2023-07-04 IC4 - Bijlage Monitoringsrapportage NSL 2022
Tekst van het document
Door neveneffecten van de coronamaatregelen zijn er in heel Nederland de afgelopen twee jaar aanzienlijk lagere NO2concentraties op toetspunten berekend dan voor 2019. Het aantal toetspunten met waarden in de buurt van de grenswaarde voor deze jaren is sterk gedaald, waardoor het statistisch verwachte aantal overschrijdingen ook lager is dan voor 2019. Wel is het aantal voor 2021 hoger dan voor 2020. Dit aantal statistisch verwachte overschrijdingen is groter dan het aantal volgens de wettelijk vastgelegde methode berekende overschrijdingen in Pagina 29 van 79
RIVM-rapport 2022-0142
paragraaf 2.1, omdat nu de kansen van alle ‘net-niet-overschrijdingen’ ook in kaart zijn gebracht. Dit aantal wordt een klein beetje, maar lang niet volledig, gecompenseerd door locaties die net boven de grenswaarde gemodelleerd zijn en er in werkelijkheid net onder zitten. Deze analyse toont aan dat er sprake is van enkele bijna-overschrijdingen die we niet uit het oog mogen verliezen. Voor 2030 bedraagt het statistisch verwachte aantal overschrijdingen één. In de twee voorgaande monitoringsronden was dit aantal nul. In Bijlage 5 is de ruimtelijke verdeling van de hoogste kans op overschrijding van de NO2-grenswaarde in 2021 en 2030 op gemeenteniveau weergegeven (Figuur B5.1).
Pagina 30 van 79
RIVM-rapport 2022-0142
3
Resultaten luchtkwaliteit nabij veehouderijen
In dit hoofdstuk worden de resultaten van de berekeningen voor fijnstof nabij veehouderijen gepresenteerd. Binnen de NSL Monitoring wordt speciaal aandacht besteed aan de intensieve veehouderij, omdat veehouderijen lokaal een significante bijdrage kunnen leveren aan de concentraties fijnstof. 3.1
Criteria voor invoer van veehouderijen De bevoegde gezagen is verzocht alle veehouderijen in de monitoringstool in te voeren als ze voldoen aan ten minste één van de criteria, zoals die in de Monitoringsronde 2018 zijn geformuleerd (Rutledge-Jonker et al., 2018): • De totale vergunde emissie fijnstof van een veehouderijbedrijf is groter dan 500 kg per jaar in een gebied waar de jaargemiddelde achtergrondconcentratie fijnstof hoger is dan 27 μg/m3. • De totale vergunde emissie fijnstof van een veehouderijbedrijf is groter dan 800 kg per jaar, ongeacht de hoogte van de jaargemiddelde achtergrondconcentratie. • De individuele luchtkwaliteitsberekening bij vergunningverlening van een veehouderijbedrijf resulteert in een totaal aantal overschrijdingsdagen van dertig dagen of meer per jaar. • Het bevoegd gezag heeft redenen om aan te nemen dat het invoeren en doorrekenen van een veehouderijbedrijf om een andere reden relevant is om een goed en verdedigbaar beeld te krijgen van de luchtkwaliteit. Dit jaar is, in overleg met het ministerie van IenW, afgezien van intensieve kwaliteitscontroles op – en de compleetheid van – de invoergegevens voor veehouderijen, om redenen gegeven in paragraaf 1.2. Dit jaar is wel een beperkt aantal automatische controles op veehouderijgegevens uitgevoerd, zonder ernstige onvolkomenheden te constateren.
De bevindingen hiervan worden vlak voor aanvang van Monitoringsronde 2023 teruggekoppeld aan de desbetreffende bevoegde gezagen.
3.2
Werkwijze luchtkwaliteit nabij veehouderijen In Monitoringsronde 2022 zijn zowel de generieke als de lokale veehouderijspecifieke invoergegevens geactualiseerd. De generieke gegevens bestaan onder andere uit de grootschalige jaargemiddelde achtergrondconcentraties, de meteorologische gegevens en de emissiefactoren. De lokale veehouderijgegevens bestaan onder andere uit vergunde aantallen dieren, stalsystemen, locaties en kenmerken van emissies en ligging van toetspunten. De actualisatie van deze lokale veehouderijgegevens is door de bevoegde gezagen in de NSLmonitoringstool uitgevoerd. De rekenresultaten voor de fijnstofconcentraties zijn gebaseerd op de vergunde gegevens, zoals deze door het bevoegd gezag zijn ingevoerd in de monitoringstool. Voor de berekeningen is gebruikgemaakt van de in Pagina 31 van 79
RIVM-rapport 2022-0142
mei 2022 beschikbaar gekomen versie van het ISL3a-model. 20 In dit model zijn onder andere de meteorologische parameters, jaargemiddelde achtergrondconcentraties en RAV-emissiefactoren toegepast die in maart 2022 bekend zijn gemaakt door de staatssecretaris van IenW. 21 Bij de berekening met het ISL3a-model wordt de veehouderijbijdrage bij de achtergrondconcentratie opgeteld. Dit zorgt voor dubbeltellingen, omdat de veehouderijen ook worden meegenomen in de berekening van de achtergrondconcentraties. De resultaten zijn hiervoor gecorrigeerd. De concentraties fijnstof zijn berekend voor het gepasseerde jaar 2021 en het zichtjaar 2030. Voor de berekening van het gepasseerde jaar is onder andere gebruikgemaakt van de geactualiseerde lokale veehouderijgegevens, jaargemiddelde achtergrondconcentraties voor 2021 en meteorologische gegevens voor 2021. Hierbij is rekening gehouden met het effect van de coronamaatregelen in 2021, zie Bijlage 3. In de berekening van de lokale bijdrage rondom veehouderijen in 2030 zijn dezelfde lokale veehouderijgegevens gebruikt als voor 2021. Deze gegevens zijn gecombineerd met prognoses voor de jaargemiddelde achtergrondconcentraties voor 2030. Voor 2030 is gebruikgemaakt van dezelfde rekenmethode zoals die is toegepast in de drie voorgaande monitoringsronden (De Smet et al., 2019, 2020, 2021).
Deze maakt gebruik van de veranderingen in de grootschalige achtergrondconcentraties (GCN) tussen 2019 (het recentste jaar zonder effect van coronamaatregelen) en zichtjaar 2030. In de prognoses van de achtergrondconcentraties voor 2030 is verondersteld dat de ontwikkeling van de economie weer op het pad is van voor de coronapandemie. De pandemie heeft daarmee geen effect op die concentraties en de rekenresultaten voor 2030. Door de voor 2020 berekende veehouderijbijdragen te combineren met de verwachte achtergronden voor 2030 zijn de totale concentraties en de aantallen overschrijdingsdagen voor zichtjaar 2030 bepaald. Hierbij is ook de dubbeltellingcorrectie voor 2021 gebruikt. De berekende waarden zijn vervolgens getoetst aan de fijnstofnormen. De resultaten voor zichtjaar 2030 moeten als indicatief worden beschouwd, aangezien lokale veehouderijgegevens in de komende jaren kunnen veranderen. De Monitoringsrapportage 2013, Bijlage 3 (Van Zanten et al., 2013) bevat aanvullende informatie over de werkwijze van de monitoring nabij veehouderijen. In het kader van de monitoring van het NSL zijn de rekenresultaten getoetst aan de normen op die locaties die buiten het terrein van een inrichting liggen; deze locaties heten toetspunten. 22 Het betreft hier
https://www.infomil.nl/onderwerpen/lucht-water/luchtkwaliteit/slag/isl3a/ https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/luchtkwaliteit/vraag-en-antwoord/hoe-kan-ik-luchtvervuilingberekenen. 22 Dit uitgangspunt wijkt af van de toetsing bij de vergunningverlening. Bij vergunningverlening hoeft een individuele veehouderijlocatie alleen niet op zijn eigen terrein van de inrichting te toetsen. In het kader van het NSL hoeft een individuele veehouderijlocatie niet op zijn eigen terrein van de inrichting te toetsen en ook niet op het terrein van een andere inrichting. 20 21
Pagina 32 van 79
RIVM-rapport 2022-0142
locaties van burgerwoningen, plattelandswoningen 23 en een categorie overig. 24 Er zijn deze ronde 1.376 veehouderijen meegenomen in de luchtkwaliteitsberekeningen voor het rekenjaar 2021 en zichtjaar 2030. In totaal is op 8.454 locaties gerekend. Diverse door te rekenen locaties zijn meerdere keren in de database ingevoerd, omdat ze in de buurt liggen van verschillende dicht bij elkaar gelegen veehouderijen die elk in de monitoringstool zijn ingevoerd, met een overlap van door te rekenen locaties. Zonder deze overlap is er op 8.161 unieke locaties gerekend. Daarnaast betreft het gedeeltelijk locaties waar niet getoetst hoeft te worden, omdat hier sprake is van bedrijfswoningen. Uiteindelijk is de fijnstofconcentratie op 4.856 unieke toetspunten getoetst aan de Europese normen voor PM10. Het aantal toetspunten is hiermee wederom toegenomen ten opzichte van vorige monitoringsronden. Ter vergelijking: in Monitoringsronde 2021 werden in totaal 1.369 veehouderijen meegenomen in de luchtkwaliteitsberekeningen. De fijnstofconcentratie werd op 4.823 unieke toetspunten getoetst aan de Europese PM10-normen. Er zijn 23 veehouderijen nieuw toegevoegd, maar ook enkele verwijderd ten opzichte van de vorige ronde.
De toename van het aantal veehouderijen met zeven en het daarmee samenhangende aantal toetspunten in de huidige monitoringsronde lijkt mede te maken te hebben met eerdere terugmeldingen aan bevoegd gezagen van mogelijk ontbrekende veehouderijen. Bevoegd gezagen werd verzocht die in te voeren in de monitoringstool. Daaraan is ook in deze ronde gehoor gegeven. De resultaten in dit hoofdstuk zijn gebaseerd op de gegevens zoals die door de gemeenten zijn ingevoerd in de monitoringstool. Deze gegevens, en daarmee ook de rekenresultaten voor de desbetreffende locaties, bevatten mogelijk onvolkomenheden. Gemeenten en provincies zijn in de gelegenheid gesteld een toelichting op de invoergegevens en de daaruit berekende overschrijdingen te geven. Van een deel van de berekende en gerapporteerde overschrijdingen kan het bevoegd gezag achteraf aangeven dat deze onterecht zijn. Veelal betreft dit locaties die onterecht als toetspunt aangemerkt zijn, of toetspunten die per abuis op de verkeerde locatie ingevoerd zijn. De desbetreffende overschrijdingen worden in zo’n geval in de rapportage benoemd als ‘volgens het bevoegd gezag onterecht’. Echter, in deze monitoringsronde zijn er geen overschrijdingen door een bevoegd gezag aangemerkt als ‘onterecht’.
Eventuele onvolkomenheden in de invoerdata kan het bevoegd gezag tijdens de actualisatiefase van de volgende monitoringsronde, in dit geval die van 2023, corrigeren. Het RIVM wijzigt niet eigenhandig gegevens tijdens of na de actualisatieperiode, zelfs als dat op verzoek zou zijn van het bevoegd gezag. Het bevoegd gezag dient zelf de gegevens te controleren en te corrigeren.
23
Een plattelandswoning is een voormalige agrarische woning die op grond van het bestemmingsplan mag worden bewoond door derden. Zie voor meer uitleg Bijlage 1 Begrippenkader: Toetspunten en rekenpunten veehouderijen.
24
Pagina 33 van 79
RIVM-rapport 2022-0142
3.3
Resultaten luchtkwaliteit nabij veehouderijen voor 2021 In deze paragraaf worden de resultaten van de fijnstofconcentraties voor het gepasseerde jaar 2021 weergegeven. In Tabel 3.1 en Figuur 3.1 zijn deze resultaten opgenomen. In vijf gemeenten zijn overschrijdingen berekend van de etmaalnorm voor fijnstof op de locaties van één of meerdere woningen (toetspunten) rondom zestien veehouderijen. De concentratiebijdragen van deze veehouderijen leiden, meestal in combinatie met de bijdragen van andere bronnen die in de achtergrondconcentraties verwerkt zijn, tot overschrijdingen van de norm. In totaal betreft het vijftien toetspunten met een overschrijding. De overschrijdingen vinden plaats in Gelderland, Limburg en Noord-Brabant. Daarnaast is op geen enkel toetspunt een overschrijding van de jaarnorm berekend. Van geen enkele berekende overschrijding heeft het bevoegd gezag aangegeven dat het een ‘onterechte’ overschrijding betreft. Tabel 3.1 Aantal overschrijdingen van de PM10-etmaalnorm berekend nabij veehouderijen in 2021. Het ‘maximum aantal overschrijdingsdagen’ is bepaald zonder toepassing van de zeezoutaftrek. Er zijn geen gemeenten die hebben aangegeven dat (een deel van) de berekende overschrijdingen onterecht zijn.
Gelderland Scherpenzeel Limburg Nederweert Peel en Maas Noord-Brabant Asten Someren Totaal
Aantal veehouderijen dat bijdraagt aan overschrijding
Aantal toetspunten met overschrijding
Maximum aantal overschrijdingsdagen
1
1
70
10 2
10 1
101 49
2 1 16
2 1 15
110 46
Het aantal overschrijdingen is erg gevoelig voor een beperkte toename van de berekende concentraties en het daarmee samenhangende aantal overschrijdingsdagen. Om deze gevoeligheid en de onzekerheden in de berekening te kwantificeren, zijn twee situaties in Tabel 3.2 weergegeven. De tabel geeft het aantal toetspunten per gemeente weer waar sprake is van een aantal overschrijdingsdagen groter dan de etmaalnorm van 35 overschrijdingsdagen met zeezoutaftrek en het aantal toetspunten waar sprake is van een aantal overschrijdingsdagen groter dan dertig dagen zonder zeezoutaftrek. Deze ‘bandbreedte’ 25 van vijf overschrijdingsdagen, vertaald naar concentratie, komt overeen met een bandbreedte van ruim 1 µg/m3 onder de etmaalnorm. Per gemeente geeft de tabel ook het aantal veehouderijen dat bijdraagt aan de overschrijding op de toetspunten.
25
Meer informatie over de toetsing met toepassing van een bandbreedte is te vinden in Bijlage 1.
Pagina 34 van 79
RIVM-rapport 2022-0142
Tabel 3.2 Aantal toetspunten per gemeente waarvoor in 2021 een overschrijding is berekend van de PM10-etmaalnorm (> 35 overschrijdingsdagen, inclusief zeezoutaftrek) en met een bandbreedte (> 30 overschrijdingsdagen, zonder zeezoutaftrek) en het aantal veehouderijen met een bijdrage aan deze overschrijdingen. Er zijn geen gemeenten die hebben aangegeven dat (een deel van) de berekende overschrijdingen onterecht zijn.
Gelderland Barneveld Ede Epe Scherpenzeel Overijssel Hardenberg Limburg Horst aan de Maas Leudal Nederweert Peel en Maas Noord-Brabant Asten Meierijstad Oirschot Someren Totaal
Aantal toetspunten (veehouderijen) overschrijding van etmaalnorm
Aantal toetspunten (veehouderijen) overschrijding met bandbreedte
1 (1)
1 (1) 1 (1) 1 (1) 1 (1)
-
1 (1)
10 (10) 1 (2)
1 (1) 2 (2) 14 (12) 2 (4)
2 (2) 1 (1) 15 (16)
3 (3) 1 (1) 1 (1) 1 (1) 30 (30)
Tabel 3.2 illustreert dat de berekende concentraties fijnstof op een aantal locaties nabij veehouderijen net onder de etmaalnorm liggen. Bij een verhoging van de concentratie met ruim 1 µg/m3 zou het aantal overschrijdingen voor 2021 stijgen van vijftien naar dertig. In acht extra gemeenten zou sprake zijn van overschrijdingen van de etmaalnorm. Deze analyse brengt het aantal bijna-overschrijdingen in beeld. 3.4
Vergelijking Monitoringsronde 2022 met voorgaande ronden Door de jaren heen zijn de methodologische uitgangspunten bij de monitoring van de veehouderijen regelmatig aangepast. Gedurende Monitoringsronden 2014 t/m 2017 is de systematiek ruwweg gelijk gebleven. In Monitoringsronde 2018 zijn de criteria om veehouderijen in te voeren gewijzigd. Deze zijn ook in de huidige monitoringsronde gebruikt. Daarnaast is ernaar gestreefd het aantal (soms al langer bestaande) onvolkomenheden in invoergegevens sterk terug te dringen. De gemeenten zijn in de drie voorgaande ronden herhaaldelijk geattendeerd op mogelijk ontbrekende veehouderijen in de monitoringstool met het verzoek deze alsnog toe te voegen, indien relevant. De praktijk wijst uit dat de gemeenten dit aandachtspunt in het algemeen goed oppakken en eventuele relevante veehouderijen alsnog invoeren. In deze ronde is daarom niet ingezet op dit aandachtspunt (zie paragraaf 3.1). In de huidige monitoringsronde is verder de systematiek grotendeels gelijk aan voorgaande ronden. De resultaten van de Pagina 35 van 79
RIVM-rapport 2022-0142
afgelopen ronden kunnen daarom op hoofdlijnen met elkaar vergeleken worden. Tabel 3.3 geeft voor de laatste negen monitoringsronden een overzicht van het aantal overschrijdingen van de fijnstofnormen. Het aantal toetspunten met een overschrijding van de etmaalnorm is tussen 2013 en 2021 gedaald van 111 naar vijftien, terwijl het aantal veehouderijen is gestegen van 509 naar 1.376 en het aantal doorgerekende toetspunten van 2.558 naar 4.856. Het aantal toetspunten met een overschrijding van de jaarnorm is in deze periode gedaald van vier naar nul overschrijdingen. De afname in het aantal overschrijdingen is voor een groot deel toe te schrijven aan de dalende achtergrondconcentraties. Mede door neveneffecten van de coronamaatregelen zijn er voor 2020 en 2021 in heel Nederland lagere PM10-concentraties op toetspunten berekend dan voor 2019. Het aantal toetspunten met waarden in overschrijding is daardoor mogelijk extra gedaald (zie Bijlage 3). Daarnaast is de kwaliteit van de invoergegevens sterk verbeterd, waardoor er net als in 2020 deze ronde geen knelpunten werden berekend die achteraf door het bevoegd gezag zijn aangemerkt als onterecht. Tabel 3.3 Het aantal toetspunten waarvoor een overschrijding is berekend van de PM10-etmaalnorm en van de PM10-jaarnorm en het aantal veehouderijen met een bijdrage aan de overschrijdingen van deze normen. MR = monitoringsronde.
Jaartal (MR)
2013 (MR2014) 2014 (MR2015) 2015 (MR2016) 2016 (MR2017)2 2017 (MR2018) 2018 (MR2019) 2019 (MR2020) 2020 (MR2021) 2021 (MR2022)
Aantal veehouderijen 509 565 636 636 1.175 1.297 1.358 1.369 1.376
Aantal Aantal toetsAantal toetsunieke punten met punten met toetsetmaalnormjaarnormpunten overschrijding1 overschrijding1 2.558 111 (63) 4 (5) 2.586 89 (57) 3 (3) 2.678 46 (34) 1 (1) 2.678 35 (29) 0 (0) 4.245 44 (36) 2 (2) 4.613 64 (47) 3 (2) 4.792 25 (27) 0 (0) 4.823 13 (10) 0 (0) 4.856 15 (16) 0 (0)
Tussen haakjes staat het aantal veehouderijen met een bijdrage aan een overschrijding. In MR2017 zijn de veehouderijgegevens niet geactualiseerd en daarmee gelijk aan MR2016. In deze ronde zijn alleen de achtergrondconcentraties geactualiseerd. Zie de Monitoringsrapportage 2017, hoofdstuk 3 (Rutledge-Jonker et al., 2017) voor meer informatie hierover. 1 2
De berekende overschrijdingen voor 2021 (Tabel 3.2) in de gemeenten Scherpenzeel, Nederweert, Asten en Someren betreffen grotendeels toetspunten waarvoor in de vorige monitoringsronde ook een overschrijding werd berekend. Het gaat daarbij om de bijdragen van dezelfde veehouderijen. In Nederweert is het aantal toetspunten in overschrijding toegenomen. Het betreft daarbij bijdragen van andere veehouderijen. Voor het toetspunt met overschrijding in Peel en Maas werd in de vorige monitoringsronde geen overschrijding berekend, maar in eerdere ronden wel.
Pagina 36 van 79
RIVM-rapport 2022-0142
De vijf gemeenten met een berekende overschrijding (Tabel 3.2) in 2021 is in aantal gelijk aan dat voor 2020; in 2021 komt Horst aan de Maas niet meer voor en Peel en Maas is nieuw. De neveneffecten van de coronamaatregelen resulteren in lagere achtergrondconcentraties. Mede daardoor is voor 2021, net als voor 2020, een lager aantal overschrijdingen in minder gemeenten berekend dan in 2019. Het toepassen van een bandbreedte van vijf extra overschrijdingsdagen resulteert voor 2021 ten opzichte van 2020 in nagenoeg hetzelfde aantal gemeenten, maar ten opzichte van 2019 in een lager aantal gemeenten met bijna-overschrijdingen en ook in een lager aantal bijnaoverschrijdingen per gemeente. De toename van zeven meer ingevoerde veehouderijen levert ruim 31 meer doorgerekende toetspunten op in 2021. Van de vijftien toetspunten met een overschrijding van de etmaalnorm betreft het zes nieuwe overschrijdingslocaties ten opzichte van 2020. De berekende overschrijdingen van de etmaalnorm vinden, net als in de voorgaande monitoringsjaren, plaats in gebieden in Gelderland, Limburg en NoordBrabant waar veehouderijen dicht bij elkaar liggen. De achtergrondconcentraties in de gebieden met intensieve veehouderijen zijn relatief hoog. Dit komt mede door de cumulatieve uitstoot van fijnstof in of nabij een dergelijk gebied. 3.5
Resultaten luchtkwaliteit nabij veehouderijen voor 2030 In deze paragraaf zijn de indicatieve resultaten van de fijnstofconcentraties nabij veehouderijen voor het prognosejaar 2030 beschreven. In de prognoses van de achtergrondconcentraties voor 2030 is verondersteld dat de ontwikkeling van de economie weer op het pad is van voor de coronapandemie. De pandemie heeft daarmee geen effect op de berekende concentraties voor 2030 (Bijlage 3). Op basis van vergunde emissies van de veehouderijen, zoals opgenomen in de NSL-monitoringstool 2021 voor het gepasseerde jaar, gecombineerd met achtergrondconcentraties voor 2030, zijn in vijf gemeenten overschrijdingen van de etmaalnorm voor fijnstof berekend op één of meerdere toetspunten (Tabel 3.4). De overschrijdingen worden veroorzaakt door de concentratiebijdragen van dertien veehouderijen. In totaal betreft het veertien toetspunten met een overschrijding. De toetspunten met berekende concentraties hoger dan de etmaalnorm bevinden zich voornamelijk in gebieden waar relatief veel veehouderijen dicht bij elkaar liggen: Gelderland, Limburg en Noord-Brabant. Het betreft merendeels dezelfde veehouderijen en toetspunten als berekend voor 2021. In deze ronde zijn er geen overschrijdingen voor 2030 berekend die achteraf door het bevoegd gezag zijn aangemerkt als onterecht.
Het aantal toetspunten met een overschrijding van de etmaalnorm is voor 2030 een lager dan voor 2021 en het betreft voor 2030 dezelfde locaties als voor 2021. Het aantal voor 2021 wordt mede bepaald door de lagere achtergrondconcentraties vanwege het effect van de coronamaatregelen. In de berekeningen voor 2030 zijn die niet meegenomen; de prognose is
Pagina 37 van 79
RIVM-rapport 2022-0142
dat de achtergrondconcentratie ter plaatse van de toetspunten in de periode van 2018 tot en met 2030 daalt met ongeveer 2,7 µg/m3 (Bijlage 3). Tabel 3.4 Aantal indicatieve toetspunten per gemeente waarvoor in 2030 een overschrijding is berekend van de PM10-etmaalnorm (> 35 overschrijdingsdagen, inclusief zeezoutaftrek) en met een bandbreedte (> 30 overschrijdingsdagen, zonder zeezoutaftrek) en het indicatieve aantal veehouderijen met een bijdrage aan deze overschrijdingen. Er zijn geen gemeenten die hebben aangegeven dat (een deel van) de berekende overschrijdingen onterecht zijn.
Gelderland Barneveld Epe Scherpenzeel Overijssel Hardenberg Limburg Leudal Nederweert Peel en Maas Noord-Brabant Asten Meierijstad Someren Totaal
Aantal toetspunten (veehouderijen) overschrijding van etmaalnorm
Aantal toetspunten (veehouderijen) overschrijding met bandbreedte
1 (1)
1 (1) 1 (1) 1 (1)
-
1 (1)
9 (7) 1 (2)
1 (1) 10 (10) 2 (4)
2 (2) 1 (1) 14 (13)
3 (3) 1 (1) 1 (1) 22 (24)
Net als voor 2021 is de gevoeligheid van het aantal toetspunten met een overschrijding in 2030 onderzocht voor een beperkte toename van de berekende concentraties en het daarmee samenhangende aantal overschrijdingsdagen. Tabel 3.4 geeft het aantal toetspunten per gemeente weer waar sprake is van het aantal overschrijdingsdagen groter dan de etmaalnorm (inclusief zeezoutaftrek) en bij toepassing van een bandbreedte van vijf dagen zonder de aftrek van het aantal toegestane zeezoutdagen. Tussen haakjes staat het aantal veehouderijen in de gemeente dat een bijdrage levert aan de overschrijdingen. Op 22 toetspunten wordt het aantal overschrijdingsdagen bepaald op meer dan dertig dagen per jaar. Er zijn 24 veehouderijen die hieraan bijdragen. Deze bandbreedte laat zien dat de berekende concentraties fijnstof voor 2030 op een aantal locaties nabij veehouderijen net onder de etmaalnorm liggen. 3.6
Invoer en onzekerheden De kwaliteit van de rekenresultaten wordt voor een groot deel bepaald door de kwaliteit van de invoer. Voor invoergegevens die afkomstig zijn van de lokale overheden ligt de verantwoordelijkheid, en dus ook de kwaliteitsborging, bij het desbetreffende bevoegd gezag. Op basis van de beschikbare informatie is het voor het RIVM niet mogelijk om een Pagina 38 van 79
RIVM-rapport 2022-0142
generieke analyse uit te voeren van alle aspecten van de kwaliteit en de onzekerheden van de invoergegevens. Wel heeft er een technische beoordeling plaatsgevonden om, op basis van de lokale invoergegevens aangeleverd door de lokale overheden, een berekening met het ISL3amodel te kunnen uitvoeren. Er is niet beoordeeld of de gegevens in lijn zijn met de bestaande (vergunde) situatie bij de veehouderijen. De inhoudelijke kwaliteit van de gegevens, zoals aantallen dieren en stallen, is niet gecontroleerd. Deze gegevens zijn voor correct aangenomen. In afwijking met voorgaande rondes is, in overeenstemming met het ministerie IenW, dit jaar alleen na sluiting van de actualisatieperiode en alleen een beperkt aantal automatische controles op veehouderijgegevens uitgevoerd, zonder ernstige onvolkomenheden te constateren. De bevindingen hiervan worden vlak voor aanvang van Monitoringsronde 2023 teruggekoppeld met de desbetreffende bevoegde gezagen. Bij de controles voor de veehouderijgegevens is voornamelijk gekeken naar geldige invoerparameters voor de rekentools, locaties van fijnstofbronnen en locaties van toetspunten (zie paragraaf 5.4).
Pagina 39 van 79
RIVM-rapport 2022-0142
Pagina 40 van 79
RIVM-rapport 2022-0142
4
Bevolkingsblootstelling
Bij de vaststelling van het NSL is als eerste doel het verbeteren van de luchtkwaliteit voor de volksgezondheid opgenomen (Cramer, 2009). Vermindering van de concentraties van NO2 en PM10 leidt tot verbetering van de volksgezondheid, ongeacht of dit boven of onder de grenswaarde plaatsvindt. Om beter inzicht te geven in het effect van het beleid op de gezondheid staat in dit hoofdstuk informatie over de verwachte trend in het aantal personen dat wordt blootgesteld aan bepaalde concentraties NO2 en PM10 in de buitenlucht. In de berekeningen van de blootstelling zijn lokale concentratiebijdragen van verkeer in detail doorgerekend, en zijn de concentratiebijdragen van veehouderijen en overige bronnen alleen in de achtergrondconcentraties meegenomen. 26 De overheid heeft in 2020 het Schone Lucht Akkoord (SLA) opgesteld. 27 Hierin spraken de Rijksoverheid, provincies en gemeenten met elkaar af de luchtkwaliteit in Nederland tot 2030 verder te verbeteren door in 2030 minimaal 50 procent minder gezondheidsschade te realiseren ten opzichte van 2016, voor zover die schade veroorzaakt wordt door binnenlandse bronnen. Het aantal aangesloten gemeenten groeit nog en alle provincies nemen deel (102 deelnemers per 1 oktober 2022). In maart 2022 is het RIVM-rapport ‘Monitoringsrapportage doelbereik Schone Lucht Akkoord (SLA)’ (Ruyssenaars et al., 2022) gepubliceerd.
Daarin rekent het RIVM op verzoek van de SLA-partners door wat de gezondheidseffecten zijn van de beleidspakketten die worden afgesproken in het SLA om de luchtkwaliteit te verbeteren. Het rapport beschrijft en documenteert de (berekende) impact van de beleidspakketten op de emissies, concentraties, blootstelling en de gezondheidseffecten. Het geeft een meer gedetailleerd inzicht in de verwachte bevolkingsblootstellingen dan de NSL-monitoringsrapportage. De berekeningen voor 2030 zijn in het SLA-rapport ‘beleidsrijker’. Daardoor zijn de uitkomsten in beide rapportages niet eenvoudig met elkaar te vergelijken. 4.1
Berekeningsmethode van de blootstelling aan NO2 en PM10 In het NSL zijn op alle woonlocaties in Nederland luchtkwaliteitsberekeningen uitgevoerd om te bepalen aan welke concentraties NO2 en PM10 de bevolking wordt blootgesteld. De gevolgde methodiek voor verkeersbronnen is identiek aan voorgaande jaren en staat beschreven in paragraaf 4.2 van de Monitoringsrapportage 2013 (Van Zanten et al., 2013). Het resultaat van de blootstellingsberekeningen is een concentratie NO2 en PM10 per adres, waaraan vervolgens het aantal personen is gekoppeld dat op die plek woont. Omdat hier op de exacte locatie van de gevels van de woonlocaties wordt gerekend, wijken de resultaten beperkt af van de monitoringsberekeningen op de officiële toetspunten, zoals gepresenteerd in hoofdstuk 2 en 3. Ook kunnen verschillen optreden doordat emissies Vanwege de aanzienlijke inspanningen die gemoeid zijn met het uitvoeren van de blootstellingsberekeningen rondom veehouderijen, en de in het verleden beperkt gebleken meerwaarde ervan (van Zanten et al., 2014), zijn deze niet uitgevoerd in de huidige rapportage. 27 Schone Lucht Akkoord; https://www.schoneluchtakkoord.nl. 26
Pagina 41 van 79
RIVM-rapport 2022-0142
van veehouderijen bij de blootstellingsberekeningen niet lokaal, maar alleen in de achtergrondconcentraties zijn meegenomen. Met de per adres berekende concentratie en het aantal bewoners per adres kunnen we de gemiddelde concentratie afleiden waaraan bewoners binnen een gemeente, een provincie of in heel Nederland zijn blootgesteld: de bevolkingsgewogen gemiddelde concentratie. Hiermee wordt een algemeen beeld van een bepaald gebied gevat in één getal. Deze rapportage geeft voor 2021 en 2030 de bevolkingsgewogen gemiddelde concentratie per gemeente 28 weer. Voor 2021 zijn de neveneffecten van de coronamaatregelen meegenomen; voor 2030 niet (zie Bijlage 3). 4.2
Resultaten blootstellingsberekeningen voor 2021 en 2030 Figuur 4.1 presenteert de bevolkingsgewogen gemiddelde concentraties voor NO2 en PM10, gemiddeld over Nederland, voor de jaren 2010 tot en met 2021 en voor 2030. 29 30 NO2
Concentratie (μg/m3) 25
PM10
20 15 10 5 0 2010
2015
Metingen ←
→ Prognoses
2020
2025
2030
Jaar Figuur 4.1 Bevolkingsgewogen gemiddelde concentratie NO2 en PM10 voor 20102030 gemiddeld voor Nederland. Bevolkingsgewogen gemiddelde concentraties voor 2010-2021 zijn bepaald met werkelijke meteorologie en met gebruik van de metingen in die jaren. Bevolkingsgewogen concentratie voor 2020 en 2021 is inclusief neveneffecten van coronamaatregelen. De prognose voor 2030 is uit de huidige monitoringsronde en gebaseerd op langjarig gemiddelde meteorologie en zonder pandemie-effecten.
De tabellen met de bevolkingsgewogen gemiddelde concentratie per gemeente zijn te vinden in de digitale bijlage ‘Rapport 2022-0142 Blootstelling per gemeente’ bij deze rapportage op de website van het RIVM (https://www.rivm.nl). 29 Bij het vergelijken van de gepasseerde jaren is het goed om te beseffen dat de toegepaste methoden en data over de afgelopen jaren niet volledig consistent zijn gebleven. Er zijn methodeverbeteringen doorgevoerd in de bepaling van de GCN-kaarten en emissiefactoren die van invloed zijn op de berekende waarden. De kalibratie van de kaarten compenseert de methodische wijzigingen gedeeltelijk. 28
Pagina 42 van 79
RIVM-rapport 2022-0142
Tabel 4.1 Bevolkingsgewogen concentratie NO2 gemiddeld per provincie in μg/m3
Provincie Drenthe Flevoland Friesland Gelderland Groningen Limburg Noord-Brabant Noord-Holland Overijssel Utrecht Zeeland Zuid-Holland Nederland
2010 15,0 19,7 14,0 22,8 14,7 22,5 24,9 24,5 20,0 26,4 22,2 30,7 24,5
2011 14,8 19,1 13,8 21,6 15,3 21,7 23,5 23,9 18,1 24,9 21,0 30,5 23,3
2012 14,3 17,6 13,2 20,5 14,7 20,0 22,5 22,2 17,3 24,4 18,6 28,6 22,1
2013 13,0 14,8 12,3 19,4 13,7 19,7 22,1 20,1 15,7 22,2 18,7 25,7 20,5
2014 13,3 14,9 12,4 19,0 13,9 18,1 21,4 20,5 16,0 21,8 17,1 25,1 20,1
2015 11,7 15,2 10,9 18,3 12,1 18,2 20,7 20,0 14,9 21,3 16,6 24,1 19,3
Tabel 4.2 Bevolkingsgewogen concentratie PM10 gemiddeld per provincie in μg/m3
Provincie Drenthe Flevoland Friesland Gelderland Groningen Limburg Noord-Brabant Noord-Holland Overijssel Utrecht Zeeland Zuid-Holland Nederland
2010 22,0 23,5 21,2 25,2 21,7 25,9 26,1 25,2 23,7 25,9 24,1 26,1 25,1
2011 22,3 24,1 21,7 25,8 21,7 25,3 26,4 25,9 24,3 26,8 24,4 26,9 25,6
2012 18,6 19,9 17,4 22,4 17,8 22,6 22,9 21,3 20,9 23,0 19,4 22,1 21,6
2013 17,7 18,9 16,6 21,3 16,9 22,6 22,3 20,2 19,7 21,8 19,4 21,4 20,8
2014 17,8 19,0 16,6 21,2 17,1 21,2 21,8 20,5 19,9 21,9 18,4 21,3 20,6
2015 15,6 17,0 14,6 19,1 14,9 19,3 19,5 18,3 17,7 19,6 16,4 19,0 18,4
2016 12,6 15,9 11,7 18,8 12,6 19,0 21,0 20,8 16,1 22,0 17,1 24,4 19,9
2017 11,8 15,5 10,7 18,5 12,0 18,9 21,3 20,5 15,3 21,4 16,8 23,9 19,6
2018 12,0 14,6 11,0 17,5 11,9 18,1 19,5 19,6 15,3 19,8 16,8 22,9 18,8
2019 11,4 13,4 10,8 16,5 11,8 16,4 18,4 18,1 14,6 18,5 15,5 21,5 17,5
2020 8,9 11,1 8,6 13,2 9,2 12,4 14,1 15,5 11,2 15,2 12,4 18,3 14,2
2021 8,1 10,1 7,6 12,8 8,5 12,6 14,4 15,2 10,6 15,3 12,6 18,8 14,2
2030 6,1 7,3 5,8 9,3 6,3 8,8 11,0 10,5 7,4 10,4 10,2 13,8 10,3
2016 14,7 16,7 14,3 18,3 14,3 17,8 18,4 18,9 16,9 19,3 16,2 19,2 18,1
2017 14,6 16,4 14,2 18,1 14,2 17,8 18,7 18,4 16,6 19,0 16,5 19,1 17,9
2018 15,9 17,5 15,5 18,9 15,6 19,0 19,5 19,6 17,7 20,0 17,6 20,1 19,0
2019 15,0 16,2 14,7 17,7 14,9 17,1 18,3 17,9 16,6 18,6 16,1 18,4 17,6
2020 13,5 14,9 13,5 15,9 13,7 15,3 16,2 16,6 14,9 16,7 14,8 16,5 15,9
2021 13,6 14,9 13,1 16,3 13.5 16,7 17,2 16,7 15,0 17,2 14,9 17,3 16,4
2030 12,0 13,2 11,9 14,0 12,2 13,4 14,4 14,9 13,1 14,9 13,2 15,2 14,2
Pagina 43 van 79
RIVM-rapport 2022-0142
In Tabel 4.1 en Tabel 4.2 zijn de bevolkingsgewogen gemiddelde concentraties per provincie te zien. Tabellen met de bevolkingsgewogen gemiddelde concentratie per gemeente zijn te vinden in de digitale bijlage ‘Rapport 2022-0142 Blootstelling per gemeente’ 30 bij deze rapportage. Bedenk hierbij overigens dat de bevolkingsgewogen gemiddelde concentraties (blootstelling) per provincie en per gemeente, en de ontwikkeling daarvan, van jaar tot jaar iets kunnen verschillen door de variaties in concentraties over Nederland. Dit omdat de verdeling van de bevolking en de verdeling van de concentraties over Nederland ongelijkmatig zijn. Stikstofdioxide (NO2) De bevolkingsgewogen gemiddelde NO2-concentratie in Nederland is in 2021, evenals in 2020, volgens de huidige (aan de metingen geijkte) berekeningen 14,2 μg/m3 (Figuur 4.1, Tabel 4.1). Deze is daarmee 3,3 μg/m3 lager dan in 2019. De bevolkingsgewogen gemiddelde NO2concentratie in 2020 en 2021 is daarmee de laagste sinds het begin van de NSL Monitoring (2010), met de sterkste daling tussen 2019 en 2020, mede veroorzaakt door het effect van de coronamaatregelen die ook in 2021 nog van kracht waren. Deze sterke daling kan dus tijdelijk zijn. Dit betekent dat de langjarige dalende trend zoals die gemiddeld over Nederland in de metingen 31 is waargenomen in 2021 aanhoudt.
De daling in blootstelling tussen 2020 en 2021 treedt op in zeven provincies en varieert per provincie van 0,3 μg/m3 in Noord-Holland tot 1,0 μg/m3 in Flevoland en Friesland. In de vijf andere provincies, te weten Limburg, Noord-Brabant, Utrecht, Zeeland en Zuid-Holland, is sprake van een lichte stijging variërend van 0,1 μg/m3 in Utrecht tot 0,5 μg/m3 in Zuid-Holland. De onzekerheid in de raming voor 2030 is groot: bepaalde factoren, zoals het tempo van de verschoning van het wagenpark zijn lastig in te schatten. Mogelijk ramen we het tempo waarin de NO2-concentraties zullen dalen te laag in. Voor 2030 wordt een verdere daling van de bevolkingsgewogen NO2concentratie verwacht voor alle provincies. De bevolkingsgewogen NO2concentratie daalt in de prognose gemiddeld over Nederland ruim 4 μg/m3 tussen 2021 en 2030, naar 10,3 μg/m3. De geprognosticeerde bevolkingsgewogen NO2-concentraties in 2030 lopen uiteen van 6,1 μg/m3 in Drenthe tot 13,8 μg/m3 in Zuid-Holland. De geprognosticeerde daling is over het algemeen het grootst in de provincies met relatief hoge bevolkingsgewogen concentraties in 2021. De ramingen voor 2030 zijn gemiddeld voor Nederland gelijk aan de raming voor 2030 van vorig jaar. De oude WHO-advieswaarde voor NO2 was 40 μg/m3 (WHO, 2005).
De berekende gemiddelde concentraties voor de provincies en voor Nederland als een geheel zijn al jaren onder deze advieswaarde. Vergelijken we echter de bevolkingsgewogen gemiddelden per provincie en voor Nederland als geheel voor 2021 met de nieuwe lagere WHODe tabellen met de bevolkingsgewogen gemiddelde concentratie per gemeente zijn te vinden in de digitale bijlage ‘Rapport 2022-0142 Blootstelling per gemeente’ bij deze rapportage op de website van het RIVM, (https://www.rivm.nl). 31 https://www.clo.nl/indicatoren/nl0231-stikstofdioxide. 30
Pagina 44 van 79
RIVM-rapport 2022-0142
advieswaarde 32 voor NO2 van 10 μg/m3 (WHO, 2021), dan zijn alleen de gemiddelden voor de drie noordelijke provincies Drenthe, Friesland en Groningen onder die advieswaarde. Het gemiddelde voor Nederland ligt in 2021 boven de nieuwe WHO-advieswaarde. Voor 2030 zijn voor vijf provincies en voor Nederland als een geheel gemiddelden berekend boven de nieuwe WHO-advieswaarde. Fijnstof (PM10) De bevolkingsgewogen gemiddelde fijnstofconcentratie in Nederland in 2021 is volgens de berekeningen 16,4 μg/m3 (Figuur 4.1, Tabel 4.2). Dat is 0,5 μg/m3 hoger dan de waarde van 2020 (15,9 μg/m3), die de laagste was in de periode 2010-2021. De grootschalige fijnstofconcentratie gemiddeld voor Nederland was in 2021 een fractie hoger (0,1 μg/m3) dan die van 2020 en lager (1,6 μg/m3) dan die in 2019 (zie Hoogerbrugge et al. (2022) en Bijlage 3). Voor heel Nederland is in de periode 2010 tot en met 2021 een daling van 8,7 μg/m3 opgetreden (Figuur 4.1, Tabel 4.2). De grootste daling vond plaats tussen 2010 en 2015. De daling tussen 2019 en 2020 bedraagt 1,7 μg/m3. De waarde in 2021 is weliswaar hoger dan die van 2020, maar nog altijd 1,2 μg/m3 lager dan in 2019. De neveneffecten van de coronamaatregelen zullen in zekere mate hebben bijgedragen aan deze lagere bevolkingsgewogen gemiddelde fijnstofconcentratie in de afgelopen twee jaar ten opzichte van de jaren daarvoor.
In 2021 varieerden de bevolkingsgewogen gemiddelde concentraties fijnstof in de provincies tussen 13,1 μg/m3 in Friesland en 17,2 μg/m3 in Noord-Brabant. In negen provincies is sprake van een lichte stijging in de bevolkingsgewogen fijnstofconcentraties tussen 2020 en 2021. Voor Limburg is deze het grootst met 1,4 μg/m3 en voor Drenthe, NoordHolland, Overijssel en Zeeland het kleinst met 0,1 μg/m3. Voor Flevoland is het gemiddelde gelijk aan dat van vorig jaar. In de provincies Friesland en Groningen daalt het gemiddelde licht ten opzichte van 2020. In alle provincies blijft in 2021 de bevolkingsgewogen gemiddelde concentratie 3 tot 7 μg/m3 onder de oude advieswaarde voor PM10 van de WHO 33 van 20,0 μg/m3. Zeven provincies – en Nederland als geheel – hebben volgens Tabel 4.2 een bevolkingsgewogen gemiddelde in 2021 op of boven de nieuwe WHO-advieswaarde voor PM10 van 15 μg/m3. De bevolkingsgewogen gemiddelde fijnstofconcentratie in Nederland is in 2030 volgens de berekeningen 14,2 μg/m3; dat is 0,3 μg/m3 hoger dan de raming voor 2030 in de vorige rapportage en 2,2 μg/m3 lager dan is berekend voor 2021. Mede dankzij de verwachte grootschalige concentraties in 2030 zullen in alle provincies de bevolkingsgewogen gemiddelde concentraties onder de oude en de nieuwe WHOadvieswaarde voor PM10 van 20,0 μg/m3, respectievelijk 15 μg/m3 liggen.
De verschillen tussen provincies zijn minder groot dan bij NO2: De WHO publiceerde in september 2021 nieuwe lagere advieswaarden voor onder andere de jaargemiddelde concentraties van PM10 (15 μg/m3; was 20 μg/m3) en NO2 (10 μg/m3; was 40 μg/m3) (WHO, 2005 en 2021). De WHO publiceerde in september 2021 nieuwe lagere advieswaarden voor onder andere de jaargemiddelde concentraties van NO2 (10 μg/m3) en PM10 (15 μg/m3) (WHO, 2005 en 2021). De resultaten met de oude advieswaarden staat vergelijking met die van voorgaande monitoringsronden toe. Ter vergelijking zijn de blootstellingsaantallen aan de nieuwe WHO-advieswaarden gegeven. Schatting van het aantal blootgestelden aan PM2,5-concentraties boven de oude advieswaarde van 15 μg/m3 en de nieuwe advieswaarde van 5 μg/m3 staan niet in dit rapport. Voor monitoringsronde 2023 is wel voorzien in het rapporteren over de blootstellingen aan PM2,5. 32
33
Pagina 45 van 79
RIVM-rapport 2022-0142
bevolkingsgewogen fijnstofconcentraties voor 2030 lopen uiteen van 11,9 μg/m3 in Friesland tot 15,2 μg/m3 in Zuid-Holland. In de berekeningen voor 2030 zijn geen effecten van coronamaatregelen meegenomen. Het is belangrijk te beseffen dat de bevolkingsgewogen jaargemiddelde concentraties gemiddelden betreffen; een deel van de bevolking wordt aan lagere concentraties blootgesteld en een deel aan hogere concentraties, voor een deel in de grote steden. Zo is bijvoorbeeld berekend dat in 2021 ruim 1,2 procent van de Nederlandse bevolking werd blootgesteld aan PM10-concentraties boven de oude WHOadvieswaarde (zie paragraaf 4.3). Dit ondanks het feit dat de concentraties gemiddeld per provincie en per gemeente onder dezelfde oude advieswaarde liggen. 4.3
Blootstelling aan concentraties boven de grenswaarden en WHOadvieswaarden Gemiddeld genomen dalen de concentraties NO2 en PM10 waaraan de bevolking wordt blootgesteld sinds 2010 (Figuur 4.1). Deze positieve ontwikkeling in combinatie met de neveneffecten van de coronamaatregelen leidt ertoe dat voor 2020 geen personen en voor 2021 nagenoeg geen personen zijn blootgesteld aan concentraties boven de grenswaarden. Onder de Europese grenswaarden draagt een daling van de concentratie stikstofdioxide en fijnstof ook bij aan een verbetering van de volksgezondheid. Stikstofdioxide In 2021 zijn twee personen aan NO2-concentraties boven de Europese grenswaarde van 40,5 μg/m3 blootgesteld. Het gaat hier echter om een locatie waarvan de gemeente stelt dat het een onterechte overschrijding van de grenswaarde betreft. In 2019 ging het nog om ruim tachtig personen. De coronamaatregelen in 2020 en 2021 hebben extra bijgedragen aan de daling in bevolkingsgewogen gemiddelde NO2concentraties in die twee jaren. Voor 2030 is de verwachting, net als in de vorige rapportage, dat er geen personen zullen worden blootgesteld aan NO2-concentraties boven de huidige grenswaarde (c.q. oude WHO-advieswaarde). Hanteren we de nieuwe lagere WHO-advieswaarde van 10 μg/m3 voor NO2, dan ontstaat een geheel ander beeld.
Het geschatte aantal blootgestelden boven die nieuwe advieswaarde is dan flink hoger: ruim 14,1 miljoen in 2021 en ongeveer 8,2 miljoen in 2030. Deze waarden zijn in lijn met die van de rapportage van vorig jaar. Fijnstof In 2021 zijn volgens de blootstellingsberekeningen, net als in de twee voorgaande monitoringsrapportages, geen personen blootgesteld aan fijnstofconcentraties boven de etmaalnorm. Bij de lokale berekeningen van de veehouderijen (zie hoofdstuk 3) zijn echter voor 2021 nog bij vijftien burgerwoningen concentraties boven de norm berekend. Dit Pagina 46 van 79
RIVM-rapport 2022-0142
verschil tussen beide berekeningen komt doordat bij de blootstellingsberekeningen de bijdrage van veehouderijen niet lokaal is doorgerekend; alleen van verkeer is de lokale bijdrage doorgerekend. 34 De emissies van veehouderijen zijn verwerkt in de achtergrondconcentraties. Voor de gemiddelde blootstelling (bijvoorbeeld per gemeente) zijn de afwijkingen door deze versimpelde aanpak verwaarloosbaar (Van Zanten et al., 2014), maar voor relatief kleine aantallen blootgestelden boven de fijnstofnorm heeft de gekozen aanpak invloed op de resultaten. De blootstellingsberekening leidt daarmee tot een onderschatting van het aantal blootgestelden boven de norm. Zoals hiervoor staat, volgt uit de lokale berekeningen op toetspunten rondom veehouderijen dat er in 2021 nog op vijftien woonlocaties 35 overschrijdingen van de fijnstofnorm zijn. Onder de aanname dat er gemiddeld 2,5 personen per adres wonen, gaat het hier om ruwweg 38 personen die aan concentraties boven de norm worden blootgesteld. Dit zijn ongeveer vijf personen meer dan voor 2020 werd geschat. Voor 2030 wordt, evenals in voorgaande monitoringsrapportages, verwacht dat geen personen worden blootgesteld aan concentraties boven de etmaalnorm voor PM10. Bij deze inschatting zijn de veehouderijen niet in detail doorgerekend.
De WHO hanteert sinds september 2021 een lagere advieswaarde voor de jaargemiddelde concentratie PM10, namelijk 15 μg/m3 (WHO, 2021). Hanteren we deze nieuwe lagere WHO-advieswaarde, dan is in Nederland het geschatte aantal blootgestelden boven die advieswaarde ruim 13,4 miljoen in 2021 en ruim 4,2 miljoen in 2030. Dit is een stijging van 600 duizend respectievelijk 1,2 miljoen ten opzichte van de schattingen in de vorige rapportage voor de jaren 2020 en 2030. Dit geeft aan dat een kleine verandering van de bevolkingsgewogen jaargemiddelde concentratie sterke veranderingen oplevert in het aantal blootgestelden. Vergelijken we het met de oude WHO-advieswaarde van 20,0 μg/m3, dan is in 2021 het aantal blootgestelden aan concentraties boven deze advieswaarde in Nederland ruim 207.000 personen, of ruim 1,2 procent van de inwoners. Dit aantal blootgestelden is ongeveer 2,5 keer kleiner dan in 2019. Het is wel 15 keer hoger dan in 2020; toen was dit rond de ruim 13.000 inwoners (ruim 0,1 procent van de Nederlandse bevolking). De neveneffecten van de coronamaatregelen droegen bij aan dusdanig lagere fijnstofconcentraties en bevolkingsgewogen gemiddelde concentraties in 2020 en 2021, dat het aantal blootgestelden boven de oude WHO-advieswaarde aanzienlijk lager is dan in de daaraan voorafgaande jaren.
Een geringe verandering van de bevolkingsgewogen jaargemiddelde concentratie in opeenvolgende jaren kan sterke veranderingen opleveren in het aantal blootgestelden. Zo was in 2020 het jaargemiddelde voor fijnstof 15,9 μg/m3 met het aantal blootgestelden boven de nieuwe WHO-advieswaarde ruim 12,8 miljoen; in 2021 was dit 34 Vanwege de aanzienlijke inspanningen die gemoeid zijn met het uitvoeren van de blootstellingsberekeningen rondom veehouderijen, en de in het verleden beperkt gebleken meerwaarde ervan (Van Zanten et al., 2014), zijn deze niet uitgevoerd in de huidige rapportage. 35 Dit betreft alleen woonlocaties die niet als bedrijfswoningen zijn aangemerkt.
Pagina 47 van 79
RIVM-rapport 2022-0142
met 16,4 μg/m3 ruim 13,4 miljoen. Afgezet tegen de oude WHOadvieswaarde was ruim 13.000, respectievelijk ruim 207.000. Dit betekent dat ontwikkelingen na de coronapandemie ertoe kunnen leiden dat de berekende bevolkingsgewogen jaargemiddelde concentraties van fijnstof voor de jaren na 2020 en 2021 weer verder boven de nieuwe en dichter bij de oude WHO-advieswaarde kunnen uitkomen. In dat geval zal dit een hoger aantal blootgestelden boven deze WHO-advieswaarden opleveren dan berekend voor 2020 en 2021. Wel is de verwachting dat een dalende trend in het aantal blootgestelden in Nederland, zoals die al sinds 2010 wordt waargenomen, zich zal voortzetten op de langere termijn. Het Schone Lucht Akkoord zal hieraan zeker een bijdrage leveren. In deze ronde is voor 2030 de landelijk berekende bevolkingsgewogen gemiddelde PM10-concentratie (14,2 μg/m3) iets hoger dan die van de vorige ronde (13,9 μg/m3). Voor 2030 wordt verwacht dat er nog ruim 4,2 miljoen en ruim 4.900 personen worden blootgesteld aan concentraties boven respectievelijk de nieuwe en de oude WHOadvieswaarde. De vorige monitoringsronde schatte deze op ruim 3,1 miljoen, respectievelijk ruim 4.500 personen.
Methodewijzigingen die dit jaar zijn doorgevoerd in het GCN voor het berekenen van de grootschalige concentraties voor 2030 leiden tot ongeveer 0,3 μg/m3 hogere gemiddelde PM10-concentraties (Hoogerbrugge et al., 2022; Bijlage 3). Dit kan mede bijdragen aan het wat hogere aantal geschatte blootgestelden voor 2030 in deze ronde. Voor PM2,5 wordt de huidige EU-grenswaarde (25 μg/m3) automatisch bereikt als voldaan wordt aan de PM10 grenswaarde. Maar dat verandert als de grenswaarde voor PM2.5 sterker verlaagd zou worden dan de PM10 grenswaarde. Dat kan implicaties hebben voor de monitoring van PM2.5 in de toekomst, als de nieuwe WHO-advieswaarde voor PM2,5 van 5 μg/m3 gehanteerd zou worden naast die van de nieuwe PM10 advieswaarde van 15 μg/m3.
Pagina 48 van 79
RIVM-rapport 2022-0142
5
Kwaliteit lokale invoergegevens
Dit hoofdstuk bespreekt zaken die gerelateerd zijn aan de kwaliteit van de lokale invoergegevens. 5.1
Onvolkomenheden in lokale invoergegevens Na de sluiting van de actualisatieronde en na validatie van de berekeningen door het RIVM geeft normalerwijze een aantal overheden aan dat er nog onvolkomenheden in de invoergegevens zitten of dat de invoer een toelichting behoeft. Vaak betreft dit berekende en gerapporteerde overschrijdingen waarvan het bevoegd gezag achteraf aangeeft dat deze onterecht zijn. Dit komt doordat de invoerdata voor de berekening van de lokale bijdrage onvolkomenheden bleken te bevatten. Of doordat overschrijdingen berekend zijn op ingevoerde locaties, waarvan het bevoegd gezag achteraf stelt dat de luchtkwaliteit daar niet beoordeeld hoeft te worden. Dit kan bijvoorbeeld zo zijn omdat het publiek formeel daartoe geen toegang heeft, omdat de duur van de periode dat iemand daar gemiddeld verblijft niet significant is 36, of omdat de Arbowetgeving op die locatie van kracht is. Het RIVM controleert deze opmerkingen niet, en kan na sluiting van de monitoringstool en validatie van de berekeningen geen additionele berekeningen uitvoeren op basis van de correcte invoerdata. De desbetreffende overschrijdingen worden in dergelijke gevallen in de rapportage dan ook benoemd als ‘volgens het bevoegd gezag onterecht’, waarbij het gaat om zowel het wegverkeer als de veehouderijen.
Bevoegde gezagen kregen van Bureau Monitoring de gelegenheid te reageren op de berekende overschrijdingen. De ontvangen toelichtingen door bevoegde gezagen op de overschrijdingen voor wegverkeer en veehouderijen – al dan niet in verband met de invoergegevens – staan in Bijlage 6A. De afgelopen jaren hebben de inspanningen van Bureau Monitoring en de bevoegde gezagen om het aantal onvolkomenheden in de invoerdata terug te dringen vruchten afgeworpen. Het resulteert in minder onvolkomenheden in de invoergegevens en tot minder overschrijdingen die als ‘onterecht’ worden aangemerkt. Geen tussentijdse doorrekening verkeer en controle veehouderijen In tegenstelling tot de vorige ronde heeft het RIVM in deze monitoringsronde geen tussentijdse landelijke berekening voor wegverkeer uitgevoerd. Doel van die berekening was het bepalen van de toetspunten met een normoverschrijding voor NO2 en PM10 op de tot dan toe geactualiseerde gegevens en deze resultaten terug te koppelen naar de desbetreffende bevoegde gezagen. Hierdoor waren de bevoegde gezagen in staat de overschrijdingslocaties nader te bekijken en eventueel ‘onterechte’ overschrijdingen door onvolkomenheden in de invoergegevens te herstellen, dan wel om te overwegen een verzoek in te dienen voor het toepassen van een correctieveld op basis van windtunnelonderzoek. 36
Zie voor uitleg Bijlage 1 Begrippenkader: Toepasbaarheidsbeginsel en blootstellingscriterium. Pagina 49 van 79
RIVM-rapport 2022-0142
In paragraaf 1.2. staat de achtergrond van het niet uitvoeren van een dergelijke tussentijdse landelijke berekening in deze ronde. Er is geen verzoek ingediend voor het toepassen van correctievelden gebaseerd op windtunnelonderzoek. Evenmin heeft het RIVM tussentijds de invoergegevens voor de veehouderijen gecontroleerd op onvolkomenheden in belangrijke parameters die nodig zijn voor het berekenen van overschrijdingen. Na sluiting van de actualisatieperiode is wel een beperkt aantal automatische controles op de veehouderijgegevens uitgevoerd, zonder ernstige onvolkomenheden te constateren. De bevindingen hiervan worden vlak voor aanvang van Monitoringsronde 2023 teruggekoppeld met de desbetreffende bevoegde gezagen. Eventuele resterende onvolkomenheden in de invoerdata kunnen bevoegde gezagen tijdens de actualisatiefase van de volgende monitoringsronde, in dit geval die van 2023, corrigeren. Het RIVM wijzigt niet eigenhandig gegevens tijdens of na de actualisatieperiode, zelfs niet als het bevoegd gezag daarom zou vragen. Het bevoegd gezag dient zelf de gegevens te controleren en te corrigeren. 5.2
Onderbouwen en accorderen invoergegevens Om inzicht te krijgen in de kwaliteit van de jaarlijks aangeleverde invoergegevens is informatie nodig over de uitgangspunten, over de effecten van maatregelen, en over de gebruikte methode bij de totstandkoming van de invoergegevens. Wegbeheerders zijn verplicht om een referentie naar een verantwoordingsdocument in de monitoringstool op te nemen. In de opgegeven referenties wordt vaak verwezen naar een model en/of naar telgegevens of (in mindere mate) naar een online beschikbare onderbouwing. In de Monitoringsronde 2022 zijn geen wegbeheerders vrijgesteld van actualisatie van invoergegevens voor verkeer. Deze ronde hebben 173 wegbeheerders de verkeersgegevens geaccordeerd. Dat is ruim 70 procent van alle beheerders met accorderingsrechten. Acht bevoegde gezagen hebben alleen gegevens geactualiseerd, maar niet geaccordeerd. Deze gegevens zijn voor wegverkeer en veehouderijen wel meegenomen in de berekeningen van overschrijdingen. De onderbouwingen van de wegbeheerders staan in de digitale bijlage ‘Rapport 2022-0142 Bijlage onderbouwingen verkeer en veehouderijen’ 37 bij deze monitoringsrapportage. Ook voor de actualisatie van veehouderijgegevens zijn deze monitoringsronde geen vrijstellingen verleend aan bevoegde gezagen.
Daarnaast hebben NSL-partners door te accorderen bevestigd dat ze de invoercriteria voor veehouderijgegevens, zoals beschreven in paragraaf 3.1, volledig in acht hebben genomen bij het actualiseren van de gegevens. Als ervoor gekozen is om van de criteria af te wijken, dan is deze keuze bij het accorderen verantwoord. De onderbouwingen van de NSL-partners met veehouderijen zijn te vinden in de digitale bijlage De tabellen met de door de bevoegde gezagen ingevoerde onderbouwingen (voor verkeer en veehouderijen) staan in de digitale bijlage ‘Rapport 2022-0142 Bijlage onderbouwingen verkeer en veehouderijen’ bij deze rapportage op de website van het RIVM (https://www.rivm.nl).
37
Pagina 50 van 79
RIVM-rapport 2022-0142
‘Rapport 2022-0142 Bijlage onderbouwingen verkeer en veehouderijen’ bij deze monitoringsrapportage. In deze monitoringsronde hebben 180 bevoegde gezagen de rechten ontvangen om veehouderijgegevens te actualiseren en te accorderen. In totaal hebben 121 bevoegde gezagen gegevens geactualiseerd en geaccordeerd. Het aantal accorderingen is in deze ronde met 44 gedaald ten opzichte van de vorige ronde. Vier bevoegde gezagen hebben alleen gegevens geactualiseerd, maar niet geaccordeerd. Wat betreft de voortgangsformulieren: 65 NSL-partners hebben die voor projecten geaccordeerd en 32 partners die voor maatregelen. 5.3
Geen uitvoering motie ‘Van Tongeren’ – Steekproef voor invoergegevens van wegverkeer In paragraaf 1.2 is gemotiveerd waarom – in overeenstemming met het ministerie van IenW – het RIVM geen uitvoering heeft gegeven aan de motie ‘Van Tongeren’. Daarmee vervalt Bijlage 6B in deze rapportage. Details over de wijze van uitvoering van deze motie op de invoergegevens van wegverkeer en de reacties van bevoegde gezagen op bevindingen zijn te vinden in De Smet et al. (2021).
5.4
Beperkte controle voor invoergegevens van veehouderijen In paragraaf 1.2 is gemotiveerd waarom het RIVM – in overeenstemming met het ministerie van IenW – zeer beperkt de controle op de invoergegevens van veehouderijen heeft uitgevoerd. Na sluiting van de actualisatieperiode is wel een beperkt aantal automatische controles op de veehouderijgegevens uitgevoerd, zonder ernstige onvolkomenheden te constateren. De bevindingen hiervan worden vlak voor aanvang van Monitoringsronde 2023 teruggekoppeld aan de desbetreffende bevoegde gezagen. Indien nodig kunnen zij de gegevens dan in die ronde aanpassen. Met de uitvoering van een beperkte controle op veehouderijgegevens zonder terugkoppeling met bevoegde gezagen in de huidige ronde vervalt Bijlage 6C in deze rapportage. Details over de uitgebreide wijze van uitvoering van een controle op de invoergegevens van veehouderijen en de reacties van bevoegde gezagen op bevindingen staan in De Smet et al. (2020 en 2021). Bij de automatische controles in Monitoringsronde 2022 is voornamelijk gekeken naar de volgende aspecten: A. Geldige invoerparameters voor de rekentools, bijvoorbeeld stalafmetingen, bronhoogten, uittreesnelheid en afmetingen emissiepunt. B. Locaties van emissiebronnen: liggen alle bronnen van één veehouderijbedrijf voldoende dicht bij elkaar en is de afstand tot de opgegeven toetspunten logisch?
Pagina 51 van 79
RIVM-rapport 2022-0142
Pagina 52 van 79
RIVM-rapport 2022-0142
6
Voortgang projecten en maatregelen
Dit hoofdstuk geeft de voortgang weer van de lokale maatregelen en projecten uit het NSL. 6.1
Achtergrond voortgangsformulieren Het NSL streeft naar verbetering van de luchtkwaliteit door het nemen van maatregelen én het geeft mogelijkheden voor de uitvoering van ruimtelijke projecten. De jaarlijkse monitoring van de luchtkwaliteit maakt zichtbaar in welke mate maatregelen uit het NSL zijn uitgevoerd. Voor de overheden geldt rond maatregelen een uitvoeringsplicht. Inzicht in de uitvoeringsvoortgang laat zien of aan deze plicht is voldaan. Alle projecten en maatregelen die in het NSL zijn opgenomen, zijn verwerkt in digitale voortgangsformulieren in de monitoringstool. 38 In de formulieren zijn de kenmerken per project of maatregel opgenomen. Het betreft hier de maatregelen en projecten van de decentrale overheden en Rijkswaterstaat. Een overzicht van vaststaand en voorgenomen beleid van de Rijksoverheid is te vinden in Emissieramingen luchtverontreinigende stoffen (Smeets et al., 2020) 39 en het rapport Beleidsoverzicht en de factsheets beleidsinstrumenten (Van den Born et al., 2021). 40
6.2
Actualisatie voortgangsformulieren Bij de actualisatie van de voortgangsformulieren geven overheden de huidige stand van zaken van projecten en maatregelen aan. In Tabel 6.1 staat in welke mate de informatie over de voortgang van projecten en maatregelen is geactualiseerd en hoe vaak kenmerken zijn gewijzigd. Bij actualisatie kan het gaan om bijgewerkte informatie over alleen de stand van zaken, of ongewijzigde gegevens die opnieuw zijn geaccordeerd. Daarmee geeft de desbetreffende overheid aan dat deze gegevens nog actueel zijn. Bij wijzigingen gaat het om aanpassing van projecten of maatregelen ten opzichte van het NSL, zoals dat na de invoerperiode van Monitoringsronde 2021 (mei 2021) van kracht was.
https://www.nsl-monitoring.nl > Monitoring NSL. https://www.pbl.nl/publicaties/emissieramingen-luchtverontreinigende-stoffen (nieuwe versie in december 2022 verwacht). 40 https://www.pbl.nl/publicaties/beleidsoverzicht-en-factsheets-beleidsinstrumenten-achtergronddocument-bijde-klimaat-en-energieverkenning-2021. 38 39
Pagina 53 van 79
RIVM-rapport 2022-0142
Tabel 6.1 Actualisatie van voortgangsformulieren in Monitoringsronde 2022.
Voortgangsformulieren
Projecten
Maatregelen
Totaal aantal in monitoringstool Geactualiseerd Wijziging t.o.v. NSL MR2021 Wijziging waarvoor wel een melding is/wordt ingediend Wijziging waarvoor geen melding is/wordt ingediend
668 512 (77%) 2 0
922 580 (63%) 7 0
2
7
Voor het wijzigen, toevoegen of vervangen van projecten en maatregelen dienen de overheden een formele melding in. De werkwijze en een overzicht van de goedgekeurde meldingen staat op de website van Kenniscentrum InfoMil 41. Overheden kunnen projecten laten vervallen. Bij maatregelen is dat niet mogelijk. Vanaf Monitoringsronde 2015 kunnen overheden in de monitoringstool bij maatregelen wel aangeven dat ze voornemens zijn een verzoek tot ontheffing van de uitvoeringsplicht in te dienen. Daarbij geven ze een onderbouwing van de reden voor dat voornemen. Voor bepaalde wijzigingen van maatregelen (actualisaties) is het niet nodig dat betreffende overheden een melding indienen. De maatregelen zijn dan niet inhoudelijk aangepast. Wel is informatie over bijvoorbeeld de planning bijgewerkt of een toelichting bijgevoegd. Inhoudelijke wijzigingen in een maatregel worden met een melding geformaliseerd. Uitvoeringsfase De uitvoeringsfase van de projecten en maatregelen geeft inzicht in de huidige stand van zaken. In Figuur 6.1 en Figuur 6.2 staat hoe de uitvoering van projecten en maatregelen zich heeft ontwikkeld gedurende de looptijd van het NSL. De maatregelen bevinden zich verder in het uitvoeringsproces dan de projecten. Uit Figuur 6.1 blijkt dat 24 procent van de projecten momenteel in uitvoering is en dat 27 procent afgerond is.
In 2020 was dit respectievelijk 24 procent en 25 procent. Van de maatregelen is 9 procent in uitvoering en 83 procent afgerond (Figuur 6.2). Dat was in 2020 10 procent respectievelijk 82 procent. Bij 5,7 procent (gelijk aan 2020 en 2021) van de maatregelen kozen overheden voor ‘Voornemen verzoek ontheffing uitvoeringsplicht’. Bij de 87 maatregelen die in 2018 aan het NSL zijn toegevoegd bij de Aanpassing NSL 42 geeft de uitvoeringsfase eenzelfde beeld als vorig jaar; deze zijn vaker nog in uitvoering. Figuur 6.3 toont de uitvoeringsfase van deze maatregelen. De voortgang in het realiseren van maatregelen en projecten was in het jaar 2021 beperkt.