CConstaterende datTerneuzen
Koppel je AI →
Document · PDF

2024-02-21 - 1. Onderbouwing Natuurontwikkeling Smitsschorrepolder Axel

commissie Omgeving 21 februari 2024, gemeente TerneuzenBij agendapunt: a. overzicht omgevingsvergunningen afwijkend gebruik28.055 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

51 De Kruijff 2004: 221-222. 52 Brand 1993: 56; De Kruijff 2004: 221-226.

33

ARTEFAC T RAPPORT 642

AXEL LANGEWEG - SMITSSCHORREPOLDER

Buitenpolder. In de eerste helft van de 19de eeuw werd het Kanaal Gent-Terneuzen aangelegd, dat Gent verbond met de Westerschelde. In de eerste helft van de 19de eeuw verschenen de Kadastrale Minuutplans. Op deze kaarten worden de percelen en bebouwing zeer nauwkeurig weergegeven, omdat deze kaarten het heffen van grondbelasting tot doel hadden. Op figuur 17 wordt een uitsnede van de gedigitaliseerde versie van deze kaart weergegeven. Weliswaar lag het plangebied nu binnendijks, het lag nog altijd aan de zuidzijde van een kreekrestant (de Zwartenhoekse Kreek), dat een aftakking was van het Canaal van Axel. Hiervandaan lopen aan de west- en oostzijde van het plangebied kronkelende waterlopen in zuidelijke richting. Aan de zuidzijde van het plangebied loopt een weg die goeddeels hetzelfde loopt als de tegenwoordige Langeweg. Het plangebied zelf bestond uit een aantal percelen bouwland, dat in het bezit was van verschillende grondeigenaren. Bebouwing wordt in het plangebied en de directe omgeving niet aangegeven.

Figuur 17 Projectie van het plangebied (roze polygoon) op uitsnede van de gedigitaliseerde Kadastrale Minuut, omstreeks 1830. Bron: Geoloket Provincie Zeeland.

Op historische kaarten van later datum (figuur 18) is te zien hoe de inrichting van het landschap zich hierna heeft ontwikkeld. Sinds de inpoldering bleven het plangebied en omgeving voornamelijk in gebruik als landbouwgebied. Halverwege de 19de eeuw werd direct grenzend aan de west- en noordkant van het plangebied een rechte waterloop gegraven die deel uitmaakte van de Oostelijke Rijkswaterleiding. De Westelijke en Oostelijke Rijkswaterleidingen dienden als afvoerkanalen voor water uit de polders. 53 In de tweede helft van de 20 ste eeuw werd ten westen van de buurtschap Drieschouwen het natuur- en recreatiegebied Smitsschorre aangelegd. Dit gebied is eigendom van Staatsbosbeheer. In 1968 werd hier zand opgespoten dat vrijkwam bij de verbreding van het Kanaal Gent-Terneuzen; 53 Wilderom 1973: 329-331.

34

ARTEFAC T RAPPORT 642

AXEL LANGEWEG - SMITSSCHORREPOLDER

hierdoor is de hoge ligging van dit terrein veroorzaakt (zie figuur 10). Hierna werd een groot deel van dit terrein bebost; ook werden er een golfterrein, motorcrosscircuit en een zweefvliegveld aangelegd. 54 Het westelijke deel van de Langeweg werd in de jaren ’60 verlegd middels een nieuw wegdeel richting de Eversdam. Hierdoor verloor het oude dijkdeel aan de westzijde zijn functie als weg. Vanaf 2010 verschenen ten noordwesten van het plangebied, aan de overzijde van de Tractaatweg, kassen. Binnen het plangebied zelf vonden sinds 1850 enkel wijzigingen plaats wat betreft de verkaveling en waterlopen. Bebouwing heeft er nooit aangegeven gestaan. Tot slot valt te vermelden dat de kaart van 1980 in het zuidwesten van het plangebied enkele hoger gelegen gebieden aangeeft; deze zijn thans nog te zien op de hoogtekaart (figuur 11).

Samenvattend lag het plangebied in de Middeleeuwen in bedijkt gebied ten zuidwesten van Axel. Veenwinning, veeteelt en akkerbouw waren in die tijd de belangrijkste economische activiteiten. In de late 16 de eeuw maakte het plangebied deel uit van een groot gebied dat opzettelijk onder water werd gezet tijdens de Tachtigjarige Oorlog. Hierna lag het twee eeuwen lang in een onbedijkt schorrengebied. Na de bedijking in de late 18 de eeuw is het plangebied alleen agrarisch gebruikt.

54 https://nl.wikipedia.org/wiki/Smitsschorre; https://www.zeeland.com/nl-nl/visit/304_nl/smitsschorre

35

ARTEFAC T RAPPORT 642

AXEL LANGEWEG - SMITSSCHORREPOLDER

Figuur 18 Projectie van het plangebied (roze polygoon) op de Topografische (Militaire) Kaarten uit 1850, 1916, 1950, 1960, 1980, 1995 en 2010. Bron: Esri Nederland, Kadaster.

36

ARTEFAC T RAPPORT 642

2.3.2

AXEL LANGEWEG - SMITSSCHORREPOLDER

Verstoringsgeschiedenis

Bodemloket In het bodemloket worden de bodemkwaliteit en de status/voortgang van eventueel uitgevoerde onderzoeken weergegeven. Raadpleging van het Bodemloket55 leert dat binnen het plangebied nog geen saneringen of onderzoek naar de bodemkwaliteit bekend zijn. Direct ten zuiden van de westelijke helft van het plangebied, ter hoogte van de Langeweg, is een gebied dat volgens het Bodemloket voldoende is onderzocht in het kader van de Wet bodembescherming. Bij eerder bodemonderzoek langs de Tractaatweg zijn ten westen van het plangebied geen verontreinigende stoffen aangetroffen in zodanige gehalten dat hiervoor vervolgonderzoek moest worden geadviseerd. 56 KLIC Een oriëntatieverzoek geeft aanwijzingen voor verstoringen langs de Langeweg/Langedreef, oftewel in de zuidelijke randzone van het plangebied. Over een afstand van 700 meter vanaf de westelijke begrenzing van het plangebied loopt hier een waterleiding (figuur 19). Deze kan vanaf de zuidelijke begrenzing binnen een zone van 10 m aanwezig zijn. In de zuidwestpunt van het plangebied kan de waterleiding plaatselijk binnen 30 m vanaf de begrenzing aanwezig zijn. Hier moet rekening worden gehouden met een lineaire verstoring van ongeveer 0,80 m breed en 1,00 m diep, als gevolg van het graven van de aanlegsleuf.

Waarschijnlijk reikt de verstoring tot in afzettingen van het Laagpakket van Walcheren en bereikt zij niet het niveau van het pleistocene dekzand, dat vanaf 1,50 m -mv of dieper verwacht kan worden.

Figuur 19 Ligging van een verstoring (in rood aangegeven zone; op basis van KLIC-melding bij Kadaster) als gevolg van de aanleg van een waterleiding, geprojecteerd op de topografische kaart. Bron: Esri Nederland, Community Map Contributors 2020.

55 www.bodemloket.nl, geraadpleegd op 15 juli 2021. 56 Nivec B.V. 1997; Van der Hop 2014.

37

ARTEFAC T RAPPORT 642

AXEL LANGEWEG - SMITSSCHORREPOLDER

Gegevens opdrachtgever, archief Bij de opdrachtgever en inititatiefnemer zijn geen gegevens bekend over mogelijke verontreinigingen, nietgesprongen explosieven of verstoringen in het plangebied, behalve over de leiding die ook in de KLIC naar voren kwam. 57 Raadpleging van (de website van) het Zeeuws Archief, waar ook de archieven van de gemeente Terneuzen zijn ondergebracht, leverde geen informatie op omtrent eventuele verstoringen van het plangebied.

2.4

Archeologische waarden

Archeologische monumenten De Archeologische Monumentkaart (AMK) is een digitaal bestand waarin de archeologische monumententerreinen, waaronder de wettelijk beschermde monumenten, werden bijgehouden. Sinds 2014 wordt dit bestand echter niet meer bijgewerkt, waardoor het als statisch bestand kan worden beschouwd. Binnen een straal van 1.000 m rond het plangebied komt één AMK-terrein van hoge waarde voor (figuur 20), namelijk AMK-monumentnummer 13555, gelegen op ongeveer 1 km ten westen van het plangebied. Dit betreft een terrein met de resten van een voormalig verdedigingswerk en een inundatiesluis, daterend uit de Nieuwe Tijd B. In Archis werd het verdedigingswerk eerder aangeduid als 'de schans Zwartenhoek'. Veeleer betreft het een verdedigingswerk bij de zeesluis De Grote Petrus, een deels uit militaire overwegingen gebouwde uitwaterings-/inundatiesluis waarvan de bouw begon in 1788. De fortificatie, een front van drie aaneengeschakelde bastions zonder flanken, is in de volksmond bekend als 'de Batterij'. Deze had als taak de sluis bij een aanval te dekken. Als gevolg van de aanleg van het kanaal Gent-Terneuzen (1825-27) werden de schorren herdijkt en verviel de functie van De Grote Petrus.

Vindplaatsen ‘Leemten in kennis’ (2014) Ten behoeve van het project ‘Leemten in kennis’ heeft Artefact in 2014 voor de gemeente Terneuzen een reeks vindplaatsen aangewezen die in aanmerking komen voor nader onderzoek. 58 Hieronder worden de vindplaatsen in een straal van 1.000 m rond het plangebied besproken. Deze staan in lichtblauwgroen aangegeven op figuur 2 0, met in dezelfde kleur de nummers die corresponderen met de vindplaatsnummers in het betreffende rapport. Nr.

Toponiem

Complextype

Periode

Overige informatie

12

Westdorpe Canisvlietpolder

Nederzetting (onbepaald)

LMEB

Grote afvalkuil, aangetroffen bij nietarcheologisch graafwerk. Datering: laat-14de eeuw. Zie ook hieronder, vondstlocatie 17

34

Zwartenhoek

Versterking (onbepaald)

NTB

AMK-monumentnummer 13555 (zie boven)

39

Liniedijk

Liniedijk

LME-NT

76

Westdorpe Fort Eversdam

Schans/fort

NT

Zie ook hieronder, onderzoek 12 vondstlocaties 19, 21 en 29

57 Schriftelijke correspondentie dhr. A. Wieland (Provincie Zeeland), d.d. 27 juli 2021. 58 De Visser & Emaus 2014.

en

38

ARTEFAC T RAPPORT 642

AXEL LANGEWEG - SMITSSCHORREPOLDER

Figuur 20 Monumenten, onderzoeken en vondstlocaties in de omgeving van het plangebied. Gegevens ontleend aan Archis 3 en De Visser & Emaus (2014). Bron: Esri Nederland, Jan Willem van Aalst, www.imergis.nl

Eerder uitgevoerd onderzoek Archis is het geautomatiseerde Archeologisch Informatiesysteem voor Nederland. Het bestaat uit een databank waarin allerlei gegevens over archeologische onderzoeken, vindplaatsen en terreinen in Nederland zijn opgeslagen. Het raadplegen van Archis leert dat binnen een straal van 1.000 meter rond het plangebied meerdere onderzoeken zijn uitgevoerd, die in de onderstaande tabel worden opgesomd. De nummers in de linker kolom corresponderen met de groene nummers op figuur 20. Het plangebied zelf maakt deel uit van drie onderzoeken (nrs. 9, 10 en 16) die betrekking hebben op het beleid van de gemeente Terneuzen. Tevens valt het binnen het onderzoeksgebied van een proefsleuvenonderzoek dat ADC heeft uitgevoerd (nr. 11) langs de Tractaatweg; in het plangebied zelf zijn hierbij geen sleuven gegraven.

Nr. 1

Onderzoek Nummer 2150796100

59 De Kruif 2008.

Uitvoerder

Aard en resultaten onderzoek

RAAP

Bureauonderzoek (2006) t.b.v. aardgastracé Wijngaarden-Zelzate (circa 115 km). 59 Nabij onderhavig plangebied (500 m ten westen ervan) 1 vindplaats (Dyk72; KR179), namelijk een dijk.

39

ARTEFAC T RAPPORT 642

AXEL LANGEWEG - SMITSSCHORREPOLDER

2

2178547100

Archeomedia

Archeologisch booronderzoek (2007) aan Axelsestraat Westdorpe. Rapport niet online beschikbaar.

3

2205519100

ADC

Archeologisch booronderzoek (2008) verbreding Tractaatweg (N62) Westdorpe. 60 In twee boringen nabij onderhavig plangebied (aan de Langeweg) zijn resp. kreekafzettingen (tot zeker 2,80 m -mv) en dekzand (alleen C-horizont; dieper dan 1,20 m -mv) aangetroffen, geen veen. Elders wel veen. Op aantal locaties kunnen resten aanwezig zijn uit Steentijd, Romeinse tijd, Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd. Advies: vervolgonderzoek voor aantal locaties.

4

2212469100

RAAP

Archeologisch booronderzoek (2008) Langeweg, t.b.v. aardgastracé Wijngaarden-Zelzate (zie ook onderzoek 1). 61 In meeste boringen dekzand vanaf 1,10 m -mv. Nabij onderhavig plangebied (circa 500 m ten westen ervan) vanaf 0,90 m -mv getijdenafzettingen (zand, klei) onder ophogingspakket. Advies mbt Dyk72: vervolgonderzoek en herstel.

5

2356399100

Grontmij Artefact!

6

2384416100

Artefact!

Archeologisch bureauonderzoek (2012) uitbreiding leidingenstelsel.63

7

2395570100

Oranjewoud

Archeologisch bureauonderzoek (2013) Tractaatweg (N62). 64

8

2419254100

Artefact!

Archeologisch booronderzoek (2013) verdubbeling Tractaatweg (N62). 65 In tracédeel ten westen van onderhavig plangebied afwisselend veen op dekzand (t.h.v. kruising met Langeweg), mariene geulen en plaatselijk dekzand met middeleeuwse akkerlaag. Dekzand vanaf circa 1,25 -mv, hoogtes variëren sterk. In 2 boringen ten westen van plangebied (177 en 139) paleosol rond 2 m -mv/ 0,65 m -NAP. Voor delen ten westen van onderhavig plangebied archeologische verwachting bij verstoringen dieper dan 0,50 m -mv.

9

2434360100

St. Cultureel Erfgoed Zeeland

Onderzoek verwachtingskaart/verruiming vrijstellingsdiepte (2014).

10

2439204100

Artefact!

Bureauonderzoek ‘Leemten in kennis’ (2014; zie boven). 66

11

2463918100

ADC

Proefputten/proefsleuven (2014) Tractaatweg (N62). 67 Klein aantal archeologische sporen (ook binnen straal 1.000 rond onderhavig plangebied; o.a. een sloot), zowel fysiek als inhoudelijk lage waardering. Advies: geen vervolgonderzoek, behalve begeleiding ter hoogte van twee niet aangelegde sleuven. Onderzoek naar omgeploegde baksteenconcentratie (n.a.v. vondstmelding uit jaren

60 Holl & Huizer 2008. 61 De Kruif 2008. 62 Wattenberghe 2012. 63 D’hondt & Coppens 2013. 64 Craane & Sophie 2013. 65 Wattenberghe & Brijker 2014. 66 De Visser & Emaus 2014. 67 Loopik 2016.

en

Archeologisch bureauonderzoek (2012) verbreding Tractaatweg (N62). 62

40

ARTEFAC T RAPPORT 642

AXEL LANGEWEG - SMITSSCHORREPOLDER

’60; circa 500 m ten westen van onderhavig plangebied): locatie niet nauwkeurig te achterhalen. Top dekzand vanaf circa NAP. Paleosol in aantal werkputten waargenomen rond NAP – 0,4 m -NAP. Ook veen, oude akkerlaag plaatselijk aangetroffen. 12

2464388100

ADC

Proefputten/proefsleuven (2014) Fort Eversdam. 68 Restanten van het fort zijn verre van intact. Advies: geen vervolgonderzoek en nietbehoudenswaardigheid van de vindplaats vastleggen in toekomstig beleid.

13

3974236100

Artefact!

Archeologische begeleiding (2015/2016) aanleg kabels en leidingen Tractaatweg. 69 In zones ten westen van onderhavig plangebied o.a. greppels uit Late Middeleeuwen (in top pleistoceen zand). Tevens plaatselijk aanwezigheid paleosol (2,14 m -mv/ 0,38 m -NAP) en oude akkerlaag (ME of NT) vastgesteld.

14

3983713100

Artefact!

Archeologische beleiding (2016) waterstofleiding Tractaatweg. 70 Vanaf circa 0,40 m -mv tot maximaal 1,20 m -mv dik ophoogpakket, te relateren aan deels afgegraven 18 de -eeuwse dijk rond Canisvlietbinnenpolder. Hieronder Walcheren-afzettingen met hieronder, vanaf 1,55 m -mv/ 0,30 m -NAP top van laatmiddeleeuwse akkerlaag. Vanaf 1,96 m -mv/ 0,70 m -NAP top van pleistoceen dekzand. Geen paleosol aangetroffen.

15

4030902100

RAAP

Proefsleuvenonderzoek (2017) Tractaatweg. 71 In zone 27, ten westen van onderhavig plangebied (Gemeenschappelijkeweg, de de Zwartenhoek), is tussen 15 en 17 eeuw gedempte sloot gevonden; het betreft dezelfde sloot die is aangetroffen in onderzoek 11. Kleine concentratie houtskool in dekzand. Dekzand ligt op 1,5 m -mv. Enkele kilometers noordelijker, in zone 32/33 (ten noorden van de Axelsche Kreek), zijn restanten van ophogingen (geen terpen) uit de 13 de /14de eeuw aangetroffen, die lijken te zijn gebruikt t.b.v. zoutwinning.

16

4568760100

Edufact

Bureauonderzoek vrijstellingenkaart (2017). Zie paragraaf 1.3.

Binnen een straal van 1.000 m rond het plangebied zijn ook meerdere archeologische vondstlocaties bekend; het nummer in de linker kolom correspondeert met het blauwe nummer op figuur 20. Nr.

Vondst locatie

Datering

Aard van de vondsten

17

1029013

MELB

Afvalkuil met aardewerk. Gevonden tijdens ruilverkaveling in 1964.

18

1057389

Onbekend

Grondspoor, waargenomen op luchtfoto (1989).

19

1068091

NTV-NTM

Omwalling van schans Eversdam. Melding uit 1998.

68 Loopik 2018. 69 Coppens 2017. 70 Coppens 2016. 71 De Groot 2019.

41

ARTEFAC T RAPPORT 642

AXEL LANGEWEG - SMITSSCHORREPOLDER

20

1068189

NTV-NTM

Omwalling en plattegrond van schans Zwartenhoek. Resten zijn gedeeltelijk nog zichtbaar. In het terrein is tevens nog een inundatiesluis aanwezig. Melding uit 1998.

21

1099689

NTM

Gracht van Fort Eversdam (vierkant fort met aarden wallen en grachten), aangeboord, vastgesteld in meerdere boringen. Vondstmelding betreft globale middelpunt op basis van luchtfoto. AHN, kaartprojectie en booronderzoek. Hoort bij onderzoek nr. 8.

22

1099690

MELB

Restant van dijklichaam aangeboord, mogelijk oude Landdijk. Grijsbakkend gedraaid aardewerk. Hoort bij onderzoek nr. 8.

23

1121032

MEL-NTL

Cultuurlaag (akkerlaag) en dijk. Hoort bij onderzoek nr. 14.

24

1142894

MEL-NT

Verspoelde akkerlaag en 17de -eeuwse Everdamse Dijk. Hoort bij onderzoek nr. 13.

25

1142899

MEVD-NTL

Perceelsgreppels, aardewerk en baksteen. Hoort bij onderzoek nr. 13.

26

1142909

ME-NTV

Cultuurlaag. Hoort bij onderzoek nr. 13.

27

1149621

ME

Akkerdek en 4 greppels. Hoort bij onderzoek nr. 11.

28

1149629

ME-NTV

Greppels, paalspoor en aardewerk. Hoort bij onderzoek nr. 11.

29

1150789

NT

Enkele grondsporen en vondsten (metaal, zaden, aardewerk) ter hoogte van Fort Eversdam (hoort bij onderzoek 12).

30

1159026

MELB-NT

Fundering en bouwkeramiek. Archeologische waarnemingen door de SCEZ (2018) langs de Sasdijk bij Westdorpe na een melding van een particulier van een bakstenen kelder en een fundering van waarschijnlijk een boerderij. De archeologische resten dateren vermoedelijk uit de zeventiende eeuw.

31

1182776

MELB-NT

Kuil en greppel en meerdere aardewerk- en glasvondsten. Hoort bij onderzoek nr. 15.

Samenvattend blijkt uit eerder archeologisch onderzoek in de omgeving van het plangebied dat de hoogte van de top van het pleistocene dekzand in de ondergrond nogal kan variëren, hetgeen wijst op een reliëf in het dekzand. Gemiddeld ligt de top van het dekzand op hoogtes van NAP tot 0,50 m +NAP, maar er zijn ook uitschieters gemeld van 0,70 m -NAP en 0,80 m +NAP. In het dekzand is meermaals een paleosol waargenomen, maar hierin zijn vooralsnog geen archeologische waarden aangetroffen. In sommige gevallen wordt het dekzand afgedekt door veen, maar er kan ook een laatmiddeleeuwse akkerlaag aanwezig. De binnen een straal van 1.000 meter rond het plangebied aangetroffen archeologische resten dateren allemaal uit de Middeleeuwen en Nieuwe Tijd. Het zijn enerzijds restanten die wijzen op een middeleeuws cultuurlandschap en anderzijds restanten die te relateren zijn aan versterkingen en bedijkingen uit de Nieuwe Tijd. Overige meldingen Navraag bij het Zeeuws Archeologisch Depot (mail helpdesk archeologie d.d. 14 juli 2021) heeft geen aanvullende informatie opgeleverd t.a.v. het plangebied. Luchtfotoanalyse Luchtfoto’s kunnen aan de hand van herkenbare soil- en/of cropmarks aanwijzingen geven voor de aanwezigheid van mogelijke archeologische vindplaatsen (of verstoringen) in de bodem.

In het kader van voorliggend bureauonderzoek zijn luchtfoto’s bestudeerd uit 1959, 1970 en 2003 (Geoloket Atlas van Zeeland), 1989 en 2003 (Luchtfotoatlas) en satellietfoto’s uit 2007 t/m 2020 (Esri Nederland, Geoloket Atlas van Zeeland). Van het plangebied zijn geen luchtfoto’s uit de Tweede Wereldoorlog beschikbaar. Op een luchtfoto uit 1959 (figuur 21) is het natuur- en recreatiegebied Smitsschorre nog niet aangelegd. Ten noorden hiervan, en ten noorden van het plangebied, is de loop de Zwartenhoekse Kreek te volgen aan de donkergekleurde 42

ARTEFAC T RAPPORT 642

AXEL LANGEWEG - SMITSSCHORREPOLDER

begroeiing. In het plangebied is nog sprake van een inmiddels verdwenen oud kavelpatroon, waarvan de oriëntatie zijn oorsprong heeft in de 19de of late 18de eeuw. Binnen het plangebied zijn geen crop- of soilmarks te zien, maar ten zuiden ervan zijn twee parallelle, noordoost-zuidwest georiënteerde lichtgekleurde banen zichtbaar, aangegeven met blauwe pijlen. Dit kunnen restanten zijn van oude landinrichting, zoals (kavel)greppels of dijken, maar in voorliggend onderzoek zijn op oud kaartmateriaal geen greppels, dijken of andere zaken aangetroffen die met de betreffende banen corresponderen. Of de banen doorlopen in het plangebied, is door het landgebruik niet te zien. Op luchtfoto’s van later datum zijn deze banen niet, of slechts heel subtiel, waargenomen.

Figuur 21 Ligging van het plangebied (rode polygoon) en lineaire soil-/cropmarks (aangegeven met blauwe pijlen) op luchtfoto uit 1959. Bron: Geoloket Atlas van Zeeland.

Verder zijn op meerdere luchtfoto’s soil-/cropmarks te zien (zowel binnen als buiten het plangebied; zie figuur 22) die corresponderen met kavelgrenzen die te zien zijn op de Kadastrale Minuut (figuur 17).

43

ARTEFAC T RAPPORT 642

AXEL LANGEWEG - SMITSSCHORREPOLDER

Figuur 22 Ligging plangebied (rode polygoon) en soilmarks geprojecteerd op luchtfoto uit 2010. Bron: Geoloket Atlas van Zeeland.

2.5

Bouw- en cultuurhistorische waarden

Bouw- en cultuurhistorische waarden Om vast te stellen of binnen, of direct grenzend aan, het plangebied waardevolle bouwhistorische of cultuurhistorische elementen voorkomen, is het Geoloket Cultuurhistorie van de provincie Zeeland geraadpleegd. Hieruit blijkt dat dergelijke elementen binnen het plangebied niet aanwezig zijn, behalve een klein restant van de Langedreef/Sasdijk in de uiterste zuidwestpunt van het plangebied; deze dijk heeft zijn oorsprong in 1652 en heeft ten zuiden van het plangebied dezelfde loop als de Langeweg. Ook enkele andere cultuurhistorische elementen grenzen aan het plangebied, ook deze zijn alle van waterstaatkundige aard. Aan de noordzijde van het plangebied betreft dit de Zwartenhoekse Kreek, een restant van een zijtak van het Canaal van Axel. Direct ten westen en noorden van het plangebied betreft dit een deel van de Oostelijke Rijkswaterleiding (paragraaf 2.3.1).

Militair erfgoed De Indicatieve Kaart Militair Erfgoed (IKME) geeft een overzicht van de (verwachte) ligging van resten van ondergronds en bovengronds militair erfgoed (vooralsnog enkel uit de Tweede Wereldoorlog). Raadpleging van de kaart leert dat het plangebied in het oosten ligt van Operatieterrein Breskens, een groot slagveld in Zeeuws-Vlaanderen. In 1944 veroverden de Geallieerden het bruggenhoofd Breskens, een strategisch belangrijk punt in de oversteek naar Walcheren. Archeologisch kan zich dit weerspiegelen in een verspreiding van verschillende munitieartikelen. 44

ARTEFAC T RAPPORT 642

AXEL LANGEWEG - SMITSSCHORREPOLDER

Daarnaast kunnen meer statische structuren worden verwacht, zoals resten van stellingen, versperringen, loopgraven, ondersteunende posten e.d. Ook inslagen van granaten en mortieren kunnen worden verwacht, vaak in de vorm van beschadigingen aan bestaande bouw of bomen en als microreliëf. Slagvelden zijn echter alleen globaal af te bakenen en de grenzen van moderne slagvelden zijn diffuus. 72

2.6

Archeologisch verwachtingsmodel

Op basis van de in eerdere paragrafen beschreven informatie over de huidige situatie, de aardwetenschappelijke, de historische situatie en bekende archeologische waarden kan een specifieke archeologische verwachting worden opgesteld. Het plangebied ligt op een pleistocene dekzandondergrond, waarop zich tijdens het Holoceen vermoedelijk Hollandveen heeft gevormd, dat tot in de Late Middeleeuwen aan het oppervlak lag. Het veen zal in de Late Middeleeuwen waarschijnlijk geheel of gedeeltelijk zijn weggegraven, waarna het gebied kan zijn gebruikt voor bijvoorbeeld landbouw en/of bewoning. In de Vroege Nieuwe Tijd is dit oppervlak afgedekt geraakt met jonge afzettingen van het Laagpakket van Walcheren (ook wel Braakmanafzettingen genoemd), te weten tijdens overstromingen vanaf de late 16de eeuw. Hierna maakte het twee eeuwen lang deel uit van onbedijkt schorrengebied. Sinds de definitieve inpoldering in de late 18 de eeuw heeft het plangebied altijd een agrarisch gebruik gekend.

Dit betekent dat in het plangebied een pleistocene dekzandondergrond van het Laagpakket van Wierden (Formatie van Boxtel) te verwachten valt, afgedekt door jonge (vanaf de late 16 de eeuw) afzettingen van het Laagpakket van Walcheren (Formatie van Naaldwijk); mogelijk ligt tussen beide laagpakketten nog (een restant) Hollandveen (Hollandveen Laagpakket; Formatie van Nieuwkoop) en/of een laatmiddeleeuwse akkerlaag. Direct ten noorden van het plangebied bevindt zich een restant van een Walcheren-kreek (Axelsche Gat / Canaal van Axel, thans Zwartenhoekse Kreek). De maaiveldhoogtes variëren van 1,30 m +NAP in delen van het oosten en uiterste noordwesten van het plangebied tot 2,00 m +NAP in het zuidwesten van het plangebied. Enkel perioden met een middelhoge of hoge verwachting zijn in verwachtingstabellen opgenomen. Pleistoceen dekzandlandschap – Laagpakket van Wierden – Formatie van Boxtel Vindplaatsen uit het Paleolithicum kunnen aanwezig zijn in eventueel aanwezige paleosols. Deze kunnen voorkomen als afgedekte niveaus in afzettingen van het Laagpakket van Wierden. In meerdere onderzoeken in de nabije omgeving van het plangebied is in het dekzand een paleosol waargenomen. Zodoende valt niet uit te sluiten dat een dergelijke oude bodem ook in het plangebied kan worden aangetroffen.

Op basis van de resultaten van de eerdere onderzoeken moet ongeveer vanaf 0 m NAP met een mogelijke paleosol rekening worden gehouden. Omdat er zelden archeologische resten in een dergelijk niveau zijn gevonden, is de verwachting voor dit niveau niet hoog, maar middelhoog. Datering

Paleolithicum

Complextype

Algemeen – niet gespecificeerd: bewoning, begraving

Soort vindplaats

Vindplaatsen met alleen een vondststrooiing

Omvang

Klein (nomadische kampen; <50 m2)

Uiterlijke kenmerken

Voorkomen van archeologische indicatoren zoals verbrand bot, vuursteen, verbrande botanische resten. Maar ook indicatoren die niet met zekerheid als antropogeen kunnen worden bestempeld: onbewerkt natuursteen, onverbrand bot, onverbrand botanisch materiaal

Vondstdichtheid

Zeer laag tot laag: < 40 tot 80 per m²

72 www.ikme.nl

45

ARTEFAC T RAPPORT 642

AXEL LANGEWEG - SMITSSCHORREPOLDER

Diepteligging

Vanaf circa 0 m NAP

Locatie

Hele plangebied

Gaafheid en conservering

Goed: afgedekt landschap met goede bewaarcondities

Mogelijke verstoringen

-

Vindplaatsen uit latere periodes kunnen worden verwacht in de top van het dekzand. Op welke diepte deze top zich bevindt, is op basis van het bureauonderzoek niet heel precies vast te stellen. Afgaand op de bestudeerde gegevens kan de ligging van de hoogte/diepte van de top van het dekzand sterk variëren: ⎯ Volgens Van Rummelen op 1 tot 2 m -NAP; ⎯ Volgens geologische gegevens van het DINOloket (meest nabijgelegen geologische boringen) vanaf 1,20 m mv/ 0,30 m +NAP; ⎯ Op basis van bodemkundige gegevens van het DINOloket in bijna het hele plangebied vermoedelijk dieper dan 1,20 m -mv, behalve in het zuidoosten, waar het dekzand mogelijk al vanaf 0,70 m -mv/ 0,43 m +NAP kan worden aangetroffen; ⎯ In archeologische onderzoeken in de omgeving gemiddeld van NAP tot 0,50 m +NAP (maar ook plaatselijk op 0,70 m -NAP en 0,80 m +NAP). Uit eerdere archeologische onderzoeken valt op te maken dat er sprake lijkt te zijn geweest van een reliëf in het dekzandlandschap. Het relatief hoge niveau waarop zand is opgeboord in het zuidoosten van het plangebied is mogelijk ook op die manier te verklaren. Als NAP-hoogte vanaf waar het dekzand in het plangebied kan worden aangesneden, wordt veiligheidshalve voorlopig uitgegaan van 0,50 m +NAP. Middels het booronderzoek kunnen de hoogtes van de top van het dekzand en de aanwezigheid van een eventueel reliëf worden vastgesteld.

Vindplaatsen uit het Mesolithicum kunnen aanwezig zijn in de top van het pleistocene dekzand, zoals in de naburige Autrichepolder. Archeologische waarden uit deze periode kunnen bestaan uit kleine nederzettingsterreinen, zogenaamde extractiekampen (5 tot 10 m2), of basiskampen, die een ruimere omvang hebben. Vindplaatsen uit deze periode kenmerken zich voornamelijk door een vondstverspreiding van vuursteen. Ook kunnen ondiepe grondsporen (crematiegraven, haardplaatsen) worden aangetroffen. De waarde van vuursteenvindplaatsen wordt grotendeels bepaald door de mate van intactheid van het bodemprofiel. Van belang is daarom de mate van verstoring van het bodemprofiel in beeld te brengen. Mede omdat de top van het pleistocene dekzand na het Mesolithicum nog enkele millennia aan het oppervlak heeft gelegen, is de kans aanwezig dat het bodemprofiel is aangetast door latere landbouw- of andere activiteiten of door natuurlijke processen. Is het profiel wel intact gebleven, dan is het vanaf de IJzertijd tot en met de Vroege Middeleeuwen waarschijnlijk bedekt geweest met een beschermende laag veen. Ook tijdens de Late Middeleeuwen kan het bodemprofiel alsnog door veenwinning en/of landbouw zijn aangetast. Verder kunnen de overstromingen in de Nieuwe Tijd een erosieve werking hebben gehad, maar de toen gevormde Walcherenafzettingen vormden nadien een beschermende afdekkende laag.

Zolang echter niet is vastgesteld in welke mate de top van het dekzand is aangetast, geldt een middelhoge verwachting. Datering

Mesolithicum

Complextype

Algemeen – niet gespecificeerd: bewoning, begraving

Soort vindplaats

Vindplaatsen met alleen een vondststrooiing, ondiepe grondsporen

Omvang

Vuursteenvindplaats: zeer klein tot groot (< 5 m² - enkele honderden m²)

Uiterlijke kenmerken

Voorkomen van archeologische indicatoren zoals verbrand bot, vuursteen, verbrande botanische resten. Maar ook indicatoren die niet met zekerheid als antropogeen kunnen worden bestempeld: onbewerkt natuursteen, onverbrand bot, onverbrand botanisch materiaal

Vondstdichtheid

Zeer laag tot laag: < 40 tot 80 per m²

Diepteligging

Top dekzand: vanaf circa 0,50 m +NAP

Locatie

Hele plangebied

46

ARTEFAC T RAPPORT 642

AXEL LANGEWEG - SMITSSCHORREPOLDER

Gaafheid en conservering

Afhankelijk van later gebruik en/of erosie (o.a. landbouw, eventuele bewoning, veenwinning, overstromingen); veenpakket en later jonge Walcheren-afzettingen vormden een beschermende laag

Mogelijke verstoringen

-

De hoge verwachting voor vindplaatsen uit de periode Neolithicum - Bronstijd wordt ingegeven door de relatief hoge ligging van het Zeeuws-Vlaamse dekzandlandschap. Afzettingen van het Laagpakket van Wormer hebben het plangebied en omgeving nooit bereikt. Dit leverde gunstige omstandigheden op voor bewoning en/of landbouw. Door de hoge ligging raakte het dekzand waarschijnlijk pas in de loop van de Bronstijd of in de IJzertijd overgroeid met veen. In de eeuwen die volgden, vormde het veen een beschermende laag op de top van het dekzand, totdat het vermoedelijk in de Late Middeleeuwen is weggegraven. In een straal van 1.000 meter rond het plangebied zijn weliswaar geen resten uit deze Neolithicum en Bronstijd aangetroffen, maar op iets grotere afstand, in de Autrichepolder, is bijvoorbeeld een concentratie haardkuilen uit het Neolithicum opgegraven. Vindplaatsen kunnen bestaan uit woningen en erven. Vindplaatsen (huisplaatsen) uit deze periode kenmerken zich door het voorkomen van (dieper ingegraven) grondsporen (paalsporen, afvalkuilen, greppels, waterkuilen) en vondststrooiingen met aardewerk en vuursteen. Net als dit het geval is voor vindplaatsen uit het Mesolithicum, kan bij een verstoring van het bodemprofiel de verwachting voor wat betreft vondststrooiingen naar beneden worden bijgesteld.

Indien de verstoring beperkt is tot de bovenzijde van het podzolprofiel, blijft de kans op (dieper ingegraven) archeologische sporen bestaan. Datering

Neolithicum – Bronstijd

Complextype

Algemeen – niet gespecificeerd: bewoning, begraving, agrarische productie en voedselvoorziening

Soort vindplaats

Vindplaatsen met zowel grondsporen als een vondststrooiing

Omvang

Huisplaats: 500-2.000 m²

Uiterlijke kenmerken

Voorkomen van archeologische indicatoren zoals aardewerk, verbrand bot, vuursteen, verbrande botanische resten. Maar ook indicatoren die niet met zekerheid als antropogeen kunnen bestempeld worden: onbewerkt natuursteen, onverbrand bot, onverbrand botanisch materiaal

Vondstdichtheid

Zeer laag tot laag: < 40 tot 80 per m²

Diepteligging

Top dekzand: vanaf circa 0,50 m +NAP

Locatie

Hele plangebied

Gaafheid en conservering

Afhankelijk van later gebruik en/of erosie (o.a. landbouw, eventuele bewoning, veenwinning, overstromingen); veenpakket en later jonge Walcheren-afzettingen vormden beschermende laag

Mogelijke verstoringen

-

In de periode vanaf de IJzertijd tot en met de Vroege Middeleeuwen maakte het plangebied waarschijnlijk deel uit van een veenlandschap. Indien dit voldoende ontwaterd werd, is het mogelijk dat op deze ondergrond gewoond werd. Het is echter waarschijnlijker dat men hiervoor de – nog hoger gelegen – dekzandruggen uitkoos, waarvan er in de omgeving meerdere voorkomen, zoals in Axel, Zuiddorpe en Koewacht. In Axel zijn vindplaatsen uit de Romeinse tijd en Vroege Middeleeuwen bekend; ten zuiden van de Belgische grens zijn ook vindplaatsen uit de IJzertijd en Romeinse tijd bekend. Bovendien is het aannemelijk dat het aanwezige veen in de Late Middeleeuwen goeddeels is afgegraven. Zo er al resten uit IJzertijd t/m Vroege Middeleeuwen aanwezig zijn, zullen zodoende alleen nog dieper ingegraven sporen bewaard zijn gebleven. Door dit alles is de verwachting voor de IJzertijd – Vroege Middeleeuwen laag. In de Late Middeleeuwen maakte het plangebied deel uit van een sterk ontgonnen/geëxploiteerd gebied waarin veel veen is afgegraven. Deze woeste gronden konden vervolgens worden gebruikt voor bijvoorbeeld bewoning of landbouw. Dit gebeurde direct op het weer vrijgekomen dekzand, of op een laatste restant veen. Binnen een straal van 1.000 meter rond het plangebied zijn meerdere archeologische resten aangetroffen die uit de Late Middeleeuwen 47

ARTEFAC T RAPPORT 642

AXEL LANGEWEG - SMITSSCHORREPOLDER

dateren. Door akkerbouw kan in deze periode een akkerlaag zijn ontstaan, zoals deze eveneens meermaals is waargenomen in de omgeving van het plangebied (paragraaf 2.4). Er zijn geen aanwijzingen dat het plangebied in de Late Middeleeuwen al met overstromingen te maken had; dit gebeurde pas in de Vroege Nieuwe Tijd. Hierbij vormde zich een pakket jonge Walcheren-afzettingen op het niveau uit de Late Middeleeuwen en eerdere periodes. Deze jonge afzettingen kunnen erosief zijn geweest, maar ze hebben ook een beschermende laag gevormd. Zodoende is de verwachting voor de Late Middeleeuwen hoog. Datering

Late Middeleeuwen

Complextype

Algemeen – niet gespecificeerd: bewoning, begraving, infrastructuur, nijverheid, agrarische productie en voedselvoorziening, grondstofwinning

Soort vindplaats

Vindplaatsen met alleen grondsporen; mogelijk vondststrooiing; Off-site vindplaatsen; akkerlaag

Omvang

Huisplaats: 500-2.000 m²

Uiterlijke kenmerken

Vondstdichtheid

Voorkomen van archeologische indicatoren zoals aardewerk, verbrand bot, vuursteen, verbrande botanische resten. Maar ook indicatoren die niet met zekerheid als antropogeen kunnen bestempeld worden: onbewerkt natuursteen, onverbrand bot, onverbrand botanisch materiaal; voorkomen van 'vuile' laag of antropogeen doorwerkte bodem/sporen(niveau); voorkomen van leef-, cultuur- of ophooglagen Zeer laag tot laag: < 40 tot 80 per m²

Diepteligging

Onder Laagpakket van Walcheren: vanaf circa 0,50 m +NAP

Locatie

Hele plangebied

Gaafheid en conservering

Goed: afgedekt landschap met goede bewaarcondities voor o.a. organisch materiaal

Mogelijke verstoringen

-

Jong getijdenlandschap - Laagpakket van Walcheren (Braakmanafzettingen) – Formatie van Naaldwijk Gedurende de Nieuwe Tijd maakte het plangebied twee eeuwen lang, vanaf de late 16 de tot late 18de eeuw, deel uit van een onbedijkt schorrengebied in de randzone van het Axelsche Gat/ het Canaal van Axel. Uit cartografische en andere historische gegevens blijkt dat het plangebied sinds de bedijking in de late 18 de eeuw uitsluitend als bouwland is gebruikt. Bebouwing lijkt er in deze periode nooit te zijn geweest. Dit maakt dat de verwachting voor de Nieuwe Tijd laag wordt ingeschat. Langs de zuidelijke grens van het plangebied kunnen oude ophooglagen aanwezig zijn die te relateren zijn aan de dijk van de 17de -eeuwse Canisvlietpolder. Deze bevinden zich vermoedelijk in het niveau van het Laagpakket van Walcheren, mogelijk al vlak onder de moderne bouwvoor. Deze lagen kunnen (deels) zijn aangetast door de aanleg van de waterleiding aldaar.

48

ARTEFAC T RAPPORT 642

AXEL LANGEWEG - SMITSSCHORREPOLDER

3

Inventariserend veldonderzoek

3.1

Methoden

Het voorliggend hoofdstuk omvat de resultaten van het Inventariserend Veldonderzoek door middel van boringen (IVO-O, verkennende fase). In de aanvullende richtlijnen voor archeologisch onderzoek in de provincie Zeeland staat immers beschreven dat het, op basis van het voorafgaand bureauonderzoek, opgestelde archeologisch verwachtingsmodel door een verkennend booronderzoek moet worden getoetst. Het onderzoek is in onderzoeksgebied 1 (boringen 1 t/m 24) uitgevoerd conform protocol 4003 (IVO-O) van de KNA 4.1, en het hiertoe opgestelde Plan van Aanpak. 73 In onderzoeksgebied 2 zijn drie proefboringen gezet (boringen 25 t/m 27; zie hoofdstuk 1.2 voor een toelichting hierop). Het verkennend booronderzoek is niet de meest geschikte methode voor het in kaart brengen van (de aan- of afwezigheid) van archeologische vindplaatsen; dit vormde evenwel ook niet het doel van het onderzoek, waarbij het bepalen van de landschappelijke vormeenheden en het toetsen van het archeologische verwachtingsmodel voorop stond. De strategie en werkwijze is afgestemd op de bovengenoemde richtlijnen en in onderstaande tabel opgenomen: Aantal boringen

27

Grid

Zoveel mogelijk volgens een verspringend driehoeksgrid (35 x 35 m), aangepast naar de onregelmatige contouren van de planvorming

Plaats- en hoogtebepaling

RTK-GNSS (GPS & GLONASS, max. afwijking horizontaal/verticaal= 2 cm)

Boorgegevens

Digitaal vastgelegd op iPad

Gebruikte codelijsten - standaard

(afgeleide van) ASB (Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode) en ABR (Archeologisch Basis Register)

Boordiepte

Maximaal 4,00 m -mv/ 2,98 m -NAP

Gehanteerde boor

Edelmanboor (Ø 7 cm); gutsboor (Ø 3 cm)

Opsporen indicatoren

In het veld visueel door versnijden/verbrokkelen

Monstername

Geen

Oppervlaktekartering

Geen

Tijdens het beschrijven van de boringen is specifieke aandacht besteed aan de volgende geologische en bodemkundige kenmerken: ⎯ de aard, kleur en kalkgehalte van het sediment ⎯ aard van de laagovergangen (erosieverschijnselen) ⎯ de genese van de laag ⎯ bodemvormende kenmerken (bodemvorming/veraarding, ontkalking, rijping e.d.) ⎯ de diepteligging van het reductievlak De boorpuntenkaart wordt afgebeeld op figuur 23, de boorstaten zijn opgenomen in bijlage 5.

73 Wattenberghe & Van den Berg, 05-10-2023: Plan van Aanpak Axel Langeweg – Smitsschorrepolder. Gemeente Terneuzen.

Inventariserend Veldonderzoek door middel van verkennende boringen. Artefact, Zaamslag.

49

ARTEFAC T RAPPORT 642

AXEL LANGEWEG - SMITSSCHORREPOLDER

Figuur 23 Boorpunten, geprojecteerd op een uitsnede van de Topografische Kaart. Bron: Esri Nederland, Community Map Contributors.

3.2

Geologie en bodem

Het booronderzoek heeft een goed beeld opgeleverd van de bodemopbouw. Het maaiveld ligt binnen de onderzochte delen van het plangebied op hoogten tussen 1 en 1,6 m +NAP, waarbij het maaiveld in noordelijke richting iets afloopt. Pleistoceen dekzandlandschap – Laagpakket van Wierden – Formatie van Boxtel Aan de basis is in boringen 1, 6, 11 t/m 13, 15 t/m 18, 26 en 27 zeer fijn, kalkloos, zwak tot matig siltig zand aangetroffen, dat lichtgrijs tot bruin van kleur is. Dit zand valt lithogenetisch te duiden als eolisch dekzand en valt lithostratigrafisch te rekenen tot het Laagpakket van Wierden. In twee boringen, namelijk boringen 1 en 27, is tussen 0,72 en 0,99 m -NAP (vanaf 2,30 – 2,46 m -mv) binnen de C-horizont een begraven A-horizont waargenomen. In boring 1 bestaat deze uit een 20 cm dunne laag zwak kleiig, zwart veen met onderin enkele zandbrokjes (zie foto 24). In boring 27 bestaat deze uit een 3 cm dun laagje zwak siltig, sterk humeus, donkerbruin zeer fijn zand. In beide gevallen is deze begraven A-horizont geïnterpreteerd als Allerød-laag, vernoemd naar het Allerød-interstadiaal (13.900 tot 12.850 BP), toen zich in een relatief warme periode in de laatste ijstijd een vegetatieniveau kon vormen. De bovenzijde van het Laagpakket van Wierden is in boringen 1, 6, 11, 26 en 27 aangetroffen omstreeks 0,3 - 0,50 m NAP, oftewel tussen 1,90 en 2,25 m -mv.

In boringen 12, 13 en 15 t/m 18 ligt de bovenzijde van het Laagpakket van Wierden dieper, namelijk op diepten variërend tussen 2,70 - 3,75 m -mv/ 1,15 - 2,32 m -NAP. In boring 16 is in de

50

ARTEFAC T RAPPORT 642

AXEL LANGEWEG - SMITSSCHORREPOLDER

(resterende) bovenzijde van het Laagpakket van Wierden op 2,88 m -mv/ 1,26 m -NAP een mogelijke BC-horizont aangetroffen; geheel zeker is dit echter niet. Verder zijn nergens tekenen van bodemvorming waargenomen in de bovenzijde van het Laagpakket van Wierden. Op basis hiervan valt aan te nemen dat het Laagpakket van Wierden nergens intact is aangetroffen. In boring 26 werden in de C-horizont veel schelpfragmenten aangetroffen. Aan te nemen valt dat de schelpdieren zich tijdens de afzettingsperiode van het Laagpakket van Walcheren (zie onder) vanuit de toenmalige kreek in het geërodeerde dekzand hebben ingegraven. In boringen 1, 6, 11 en 13 is in de bovenzijde van het Laagpakket van Wierden een bruingekleurde, regelmatig geploegde dan wel bewerkte A-horizont waargenomen (zie figuur 24). In boring 1 kon de dikte hiervan worden vastgesteld op 28 cm. Dit betreft een niveau daterend uit de periode voorafgaand aan de afzettingsperiode van Laagpakket van Walcheren in het plangebied (zie onder). Uit de bestudeerde historische gegevens (hoofdstuk 2.3.1) is gebleken dat deze afzettingsperiode aanving in de late 16de eeuw.

Allerød-laag

C A

verlandingsafzettingen

Figuur 24 Boorkern van boring 1. Van rechts naar links: verlandingsafzettingen en kreekbodem (beide: Laagpakket van Walcheren) met hieronder een geploegde/bewerkte A-horizont, C-horizont en de Allerød-laag (alle drie behorend tot het Laagpakket van Wierden). Foto: F.G.R. D’hondt (Artefact).

In het merendeel van de boringen is het Laagpakket van Wierden evenwel niet bereikt. Hier werd tot op de einddiepte (veelal 1,5 m -NAP of dieper) het Laagpakket van Walcheren aangetroffen. Aan te nemen valt dat hier een flink deel van het Laagpakket van Wierden door erosie is verdwenen. Jong getijdenlandschap - Laagpakket van Walcheren (Braakmanafzettingen) – Formatie van Naaldwijk De bovenzijde van de natuurlijke ondergrond wordt overal gevormd door mariene afzettingen. Deze zijn in de boringen ofwel direct op het Laagpakket van Wierden, ofwel tot op de einddiepte aangetroffen. Dit zijn kalkrijke afzettingen, bestaande uit pakketten zwak tot uiterst siltig zand dan wel klei, soms ook sterk zandige leem. Hierbinnen is geregeld sprake van klei-, silt-, leem- en humuslaagjes en fragmenten van mariene schelpen. Deze pakketten zijn lithogenetisch herkend als deels verlandings- en deels kreekbeddingafzettingen. Lithostratigrafisch vallen deze afzettingen gezamenlijk te rekenen tot het Laagpakket van Walcheren, en hierbinnen – specifiek voor dit gebied – tot de zogenoemde Braakmanafzettingen. Uit de bestudeerde historische gegevens uit het bureauonderzoek (hoofdstuk 2.3.1) is gebleken dat het plangebied twee eeuwen buitendijks lag vanaf de late 16de eeuw; de aangetroffen mariene afzettingen dateren hoogstwaarschijnlijk uit deze periode.

De gemeten dikte van het Laagpakket van Walcheren varieert van 0,85 m (boring 1) tot minimaal 3,15 m (tot op de einddiepte van boring 7). De enige boring waar het Laagpakket van Walcheren dagzomend is aangetroffen, is boring 26 (maaiveld op 1,67 m +NAP; de bouwvoor is hier 0,35 m dik). In vrijwel alle overige boringen ligt het Laagpakket van Walcheren onder opgebrachte grond, vanaf diepten uiteenlopend van 0,55 tot 2,50 m -mv. De opgebrachte grond heeft een nivellerend effect gehad. Verstoringen zijn enkel waargenomen in boringen 13 en 14, tot respectievelijk 1,45 m -mv/ 0,10 m +NAP en 1,55 m -mv/ 0,57 m -NAP.

51

ARTEFAC T RAPPORT 642

3.3

AXEL LANGEWEG - SMITSSCHORREPOLDER

Archeologie

Tijdens het onderzoek zijn in een aantal boringen archeologische indicatoren aangetroffen. In boring 21 zijn binnen het Laagpakket van Walcheren, in de kreekbeddingafzettingen, enkele oranje puinbrokjes aangetroffen tussen 2,35 m -mv/ 1,08 m -NAP en 2,50 m/ 1,23 m -NAP. Dit lijkt verspoeld materiaal te zijn. Alle overige indicatoren omvatten puinbrokjes of een spoor van baksteen die zijn aangetroffen in de opgebrachte grond. Deze indicatoren zijn niet informatief over het verleden van het plangebied. Grondsporen, cultuurlagen en vondstmateriaal zijn niet aangetroffen.

52

ARTEFAC T RAPPORT 642

AXEL LANGEWEG - SMITSSCHORREPOLDER

4

Conclusie en Advies

4.1

Conclusie: beantwoording onderzoeksvragen

Op basis van de beschikbare aardwetenschappelijke, archeologische en historische gegevens uit het bureauonderzoek is een gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel opgesteld. Op basis van de resultaten van het uitgevoerde booronderzoek kunnen de onderstaande onderzoeksvragen uit het bureauonderzoek beantwoord worden en het verwachtingsmodel bijgesteld en verfijnd worden. ⎯ Wat is de geo(morfo)logische situatie binnen het plangebied? Zoals verwacht zijn in het plangebied restanten aangetroffen van het pleistocene dekzandlandschap (Laagpakket van Wierden); dit betreft eolische afzettingen. In twee boringen is binnen het dekzand vermoedelijk de Allerød-laag aangeboord vanaf 2,30 m -mv/ 0,72 m -NAP. Deze is ontstaan tijdens een relatief warme periode in de laatste ijstijd. Het is niet bekend in welke mate het dekzand ooit bedekt is geweest met veen van Formatie van Nieuwkoop; hiervan zijn in elk geval geen restanten aangetroffen. De oorspronkelijke top van het dekzand is nergens intact; wel is plaatselijk in het noordwesten van het plangebied in de bovenzijde van het dekzand (vanaf 1,90 m -mv/ 0,50 m -NAP) een begraven, regelmatig geploegde dan wel bewerkte A-horizont waargenomen, daterend uit de periode vóór 1586. Vanaf 1586 lag het plangebied twee eeuwen buitendijks. Uit deze periode dateren verlandings- en kreekbeddingafzettingen, behorend tot het Laagpakket van Walcheren.

Tijdens de afzettingsperiode van deze jonge afzettingen zijn plaatselijk delen van het dekzand geërodeerd, maar de kleiige en zelfs lemige sedimenten duiden erop dat er tevens perioden waren met zeer weinig dynamiek. Het plangebied ligt nog altijd aan de rand van een kreekrestant. Sinds de bedijking in de late 18de eeuw kende het plangebied zelf een agrarisch gebruik. Op enig moment is het maaiveld in delen van het plangebied opgehoogd, waarschijnlijk ter nivellering. ⎯ Is de bodem intact of werden verstoringen vastgesteld? Enkel in boringen 13 en 14 werden verstoringen vastgesteld tot circa 1,50 m -mv. Verder is de bodem redelijk intact te noemen. De natuurlijke ondergrond wordt in onderzoeksgebied Fase 1 overal afgedekt door opgebrachte grond. Deze reikt tot diepten uiteenlopend van 0,55 tot 2,50 m -mv. Verder is langs de zuidzijde van het plangebied een lange lineaire verstoring bekend van een leiding (zie hoofdstuk 2.3.2). ⎯ Werden binnen het plangebied (aanwijzingen voor de aanwezigheid van) vindplaatsen vastgesteld? Zo ja, binnen welk deel van het plangebied en op welk niveau/diepte? Er zijn geen aanwijzingen voor de aanwezigheid van vindplaatsen vastgesteld, zoals cultuurlagen, grondsporen en vondstmateriaal.

⎯ Bestaat binnen het plangebied een verwachting op het voorkomen van vindplaatsen? Zo ja, binnen welk deel van het plangebied en op welk niveau/diepte? Met andere woorden: kan het verwachtingsmodel uit het bureauonderzoek worden bijgesteld? Op basis van het bureauonderzoek gold binnen het hele plangebied een middelhoge verwachting op resten uit het Paleolithicum, een hoge verwachting op resten uit het Mesolithicum, Neolithicum, Bronstijd en Late Middeleeuwen en een lage verwachting voor de periode IJzertijd tot en met Vroege Middeleeuwen. Mogelijke resten uit deze periodes zijn te verwachten op, dan wel in, het Laagpakket van Wierden, onder jonge afzettingen van het Laagpakket van Walcheren. Voor de Nieuwe Tijd (op & in het Laagpakket van Walcheren) werd van een lage archeologische verwachting uitgegaan. Binnen onderzoeksgebied Fase 1 kan op basis van het booronderzoek de verwachting voor alle perioden worden bijgesteld naar laag: ⎯ Paleolithicum: Weliswaar is in 9 van de 24 boringen het Laagpakket van Wierden aangetroffen en is plaatselijk een paleosol in het dekzand aangetroffen; in het merendeel van de genoemde 9 boringen alsook in de overige

53

ARTEFAC T RAPPORT 642

⎯

⎯

⎯

⎯

AXEL LANGEWEG - SMITSSCHORREPOLDER

15 is het Laagpakket van Wierden in meer of mindere mate geërodeerd. De kans op het aantreffen van een paleolithische vindplaats is op zichzelf al klein bij een intact dekzandlandschap; de hier vastgestelde erosie maakt deze kans zeer klein. Mesolithicum t/m Bronstijd: Nergens is in de bovenzijde van het Laagpakket van Wierden een intacte podzol aangetroffen. De oorspronkelijke top van het dekzand is waarschijnlijk in de laatmiddeleeuwse bouwvoor (de begraven A-horizont) opgenomen, maar het dekzand is bovendien op de meeste plaatsen geërodeerd tijdens de afzettingsperiode van het Laagpakket van Walcheren. IJzertijd t/m Vroege Middeleeuwen: Het booronderzoek geeft geen aanleiding om de lage verwachting voor de periode van de IJzertijd tot en met de Vroege Middeleeuwen bij te stellen. Er is nergens veen van de Formatie van Nieuwkoop aangetroffen en de top van het Laagpakket van Wierden is nergens intact. Late Middeleeuwen: plaatselijk, in vier boringen, is bovenin het Laagpakket van Wierden vermoedelijk een bouwvoor uit deze periode aangetroffen. Elders is de bovenzijde van het Laagpakket van Wierden in meer of mindere mate geërodeerd. Aanwijzingen voor laatmiddeleeuwse vindplaatsen zijn niet gezien.

Nieuwe Tijd: Het booronderzoek geeft geen aanleiding om de lage verwachting voor de Nieuwe Tijd bij te stellen, omdat er, zoals verwacht, geen aanwijzingen zijn gezien voor vindplaatsen uit deze periode.

Voor de rest van het plangebied geeft het booronderzoek geen aanleiding om de archeologische verwachting uit het bureauonderzoek bij te stellen. ⎯ Worden de (vastgestelde of verwachte) archeologische waarden bedreigd door de voorgenomen planontwikkeling? De planvorming voorziet in ontgravingen tot maximaal 1,00 m -mv in onderzoeksgebied Fase 1 en tot maximaal 0,50 m -mv in onderzoeksgebied Fase 2, alsook in enkele ophogingen met 0,50 m. Ook worden er bomen en andere beplanting aangebracht, vooral in op te hogen delen van het terrein en deels op het oorspronkelijke maaiveld. Op het oorspronkelijke maaiveld wordt niet dieper bewerkt dan de huidige bouwvoor (zie hoofdstuk 1.4). ⎯ Onderzoeksgebied Fase 1: aangezien alle verwachtingen hier kunnen worden bijgesteld naar laag, worden hier geen archeologische waarden bedreigd door de voorgenomen planontwikkeling. ⎯ Onderzoeksgebied Fase 2: aangezien hier het Laagpakket van Wierden (al dan niet geërodeerd) pas te verwachten valt vanaf circa 2 m -mv, wordt niet verwacht dat eventueel aanwezige archeologische waarden hier worden bedreigd door de voorgenomen planontwikkeling. ⎯ De rest van het plangebied: aangezien hier niet dieper zal worden bewerkt dan de huidige bouwvoor, wordt niet verwacht dat eventueel aanwezige archeologische waarden hier worden bedreigd door de voorgenomen planontwikkeling.

Op basis van dit alles valt te verwachten dat eventueel aanwezige archeologische waarden nergens in het plangebied worden bedreigd door de voorgenomen planontwikkeling. ⎯ Is het plangebied in voldoende mate onderzocht? Zo nee, welke vorm van vervolgonderzoek wordt geadviseerd? Het plangebied is in voldoende mate onderzocht, vervolgonderzoek wordt niet noodzakelijk geacht ten aanzien van de huidige planvorming.

4.2

Advies

In bovenstaande hoofdstukken wordt het archeologisch potentieel binnen het plangebied geïllustreerd. Hieruit komt voor het deel van het plangebied waar tot 1 m -mv zal worden ontgraven (onderzoeksgebied Fase 1), een lage verwachting naar voren voor alle perioden. In de rest van het plangebied gelden archeologische verwachtingen voor alle perioden tot en met de Bronstijd alsook de Late Middeleeuwen, namelijk op en in het Laagpakket van Wierden. In onderzoeksgebied Fase 2 bevindt dit zich rond 0,5 m -NAP, oftewel circa 2 m -mv, terwijl hier ontgravingen tot maximaal 0,5 m -mv zijn voorzien. Voor het Laagpakket van Walcheren geldt overal een lage archeologische verwachting.

54

ARTEFAC T RAPPORT 642

AXEL LANGEWEG - SMITSSCHORREPOLDER

Ten aanzien van de bestemmingsplanwijziging wordt geadviseerd om de archeologische dubbelbestemming te verwijderen voor onderzoeksgebied Fase 1, omdat hier voor alle perioden valt uit te gaan van een lage archeologische verwachting. Geadviseerd wordt om voor de rest van het plangebied de bestaande archeologische dubbelbestemming in stand te houden, waarbij de oorspronkelijke vrijstellingsdiepte (0,50 m -mv) gehandhaafd kan blijven. Dit advies staat weergegeven in figuur 24.

Figuur 25 Advieskaart ten behoeve van de bestemmingsplanwijziging. Bron: Esri Nederland, Community Map Contributors.

Het valt niet te verwachten dat eventueel aanwezige archeologische waarden in het plangebied worden bedreigd door de thans voorgenomen planvorming: in onderzoeksgebied Fase 1 valt van een lage archeologische verwachting voor alle perioden uit te gaan; in onderzoeksgebied Fase 2 worden met de voorgenomen ontgravingen – die overigens binnen de huidige vrijstellingsdiepte blijven – naar alle waarschijnlijkheid geen potentiële archeologische niveaus bereikt. Voor het aanbrengen van de beplanting zal niet dieper dan in de bestaande bouwvoor worden gewerkt, oftewel eveneens binnen de huidige vrijstellingsdiepte. De ophoging van delen van het plangebied met 0,50 m leidt naar verwachting niet tot zetting van de ondergrond. Op basis van dit alles wordt vervolgonderzoek niet noodzakelijk geacht ten aanzien van de huidige planvorming. Bij wijzigingen of eventuele toekomstige planvorming kan verder archeologisch onderzoek alsnog noodzakelijk zijn, afhankelijk van de aard en diepte van de ingrepen. Dit is ter beoordeling van de bevoegde overheid. Tevens dient het volgende opgemerkt. Het is niet uit te sluiten dat, hoewel geen vervolgonderzoek aanbevolen is, desondanks relevante archeologische vindplaatsen in de bodem verborgen zijn die in de uitvoeringsfase van de toekomstige graafwerkzaamheden aan het licht komen.

Voor dergelijke vondsten bestaat een wettelijke meldingsplicht op grond van artikel 5.10 van de Erfgoedwet (2016). Om ervoor te zorgen dat aan deze wettelijke plicht

55

ARTEFAC T RAPPORT 642

AXEL LANGEWEG - SMITSSCHORREPOLDER

wordt voldaan bij het eventueel aantreffen van sporen en/of vondsten tijdens de uitvoering van de werkzaamheden, wordt verzocht om navolgende tekst in het uitvoeringsbestek op te nemen: Archeologie Ook indien bij het vooronderzoek geen behoudenswaardige archeologische waarden werden aangetroffen, is niettemin de kans aanwezig dat archeologische sporen en vondsten in de bodem aanwezig zijn en dat deze in de uitvoeringsfase van de graaf- en inrichtingswerkzaamheden aan het licht komen. Voor dergelijke vondsten bestaat een wettelijke meldingsplicht ex. artikel 5.10 van de Erfgoedwet uit 2016. Bij graafwerkzaamheden dient men dan ook attent te zijn op eventuele vondsten. Opdrachtgever verplicht de aannemers om attent te zijn op eventuele vondsten en/of sporen tijdens de werkzaamheden en verplicht hen archeologische vondsten direct te melden bij de bevoegde overheid. Voorliggend conceptrapport dient ter beoordeling en goedkeuring te worden voorgelegd aan de bevoegde overheid.

56

ARTEFAC T RAPPORT 642

AXEL LANGEWEG - SMITSSCHORREPOLDER

Lijst met figuren Figuur 1 Ligging in Nederland. Bron: Esri Nederland, Community Map Contributors 2020. ................................... 7 Figuur 2 Projectie van het plangebied en Onderzoeksgebieden Fase 1 en Fase 2 op een uitsnede van de Topografische Kaart. Bron: Esri Nederland, Community Map Contributors. ...................................................... 10 Figuur 3 Ligging van het plangebied op de Vrijstellingenkaart Gemeente Terneuzen 2017. Bron: De Visser & De Weerd 2017. ........................................................................................................................................... 12 Figuur 4 Projectie van het plangebied en onderzoeksgebieden Fase 1 en Fase 2 op een uitsnede van een luchtfoto uit 2022. Bron: Esri Nederland, Beeldmateriaal.nl. .............................................................................................13 Figuur 5 Ligging van de pleistocene cuesta’s (asymmetrische heuvels) en dekzandruggen. Bron: Verbruggen 2002. 17 Figuur 6 Paleogeografische ontwikkeling Zeeland. Blauwe stip: ligging plangebied. Bron: Vos & De Vries 2013. .... 19 Figuur 7 Projectie van het plangebied (rode polygoon) en situering van relevante DINO-boringen op uitsnede van de Geologische Kaart. Bron: Van Rummelen 1977a. ..........................................................................................

22 Figuur 8 Projectie van het plangebied (rode polygoon) geprojecteerd op een uitsnede van de Bodemkaart van Nederland. Bron: Stichting voor Bodemkartering 1980a. ............................................................................... 24 Figuur 9 Projectie van het plangebied (rode polygoon) geprojecteerd op een uitsnede van de Geomorfologische Kaart van Nederland. Bron: Brus & De Lange 1987. ....................................................................................... 25 Figuur 10 Projectie van het plangebied (in zwart) op bewerkte uitsnede Actueel Hoogtebestand Nederland. Bron: www.pdok.nl (AHN3 0,5 meter raster DTM)................................................................................................. 26 Figuur 11 Projectie van het plangebied (in zwart) op bewerkte uitsnede Actueel Hoogtebestand Nederland. Bron: www.pdok.nl (AHN3 0,5 meter raster DTM)..................................................................................................27 Figuur 12 Uitsnede uit een 17de -eeuwse kopie van de zgn. kaart van Gwijde van Dampierre uit 1274. De ligging van het plangebied (bij benadering) is met een rode cirkel aangeduid. Bron: Kaartenverzameling RAG/P. De Reu: VZ7. .

29 Figuur 13 Ligging van het plangebied (bij benadering; in rode cirkel) op uitsnede van figuratieve kaart van het noordelijke deel van Vlaanderen, met de streek tussen Brugge, Gent en Antwerpen uit het midden van de 16 de eeuw. Bron: Kaartenverzameling RAG/P. De Reu: VZ19. ......................................................................................... 30 Figuur 14 Ligging van het plangebied (in rode cirkel; bij benadering) op uitsnede van de Kaart van de Vier Ambachten, vervaardigd door Gerard Coeck in 1664. Bron: S.1034 (03) kaart 033 (landkaart, gravure, papier), Atlassen uit het Scheepvaartmuseum, Nederlands Scheepvaartmuseum Amsterdam. .....................................................31 Figuur 15 Ligging van het plangebied (in rode cirkel; bij benadering) op kopie van D.W.C. Hattinga (1746) naar kopie van W.T. Hattinga (1730) naar kopie van I. Matelé (circa 1715) naar een origineel uit circa 1680 waarvan de naam van de maker niet meer leesbaar (“uijtgesleten”) was. Bron: Zeeuws Archief, Atlassen Hattinga, nr. 411...................... 32 Figuur 16 Ligging van het plangebied (in rode cirkel; bij benadering) op uitsnede van kaart van Hattinga uit omstreeks 1750.

Bron: Geoloket Cultuurhistorie Provincie Zeeland...................................................................33 Figuur 17 Projectie van het plangebied (roze polygoon) op uitsnede van de gedigitaliseerde Kadastrale Minuut, omstreeks 1830. Bron: Geoloket Provincie Zeeland. ...................................................................................... 34 Figuur 18 Projectie van het plangebied (roze polygoon) op de Topografische (Militaire) Kaarten uit 1850, 1916, 1950, 1960, 1980, 1995 en 2010. Bron: Esri Nederland, Kadaster.............................................................................. 36 Figuur 19 Ligging van een verstoring (in rood aangegeven zone; op basis van KLIC-melding bij Kadaster) als gevolg van de aanleg van een waterleiding, geprojecteerd op de topografische kaart. Bron: Esri Nederland, Community Map Contributors 2020. ................................................................................................................................... 37 Figuur 20 Monumenten, onderzoeken en vondstlocaties in de omgeving van het plangebied. Gegevens ontleend aan Archis 3 en De Visser & Emaus (2014). Bron: Esri Nederland, Jan Willem van Aalst, www.imergis.nl ...................... 39 Figuur 21 Ligging van het plangebied (rode polygoon) en lineaire soil-/cropmarks (aangegeven met blauwe pijlen) op luchtfoto uit 1959.

Bron: Geoloket Atlas van Zeeland. ................................................................................... 43 Figuur 22 Ligging plangebied (rode polygoon) en soilmarks geprojecteerd op luchtfoto uit 2010. Bron: Geoloket Atlas van Zeeland. .................................................................................................................................. 44

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13785075/1