van het plangebied in Sluiskil van de gemeente Terneuzen wordt voor de uitbreiding uitgegaan van de cijfers voor ‘Buitengebied – weinig stedelijk’. Onderhavig planvoornemen voorziet in de uitbreiding van een bedrijventerrein, waardoor aansluiting is gezocht bij de kengetallen voor bedrijven. In de CROW-publicatie zijn kengetallen opgenomen voor ‘Bedrijf arbeidsextensief/ bezoekersextensief (loods, opslag, transportbedrijf)’. Hiervoor geldt een maximale verkeersgeneratie van 5,7 mvt/etmaal per 100 m² BVO. Uitgaande van deze kengetallen bedraagt de maximale bijkomende verkeersgeneratie 210,9 mvt/etmaal. De CROW-publicatie, conform tabel A8 uit de CROW, gaat uit van een aandeel vrachtverkeer van 20,5% (distributieterrein). Ontsluiting Het perceel wordt ontsloten via de Langeweg (60 km/uur). De Langeweg heeft een voldoende breed profiel om het verkeer op een veilige wijze af te wikkelen. Behalve het transportbedrijf Langeweg 24 zijn er geen andere percelen ontsloten op de Langeweg.
De Langeweg heeft tevens een direct aansluiting op de rotonde N252, waardoor het verkeer van het bedrijf op een snelle en veilige wijze de hoofdwegenstructuur kan bereiken. Parkeren Het parkeren is geregeld in de “Parkeernota 2023-2033” van de gemeente Terneuzen. Voor de uitbreiding van het bedrijventerrein (Bedrijf arbeidsextensief/bezoekersextensief (loods, opslag, transportbedrijf)) geldt een parkeernorm van 1,05 parkeerplaatsen per 100 m2 bvo. De toename van de bebouwing bedraagt maximaal 3.700 m 2. Dit betekent dat er 39 parkeerplaatsen noodzakelijk zijn voor de uitbreiding. Op eigen terrein is voldoende ruimte om in deze parkeerbehoefte te voorzien. Conclusie Het aspect verkeer en parkeren vormt geen belemmering voor het planvoornemen.
5.10
Water
Wettelijk kader en beleid Sinds 1 november 2003 is de zogenaamde watertoets verplicht. Dat wil zeggen dat in elk ruimtelijk plan gemotiveerd moet worden aangegeven hoe met het water in het gebied wordt omgegaan en wat de ruimtelijke veranderingen voor het water betekenen. De initiatiefnemer dient in dat kader in een vroeg stadium overleg te voeren met de waterbeheerder over het ruimtelijke planvoornemen. Hiermee wordt voorkomen dat ruimtelijke ontwikkelingen in strijd zijn met duurzaam waterbeheer. Het plangebied ligt binnen het beheersgebied van waterschap Scheldestromen, verantwoordelijk voor het waterkwaliteits- en waterkwantiteitsbeheer. Deze instantie is daarmee formeel de waterbeheerder. De waterparagraaf dient voorgelegd te worden aan de waterbeheerder. Op 7 oktober 2021 heeft de gemeenteraad van de gemeente Terneuzen drie nieuwe verordeningen op het gebied van water- en rioolbeheer vastgesteld die vanaf 1 januari 2022 in werking treden. Dit om voor te bereiden op klimaatverandering en in de toekomst prettig te kunnen wonen, werken en recreëren. De drie vastgestelde verordeningen zijn: • Verordening rioolaansluiting en eenmalig aansluitrecht • Verordening afvoer hemel- en grondwater • Verordening waterbergingsfonds
Bestemmingsplan Buitengebied, Langeweg 26 (Sluiskil)
|38
Verordening rioolaansluiting en eenmalig aansluitrecht De meeste gebouwen zijn aangesloten op het gemeentelijk riool. In deze verordening is vastgelegd wie eigenaar is van welk deel van het riool. Dit is met name van belang bij verstoppingen. Ook biedt deze verordening de basis voor het verrekenen van aansluitkosten. Verordening afvoer hemel- en grondwater Door duurzaam om te gaan met regenwater wordt een belangrijke bijdrage geleverd aan klimaatdoelstellingen. Met deze verordening kan in aangewezen gebieden verboden worden dat men regenwater in het vuilwaterriool loost. Deze verplichting gaat vooralsnog alleen gelden in het buitengebied. Daar is voldoende ruimte om het regenwater op eigen terrein te bergen of te laten infiltreren. In de toekomst kan deze verplichting ook in andere gebieden gaan gelden. Nieuwbouw De Verordening afvoer hemel- en grondwater heeft ook consequenties voor nieuwbouw. Bij nieuwbouw wordt verlangd dat zoveel mogelijk water op eigen terrein wordt verwerkt. Deze verordening verplicht dat men voorziet in een minimale waterberging. Het waterschap kan in aanvulling op de gemeentelijke eisen ook eisen stellen aan waterberging. Verordening waterbergingsfonds Het is zeer gewenst om een waterberging op eigen terrein te realiseren. Dit is echter niet altijd en overal mogelijk.
Deze verordening biedt in uitzonderlijke gevallen de mogelijkheid om de verplichting tot het realiseren van een waterberging af te kopen, waardoor de gemeente de verplichting overneemt. Huidige watersysteem Waterkeringen Het plangebied ligt binnen het beheersgebied van het waterschap Scheldestromen. Binnen of nabij het plangebied zijn geen waterkeringen aanwezig. Oppervlaktewaterlichamen Het plangebied ligt binnen het beheersgebied van het waterschap Scheldestromen. Aan de noorden oostzijde van het plangebied lopen secundaire watergangen langs de Langeweg. Aan de zuidzijde loopt een primaire watergang langs de Vogelschordijk.
Bestemmingsplan Buitengebied, Langeweg 26 (Sluiskil)
|39
Uitsnede Legger Oppervlaktewaterlichamen
Toekomstig watersysteem Nagegaan is aan de hand van de criteria uit de Handreiking watertoets van het waterschap Scheldestromen of de beoogde ontwikkeling strijdig is met waterdoelstellingen c.q. noodzaakt tot waterhuishoudkundige maatregelen. De ontwikkeling van de uitbreiding van het bedrijventerrein bevindt zich buiten de beschermingszones van de watergangen. Wel zal er een nieuwe inrit vanaf de Langeweg worden aangebracht, die de watergang doorkruist met een nieuwe duiker. Voor de opvang van het hemelwater afkomstig van de extra verharding wordt een waterbergingsvoorziening gerealiseerd aan de westzijde van het plangebied. Gedacht wordt aan een nieuwe watergang aan de westzijde van het perceel of een waterbassin van 750 m3.
Thema en water(beheer)doelstelling
Uitwerking
Veiligheid waterkeringen Waarborgen van het veiligheidsniveau en rekening houden met de daarvoor benodigde ruimte. Voorkomen overlast door oppervlaktewater Het plan biedt voldoende ruimte voor het vasthouden, bergen en afvoeren van water. Waarborgen van voldoende bouwpeil om overstroming vanuit oppervlaktewater in
Binnen of nabij het plangebied zijn geen primaire of regionale waterkeringen aanwezig.
Vermeld de totale oppervlakken (in m2) van:
Bestemmingsplan Buitengebied, Langeweg 26 (Sluiskil)
|40
maatgevende situaties te voorkomen. Rekening houden met de gevolgen van klimaatverandering en de kans op extreme weersituaties.
Dakoppervlak dichte bodemverharding doorlatende bodemverharding wateroppervlak
huidige situatie
na realisatie
0
Ca. 3.700 m2
1
0
Ca. 6.300 m2
2
0
Ca. 2.000 m2
3
0
Ca. 750 m2
4
Uitleg dakoppervlak na realisatie: het bedrijventerrein wordt met ca. 12.450 m 2 uitgebreid en van vorm veranderd, waarbinnen 3.700 m 2 aan bebouwing is toegestaan. Een deel van de uitbreiding met uitgevoerd met doorlatende bodemverharding (ca. 2.450 m2) De waterbergingsopgave wordt bepaald door het aantal m² verhard oppervlak dat op het oppervlaktewatersysteem (versneld) wordt afgevoerd. Indien de opgave wordt gerealiseerd in of in open verbinding met de naaste gelegen waterlopen geldt er een bergingsopgave van 75 mm/m² verhard oppervlak. De T=100 waterbergingshoogte is hierbij 0,70 m. Voor deze uitvoeringsvariant is een watervergunning benodigd. Er wordt uitgegaan van een toename van de verharding van circa. 10.000 m2. Hiervoor is een bergingsopgave van 750 m3 noodzakelijk. Er wordt een waterbergingsvoorziening gerealiseerd aan de westzijde van het plangebied met voldoende capaciteit om 750 m3 te bergen.
Voorkomen overlast door hemel- en afvalwater Waarborgen optimale werking van de zuiveringen/ RWZI’s en van de (gemeentelijke) rioleringen. Afkoppelen van (schone) verharde oppervlakken in verband met de reductie van hydraulische belasting van de RWZI, het transportsysteem en het beperken van overstorten. Thema en water(beheer)doelstelling Grondwaterkwantiteit en verdroging Voorkomen en tegengaan van grondwateroverlast en -tekort. Rekening houdend met de gevolgen van klimaatverandering. Beschermen van infiltratiegebieden en –mogelijkheden.
Bij de realisatie van een waterbergingsvoorziening wordt rekening gehouden met een faunatrap of andere mogelijkheid voor fauna om het bassin te kunnen verlaten. Het afvalwater kan worden afgevoerd op het aanwezige gemeentelijke afvalwaterriool. Het hemelwater kan worden opgevangen in de nieuwe watergang aan de westzijde van het plangebied. Afvalwater kan aangesloten worden op het bestaande drukrioleringssysteem. Met de gemeente dient één en ander te worden afgestemd. Volgens de Provinciale waterkansenkaart is er in het plangebied sprake van ruime infiltratiemogelijkheden. Uitwerking De (nieuwe) bebouwing wordt op hetzelfde peil gebouwd als de omliggende bebouwing. De ontwikkeling voorziet niet in het onttrekken van grondwater. Er worden geen uitloogbare bouwmaterialen gebruikt.
Bestemmingsplan Buitengebied, Langeweg 26 (Sluiskil)
|41
Grondwaterkwaliteit Behoud of realisatie van een goede grondwaterkwaliteit. Denk aan grondwaterbeschermingsgebieden.
Oppervlaktewaterkwaliteit Behoud of realisatie van goede oppervlaktewaterkwaliteit. Vergroten van de veerkracht van het watersysteem. Toepassing van de trits schoonhouden, scheiden, zuiveren. Volksgezondheid Minimaliseren risico watergerelateerde ziekten en plagen. Voorkomen van verdrinkingsgevaar/-risico’s via o.a. de daarvoor benodigde ruimte. Bodemdaling Voorkomen van maatregelen die (extra) maaiveldsdalingen in zettingsgevoelige gebieden kunnen veroorzaken. Natte natuur Ontwikkeling/bescherming van een rijke gevarieerde en natuurlijk karakteristieke aquatische natuur. Onderhoud oppervlaktewater Oppervlaktewater moet adequaat onderhouden worden. Rekening houden met obstakelvrije onderhoudsstroken vrij van bebouwing en opgaande (hout)beplanting.
Er wordt niet gebouwd in een infiltratiegebied, natuurgebied of gebied voor drinkwatervoorziening. Zowel tijdens de bouwfase als tijdens de gebruiksfase worden geen uitloogbare materialen gebruikt. Er zijn geen nadelige gevolgen voor de grondwaterkwaliteit. Het planvoornemen heeft geen invloed op de oppervlaktewaterkwaliteit. Er worden geen uitloogbare bouwmaterialen gebruikt.
De waterlopen langs het plangebied hebben een beperkte waterdiepte (bij het zomerstreefpeil is deze <0,50 m). Het verdrinkingsgevaar is hierdoor gering maar niet afwezig. Bij de planuitwerking wordt met dit aspect rekening gehouden. Volgens de Waterkansenkaart van de provincie is het plangebied weinig zettingsgevoelig.
In de directe omgeving van het plangebied is geen natte natuur aanwezig. Het planvoornemen heeft hier dus geen invloed op. Langs de aanliggende waterlopen geldt een beschermingszone (Keur watersysteem) in het plangebied van 7 m uit de insteek van de betreffende waterloop. Bij de inrichting van het plangebied dient rekening te worden gehouden met een obstakel vrije onderhoudsstrook van 7 meter uit de insteek. Verder geldt er een ontvangst- en opruimplicht van de bij het onderhoud vrijkomende stoffen zoals maaisel en baggerspecie.
Andere belangen waterbeheer Relatie met eigendom waterbeheerder Ruimtelijke ontwikkelingen mogen de werking van objecten (terreinen, milieuzonering) van de waterbeheerder niet belemmeren. Scheepvaart en/of wegbeheer Goede bereikbaarheid en in stand houden van veilige vaarwegen en wegen in beheer en onderhoud bij Rijkswaterstaat, de provincie en/of het waterschap.
Met het planvoornemen vinden geen ingrepen plaats aan eigendommen van de waterbeheerder.
Met het planvoornemen wordt gebruik gemaakt van bestaande in-/uitritten..
Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het planvoornemen niet strijdig is met de waterdoelstelling.
Bestemmingsplan Buitengebied, Langeweg 26 (Sluiskil)
|42
5.11
Vormvrije mer
Wettelijk kader en beleid In onderdeel C en D van de bijlage van het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten merplichtig zijn, of mer-beoordelingsplichtig. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarde opgenomen. Het bevoegd gezag moet bij dergelijke activiteiten, voor zover deze niet aan de drempelwaarde voldoen, nagaan of er sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. De omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling moeten hierbij in beschouwing genomen worden. Deze omstandigheden betreffen: • De kenmerken van het project; • De plaats van het project; • De kenmerken van de potentiële effecten. Onderzoek en conclusie In het Besluit milieueffectrapportage is opgenomen dat de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject m.e.r.-beoordelingsplichtig is, in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer betreft. De beoogde ontwikkeling bestaat uit de toevoeging van 12.450 m2 bedrijfsbestemming met maximaal 3.700 m² bebouwd oppervlak. De beoogde ontwikkeling blijft daarmee ruim onder de drempelwaarde.
Gelet op de kenmerken van het plan, zoals de beperkte omvang in vergelijking met de norm van de drempelwaarde, de plaats van het project en de kenmerken van potentiële effect, zal uitvoering van het plan niet leiden tot belangrijke negatieve gevolgen voor het milieu. Dit blijkt ook uit de onderzoeken voor de verschillende milieuaspecten zoals die in voorgaande paragrafen zijn opgenomen. Conclusie Voor dit bestemmingsplan is geen mer-procedure of mer-beoordelingsprocedure noodzakelijk.
Bestemmingsplan Buitengebied, Langeweg 26 (Sluiskil)
|43
6.
JURIDISCHE ASPECTEN
De juridische aspecten bestaan uit een verbeelding en planregels. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de wijze van juridische vertaling in planregels van de voor het plangebied gewenste functionele en stedenbouwkundige ontwikkeling. Bij het opstellen van de verbeelding en de planregels is uitgegaan van de bepalingen uit het Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP2012).
6.1
Verbeelding
Op de verbeelding is met behulp van de in de SVBP2012 bepaalde methode de bestemming van de gronden aangegeven. De bijbehorende bepalingen zijn vervolgens opgenomen in de planregels. De verbeelding visualiseert de planregels.
6.2
Planregels
De planregels bestaan uit de volgende vier hoofdstukken: 1.
2.
3.
4.
6.3
Inleidende bepalingen, dit hoofdstuk bestaat uit twee delen. Het eerste deel betreft het artikel ‘Begrippen’ waarin wordt toegelicht wat onder bepaalde begrippen wordt verstaan. Het tweede artikel is ‘Wijze van meten’ waarin wordt toegelicht hoe de benoemde maatvoering moet worden gemeten. Bestemmingsregels, in dit hoofdstuk worden de op de kaart aangegeven bestemmingen nader verklaard. Hierin wordt onder andere bepaald de maximale bebouwingshoogte. De gehanteerde bestemmingen worden in de paragraaf 6.3 van dit hoofdstuk verder uitgewerkt. Algemene regels, in dit hoofdstuk worden regelingen opgenomen die zijn bedoeld voor meer dan één bestemming. De gehanteerde algemene regels worden nader toegelicht in paragraaf 6.3 van dit hoofdstuk. Overgangs- en slotregels, binnen de overgangsbepalingen wordt geregeld dat met het bestemmingsplan strijdige bouwwerken en plannen welke bestaan ten tijde van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan mogen worden uitgevoerd, mits er geen veranderingen plaatsvinden in aard en omvang. In de slotregel wordt de officiële naam van het bestemmingplan genoemd, welke moet worden gebruikt om te verwijzen naar het plan.
Toelichting op de bestemmingen
Hoofdstuk 1 Inleidende regels Artikel 1 Begrippen In dit artikel worden een aantal in het plan gebruikte begrippen nader omschreven. Door de omschrijving wordt de interpretatie van de begrippen beperkt en daarmee de duidelijkheid en rechtszekerheid van het plan vergroot. Artikel 2 Wijze van meten In dit artikel wordt aangegeven op welke wijze de in het plan voorgeschreven maatvoeringen dienen te worden bepaald. Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels Artikel 3 Agrarisch Een deel van de Vogelschordijk krijgt in plaats van de huidige bestemming ‘Bedrijf’ de bestemming ‘Agrarisch’ met de aanduiding ‘natuur – en landschapswaarden’. De voor ‘Agrarisch’ aangewezen gronden zijn ter plaatse van de aanduiding 'natuur- en landschapswaarden' bestemd voor het behoud van dijken en behoud en herstel van de daarmee samenhangende landschappelijke, cultuurhistorische en/of ecologische waarden.
Bestemmingsplan Buitengebied, Langeweg 26 (Sluiskil)
|44
De overige agrarische gronden zijn bestemd voor de uitoefening van grondgebonden agrarische bedrijven, aan de bestemming ondergeschikte extensieve dagrecreatie met bijbehorende kleinschalige dagrecreatieve voorzieningen en bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals groenelementen, (natuurvriendelijke) oever, water, laad- en losvoorzieningen, nutsvoorzieningen en parkeervoorzieningen. Artikel 4 Bedrijf Zowel het bestaande deel van het bedrijf als de uitbreiding vallen binnen de bestemming ‘Bedrijf’ met de functieaanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf – vlasteelt en -bewerking’. De voor ‘Bedrijf’ aangewezen gronden zijn bestemd voor bedrijven uit ten hoogste categorie 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten alsmede voor een zaaizaadbedrijf voor de vlasteelt en het bewerken en spinnen van textielvezels ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf vlasteelt en -bewerking' en bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals groen, water, nutsvoorzieningen en parkeervoorzieningen en laad- en losvoorzieningen. Ter plaatse is maximaal 22.200 m2 aan bedrijfsbebouwing toegestaan. Artikel 5 Groen De landschappelijke inpassing aan de westzijde van het plangebied krijgt de bestemming ‘Groen’. De voor ‘Groen’ aangewezen gronden zijn bestemd voor groen, water en landschappelijke inpassing en bij deze bestemming behorende nutsvoorzieningen.
Artikel 6 Leiding – Water – Waterleiding De bestaande waterleiding is voorzien van een dubbelbestemming. De voor ‘Leiding - Water – Waterleiding’ aangewezen gronden zijn - behalve voor de andere aldaar voorkomende bestemming(en) - mede bestemd voor een waterleiding met een diameter van ten minste 400 mm. Hoofdstuk 3 Algemene regels Artikel 7 Anti-dubbeltelregel In dit artikel is een regel opgenomen die voorkomt dat een al verleende bouwvergunning meegenomen wordt bij de beoordeling van latere bouwplannen. Artikel 8 Algemene bouwregels In dit artikel zijn de regels ten aanzien van de algemene bouwregels, algemene bebouwingspercentages, bouwhoogtes en toegestane overschrijdingen door ondergeschikte bouwwerken opgenomen. Artikel 9 Algemene gebruiksregels In dit artikel zijn algemene regels opgenomen ten aanzien van het strijdig gebruik. Artikel 10 Algemene aanduidingsregels In dit artikel zijn algemene regels opgenomen ten aanzien van het tegengaan van een te hoge geluidsbelasting vanwege het industrieterrein ‘Sluiskil-Oost/Stroodorpe-Oost’ op geluidsgevoelige objecten. Ter plaatse van de aanduiding 'geluidzone – industrie - 3', zijn geen nieuwe geluidsgevoelige objecten toegestaan. Artikel 11 Algemene afwijkingsregels In dit artikel zijn algemene regels opgenomen ten aanzien van de mogelijkheden voor het afwijken van de regels.
Artikel 12 Algemene wijzigingsregels In dit artikel zijn algemene regels opgenomen ten aanzien van het wijzigen van een bestemming. Artikel 13 Parkeerregels In dit artikel zijn regels voor het parkeren opgenomen.
Bestemmingsplan Buitengebied, Langeweg 26 (Sluiskil)
|45
Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels Artikel 14 Overgangsrecht Dit artikel betreft het overgangsrecht met betrekking tot gebruik van onbebouwde gronden en bouwwerken die afwijken van het bestemmingsplan op het moment dat dit bestemmingsplan inwerking treedt. Dit gebruik mag worden voortgezet. Wijziging hiervan is alleen toegestaan indien de afwijking hierdoor niet wordt vergroot. Artikel 15 Slotregel De regels kunnen worden aangehaald onder de naam: Bestemmingsplan ‘Buitengebied, Langeweg 25-27, Sluiskil’.
Bestemmingsplan Buitengebied, Langeweg 26 (Sluiskil)
|46
7.
UITVOERBAARHEID
7.1
Economische uitvoerbaarheid
Op grond van artikel 3.1.6 lid 1 onder f van het Bro dient de uitvoerbaarheid van bestemmingsplannen te worden aangetoond. De Wet ruimtelijke ordening bepaalt dat de gemeenteraad een exploitatieplan moet vaststellen voor gronden waarop een aangewezen bouwplan is voorgenomen, tenzij het kostenverhaal anderszins verzekerd is. In artikel 6.2.1 Bro staat aangegeven wat onder een aangewezen bouwplan wordt verstaan. Het bestemmingsplan betreft een particulier initiatief op particulier terrein. Tussen de initiatiefnemer en de gemeente is ten behoeve van de kosten een overeenkomst gesloten. Hiermee is het verhaal van kosten van de grondexploitatie over in het plan begrepen gronden anderszins verzekerd en hoeft er geen exploitatieplan te worden opgesteld. Hiermee is de economische uitvoerbaarheid van voorliggend plan voldoende aangetoond.
7.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Het ontwerp bestemmingsplan heeft ter inzage gelegen van 7 december 2023 tot en met 17 januari 2024 voor de vaststellingsprocedure (terinzagelegging op grond van arti¬kel 3.8, lid 1, Wet ruimtelijke ordening). Tijdens deze terinzagelegging is 1 schriftelijke zienswijzen kenbaar gemaakt. De zienswijze is beantwoord in de “antwoordnota zienswijzen”, welke is bijgevoegd als bijlage bij de toelichting.
Bestemmingsplan Buitengebied, Langeweg 26 (Sluiskil)
REGELS
|3
1 Inleidende regels
5
Artikel 1 Begrippen Artikel 2 Wijze van meten
5 12
2 Bestemmingsregels
13
Artikel 3 Agrarisch Artikel 4 Bedrijf Artikel 5 Groen Artikel 6 Wonen Artikel 7 Leiding - Water - Waterleiding
13 15 19 20 23
3 Algemene regels
25
Artikel 8 Anti-dubbeltelregel Artikel 9 Algemene bouwregels Artikel 10 Algemene gebruiksregels Artikel 11 Algemene aanduidingsregels Artikel 12 Algemene afwijkingsregels Artikel 13 Algemene wijzigingsregels Artikel 14 Parkeerregels
25 26 27 28 29 30 31
4 Overgangs- en slotregels
32
Artikel 15 Overgangsrecht Artikel 16 Slotregel
32 33
NL.IMRO.0715.BPBG89-VG01
bestemmingsplan Buitengebied, Langeweg 26 (Sluiskil)
|4
NL.IMRO.0715.BPBG89-VG01
bestemmingsplan Buitengebied, Langeweg 26 (Sluiskil)
|5
1 INLEIDENDE REGELS Artikel 1 Begrippen 1.1 plan het bestemmingsplan "Buitengebied, Langeweg 26 (Sluiskil)" met identificatienummer NL.IMRO.0715.BPBG89-VG01 van de gemeente Terneuzen. 1.2 bestemmingsplan de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen. 1.3 aanduiding een geometrisch bepaald vlak of een figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waarvoor ingevolge de regels, regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden. 1.4 aanduidingsgrens grens van een aanduiding indien het een vlak betreft. 1.5 afwijking bij omgevingsvergunning een afwijking als bedoeld in artikel 2.1, lid 1, sub c juncto artikel 2.12, lid 1, sub a, onderdeel 1 van de Wabo, zoals die luidde ten tijde van inwerkingtreding van dit plan. 1.6 aan-huis-gebonden beroep een dienstverlenend beroep, dat in een woning of een bijgebouw door de bewoner wordt uitgeoefend, waarbij het bouwperceel in overwegende mate haar woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke uitstraling heeft die met de woonfunctie in overeenstemming is. 1.7 antenne-installatie installatie bestaande uit een antenne, een antennedrager, de bedrading en de al dan niet in een techniekkast opgenomen apparatuur, met de daarbij behorende bevestigingsconstructie.
1.8 Archeologisch deskundige de beleidsmedewerker archeologie van de gemeente, de gemeentelijk adviseur archeologie of een door het College van Burgemeester en Wethouders aangewezen deskundige op het gebied van archeologie. 1.9 Archeologisch onderzoek Archeologisch onderzoek: onderzoek verricht door of namens een dienst of instelling die over een Certificaat BRL 4000 beschikt. 1.10 Archeologisch rapport een rapport van een archeologisch onderzoeksbureau of een goed onderbouwd advies van een deskundige op het gebied van archeologie. 1.11 Archeologische waarde vindplaats of vondst met een oudheidkundige waarde. Het betreft hier met name archeologische relicten in hun oorspronkelijke ruimtelijke context. Zowel grote complexen / structuren zoals nederzettingsterreinen, als afzonderlijke vondsten kunnen met deze term worden aangeduid. 1.12 bebouwing één of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde. 1.13 bebouwingslint een lijnvormige verzameling van gebouwen langs een weg in het buitengebied met geringe afstanden tussen de bouwpercelen en hoofdgebouwen langs de weg, veelal met een historisch gegroeide menging van kleinschalige functies. 1.14 bedrijf een onderneming gericht op het produceren, bewerken, herstellen, installeren, inzamelen, verwerken, verhuren, opslaan en/of distribueren van goederen.
NL.IMRO.0715.BPBG89-VG01
bestemmingsplan Buitengebied, Langeweg 26 (Sluiskil)
|6 1.15 bedrijfs- of dienstwoning een woning in of bij een gebouw of op een terrein, die slechts is bestemd voor bewoning door (het huishouden van) een persoon, wiens huisvesting daar noodzakelijk is, gelet op de bestemming van het gebouw of het terrein. 1.16 beleidsregel een regel die voorkomt uit het geldend parkeerbeleid (Parkeernota 2015-2020 gemeente Terneuzen). 1.17 beperkt kwetsbare objecten als beperkt kwetsbare objecten worden aangemerkt: a.
b. c. d. e. f. g. h.
i.
verspreid liggende woningen, woonschepen en woonwagens van derden met een dichtheid van maximaal twee woningen, woonschepen en woonwagens per hectare en dienst- en bedrijfswoningen van derden; kantoorgebouwen, voor zover zij niet als kwetsbaar object zijn aangemerkt; hotels en restaurants, voor zover zij niet als kwetsbaar object zijn aangemerkt; winkels, voor zover zij niet als kwetsbaar object zijn aangemerkt; sporthallen, sportterreinen, zwembaden en speeltuinen; kampeerterreinen en andere terreinen bestemd voor recreatieve doeleinden, voor zover zijn niet als kwetsbaar object zijn aangemerkt; bedrijfsgebouwen, voor zover zij niet als kwetsbaar object zijn aangemerkt objecten die met de onder a. tot en met e. en g. genoemde gelijkgesteld kunnen worden uit hoofde van de gemiddelde tijd per dag gedurende welke personen daar verblijven, het aantal personen dat daarin doorgaans aanwezig is en de mogelijkheden voor zelfredzaamheid bij een ongeval, voor zover die objecten geen kwetsbare objecten zijn; objecten met een hoge infrastructurele waarde, zoals een telefoon- of elektriciteitscentrale of een gebouw met vluchtleidingsapparatuur, voor zover die objecten wegens de aard van de gevaarlijke stoffen die bij een ongeval kunnen vrijkomen, bescherming verdienen tegen de gevolgen van dat ongeval.
1.18 bestaand ten tijde van de inwerkingtreding van dit plan. 1.19 bestaand aantal woningen woningen zoals aanwezig op het tijdstip van de terinzagelegging van het vastgesteld van dit bestemmingsplan, dan wel gebouwd zijn of gebouwd kunnen worden overeenkomstig Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of krachtens die wet gegeven voorschriften. 1.20 bestaande afstands-, hoogte-, inhouds- en oppervlaktematen afstands-, hoogte-, inhouds- en oppervlaktematen, die op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan tot stand zijn gekomen of tot stand zullen komen met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. 1.21 bestemmingsgrens de grens van een bestemmingsvlak. 1.22 bestemmingsvlak een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming. 1.23 Bevi - inrichtingen bedrijven zoals bedoeld in artikel 2 lid 1 van het Besluit externe veiligheid inrichtingen. 1.24 bevoegd gezag het bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een aanvraag om een omgevingsvergunning of ten aanzien van een al verleende omgevingsvergunning, zoals bedoeld in de Wabo. [Wet algemene bepalingen omgevingsrecht] 1.25 bodemingreep werken en werkzaamheden waarvan mag worden aangenomen dat zij het bodemarchief kunnen aantasten, waaronder het bouwen van een fundering wordt begrepen.
NL.IMRO.0715.BPBG89-VG01
bestemmingsplan Buitengebied, Langeweg 26 (Sluiskil)
|7 1.26 boog- en gaaskassen al dan niet verplaatsbare gebouwen, overtrokken met en omsloten door lichtdoorlatend materiaal anders dan glas, ten behoeve van de teelt van gewassen. 1.27 bouwen het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk. 1.28 bouwgrens de grens van een bouwvlak. 1.29 bouwperceel een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten. 1.30 bouwperceelgrens de grens van een bouwperceel. 1.31 bouwvlak een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten. 1.32 bouwwerk een bouwkundige constructie van enige omvang die direct en duurzaam met de aarde is verbonden. 1.33 bijbehorend bouwwerk uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd en met de aarde verbonden bouwwerk met een dak, nader te onderscheiden in: a. b.
aan- en uitbouwen; een aan een hoofdgebouw gebouwd gebouw dat in bouwkundig opzicht te onderscheiden is van het hoofdgebouw; bijgebouwen; een vrijstaand gebouw dat in functioneel en bouwkundig opzicht ondergeschikt is aan een op hetzelfde bouwperceel gelegen hoofdgebouw.
1.34 Cultureel erfgoed uit het verleden geërfde materiële en immateriële bronnen, in de loop van de tijd tot stand gebracht door de mens of ontstaan uit de wisselwerking tussen mens en omgeving, die mensen, onafhankelijk van het bezit ervan, identificeren als een weerspiegeling en uitdrukking van zich voortdurend ontwikkelende waarden, overtuigingen, kennis en tradities, en die aan hen en toekomstige generaties een referentiekader bieden. 1.35 cultuurhistorische waarde de aan een bouwwerk of gebied toegekende waarde in verband met ouderdom en/of historische gaafheid. 1.36 dakkapel een constructie ter vergroting van een gebouw, die zich tussen de dakgoot en de nok van een dakvlak bevindt, waarbij deze constructie onder de noklijn is gelegen en de onderzijde van de constructie in het dakvlak is geplaatst. 1.37 dakopbouw een constructie ter vergroting van een gebouw, die zich boven de dakgoot bevindt, waarbij deze constructie (deels) boven de oorspronkelijke nok uitkomt en de onderzijden van de constructie in één of beide dakvlak(ken) is (zijn) geplaatst. 1.38 detailhandel het bedrijfsmatig te koop aanbieden (waaronder de uitstalling ten verkoop), verkopen, verhuren en leveren van goederen aan diegenen die goederen kopen of huren voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit.
NL.IMRO.0715.BPBG89-VG01
bestemmingsplan Buitengebied, Langeweg 26 (Sluiskil)
|8 1.39 extensieve dagrecreatie niet - gemotoriseerde recreatieve activiteiten, zoals wandelen, fietsen, skaten, paardrijden, vissen, zeilen, surfen, zwemmen en natuurobservatie. 1.40 flexibiliteit eenvoudig aanpasbaar aan een veranderende omgeving/wetgeving. 1.41 gebiedsgerichte parkeerregeling een parkeerregeling die gericht is op een deelgebied binnen het gehele plangebied. Een gebiedsgerichte parkeerregeling wordt opgenomen in het kader van flexibiliteit. 1.42 gebouw elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt. 1.43 hoofdgebouw een of meer panden, of een gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming van een perceel en, indien meer panden of bouwwerken op het perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkst is. 1.44 hoofdverblijf de verblijfplaats die het centrum is van het sociale en maatschappelijke leven van één persoon of een huishouden. Hiervan is in ieder geval sprake als er op grond van de Wet basisregistratie personen een verplichting is tot inschrijving op de verblijfplaats. 1.45 huishouden één of meer personen die in vast verband samenleven en waarbij sprake is van continuïteit in de samenstelling van de personen en van onderlinge verbondenheid.
1.46 kassen een bouwwerk van glas of ander lichtdoorlatend materiaal ten behoeve van de agrarische bedrijfsvoering met een hoogte van 1,5 m of meer, trek-, tunnel-, schaduw-, boog- en gaaskassen daaronder begrepen. 1.47 kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten het in een woning of bijgebouw door de bewoner op bedrijfsmatige wijze uitoefenen van activiteiten - waaronder detailhandel niet wordt begrepen - , voor zover sprake is van een inrichting type A, zoals bedoeld in het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer (Activiteitenbesluit), waarbij het bouwperceel in overwegende mate zijn woonfunctie behoudt met een ruimtelijke uitstraling die daarbij past. 1.48 kwalitatieve norm norm die voldoet aan de verwachte eisen, zoals flexibiliteit en openheid. 1.49 KNA Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie (zie www.skib.nl). 1.50 kwetsbare objecten als kwetsbare objecten worden aangemerkt: a. b. c.
woningen, woonschepen en woonwagens, niet zijnde woningen, woonschepen en woonwagens die als beperkt kwetsbaar object zijn aangemerkt; gebouwen bestemd voor het verblijf, al dan niet gedurende een gedeelte van de dag, van minderjarigen, ouderen, zieken of gehandicapten; kampeer- en andere recreatieterreinen bestemd voor het verblijf van meer dan 50 personen gedurende meerdere aaneengesloten dagen van het jaar.
1.51 laden en lossen onmiddellijk nadat het voertuig tot stilstand is gebracht bij voortduring inladen of uitladen van goederen van enige omvang of enig gewicht, gedurende de tijd die daarvoor nodig is.
NL.IMRO.0715.BPBG89-VG01
bestemmingsplan Buitengebied, Langeweg 26 (Sluiskil)
|9 1.52 landschaps- en natuurdeskundige een door het bevoegd gezag aan te wijzen deskundige of commissie van deskundigen inzake landschapwaarden, cultuurhistorische waarden en/of natuurwaarden. 1.53 landschapswaarde de aan een gebied toegekende waarde met betrekking tot het waarneembare deel van de aardoppervlakte, die wordt bepaald door de herkenbaarheid en de identiteit van de onderlinge samenhang tussen levende en niet - levende natuur. 1.54 maaiveld de bovenkant van het terrein dat een gebouw/bouwwerk omgeeft, met dien verstande dat waar sprake is van een hellend of ongelijk maaiveld onder het "aangrenzende maaiveld" wordt verstaan het maaiveld dat grenst aan de voorgevel van een gebouw. 1.55 mantelzorg het langdurig en op vrijwillige basis bieden van zorg aan eenieder die door een zorgdeskundige aantoonbaar hulpbehoevend is op het fysieke, psychische en/of sociale vlak, buiten organisatorisch verband. 1.56 milieudeskundige een door het bevoegd gezag aan te wijzen deskundige of commissie van deskundigen inzake milieuhygiëne. 1.57 Monumentencommissie een door het bevoegd gezag aan te wijzen deskundige of commissie van deskundigen inzake monumenten en cultuurhistorische panden. 1.58 natuurwaarde de aan een gebied toegekende waarde in verband met de aanwezige flora en/of fauna.
1.59 NEN door de Stichting Nederlands Normalisatie - instituut uitgegeven norm, zoals deze luidde op het moment van vaststelling van het bestemmingsplan. 1.60 normaal agrarisch gebruik werkzaamheden in de normale bouwvoor t.b.v. de gewasteelten. 1.61 nutsvoorzieningen voorzieningen ten behoeve van het openbare nut, zoals transformatorhuisjes, gasreduceerstations, schakelhuisjes, duikers, bemalingsinstallaties, gemaalgebouwtjes, telefooncellen, voorzieningen ten behoeve van (ondergrondse) afvalinzameling en apparatuur voor telecommunicatie. 1.62 omgevingsvergunning vergunning voor activiteiten als genoemd in artikel 2.1 van de Wabo. 1.63 open norm norm die inhoudelijk open is en onder verschillende omstandigheden nader ingevuld moet worden. 1.64 Opgraven/Opgraving de ontsluiting van een vindplaats met als doel de informatie te verzamelen en vast te leggen die nodig is voor het beantwoorden van de in het Programma van Eisen verwoorde onderzoeksvra(a)g(en) en het behalen van de onderzoeksdoelstellingen. 1.65 ophoging het blijvend verhogen van het bestaande maaiveld door het aanbrengen van grond of andersoortige materialen. Tijdelijke ophoging tot een maximum van 6 maanden in relatie tot de agrarische bedrijfsvoering wordt niet gezien als een ophoging. 1.66 overkapping een bouwwerk, geen gebouw zijnde, voorzien van een gesloten dak.
1.67 pand de kleinste bij de totstandkoming functioneel en bouwkundig-constructief zelfstandige eenheid die direct en duurzaam met de aarde is verbonden en betreedbaar en afsluitbaar is.
NL.IMRO.0715.BPBG89-VG01
bestemmingsplan Buitengebied, Langeweg 26 (Sluiskil)
|10 1.68 parkeerbehoefte het aantal benodigde parkeerplaatsen per eenheid van een functie in een gebied. 1.69 parkeren een geparkeerd voertuig is een voertuig dat langer stilstaat dan nodig is voor het in- en uitstappen of voor het laden en lossen. 1.70 parkeerplaats een plek waar iemand zijn of haar auto mag parkeren, dit kan zowel betaald als onbetaald zijn. 1.71 peil a. b. c.