CConstaterende datTerneuzen
Koppel je AI →
Document · PDF

2023-06-21 - Bp Buitengebied, Lovenpolder Hoek (boscompensatie) Bijlagen toelichting

gemeenteraad 6 juli 2023, gemeente TerneuzenBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan ‘Buitengebied, Lovenpolder Hoek (boscompensatie)’24.179 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Figuur 1 Ligging in Nederland. Bron: Esri Nederland, Community Map Contributors.

Het plangebied heeft volgens bestemmingsplan Buitengebied (2013) een enkelbestemming Agrarisch met waarden – Coulisselandschap en Microreliëf. Mogelijke archeologische waarden binnen het plangebied worden planologisch beschermd middels een dubbelbestemming Waarde Archeologie 2. Binnen dit gebied met Waarde Archeologie 2 geldt een verbod op het uitvoeren van (graaf)werkzaamheden die groter zijn dan 500 m 2 én dieper reiken dan 0,50 m -mv (meter beneden maaiveld). Dergelijke werkzaamheden zijn wel vergunbaar mits een archeologisch onderzoeksrapport wordt voorgelegd waarin wordt aangetoond dat geen archeologische waarden aanwezig zijn, dat deze niet behoudenswaardig zijn of dat deze door de voorgenomen werkzaamheden niet onevenredig worden geschaad. De voorgenomen inrichting past niet binnen het bestaande bestemmingsplan. In het nieuwe bestemmingsplan kan het

8

ARTEFACT RAPPORT 718

HOEK LOVENWEG 4

actuele beleid van de gemeente worden opgenomen en de archeologische dubbelbestemming overgenomen. Voorliggend rapport is echter opgesteld in het kader van de noodzakelijke omgevingsvergunningen. Het bureauonderzoek beslaat het volledige plangebied, het onderzoeksgebied voor het booronderzoek betreft in eerste instantie een gedeelte van het plangebied, aangeduid als Fase 1. Dit onderzoeksgebied, middels de blauwe contouren weergegeven op figuur 2, bestaat uit twee delen met een gezamenlijke oppervlakte van 53.260 m2. Hier vangen op korte termijn de eerste werkzaamheden aan, in de vorm van het aanplanten van bomen. Naderhand is dit gebied van Fase 1 uitgebreid met een gebied van 13.007 m 2, middels de paarse contour weergegeven op figuur 2. Ook hier worden bomen aangeplant; hier heeft geen booronderzoek plaatsgevonden. Dit wordt toegelicht in hoofdstukken 1.4 en 4.2. Fase 2 van het booronderzoek (groen gearceerd gebied op figuur 2) zal op een later tijdstip worden uitgevoerd en apart worden gerapporteerd. Fase 3 (oranje gearceerd gebied op figuur 2) omvat de sloop van de woning aan de Lovenweg 4 waarna ook hier beplanting wordt aangebracht; hierover zal in hoofdstuk 4.2 een advies worden uitgebracht.

Figuur 2 Ligging van het plangebied (rode polygoon), het onderzoeksgebied van Fase 1 (blauwe polygonen), de uitbreiding van Fase 1, alsook Fasen 2 en 3 (gearceerd), op een uitsnede van de Topografische Kaart. Bron: Esri Nederland, Community Map Contributors.

9

ARTEFACT RAPPORT 718

1.2

HOEK LOVENWEG 4

Doel van het onderzoek en onderzoeksvragen

Conform de AMZ-cyclus start een archeologisch onderzoek steeds met een bureauonderzoek. Het doel van een bureauonderzoek is het opstellen van een gespecificeerde, archeologische verwachting, met behulp van informatie van bestaande bronnen over bekende of verwachte archeologische waarden binnen een omschreven gebied. Het resultaat is een standaardrapport met een advies op basis waarvan de bevoegde overheid een besluit kan nemen over het al dan niet laten uitvoeren van vervolgonderzoek. 1 De resultaten van het standaardrapport bureauonderzoek kunnen leiden tot één van de volgende uitkomsten: ⎯ Er zijn onvoldoende data: er wordt nader archeologisch onderzoek geadviseerd conform protocol 4003 Inventariserend Veldonderzoek ⎯ Er zijn voldoende data: er wordt geen vervolgonderzoek geadviseerd Het doel van een inventariserend veldonderzoek is het aanvullen en toetsen van de gespecificeerde archeologische verwachting, zoals geformuleerd in het bureauonderzoek en/of in het Programma van Eisen. Het gaat om gebieds- of vindplaatsgericht onderzoek. Inventariserend veldonderzoek gebeurt door middel van waarnemingen in het veld, waarbij (extra) informatie wordt verkregen over bekende en/of verwachte archeologische waarden in een onderzoeksgebied.

Dit omvat de aan- of afwezigheid, de aard, de omvang, de datering, de gaafheid, de conservering en de inhoudelijke kwaliteit van de archeologische waarden. Een inventariserend veldonderzoek kan uitgevoerd worden als een IVO-proefsleuvenonderzoek (IVO-P waarbij veldwerk bestaat uit het aanleggen van proefsleuven en/of proefputten) of als een IVO-overig (IVO-O waarbij het veldwerk kan bestaan uit oppervlaktekartering, boringen, profielputjes of geofysisch onderzoek). 2 Een inventariserend veldonderzoek kent drie mogelijke fasen: een verkennende, een karterende en een waarderende fase. Het is vanzelfsprekend niet steeds noodzakelijk al deze fasen te doorlopen. ⎯ De verkennende fase heeft als doel om inzicht te krijgen in de vormeenheden van het landschap die van invloed zijn op de locatiekeuze in het verleden. Dit kan met een eenvoudige terreininspectie, maar ook door geo-archeologisch booronderzoek en het graven van profielputjes.

Doel daarbij is het uitsluiten van kansarme zones en het selecteren van kansrijke zones voor de volgende vormen van onderzoek ⎯ Tijdens de karterende fase wordt het terrein systematisch onderzocht op de aanwezigheid van vondsten en/of sporen ⎯ Tijdens de waarderende fase kan het waarnemingsnet verdicht worden om de aard, omvang, datering, gaafheid, conservering en inhoudelijke kwaliteit van de archeologische resten vast te stellen Het resultaat van een inventariserend veldonderzoek is een standaardrapport met een waardering en een inhoudelijk selectieadvies (buiten normen van tijd en geld), op basis waarvan een beleidsbeslissing (meestal een selectiebesluit) kan worden genomen. Om te komen tot het resultaat moeten de veldactiviteiten uitgevoerd worden tot het niveau waarop de beleidsbeslissing gefundeerd genomen kan worden, d.w.z. dat de archeologische waarden van het terrein/vindplaats in voldoende mate zijn vastgesteld. Indien er onvoldoende data voor waardering en selectie-advies zijn, kunnen deze niet opgesteld worden. 3 Het advies kan dan zijn: vrijgeven, vervolgonderzoek en/of planologische bescherming. Het voorliggend onderzoek betreft een bureauonderzoek gecombineerd met een inventariserend veldonderzoek door middel van boringen (IVO-O, verkennende fase).

Conform de Regeling aanvullende richtlijnen voor archeologisch onderzoek in de provincie Zeeland 20194 dient een archeologisch vooronderzoek in de Provincie Zeeland, behoudens

1 SIKB, Protocol 4002, Versie 4.1, d.d. 19 februari 2018: p.4.

2

SIKB, Protocol 4003, Versie 4.1, d.d. 19 februari 2018: p.4 3 SIKB, Protocol 4003, Versie 4.1, d.d. 19 februari 2018: p.4-5. 4 Provinciaal Blad van Zeeland nr. 8080, 12 december 2019.

10

ARTEFACT RAPPORT 718

HOEK LOVENWEG 4

anders besloten na overleg met de bevoegde overheid, immers (minimaal) te bestaan uit een bureauonderzoek gecombineerd met een inventariserend veldonderzoek door middel van (verkennende) boringen. Het resultaat van het bureauonderzoek (het verwachtingsmodel) is opgenomen in hoofdstuk 2.6. Het resultaat van het inventariserend veldonderzoek door middel van (verkennende) boringen is opgenomen in hoofdstuk 4.1. Het bepalen van de landschappelijke vormeenheden staat daarbij voorop met als doel het uitsluiten van kansarme zones en het selecteren van kansrijke zones voor eventuele volgende vormen van onderzoek.

Tijdens het booronderzoek worden de volgende vragen beantwoord: ⎯ Wat is de geo(morfo)logische situatie binnen het plangebied? ⎯ Is de bodem intact of werden verstoringen vastgesteld? ⎯ Werden binnen het plangebied (aanwijzingen voor de aanwezigheid van) vindplaatsen vastgesteld? Zo ja, binnen welk deel van het plangebied en op welk niveau/diepte? ⎯ Bestaat binnen het plangebied een verwachting op het voorkomen van vindplaatsen? Zo ja, binnen welk deel van het plangebied en op welk niveau/diepte? Met andere woorden: kan het verwachtingsmodel uit het bureauonderzoek worden bijgesteld? ⎯ Worden de (vastgestelde of verwachte) archeologische waarden bedreigd door de voorgenomen planontwikkeling? ⎯ Is het plangebied in voldoende mate onderzocht? Zo nee, welke vorm van vervolgonderzoek wordt geadviseerd?

1.3

Wettelijk kader en beleid

Sinds 1 juli 2016 is de Erfgoedwet van kracht, hiermee is het Europese Verdrag van Malta binnen de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd. Het verdrag beoogt het cultureel erfgoed, dat zich in de bodem bevindt, beter te beschermen. De Erfgoedwet regelt de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem, de inpassing ervan in de ruimtelijke ontwikkeling en de financiering van archeologische onderzoeken. De Erfgoedwet moet samen met de (nog in werking te treden) Omgevingswet een integrale bescherming van het cultureel erfgoed mogelijk maken. Op landelijk niveau is een Nationale Onderzoeksagenda Archeologie (NOaA2) opgesteld waarin het Zeeuws kleigebied als archeoregio een afzonderlijk hoofdstuk vormt en de regiogebonden onderzoeksthema’s en -vragen toegelicht worden. Daarnaast worden in deze NOaA2 ook per periode en complextype specifieke onderzoeksthema’s en –vragen geformuleerd die richtinggevend kunnen zijn bij onderzoek. Voor voorliggend onderzoek valt nog niet aan te geven welke thema’s en vragen relevant kunnen zijn met betrekking tot het plangebied. Het beleid van de provincie Zeeland ten aanzien van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ) is vastgelegd in de CultuurNota 2017-2020. In februari 2017 heeft het College van Gedeputeerde Staten van Zeeland het ‘Toetsingskader archeologie Provincie Zeeland 2017’ vastgesteld.

5 In het toetsingskader is vastgesteld wanneer archeologisch (voor)onderzoek noodzakelijk is indien de Provincie als bevoegde overheid optreedt. Daarnaast werd in 2016 de Provinciale Onderzoeksagenda Archeologie Zeeland 2017-2020 gepubliceerd waarin de kernthema’s en zwaartepunten voor archeologisch onderzoek in de provincie Zeeland worden gepresenteerd: ⎯ Basale harde gegevens en diachrone datasets ⎯ Archeologisch onderzoek in diepere bodemontsluitingen ⎯ Uitwerking oud archeologisch onderzoek ⎯ Verdronken land en dorpen ⎯ Onderzoek naar infrastructuur 5 Toetsingskader archeologie Provincie Zeeland 2017, Provinciaal blad 2017 nr. 605, 15 februari 2017.

11

ARTEFACT RAPPORT 718

HOEK LOVENWEG 4

⎯ Verdedigingswerken in Zeeland ⎯ Boerderijen en rurale nederzettingen ⎯ Voedseleconomie van stad en platteland ⎯ Religieuze en rituele verschijningsvormen ⎯ Scheeps- en onderwaterarcheologie ⎯ Publiekswerking van archeologisch onderzoek De mogelijke aanwezigheid van het verdronken dorp Vremdijcke vormt een raakpunt met het bovengenoemde thema ‘Verdronken land en dorpen’. Tot slot heeft de Provincie een Regeling aanvullende richtlijnen voor archeologisch onderzoek in de provincie Zeeland 2019. 6 De Gedeputeerde Staten van de Provincie Zeeland zijn bevoegde overheid in het kader van de Ontgrondingenwet. Met de komst van de Wet op de archeologische Monumentenzorg (Wamz) is de verantwoordelijkheid voor het cultureel erfgoed in grote mate verschoven van Rijk en Provincie naar de gemeenten. Gemeenten worden verantwoordelijk gehouden voor de omgang met archeologische waarden binnen het gemeentelijk grondgebied. Daartoe dienen gemeenten een eigen archeologiebeleid te voeren. De gemeente Terneuzen beschikt sinds 27 januari 2011 over een gemeentelijk interim-beleid archeologie: “De onderste steen boven?”.

Om inzicht te krijgen in de archeologische verwachtingswaarde van een gebied of locatie dient volgens dit beleid aan vijf criteria te worden getoetst: de Archeologische Monumentenkaart (AMK), de Indicatieve Kaart van Archeologische Waarden (IKAW), Archis, het Zeeuws Archeologisch Archief (ZAA) en de bodemopbouw. Bij het opstellen van ruimtelijke plannen en vergunningverlening in het kader van de Erfgoedverordening, zal deze toets het uitgangspunt zijn voor de beoordeling. In dit interim-beleid concludeerde de Gemeente echter ook dat de kennisstand van een aantal vindplaatsen ontoereikend was, waarna het project ‘Leemten in kennis’ is gestart. Hiertoe heeft Artefact! Advies en Onderzoek in Erfgoed een inventarisatie gemaakt van vindplaatsen waarvan fundamentele kennis ontbreekt.7 Binnen een straal van 1 km rond het plangebied komen vier van dergelijke vindplaatsen voor (zie hoofdstuk 2.4). Ook is een inventarisatie gemaakt van verdronken dorpen en hun vermoedelijke ligging. Binnen een straal van 1 km rond het plangebied wordt de ligging van een verdronken dorp vermoed.

In het kader van het ‘Leemten’-project zijn tien grote archeologische bureauonderzoeken uitgevoerd, waarin een aantal specifieke vindplaatsen dan wel verdronken dorpen worden uitgelicht.8 Daarnaast heeft in het kader van het ‘Leemten’-project historisch-geografisch onderzoek plaatsgevonden.9 De betreffende onderzoeken en de voor het onderhavige project relevante resultaten worden besproken in de hoofdstukken 2.3.1 en 2.4. Het beleid van de Gemeente Terneuzen is inmiddels verankerd in de bestemmingsplannen en beheersverordeningen. Het plangebied valt binnen bestemmingsplan Buitengebied (2013) en heeft een enkelbestemming Agrarisch met waarden – Coulisselandschap en Microreliëf. Mogelijke archeologische waarden worden hier planologisch beschermd middels een dubbelbestemming Waarde Archeologie 2. Dit betekent dat hier een verbod geldt op het uitvoeren van (graaf)werkzaamheden die groter zijn dan 500 m2 én dieper reiken dan 0,50 m -mv. Dergelijke werkzaamheden zijn wel vergunbaar mits een archeologisch onderzoeksrapport wordt voorgelegd waarin wordt aangetoond dat geen archeologische waarden aanwezig zijn, dat deze niet behoudenswaardig zijn of dat deze door de voorgenomen werkzaamheden niet onevenredig worden geschaad. De voorgenomen inrichting past niet binnen het bestaande bestemmingsplan.

In het nieuwe bestemmingsplan kan het actuele beleid van de gemeente worden opgenomen en de archeologische dubbelbestemming overgenomen. 6 Provinciaal Blad van Zeeland nr. 8080, 12 december 2019. 7 De Visser & Emaus 2014. 8 Bijvoorbeeld: Schute & Kerckhaert 2015. 9 De Kraker 2015.

12

ARTEFACT RAPPORT 718

HOEK LOVENWEG 4

Binnen het plangebied geldt op grond van het gemeentelijke archeologiebeleid een vrijstellingsdiepte van meestal 0,5 m -mv. Het toepassen van een grotere vrijstellingsdiepte is alleen weloverwogen mogelijk. De Gemeente heeft in 2014 daartoe een vrijstellingenkaart laten ontwikkelen die in 2017 werd geactualiseerd als de Vrijstellingenkaart Gemeente Terneuzen 2017 (figuur 3).10 Toetsing aan deze kaart leert dat de dieptevrijstellingsgrens van 0,50 m -mv voor veruit het grootste deel van het plangebied gehandhaafd is. Enkel in het oosten en in de zuidoostelijke randzone gelden enkele beperkte uitzonderingen, waarbij zeer plaatselijk vrijstellingsdiepten gelden van respectievelijk 1,0 en 1,50 m mv. Hier zijn grotere vrijstellingsdiepten mogelijk vanwege respectievelijk de vroegere aanwezigheid van een zijgeultje van de Loopgeul (ter plaatse van de zone met vrijstellingsdiepte 1,0 m -mv) en de aanwezigheid van verstoringen door de eerdere aanleg van ondergrondse leidingen (ter plaatse van vrijstellingsdiepte 1,50 m -mv).

Figuur 3 Ligging van het plangebied (in zwart) op de Vrijstellingenkaart Gemeente Terneuzen 2017. Bron: De Visser & De Weerd 2017.

10

De Visser & De Weerd 2017: bijlage 3.

13

ARTEFACT RAPPORT 718

1.4

HOEK LOVENWEG 4

Plangebied, onderzoeksgebied en planvorming11

Het plangebied ligt aan de Lovenweg in Hoek (gemeente Terneuzen) en ligt in de Lovenpolder, ten noorden van het dorp Hoek, ten westen van de stad Terneuzen en ten zuiden van het industriegebied van Dow. Het plangebied heeft een totale oppervlakte van 161.494 m2 en omvat een perceel dat grotendeels in gebruik is als akkerland; verder bestaat een oostelijk deel uit een erf met opstallen (behorend bij Lovenweg 4) met een ten zuiden hiervan gelegen grasland. De opstallen bestaan uit een historische boerderij (zie hoofdstuk 2.5) en een moderne schuur. Het plangebied wordt doorsneden door enkele sloten. Het perceel staat kadastraal bekend onder Gemeente Terneuzen, Sectie U, Perceel 1496 (figuur 4). Aan de noordzijde wordt het begrensd door de Lovenweg, met hierlangs plaatselijk (in het westelijke deel van het plangebied) een restant van de Voorste Kreek. Aan de noordwestzijde wordt het plangebied begrensd door het erf van Lovenweg 3; aan de zuidwest- en zuidoostzijde door enkele grote akkerpercelen (nummers 1059 en 1065), en aan de oostzijde door de Lovenpolderstraat en een aan de Lovenpolderstraat 17 gevestigd pluimveebedrijf. De initiatiefnemer wil binnen het plangebied natuurontwikkeling realiseren. Hiertoe wordt circa 6 à 7 hectare aan wetlands aangelegd en circa 6 hectare aan bos aangeplant. Dit laatste betreft boscompensatie vanwege ontwikkelingen op andere locaties.

Het onderzoeksgebied van voorliggend booronderzoek omvat delen van het plangebied waar bosaanplant is voorzien. Deze zal van de voorgenomen werkzaamheden als eerste aanvangen. Hier is de eerste fase van het booronderzoek gepleegd, aangeduid als Fase 1. Dit onderzoeksgebied (middels blauwe contouren weergegeven op figuren 2 en 4) bestaat uit een noordwestelijk en noordoostelijk deel van het plangebied, met een gezamenlijke oppervlakte van 53.260 m2. Hierbinnen zal in totaal circa 4,3 hectare bos en rondom bloemrijk grasland worden aangeplant. De bosaanplant omvat de aanplant van 11 soorten bomen en 11 soorten struiken – zowel langzaam- als snelgroeiende soorten – verdeeld over drie afzonderlijke delen van het onderzoeksgebied, met verschillende assortimenten per deel. In totaal worden ongeveer 780 bomen en 7.250 struiken voorzien. Het betreft bomen met een beperkte hoeveelheid wortels. De plantgaten van de bomen zullen ongeveer 0,40 m diep zijn. In een kleiner oostelijk deel van het onderzoeksgebied zal ‘bosplantsoen’ worden aangelegd, hetgeen plantgaten van 0,20 tot 0,30 m diepte impliceert. De plantgaten van de struiken zullen 0,20 tot 0,30 m diep zijn. De breedte van alle plantgaten is ongeveer 0,60 m. Andere bodemingrepen vinden in Fase 1 niet plaats.

Naderhand is aan het gebied van Fase 1 nog een gebied toegevoegd van 13.007 m2, aangegeven met de paarse contour op figuren 2 en 4. Dit gebied was aanvankelijk onderdeel van Fase 2, maar werd na de uitvoering van het booronderzoek alsnog aan Fase 1 toegevoegd. Hier zal ongeveer 0,8 hectare bos worden aangelegd, waarbij de plantgaten eveneens niet dieper zullen worden dan 0,5 m. 12 Gezien deze vergelijkbare ontgravingsdiepte is dit gebied in voorliggend onderzoek als uitbreiding toegevoegd aan het onderzoeksgebied waarvoor op basis van het booronderzoek een advies is uitgebracht (zie hoofdstuk 4.2). Fase 2 van het booronderzoek, groen gearceerd op figuren 2 en 4, zal op een later tijdstip worden uitgevoerd en apart worden gerapporteerd. Dit betreft het resterende, centrale en zuidelijke deel van het plangebied, waar de wetlands worden voorzien. Deze zullen circa 1 m diep worden. Ze zullen gravitair gevoed worden met maximaal 1000 m3/uur effluent (gereinigd huishoudelijk en industrieel afvalwater van de gemeente Terneuzen en Dow) en verzameld regenwater (uit de Spuikom, gelegen ten zuidwesten van Dow). Het voornaamste doel is dit water biologisch te stabiliseren middels de verwijdering van organisch materiaal en aanwezige nutriënten, om de nageschakelde ontziltingsstap te vergemakkelijken en het gebruik van chemicaliën en energie te minimaliseren.

Om een korte verblijftijd (van 12-18 uur) en toch hoge efficiency te realiseren, wordt extra functionaliteit toegevoegd aan de natuurlijke werking van de wetlands. Deze toevoeging bestaat uit een substraat van geëxpandeerde poreuze kleikorrels en partiele beluchting, voorzien op een onderliggende folie. In deze configuratie worden de wetlands 11 Informatie omtrent de planvorming is ontleend aan mailcorrespondentie met mevr. H. Wenting en dhr. L. Prenger (Rho

Adviseurs voor leefruimte), d.d. 7 april, 2 juni en 23 augustus 2022, een memo van M. Rekswinkel en J. van den Berg (Rho) d.d. 23 augustus 2022 en mail- en mondelinge correspondentie met dhr. B. Smet (Ravago Logistic Terneuzen) d.d. 23, 29 en 31 augustus 2022. 12 Mailcorrespondentie mevr. H. Wenting d.d. 6 en 7 februari 2023.

14

ARTEFACT RAPPORT 718

HOEK LOVENWEG 4

horizontaal doorstroomd, waarbij nauwelijks sprake is van 'open water'. Het is voorzien dat het riet, dat op het substraat wordt geplant, jaarlijks wordt gemaaid, waarbij het maaisel benut kan worden als biobrandstof. Het water wordt na behandeling in de wetlands verpompt naar de DECO-fabriek van Evides via de bestaande ondergrondse waterleiding. Een nieuw aan te leggen pompstation wordt geïntegreerd in het ontwerp en zal deels in de grond worden gerealiseerd. Het erf van Lovenweg 4 maakt geen deel uit van het huidige onderzoeksgebied. De woning en schuur blijven voorlopig staan, maar het is de bedoeling dat deze op een later moment worden gesloopt. Het erf zal dan ook pas op een later tijdstip worden beplant. Dit betreft Fase 3, oranje gearceerd op figuren 2 en 4.

Figuur 4 Projectie van het plangebied (rode polygoon), het onderzoeksgebied van Fase 1 (blauwe polygonen) en de uitbreiding van Fase 1 (paarse polygoon), alsook Fasen 2 en 3 (gearceerd), op een uitsnede van de luchtfoto (2022). Bron: Beeldmateriaal.nl.

15

ARTEFACT RAPPORT 718

2

Archeologisch bureauonderzoek

2.1

Methoden

HOEK LOVENWEG 4

Het voorliggend hoofdstuk omvat de resultaten van het archeologisch bureauonderzoek. Het onderzoek is uitgevoerd conform protocol 4002 van de KNA 4.1 en de Regeling aanvullende richtlijnen voor archeologisch onderzoek in de provincie Zeeland 2019.13 Hierbij werden de volgende processtappen doorlopen: Processtap

Specificatie

Hoofdstuk

Afbakenen plan/onderzoeksgebied; vaststellen consequenties toekomstig gebruik

LS01

1.4

Vermelden (en toepassen) overheidsbeleid

LS01

1.3

Beschrijven huidig gebruik

LS02

1.4

Beschrijven historische situatie

LS03

2.3.1

Beschrijven mogelijke verstoringen

LS03

2.3.2

Beschrijven mogelijke aanwezigheid bouwhistorische waarden ondergrond

LS02-03-04

2.5

Beschrijven bekende aardwetenschappelijke kenmerken

LS04

2.2.2

Beschrijven bekende archeologische kenmerken

LS04

2.4

Opstellen gespecificeerde verwachting

LS05

2.6

Tijdens het uitvoeren van de bovengenoemde processtappen werd een groot aantal bronnen van diverse aard geraadpleegd. Deze worden hieronder benoemd en in het bronnenoverzicht nader gespecificeerd. ⎯ (Landelijke en regionale) bodem-, geologische en geomorfologische (overzichts)kaarten ⎯ Paleogeografische kaarten ⎯ Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) ⎯ (Specialistische) literatuur ⎯ Rapporten van eerder uitgevoerd archeologisch en cultuurhistorisch onderzoek ⎯ Inrichtingsplannen en conditionerende onderzoeksrapporten: milieu, ecologie, niet-gesprongen explosieven ⎯ Lucht- en satellietfoto’s ⎯ Kaartmateriaal: topografische (militaire) kaarten, oud(st)e kadasterkaarten, oude en/of historische kaarten ⎯ Gemeentelijk en/of provinciaal archief ⎯ Archeologische Monumenten Kaart (AMK) ⎯ Het Archeologisch Informatie Systeem (Archis) ⎯ Centraal Monumenten Archief (CMA) en Centraal Archeologisch Archief (CAA) werden niet geraadpleegd omdat deze oude papieren archieven na de introductie door de ROB werden ingevoerd in Archis ⎯ Cultuurhistorie: gemeentelijke waardenkaart en/of de provinciale Cultuurhistorische Hoofdstructuur (CHS) ⎯ Data en Informatie van de Nederlandse Ondergrond (DINO) ⎯ Gemeentelijke verwachtings- en beleidskaarten ⎯ Indicatieve Kaart Archeologische Waarden (IKAW), maar enkel indien geen meer gedetailleerde regionale kaarten beschikbaar zijn ⎯ Provinciaal depot:

archief van het Zeeuws Archeologisch Depot (ZAD)

13 Provinciaal Blad van Zeeland nr. 8080, 12 december 2019.

16

ARTEFACT RAPPORT 718

2.2

Landschap en geologie

2.2.1

Landschappelijke ontwikkeling 14

HOEK LOVENWEG 4

Zeeland maakt deel uit van het zuidwestelijk zeekleigebied, een sterk gestapeld landschap bestaande uit eolische afzettingen, mariene sedimenten en sedentaat (veen). Zeeuws-Vlaanderen, waaronder het plangebied valt, vormt een vrij complex geologisch geheel. Enerzijds hebben holocene afzettingen met verschillende sedimentatiefasen zich ingesneden in het oudere landschap, anderzijds vormen zij een afdekkende laag waaronder het vroeg-holocene en pleistocene landschap nog intact bewaard kan zijn. Daartussen lopen dekzandruggen als landschappelijk relict uit de laatste ijstijd. Omdat de locatiekeuze van bewoning en nederzettingspatronen voor een groot deel worden bepaald door de mogelijkheden die het natuurlijke landschap daartoe bood, is het zinvol de landschappelijke ontwikkeling gedurende de laatste fase van het Pleistoceen en het Holoceen in beeld te krijgen. De landschappelijke evolutie van het Zeeuwse kustgebied kan worden geschetst aan de hand van de paleogeografische kaarten die door Vos et al. zijn gepubliceerd. 15 Paleogeografische kaarten zijn ontwikkeld door de analyse van grote hoeveelheden bodemdata en bieden aan de hand van momentopnamen inzicht in het waarschijnlijke landschapsbeeld. De veranderende landschappelijke omgeving gedurende de laatste 12.000 jaar, en de globale ligging van het plangebied, wordt afgebeeld op figuur 5.

De geologische basis ter plaatse van het plangebied wordt gevormd door tertiaire stugge Boomse klei, behorende tot de Rupel Formatie, afgezet tussen 33,7 en 23,8 miljoen jaar geleden. Boven de Rupel Formatie liggen afzettingen van fluviatiele oorsprong, die tot de Formatie van Koewacht worden gerekend. De afzettingen van de Formatie van Koewacht worden gerelateerd aan de bedding van de Schelde, die hier gedurende het Vroeg-Pleniglaciaal of VroegGlaciaal haar stroomgebied heeft gehad. Deze bedding bestond uit een breed stroomgebied waarbinnen de rivier zich verspreidde in een vlechtwerk van smalle geulen. De afzettingen bestaan uit een pakket matig fijn tot grof zand, soms met laagjes herwerkte glauconietzanden of laagjes met meer silthoudend materiaal. Deze zanden bevatten ook geremanieerde schelpresten en grind (afgeronde vuursteen, afgeronde fosforietknollen, kalksteen en fijne kwarts). Tijdens geoarcheologisch booronderzoek binnen het projectgebied Nieuwe Sluis Terneuzen zijn hierin ook een geremanieerd versteend walvisbot en een stukje bot van onbekende oorsprong aangetroffen.16 Bovenop de afzettingen van de Formatie van Koewacht worden afzettingen van de Formatie van Boxtel aangetroffen. Deze dateren uit het Dryas-stadiaal, een van de koude fasen uit het Laat-Glaciaal van het Weichselien.

Onderin dit pakket, op de grens met de afzettingen van de Formatie van Koewacht, is een laminatie van organische en anorganische lagen waarneembaar. Dit betreft eveneens Scheldeafzettingen. De grens tussen de Formatie van Boxtel en de Formatie van Koewacht is daardoor vaak erg complex en moeilijk waarneembaar. In het eerder genoemde onderzoek in het projectgebied Nieuwe Sluis Terneuzen kon toch een onderscheid worden gemaakt tussen de verschillende pakketten die de Formatie van Boxtel vormen. Ten eerste betreft het onderin fijne Scheldeafzettingen (Laagpakket van Singraven, Formatie van Boxtel), die in het Vroeg Pleniglaciaal en Vroeg Glaciaal zijn ontstaan in het meanderende riviersysteem. Ten tweede betreft het hierboven Schelderestgeulafzettingen (Laagpakket van Singraven, Formatie van Boxtel), die zich tussen 45.000 en 35.000 jaar geleden hebben afgezet in de restgeul van de Schelde. Ten derde betreft het dekzandafzettingen (Laagpakket van Wierden, Formatie van Boxtel) die tussen circa 16.000 en 10.000 jaar geleden onder eolische invloed zijn afgezet vanuit het droogliggende Noordzeebekken. Dit dekzand bestaat uit fijnzandige afzettingen met ingeschakelde leemlagen en een aantal gyttja- en venige gyttjalaagjes.17 Vooral in de laat-pleistocene fase van deze formatie is een opbouw van verschillende vegetatieniveaus (paleosols) waarneembaar.

In Zeeland kunnen deze laat-pleistocene venige lagen in het dekzand veelal gerelateerd worden aan het Allerød-interstadiaal: de warmere periode tussen het Oude Dryas en het Jonge Dryas. Recent onderzoek van een venige paleosol bij Heikant, circa 20 km ten zuidoosten van het plangebied, wijst uit dat die 14 Voorliggend hoofdstuk is voor een groot deel gebaseerd op, en deels overgenomen uit, eerdere bureauonderzoeken die

Artefact heeft uitgevoerd naar onderzoeksgebieden op en nabij het Dow-terrein (o.a. Delporte & D’hondt 2018; Delporte 2020). 15 Vos et al. 2018. 16 Vos et al. 2015. 17 Van Rummelen 1977a: 12.

17

ARTEFACT RAPPORT 718

HOEK LOVENWEG 4

veenlaag een ouderdom heeft die overeenkomt met het midden van het Allerød-interstadiaal, overeenkomend met de vorming van de laag van Usselo van laat-paleolithische ouderdom. De uitkomsten van de dateringen van de veenlaag zijn 11.120 +/- 50 BP (GrA 49518) voor de top en 11.650 +/- 50 BP ( GrA 49506) voor de basis. De 14C-dateringen zijn gekalibreerd naar kalenderjaren voor heden (cal BP). De veenlaag heeft zich ontwikkeld tussen circa 13.000 en 13.500 jaar geleden.18 Bij het onderzoek ter plaatse van het projectgebied Nieuwe Sluis Terneuzen zijn de verschillende niveaus die de Formatie van Boxtel vormen, aangetroffen op een diepte tussen circa 10 en 17 m -NAP (Scheldeafzettingen), tussen circa 3 en 12 m -NAP (Schelderestgeulafzettingen) en tussen circa 2 en 5 m -NAP (met een maximaal reliëf van circa 2 m; Laagpakket van Wierden). De dikte van het Laagpakket van Wierden was hierbij slechts 0,5 tot 1 m. 19 Het onderscheid tussen de Scheldeafzettingen en het Laagpakket van Wierden wordt in DINO-ondergrondmodellen niet gemaakt. Volgens die modellen komen binnen het onderhavige plangebied afzettingen van de Formatie van Boxtel voor tot een diepte van 19,50 m -mv/ 17,75 m -NAP. Het ondergrondmodel geeft geen informatie over eventuele paleosols binnen de Formatie van Boxtel.

Het pleistocene dekzandlandschap (Laagpakket van Wierden) vertoont verschillende welvingen, waarvan de voornaamste de zogenaamde Grote Dekzandrug is. Deze is ontstaan tussen Maldegem en Stekene (Oost-Vlaanderen, België), waar de eolische zanden werden tegengehouden door hoger gelegen tertiaire klei. Zo kon zich een uitgestrekte, brede dekzandrug vormen. Deze duikt op ter hoogte van Gistel (West-Vlaanderen, België) en is met korte onderbrekingen van Maldegem tot Stekene (Oost-Vlaanderen, België) in de ondergrond aanwezig. Vanaf Stekene buigt de rug meer naar het noorden af, over Hulst en Saaftinge tot bij Rilland (dit deel wordt ook de Rillandrug genoemd). De zogenaamde Rillandrug verhinderde dat de toenmalige Scheldeloop een westelijke richting kon nemen. Bij onderzoek onmiddellijk ten noorden van het Herbert H. Dowweg en ten oosten van de Westerscheldetunnelweg is de intacte top van de Formatie van Boxtel aangetroffen op een diepte van circa 2,74 meter -NAP, al is in dezelfde zone ook erosie van dit niveau vastgesteld.20 Bij onderzoek aan de noordoostzijde van onderhavig plangebied in 2016 werd de bovenzijde van de Formatie van Boxtel aangetroffen op een diepte van circa 2,4 m -NAP.21 Bij onderzoek enkele honderden meters ten noordoosten van onderhavig plangebied lag dit niveau op een diepte tussen 3,75 en 4,80 m – NAP.

22 Bij onderzoek op respectievelijk 130 en 300 m ten noordoosten van het plangebied werd dit niveau intact aangetroffen op dieptes vanaf 2,12 - 2,17 m -NAP.23 Bij onderzoek in de Lovenpolder werd 350 m ten zuidwesten van onderhavig plangebied echter al een intacte top van het dekzand aangetroffen op ongeveer 1,20 m -NAP.24 Na afloop van de laatste ijstijd (en het einde van het Pleistoceen) werd het klimaat warmer en begon het Holoceen. Door het afsmelten van de ijskap ten gevolge van de toegenomen temperatuur, begon de zeespiegel vanaf het LaatAtlanticum sterk te stijgen. De sterke stuwing van het grondwater veroorzaakte op vele plaatsen langs het westelijke kustgebied een sterke veengroei (Basisveen Laagpakket; Formatie van Nieuwkoop). Tijdens het holoceen maximum ontstonden vervolgens mariene afzettingen van het Laagpakket van Wormer (Formatie van Naaldwijk). Op dat ogenblik was de gemiddelde temperatuur het hoogst en bevond ook de zeespiegel zich op een maximum. Er ontstond in grote delen van Zeeland een getijdenlandschap, doorsneden door brede geulen. In deze geulen werden oudere holocene en pleistocene afzettingen opgeruimd. Andere delen raakten bedekt met dikke lagen marien sediment. 25 In grote delen van Zeeuws-Vlaanderen is de invloed van het Laagpakket van Wormer echter beperkt gebleven.

Enkel lager gelegen delen in het uiterste westen van Zeeuws-Vlaanderen en noordelijke delen van Oost-Zeeuws-Vlaanderen zijn overstroomd door de zee. In de omgeving van het huidige plangebied hebben zich geen mariene sedimenten afgezet gedurende deze periode.

18 Hoek 2014: 16. 19 Vos et al. 2015. 20 Delporte & Wattenberghe 2016. 21 Delporte 2017. 22 Delporte & D’hondt 2018. 23 Delporte 2020; Van den Berg & Wattenberghe 2022. 24 Laan & Tol 2018. 25 Vos & Van Heeringen 1997: 53.

18

ARTEFACT RAPPORT 718

HOEK LOVENWEG 4

19

ARTEFACT RAPPORT 718

HOEK LOVENWEG 4

Figuur 5 Paleogeografische ontwikkeling Zeeland. Blauwe stip: ligging plangebied. Bron: Vos et al. 2018.

20

ARTEFACT RAPPORT 718

HOEK LOVENWEG 4

Na het holoceen maximum nam de invloed van de zee af en ontwikkelde zich opnieuw een veenlandschap, het zogenaamde Hollandveen Laagpakket (Formatie van Nieuwkoop). In de hoger gelegen delen van Zeeuws-Vlaanderen, waar de mariene afzettingen van het Laagpakket van Wormer geen invloed hadden, ontwikkelde het nieuwe veenpakket zich rechtstreeks op de dagzomende pleistocene dekzandafzettingen of op het reeds aanwezige Basisveen. Hierbij kan vaak geen onderscheid gemaakt worden tussen het Basisveen en het Hollandveen; soms lukt dit echter wel.26 Radiokoolstofdateringen dateren het begin van de veengroei in en rond het Terneuzen tussen circa 3627 en 2928 v. Chr.27 Deze gegevens kunnen in dit geval vrij specifiek worden gehanteerd, omdat het veen in 1962, bij de bouw van de derde sluis te Terneuzen, is onderzocht door Munaut. Ter plaatse van de ontgraving vond hij een oerbos van boomstronken en -stammen. Hij stelde hierbij onder meer vast dat op het dekzand een eikenbos aanwezig was, dat door de vernatting en de veengroei is verstikt. Dit wordt op basis van recent onderzoek ontkracht. De bomen zouden in en op het veen hebben gegroeid en niet rechtstreeks op het dekzand.28 Ook het veen dat is aangetroffen bij de onderzoeken in het projectgebied Nieuwe Sluis Terneuzen 29 en ter plaatse van de kanaaltunnel te Sluiskil 30 is gedateerd en stamt eveneens uit het Midden-Neolithicum.

Het veen in het projectgebied Nieuwe Sluis Terneuzen heeft een datering tussen 3640 en 3381 v. Chr. 31 De datering van het veen uit het onderzoek ter plaatse van de Sluiskiltunnel is vroeger: hier is de aanvang van de veengroei gedateerd in 4500 v. Chr. 32 Omstreeks 200 v. Chr. stopte de veengroei.33 Door een goede ontwatering ging het veen inklinken en ontstond erosie van het veenoppervlak. Dit proces werd bevorderd door de aanwezigheid van de zeearm de Honte, die zich vanaf de strandwal voor Knokke en Cadzand insneed richting het oosten. Deze getijdengeul ontwikkelde zich geleidelijk tot een zeegat dat de Schelde met de zee zou verbinden en uiteindelijk de Westerschelde zou vormen. Dateringen van de top van het veen doen vermoeden dat deze zeearm in de Late IJzertijd al tot bij Terneuzen moet zijn doorgedrongen.34 Daarnaast werden vooral in de Romeinse tijd ontwateringskanaaltjes aangelegd om de bewoningscondities te verbeteren. Gedurende een periode van enkele eeuwen was het veenlandschap hierdoor geschikt voor bewoning.

Bij onderzoeken in de omgeving van het plangebied werd intact of deels intact veen aangetroffen op dieptes tussen 0,60 en 1,98 m -NAP.35 De invloed van de zee nam in de 3de eeuw opnieuw toe, waardoor een getijdenlandschap ontstond.36 Dit proces werd in het laatste kwart van de 3de eeuw versneld door de teloorgang van de beperkte waterbouwkundige infrastructuur die was aangelegd in de Romeinse tijd. 37 Deze toegenomen mariene invloed, die vroeger omschreven werd als Duinkerke II-transgressies, wordt nu veeleer gezien als een rustig sedimentatie- en verlandingsproces, gespreid over verschillende eeuwen. 38 Deze vroegere Duinkerke II-afzettingen worden nu benoemd als Sluiskilafzettingen, behorende tot het Laagpakket van Walcheren (Formatie van Naaldwijk). 39 De Sluiskilafzettingen bestaan ter plaatse van het nabijgelegen projectgebied Nieuwe Sluis Terneuzen enerzijds uit kwelderafzettingen van zware klei, die aan de basis vaak humeus zijn, en anderzijds uit sterk gelaagde geulafzettingen bestaande uit kleien met fijne zandlaagjes. Over het algemeen zijn de geulafzettingen schelploos, in de top bevinden 26 Zie Delporte & D’hondt 2018: 56-57. 27 Munaut 1967; Deforce 2011.

21

28 Zie Brijker et al. 2013: 110. 29 Bats et al. 2014; Vos et al. 2015. 30 Brijker et al. 2013: 51-53. 31 Vos et al. 2015. 32 Brijker et al. 2013: 86. 33 In het kader van het geoarcheologisch vooronderzoek in het projectgebied Nieuwe Sluis Terneuzen kon een geoxideerde top van

de veenlaag gedateerd worden in de Late Bronstijd. Dit betreft echter niet de laatste fase van veengroei; de bovenzijde van het veen was hier namelijk gedeeltelijk geoxideerd en deels geërodeerd. Vos et al. 2015. 34 De Kraker ed. 2002: 16. 35 Van den Berg & Wattenberghe 2022; Delporte 2017; Delporte 2020; Delporte & D’hondt 2018; Laan & Tol 2018. 36 Sier 2003: 14; De Clercq & Van Dierendonck 2008; De Clercq 2009. 37 Lases & De Kraker 2009: 30. 38 Baeteman 2007. 39 Vos et al. 2008.

ARTEFACT RAPPORT 718

HOEK LOVENWEG 4

zich wel schelpen in leefstand. De ondergrens is veelal scherp (zowel voor de kwelder- als de geulafzettingen). Op basis van dateringen van kweldervegetatie uit de Sluiskilafzettingen kon de overstroming van het veen in het kader van het geoarcheologisch vooronderzoek in het projectgebied Nieuwe Sluis Terneuzen gedateerd worden in de periode na 200 n. Chr. en het meest waarschijnlijk in de periode tussen 200 en 225. Deze afzettingen komen daar voor vanaf een diepte van 1 tot 3 m -NAP. De plaatselijk aanwezige geulafzettingen hebben vaak de onderliggende horizonten (veen en pleistoceen zand) geërodeerd tot een diepte van ruim 10 m -NAP.40 De Sluiskilafzettingen zijn ontstaan in een systeem van kwelders en geulen. Ze zorgden ervoor dat de omgeving van het plangebied niet langer geschikt was voor bewoning. Net als in de eerdere nattere fasen hoeft dit echter niet te betekenen dat de mens gedurende deze periode volledig wegbleef uit dit gebied. Uit onderzoeken die zijn uitgevoerd in de omgeving van het plangebied, is gebleken dat deze Sluiskilafzettingen in de Vroege Middeleeuwen gingen verlanden en dat er bodemvorming plaatsvond. Hierdoor mag aangenomen worden dat omstreeks 1000 n. Chr.

deze afzettingen zijn gestopt.41 De toen afgesloten actieve mariene periode resulteerde onder andere in enkele grotere noord-zuid georiënteerde inbraakgeulen in dit deel van Zeeuws-Vlaanderen, zoals de Blijde (van Terneuzen naar Axel), een voorloper van de Braakman. 42 Het schorrengebied rond de kreken slibde langzaam op, waardoor de kwelders niet meer regelmatig overstroomden. Tijdens onderzoek ten zuiden van de Herbert H. Dowweg in 2016 zijn geen Sluiskilafzettingen aangetroffen.43 Deze zijn elders ten noordoosten van het huidige plangebied wel aangetroffen, namelijk tussen 0,31 en 2,13 m -NAP, deze afzettingen waren hier niet intact.44 Ten westen hiervan waren deze deels intact en werden ze aangetroffen tussen 0,12 en 1,37 m -NAP. 45 Bij het enige tot dusver uitgevoerde archeologische booronderzoek in de Lovenpolder zijn Sluiskilafzettingen niet als zodanig benoemd.46 Tussen het einde van de 10de en het einde van de 11de eeuw werden de getijdengeulen in de kustvlakte ingedijkt, wat uiteindelijk leidde tot de verhoging van het stormvloedniveau in het buitendijkse gebied.47 Bedijking zorgde er echter voor dat de Westerschelde zich kon ontwikkelen tot een brede getijdenstroom, wat er op zijn beurt voor zorgde dat het binnendijkse gebied gevoelig werd voor stormvloeden.

De bekendste (maar lang niet de enige) zijn die van 1134, 1214, 1375, de Sint-Elisabethsvloeden van 1404 en 1421 en de grootschalige overstroming van 1530. 48 Deze stormvloeden, maar ook militaire inundaties die op grote schaal gedurende de Tachtigjarige Oorlog werden doorgevoerd, hadden als gevolg dat dit gebied weer sterk onder mariene invloed kwam te staan.49 Smalle en brede inbraakgeulen sneden zich hierdoor in dit landschap in; ook de lager gelegen delen werden overspoeld door het water (figuur 6). Tot ver landinwaarts werd hierdoor een dik pakket sediment afgezet, waardoor grote delen van het oude landschap bedekt raakten. Deze jongere afzettingen, ontstaan gedurende de laatste 1000 jaar, bestaan uit mariene zanden en kleien en worden benoemd als Westerscheldeafzettingen. Bij het enige tot dusver uitgevoerde archeologische booronderzoek in de Lovenpolder zijn Westerscheldeafzettingen niet als zodanig benoemd. 50

40 Vos et al. 2015 41 Vos et al. 2015. 42 Brand 1993 : 43. 43 Delporte 2017: 83.

44

Delporte & D’hondt 2018.

45 Van den Berg & Wattenberghe 2022; Delporte 2020. 46 Laan & Tol 2016. 47 Tys 2010: 91.

48

De Kraker 1997: 21; De Kraker red. 2002: 16.

49 Van Strydonck & De Mulder 2000: 109. 50 Laan & Tol 2016.

22

ARTEFACT RAPPORT 718

HOEK LOVENWEG 4

Figuur 6 Kaart van Oost-Zeeuws-Vlaanderen met de verschillende inbraakgeulen ten gevolge van stormvloeden en militaire inundaties in de 16de eeuw. De rode stip markeert de ligging van het plangebied. Bron: De Kraker 1997: 213, naar Van Rummelen 1977a.

2.2.2

Aardkundige waarden

Geologie Op de Geologische Overzichtskaart van Nederland51 (niet afgebeeld) ligt het plangebied binnen een zone met code Na8, hetgeen betekent dat hier het Laagpakket van Walcheren aanwezig is op de Formatie van Nieuwkoop (zeeklei op veen). Op de fijnmaziger Geologische Kaart van Nederland52 (figuur 7) is te zien dat het plangebied deel uitmaakt van twee verschillende zones, met respectievelijk code F0.2 en code F0.3b met witte ruitjes. F0.2 wil zeggen dat hier sprake is van afzettingen van Duinkerke II (volgens de nieuwe nomenclatuur het Laagpakket van Walcheren) op Hollandveen op Pleistoceen. F0.3b met witte ruitjes wil zeggen dat hier sprake is van afzettingen van Duinkerke IIIb op oudere afzettingen van Duinkerke (beide vallen volgens de nieuwe nomenclatuur onder het Laagpakket van Walcheren) op Hollandveen op Pleistoceen.

51 TNO 2010, naar De Mulder et al. 2003. 52 Van Rummelen 1977a.

23

ARTEFACT RAPPORT 718

HOEK LOVENWEG 4

Volgens de bijkaarten van de Geologische Kaart heeft het Hollandveen ter hoogte van het plangebied een dikte van 1 tot 1,5 m. Het pleistocene dekzand kan volgens de bijkaarten worden verwacht op een diepte tussen 1 en 3 m -NAP.

Figuur 7 Projectie van het plangebied (in rood) en situering van de dichtstbijzijnde DINO-boringen op uitsnede van de Geologische Kaart. Bron: Van Rummelen 1977a.

Data en Informatie van de Nederlandse Ondergrond (DINO)

Data en Informatie van de Nederlandse Ondergrond (DINO) zijn bruikbaar om de diepteligging van de verschillende geologische niveaus te achterhalen. Raadpleging van de ondergrondgegevens in het DINOloket53 leert dat binnen het plangebied geen geologische boringen bekend zijn. Hieronder wordt een selectie van vier boringen behandeld die in de omgeving van het plangebied zijn gezet. De nummers corresponderen met de nummering op bovenstaande figuur. ⎯ In boring 1 (B54E0331), gezet op 30 m ten noordwesten van het plangebied, bestaat de bovenste 1,50 m -mv (tot 1,49 m -NAP) uit (antropogeen) omgewerkte klei. Hieronder is een 0,90 m dikke laag Hollandveen aangeboord, die vanaf 2,40 m -mv/ 2,39 m -NAP een 2,60 m dik pakket zand van de Formatie van Boxtel afdekt. Vanaf 5,00 m -mv/ 4,99 m -NAP is de Formatie van Koewacht aangetroffen, en vanaf 13,40 m -mv/ 13,39 m -NAP de Formatie van Rupel. ⎯ In boring 2 (B54E0700), gezet op 70 m ten noordoosten van het plangebied, bestaat de bovenste 2,70 m -mv (tot 1,10 m -NAP) uit klei van het Laagpakket van Walcheren. Hieronder bevindt zich een 1 m dikke laag

53 www.dinoloket.nl/ondergrondgegevens.

24

ARTEFACT RAPPORT 718

HOEK LOVENWEG 4

Hollandveen, die op een diepte van 3,70 m -mv/ 2,10 m -NAP tot aan de einddiepte van 5 m -mv/ 3,40 m -NAP zand van de Formatie van Boxtel afdekt. ⎯ In boring 3 (B54E0699), gezet op 200 m ten zuidwesten van het plangebied, bestaat de bovenste 1,30 m -mv (tot 0,92 m -NAP) uit klei van het Laagpakket van Walcheren. Hieronder bevindt zich een 1 m dikke laag Hollandveen, die op een diepte van 2,30 m -mv/ 1,92 m -NAP tot aan de einddiepte van 4,70 m -mv/ 4,32 m NAP zand (en leem) van de Formatie van Boxtel afdekt. ⎯ In boring 4 (B54E0237), gezet op 380 m ten zuidoosten van het plangebied, bestaat de bovenste 2,0 m -mv (tot 2,04 m -NAP) uit zand van het Laagpakket van Walcheren. Dit ligt direct op een 2 m dik pakket zand van het Laagpakket van Boxtel, dat op een diepte van 4 m -mv/ 4,04 m -NAP zand van de Formatie van Koewacht afdekt. De Formatie van Koewacht is vastgesteld tot aan de einddiepte van 20 m -mv/ 20,04 m -NAP. Een Appelboormodel van DINO 54 voorspelt dat in het plangebied tot een diepte van 1,50 m -mv/ 1,75 m -NAP afzettingen van het Laagpakket van Walcheren te verwachten zijn, op een 0,50 m dikke veenlaag. Laatstgenoemde dekt op een diepte van 2,0 m -mv/ 2,25 m -NAP de Formatie van Boxtel af. Deze reikt volgens het model tot 14,50 m mv/ 14,75 m -NAP. Hieronder is de Rupel Formatie te verwachten. Volgens het model vormt de Formatie van Boxtel een 12,5 m dik pakket.

In hoofdstuk 2.2.1 werd al aangegeven dat het ondergrondmodel binnen de Formatie van Boxtel geen onderscheid maakt tussen Scheldeafzettingen en het Laagpakket van Wierden. Ook geeft het ondergrondmodel geen informatie over te onderscheiden niveaus en/of eventuele paleosols binnen de Formatie van Boxtel.

Bodem Op de Bodemkaart van Nederland55 (figuur 8) maakt het plangebied deel uit van in totaal drie verschillende zones. De oostelijke helft ligt in een zone met code Mn56C. Dit wil zeggen dat hier sprake is van kalkarme poldervaaggronden, ontwikkeld in zavel. Het westelijke deel van het plangebied ligt in een zone met code Mn15A/Mn56C. Dit wil zeggen dat hier sprake is van een associatie van kalkarme poldervaaggronden ontwikkeld in zavel en kalkrijke poldervaaggronden ontwikkeld in lichte zavel. Een klein, uiterst zuidelijk deel van het plangebied ligt tot slot in een zone met code Mn15A met hierbinnen het uiteinde van een gestreepte, licht kronkelende donkerblauwe lijn. Hier is sprake van kalkrijke poldervaaggronden, ontwikkeld in lichte zavel. De donkerblauwe gestreepte lijn geeft de ligging van een smalle kreekbedding dan wel geul weer. Bij het bepalen van het grondwaterregime van de bodem wordt gewerkt met grondwatertrappen. Deze trappen geven een klassenindeling weer van ten eerste de verschillende grondwaterstanden naar diepte en ten tweede de seizoensvariatie in de grondwaterstanden. De gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) wordt doorgaans bepaald door de ontwatering van de percelen; de gemiddeld laagste grondwaterstand (GLG) wordt echter beïnvloed door de aard van de ondergrond.

De grondwatertrappen worden vastgesteld op een schaal van I tot en met VII, van respectievelijk extreem nat tot extreem droog (zie onderstaande tabel). Gebiedsdelen met een goede ontwatering (Gwt VI en VII) zijn zeer geschikt voor landbouw en vormden mede daarom, met name in het verleden een aantrekkelijk vestigingsgebied. In gebieden met een hoge grondwaterstand kunnen daarentegen goed geconserveerde, met name organische, archeologische resten worden aangetroffen. De Bodemkaart van Nederland geeft in de westelijke helft van het plangebied een grondwatertrap VI weer, hetgeen duidt op een goede ontwatering. In de oostelijke helft van het plangebied is sprake van een grondwatertrap V met een sterretje. Dit betekent dat de ontwatering hier iets minder is dan in de westelijke helft van het plangebied, maar het sterretje duidt op een droger deel van grondwatertrap V.

54 www.dinoloket.nl/ondergrondmodellen. 55 Stichting voor Bodemkartering 1980a.

25

ARTEFACT RAPPORT 718

HOEK LOVENWEG 4

grondwatertrap

I

II

III

IV

V

VI

VII

GHG in cm -mv

(< 20)

(< 40)

< 40

> 40

< 40

40 – 80

> 80

GLG in cm -mv

< 50

50-80

80-120

80-120

> 120

> 120

(> 160)

GHG = gemiddeld hoogste grondwaterstand / GLG = gemiddeld laagste grondwaterstand

Figuur 8 Projectie van het plangebied (rode polygoon) op een uitsnede van de Bodemkaart van Nederland. Bron: Stichting voor Bodemkartering 1980a.

Geomorfologie Projectie op de Geomorfologische Kaart van Nederland (figuur 9)56 laat zien dat het plangebied vrijwel geheel deel uitmaakt van een zone met code 3L20. Dit wil zeggen dat hier sprake is van welvingen in getijafzettingen. Alleen een smalle strook langs de noordelijke rand in het westen van het plangebied ligt in een zone met code 3R13/14, die duidt op getij-(kreek)beddingen. Ook in de wijdere omgeving van het plangebied lopen dergelijke beddingen. Een zwarte stippellijn in het oosten van het plangebied duidt een smalle geul aan. De roze lineaire elementen geven dijken aan. Te zien is dat het plangebied aan de noordzijde aan een dijk grenst.

56 Brus & De Lange 1987.

26

ARTEFACT RAPPORT 718

HOEK LOVENWEG 4

Figuur 9 Projectie van het plangebied (in rood) op een uitsnede van de Geomorfologische Kaart van Nederland. Bron: Brus & De Lange 1987.

Actueel Hoogtebestand Nederland Het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) vormt een belangrijke aanvullende informatiebron voor de landschapsanalyse. Dit met behulp van laser-altimetrie (LiDAR) verkregen digitale bestand toont een goed beeld van het huidige reliëf in het plangebied en de omgeving (figuur 10). Hierop is duidelijk de relatief hoge ligging te zien van het industriegebied in de Nieuw-Neuzenpolder, ten noorden van het plangebied. Hier ligt het maaiveld op veel plaatsen boven de 2 m +NAP. Dit betreft een goeddeels kunstmatige ophoging, die samenhangt met de ontwikkeling van het Dow-terrein in de tweede helft van de 20ste eeuw. De dijk van de Lovenweg, direct ten noorden van het plangebied, haalt hoogtes van 4,50 – 4,80 m +NAP. In de Lovenpolder, waarvan het plangebied deel uitmaakt, ligt het maaiveld meestal tussen NAP en 0,80 m +NAP. Ook binnen deze polder is sprake van duidelijke hoogteverschillen, voor een groot deel veroorzaakt door de (vroegere) aanwezigheid van diverse waterlopen. Het plangebied ligt binnen de Lovenpolder goeddeels in een relatief laaggelegen gebied.

27

ARTEFACT RAPPORT 718

HOEK LOVENWEG 4

Figuur 10 Projectie van het plangebied (zwarte polygoon) op een bewerkte uitsnede van het Actueel Hoogtebestand Nederland. Bron: www.pdok.nl (AHN4 0,5 meter raster DTM).

Indien verder wordt ingezoomd (figuur 11), is de variatie in maaiveldhoogten binnen het plangebied te zien. In het oosten ligt het maaiveld plaatselijk relatief hoog, oplopend tot circa 1 m +NAP. Dit hangt samen met de ligging van het erf van Lovenweg 4. Andere relatief hooggelegen delen (circa 0,30 m +NAP) bevinden zich in het uiterste westen, uiterste zuiden en uiterste oosten van het plangebied. In het grootste deel van het plangebied ligt het maaiveld echter iets lager, namelijk tussen 0,30 m -NAP en 0,20 m +NAP. De hoogtekaart geeft geen specifieke aanwijzingen voor eventuele archeologische vindplaatsen in of rond het plangebied.

28

ARTEFACT RAPPORT 718

HOEK LOVENWEG 4

Figuur 11 Projectie van het plangebied (zwarte polygoon) op een bewerkte uitsnede van het Actueel Hoogtebestand Nederland. Bron: www.pdok.nl (AHN4 0,5 meter raster DTM).

Samenvatting landschap en geologie Samenvattend maakt het plangebied deel uit van een gebied met getijafzettingen van het Laagpakket van Walcheren. Dit betreft vermoedelijk Westerscheldeafzettingen op Sluiskilafzettingen. Op welke hoogte de overgang tussen beide niveaus ligt, is ten aanzien van de Lovenpolder nog niet bekend. Onder het Laagpakket van Walcheren is een 0,5 – 1,0 m dikke laag veen van de Formatie van Nieuwkoop te verwachten. De top van dit veen ligt op basis van de bestudeerde gegevens en modellen waarschijnlijk grofweg tussen 0,60 en 1,75 m -NAP. Hieronder zijn afzettingen van de Formatie van Boxtel te verwachten, waarvan een intacte top al aanwezig kan zijn vanaf 1,20 m -NAP. Behalve pleistoceen dekzand van het Laagpakket van Wierden kan er ook sprake zijn van Schelde- en Schelderestgeulafzettingen. In het Laagpakket van Wierden kunnen theoretisch paleosols aanwezig zijn daterend uit het Laat-Paleolithicum. Op grotere diepten (dieper dan 4 m -mv) bevinden zich waarschijnlijk de Formatie van Koewacht en de Rupel Formatie.

29

ARTEFACT RAPPORT 718

2.3

Historie

2.3.1

Historisch-geografische ontwikkeling 57

HOEK LOVENWEG 4

Het beschrijven van de historische situatie dient meerdere doelen. Er wordt archeologisch inhoudelijk gekeken of eventueel sprake is van historische bebouwing, mogelijke (vaar)wegen en/of subrecent gebruik, waarbij vastgesteld moet worden of sprake is van verstoringen (bijvoorbeeld ontgrondingen, stortingen en verhardingen). Bij het tot stand komen van voorliggend onderzoeksrapport werd gebruikt gemaakt van meerdere historische of oude kaarten. Enkel de kaarten waarop nieuwe, afwijkende of kenmerkende informatie met betrekking tot het plangebied wordt weergegeven, zijn afgebeeld in dit rapport. Hierbij dient opgemerkt dat de projecties die zijn gemaakt op oude kaarten, vrij betrouwbaar zijn voor alle kaarten daterend vanaf het midden van de 18 de eeuw, toen, dikwijls voor militaire doeleinden, topografische kaarten ontwikkeld werden met vrij grote schaalnauwkeurigheid. De projecties op de kaarten daterend voor deze periode moeten dan ook als indicatief worden beschouwd. Vanaf de 10de eeuw vermelden historische bronnen plaatsen als Axel, Boterzande en Ostholt. Deze vermeldingen duiden op een toenemend economisch belang van de streek. Schapenwol is namelijk de basis voor de lakenhandel in de ten zuiden van Zeeuws-Vlaanderen gelegen steden als Brugge en Gent. Het plangebied ligt centraal in het noorden van Zeeuws-Vlaanderen.

Bestuurlijk viel dit gebied vanaf de Late Middeleeuwen onder de Vier Ambachten. Dit was een samenvoeging van het Axeler, Hulster, Boekhouter en Asseneder Ambacht onder een gemeenschappelijke keure.58 In deze bestuurlijke eenheid wordt naast waterbeheer en dijkwerken ook rechtspraak uitgeoefend. 59 De kaart van Gwijdde van Dampierre (historische kopie door Van Thuyne uit 1617) geeft de situatie van Noord-Vlaanderen omstreeks 1274 weer (figuur 12). Op deze kaart is het plangebied waarschijnlijk te situeren in het grensgebied van het Boekhouter en Asseneder Ambacht, en bevindt het zich in de omgeving van meerdere dorpen die tegenwoordig niet meer bestaan, namelijk Vremdijcke, Aut Axel, Wevelswaele, Willemskercke en Coudekercke. Hiervan lijkt Vremdijcke als meest nabijgelegen dorp aangegeven te staan. Het is echter onmogelijk om de exacte locatie van het plangebied op deze oude kaart aan te geven, omdat er te weinig correcte referentiepunten zijn tussen deze kaart en de huidige topografie. Daarom wordt op onderstaande figuur een vrij grote cirkel aangehouden om de ligging van het plangebied aan te geven. Vremdijcke werd voor het eerst vermeld in 1114 als Fronendike en is daarmee de oudste dijknaam in de Vier Ambachten. In dat jaar kreeg de St. Pietersabdij te Gent door de vader van de abt een stuk grond geschonken in Fronendike bij Wizzekinswerf.

60 Andere dijknamen duiken in de geschreven bronnen pas op na de grote stormvloed van 1134. De systematische inpoldering van dit gebied duidt op een duidelijke toename in economisch belang vanaf de 12 de eeuw. Deze toename hing samen met de sterke bevolkingsgroei en de opkomst van de stad Gent als belangrijkste en grootste Vlaamse stad. De bevolkingstoename weerspiegelde zich in het toenemende aantal stichtingen van nederzettingen, kerken en kapellen.61 Zo ontstonden Steenlandt en Willemskercke op het einde van de 12de eeuw als moerparochies. In de 13de eeuw ontstonden Nieuwerkercke en Hertinghe.62 In 1234 werd tevens Peerboom als parochie genoemd.63 Deze nieuwe stichtingen staan ook op de Dampierre-kaart afgebeeld. Het pas in de 14de eeuw ontstane Terneuzen wordt op deze kaart ook weergegeven. Het is echter met een afzonderlijke lijn omringd die in het noorden verder doorloopt dan de grens van het land zoals op de kaart weergegeven. Op een andere kopie van de Dampierrekaart (niet

57 Voorliggend hoofdstuk is voor een groot deel gebaseerd op, en deels overgenomen uit, eerdere onderzoeken die

Artefact heeft uitgevoerd naar plangebieden in de omgeving van Hoek, toegespitst op het onderhavige plangebied en aangepast en aangevuld met specifieke en aanvullende gegevens. 58 Gottschalk 1984: 25. 59 De Kraker 2004: 51-52. 60 Verhulst 1995; De Visser & Emaus 2014. 61 Gottschalk 1984. 62 De Visser & Emaus 2014. 63 De Kraker 2004.

30

ARTEFACT RAPPORT 718

HOEK LOVENWEG 4

afgebeeld) wordt Terneuzen niet weergegeven.64 Dit alles doet vermoeden dat de weergave van Terneuzen op de kaart door Van Thuyne een latere toevoeging betreft.

Figuur 12 Globale ligging van het plangebied (binnen blauwe cirkel) op een uitsnede van een 17de-eeuwse kopie naar de zgn. kaart van Gwijde van Dampierre uit 1274. De Vier Ambachten zijn met kleuren ingedeeld (lichtgroen = Boekhouter Ambacht, rood = Asseneder Ambacht, wit = Axeler Ambacht en geel = Hulster Ambacht). Bron: RAG-065-7.

Na de stormvloed van 1214 werden in opdracht van de cisterciënzerabdijen van Ter Doest, Baudelo en Cambron op grote schaal nieuwe offensieve dijken aangelegd. Het plangebied lag toen wellicht in ingepolderd gebied, maar Gottschalk doet geen uitspraak over de indeling van de polders tussen Terneuzen en Biervliet. Ze situeert in de 13de eeuw in deze zone Milmen, een bedijkt schor (eiland) waarop een uithof van de abdij Groeninge werd gebouwd: het zogenaamde Hof ter Milme.65 Ondanks de grootschalige inpolderingscampagnes werd dit deel van de Vier Ambachten gedurende de gehele 13de, maar ook de 14de en 15de eeuw, regelmatig door stormvloeden overspoeld. De continue strijd tegen het water heeft geleid tot een geschiedenis van herhaalde (her)bedijkingen. Het (her)bedijken betrof meestal het terugwinnen van land, zelden het aanwinnen van nieuw land. 66 Gedurende de Late Middeleeuwen was van twee stormvloeden de impact dermate bepalend voor het verdere geologische en historisch-geografische verloop, dat deze hier nader besproken worden. De eerste is de stormvloed van 1375. Hierbij ontstond bij de Braakman een groot zeegat, waarbij de noordelijke helft van het Boekhouter Ambacht werd weggespoeld. De tweede belangrijke stormvloed voor dit gebied vond plaats in 1488. Tijdens deze storm werd de Braakman verder uitgediept naar het oosten toe.

Ook de noordelijke helft van het Asseneder Ambacht en het aangrenzende Boekhouter en Axeler Ambacht gingen verloren als gevolg van het doorbreken van een sluis bij Nieuwersluis. Tijdens deze stormvloed werden in deze regio verschillende moerparochies verzwolgen door het water, de meeste voorgoed. Enkel de Vremdijckepolder en de Willemskerckepolder ten noorden van de Braakman werden herbedijkt in 1498 en 1518. In de herbedijkte Vremdijckepolder is vervolgens een nieuw dorp genaamd Vremdijcke aangelegd, maar op een andere locatie dan het

64 RAG VZ1-11. 65 Gottschalk 1984: 53, 249. 66 Gottschalk 1984.

31

ARTEFACT RAPPORT 718

HOEK LOVENWEG 4

eerste.67 Onderstaande kaart (figuur 13) toont een reconstructie van de bedijkingen uit deze tijd. Het plangebied lag op dat moment in onbedijkt gebied.

Figuur 13 Reconstructie van bedijkingen in het Braakmangebied tussen 1497 en 1509. De globale ligging van het plangebied is aangegeven met een rode stip. Bron: De Kraker 1997: 35.

Na de stormvloed van 1488 was het zeewater tot bij de Axelsche Vaart gekomen, en in het zuiden zelfs tot bij Zelzate. Pas na het beëindigen van de oorlog met Maximiliaan van Oostenrijk in 1492 (Vrede van Cadzand) werd met de aanleg van de Landdijk tussen Terneuzen en Boekhoute een eerste grootschalig infrastructureel werk gerealiseerd dat een verder doorbreken van de Braakman in het achterland moest verhinderen.68 Ook in de periode hierna volgden echter nog grote overstromingen. Bij de stormvloeden van 1530 overstroomden ook de ten noorden van de Braakman gelegen gebieden (figuur 14).69

67 Schute & Kerckhaert 2015. 68 De Kraker 1997: 37-38. 69 De Kraker 1997: 66-67.

32

ARTEFACT RAPPORT 718

HOEK LOVENWEG 4

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12826252/1