CConstaterende datTerneuzen
Koppel je AI →
Document · PDF

2023-07-04 IC4 - Bijlage Monitoringsrapportage NSL 2022

commissie Omgeving 21 juni 2023, gemeente TerneuzenBij agendapunt: Ingekomen stukken26.839 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

41 42

http://www.infomil.nl/onderwerpen/klimaat-lucht/luchtkwaliteit/slag/monitoren-nsl/meldingen/. https://www.tweedekamer.nl/kamerstukken/detail?id=2018D46646&did=2018D46646.

Pagina 54 van 79

RIVM-rapport 2022-0142

Figuur 6.1 Ontwikkeling in uitvoeringsfase van projecten door de jaren heen.

Figuur 6.2 Ontwikkeling in uitvoeringsfase van maatregelen door de jaren heen.

Bij de start van de Monitoring NSL in 2010 is de fase van alle projecten op ‘In voorbereiding’ gezet. Informatie over de fase was geen onderdeel van het NSL zoals vastgesteld in 2009. Na sluiting van Monitoringsronde 2011 is de fase op ‘Niet ingevuld’ gezet bij projecten die in ronde 2010 en 2011 niet geactualiseerd of geaccordeerd zijn. Vanaf 2014 is de fase ‘Niet ingevuld’ niet meer beschikbaar; fase ‘On hold’ is toegevoegd voor projecten waarop voor onbepaalde tijd geen ontwikkeling is voorzien. De daling in het aantal maatregelen in 2013 komt door de samenvoeging van maatregelen van Rijkswaterstaat. Schermen en snelheidsmaatregelen zijn niet langer per 100 meter opgenomen als Pagina 55 van 79

RIVM-rapport 2022-0142

afzonderlijke maatregelen. Bijvoorbeeld een scherm van vier aansluitende stukken van 100 meter is vervangen door één scherm van 400 meter. Vanaf 2014 is de fase ‘Onbekend’ niet meer beschikbaar. In 2015 is de fase ‘Voornemen verzoek ontheffing uitvoeringsplicht’ toegevoegd.

Figuur 6.3 Ontwikkeling in uitvoeringsfase van 87 lokale maatregelen die toegevoegd zijn in de Aanpassing NSL in 2018.

6.3

Verwerking effecten projecten en maatregelen in invoerdata Projecten en maatregelen hebben effect op de luchtkwaliteit. Verwerking van de effecten in de invoergegevens van de monitoringstool is nodig om de project- en maatregeleffecten zichtbaar te maken in de berekende concentraties. Overheden is gevraagd in het voortgangsformulier expliciet aan te geven of deze effecten in hun invoergegevens zijn verwerkt. Daarbij zijn de overheden gevraagd om in de onderbouwing van de verkeersgegevens de aangenomen effecten te vermelden. Overheden hebben aangegeven dat de effecten verwerkt zijn in de verkeersgegevens van 407 projecten in rekenjaar 2021. Dit aantal is vergelijkbaar met de vorige monitoringsronde. De voortgangsformulieren kennen niet de mogelijkheid om aan te geven of projecteffecten in de verkeersgegevens van zichtjaar 2030 zijn verwerkt. In het NSL zijn in totaal 668 projecten opgenomen. Projecten die nog niet ‘in uitvoering’ of ‘afgerond’ zijn in een (zicht)jaar, hoeven nog niet verwerkt te zijn in de verkeersgegevens van dat (zicht)jaar. In 2021 zijn 161 projecten in uitvoering en 180 projecten afgerond. In totaal hebben 341 (161 + 180) projecten – vaak negatieve – effecten op de luchtkwaliteit. Van 407 projecten zijn de effecten in de verkeersgegevens verwerkt, wat een aanmerkelijk hoger aantal is.

Dit betekent dat naast de effecten van afgeronde en in uitvoering zijnde projecten ook al de effecten zijn verwerkt in de invoerdata voor 2021 van 66 projecten (407 - 341) die nog niet in uitvoering of afgerond zijn. Overheden nemen binnen het NSL maatregelen om de luchtkwaliteit te verbeteren. Er zijn maatregelen waarvan het effect te verwerken is in de invoergegevens voor de monitoringstool. Voorbeelden zijn aanpassingen Pagina 56 van 79

RIVM-rapport 2022-0142

aan de weg en doorstromingsmaatregelen. Dit zijn maatregelen die direct effect hebben op verkeers- of omgevingskenmerken. Er zijn ook maatregelen die niet direct effect hebben op de verkeersparameters. Dit is aan de orde bij een milieuzone of bij scherpe emissie-eisen in concessieverleningen van het openbaar vervoer. Een overheid kan de maatregelen die invloed hebben op de emissie van voertuigen als maatregelgebied in de monitoringstool opnemen. Tot slot zijn er typen maatregelen die moeilijk of niet te kwantificeren effecten hebben. Voorbeelden daarvan zijn gedragsmaatregelen, stimulering fietsverkeer en communicatie over mobiliteitskeuzen. 6.4

Conclusie voortgang projecten en maatregelen Van alle opgenomen projecten in het NSL is ruim 51 procent in uitvoering of afgerond. Het percentage projecten waarvan de verkeersgegevens is verwerkt in de invoergegevens in de monitoringstool voor het zichtjaar 2021 zit met 61 procent ruim daarboven. Bij de berekening van de luchtkwaliteit is al rekening gehouden met effecten van ongeveer 10 procent van de projecten, terwijl die nog niet uitgevoerd zijn. Lokaal kan de luchtkwaliteit daardoor iets anders/beter zijn dan berekend. Hoewel de start van het NSL in 2009 was, is nog steeds 34 procent van de projecten in een fase voorafgaand aan de uitvoering. Vertraging in de realisatie van projecten kan tot gevolg hebben dat de luchtkwaliteit in 2021 lokaal iets beter is dan verwacht bij aanvang van het NSL. Als die vertraagde projecten alsnog worden uitgevoerd, kan de luchtkwaliteit lokaal verslechteren. De bijbehorende emissies van verkeer zullen bij latere uitvoering van projecten lager zijn door de verwachte 43 afname van emissies vanuit het wagenpark. Daarmee brengt een vertraagde uitvoering van projecten niet de doelstellingen van het NSL in gevaar. Van de maatregelen in het NSL is 83 procent afgerond en 9 procent in uitvoering. Ruim een derde deel van de maatregelen in uitvoering betreft maatregelen die later zijn toegevoegd via de Aanpassing NSL uit 2018.

44 De andere maatregelen die nog in uitvoering zijn, betreffen soms maatregelen die geen concrete einddatum hebben, maar een doorlopende uitvoering of toepassing kennen. Onder het huidige NSL, tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet, moeten alle maatregelen afgerond of in uitvoering zijn. De gerapporteerde uitvoeringsfase van maatregelen laat zien dat naar verwachting aan deze eis nagenoeg voldaan gaat worden.

https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/luchtkwaliteit/documenten/publicaties/2022/03/15/emissiefactore n-voor-snelwegen-en-niet-snelwegen-2022. https://www.tweedekamer.nl/kamerstukken/detail?id=2018D46646&did=2018D46646.

43

44

Pagina 57 van 79

RIVM-rapport 2022-0142

Pagina 58 van 79

RIVM-rapport 2022-0142

7

Literatuur

Cramer, J.M.A. (2009), Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL), https://zoek.officielebekendmakingen.nl/blg29033.pdf. De Smet, P.A.M., Visser, S., Geijer, M.N., Valster, N.L., Huitema, M.S., Wesseling, J.P, Groot Wassink, H., Sanders, A. (2021), Monitoringsrapportage NSL 2021: Stand van zaken Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit. Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, RIVM-rapport 2021-0018. De Smet, P.A.M., Visser, S., Valster, N.L., Schuch, W.J.L., Geijer, M.N., Wesseling, J.P, Van den Beld, W.A., Drukker, D., Groot Wassink, H., Sanders, A. (2020), Monitoringsrapportage NSL 2020: Stand van zaken Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit. Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, RIVM-rapport 2020-0164. De Smet, P.A.M., Visser, S., Valster, N.L., Schuch, W.J.L., Wesseling, J.P, Hooydonk, P.R. van, Van den Beld, W.A., Drukker, D., Groot Wassink, H., Sanders, A. (2019), Monitoringsrapportage NSL 2019: Stand van zaken Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit. Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, RIVM-rapport 2019-0170. Hoogerbrugge, R., Geilenkirchen, G.P., Hazelhorst, S., Den Hollander, H.A., Huitema, M., Marra, M., Siteur, K., De Vries, W.J., Wichink Kruit, R.J. (2022), Grootschalige concentratie- en depositiekaarten Nederland, Rapportage 2022. Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, RIVMrapport 2022-0059.

Hoogerbrugge, R., Geilenkirchen, G.P., Den Hollander, H.A., Siteur, K., Smeets, W., Van der Swaluw, E., de Vries, W.J., Wichink Kruit, R.J. (2021), Grootschalige concentratie- en depositiekaarten Nederland, Rapportage 2021. Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, RIVMrapport 2021-0068. IenM (2016), Besluit tweede verlenging NSL, Besluit van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu van 6 december 2016, nr. IENM/BSK-2016/267241, geraadpleegd op http://wetten.overheid.nl/BWBR0038829/2017-01-01. PBL, TNO, CBS en RIVM (2021), Klimaat- en Energieverkenning 2021, Den Haag: Planbureau voor de Leefomgeving. PBL-publicatienummer: 4681. RIVM (2022), Gemeten en berekende concentraties luchtkwaliteit 2019. RIVM notitie, https://www.rivm.nl/lucht/bepalen-vanluchtkwaliteit/gemeten-berekende-concentraties-luchtkwaliteit-2019.

Pagina 59 van 79

RIVM-rapport 2022-0142

Rutledge-Jonker, S., Wesseling, J.P., Nguyen, P.L., Visser, S., Van Hooydonk, P.R., Groot Wassink, H., Sanders, A. (2018), Monitoringsrapportage NSL 2018: Stand van zaken Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit. Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, RIVM-rapport 2018-0135. Rutledge-Jonker, S., Berkhout, J., Wesseling, J., Mooibroek, D., Nguyen, P., Groot Wassink, H., Sanders, A. (2017), Monitoringsrapportage NSL 2017: Stand van zaken Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit. Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, RIVMrapport 2017-0156. Ruyssenaars, P.G., Gerlofs-Nijhland, M.E., Hoekstra, J., Huitema, M., Maas, R.J.M. & Vries, W. de, (2022), Monitoringsrapportage doelbereik Schone Lucht Akkoord (SLA). Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, RIVM-rapport 2021-0114. Smeets, W., et al. (2020), Emissieramingen luchtverontreinigende stoffen. Rapportage bij de Klimaat en Energieverkenning 2020, Den Haag: Planbureau voor de Leefomgeving. PBL-publicatienummer: 4211. Van den Born, G.J., et al. (2021), Beleidsoverzicht en factsheets beleidsinstrumenten. Achtergronddocument bij de Klimaat- en Energieverkenning 2021, Den Haag: Planbureau voor de Leefomgeving. PBL-publicatienummer: 4708. Van Zanten, M., Berkhout, J., Wesseling, J., Mooibroek, D., Nguyen, P., Groot Wassink, H., Sanders, A.

(2016), Monitoringsrapportage NSL 2016: Stand van zaken Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit. Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, RIVM Rapport 2016-0138. Van Zanten, M., Van Alphen, A., Wesseling, J., Mooibroek, D., Nguyen, P., Groot Wassink, H., Verbeek, C. (2014), Monitoringsrapportage NSL 2014: Stand van zaken Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit. Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, RIVMrapport 2014-0092. Van Zanten, M., Van Alphen, A., Wesseling, J., Mooibroek, D., Nguyen, P., Groot Wassink, H., Verbeek, C. (2013), Monitoringsrapportage NSL 2013: Stand van zaken Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit. Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, RIVM Rapport 680712005. Velders, G.J.M., Willers, S.M., Wesseling, J.P., Van den Elshout, S., Van der Swaluw, E., Mooibroek, D., Van Ratingen, S. (2021), ‘Improvements in air quality in the Netherlands during the corona lockdown based on observations and model simulations. Atmos. Environ. 247 (2021) 118158. Visser, S., Wesseling, J. (2020), Acualisering en addenda SRM-1 en SRM-2. Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, RIVM-briefrapport 2020-0118. Pagina 60 van 79

RIVM-rapport 2022-0142

VROM (2009), ministerie van VROM, briefnummer DGM/NSL 2009029281, april 2009. Wesseling, J., Zandveld, P., Valster, N.L., Visser, S. (2020), Validatierekenhart AERIUS Lucht. Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, RIVM-briefrapport 2020-0119. Wesseling, J., Nguyen, L., Hoogerbrugge, R. (2018), Gemeten en berekende concentraties stikstofdioxiden en fijnstof in de periode 2010 t/m 2015 (Update); Een test van de standaardrekenmethoden 1 en 2. Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, RIVM-rapport 2016-0106. Wesseling, J., Velze, K.V., Hoogerbrugge, R., Nguyen, P.L., Beijk, R., Ferreira, J.A. (2013), Gemeten en berekende (NO2-)concentraties in 2010 en 2011: Een test van de standaardrekenmethoden 1 en 2. Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu, RIVM-rapport 680705027. WHO (2005), Air quality guidelines: global update 2005: particulate matter, ozone, nitrogen dioxide and sulfur dioxide. World Health Organization. Regional Office for Europe, https://apps.who.int/iris/handle/10665/107823. WHO (2021), WHO global air quality guidelines: particulate matter (PM2.5 and PM10), ozone, nitrogen dioxide, sulfur dioxide and carbon monoxide. World Health Organization, https://apps.who.int/iris/handle/10665/345329. License: CC BY-NC-SA 3.0 IGO.

Pagina 61 van 79

RIVM-rapport 2022-0142

Pagina 62 van 79

RIVM-rapport 2022-0142

Bijlage 1 Begrippenkader

Hieronder volgt een toelichting bij belangrijke begrippen in de rapportage. Toetspunten en rekenpunten wegverkeer De monitoring berekent voor een groot aantal locaties de luchtkwaliteit. De wegbeheerders geven de exacte geografische locaties op waar moet worden gerekend. Elke ingevoerde locatie is dus per definitie een rekenpunt waar de luchtkwaliteit wordt bepaald. De resulterende concentraties kunnen vervolgens voor verschillende doelen worden gebruikt. Bijvoorbeeld om de resultaten te toetsen aan de normen, om de bevolkingsblootstelling te bepalen, of om de luchtkwaliteit om andere redenen inzichtelijk te maken. Als het gaat om het eerste doel, het wettelijk toetsen aan de normen voor luchtkwaliteit, heeft een dergelijk rekenpunt het kenmerk ‘NSL-toetspunt’. Deze rekenpunten zijn kortweg aangeduid als ‘toetspunten’. Om met het NSL in heel Nederland tijdig te voldoen aan de normen voor luchtkwaliteit, gaat het dus specifiek om de luchtkwaliteit op de toetspuntlocaties. De andere rekenpunten vergroten het inzicht in de ontwikkeling van de luchtkwaliteit in Nederland en de blootstelling van de bevolking. Toetspunten en rekenpunten veehouderijen In de monitoring van de veehouderijen is op alle rekenpunten (zowel woningen op het terrein van inrichtingen als daarbuiten) de luchtkwaliteit bepaald.

De rekenpunten zijn gebouwen die voor menselijk wonen of menselijk verblijf zijn bestemd. In de monitoring wordt de luchtkwaliteit alleen op de rekenpunten buiten een terrein van de inrichting in de omgeving van de veehouderijlocaties de luchtkwaliteit aan de jaar- en etmaalnorm voor fijnstof getoetst; dit wordt aangeduid als toetspunten. Het betreft hier alleen locaties van burgerwoningen, plattelandswoningen 45 en een categorie Overig. Die worden ook wel de ‘te beschermen objecten’ (TBO’s) genoemd. Het lokaal bevoegd gezag van de veehouderijlocatie is verantwoordelijk voor het aanleveren van de exacte geografische locaties van deze toetspunten. Toepasbaarheidsbeginsel en blootstellingscriterium De Europese luchtkwaliteitsnormen gelden overal in Nederland. De Europese richtlijn kent echter een toepasbaarheidsbeginsel die stelt dat niet overal aan de normen hoeft te worden getoetst. De kern van het toepasbaarheidsbeginsel is dat niet hoeft te worden getoetst op plekken waartoe het publiek formeel geen toegang heeft, zoals op rijbanen en middenbermen van wegen.

In de richtlijn is ook opgenomen dat toetsing aan de normen daar plaatsvindt ‘waar de hoogste concentraties voorkomen waaraan de bevolking rechtstreeks of indirect kan worden blootgesteld gedurende een periode die in vergelijking met de middelingstijd van de Een plattelandswoning is een voormalige agrarische woning die op grond van het bestemmingsplan mag worden bewoond door derden.

45

Pagina 63 van 79

RIVM-rapport 2022-0142

grenswaarde(n) niet verwaarloosbaar is’. Dit is het zogeheten blootstellingscriterium. Zowel het toepasbaarheidsbeginsel als het blootstellingscriterium is in 2010 in de Nederlandse wetgeving ingevoerd. Met name in de toepassing van het blootstellingscriterium zijn interpretatieverschillen mogelijk. De uiteindelijke wijze van toepassing en het gebruik van het toepasbaarheidsbeginsel of het blootstellingscriterium is de verantwoordelijkheid van de desbetreffende (lokale) overheid. 46 Voor het toetsen aan de grenswaarden bij bedrijven (inrichtingen) geldt ook dat alleen buiten het terrein van een inrichting (bedrijf waar de Arbowetgeving van kracht is) getoetst hoeft te worden. Bevolkingsblootstelling De monitoringsrapportage besteedt ook aandacht aan het gezondheidsaspect van luchtkwaliteit. Dit gebeurt in de vorm van bevolkingsblootstelling. Bevolkingsblootstelling is gedefinieerd als de gemiddelde concentratie van een stof waaraan de bevolking in een bepaald gebied wordt blootgesteld, bijvoorbeeld per gemeente of in heel Nederland. Dit is berekend voor de buitenluchtconcentratie op de meest belaste gevel van een gebouw voor zowel het gepasseerde jaar als voor zichtjaren, op basis van woonadres. Uit deze resultaten valt op te maken of de concentratie waaraan de bevolking in een bepaald gebied gemiddeld wordt blootgesteld, wel of niet afneemt.

Toetsing resultaten met toepassing van een bandbreedte De resultaten van de uitgevoerde berekeningen kennen een aanzienlijke onzekerheid, inherent aan luchtkwaliteitsmodellen en de aannamen in de monitoring. Deze onzekerheid bepaalt mede de waarschijnlijkheid van het halen van de normen. Ook kunnen zich gedurende de looptijd van het NSL tegenvallers voordoen, die een risico vormen voor het NSLdoel. Bijvoorbeeld tegenvallende maatregeleffecten, een andere economische ontwikkeling of een trendmatige ontwikkeling van de luchtkwaliteit die anders is dan eerder was aangenomen. Om hierin meer inzicht te geven, worden ook resultaten gepresenteerd van een toetsing aan een waarde die lager is dan de norm, de zogenoemde ‘bandbreedte’. Voor NO2 worden resultaten getoond waarbij is getoetst op 38,0 μg/m3 jaargemiddeldeconcentratie (2,5 μg/m3 lager dan de toetswaarde van 40,5 μg/m3). Voor PM10 worden daartoe resultaten gegeven waarbij is getoetst op dertigdagenoverschrijding (vijf dagen lager dan de norm). Op deze wijze wordt enig inzicht gegeven in de mogelijke risico’s die zijn verbonden aan de bestaande onzekerheden. Zie ook Bijlage 4 voor aanvullende informatie over de effecten van onzekerheden op het aantal overschrijdingen.

Toetsing resultaten met toepassing van de zeezoutaftrek Bij toetsing van berekende concentraties fijnstof aan de grenswaarden mag het aandeel zeezout in de totale concentratie buiten beschouwing worden gelaten, als er sprake is van een grenswaardeoverschrijding. De zeezoutaftrek op het jaargemiddelde is gemeente-afhankelijk 47 en varieert tussen de 1 en 6 µg/m3. Voor de etmaalnorm is per provincie een aftrek op het aantal overschrijdingsdagen bepaald. Het aantal dagen

Pagina 64 van 79

RIVM-rapport 2022-0142

dat bij toetsing buiten beschouwing wordt gelaten, varieert tussen de twee en vier dagen. Vanwege de empirische relatie tussen de twee normen gelden in deze rapportage voor de berekeningen nabij wegen, na aftrek van het aandeel zeezout, jaargemiddelde fijnstofconcentraties groter dan 31,2 μg/m3 als overschrijding van de etmaalnorm. De zeezoutaftrek van de eerste twee dagen is equivalent aan 0,5 μg/m3 jaargemiddelde concentratie. Voor elke daaropvolgende extra correctiedag mag 0,2 μg/m3 van de jaargemiddelde concentratie worden afgetrokken. Overschrijdingen per kilometer wegzijde (of rijrichting) Het punt waar de luchtkwaliteit nabij wegen aan de normen moet worden getoetst, dient volgens de Europese richtlijn representatief te zijn voor honderd meter weglengte, een zogenoemd ‘wegvak’ of ‘wegsegment’. In de huidige monitoringstool liggen in veel gevallen aan beide kanten van een weg rekenpunten. Deze worden individueel meegenomen in de resultaten. Dat betekent: een rekenpunt is representatief voor één wegzijde (vaak dus één rijrichting). In deze rapportage wordt ‘km (per) rijrichting’ gebruikt om dit aan te duiden. Grootschalige achtergrondconcentraties (GCN) Het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW) maakt jaarlijks gegevens bekend 48 die overheden moeten gebruiken bij de berekening van de concentraties luchtverontreinigende stoffen.

De gegevens bevatten onder meer de achtergrondconcentratiekaarten (GCN-kaarten; Hoogerbrugge et al., 2021) en de emissiefactoren (voor verkeer en veehouderij). De invoergegevens van 2020 zijn op 15 maart 2021 gepubliceerd. De gegevens zijn verwerkt in de nieuwe versies van de rekenmodellen luchtkwaliteit, zoals de NSL-monitoringstool. Veehouderijgegevens in de GCN Bij de GCN-kaarten is gebruikgemaakt van de werkelijke dieraantallen volgens de gecombineerde opgave (voorheen ‘meitelling’). De emissies worden verdeeld volgens de GIAB+-verdeling. Binnen GIAB+ is de ligging van elk agrarisch bedrijf vastgelegd. Aan deze locaties zijn ook diverse bedrijfsgegevens gekoppeld, zoals dieraantallen en staltypen. De emissie is berekend door het dieraantal per staltype te vermenigvuldigen met de bijbehorende emissiefactor. Voor het berekenen van de grootschalige achtergrondconcentraties worden de emissies op het niveau van 1 x 1 km gebruikt. Bij toekomstige jaren is ook rekening gehouden met de doorwerking van het landbouwbeleid en regionale groei- of krimpscenario’s. De emissies, methode van concentratieberekeningen en scenario’s die ten grondslag liggen aan de GCN-kaarten zijn uitgebreider toegelicht in de GCN-rapportage 2021 (Hoogerbrugge et al., 2021). Bij de berekening in het NSL wordt de veehouderijbijdrage bij de achtergrondconcentratie opgeteld.

Dit zorgt voor dubbeltellingen, omdat de fijnstofbijdrage van de veehouderijsector ook wordt meegenomen in de berekening van de GCN-achtergrondconcentraties. De rekenresultaten in het NSL zijn gecorrigeerd voor deze dubbeltelling.

https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/luchtkwaliteit/vraag-en-antwoord/hoe-kan-ik-luchtvervuilingberekenen.

48

Pagina 65 van 79

RIVM-rapport 2022-0142

Bijlage 2 Validatieresultaten rekenhart AERIUS Lucht

Onderzoek door het RIVM (Wesseling et al., 2018; RIVM, 2022) heeft uitgewezen dat Nederlandse rekenmodellen voor luchtkwaliteit langs verkeerswegen, die SRM-1- en/of SRM-2-implementaties zijn, ruimschoots voldoen aan de door de EU gestelde eisen voor onzekerheden bij gebruik van rekenmodellen voor het toetsen aan de grenswaarden. Dit blijkt uit vergelijkingen tussen gemeten en berekende concentraties. In deze monitoringsronde is in de NSL-monitoringstool gebruikgemaakt van rekenmodel ‘AERIUS Lucht’. Voor de validatie vergelijkt het RIVM de rekenresultaten met het eigen rekenmodel TREDM. De validatie voor de in NSL-Monitoringsronde 2022 te gebruiken versie van AERIUS Lucht laat, als gelijke interpretaties van de invoergegevens worden toegepast op de invoer voor zowel AERIUS als TREDM, geen verschillen in rekenresultaten tussen AERIUS Lucht en TREDM zien die groter zijn dan de validatiecriteria. Het rekenmodel kan daarom voor de NSLMonitoringsronde 2022 worden toegepast. Een aandachtspunt hierin is dat AERIUS Lucht anders omgaat met emissies op sommige provinciale wegen dan eerder de NSL-rekenmethode en TREDM deden. In het nieuwe Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK) zal dit verschilpunt in AERIUS Lucht zijn verholpen.

Validatie van rekenresultaten verkeer Na de landelijke berekeningen met de invoergegevens voor de huidige monitoringsronde en het uitvoeren van berekeningen met TREDM zijn de resultaten van de monitoringstool, met AERIUS Lucht als rekenhart, en TREDM op basis van de receptor-ID’s aan elkaar gekoppeld. Zowel de totale concentraties als de concentratiebijdragen van Standaard Rekenmethoden 1 en 2 (SRM-1 en SRM-2) zijn met elkaar vergeleken. Bij de vergelijking is geteld hoe vaak de verschillen groter zijn dan vooraf gedefinieerde criteria. Hierbij is rekening gehouden met kleine verschillen tussen TREDM en AERIUS Lucht. Omdat de correctie voor luchtvaart rond Schiphol niet expliciet in TREDM is geïmplementeerd, is het gebied rond Schiphol niet in de vergelijking meegenomen. Verder verschillen de modellen op kleine details ten aanzien van wat geldige situaties zijn (zie ook Visser en Wesseling (2020) en Wesseling et al. (2020)). Daarom worden alleen geldige punten in beide modellen meegenomen. Op basis van eerdere analyses voor SRM-1 en SRM-2 is in het verleden al vastgesteld wat zinvolle criteria zijn waaraan de resultaten moeten voldoen: • De in SRM-1 berekende bijdragen van de verschillende stoffen zouden in AERIUS Lucht en TREDM binnen de afronding van 0,1 µg/m3 identiek moeten zijn (‘SRM1-bijdrage’ in Tabel B2.1).

Grotere verschillen betekenen dat de rekenregels verschillend worden geïmplementeerd; dat kan in enkele gevallen gebeuren. Een bekend verschil is bijvoorbeeld dat TREDM een SRM-1bijdrage tot 90 meter afstand in rekening brengt, in tegenstelling Pagina 66 van 79

RIVM-rapport 2022-0142

•

• •

tot AERIUS Lucht, die bijdragen tot 60 meter afstand meerekent. Dit soort verschillen kunnen en mogen enkele keren voorkomen. De in SRM-2 berekende bijdragen van de verschillende stoffen kunnen bij AERIUS Lucht en TREDM iets verschillen (‘SRM-2bijdrage’ in Tabel B2.1), omdat dit rekenvoorschrift niet volledig is gedefinieerd. Er zijn enkele onderdelen van de berekeningen die software-implementaties verschillend kunnen interpreteren. Een simpel voorbeeld is de wijze waarop lijnbronnen worden doorgerekend; dat kan op verschillende manieren die in de praktijk iets verschillende resultaten kunnen geven. In de praktijk kunnen TREDM en AERIUS Lucht tot enkele microgrammen verschillende NOx-bijdragen berekenen. Voor PM10 zijn de verschillen tussen beide modellen relatief vergelijkbaar met NO2, maar in absolute zin zijn ze uiteraard kleiner vanwege de kleinere wegbijdragen. De verschillen in berekende totale NO2-concentraties worden geheel bepaald door de verschillen in SRM-2-NOx-bijdragen en mogen 1 à 2 μg/m3 bedragen (‘NO2 totaal’ in Tabel B2.1). Net als voor NO2 worden de verschillen voor PM10 geheel door verschillen in de SRM-2-bijdragen bepaald. Omdat de wegbijdragen voor PM10 veel kleiner zijn dan voor NOx en NO2, is het absolute verschil in totale PM10 (‘PM10 totaal’ in Tabel B2.1) ook kleiner.

De resultaten van AERIUS Lucht en TREDM zijn voor alle doorgerekende jaren bepaald: 2021 en 2030. De neveneffecten van coronamaatregelen in 2021 zijn meegenomen. De resultaten van de vergelijking tussen de twee modellen staan in onderstaande Tabel B2.1. Tabel B2.1 Overzichtstabel van de aantallen toetspunten met verschillen in rekenresultaten boven een bepaalde waarde tussen TREDM en AERIUS Lucht 2022, inclusief gelijke interpretatiewijze van de invoergegevens toegepast op beide modellen. In de eerste rij staat het totale aantal beschikbare toetspunten in beide modellen dat meegenomen is in de vergelijking. De validatiecriteria (eisen) zijn ook weergegeven.

Jaar

Totaal aantal toetspunten Verschil in SRM-1NOx-bijdrage > 0,05 µg/m3 Verschil in SRM-2NOx-bijdrage > 4 µg/m3 Verschil in NO2 totaal > 2 µg/m3 Verschil in PM10 totaal > 0,25 µg/m3

Eis gepasseerd jaar 362.034 ~330.000 2021

Eis toekomstig jaar 366.444 ~330.000 2030

10

33

4

33

340

1.980

278

330

325

660

421

165

164

528

185

99

Pagina 67 van 79

RIVM-rapport 2022-0142

Uit Tabel B2.1 blijkt dat voor 2021 een goede overeenkomst tussen de resultaten van AERIUS Lucht en TREDM (inclusief gelijke interpretatiewijze invoergegevens) wordt gevonden. Het aantal toetspunten met verschillen in rekenresultaten boven een bepaalde waarde tussen beide modellen is voor 2021 wat algemeen kan worden verwacht op basis van de implementaties van de SRM-1- en SRM-2-rekenvoorschriften. Voor 2030 is het aantal toetspunten met verschillen in rekenresultaten boven een bepaalde waarde voor NO2 totaal en PM10 totaal hoger dan verwacht kan worden. De hogere aantallen in verschillen dan de gestelde eisen komen door verschillende factoren: • AERIUS Lucht gebruikt op SRM-2 buitenwegen (wegtype 92) de emissiefactor ‘buitenweg’, terwijl TREDM de emissiefactor voor ‘snelwegen met 80 km/uur’ gebruikt. Dit verschil is elk jaar aanleiding tot een beperkt aantal verschillen in uitkomsten. Bij het constateren van de grotere aantallen verschillen in de huidige monitoringronde wordt ervan uitgegaan dat de verschillen volgend jaar zullen verdwijnen, aangezien AERIUS en TREDM dan met dezelfde emissiefactoren gaan rekenen. • Bij een nadere analyse, nadat de conceptresultaten van de monitoring voor ronde 2022 waren vastgesteld, bleek dat een bug in AERIUS zat. Door de bug, bij het bepalen van emissies van SRM-2-wegvakken, ging AERIUS in enkele gevallen van te hoge emissies uit.

Dit trad vooral op bij erg korte wegsegmenten, korter dan enkele meters. In de provincie Groningen had de wegbeheerder voor de monitoringsronde 2022 verschillende wegen opnieuw in segmenten opgedeeld. Omdat hierbij om onbekende redenen voor heel veel erg korte segmenten is gekozen, leidde dat in combinatie met de bug in AERIUS tot meer verschillen dan in eerdere jaren. Dit waren voor een belangrijk deel locaties langs wegen met wegtype 92. Als het CIMLK op 1 januari 2023 in gebruik wordt genomen, zullen zowel AERIUS als TREDM met dezelfde emissiefactor voor wegtype 92 rekenen. Uiteraard bevat de versie van AERIUS voor monitoringsronde 2023 geen bug meer in de emissies per segment. Conclusie De in de Regeling beoordeling luchtkwaliteit (2007) beschreven Standaard Rekenmethoden 1 en 2 voor luchtkwaliteit en bijbehorende gegevens zijn, voldoende geïmplementeerd in AERIUS Lucht-versie 2022, uitgezonderd het aangegeven verschilpunt bij enkele buitenwegen van het wegtype 92 voor het prognosejaar 2030.

Pagina 68 van 79

RIVM-rapport 2022-0142

Bijlage 3 Verklaring van verschillen in resultaten ten opzichte van voorgaande monitoringsronden

De monitoring van het NSL is een jaarlijkse cyclus. De resultaten kunnen van jaar tot jaar verschillen door wijzigingen in onder meer de (reken)methodiek, locatie en het aantal toetspunten en de generieke invoergegevens, zoals grootschalige concentraties en emissiefactoren. Het RIVM heeft op hoofdlijnen geanalyseerd door welke wijzigingen van deze generieke invoergegevens de verschillen in monitoringsresultaat ten opzichte van de afgelopen monitoringsronde worden verklaard. In deze bijlage staan de analyseresultaten. De rekenresultaten van de monitoringstool bestaan in grote lijnen uit de grootschalige achtergrondconcentraties plus de lokale bijdragen. Het effect van veranderingen in beide deelconcentraties wordt hieronder toegelicht, met de neveneffecten van de coronamaatregelen in 2021. Zoals Hoogerbrugge et al. (2022) aangeeft, maakt de coronapandemie van 2021 een tweede achtereenvolgend bijzonder jaar qua emissies in binnen- en buitenland en daarmee ook qua concentraties. De wereldwijde (economische) gevolgen van deze pandemie en de maatregelen die de Nederlandse overheid inzette om het coronavirus beheersbaar te houden, hadden hun weerslag op de hele Nederlandse samenleving, en daarmee op de productie, de energievoorziening en de emissies van broeikasgassen en luchtverontreinigende stoffen in 2020 en 2021.

In de prognoses van de achtergrondconcentraties voor 2030 is verondersteld dat de ontwikkeling van de economie weer op het pad is van voor de coronapandemie. De pandemie heeft daarmee geen effect op de deelconcentraties en de rekenresultaten voor 2030. De grootschalige achtergrondconcentraties (GCN) Deze paragraaf beschrijft in welke mate de achtergrondconcentraties zijn veranderd. Het gaat hier om de zogenoemde Grootschalige Concentratiekaarten Nederland (GCN, gepubliceerde versie van april 2022) die het RIVM heeft opgesteld. De belangrijkste verschillen tussen de achtergrondconcentraties van de GCN-rapportage in 2022 (Hoogerbrugge et al., 2022) ten opzichte van 2021 (Hoogerbrugge et al., 2021) zijn: Stikstofdioxide 2021 • De GCN-kaart van NO2 voor het jaar 2021 is gemiddeld over Nederland iets lager dan in 2020 en daarmee ook lager (3,1 μg/m3, ongeveer 20 procent) dan die voor 2019. 2030 • De verwachting voor 2030 is in de GCN-rapportage van dit jaar vrijwel gelijk aan de inschatting van vorig jaar. De verwachting is dat de gemiddelde berekende Nederlandse concentratie in 2030 bij vastgesteld beleid ongeveer 5,4 µg/m3 (ca 40 procent) lager Pagina 69 van 79

RIVM-rapport 2022-0142

zal zijn dan in 2018 (waarbij beide jaren berekend zijn met dezelfde gemiddelde meteo). De grootste daling vindt plaats in de Randstad en rond de snelwegen. Dit laat zien dat de verschoning van het wagenpark nog steeds een belangrijke factor is bij de verbetering van de luchtkwaliteit tussen 2018 en 2030. Een ander gebied met forse daling is Limburg. Dit komt vooral door de daling van de buitenlandse emissies. Fijnstof 2021 • De grootschalige fijnstofconcentraties, PM10 en PM2,5, waren in 2021 vrijwel gelijk aan 2020 en gemiddeld lager (respectievelijk 1,6 en 1,3 μg/m3, ongeveer 10 respectievelijk 15 procent) dan die in 2019. 2030 • De verwachte concentraties in 2030 bij vastgesteld beleid zijn voor PM10 en PM2,5 respectievelijk 2,7 en 2,4 μg/m3 lager (respectievelijk 17 procent en 15 procent) dan de concentraties in 2018. De berekende concentraties voor 2018 zijn lager dan in de vorige GCN-rapportage. Dit komt door de geactualiseerde atmosferisch-chemische processen. De vorming van secundair stof is bij gebruik van de nieuwe informatie kleiner dan in de oude situatie (onder meer door de dalende emissies van NOx en SO2). • De prognose voor 2030 is voor PM10 en PM2,5 gemiddeld vrijwel gelijk aan de prognose van vorig jaar. Dit was te verwachten, omdat zowel voor Nederland als voor het buitenland dezelfde emissieramingen als vorig jaar zijn gebruikt.

• Door een geactualiseerde bijtelling, die door de aangepaste buitenlandse bronnen iets hoger uitvalt, komt de prognose voor PM10 0,3 µg/m3 en voor PM2,5 0,1 µg/m3 hoger uit. In Hoogerbrugge et al. (2022) zijn de Nederlandse totale emissies, de ruimtelijke verdelingen van de emissies en de ramingen geactualiseerd. De update van de emissietotalen en de ruimtelijke verdeling is gebaseerd op de Emissieregistratie. Hierbij zijn emissies voor het jaar 2020 toegepast. Daarbij is rekening gehouden met het effect van de coronamaatregelen op de luchtvaart. Net als vorig jaar zijn de emissieramingen gebaseerd op de Klimaat- en Energieverkenning 2020 (KEV2020) (Smeets et al., 2020). In deze ramingen, die in de zomer van 2020 zijn gemaakt, zijn geen langetermijneffecten van de coronamaatregelen meegenomen. Voor deze ramingen is verondersteld dat de ontwikkeling van de economie op de langeretermijn (vanaf 2025) weer op het pad komt van voor de coronapandemie. Voor de emissieramingen van het buitenland zijn dezelfde emissietotalen gebruikt als vorig jaar. Voor de verdeling over de diverse emissiesectoren is wel actualisatie beschikbaar gekomen en gebruikt. De berekende GCN-concentratiekaart voor 2021 wordt gekalibreerd aan de metingen van 2021. Het kalibratieresultaat kan van jaar tot jaar variëren.

Om in een robuust resultaat te krijgen, wordt voor de prognosejaren (2025 en 2030) een gemiddelde kalibratie over vijf jaar gebruikt. Het weer in de Pagina 70 van 79

RIVM-rapport 2022-0142

toekomstige jaren is nog niet bekend. Daarom wordt voor de prognoseberekeningen gerekend met de gemiddelde meteostatistiek voor een periode van tien jaar (de jaren 2005-2014). Ten opzichte van de methode zoals die in 2021 (Hoogerbrugge et al., 2021) is gebruikt en beschreven, zijn diverse actualisaties uitgevoerd. Dit betrof onder meer herziening van de ongeveer tien jaar oude landgebruikskaart en de emissieverdelingen. Ook zijn verbeteringen in het model en in de kalibratiemethoden doorgevoerd (actuele meteorologie en chemische conversiesnelheden). Lokale correcties op concentraties In de monitoring is voor een aantal locaties gebruikgemaakt van lokale correcties op de berekende totale concentratie. Dit kunnen correcties zijn op de achtergrondconcentratie of op de lokale bijdrage. Voor het gebied rondom Schiphol en de regio IJmond zijn aparte berekeningen van de achtergrondconcentraties uitgevoerd op een hogere resolutie dan voor de rest van Nederland wordt gebruikt. Vanwege de wereldwijde coronamaatregelen was het aantal vliegtuigbewegingen rondom Schiphol in 2020 minder dan de helft van 2019. Uit de rapportage van Schiphol blijkt dat het totaal aantal vluchten in 2021 18 procent hoger was dan het aantal vluchten in 2020.

Daarom is voor de sector luchtvaart een verhoging van 18 procent toegepast van de emissies zoals die voor het jaar 2020 zijn gerapporteerd in de Emissieregistratie, als grove benadering van de emissieniveaus in 2021. De Schipholcorrectie voor 2030 is ongewijzigd gebleven ten opzichte van Monitoringsronde 2020. De verfijning voor de regio IJmond is dit jaar wederom geactualiseerd en als correctieveld opgenomen in de monitoringstool. Bevoegde gezagen moeten correctievelden die gebaseerd zijn op windtunnelonderzoek actief invoeren. In Monitoringsronde 2022 heeft geen enkel bevoegd gezag gebruikgemaakt van correctievelden die gebaseerd zijn op windtunnelonderzoek. Emissiefactoren wegverkeer Elk jaar maakt het ministerie van IenW nieuwe emissiefactoren voor verkeer bekend. Net als in eerdere jaren traden dit jaar veranderingen op ten opzichte van het voorgaande jaar. Dit jaar zijn de emissiefactoren gebaseerd op wagenparkprognoses uit de KEV 2021 (PBL et al., 2021). De KEV 2021 bevat geen nieuwe 2030-prognoses voor de uitstoot van luchtverontreinigende stoffen. De KEV 2021 bevat echter wel nieuwe prognoses voor de samenstelling van het wagenpark. Deze prognoses zijn gebaseerd op het vastgestelde beleid, zoals dat per 1 mei 2021 gold.

Omdat deze prognoses actueler zijn dan die uit de KEV 2020, hebben PBL en TNO in overleg met de ministeries van IenW en LNV besloten deze wagenparkprojecties te gebruiken als basis voor de emissiefactoren van 2022. De prognoses voor de toekomstige samenstelling van het wagenpark in Nederland zijn integraal overgenomen uit de KEV 2021, en zijn daarmee gebaseerd op het vastgestelde beleid per 1 mei 2021. In de KEV 2021 is – met name bij het bestel- en vrachtautoverkeer – een snellere instroom van elektrische voertuigen geraamd dan in de KEV 2020 was voorzien. Dit komt onder meer doordat de in het Klimaatakkoord afgesproken invoering van milieuzones voor stadslogistiek in de KEV 2021 is meegenomen. Ook de instroom van elektrische bussen is hoger geraamd dan in 2020. Er is namelijk in meer concessies in het gebruik van deze bussen voorzien. Dit

Pagina 71 van 79

RIVM-rapport 2022-0142

leidt ertoe dat de SRM-emissiefactoren voor de prognosejaren 2025 en 2030 lager uitvallen dan vorig jaar was berekend. Emissiefactoren voor tussenliggende prognosejaren (2022 t/m 2024 en 2025 t/m 2029) zijn bepaald via interpolatie. Voor de emissiefactoren is het moeilijk om een netto algemeen effect van de veranderingen te bepalen. Dat komt doordat de emissies voor de verschillende typen verkeer en stoffen niet uniform toe- of afnemen. Het netto-effect zal in de praktijk afhangen van de samenstelling en leeftijd van het wagenpark, en de verkeerssamenstelling en -snelheden. Hoogerbrugge et al. (2022) geeft in Bijlage 2 meer details over de wijzigingen in de toegepaste emissiefactoren in Monitoringsronde 2022. In Monitoringsronde 2022 heeft het ministerie van IenW in tegenstelling tot voorgaand jaar geen generieke emissiefactoren voor binnenstedelijke milieuzones gegeven. TNO en PBL vonden de methodische afleiding van deze emissiefactoren niet langer verdedigbaar vanwege de aanzienlijke onzekerheden in de vertaalslag van nationale beleid en de nationale emissietotalen naar lokaal te hanteren emissiefactoren. Zij trokken de vorig jaar afgegeven generieke emissiefactoren voor milieuzones in. In de NSL-monitoringstool is het mogelijk naar eigen inzicht emissiefactoren voor milieuzones in te voeren.

Als een bevoegd gezag hiervan geen gebruikt heeft gemaakt, is het mogelijk dat er sprake is van een overschatting van concentraties in binnenstedelijke milieuzones. Voor het herinrichten van de actualisatie van emissiefactoren voor milieuzones en het bepalen van factoren voor Zero Emissie-zones (ZEzones) ontbreekt tot op heden de juiste informatie. Op aandringen van gemeenten streeft het ministerie van IenW ernaar in Monitoringsronde 2023 te voorzien in geactualiseerde emissiefactoren voor milieu- en ZEzones, of anders te zorgen voor een leidraad voor het inschatten van de voor milieuzones te hanteren factoren. Emissiefactoren stalsystemen Voor stalsystemen heeft het ministerie van IenW op 15 maart 2022 nieuwe emissiefactoren bekendgemaakt. Ten opzichte van de Monitoringsronde 2021 zijn beperkte wijzigingen doorgevoerd in enkele stalsystemen. Ook zijn er enkele nieuwe huisvestingssystemen toegevoegd, met aanpassingen in de RAV-categorieën als gevolg. Er zijn beperkte veranderingen in enkele waarden van de emissiefactoren. Ruwheidslengte Deze monitoringsronde is de geactualiseerde landgebruikskaart en de daarmee samenhangende ruwheidskaart doorgevoerd in zowel het rekenhart AERIUS Lucht voor de detailberekeningen langs wegen, als in het rekenmodel ISL3a voor detailberekeningen nabij veehouderijen.

Het bestand is nu gebaseerd op het Landelijk Grondgebruiksbestand Nederland 2020 (LGN2020); dit was voorheen versie 7 (LGN7). Hiermee is de NSLmonitoring consistent met de versie gebruikt bij het genereren van onder meer de GCN-kaarten. Wijzigingen in het landgebruik en de daaraan gerelateerde ruwheid hebben invloed op de verspreiding van stoffen in de lucht. Een grotere ruwheid kan leiden tot een lagere concentratie van stoffen in de lucht en vice versa. Pagina 72 van 79

RIVM-rapport 2022-0142

Bijlage 4 Onzekerheden in aantallen NO2-overschrijdingen langs wegen in het NSL

Inleiding De wettelijk voorgeschreven toetsing van luchtkwaliteit aan wettelijke grenswaarden is zwartwit: er is wel of niet sprake van een officiële overschrijding; er is geen tussenweg. Deze wijze van toetsing, die conform de EU-richtlijn is, doet geen recht aan het feit dat de concentraties die worden getoetst allerlei waarden kunnen hebben, ver onder of juist ruim boven de grenswaarde of wellicht juist net erboven of net eronder. In alle gevallen is ook nog sprake van aanzienlijke onzekerheden in de concentraties. In eerdere NSL-rapportages is uitgebreid beschreven hoe voor de resultaten van het NSL berekend kan worden wat het verwachte aantal overschrijdingen is als de onzekerheden en nuances in resultaten in rekening worden gebracht (bijlage 4 van Rutledge-Jonker et al., 2017; bijlage 5B van Van Zanten et al., 2013). Ten opzichte van de NSL-rapportage van 2020 zijn er in de huidige aanpak geen methodologische veranderingen. De effectenanalyse van onzekerheden op de resultaten is gelijk aan die van vorig jaar. De huidige rapportage volstaat daarom met een korte samenvatting en de resultaten van de analyse voor deze monitoringsronde. Effecten van de onzekerheden Elke berekende concentratie heeft een kans van 50 procent om in de praktijk hoger te liggen dan berekend en ook 50 procent kans om lager te liggen.

Toetsing aan een specifieke grenswaarde komt er in feite op neer dat alle concentraties met een kans van 50 procent op een concentratie als gelijk aan of hoger dan de grenswaarde als overschrijding worden bestempeld en alle concentraties met een kans kleiner dan 50 procent niet. Een berekende overschrijding in het NSL komt er dan ook op neer dat de kans voor die locatie om echt een overschrijding te zijn, groter is dan 50 procent. Er is dus geen zekerheid dat er sprake is van een overschrijding. In de buurt van de wettelijke grenswaarde betekent de onzekerheid dat punten met berekende concentraties van enkele microgrammen boven de grenswaarde in werkelijkheid geen overschrijdingen hoeven te zijn. Terwijl punten met berekende concentraties van enkele microgrammen onder de grenswaarde in werkelijkheid juist wel overschrijdingen kunnen zijn. Op elke toetslocatie is er dus een berekenbare kans dat er op die locatie sprake is van een overschrijding. Om het verwachte aantal overschrijdingen te bepalen, worden de overschrijdingskansen op alle toetslocaties bij elkaar opgeteld. Dit statistisch verwachte aantal overschrijdingen is dus geen ‘worst case’-aantal, maar het is het aantal overschrijdingen dat je verwacht te vinden als de concentratie op elke rekenlocatie exact zou kunnen worden gemeten.

Strikt genomen, moeten verschillende nuances in de berekening van het verwachte aantal overschrijdingen worden betrokken; zie hiervoor de eerdere NSLrapportages. De berekende aantallen statistisch te verwachten overschrijdingen voor 2021 en 2030 zijn gerapporteerd in paragraaf 2.4. Pagina 73 van 79

RIVM-rapport 2022-0142

Bijlage 5 Ruimtelijke verdeling van kans op overschrijding NO2-grenswaarde in 2021 en 2030

Per gemeente is de hoogste kans bepaald dat op een van de NSLtoetspunten in 2021 en 2030 een overschrijding voor NO2 wordt verwacht. Aan de hand van officiële voor 2021 en 2030 berekende concentraties, is voor iedere gemeente de hoogste kans op een overschrijding bepaald, gebaseerd op de hoogst berekende concentratie in die gemeente en de onzekerheden in de berekeningen. De manier waarop deze kaarten zijn gemaakt, is identiek aan de eerder gebruikte werkwijze, door uit te gaan van een onzekerheidsmarge in de berekende concentraties van 4 µg/m3 (zie Van Zanten et al., 2016 en Bijlage 4 van de vorige monitoringsrapportage voor de werkwijze). De geactualiseerde kaart voor 2021 en 2030 (Figuur B5.1) illustreert de kans op overschrijding van de norm voor stikstofdioxide. De berekende kansen op overschrijding worden als volgt geïnterpreteerd: Kleur in de kaart Donkergroen Groen Oranje Rood

Kans op overschrijding van de norm: als percentage met betekenis < 2% Onwaarschijnlijk 2 – < 32% Niet/minder waarschijnlijk 32 – 68% Even onwaarschijnlijk als waarschijnlijk > 68% Waarschijnlijk

De berekeningen zijn gebaseerd op de gegevens, zoals die door de wegbeheerders zijn ingevoerd in de monitoringstool. Deze gegevens, en daarmee ook de rekenresultaten voor de desbetreffende locaties, kunnen onvolkomenheden bevatten. Zie Bijlage 6A voor de door wegbeheerders aangeleverde toelichtingen op de invoergegevens. De kaart voor 2021 (Figuur B5.1, links) laat zien dat in het overgrote deel van Nederland de kans op overschrijding nauwelijks aanwezig is (kleiner is dan 2 procent; donkergroen). Verder is de kans op overschrijding relatief klein, namelijk tussen de 2 en 32 procent (groen), in de gemeenten, Albrandswaard, Alkmaar, Amsterdam, Capelle aan den IJssel, De Ronde Venen, Den Bosch, Drimmelen, Eindhoven, Hoorn, Krimpen aan den IJssel, Maastricht, Medemblik, Oostzaan, Roerdalen, Schiedam, Sittard-Geleen, Soest en Utrecht. In de gemeenten Arnhem, Den Haag, Deventer en Rotterdam is de kans op overschrijding even waarschijnlijk als onwaarschijnlijk; tussen de 32 en 68 procent (oranje). In de gemeente Leiden is de kans op overschrijding waarschijnlijk en groter dan 68 procent (rood). Voor 2030 (Figuur B5.1, rechts) zijn voor bijna alle gemeenten zeer lage kansen (kleiner dan 2 procent; donkergroen) op overschrijdingen berekend. In de gemeenten Den Haag en Deventer is er een relatief kleine kans op overschrijding; tussen de 2 en 32 procent (groen).

In de gemeente Leiden is er een redelijke overschrijdingskans, namelijk tussen de 32 en 68 procent (oranje).

Pagina 74 van 79

RIVM-rapport 2022-0142

Disclaimer Bij het maken van de kaart zijn aannamen gedaan, voor een deel expliciet en deels impliciet. Het eindresultaat is dan ook indicatief van karakter. Als onderliggende aannamen veranderen, zal de kaart ook veranderen. Voor het jaar 2021 zullen de onzekerheden waarschijnlijk groter zijn dan gebruikelijk door schattingen die gemaakt moesten worden om het effect van de coronamaatregelen in de achtergrondconcentraties te kunnen meenemen.

Figuur B5.1 Hoogste kans per gemeente op een overschrijding van de NO2grenswaarde in 2021 (links) en 2030 (rechts), gebaseerd op de hoogste berekende concentratie per gemeente: berekende kans op overschrijding kleiner dan 2 procent (donkergroen), ofwel ‘onwaarschijnlijk’; kans op overschrijding tussen de 2 en 32 procent (groen), ofwel ‘niet/minder waarschijnlijk’; kans op overschrijding tussen 32 en 68 procent (oranje), ofwel ‘even onwaarschijnlijk als waarschijnlijk’; kans op overschrijding groter dan 68 procent (rood), ofwel ‘waarschijnlijk’.

Pagina 75 van 79

RIVM-rapport 2022-0142

Bijlage 6 Kwaliteit lokale invoer

Bijlage 6 bestond in voorgaande rapportages uit drie onderdelen: 6A – Toelichting overheden op lokale invoer (verkeer en veehouderijen). 6B – Motie ‘Van Tongeren’ – Samenvatting van uitgevoerde steekproef op invoergegevens voor wegverkeer. 6C – Samenvatting van uitgevoerde controle op invoergegevens voor veehouderijen. Bijlage 6B en 6C komen in dit rapport te vervallen, omdat de kwaliteitscontrole op invoergegevens voor wegverkeer en veehouderijen zeer beperkt bleef. Zie paragrafen 1.2, 3.1, 5.1, 5.3 en 5.4 voor de nadere toelichtingen. Bijlage 6A Toelichtingen overheden op lokale invoer In deze bijlage hebben overheden de mogelijkheid om opmerkingen op te laten nemen over hun eigen lokale invoer voor verkeer en veehouderijen. In een aantal gevallen dienen aangeleverde opmerkingen als toelichting op invoergegevens en/of rekenresultaten. Andere opmerkingen gaan over fouten of onvolkomenheden in de invoergegevens. Dit kunnen typefouten zijn, of opgegeven toetspunten, waarvan het bevoegd gezag achteraf stelt dat de luchtkwaliteit daar niet beoordeeld hoeft te worden. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn omdat het publiek er formeel geen toegang toe heeft, omdat de duur van de periode dat iemand daar gemiddeld verblijft niet significant is 49, of omdat op die locatie de Arboregeling van kracht is.

Van een deel van de berekende en gerapporteerde overschrijdingen kan het bevoegd gezag achteraf aangeven dat deze onterecht zijn. Het RIVM controleert deze opmerkingen niet, en voert geen additionele berekeningen uit op basis van de correcte invoerdata. De desbetreffende overschrijdingen worden in dergelijk gevallen in de rapportage aangeduid als ‘volgens het bevoegd gezag onterecht’. Eventuele onvolkomenheden in de invoerdata kunnen tijdens de actualisatiefase van de volgende monitoringsronde, in dit geval die van 2023, door de bevoegde gezagen worden gecorrigeerd in de monitoringstool. Dit geldt voor zowel het wegverkeer als de veehouderijen. Verkeer De volgende zaken zijn door de wegbeheerders aangegeven zonder verdere verificatie door het RIVM: Reactie gemeente Amsterdam ‘Tijdens de NSL-Monitoringsronde zijn abusievelijk enkele segmenten van de N200 (Haarlemmerweg) en de N236 (Gooilandseweg) aan het netwerk van de gemeente Amsterdam toegevoegd. Dit is onjuist omdat deze wegen onder beheer van Rijkswaterstaat en Provincie NoordHolland vallen. Delen van beide wegen zijn nu dubbel in de NSLMonitoringstool opgenomen. De Amsterdamse segmenten zijn ingevoerd als SRM1-wegen en leiden daarom tot een beperkte verhoging van de lokale concentraties. De tussentijdse rekenresultaten laten zien dat de 49

Zie voor uitleg bijlage 1 Begrippenkader: Toepasbaarheidsbeginsel en blootstellingscriterium.

Pagina 76 van 79

RIVM-rapport 2022-0142

berekende concentraties langs deze wegen nog steeds ruim onder de grenswaarden liggen en deze fout niet leidt tot een benadering of (bijna) overschrijding van de grenswaarden. Onvolkomenheid zal bij de volgende NSL-Monitoringsronde worden gecorrigeerd.’ Reactie gemeente Arnhem (Reactie gericht aan de contactpersoon bij het ministerie van IenW) ‘De overschrijding van de grenswaarde NO2 in Arnhem, die in de NSL monitoringtool naar voren komt, is naar mijn mening het gevolg van een verkeerde input in het rekenmodel. Deze overschrijding bestaat feitelijk niet. Voor de berekening in de NSL monitoringtool wordt het verkeersmodel van Arnhem elk jaar ge-upload door de Omgevingsdienst Regio Arnhem (ODRA). Dat is echter dit jaar niet gebeurd vanwege capaciteitsproblemen bij de ODRA. Door capaciteitsproblemen bij de gemeente Arnhem zijn de maatregelen, met name de milieuzone, niet goed verwerkt in het rekenmodel (dan gaat het vooral over een ander wagenpark dan standaard). Hierdoor kunnen de berekeningen een te hoge concentratie NO2 als uitkomst hebben. Een hogere concentratie die zeker niet gemeten wordt in Arnhem! Binnenkort ontvang jij van mij (en de staatssecretaris ook) een bestuurlijke terugkoppeling van de afspraak met betrekking tot de verlenging van het NSL 2018.

In 2023 zal Arnhem weer een Decentraal Uitvoeringsplan inleveren.’ Reactie gemeente Leiden ‘Voor Monitoringsronde 2022 zijn de verkeersgegevens regionaal geactualiseerd volgens de laatste versie van de regionale verkeersmilieukaart RVMK Holland Rijnland 3.2. Daar waar nodig, zijn weggegevens aangepast naar de situatie 2021. Voor de twee tunnels in Leiden, namelijk de Stationstunnel en de Kooitunnel, zijn de tunnelfactoren opnieuw bepaald. In de doorrekening met de geactualiseerde gegevens blijken de grenswaarden voor stikstofdioxide op twee rekenpunten in 2021 te worden overschreden, terwijl daarvan in eerdere monitoringsronden geen sprake van was. Ten tijde van de proefberekening was er echter geen gelegenheid meer om de overschrijdingen nader te onderzoeken en correcties op basis van een windtunnelonderzoek door te voeren. Na onderzoek blijkt de oorzaak in de overschrijdingen te liggen in de geactualiseerde verkeersgegevens. Verder is voor de Stationstunnel uit het oog verloren dat in het verleden windtunnelcorrecties zijn toegepast en dat zonder deze correcties de tunnelfactoren moeten worden aangepast. De complexe situatie rond de tunnelmonden valt buiten het toepassingsbereik van de standaardrekenmethode en de rekenregels voor tunnels. De door het model berekende overschrijdingen bij de tunnelmonden zijn daarmee onterecht.

Voor wat betreft de Stationstunnel geven de monitoringsronden met windtunnelcorrecties geen overschrijding en komt de concentratie van een meting van Pagina 77 van 79

RIVM-rapport 2022-0142

Milieudefensie in 2015 overeen met de concentratie met windtunnelcorrectie bij dat rekenpunt. De onvolkomenheden in de concentraties rond de tunnelmonden in de monitoringstool zullen tijdens de actualisatiefase van Monitoringsronde 2023 worden gecorrigeerd.’ Reactie gemeente Rotterdam ‘Rotterdam heeft besloten geen maatregelen toe te voegen in MR2022, anders dan schone bussen. De reden daartoe is dat standaard emissiefactoren voor een milieuzone ontbreken. Het effect van de milieuzone Euro VI vrachtverkeer zou daarom zelf bepaald moeten worden. Aangezien het ministerie van IenW op basis van beschikbare data niet voldoende in staat is standaard emissiefactoren voor een milieuzone af te geven, heeft Rotterdam besloten dit niet eigenstandig toe te voegen. Als gevolg hiervan is voor 2021 sprake van een beperkte overschatting van de concentraties. Voor het zichtjaar 2030 is in Rotterdam een zero-emissiezone voorzien, die zeer waarschijnlijk een aanzienlijk effect zal hebben op de luchtkwaliteit. Dit effect ontbreekt in de nu gepresenteerde resultaten. Wij verzoeken het ministerie van I&W om ervoor te zorgen dat de rekentool wordt aangepast om minimaal een zero-emissiezone te kunnen doorrekenen in de volgende jaren.’ Reactie gemeente Velsen ‘In de IJmond staat de gezondheid en luchtkwaliteit onder druk, voornamelijk als gevolg van industriële emissies.

Aan de openbaar toegankelijke Noordersluisweg zijn de concentraties hoog, voornamelijk ten gevolge van industriële emissies. De berekende verhoogde concentraties doen zich voor bij het sluizencomplex, direct bij de begrenzing van het Industrieterrein Tata Steel te Velsen. Bij de dichtbijzijnde woonschepen, het crossterrein De Kuil en SHIP zijn feitelijk geen (dreigende) overschrijdingen van de grenswaarden PM10 berekend. Toch oordeelt de gemeente dat deze toetspunten, evenals in voorgaande jaren, uit oogpunt van bescherming van de volksgezondheid, de recente aanscherping van de WHO advieswaarden, en vanwege onzekerheden in de feitelijke PM10-concentraties het voorzorgsprincipe gehandhaafd moeten worden. Hiernaast willen wij onderstrepen dat naast het berekenen van de luchtkwaliteit het van belang is ook de werkelijke concentratie te meten én dat gezien de recent aangescherpte WHO gezondheidskundige advieswaarden het behalen van de wettelijk grenswaarden niet per definitie een gezonde leefomgeving garandeert. De gemeente Velsen geeft de voorkeur aan het treffen van bronmaatregelen maar realiseert zich dat de gemeentelijke invloed om dat te realiseren beperkt is. Om deze reden zoekt het gemeentebestuur samenwerking met het Rijk en Provincie Noord-Holland met als doel samen een gezondere en veilige leefomgeving te realiseren.

Hiernaast heeft gemeente Velsen het Schone Lucht Akkoord ondertekend en is het Programma Gezondheid en Luchtkwaliteit IJmond vastgesteld om verdere verbetering te bewerkstelligen.’ Pagina 78 van 79

RIVM-rapport 2022-0142

Veehouderijen Er zijn geen reacties van gemeenten of provincies ontvangen met een toelichting op de overschrijdingen of invoergegevens voor veehouderijen. Daarmee zijn er in deze monitoringsronde geen overschrijdingen door veehouderijen aangemerkt als ‘onterecht volgens het bevoegd gezag’.

Pagina 79 van 79

P.A.M. de Smet | M.G. Geijer | T. Hofman | M.S. Huitema | J.P. Wesseling | J.K. Groot Wassink | A.S. Sanders

RIVM-rapport 2022-0142

Dit is een uitgave van: Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu Postbus 1 | 3720 BA Bilthoven www.rivm.nl Met een bijdrage van Rijkswaterstaat/InfoMil

014334

december 2022

De zorg voor morgen begint vandaag

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12863620/1