CConstaterende datTerneuzen
Koppel je AI →
Document · PDF

2024-02-21 - 1. Onderbouwing Natuurontwikkeling Smitsschorrepolder Axel

commissie Omgeving 21 februari 2024, gemeente TerneuzenBij agendapunt: a. overzicht omgevingsvergunningen afwijkend gebruik28.055 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Mevr. M. Burger

Adres

Postbus 35, 4530 AA Terneuzen

Telefoon

06-40985677

Email

m.burger@terneuzen.nl

BEHEER EN PLAATS DOCUMENTATIE EN VONDSTEN Naam

Zeeuws Archeologisch Depot

Contactpersoon

dhr. J.J. H. van den Berg

Adres Telefoon

Looierssingel 2, 4331 NK Middelburg Postbus 49, 4330 AA Middelburg 0118 670618

Email

jjh.vanden.berg@erfgoedzeeland.nl

E-depot

EDNA (E-Depot Nederlandse archeologie via www.easy.dans.knaw.nl)

UITVOERDER Naam

Artefact! Advies en Onderzoek in Erfgoed.

Contactpersoon

dhr. J.E.M. Wattenberghe

Adres

Riemensstraat 9, 4543 BW Zaamslag

Telefoon

0115 851614

Email

janwattenberghe@artefact-info.nl

Certificaat

ARC-010/2 - BRL4000 SIKB: protocollen 4002, 4003 en 4004

ONDERZOEKSGEGEVENS Planologische aanleiding

bestemmingsplanwijziging, omgevings-/ontgrondingenvergunning

Begin/einddatum veldwerk

23-24 oktober 2023

Projectnummer Artefact

2021ART42 / 2023ART127

Archis onderzoeksmelding

5094003100

Vindplaats(en)

-

6

ARTEFAC T RAPPORT 642

1

Inleiding

1.1

Aanleiding van het onderzoek

AXEL LANGEWEG - SMITSSCHORREPOLDER

In opdracht van Juust B.V. heeft Artefact! Advies en Onderzoek in Erfgoed een archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek door middel van verkennende boringen uitgevoerd omtrent een plangebied ten noorden van de Langeweg te Axel (gemeente Terneuzen; figuren 1, 2 en 3). De aanleiding tot het onderzoek wordt gevormd door het voornemen van de initiatiefnemer – de Provincie Zeeland – om het bestaande natuurreservaat Zwartenhoekse Kreek en het recreatiebos Smitsschorre uit te breiden. Het plangebied omvat twee agrarische percelen die kadastraal bekend staan onder Gemeente Axel, Sectie L, Perceel 313, 319 en 312, en beslaat een oppervlakte van 300.919 m2. Hierbinnen wordt het booronderzoek uitgevoerd binnen twee onderzoeksgebieden waar ontgravingen zijn voorzien. Deze onderzoeksgebieden worden aangeduid als Fase 1 (oppervlakte: 26.784 m2) en Fase 2 (30.106 m2). Een en ander wordt toegelicht in hoofdstukken 1.2 en 1.4.

Figuur 1 Ligging in Nederland. Bron: Esri Nederland, Community Map Contributors 2020.

Het plangebied is binnen bestemmingsplan Buitengebied Terneuzen (2013) gesitueerd in een gebied met enkelbestemming Agrarisch. Mogelijk aanwezige archeologische waarden worden planologisch beschermd door een dubbelbestemming waarde archeologie 3. Binnen dit gebied geldt een verbod op het uitvoeren van (graaf)werkzaamheden die groter zijn dan 1.000 m² én dieper reiken dan 0,50 meter beneden maaiveld (-mv). Dergelijke werkzaamheden zijn wel vergunbaar mits een archeologisch onderzoeksrapport wordt voorgelegd waarin wordt aangetoond dat geen archeologische waarden aanwezig zijn, dat deze niet behoudenswaardig zijn of dat deze door de voorgenomen werkzaamheden niet onevenredig worden geschaad. De voorgenomen ontwikkeling past niet 7

ARTEFAC T RAPPORT 642

AXEL LANGEWEG - SMITSSCHORREPOLDER

binnen het bestaande bestemmingsplan. Om de plannen mogelijk te maken, is een bestemmingsplanwijziging noodzakelijk. In het nieuwe bestemmingsplan kan in principe worden volstaan met het overnemen van de archeologische dubbelbestemming. Omdat de vrijstellingsgrenzen met de nieuwe inrichting zullen worden overschreden, is een archeologisch vooronderzoek uitgevoerd in het kader van de aanvraag voor de omgevings‐ en ontgrondingenvergunning.

1.2

Doel van het onderzoek en onderzoeksvragen

Conform de AMZ-cyclus start een archeologisch onderzoek steeds met een bureauonderzoek. Het doel van een bureauonderzoek is het opstellen van een gespecificeerde, archeologische verwachting, met behulp van informatie van bestaande bronnen over bekende of verwachte archeologische waarden binnen een omschreven gebied. Het resultaat is een standaardrapport met een advies op basis waarvan de bevoegde overheid een besluit kan nemen over het al dan niet laten uitvoeren van vervolgonderzoek. 1 De resultaten van het standaardrapport bureauonderzoek kunnen leiden tot één van de volgende uitkomsten: ⎯ Er zijn onvoldoende data: er wordt nader archeologisch onderzoek geadviseerd conform protocol 4003 Inventariserend Veldonderzoek ⎯ Er zijn voldoende data: er wordt geen vervolgonderzoek geadviseerd Het doel van een inventariserend veldonderzoek is het aanvullen en toetsen van de gespecificeerde archeologische verwachting, zoals geformuleerd in het bureauonderzoek en/of in het Programma van Eisen. Het gaat om gebieds- of vindplaatsgericht onderzoek. Inventariserend veldonderzoek gebeurt door middel van waarnemingen in het veld, waarbij (extra) informatie wordt verkregen over bekende en/of verwachte archeologische waarden in een onderzoeksgebied.

Dit omvat de aan- of afwezigheid, de aard, de omvang, de datering, de gaafheid, de conservering en de inhoudelijke kwaliteit van de archeologische waarden. Een inventariserend veldonderzoek kan uitgevoerd worden als een IVO-proefsleuvenonderzoek (IVO-P waarbij veldwerk bestaat uit het aanleggen van proefsleuven en/of proefputten) of als een IVO-overig (IVO-O waarbij het veldwerk kan bestaan uit oppervlaktekartering, boringen, profielputjes of geofysisch onderzoek). 2 Een inventariserend veldonderzoek kent drie mogelijke fasen: een verkennende, een karterende en een waarderende fase. Het is vanzelfsprekend niet steeds noodzakelijk al deze fasen te doorlopen. ⎯ De verkennende fase heeft als doel om inzicht te krijgen in de vormeenheden van het landschap die van invloed zijn op de locatiekeuze in het verleden. Dit kan met een eenvoudige terreininspectie, maar ook door geo-archeologisch booronderzoek en het graven van profielputjes.

Doel daarbij is het uitsluiten van kansarme zones en het selecteren van kansrijke zones voor de volgende vormen van onderzoek ⎯ Tijdens de karterende fase wordt het terrein systematisch onderzocht op de aanwezigheid van vondsten en/of sporen ⎯ Tijdens de waarderende fase kan het waarnemingsnet verdicht worden om de aard, omvang, datering, gaafheid, conservering en inhoudelijke kwaliteit van de archeologische resten vast te stellen Het resultaat van een inventariserend veldonderzoek is een standaardrapport met een waardering en een inhoudelijk selectieadvies (buiten normen van tijd en geld), op basis waarvan een beleidsbeslissing (meestal een selectiebesluit) kan worden genomen. Om te komen tot het resultaat moeten de veldactiviteiten uitgevoerd worden tot het niveau waarop de beleidsbeslissing gefundeerd genomen kan worden, d.w.z. dat de archeologische waarden van het terrein/vindplaats in voldoende mate zijn vastgesteld. Indien er onvoldoende data voor waardering en selectie-advies zijn, kunnen deze niet opgesteld worden. 3 Het advies kan dan zijn: vrijgeven, vervolgonderzoek en/of planologische bescherming.

1 SIKB, Protocol 4002, Versie 4.1, d.d. 19 februari 2018: p.4.

2

SIKB, Protocol 4003, Versie 4.1, d.d. 19 februari 2018: p.4 3 SIKB, Protocol 4003, Versie 4.1, d.d. 19 februari 2018: p.4-5.

8

ARTEFAC T RAPPORT 642

AXEL LANGEWEG - SMITSSCHORREPOLDER

Het voorliggend onderzoek betreft een bureauonderzoek gecombineerd met een inventariserend veldonderzoek door middel van boringen (IVO-O, verkennende fase). Conform de Regeling aanvullende richtlijnen voor archeologisch onderzoek in de provincie Zeeland 20194 dient een archeologisch vooronderzoek in de Provincie Zeeland, behoudens anders besloten na overleg met de bevoegde overheid, immers (minimaal) te bestaan uit een bureauonderzoek gecombineerd met een inventariserend veldonderzoek door middel van (verkennende) boringen. Het bureauonderzoek is uitgevoerd ten aanzien van het hele plangebied. Het resultaat van het bureauonderzoek (het verwachtingsmodel) is opgenomen in hoofdstuk 2.6. Booronderzoek is enkel uitgevoerd in twee delen van het plangebied. Dit betreft ten eerste onderzoeksgebied Fase 1, waar grondverzet is voorzien tot 0,5 – 1,00 m diepte. Hier is booronderzoek uitgevoerd met een dichtheid conform de provinciale richtlijn van 8 boringen per hectare. Ten tweede betreft dit onderzoeksgebied Fase 2, waar grondverzet is voorzien tot 0,3 – 0,5 m diepte. In principe biedt het gemeentelijk beleid vrijstelling tot 0,50 m ‐mv en is onderzoek niet noodzakelijk. In de praktijk valt niet uit te sluiten dat vlak onder de bouwvoor vindplaatsen aanwezig zijn die worden aangetast.

Uit het bureauonderzoek was gebleken dat de bovenlaag bestaat uit jonge getijdenafzettingen en dat mogelijke vindplaatsen waarschijnlijk dieper voorkomen. Zodoende zijn in onderzoeksgebied Fase 2 in eerste instantie drie proefboringen gezet. Indien was gebleken dat hier zeer dicht onder de bouwvoor een niveau met potentiële vindplaatsen aanwezig was, dan had hier eveneens een volwaardig booronderzoek kunnen worden uitgevoerd. Het resultaat van het inventariserend veldonderzoek door middel van (verkennende) boringen is opgenomen in hoofdstuk 3. Het bepalen van de landschappelijke vormeenheden staat daarbij voorop met als doel het uitsluiten van kansarme zones en het selecteren van kansrijke zones voor eventuele volgende vormen van onderzoek.

Tijdens dit onderzoek worden de volgende vragen beantwoord: ⎯ Wat is de geo(morfo)logische situatie binnen het plangebied? ⎯ Is de bodem intact of werden verstoringen vastgesteld? ⎯ Werden binnen het plangebied (aanwijzingen voor de aanwezigheid van) vindplaatsen vastgesteld? Zo ja, binnen welk deel van het plangebied en op welk niveau/diepte? ⎯ Bestaat binnen het plangebied een verwachting op het voorkomen van vindplaatsen? Zo ja, binnen welk deel van het plangebied en op welk niveau/diepte? Met andere woorden: kan het verwachtingsmodel uit het bureauonderzoek worden bijgesteld? ⎯ Worden de (vastgestelde of verwachte) archeologische waarden bedreigd door de voorgenomen planontwikkeling? ⎯ Is het plangebied in voldoende mate onderzocht? Zo nee, welke vorm van vervolgonderzoek wordt geadviseerd?

4 Provinciaal Blad van Zeeland nr. 8080, 12 december 2019.

9

ARTEFAC T RAPPORT 642

AXEL LANGEWEG - SMITSSCHORREPOLDER

Figuur 2 Projectie van het plangebied en Onderzoeksgebieden Fase 1 en Fase 2 op een uitsnede van de Topografische Kaart. Bron: Esri Nederland, Community Map Contributors.

1.3

Wettelijk kader en beleid

Sinds 1 juli 2016 is de Erfgoedwet van kracht, hiermee is het Europese Verdrag van Malta binnen de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd. Het verdrag beoogt het cultureel erfgoed, dat zich in de bodem bevindt, beter te beschermen. De Erfgoedwet regelt de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem, de inpassing ervan in de ruimtelijke ontwikkeling en de financiering van archeologische onderzoeken. De Erfgoedwet moet samen met de (nog in werking te treden) Omgevingswet een integrale bescherming van het cultureel erfgoed mogelijk maken. Op landelijk niveau is een Nationale Onderzoeksagenda Archeologie (NOaA2) opgesteld waarin het Zeeuws kleigebied als archeoregio een afzonderlijk hoofdstuk vormt en de regiogebonden onderzoeksthema’s en -vragen toegelicht worden. Daarnaast worden in deze NOaA2 ook per periode en complextype specifieke onderzoeksthema’s en –vragen geformuleerd die richtinggevend kunnen zijn bij onderzoek. Het beleid van de provincie Zeeland ten aanzien van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ) is vastgelegd in de CultuurNota 2017-2020. In februari 2017 heeft het College van Gedeputeerde Staten van Zeeland het ‘Toetsingskader archeologie Provincie Zeeland 2017’ vastgesteld. 5 In het toetsingskader is vastgesteld wanneer archeologisch (voor)onderzoek noodzakelijk is indien de provincie als bevoegde overheid optreedt. Daarnaast werd in 2016 de

5 Toetsingskader archeologie Provincie Zeeland 2017, Provinciaal blad 2017 nr. 605, 15 februari 2017.

10

ARTEFAC T RAPPORT 642

AXEL LANGEWEG - SMITSSCHORREPOLDER

Provinciale Onderzoeksagenda Archeologie Zeeland 2017-2020 gepubliceerd waarin de kernthema’s en zwaartepunten voor archeologisch onderzoek in de provincie Zeeland worden gepresenteerd: ⎯ Basale harde gegevens en diachrone datasets ⎯ Archeologisch onderzoek in diepere bodemontsluitingen ⎯ Uitwerking oud archeologisch onderzoek ⎯ Verdronken land en dorpen ⎯ Onderzoek naar infrastructuur ⎯ Verdedigingswerken in Zeeland ⎯ Boerderijen en rurale nederzettingen ⎯ Voedseleconomie van stad en platteland ⎯ Religieuze en rituele verschijningsvormen ⎯ Scheeps- en onderwaterarcheologie ⎯ Publiekswerking van archeologisch onderzoek Tot slot heeft de provincie een Regeling aanvullende richtlijnen voor archeologisch onderzoek in de provincie Zeeland 2019. 6 De Gedeputeerde Staten van de Provincie Zeeland zijn bevoegde overheid in het kader van de Ontgrondingenwet. Met de komst van de Wet op de archeologische Monumentenzorg (Wamz) is de verantwoordelijkheid voor het cultureel erfgoed in grote mate verschoven van Rijk en provincie naar de gemeenten. Gemeenten worden verantwoordelijk gehouden voor de omgang met archeologische waarden binnen het gemeentelijk grondgebied. Daartoe dienen gemeenten een eigen archeologiebeleid te voeren. De gemeente Terneuzen beschikt sinds 27 januari 2011 over een gemeentelijk interim-beleid archeologie: “De onderste steen boven?”.

Om inzicht te krijgen in de archeologische verwachtingswaarde van een gebied of locatie dient volgens dit beleid aan vijf criteria te worden getoetst: de Archeologische Monumentenkaart (AMK), de Indicatieve Kaart van Archeologische Waarden (IKAW), Archis, het Zeeuws Archeologisch Archief (ZAA) en de bodemopbouw. Bij het opstellen van ruimtelijke plannen en vergunningverlening in het kader van de Erfgoedverordening, zal deze toets het uitgangspunt zijn voor de beoordeling. In dit interim-beleid concludeerde de gemeente echter ook dat de kennisstand van een aantal vindplaatsen ontoereikend was, waarna het project ‘Leemten in Kennis’ is gestart. Hiertoe heeft Artefact! Advies en Onderzoek in Erfgoed een inventarisatie gemaakt van vindplaatsen waarvan fundamentele kennis ontbreekt. 7 In het kader van dit project zijn vervolgens tien bureauonderzoeken uitgevoerd. Het onderhavige plangebied maakt geen deel uit van de in deze bureauonderzoeken onderzochte gebieden. Het beleid van de gemeente Terneuzen is inmiddels verankerd in de bestemmingsplannen en beheersverordeningen. Wanneer in een bestemmingsplan van de gemeente Terneuzen een Dubbelbestemming Waarde-Archeologie wordt opgenomen, vormt de toets uit het gemeentelijk archeologiebeleid hiervoor de basis. Hierin wordt doorgaans een vrijstellingsdiepte van 0,5 m -mv gehanteerd.

Het toepassen van een grotere vrijstellingsdiepte is alleen weloverwogen mogelijk. De gemeente heeft daartoe in 2014 een vrijstellingenkaart laten ontwikkelen die in 2017 geactualiseerd werd als de Vrijstellingenkaart Gemeente Terneuzen 2017 (figuur 3). 8 Op basis van deze vrijstellingenkaart geldt binnen het hele plangebied een vrijstellingsdiepte t0t 0,50 m -mv.

6 Provinciaal Blad van Zeeland nr. 8080, 12 december 2019. 7 De Visser & Emaus 2014.

8

De Visser & De Weerd 2017: bijlage 3.

11

ARTEFAC T RAPPORT 642

AXEL LANGEWEG - SMITSSCHORREPOLDER

Figuur 3 Ligging van het plangebied op de Vrijstellingenkaart Gemeente Terneuzen 2017. Bron: De Visser & De Weerd 2017.

Voor het plangebied is het bestemmingsplan Buitengebied Terneuzen (2013) vigerend. Voor het plangebied geldt hierbinnen een enkelbestemming Agrarisch. Mogelijk aanwezige archeologische waarden worden planologisch beschermd door een dubbelbestemming waarde archeologie 3, hetgeen betekent dat er een verbod geldt op het uitvoeren van (graaf)werkzaamheden die groter zijn dan 1.000 m² én dieper reiken dan 0,50 m -mv. Dergelijke werkzaamheden zijn wel vergunbaar mits een archeologisch onderzoeksrapport wordt voorgelegd waarin wordt aangetoond dat geen archeologische waarden aanwezig zijn, dat deze niet behoudenswaardig zijn of dat deze door de voorgenomen werkzaamheden niet onevenredig worden geschaad. De voorgenomen ontwikkeling past niet binnen het bestaande bestemmingsplan. Om de plannen mogelijk te maken is, een bestemmingsplanwijziging noodzakelijk. In het nieuwe bestemmingsplan kan in principe worden volstaan met het overnemen van de archeologische dubbelbestemming. Omdat de vrijstellingsgrenzen met de nieuwe inrichting zullen worden overschreden, is een archeologisch vooronderzoek noodzakelijk zijn bij het aanvragen van een omgevings‐ dan wel ontgrondingenvergunning. Het onderzoek kan ook reeds in het kader van de bestemmingsplanwijziging worden uitgevoerd; dit is echter geen verplichting binnen de gemeente Terneuzen.

12

ARTEFAC T RAPPORT 642

1.4

AXEL LANGEWEG - SMITSSCHORREPOLDER

Plangebied, onderzoeksgebieden en planvorming

Het plangebied ligt circa 2,5 km ten zuidwesten van Axel, circa 2 km ten westen van het gehucht Drieschouwen en circa 500 m ten oosten van de Tractaatweg (N62). Het plangebied bevindt zich ten zuiden van de Zwartenhoekse Kreek en maakt deel uit van het gelijknamige natuurreservaat. Het plangebied omvat drie percelen die kadastraal bekendstaan onder Gemeente Axel, Sectie L, Perceelnummers 313, 319 en 312, en beslaat 300.919 m2. Aan de zuidzijde wordt het begrensd door de Langeweg (N258), op sommige kaarten ook aangeduid als de Langedreef. Aan de west- en noordzijde wordt het plangebied begrensd door een waterloop en aan de oostzijde door een bosgebied met perceelnummer 270. Tot dusver was het plangebied als akkergrond in gebruik (figuur 4).

Figuur 4 Projectie van het plangebied en onderzoeksgebieden Fase 1 en Fase 2 op een uitsnede van een luchtfoto uit 2022. Bron: Esri Nederland, Beeldmateriaal.nl.

Het voornemen is om in het plangebied circa 30 hectare natuur te realiseren, bestaande uit bosontwikkeling en kreekgrasland (kruiden- en faunarijk grasland en vochtig hooiland). Hierbij zullen tevens gradiënten worden ontwikkeld dan wel hersteld. Hiertoe zal grondverzet binnen het plangebied plaatsvinden. In delen van het plangebied zal het maaiveld worden verlaagd, met respectievelijk 0,3 – 0,5 m en 0,5 – 1,00 m. In enkele andere delen zal het maaiveld met 0,5 m worden opgehoogd; hiertoe wordt eerst de grasmat gescheurd. Vervolgens worden in het hele plangebied verschillende soorten bomen en struiken aangebracht, alsook enkele picknicktafels en informatieborden. De aanplant van bomen en struiken gebeurt met jong plantgoed. Het grootste deel van het plantgoed wordt aangebracht op de ophogingen; ook komt een klein deel op het huidige maaiveld. Bewerkingen van de grond zijn niet

13

ARTEFAC T RAPPORT 642

AXEL LANGEWEG - SMITSSCHORREPOLDER

dieper dan de huidige bouwvoor. Er komen geen bomen of struiken in de ontgravingen te staan. 9 Details omtrent het grondverzet en de beplanting zijn opgenomen in bijlage 4. Op basis van deze planvorming zijn ten behoeve van het booronderzoek twee afzonderlijke onderzoeksgebieden afgebakend (figuur 4) waar ontgravingen zijn voorzien: ⎯ Onderzoeksgebied Fase 1 (26.784 m2), waar tot 0,5 - 1,00 m zal worden ontgraven; ⎯ Onderzoeksgebied Fase 2 (30.106 m2), waar tot 0,3 – 0,5 m -mv zal worden ontgraven. Dit wordt nader toegelicht in hoofdstuk 1.2. Het bureauonderzoek is van toepassing op het hele plangebied.

9 Informatie ontleend aan het concept-inrichtingsplan Provincie Zeeland, februari 2023, en aan mailcorrespondentie tussen

G. Verweij (Juust) en K. Verhage (Provincie Zeeland), 26 oktober 2023.

14

ARTEFAC T RAPPORT 642

2

Archeologisch bureauonderzoek

2.1

Methoden

AXEL LANGEWEG - SMITSSCHORREPOLDER

Het voorliggend hoofdstuk omvat de resultaten van het archeologisch bureauonderzoek. Het onderzoek is uitgevoerd conform protocol 4002 van de KNA 4.1 en de Regeling aanvullende richtlijnen voor archeologisch onderzoek in de provincie Zeeland 2019. 10 Hierbij werden de volgende processtappen doorlopen: Processtap

Specificatie

Hoofdstuk

Afbakenen plan/onderzoeksgebied; vaststellen consequenties toekomstig gebruik

LS01

1.4

Vermelden (en toepassen) overheidsbeleid

LS01

1.3

Beschrijven huidig gebruik

LS02

1.4

Beschrijven historische situatie

LS03

2.3.1

Beschrijven mogelijke verstoringen

LS03

2.3.2

Beschrijven mogelijke aanwezigheid bouwhistorische waarden ondergrond

LS02-03-04

2.5

Beschrijven bekende aardwetenschappelijke kenmerken

LS04

2.2.2

Beschrijven bekende archeologische kenmerken

LS04

2.4

Opstellen gespecificeerde verwachting

LS05

2.6

Tijdens het uitvoeren van de bovengenoemde processtappen werd een groot aantal bronnen van diverse aard geraadpleegd. Deze worden hieronder benoemd en in het bronnenoverzicht nader gespecificeerd. ⎯ (Landelijke en regionale) bodem-, geologische en geomorfologische (overzichts)kaarten ⎯ Paleogeografische kaarten ⎯ Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) ⎯ (Specialistische) literatuur ⎯ Rapporten van eerder uitgevoerd archeologisch en cultuurhistorisch onderzoek ⎯ Inrichtingsplannen en conditionerende onderzoeksrapporten: milieu, ecologie, niet-gesprongen explosieven ⎯ Lucht- en satellietfoto’s ⎯ Kaartmateriaal: topografische (militaire) kaarten, oud(st)e kadasterkaarten, oude en/of historische kaarten ⎯ Gemeentelijk en/of provinciaal archief ⎯ Archeologische Monumenten Kaart (AMK) ⎯ Het Archeologisch Informatie Systeem (Archis) ⎯ Centraal Monumenten Archief (CMA) en Centraal Archeologisch Archief (CAA) werden niet geraadpleegd omdat deze oude papieren archieven na de introductie door de ROB werden ingevoerd in Archis ⎯ Cultuurhistorie: gemeentelijke waardenkaart en/of de provinciale Cultuurhistorische Hoofdstructuur (CHS) ⎯ Data en Informatie van de Nederlandse Ondergrond (DINO) ⎯ Gemeentelijke verwachtings- en beleidskaarten ⎯ Indicatieve Kaart Archeologische Waarden (IKAW), maar enkel indien geen meer gedetailleerde regionale kaarten beschikbaar zijn ⎯ Provinciaal depot:

archief van het Zeeuws Archeologisch Depot (ZAD)

10 Provinciaal Blad van Zeeland nr. 8080, 12 december 2019.

15

ARTEFAC T RAPPORT 642

2.2

Landschap en geologie

2.2.1

Landschappelijke ontwikkeling 11

AXEL LANGEWEG - SMITSSCHORREPOLDER

Zeeland maakt deel uit van het zuidwestelijk zeekleigebied, een sterk gestapeld landschap bestaande uit eolische afzettingen, mariene sedimenten en sedentaat (veen). Oostelijk Zeeuws-Vlaanderen, waaronder het plangebied valt, vormt een vrij complex geologisch geheel. Enerzijds hebben holocene afzettingen met verschillende sedimentatiefasen zich ingesneden in het oudere landschap, anderzijds vormen zij een afdekkende laag waaronder het vroeg-holocene en pleistocene landschap nog intact bewaard kan zijn. Daartussen loopt een dekzandrug als landschappelijk relict uit de laatste ijstijd. Omdat de locatiekeuze van bewoning en nederzettingspatronen voor een groot deel worden bepaald door de mogelijkheden die het natuurlijke landschap daartoe bood, is het zinvol de landschappelijke ontwikkeling gedurende de laatste fase van het Pleistoceen en het Holoceen in beeld te krijgen. De landschappelijke evolutie van het Zeeuwse kustgebied kan worden geschetst aan de hand van de paleogeografische kaarten die door Vos en De Vries zijn gepubliceerd. 12 Paleogeografische kaarten zijn ontwikkeld door de analyse van grote hoeveelheden bodemdata en bieden aan de hand van momentopnamen inzicht in het waarschijnlijke landschapsbeeld. De veranderende landschappelijke omgeving gedurende de laatste 12.000 jaar, en de globale ligging van het plangebied, wordt afgebeeld op figuur 6.

De oudste in Zeeland dagzomende afzettingen behoren tot de Formatie van Oosterhout. Deze afzettingen zijn gevormd in het Plioceen (5.300.000-2.600.000 jaar geleden), de periode die voorafging aan het Pleistoceen. Deze sterk gelaagde mariene zanden, okergeel tot bruinrood van kleur, met schelpenrijke lagen en plaatselijk harde ijzerhoudende banken, dagzomen in Nederland alleen in Nieuw Namen. 13 In het Vroeg-Pleistoceen, tijdens het Tiglien (2.450.000-1.800.000 jaar geleden), ontstond een brede, oost-west georiënteerde erosiegeul, benoemd als de Vallei van Zeeland. De afzettingen in deze vallei zijn van fluviatiele oorsprong en worden benoemd als de Formatie van Maassluis. Deze afzettingen komen enkel voor in het noordelijk deel van Oost-Zeeuws-Vlaanderen. 14 In het LaatPleistoceen, tijdens het Eemien (130.000-115.000 jaar geleden), hebben zich marien beïnvloede fluviatiele afzettingen gevormd. Deze (matig) grove zanden met een hoge grindfractie, schelpgruis en grove schelpen behoren tot de Eem Formatie werden enkel in West-Zeeuws-Vlaanderen herkend. Afzettingen van de Formatie van Maassluis en de Eem Formatie komen nergens in Zeeuws-Vlaanderen aan of nabij het oppervlak voor.

Tijdens de laatste ijstijd, het Weichselien (115.000-11.755 jaar geleden), werden vanuit het droog liggende Noordzeebekken eolische zanden afgezet, behorend tot het Laagpakket van Wierden (Formatie van Boxtel). Het betreft fijnzandige afzettingen met ingeschakelde leemlagen en een aantal gyttja- en venige gyttjalaagjes. 15 De laatste ijstijd wordt gekenmerkt door een afwisseling van warmere en koudere fasen, de zogenaamde interstadialen en stadialen. Deze klimaatschommelingen manifesteerden zich vooral sterk in het Vroeg- en Laat-Glaciaal. In het algemeen zijn in West-Zeeuws-Vlaanderen met name de vroeg-glaciale interstadialen goed herkenbaar, terwijl in Oost-Zeeuws-Vlaanderen de laat-glaciale interstadialen beter vertegenwoordigd zijn, met name het Bøllinginterstadiaal (14.640 tot 14.030 BP) en Allerød-interstadiaal (13.900 tot 12.850 BP) , waarin zich vegetatieniveaus hebben gevormd. 16 Het dekzandlandschap van de Formatie van Boxtel wordt gekenmerkt door een brede dekzandrug. Deze duikt op ter hoogte van Gistel (West-Vlaanderen, België) en is met korte onderbrekingen van Maldegem tot Stekene (OostVlaanderen, België) in de ondergrond aanwezig (Grote Dekzandrug op figuur 5), om van daar meer naar het noorden 11 Voorliggende paragraaf is voor een groot deel gebaseerd op, en deels overgenomen uit, eerdere bureauonderzoeken

die Artefact heeft uitgevoerd omtrent onderzoeksgebieden in Zeeuws-Vlaanderen. 12 Vos & De Vries 2013. 13 Van Rummelen 1977a. 14 Van Rummelen 1977b: 11. 15 Van Rummelen 1977b: 12. 16 Berendsen 2004: 220.

16

ARTEFAC T RAPPORT 642

AXEL LANGEWEG - SMITSSCHORREPOLDER

af te buigen, over Hulst en Saaftinge tot bij Rilland (Rillandrug op figuur 5); het plangebied bevindt zich op het zuidelijke deel van de Rillandrug). Deze brede dekzandrug is ontstaan doordat de eolische zanden hier werden tegengehouden door hoger gelegen tertiaire klei. Ten noordwesten van deze dekzandrug, in het huidige Zeeuws-Vlaanderen, ontwikkelden zich verschillende zuidwest-noordoost georiënteerde stuifzandruggen, die naar het noorden toe lager werden. De Rillandrug verhinderde dat de toenmalige Schelde ter hoogte van het huidige Rilland een westelijke richting kon nemen. De rivier stroomde destijds via het doorbraakdal van Hoboken naar het noorden en mondde uit in de Rijn-Maasvallei. Pas veel later zou de rivier zeewaarts gaan stromen via de Oosterschelde. Tot ver in de Middeleeuwen was van de Westerschelde zoals we die nu kennen, nog maar weinig te bespeuren. 17

Figuur 5 Ligging van de pleistocene cuesta’s (asymmetrische heuvels) en dekzandruggen. Bron: Verbruggen 2002.

17 Verbruggen 2002: 11.

17

ARTEFAC T RAPPORT 642

AXEL LANGEWEG - SMITSSCHORREPOLDER

18

ARTEFAC T RAPPORT 642

AXEL LANGEWEG - SMITSSCHORREPOLDER

Figuur 6 Paleogeografische ontwikkeling Zeeland. Blauwe stip: ligging plangebied. Bron: Vos & De Vries 2013.

19

ARTEFAC T RAPPORT 642

AXEL LANGEWEG - SMITSSCHORREPOLDER

Vanaf het begin van het Holoceen veranderde het klimaat ingrijpend. Het smelten van het landijs van de laatste ijstijd en de daaruit voortvloeiende sterke stijging van de zeespiegel zorgde voor een nieuwe reeks van afzettingen. De sterke stuwing van het grondwater ten gevolge van de zeespiegelstijging veroorzaakte op veel plaatsen langs het westelijke Nederlandse kustgebied veengroei op het pleistocene substraat. Dit veen wordt tot het Basisveen Laagpakket (Formatie van Nieuwkoop) gerekend. In Zeeuws-Vlaanderen is het Basisveen enkel als duidelijk te onderscheiden laag aangetroffen in het noordelijk deel van Oost-Zeeuws-Vlaanderen. 18 Hier bevindt het veen zich tussen het pleistocene dekzand en de mariene afzettingen van het Laagpakket van Wormer (Formatie van Naaldwijk). Deze afzettingen van het Laagpakket van Wormer zijn ontstaan tijdens het holoceen maximum. Op dat ogenblik was de gemiddelde temperatuur het hoogst en bevond de zeespiegel zich op een maximum. Hierdoor ontstond in grote delen van Zeeland een getijdenlandschap, doorsneden door brede geulen. In deze geulen werden de oudere holocene en pleistocene afzettingen opgeruimd. Buiten deze getijdengeulen werden de aanwezige veen- en/of dekzandpakketten bedekt met dikke lagen marien sediment.

19 Enkel de lagergelegen delen in het uiterste westen van Zeeuws-Vlaanderen en het noordelijk deel van Oost-Zeeuws-Vlaanderen werden tijdens het holoceen maximum overstroomd door de zee. In de overige delen van Zeeuws-Vlaanderen, waaronder het plangebied, vond door de hoge ligging van het pleistocene landschap geen overstroming plaats en zijn dan ook geen afzettingen van het Laagpakket van Wormer aanwezig. Door een verminderde invloed van de zee ontwikkelde zich hierna opnieuw een veenlaag, het zogenaamde Hollandveen Laagpakket (Formatie van Nieuwkoop). In de hoger gelegen delen van Zeeuws-Vlaanderen, waar de getijdenafzettingen van het Laagpakket van Wormer geen invloed hadden, ontwikkelde het veen zich rechtstreeks op de dagzomende pleistocene dekzandafzettingen. Dit is, afgaand op de paleogeografische kaarten van Vos en De Vries (figuur 6) vermoedelijk ook gebeurd ter hoogte van het plangebied. Hierbij kan geen onderscheid gemaakt worden tussen het Basisveen en het Hollandveen. In West-Zeeuws-Vlaanderen en het westelijk deel van Oost-ZeeuwsVlaanderen begon de veenvorming pas laat door de hoge ligging van het pleistocene dekzand: tussen het LaatAtlanticum in het noorden en in het zuiden in de tweede helft van het Subboreaal, tot het begin van het Subatlanticum. Overal is de veenvorming echter doorgegaan tot na de Romeinse tijd.

De gebieden achter de pleistocene dekzandrug tussen Hulst en het Land van Saaftinge werden beschermd tegen een groter wordende mariene invloed en overstromingen, waardoor ten oosten van deze rug de veengroei ononderbroken door kon gaan en het veen een veel grotere dikte bereikte dan in de westelijker gelegen gebieden. Volgens pollenanalyses bleef de veenvorming in dit zoetwatermilieu van de Schelde doorgaan tot circa 700 n. Chr. 20 Er bestaat echter discussie over de maximale veenuitbreiding en in hoeverre daarbij pleistocene dekzandruggen door een veenpakket afgedekt werden. 21 Duidelijk mag zijn dat de kans bestaat dat ook de hoger gelegen pleistocene dekzandgronden met veen begroeid zijn geweest, maar dat veel van dit veen, door ontginning, verdwenen is. Door een combinatie van een klimatologisch nattere fase, een goede ontwatering van het veen, de bijhorende klink en wellicht ook door menselijk ingrijpen, kwam het kustgebied na een lange periode van veengroei weer geleidelijk onder invloed van de zee. In Zeeuws-Vlaanderen is die evolutie nauw verweven met de zeearm die zich vanaf de strandwal voor Knokke en Cadzand ging insnijden naar het oosten; dit zou later de Westerschelde worden. Deze zeearm moet al in de pre-Romeinse tijd aanwezig zijn geweest in de vorm van en getijdengeul.

22 Via ontwateringsgeulen in het veen en vermoedelijk ook via door mensen gegraven kanalen werd deze geul gevoed. Door de geleidelijke daling van het veenlandschap ten gevolge van het inzakken van het veen en wellicht ook de ontginning van het veen, kon het zeewater gedurende de Romeinse tijd steeds verder het binnenland in dringen. Met diverse kustinbraken ontwikkelde zich een systeem van diepe kreken, waarbij het veen- en dekzandoppervlak werd geërodeerd. Vanuit deze kreken werd een pakket van grijze, zwak tot matig siltige klei afgezet. De basis van dit pakket is veelal humeus en er kunnen zich verslagen veenbrokken in bevinden. De sedimentatie van dit pakket ging door tot de bedijking van het gebied in de 12de eeuw. 23 Deze afzettingen hebben een dikte van ongeveer 1 m en zijn door Vos et al. (2008) ‘Sluiskilafzettingen’ 18 Van Rummelen 1977b: 36. 19 Vos & Van Heeringen 1997: 53.

20

20 Vos & Van Heeringen 1997: 50-51, 60.

21

Zie onder andere Gottschalk 1984; Augustyn 1986 en De Kraker 1997. Vos & Van Heeringen 1997. Deze getijdengeul is wellicht wat in historische bronnen uit de volle Middeleeuwen omschreven staat als de ‘Sincfal’. 23 Stichting voor Bodemkartering 1980. 22

ARTEFAC T RAPPORT 642

AXEL LANGEWEG - SMITSSCHORREPOLDER

genoemd. Voorheen werden deze kleien ook wel aangeduid als afzettingen van Duinkerke II. Deze afzettingen komen voor ten noorden van het plangebied en hebben het plangebied zelf niet bereikt. 24 Tussen het einde van de 10de en het einde van de 11 de eeuw werden de getijdengeulen in de kustvlakte ingedijkt, wat uiteindelijk leidde tot de verhoging van het stormvloedniveau in het buitendijkse gebied. 25 Bedijking zorgde ervoor dat de Honte zich kon ontwikkelen tot een brede getijdenstroom, hetgeen het binnendijkse gebied gevoeliger maakte voor stormvloeden, zoals die van 1375, de Sint-Elisabethsvloeden van 1404 en 1421 en de grootschalige overstroming van 1530. 26 Vanuit het systeem van de Braakman werd een stelsel van meerdere grote inbraakgeulen gevormd. Het Axelsche Gat was een directe uitloper van de Braakman. Deze mariene inbraken waren zeer krachtig, waarbij diepe geulen werden gevormd en onderliggende afzettingen werden geërodeerd. Naast de geulen ontstonden zandige oeverwallen, verder weg werden meer kleiige sedimenten afgezet. 27 Aan de basis van dit pakket bevindt zich veelal een schelpenlaag met kokkels. Deze afzettingen zijn door Vos et al. (2008) ‘Braakmanafzettingen’ genoemd. Voorheen werden deze kleien aangeduid als afzettingen van Duinkerke IIIb.

De stormvloeden, maar ook militaire inundaties in de Tachtigjarige Oorlog, zorgden ervoor dat dit gebied weer sterk onder invloed van de zee kwam te staan. 28 Smalle en brede inbraakgeulen sneden zich in in het landschap en de lagergelegen delen werden overspoeld. Tot ver landinwaarts werd een dik pakket sediment afgezet. Hierdoor raakten grote delen van het oude landschap bedekt. 29 Ook deze nieuwe sedimenten en geulafzettingen worden tot het Laagpakket van Walcheren gerekend.

2.2.2

Aardkundige waarden

Geologie Op de Geologische Overzichtskaart van Nederland 30 (niet afgebeeld) ligt vrijwel het hele plangebied in een zone met code Na8. Dit betekent dat hier volgens deze kaart sprake is van zeeklei behorende tot het Laagpakket van Walcheren op veen behorende tot de Formatie van Nieuwkoop. Enkel het uiterste zuidoostpuntje van het plangebied ligt in een zone met code Na6, hetgeen betekent dat hier sprake is van zeeklei en -zand van het Laagpakket van Walcheren. Op de fijnmaziger Geologische Kaart van Nederland31 (figuur 7) ligt het overgrote deel van het plangebied binnen een egaal donkergeel gekleurde zone met code F0.3b, hetgeen betekent dat hier sprake is van afzettingen van Duinkerke IIIb (volgens de nieuwe nomenclatuur: Laagpakket van Walcheren) op Hollandveen op Pleistoceen. De noordwestelijke rand ligt in een egaal geelgekleurde zone met code DP0.3b. Dit betekent dat hier sprake is van afzettingen van Duinkerke IIIb op zwak geërodeerd Pleistoceen. Direct ten noorden en westen van het plangebied bevindt zich een omvangrijke geelgekleurde zone met code D0.3b. Ook een klein strookje in het westen van het plangebied en de uiterste noordoostpunt maken hier deel van uit. Hier is sprake is van kreekafzettingen van Duinkerke IIIb. Dit betreft een zeer brede, noordwest-zuidoost georiënteerde kreek, die ten zuiden van Axel uiteengaat in meerdere vertakkingen.

Volgens de bijbladen van de Geologische Kaart kan het pleistocene dekzand in het grootste deel van het plangebied worden aangetroffen op een diepte van 1 tot 2 m -NAP en bedraagt de dikte van het Hollandveen 0 tot 0,5 m. Alleen in de noordwestelijke randzone ligt het pleistocene dekzand op een diepte van 3 tot 4 m -NAP.

24 Van Rummelen 1977. 25 Tys 2010. 26 De Kraker 1997: 21. 27 Stichting voor Bodemkartering 1980. 28 Strydonck & De Mulder 2000: 109. 29 Van Rummelen 1977b: 26-48. 30 TNO 2010, naar De Mulder et al. 2003. 31 Van Rummelen 1977a.

21

ARTEFAC T RAPPORT 642

AXEL LANGEWEG - SMITSSCHORREPOLDER

Figuur 7 Projectie van het plangebied (rode polygoon) en situering van relevante DINO-boringen op uitsnede van de Geologische Kaart. Bron: Van Rummelen 1977a.

Data en Informatie van de Nederlandse Ondergrond (DINO) Data en Informatie van de Nederlandse Ondergrond (DINO) is bruikbaar om de diepteligging van de verschillende geologische niveaus te achterhalen. Raadpleging van de ondergrondgegevens in het DINOloket32 leert dat binnen het plangebied een geologische boring bekend is. In de omgeving van het plangebied zijn eveneens boringen bekend. Hieronder worden de boring binnen het plangebied en een selectie van drie boringen die volgens de Geologische Kaart in eenzelfde geologische zone liggen, beschreven. De nummering correspondeert met die op de Geologische Kaart (figuur 7). ⎯ In boring 1 (B54E0416), die is gezet in het zuidwesten van het plangebied, bestaat de bovenste 1,20 m -mv (tot 0,30 m +NAP) uit afzettingen (klei op zand op klei) van het Laagpakket van Walcheren. Hieronder bevindt zich tot de maximale boordiepte van 2,oo m -mv/ 0,50 m -NAP zand van de Formatie van Boxtel. ⎯ Boring 2 (B54F0097), omstreeks 30 meter ten oosten van de zuidoosthoek van het plangebied, is gezet tot op een diepte van 76 m -mv/ 74,20 m -NAP. Ter hoogte van deze boring bestaat de bovenste 1,55 m -mv uit antropogeen omgewerkte grond. Hieronder, vanaf 0,25 m +NAP, bevinden zich zandafzettingen van de Formatie van Boxtel tot op een diepte van 5,29 m -mv/ 3,49 m -NAP.

Deze dekken op hun beurt zandafzettingen van de Formatie van Koewacht af, die reiken tot een diepte van 19,69 m -mv/ 17,89 m -NAP.

32 www.dinoloket.nl, geraadpleegd op 13 en 22 juli 2021.

22

ARTEFAC T RAPPORT 642

AXEL LANGEWEG - SMITSSCHORREPOLDER

Op nog grotere dieptes zijn afzettingen aangeboord van achtereenvolgens de Rupel Formatie, Formatie van Tongeren en de Formatie van Dongen. ⎯ In boring 3 (B54F0130), omstreeks 500 meter ten oosten van het plangebied, is tot aan de maximale boordiepte van 4 m -mv/ 2,10 m -NAP uitsluitend zand opgeboord. De lithostratigrafie wordt niet vermeld. ⎯ Voor boring 4 (B54E0396), omstreeks 600 meter ten zuiden van het plangebied, wordt de lithostratigrafie evenmin vermeld. In deze boring bestaat de bovenste 1,90 m -mv uit klei- en zandafzettingen (matig zandige klei op matig fijn zand op zwak zandige klei op sterk zandige klei). Hieronder, vanaf 0,40 m -NAP, ligt een 0,20 m dik laagje veen. Vanaf 2,10 m -mv/ 0,60 m -NAP tot aan de maximale boordiepte van 3,50 m -mv/ 2,00 m NAP is zand opgeboord. Ter hoogte van het plangebied is dus geen veen opgeboord; ten zuiden ervan wel, namelijk een dun laagje. DINOondergrondmodellen voorspellen voor het hele plangebied dat het pleistocene dekzand voorkomt vanaf een diepte van circa 1,50 - 2,00 m -mv/ 0,25 – 0,75 m -NAP en uitsluitend wordt afgedekt door een 1,5 tot 2 m dik pakket afzettingen van het Laagpakket van Walcheren. Binnen de contouren van het plangebied staan in het DINOloket tevens in totaal dertig bodemkundige boringen gedocumenteerd.

Deze zijn gezet in een verspringend 100 metergrid, tot op een diepte van 1,20 – 1,50 m -mv (de einddieptes liggen grofweg tussen NAP en 0,70 m +NAP). Hoewel deze boringen niet zijn verricht voor geologisch onderzoek, leveren ze wel enige aanvullende informatie op: ⎯ In alle boringen (op één na, zie onder) is vanaf het maaiveld sprake van een ongeveer 0,30 m dikke Aphorizont, met hieronder tot aan de einddiepte een Cg-horizont. ⎯ In de meeste boringen is tot aan de einddiepte sprake van ofwel zeer lichte tot zware zavel, ofwel kleiarm tot kleiig silt, ofwel afwisselingen hiervan. ⎯ In het zuidoosten van het plangebied wijkt één boring (BHR000000208020) af van bovenstaande. Onder een 0,30 m dikke Ap-horizont en een 0,40 m dikke Cg-horizont, beide bestaand uit zavel, is vanaf een diepte van 0,70 m -mv/ 0,83 m +NAP zand aangeboord. De bovenste 0,40 m hiervan betreft een Aa-horizont van humeus, zwak lemig zand. Vanaf 1,10 m -mv/ 0,43 m +NAP is tot aan de einddiepte (1,20 m -mv/ 0,33 m +NAP) een sprake van een Eu-horizont, bestaande uit zwak humeus, leemarm zand. Op basis hiervan valt voorzichtig aan te nemen dat het dekzand alleen in laatstgenoemde bodemkundige boring is bereikt en in het overgrote deel van het plangebied dus dieper zal liggen dan 1,20 m -mv.

Ook valt te vermoeden dat de top van het dekzand ter plaatse van de laatst beschreven boring min of meer intact is en wordt afgedekt door een oud akkerdek. Bodem Op de Bodemkaart van Nederland33 (figuur 8) maakt het plangebied deel uit van vier verschillende zones: ⎯ Het noorden en noordwesten van het plangebied ligt in een zone met code kZn40/Mn22A. Hier is sprake van kalkhoudende vlakvaaggronden in zeer fijn zand met zavel- of kleidek, dan wel kalkrijke poldervaaggronden bestaande uit zware zavel. De omhoog wijzende pijltjes geven aan dat hier ophoging heeft plaatsgevonden. ⎯ Het zuidwesten van het plangebied ligt in een zone met code Mn12/15A. Dit betekent dat hier sprake is van kalkrijke poldervaaggronden bestaande uit lichte zavel.

33 Stichting voor Bodemkartering 1980a.

23

ARTEFAC T RAPPORT 642

AXEL LANGEWEG - SMITSSCHORREPOLDER

⎯ De zuidoostelijke helft van het plangebied ligt in een zone met code Mn25A. Dit wil zeggen dat hier sprake is van kalkrijke poldervaaggronden bestaande uit zware zavel. ⎯ Een smal gebied aan de oostzijde van het plangebied ligt in een zone met code Mn15A. Hier is sprake van kalkrijke poldervaaggronden bestaande uit lichte zavel.

Figuur 8 Projectie van het plangebied (rode polygoon) geprojecteerd op een uitsnede van de Bodemkaart van Nederland. Bron: Stichting voor Bodemkartering 1980a.

Bij het bepalen van het grondwaterregime wordt gewerkt met grondwatertrappen (zie tabel 1). Deze trappen geven een klassenindeling weer van ten eerste de verschillende grondwaterstanden naar diepte en ten tweede de seizoensvariatie in de grondwaterstanden. De gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) wordt doorgaans bepaald door de ontwatering van de percelen; de gemiddeld laagste grondwaterstand (GLG) wordt echter beïnvloed door de aard van de ondergrond. Deze trappen worden vastgesteld op een schaal van I tot en met VII, van respectievelijk extreem nat tot extreem droog. Gebieden met een goede ontwatering zijn zeer geschikt voor landbouw. Mede daarom, met name in het verleden, vormden goed ontwaterde gebieden mogelijk een aantrekkelijk vestigingsgebied. In het hele plangebied is sprake van een grondwatertrap VI. Dit betekent dat hier in het algemeen sprake is van een goede ontwatering. Tabel 1 Indeling grondwatertrappen grondwatertrap I II III IV V VI GHG in cm -mv (< 20) (< 40) < 40 > 40 < 40 40 - 80 GLG in cm -mv < 50 50-80 80-120 80-120 > 120 > 120 GHG gemiddeld hoogste grondwaterstand / GLG gemiddeld laagste grondwaterstand

VII > 80 (> 160)

24

ARTEFAC T RAPPORT 642

AXEL LANGEWEG - SMITSSCHORREPOLDER

Geomorfologie Op de Geomorfologische Kaart van Nederland34 (figuur 9) ligt het plangebied in een zone met code 2M35, hetgeen betekent dat het zich bevindt in een vlakte van getijafzettingen. In de zuidwesthoek van het plangebied staan enkele hoogteverschillen aangegeven. Het naar rechts wijzende pijltje geeft aan dat hier sprake is van plaatselijk vergraven en/of geëgaliseerd terrein. Aan de noordzijde wordt het plangebied begrensd door een kronkelend langgerekt gebied met code 2R13/14. Hier is sprake van een getij-kreekbedding dan wel zee-erosiegeul. Dit betreft de Zwartenhoekse Kreek. Aan de oostzijde wordt het plangebied begrensd door een rode zone met code 4F12, hetgeen wil zeggen dat zich hier een storthoop dan wel opgehoogd of opgespoten terrein bevindt. De roze gekleurde lineaire elementen ten westen en ten zuiden van het plangebied geven dijken weer.

Figuur 9 Projectie van het plangebied (rode polygoon) geprojecteerd op een uitsnede van de Geomorfologische Kaart van Nederland. Bron: Brus & De Lange 1987.

34 Brus & De Lange 1987.

25

ARTEFAC T RAPPORT 642

AXEL LANGEWEG - SMITSSCHORREPOLDER

Actueel Hoogtebestand Nederland Het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) vormt een belangrijke aanvullende informatiebron voor de landschapsanalyse. Dit met behulp van laser-altimetrie (LiDAR) verkregen digitale bestand toont een goed beeld van het huidige reliëf in de omgeving van het plangebied (figuur 10). Wegen en dijken tekenen zich door hun relatief hoge ligging duidelijk af als oranje- en roodkleurde, rechte lineaire elementen. De kronkelende blauwgekleurde zones danken hun relatief lage ligging aan de (vroegere) aanwezigheid van geulen dan wel kreken; in veel gevallen is thans nog een restant van deze waterlopen aanwezig. Ten zuiden van het plangebied is een aantal zuidwest-noordoost georiënteerde dekzandruggen zichtbaar. Direct ten oosten van het plangebied valt de hoge ligging op van een kunstmatig opgehoogd terrein. Dit is natuur- en recreatiegebied Smitsschorre. Ook op circa 1.500 meter ten noordwesten van het plangebied is een kunstmatig opgehoogd terrein zichtbaar, namelijk bedrijventerrein Axelse Vlakte, langs het Kanaal Gent-Terneuzen.

Figuur 10 Projectie van het plangebied (in zwart) op bewerkte uitsnede Actueel Hoogtebestand Nederland. Bron: www.pdok.nl (AHN3 0,5 meter raster DTM).

26

ARTEFAC T RAPPORT 642

AXEL LANGEWEG - SMITSSCHORREPOLDER

Indien wordt ingezoomd (figuur 11), is ten zuiden van het plangebied het restant te zien van een regelmatig noordwestzuidoost georiënteerd oud kavelpatroon, dat is terug te vinden op 19 de -eeuws kaartmateriaal (figuur 17). Enkele lijnen met eenzelfde oriëntatie lopen door tot in het oostelijke deel van het plangebied, hetgeen eveneens een restant is van deze oude kavelpatronen. Het maaiveld ligt in de westelijke helft van het plangebied gemiddeld hoger dan in de oostelijke helft. In de oostelijke helft variëren de maaiveldhoogtes tussen 1,30 en 1,70 m +NAP. In de westelijke helft van het plangebied, waar plaatselijk enkele relatief hoger gelegen delen te zien zijn, lopen deze uiteen van 1,30 (in het uiterste noorden) tot 2,00 m +NAP (in het zuidwesten). Ter hoogte van de locatie van de bodemkundige boring waar zand met bodemvorming is aangetroffen, ligt het maaiveld niet opvallend hoger.

Figuur 11 Projectie van het plangebied (in zwart) op bewerkte uitsnede Actueel Hoogtebestand Nederland. Bron: www.pdok.nl (AHN3 0,5 meter raster DTM).

Samenvattend ligt het plangebied op een pleistocene dekzandondergrond waarop zich tijdens het Holoceen vermoedelijk Hollandveen en afzettingen van het Laagpakket van Walcheren (i.c. ‘Braakmanafzettingen’) hebben gevormd. Het ligt in een vlakte van getij-afzettingen, ten zuiden vaneen brede getijdengeul. Er zijn aanwijzingen dat de top van het dekzand in bijna het hele plangebied dieper ligt dan 1,20 m -mv, behalve in het zuidoosten, waar zij mogelijk al vanaf 0,70 m -mv/ 0,43 m +NAP kan worden aangetroffen. Ook lijkt het erop dat de top van het dekzand daar min of meer intact is.

27

ARTEFAC T RAPPORT 642

2.3

Historie

2.3.1

Historisch-geografische ontwikkeling 35

AXEL LANGEWEG - SMITSSCHORREPOLDER

Het beschrijven van de historische situatie dient meerdere doelen. Er wordt archeologisch inhoudelijk gekeken of eventueel sprake is van historische bebouwing, mogelijke (vaar)wegen en/of subrecent gebruik, waarbij vastgesteld moet worden of sprake is van verstoringen (bijvoorbeeld ontgrondingen, stortingen en verhardingen). Bij het tot stand komen van voorliggend onderzoeksrapport werd gebruikt gemaakt van meerdere historische of oude kaarten. Enkel de kaarten waarop nieuwe, afwijkende of kenmerkende informatie met betrekking tot het plangebied wordt weergegeven, zijn afgebeeld in dit rapport. Hierbij dient opgemerkt dat de projecties die gemaakt op oude kaarten vrij betrouwbaar zijn voor alle kaarten daterend vanaf het midden van de 18 de eeuw, toen, dikwijls voor militaire doeleinden, topografische kaarten ontwikkeld werden met vrij grote schaalnauwkeurigheid. De projecties op de kaarten daterend voor deze periode moeten dan ook als indicatief worden beschouwd. Middeleeuwen Het plangebied ligt centraal in Zeeuws-Vlaanderen, ten zuidwesten van Axel. Het landschap in Zeeuws-Vlaanderen kenmerkte zich door de lage pleistocene dekzandruggen. In de lager gelegen delen tussen deze ruggen was een uitgestrekt veengebied tot ontwikkeling gekomen. Het veengebied was vanaf de tweede helft van de 8 ste eeuw opnieuw onder invloed van de zee komen te staan.

Dit resulteerde in enkele grotere noord-zuid georiënteerde inbraakgeulen in dit deel van Zeeuws-Vlaanderen, zoals de Blijde (van Terneuzen naar Axel), een voorloper van de Braakman. Het schorrengebied rond de kreken slibde langzaam op, waardoor deze kwelders niet meer regelmatig overstroomden. Dit schorrengebied bleef vooralsnog onbedijkt, maar de gronden werden reeds vanaf de 9 de eeuw gebruikt als weidegronden voor schapen. Mogelijk is er ook in die vroegste periode kleinschalige bewoning geweest in de vorm van verhoogde woonplaatsen: terpen. Vanaf de 10 de eeuw vermelden historische bronnen plaatsen als Axel, Boterzande en Ostholt. 36 Deze vermeldingen duiden op een toenemend economisch belang. Schapenwol was de basis voor de lakenhandel in steden als Brugge en Gent. Bestuurlijk viel dit gebied vanaf de Late Middeleeuwen onder de Vier Ambachten. Dit is een samenvoeging van het Axeler-, Hulster-, Boekhouter- en Assenederambacht onder een gemeenschappelijke keure. De onderlinge grenzen tussen deze ambachten werden ten dele ingegeven door de inbraakgeulen die vanuit de Honte het land insneden, maar naar het zuiden toe werd hiervan afgeweken en is het moeilijk om deze grenzen op basis van de huidige topografie exact te bepalen. Figuur 12 toont de situatie in 1274 waarop de geografische indeling van de Vier Ambachten wordt weergegeven.

Op basis van deze kaart kan worden afgeleid dat het plangebied binnen de grenzen van het Axelerambacht valt. De eerste polders in de Vier Ambachten ontstonden pas na 1100 als gevolg van defensieve bedijkingen. De oudste dijknaam in de Vier Ambachten is Vroondijke, vermeld in 1114. 37 Pas na de grote stormvloed van 1134 tonen de bronnen nieuwe dijknamen. 38 De systematische inpoldering van dit gebied ging gepaard met een verdere toename in economisch belang vanaf de 12 de eeuw, de sterke bevolkingsgroei en de opkomst van de stad Gent als belangrijkste en grootste Vlaamse stad. De bevolkingstoename in het nieuw ontgonnen gebied weerspiegelde zich in het toenemende aantal stichtingen van nederzettingen, kerken en kapellen. 39

35 Voorliggende paragraaf is voor een groot deel gebaseerd op, en deels overgenomen uit, eerdere onderzoeken die

Artefact heeft uitgevoerd omtrent gebieden in de omgeving van onderhavig plangebied (o.a. Wattenberghe 2012; D’hondt & Coppens 2013; Delporte 2020), toegespitst op het onderhavige plangebied en aangepast en aangevuld met specifieke en aanvullende gegevens. 36 Gottschalk 1984: 24. 37 Verhulst 1995: 71. 38 Gottschalk 1984: 540. 39 Gottschalk 1984: 32.

28

ARTEFAC T RAPPORT 642

AXEL LANGEWEG - SMITSSCHORREPOLDER

Figuur 12 Uitsnede uit een 17de-eeuwse kopie van de zgn. kaart van Gwijde van Dampierre uit 1274. De ligging van het plangebied (bij benadering) is met een rode cirkel aangeduid. Bron: Kaartenverzameling RAG/P. De Reu: VZ7.

Axel had via het water de Blijde een rechtstreekse toegang tot de Honte, waardoor het kon uitgroeien tot een handelscentrum. Een activiteit die in de Late Middeleeuwen in Zeeland voor sterke economische impuls zorgde, was veenwinning; het betrof zowel moernering (ten behoeve van brandstof) als selnering (ten behoeve van zoutproductie). Belangrijke productie- en handelscentra waren Hulst, Axel en Biervliet. Het ontginnen van de moeren resulteerde ook in het ontstaan van wegdorpen en (moer)vaarten voor het transport van veen en zout. Moerdorpen in de omgeving van het plangebied waren Westdorpe en Zuiddorpe, die ook op figuur 12 staan afgebeeld. Daarnaast speelde landbouw (veeteelt en akkerbouw) een belangrijke economische rol. Stormvloeden Het gebied dat nu tot de gemeente Terneuzen behoort, werd vanaf de 14 de eeuw gedomineerd door de zee-inham de Braakman. Omstreeks 1200 was de Braakman nog maar een kleine inham ten noordoosten van Biervliet, maar vanaf 1375 begon het water zich door veelvuldige stormvloeden steeds verder uit te breiden naar het zuiden, waardoor heel wat dorpen in dit gebied verloren gingen. Het gebied kent een continue geschiedenis van bedijken en herdijken. Het polderpatroon veranderde telkens.

40 In het rampjaar 1488 verslond de Braakman de noordelijke helft van het Assenederambacht en het aangrenzende Boekhouter- en Axelerambacht als gevolg van het doorbreken van een sluis in Nieuwersluis. Tijdens deze stormvloed werden in deze regio alle moerparochies verzwolgen door het water, de meeste voorgoed. Enkel Vroondijke en Willemskerke werden herbedijkt. Oorlogsomstandigheden verhinderden verder spoedig herstel. 41 Na de stormvloed van 1488 kwam het zeewater tot bij de Axelsche Vaart (ten zuiden van Axel wordt deze waterweg als Gentse Vaart aangeduid) en in het zuiden zelfs tot bij Zelzate. Pas na het beëindigen van de 40 Gottschalk 1984: 541. 41 Gottschalk 1984: 521-522.

29

ARTEFAC T RAPPORT 642

AXEL LANGEWEG - SMITSSCHORREPOLDER

oorlog in 1492 (Vrede van Cadzand) werd de Landdijk tussen Terneuzen en Boekhoute aangelegd, die een verder doorbreken van de Braakman in het achterland moest verhinderen. 42 De stormvloed van 1532 sloeg een groot gat in de Landdijk tussen Assenede en Westdorpe, waardoor Westdorpe werd overstroomd. Op de grens tussen het Axeleren Assenederambacht werd de Creckeldijck aangelegd. 43 De relatieve stabiliteit tot 1552 liet toe dat in het gebied rond de Braakman vele schorren werden herbedijkt. In deze periode werd tevens de Sasse Vaart aangelegd, die de Landdijk doorsneed en de verbinding met Gent moest garanderen. In Axel werd in deze periode de verzande vaart uitgediept en bedijkt. 44 Figuur 13 toont de situatie rond 1550. Ten westen van Axel bevindt zich een groot onbedijkt gebied. Westdorpe is van de kaart verdwenen. Het plangebied ligt nog binnendijks, ten oosten van de Landdijk.

Figuur 13 Ligging van het plangebied (bij benadering; in rode cirkel) op uitsnede van figuratieve kaart van het noordelijke deel van Vlaanderen, met de streek tussen Brugge, Gent en Antwerpen uit het midden van de 16 de eeuw. Bron: Kaartenverzameling RAG/P. De Reu: VZ19.

42 De Kraker 1997: 37-38. 43 De Kraker 1997: 66-67. 44 De Kraker 1997: 85

30

ARTEFAC T RAPPORT 642

AXEL LANGEWEG - SMITSSCHORREPOLDER

Nieuwe Tijd Tijdens de Tachtigjarige Oorlog (1568-1648) lag de omgeving van het plangebied in de frontlinie tussen de Noordelijke Nederlanden (de Staatsen) en het Spaanse Zuiden. Tijdens de strijd tussen Spaanse en Staatse troepen werden op grote schaal militaire inundaties toegepast. Veel gebieden gingen hieraan ten onder. Na de verovering van Axel door de Staatse troepen onder leiding van Prins Maurits in 1586 werd besloten de polders rond de stad onder water te zetten om de stad te verdedigen tegen Spaanse tegenaanvallen. 45 Hiertoe werd de Landdijk bij Buucxgate doorgestoken, waardoor de zee vrij spel kreeg in het Axelerambacht. 46 De gevolgen voor het landschap waren enorm. De stad Axel werd een eiland en het middeleeuwse landschap verdween onder het sediment. 47 Ten zuiden van Axel was een schorren- en slikkengebied ontstaan dat werd aangeduid als de Axelsche Vlakte, met daarin onder meer het Axelsche Gat. Deze situatie wordt afgebeeld op de Kaart van de Vier Ambachten uit 1664 door Gerard Coeck (figuur 14). Het plangebied ligt op deze kaart in een schorrengebied met de naam Canisvliet. Ten westen ervan staat de in 1621 bedijkte Autrichepolder (‘Austria Polder’) weergegeven. Het oostelijke deel van de Axelsche vlakte was door opslibbing doorwaadbaar geworden, waardoor extra fortificaties nodig waren.

Axel werd versterkt en langs de dijken ontstonden kleine schansen en redoutes. De meeste van deze kleine verdedigingswerken kwamen tussen 1583 en 1648 tot stand. Deze maakten deel uit van de Spaanse Linie tussen Sas van Gent en Hulst. 48

Figuur 14 Ligging van het plangebied (in rode cirkel; bij benadering) op uitsnede van de Kaart van de Vier Ambachten, vervaardigd door Gerard Coeck in 1664. Bron: S.1034 (03) kaart 033 (landkaart, gravure, papier), Atlassen uit het Scheepvaartmuseum, Nederlands Scheepvaartmuseum Amsterdam.

45 De Visser & Emaus 2014: 33. 46 De Kraker 1997: 143. 47 Brand 1993. 48 De Kruijf 2004: 266-267.

31

ARTEFAC T RAPPORT 642

AXEL LANGEWEG - SMITSSCHORREPOLDER

Ook ten oosten van de Autrichepolder vonden in de 17de eeuw bedijkingsactiviteiten plaats. Halverwege de 17de eeuw werd Canisvliet (soms ook geschreven als Kanisvliet) bedijkt. 49 Deze Canisvlietpolder overstroomde echter al snel weer. 50 Op een 18de -eeuwse kopie van een kaart uit de late 17de eeuw is de ligging van deze polder te zien (figuur 15). Volgens het Geoloket Cultuurhistorie van de Provincie Zeeland vormt de Langeweg/Langedreef een dijkrestant van deze 17de -eeuwse polder. Hieruit volgt dat het plangebied net ten noorden van de Canisvlietpolder lag en daarmee buitendijks. Ter hoogte van het plangebied bevinden zich volgens deze kaart twee zuidwaartse aftakkingen van het ‘Canaal van Axel’, namelijk de ‘Duijne Landen’ en de ‘Oude Splet Kreeke’.

Figuur 15 Ligging van het plangebied (in rode cirkel; bij benadering) op kopie van D.W.C. Hattinga (1746) naar kopie van W.T. Hattinga (1730) naar kopie van I. Matelé (circa 1715) naar een origineel uit circa 1680 waarvan de naam van de maker niet mee r leesbaar (“uijtgesleten”) was. Bron: Zeeuws Archief, Atlassen Hattinga, nr. 411.

49 Wilderom 1973: 161. 50 Brand 1993: 56; Wilderom 1973: 161.

32

ARTEFAC T RAPPORT 642

AXEL LANGEWEG - SMITSSCHORREPOLDER

De schorren ten zuiden van Axel slibden in de 18de eeuw verder op. In 1745 werd de Eversdam aangelegd, met de bedoeling om het opslibben van de schorren ten zuiden van het Axelsche Gat te verhinderen. Op deze dam werd een fort opgericht: Fort Eversdam (zie paragraaf 2.4). Dit was een rechthoekig fort met aarden wallen en een gemetseld wachthuis op het terreplein. Het fort diende om eventuele aanvallen naar de Autrichepolder te verhinderen. 51 Op een kaart van Hattinga, vervaardigd omstreeks 1750 (figuur 16), is ten zuiden van het plangebied met een rode stippellijn de toen net aangelegde Eversdam te zien, al loopt hij op deze kaart minder recht dan op later kaartmateriaal. Het plangebied maakt deel uit van het schorrengebied ten noorden van deze dam en aan de zuidzijde van het ‘Canaal van Axel’, en moet waarschijnlijk gesitueerd worden ter hoogte van een locatie waar volgens Hattinga sprake is van een oude dijk. Dit is vermoedelijk een restant van de dijk van de 17de -eeuwse Canisvlietpolder. Zowel ten oosten als ten westen van het plangebied zijn waterlopen weergegeven, die vanuit het Canaal van Axel in zuidwestelijke richting lopen om uit te komen bij Sas van Gent. De westelijke waterloop wordt aangeduid als ‘Eversgat’. Aan de westzijde hiervan loopt parallel aan dit water de ‘Grave Jans Dijk of Lantdijk’.

Tevens staat op de westelijke oever van het Eversgat reeds een verdedigingswerk aangegeven (‘Redout’).

Figuur 16 Ligging van het plangebied (in rode cirkel; bij benadering) op uitsnede van kaart van Hattinga uit omstreeks 1750. Bron: Geoloket Cultuurhistorie Provincie Zeeland.

In 1789 en 1790 werd een groot deel van het slikken- en schorrengebied ten zuiden en zuidoosten van Axel bedijkt, als onderdeel van een groot bedijkingsproject. In deze periode kwam onder meer de Beoosten en Bewesten Blijpolder tot stand, door afdamming van de Axelsche Sassing middels de Sasdijk (de huidige Tractaatweg volgt deels de loop van deze dijk). De ingebouwde inundatiesluizen werden beschermd met batterijen, zoals die bij Zwartenhoek (AMK-terrein 13555), ongeveer 1 km ten westen van het plangebied gelegen. Deze sluis heette De Grote Petrus. Door de aanleg van batterij Zwartenhoek kwam in 1790 de functie van fort Eversdam te vervallen. 52 Ook het plangebied lag vanaf 17891790 weer binnendijks, in een deel van de Beoosten en Bewesten Blijpolder dat bekendstaat als de Canisvliet

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13785075/1