2023-06-21 - Bp Buitengebied, Lovenpolder Hoek (boscompensatie) Bijlagen toelichting
Tekst van het document
bestemmingsplan
Buitengebied, Lovenpolder Hoek (boscompensatie) Terneuzen
DATUM IMRO IDN
27-01-2023 NL.IMRO.0715.BPBG80-VG01
PROJECT PROJECTLEIDER
Buitengebied, Lovenpolder Hoek (boscompensatie) mr. ir. H. Wenting
OPDRACHTGEVER PROJECTNUMMER
DOW Benelux 401030.20211389
AUTEUR STATUS
Josh Luijkx vastgesteld
Inhoudsopgave
Bijlagen toelichting
5
Bijlage 1
Inrichtings- en beplantingsplan
7
Bijlage 2
Vormvrije mer beoordeling
33
Bijlage 3
Archeologisch onderzoek
47
Bijlage 4
Milieuhygiënisch vooronderzoek bodem
175
Bijlage 5
Watertoets Lovenpolder
201
Bijlage 6
Quickscan flora en fauna
209
Bijlage 7
Berekening stikstofdepositie aanleg
237
Bijlage 8
Verslag informatieavond
245
Bijlage 9
Antwoordnota zienswijzen en planaanpassing (VERVANGEN)
251
3/252
4/252
Bijlagen toelichting
5/252
6/252
Bijlage 1
7/252
Inrichtings- en beplantingsplan
DETAILS
HERINRICHTING LOVENPOLDER Inrichtings- en beplantingsplan Ravago 4 mei 2023
1/25
DATUM
4 mei 2023
KENMERK PROJECT PROJECTLEIDER
mr.ir. H. Wenting
OPDRACHTGEVER PROJECTNUMMER AUTEUR STATUS
2/25
2021 1865
INHOUD 1.
2.
3.
4.
3/25
INLEIDING
4
1.1 1.2
aanleiding plangebied
4 4
RUIMTELIJKE ANALYSE
5
2.1 2.2 2.3 2.4 2.5 2.6 2.7
5 6 7 9 9 12 12
het plangebied en directe omgeving water hoogteligging bodem historie landschap natuur
PLANVOORSTEL
14
3.1 3.2 3.3 3.4 3.5
14 15 15 16 17
fasering uitgangspunten modellenstudie uitwerking model bos aan noordzijde (fase 1a) uitwerking model bos aan zuidzijde (fase 1b)
BEPLANTINGSPLAN
18
4.1 4.2 4.3 4.4 4.5
18 19 21 22 22
uitwerking beplantingsvoorstel assortiment plantverband en aantallen maatvoering uitvoeringsparagraaf
BIJLAGE NADERE ONDERBOUWING BOSTYPE/ BOOMSOORT 1 2 3
Natuurtypen Haagbeuken- essenbos N16.04 vochtig bos met productie
1. INLEIDING 1.1
aanleiding
In het kader van de ontwikkeling van een nieuw logistiek centrum op het DOW-terrein (dossier 3PL) is 4,5 ha bos gerooid. Deze oppervlakte dient elders te worden gecompenseerd. De beoogde compensatielocatie ligt direct ten zuiden van het DOW-terrein. Deze kavel heeft een omvang van 16 ha. Op deze kavel is naast de noodzakelijke boscompensatie van Ravago (fase 1a) en 0,8 ha boscompensatie vanwege het rooien van bos voor ontwikkelingen van Stedin (fase 1b). In deze notitie is de gewenste locatie voor de boscompensatie van Ravago geanalyseerd. Vervolgens is voor de eerste fase een inrichtingsplan– waarbij het bos nader uitgewerkt wordt naar bostype- en een beplantingsplan gemaakt.
Figuur 1 Luchtfoto van de omgeving van het plangebied met Braakmankreek en Voorste en Achterste Kreek
Dit voorstel is besproken met provincie, gemeente en belanghebbenden. Naar aanleiding van de input van deze partijen is het inrichtings- en beplantingsplan definitief gemaakt.
1.2
plangebied
Het plangebied heeft een oppervlakte van 16 ha en is gelegen in de Lovenpolder in de gemeente Terneuzen, Zeeuws Vlaanderen. Dit is een grootschalige open polder met akkergronden. Aan de noord- en zuidzijde van de polder zijn twee kreken gelegen: Voorste Kreek en Achterste Kreek. De Voorste Kreek ligt ten zuidwesten van het plangebied, de Achterste ten oosten. Vanuit de kern Hoek bezien is dit een logische naamgeving. Aan de westzijde grenst de polder aan de Braakmankreek. Het plangebied sluit aan de noordzijde aan op de terreinen Dow Chemical. Figuur 2 Plangebied met woning aan noordoost zijde (Kadaster)
4/25
2. RUIMTELIJKE ANALYSE 2.1
het plangebied en directe omgeving
Het plangebied( 16 ha) bestaat uit akkers met diverse sloten in en langs het gebied. In de huidige situatie is er in de noordoostelijke hoek een woning met schuur aanwezig. Het plangebied grenst aan de oostzijde aan de Lovenpolderstraat. Aan de westzijde van de straat is een groot pluimveebedrijf gelegen. Even ten noorden van deze boerderij liggen aan de overzijde van de weg een tweetal burgerwoningen. Deze zijn georienteerd op het plangebied. Ten noorden van het plangebied loopt de Lovenweg. Aan de noordwest zijde van het plangebied staat een woning. Ook deze is (deels) georiënteerd op het plangebied. Tussen de Lovenweg en het terrein van Ravago ligt een hoge dijk, deels met bomenrijen erop.
Figuur 3 Beeld van de bebouwing langs de Loverpolderstraat (foto Google Earth)
5/25
Figuur 4 Zicht vanaf de Lovenpolderweg in noordelijke richting op het voormalige erf en Lovenweg (foto Google Earth)
Figuur 5 Zicht vanaf de Lovenpolderweg in zuidelijke richting op pluimveehouderij en woningen (foto Google Earth)
Figuur 6 Zicht vanaf Lovenweg in oostelijke richting, met brede watergang parallel aan de weg (foto
Figuur 8 Zicht vanaf Lovenweg; bovenloop van de Voorstekreek aan de noordzijde van het plangebied
Google Earth)
(foto Google Earth)
Aan de zuidoost zijde van het plangebied loopt een waterleiding. Hiermee dient rekening te worden gehouden. Diepwortelende beplanting mag niet op de leiding geplaatst worden. Ook dient rekening gehouden te worden met de delta-parapente vliegers, De Hoekse Vliegers, die aan de rand van het plangebied een eigen terrein met lier hebben. Zij hebben toestemming om over het plangebied te vliegen.
2.2
water
Water speelt een belangrijke rol in het plangebied, met de diverse kreken die uitmonden in de Westerschelde (de Voorste en Achterste Kreek en Braakmankreek) maar ook de sloten in het plangebied zelf. Figuur7 Te verwijderen pand aan de Lovenweg nr. 4.; (foto Google Earth)
6/25
Figuur 9 Oppervlaktewater (uit: Structuurvisie 2025, Gemeente Terneuzen)
In het plangebied ligt een aantal sloten. Deze wateren af op de Voorste kreek. Feitelijk vormt het plangebied de bovenloop van de kreek. Iedere sloot van de legger (zie figuur 10) heeft een onderhoudsstrook van 5 meter, in principe aan weerszijden. Voor maaisel (1 x per 2 jaar) en bagger (1 x per 8 jaar). Twee van de sloten zijn zo breed, dat zij bredere onderhoudsstroken van 7 meter nodig hebben; de watergang aan de noordwest zijde (naast de Lovenweg) en de watergang (met kromming) in het zuidoosten van het plangebied. De sloten wateren af in noordwest richting; via de Braakmankreek naar de Westerschelde. Aan de oostzijde, nabij het pluimveebedrijf, is een sloot niet meer op de luchtfoto herkenbaar en ligt er erfverharding.
7/25
Figuur 10 Sloten op de waterlegger (Waterschap Scheldestromen)
2.3
hoogteligging
Het overgrote deel van het plangebied heeft een hoogteligging rond 0 m NAP: bij de woning in de noordoost hoek is het hoogst met circa 0,6 m +NAP, in het westelijke deel het laagst tot 0,2m – NAP. Zie figuur 11. De Lovenweg en de Lovenpolderweg liggen wat verhoogd ten opzichte van het plangebied. Ook is op figuur goed te zien dat de gronden van Ravago en Dow aan de noordzijde hoger liggen.
Figuur 11 Hoogteligging AHN (Algemene Hoogtekaart Nederland)
8/25
Figuur 12 De dijken en enkele hogere delen in het plangebied
2.4
bodem
De bodemtypen in het plangebied zijn: - Mn15A: kalkrijke poldervaaggronden, lichte zavel profielverloop 5 - Mn56A/Mn15A kalkrijke poldervaaggronden, zavel profielverloop 3, 3 en 4 of 4 - Mn56C kalkarme poldervaaggronden, zavel profielverloop 3, 3 of 4, 4 Het zijn voedselrijke zeekleigronden met zand, veelal kalkrijk maar plaatselijk ook kalkarm.
2.5
Figuur 13 Bodemtypen in het plangebied
9/25
historie
De Lovenpolder ontstond door indijking van de schorren van de Braakman in 1543. De polder is 460 ha groot en er zijn een aantal kreken in ingedijkt, waarvan de Voorste Kreek en Achterste Kreek de belangrijkste zijn. Dit zijn dus geen doorbraakkreken, maar de oorspronkelijke kreken van het schorrengebied. Samen met de vrijwel gelijktijdig ingedijkte Koudepolder (ten zuidwesten van de Lovenpolder) vormde deze polder tot 1615 een eiland.
Figuur 14 ontwikkeling
van
1900 tot nu
`
1980
1900
1940
10/25
nu
Figuur 15 ontwikkeling van 1900 tot nu; ingezoomd op plangebied
11/25
1900
1980
1940
nu
Op de kaart van rond 1900 is de boerderij (Lovenpolder 4) reeds aanwezig. Rondom de boerderij zijn boomgaarden. Rond 1940 is een groot deel van de boomgaarden nog aanwezig, maar zijn er ook een aantal poelen ontstaan. Er liep een route aan de oostrand van het plangebied. Op de kaart van rond 1980 zijn de boomgaarden grotendeels verdwenen. De hoofdwatergangen door het gebied en de overige bebouwing zijn aanwezig. Op de topografische kaart van rond 2021 is te zien dat het pluimveebedrijf flink gegroeid is.
Zeekleilandschap Het binnendijkse plangebied valt volledig onder het voor de Zeeuwse Delta karakteristieke zeekleilandschap. Onder zeekleilandschap worden verstaan die gebieden waar mariene afzettingen (zeeklei) aan de oppervlakte liggen en die rusten op veen ofwel dermate dik zijn dat het onderliggende dekzand geen invloed heeft op het landschap. De gronden van de polders bestaan uit zware zeeklei. Het landschap is grootschalig en open.
2.6
Sterk beeld- en structuurbepalend in het jonge zeekleilandschap van Zeeuws-Vlaanderen zijn de dijken en de kreken/kreekresten. Het nog zeer herkenbare dijkenpatroon vormt de ruggengraat van het zeekleilandschap. De dijken verdelen het landschap in ruimtelijke eenheden met daarin verspreid liggend de boerderijen, in een aantal situaties met markante/karakteristieke erven.
landschap
De opbouw en structuur van het landschap van Zeeuws-Vlaanderen worden van noord naar zuid gevormd door het Westerschelde-estuarium (zeearm), de door bedijking op de zee gewonnen gronden (bedijkte polders) met daarin opgenomen de diep het land binnendringende voormalige getijdengeulen en kreken en de overgang naar de hoger gelegen dekzandgronden. Op het grondgebied van Terneuzen zijn binnen deze structuur drie landschapstypen te onderscheiden: het zeearmenlandschap (de Westerschelde), het (jonge) zeekleilandschap en het zuidelijk gelegen dekzandlandschap. Het plangebied ligt in het (jonge) zeekleilandschap. Het zeearmenlandschap van de Westerschelde vormt het Nederlandse deel van het Schelde-estuarium. Door de getijdenwerking zijn in deze zeearm van oudsher schorren, slikken en platen ontstaan, afgewisseld door diepe getijdengeulen. De Westerschelde is door scheepvaart en industrie sterk beïnvloed (inpoldering, verdieping en onderhoud vaargeul, aantasting waterkwaliteit). Natuur en scheepvaart vormen de belangrijkste functies. De natuurfunctie van de Westerschelde heeft met name betrekking op de grote, internationale betekenis van het estuarium als doortrek- en overwinteringsgebied voor watervogels en op de ecologische waarde van de schorren en slikken: groeiplaats voor zoutvegetaties, broedgebied, hoogwatervluchtplaats en foerageergebied.
12/25
Het jonge zeekleigebied van Zeeuws-Vlaanderen wordt op veel plaatsen doorsneden met kreken en kreekresten waardoor Zeeuws-Vlaanderen vermaard is als krekengebied. Kreken zijn oorspronkelijk zoute getijdenwateren geweest die door inpoldering binnendijks zijn komen te liggen en al dan niet verzoet zijn. De kreken en kreekresten manifesteren zich in het landschap als langgerekte wateren met gevarieerde breedte en drassige oeverlanden en rietkragen. Van grote betekenis voor het landschapsbeeld van het totale buitengebied van Terneuzen zijn de Braakmankreek, de Otheensche Kreek met de uitlopers Groote Dulper en Kleine Dulper, de Voorste Kreek en Achterste Kreek, de Canisvlietsche Kreek en de Axelsche Kreek en Boschkreek.
2.7
natuur
De natuur rond het plangebied bestaat uit de Westerschelde (natura 2000 gebied) en de diverse kreken. De blauwe stippellijn geeft ecologische verbindingen weer. Deze lopen niet in het plangebied zelf.
Figuur 17 Detail natuur Lovenpolder
Figuur 16 Natuur (uit: Toelichting Bestemmingsplan Buitengebied Terneuzen)
13/25
3. PLANVOORSTEL 3.1
Fasering
De totale boscompensatie kent twee fasen: Fase 1a: 4,5 ha bos (bomen en struiken) en rondom (deels bloemrijk) grasland. Fase 2b: 0,8 ha bos (bomen en struiken) en rondom (deels bloemrijk) grasland.
Figuur 18 Fase 1a
14/25
Figuur 19 Fase 1b
3.2
uitgangspunten Uitgangspunten voor het inrichtingsplan zijn:
behoud belangrijkste bestaande waterstromen/ slotenpatroon, aaneengesloten waterstructuren (zie water figuren 9 en 10) logische ruimtelijke indeling passend bij de maat en schaal van het gebied benutten hoogteverschillen in het plangebied (zie hoogte figuren 11 en 12) verbinding tussen de bospercelen rekening houden met de historie van het gebied (Zie historie figuren 14 en 15) vanaf diverse plekken zicht op achterliggende agrarische gronden toepassen inheemse plantensoorten, passend in de zeekleipolders, deels gemengd met zand (lichte zavel) (zie bodem figuur 13) ecologische waarde van het plangebied vergroten door overgangen te realiseren (zoom – mantel – bos) rekening houden met zicht vanaf de woningen in directe omgeving rekening houden met de delta-parapente vliegclub (30 meter brede zone met een maximum hoogte van 1:5) (zie figuur 20). Figuur 20 De zone betreft de vliegfunnel delta-parapente vliegclub (in rood)
3.3
modellenstudie Voor de boscompensatie zijn meerdere modellen ontwikkeld. Hierbij speelden de volgende aspecten een rol:
15/25
landschappelijke structuren en context; historie waterlopen
compact ruimte gebruik; ecologische waarde; vorm van het restperceel ligging van een waterleiding (Evides).
Onderstaand model bestaat uit twee afzonderlijke bossen, waarbij het zuidelijke bos een langgerekte vorm heeft. Dit model is vanwege de aanwezigheid van de waterleiding, de gewenste flexibiliteit van de wetlands en de wens van de agrariër aan Lovenpolderweg 17 deze gronden zo lang mogelijk in gebruik te houden, niet uitgewerkt.
Figuur 21 Schetsmodel ‘twee afzonderlijke bossen’
Het andere model ‘bos aan noordzijde’ is verder uitgewerkt, omdat deze het meest haalbaar lijkt. Ook sluit het vanuit de historie beter aan: aan de noordzijde van het plangebied waren in de eerste helft van de 20e eeuw rondom de boerderij op Lovenweg nummer 4 boomgaarden aanwezig, en waar nu Lovenweg 2 is een bosstrook. Ook sluit het aan op de bestaande natuur van de Braakman (zie natuur 16 en 17).
3.4
Uitwerking model bos aan noordzijde (fase 1a)
In dit model is op basis van de landschappelijke structuren gestreefd naar een helder ontwerp met een maximale ecologische impact. In het model concentreren de bossen zich aan de noordzijde van het plangebied. Ze sluiten daarmee aan op het bos tussen de Lovenweg, Savoyaardsweg en het water en de natuur van de Braakmanskreek.
16/25
Figuur 22 Inrichting Lovenpolder fase 1a
Ook vormt zij een verbinding tussen de Voorste en Achterste kreek. De watergangen in het plangebied spelen dan ook een belangrijke rol. Het model bestaat uit een drietal bossen, elk op de bestaand landbouwkavel. Hiermee blijven de bestaande structuren behouden. Het bos aan de noordwestzijde sluit aan op de het groen van de Braakman, en kan hierdoor uiteindelijk een ecologische verbinding vormen tussen de Braakman en de natuur van de Voorste en Achterste Kreek. In de hoek bij de delta- parapente vliegclub komt een uitsparing in het bos van 30 bij 30 meter. Aan de noordwestzijde heeft het bos een oppervlakte van 2,00 ha, in het noordoosten 2,05 ha en in het midden 0,45 ha. In totaal dus 4,50 ha. Dit is precies wat benodigd is.
In figuur 21 is de verdeling in het bos tussen bomen en struiken te zien: het bos bestaat uit een kern van bomen (donkergroen met bollen op figuur 22) en een brede rand van circa 10 meter met struiken (lichtgroen op figuur 22). Daar waar het bos grens aan agrarische gronden zal aan de randen sprake zijn van een brede grasstrook. Daar waar dit niet het geval is, zal een strook met bloemrijk grasland worden ontwikkeld. Om de biodiversiteit van het gebied te vergroten, zal op een aantal plekken, aan de zuidzijde van de bosjes, tussen de struiklaag (‘mantel’) en de graslaag een drie meter brede tussenlaag met kruiden worden ontwikkeld. Dit is een zogenaamde ‘zoom’. Zie Hoofdstuk 4 Beplantingsplan. Het bos aan de noordwestzijde houdt voldoende afstand tot de woning aan de Lovenweg nr. 3. In verband met zicht vanaf de woning is de westhoek van het perceel vrijgehouden van opgaande beplanting. De 30 meter brede vliegfunnel (zie figuur 20) is als volgt vorm gegeven; - de eerste 30 meter vanaf de erfgrens is gras; - na 30 m is bij 1:5 de toelaatbare hoogte 6 meter. Vanaf daar kunnen struiken staan; - na 100 m is bij 1:5 de toelaatbare hoogte 20 meter. Vanaf hier kunnen bomen staan. In het zuidwestelijk deel van het westelijke bos is dus de zone met struiken breder dan in de rest van het plangebied: 30 meter in plaats van 10 meter.
Tussen dit bos en het ‘middelste bos’ is vanaf de Lovenweg een bestaande sloot met schouwstroken behouden. Over de sloot is een smalle zichtlijn op de zuidelijk gelegen gronden. De grond waarop het noordoostelijke deel van het bos komt, is het hoogstgelegen in het gebied (zie figuren 11 en 12); hier worden soorten toegepast, die ook op wat hogere en drogere standplaatsen gedijen, zoals veldesdoorn, hazelaar en kornoelje. Het
17/25
middelste bos houdt voldoende afstand tot de bestaande sloten. De boerderij aan de Lovenweg nr. 4 kan (voorlopig ) gehandhaafd blijven, zowel de woning als de schuur. Aan de oostzijde is een grote driehoek vrijgehouden. Enerzijds omdat hier een waterleiding loopt, waarbij een strook van 15 meter vrijgehouden dient te worden. In deze strook mogen geen bomen en struiken aangeplant worden, vanwege mogelijke aantasting van de buizen door de wortels. Bloemrijk grasland is hier wel toegestaan. Anderzijds vanwege het zicht van de bewoners aan de overzijde van de Lovenpolderstraat nrs. 18 en 19. Om in totaal aan 4,5 ha bos te komen, is ten zuiden van het middelste bos een kleine toevoeging gedaan van 0,45 ha. Hier sluit de beplanting van fase 1b op aan (zie 3.5). Door hier niet één groot bos te maken, maar een aantal kleinere -maar wel verbonden- wordt de randlengte sterk verlengd. Randen hebben hogere ecologische potenties dan het midden van een bos. Door deze grote randlengte zijn er meer potenties voor struweelvogels. De resterende kavels zijn effectief te gebruiken, totdat zij ook in gebruik worden genomen voor boscompensatie en/of waterberging/-zuivering.
3.5
uitwerking model bos aan zuidzijde (fase 1b)
In fase 1b wordt 0,80 ha bos toegevoegd. Dit sluit aan bij het kleine (‘middelste’) bosje van 0,45 ha dat in fase 1a wordt aangeplant. De gronden direct ten westen van de Lovenpolderstraat 17 worden momenteel gebruikt voor de uitloop van de kippen van het agrarisch bedrijf. Om dit gebruik zo lang mogelijk in stand te houden, worden deze gronden vrijhouden van bosvorming.
4. BEPLANTINGSPLAN 4.1
uitwerking beplantingsvoorstel
Om de sloten te kunnen onderhouden wordt voor de bredere sloten rekening gehouden met een brede (bloemrijke) grasstrook van 7 meter breed, voor de smallere sloten is deze 5 meter. Vanaf deze stroken/ paden is ook meteen het bos te onderhouden. Daar waar geen sloten liggen, maar wel onderhoud van het bos noodzakelijk is, wordt ook een strook van 5 meter vrijgehouden. De onderhoudspaden liggen aan de zijde van agrarische percelen van derden. Hiermee wordt hinder (schaduw- en wortelhinder) als gevolg van beplanting verminderd. De kernen van de bospercelen bestaan uit opgaand bos met bomen die passen in de zeekleipolder (deels gemengd met zand; lichte zavel) zoals Zwarte els, Veldesdoorn (Spaanse aak), Abeel, Zwarte en/of Ratelpopulier en Wilg. Tussen de bomen wordt klaver ingezaaid, om te voorkomen dat er te veel hoog onkruid gaat groeien, wat de bomen zou gaan overwoekeren.
Figuur 23 Lovenpolder fase 1b
De randen van de bosvakken bestaan uit een struiklaag/ struweel (de zogenaamde ‘mantel’). Zie figuur 24 hieronder. De mantel met de struiklaag heeft een breedte van 16 meter. De struiken staan 1,5 meter uit elkaar, in 10 rijen. Struweel met deze breedte kan zich door de maatvoering goed ontwikkelen. Het is de verwachting dat hierdoor een ecologisch waardevolle strook zal ontstaan. Daar waar de randen een gunstige oriëntatie op de zon hebben, zal ook een kruidlaag (de zogenaamde ‘zoom’) aangelegd worden. Op figuur 18 is aangegeven waar de zoom met kruidenlaag wordt aangelegd.
18/25
De zoom met de kruidenlaag heeft een breedte van 4 meter. De zoom wordt om de 2 jaar gemaaid. Ten behoeve van de variatie de helft het ene jaar gemaaid en de andere helft het volgende jaar. De geleidelijke overgang tussen mantel en bos kan worden versterkt door aansluitend op de mantel een zone met Zwarte els te planten. Dit is een relatief lage boom, die in de jeugdfase snel groeit.
Figuur 25 opbouw bos met zoom, mantel en kern
4.2
assortiment
4.2.1 Bomen In de kern van de drie bossen komen de volgende inheemse loofboomsoorten, passend in de zeekleilandschap voor:
Figuur 24 schets inrichting Lovenpolder met mantelzoom
F
19/25
Inheemse loofbomen Nederlandse naam Latijnse naam Veldesdoorn Acer campestre Zwarte els Alnus glutinosa Zwarte populier Populus nigra Ratelpopulier Populus tremula Fladderiep, (resistente soorten) Ulmus laevis Hollandse iep (resistente soorten) Ulmus xhollandica
Schietwilg Boswilg Kraakwilg Haagbeuk Zomereik
Salix alba Salix caprea Salix fragilis Carpinus betulus Quecus robur
De aanplant van Gewone es wordt in verband met de ziekte “Essentaksterfte” niet aanbevolen. Per bosperceel wordt een verschillend assortiment voorgesteld, met een variatie in snelgroeiende en langzaam groeiende soorten: De hoofdsoorten per bos: - Noordwest Zwarte populier, Fladderiep, Hollandse iep, Zwarte els (elk 20 %), overige soorten (in totaal 20%); - Noordoost Ratelpopulier, Zomereik, Veldesdoorn (elk 25%), overige soorten (in totaal 25%); - Midden Schietwilg, Boswilg, Kraakwilg, Haagbeuk (elk 20 %), overige soorten (in totaal 20%);. Daarnaast worden in elk bos ook de andere boomsoorten ingezet, om op deze manier drie verschillende en gevarieerde bossen te krijgen. Tussen de bomen wordt klaver ingezaaid. Zie 4.1.
4.2.2 Struiken In de struiklaag, de mantel, langs de randen gaat het om soorten als:
Nederlandse naam Eenstijlige meidoorn Wilde lijsterbes Bittere wilg Kruipwilg Sleedoorn Hazelaar Kardinaalsmuts Rode kornoelje Hondsroos Gelderse roos Gewone vlier
Latijnse naam Crataegus monogyna Sorbus aucuparia Salix purpurea Salix repens Prunus spinosa Corylus avellana Euonymus europaeus Cornus sanguinea Rosa canina Viburnum opulus Sambucus nigra
4.2.3 Kruiden In de kruidlaag, de zoom, soorten als: duizendblad glad walstro Sint-Janskruid gewoon biggenkruid gewone margriet gewone rolklaver luzerne boerenwormkruid rode klaver witte klaver
Achillea millefolium Galium mollugo Hypericum perforatum Hypochauris radicata Leucanthemum vulgare Lotus corniculatus Medicago sativa Tanacetum vulgare Trifolium pratense Trifolium repens
4.2.4 Bloemrijk grasland:
Gras met kruiden inzaaien. Het beheer is 1x per jaar maaien (juni).
20/25
4.3
plantverband en aantallen
De bomen en struiken worden in rijen geplant, in driehoeksverband. De bomen met een onderlinge afstand van 6 meter, en de struiken met een onderlinge afstand van 1,5 meter. Het plantschema voor de struiken (bosplantsoen) bevat per ha circa 4.444 struiken. Het plantschema voor de bomen bevat circa 275 bomen per ha. Voor de kruidenzoom (3 meter breed) wordt uitgegaan van 5 stuks per m2. Voor fase 1a geldt:
o.a. 6 m o.a. 1.5 m
ca 320 stuks ca 3.750 struiken
Bos 2: totaal 2.05 ha Bomen Struiken Kruiden/ zoom
1,42 ha 0,63 ha 1.100 m2
o.a. 6 m o.a. 1.5 m
ca 390 stuks ca 2.800 struiken
Bos 3: totaal 0.45 ha Bomen Struiken Kruiden/ zoom
0,27 ha 0,18 ha n.v.t
o.a. 6 m o.a. 1.5 m
ca 75 stuks ca 800 struiken
Bos noordwest (1)
Bos noordoost (2)
Bos midden (3)
2.00 ha
2,05 ha
0,45 ha
%
%
%
Veldesdoorn
5
25
5
Zwarte els
20
5
5
Zwarte populier
20
0
5
Bos midden
Ratelpopulier
5
25
5
0,80 ha
Fladderiep
20
5
5
Hollandse iep
20
5
0
Schietwilg
5
0
20
Boswilg
5
5
20
Kraakwilg
0
0
20
Haagbeuk
0
5
Zomereik
0
25
soorten
21/25
Bos 1: totaal 2,00 ha Bomen 1,15 ha Struiken (10 rijen over 650 m) 0,85 ha Kruiden/zoom ca 300 m2
Voor fase 1b geldt:
soorten
%
Veldesdoorn
5
Zwarte els
5
Zwarte populier
5
Ratelpopulier
5
Fladderiep
5
20
Hollandse iep
0
0
Schietwilg
20
Boswilg
20
4.5
Kraakwilg
20
Haagbeuk
20
Zomereik
0
aanleg - De beplanting wordt buiten het groeiseizoen (dus tussen oktober en april) aangeplant - plantdiepte bosplantsoen (struikvormers) en de bomen (spillen/veren) tussen de 20-30 cm diepte. - De breedte van de plantgaten van de bomen is ongeveer 60 cm. Omdat er hier wordt uitgegaan van kleinere spillen, kan dit minder zijn. - In het bos zal regelmatig gemaaid worden, om er voor te zorgen dat onkruid de beplanting niet gaat overwoekeren.
Bos : totaal 0.80 ha Bomen Struiken Kruiden/ zoom
0.53 ha 0.27 ha ca 500 m2
o.a. 6 m o.a. 1.5 m
ca 145 bomen ca 1.200 struiken
TOTAAL AANTALLEN BOMEN EN STRUIKEN aantallen fase 1a Bomen circa 780 (bij een onderlinge afstand van 6 meter) ; 2.84 ha Struiken circa 7.400 (bij een onderlinge afstand van 1.5 m) ; 1.66 ha Kruiden/ zoom circa 1.400 m2. aantallen fase 1b Bomen circa 145 (bij een onderlinge afstand van 6 meter) ; 0.53 ha Struiken circa 1.200 (bij een onderlinge afstand van 1.5 m) ; 0.27ha Kruiden/ zoom n.v.t.
4.4
maatvoering
Stuiken en bomen (spillen/ veren) 60 – 80 cm hoog bij aanplant.
22/25
uitvoeringsparagraaf
spillen/ veren Spillen, ook wel veren genoemd, zijn jonge bomen welke met name geschikt zijn voor landschappelijke beplantingen en bosaanplant. Het zijn bomen met een beperkte hoeveelheid wortels, zijn relatief goedkoop maar ook kwetsbaarder dan de bomen die vaker verplant zijn en met kluit of in pot worden geleverd. Aanplant van spillen Net als bosplantsoen worden spillen met blote wortels geleverd. Voor de aanplant zie de tekening op figuur 26. bosplantsoen loofhout Bosplantsoen loofhout zijn inheemse planten met blad. Het zijn vaak planten van een jaar of een paar jaar oud die gebruikt worden voor landschappelijke beplanting, in houtwallen, singels en bossen. Dit wortelgoed leveren uit volle grond en aanplanten in het plantseizoen vanaf eind oktober, begin november t/m april, afhankelijk van de weersomstandigheden.
Aanplant van bosplantsoen loofhout Net als spillen wordt bosplantsoen met blote wortels geleverd. Bosplantsoen wordt vaak in grote hoeveelheden aangeplant waarbij de plantafstand varieert naar de wens van de klant. Gemiddeld is dit tussen de 60 en de 150 cm afhankelijk van de snelheid waarmee de singel of bos dichtgegroeid moet zijn. Wij zijn uitgegaan van een onderlinge afstand van 1,5 m. omdat bij kleinere afstanden er meer snoei nodig is om een evenwichtige ontwikkeling van de planten te stimuleren. Voor de aanplant zie de tekening op figuur 26. beheer -
-
Om spillen te laten uitgroeien tot een boom met evenwichtige kroon de spil de eerste jaren goed te snoeien en waar nodig ondersteunen met een paal of bamboestok. Snoei storende en kruisende takken weg. Snoei de spillen zoals andere loofbomen in de maanden augustus of september. Inboet: de beplanting wordt aangevuld indien deze binnen twee jaar doodgaat.
Voorliggende notitie gaat onderdeel uitmaken van en aansluiten bij het Groenbeheerplan voor het DOW-terrein.
23/25
Figuur 26:; aanplant van bosplantsoen en spillen
BIJLAGE
Nadere onderbouwing bostype/ boomsoort
De beplanting die gecompenseerd wordt was een populieren opstand. De vraag is of een ander type bos gewenste is of dat kan worden volstaan met een populieren beplanting. Feitelijk zijn er de volgende keuzes: - keuze voor één soort of juist variatie; - naast bomen ook struiken; - keuze voor een natuurlijk bosdoeltype.
2 Haagbeuken- essenbos Typering Het bostype dat op deze bodem thuis hoort is het Haagbeuken en-essenbos. Dit een gevarieerd bostype met boomsoorten zoals Haagbeuk, Gewone es, Esdoorn en Gladde iep (zie ook kader). Ook soorten als Spaanse aak, Zoete kers, Gewone volgekers en Hazelaar horen in dit type thuis. Jonge populierenbossen op klei behoren ook tot dit bostype.
Hierna wordt een keuze nader onderbouwd.
1 Natuurtypen Er is een landelijk overzicht van natuurtypen en beheertypen. Op de site van Bij12 (het samenwerkingsverband van de provincie) wordt een overzicht gegeven van de 17 natuurtypen die worden onderscheiden. Deze natuurtypen zijn bepaald in het kader van subsidieregelingen voor het onderhoud van natuurelementen. De Index Natuur en Landschap beschrijft welke typen natuur, agrarische natuur en landschap we kennen in Nederland en is de basis voor de natuurbeheerplannen van de provincies Natuurtypen zijn bedoeld als sturingsinstrument op landelijk en regionaal niveau. De indeling is vooral gebaseerd op abiotische natuurcondities (waterhuishouding en voedselrijkdom). Natuurtypen kunnen worden gebruikt voor het afstemmen van afspraken over natuurbeheer, ruimtelijke ontwikkeling en milieu, zodat de nagestreefde natuurkwaliteit gerealiseerd kan worden. Op grond van deze informatie is het plangebied geschikt voor de volgende bostypen: - N14.03 Haagbeuk- essenbos - N16.04 Vochtig bos met productie.
24/25
Beheeradvies N14.03 Haagbeuken- essenbos (BIJ 12)
3 N16.04 vochtig bos met productie Vochtig bos met productie bestaat uit loofbossen die gedomineerd worden door diverse boomsoorten zoals populier, es, esdoorn, beuk, haagbeuk, eik, iep en els. Het is een grotendeels gesloten bos met een weelderige ondergroei. Dit bostype is de productievariant van delen van het haagbeuken- en essenbos en beek- en rivierbegeleidend bos. Het komt voor op matig nat tot matig droge, vrij voedselrijke kleiige tot zandige bodems, waaronder overstromingsdelen van beken. Het bostype kan gevonden worden in het rivierengebied op oeverwallen en hoge uiterwaarden, lokaal op lemige zandgronden in het oosten, op kleibodems zoals in de Flevopolders maar ook in de kustgebieden, en lemige/kleiige kalkhellingen in Zuid-Limburg. Dit bostype levert een belangrijke bijdrage aan de houtvoorziening door de goede groei van diverse gewilde (hardhout) loofboomsoorten. In potentie kan dit bostype de meeste houtige soorten bevatten. De diversiteit is laag tot matig hoog. Vooral soorten van oudere, meer ontwikkelde bosgroeiplaatsen ontbreken vaak nog, terwijl makkelijk koloniserende sporenplanten en vogels al aanwezig zijn. Door snelle groei en sterfte kan binnen afzienbare tijd een gevarieerde bosstructuur ontstaan, met veel dood hout en een weelderige struiklaag en bodemvegetatie.
Populier kan een belangrijke bijdrage leveren aan snelle bosontwikkeling en de productie van aanzienlijke hoeveelheid zaaghout en (dik) dood hout. De ondergroei bij populier wordt echter vaak (nog) gedomineerd door ruigtekruiden zoals grote brandnetel. Ook in door andere boomsoorten gedomineerde bossen treedt regelmatig verruiging op in grotere open plekken. Dit kan de verjonging van gewenste boom- en struiksoorten belemmeren. Kleinschalige kap en aanplant wanneer zaadbronnen van gewenste soorten nog ontbreken kan de (kwalitatieve en kwantitatieve) productie en samenstelling bevorderen. Door deze aanvullende bosverjongingsactiviteiten met primair lokaal gewenste inheemse boom- en struiksoorten wordt versneld een nieuwe gewenste bosgeneratie van voldoende ecologische kwaliteit gerealiseerd.
25/25
Bijlage 2
33/252
Vormvrije mer beoordeling
BOSCOMPENSATIE LOVENPOLDER Aanmeldnotitie Vormvrije m.e.r.-beoordeling 4 mei 2023
1/13
DATUM KENMERK PROJECT PROJECTLEIDER
4 mei 2023 mr. ir. H. Wenting
OPDRACHTGEVER DOW Benelux PROJECTNUMMER 401030.20211389 AUTEUR STATUS
2/13
Buddy de Groot & Josh Luijkx Definitief
INHOUD 1.
2.
3.
4.
3/13
Inleiding
4
1.1 1.2 1.3
Aanleiding Wat houdt een m.e.r.-beoordeling in? Leeswijzer
4 4 4
Plaats en kenmerken van het project
5
2.1 2.2 2.3 2.4
Plaats van het project Huidige situatie Cumulatie Kenmerken van het project
5 7 8 8
Kenmerken van de milieueffecten
11
3.1 3.2 3.3 3.4 3.5 3.6 3.7 3.8
11 11 11 11 11 12 12 12
Verkeer en parkeren Geluid Luchtkwaliteit Externe veiligheid Bodem Water Ecologie Cultuurhistorie en archeologie
Conclusie
13
1. INLEIDING 1.1
Aanleiding
Ravago heeft ten behoeve van de realisatie een nieuw logistiek centrum op het terrein van Dow (Logistiek centrum 3PL) bomen gekapt. Hiervoor geldt op basis van de Wet natuurbescherming de verplichting om 4,5 hectare bos te herplanten. Voor Stedin geldt een herplantplicht van 0,8 hectare vanwege de kap van bomen voor de uitbreiding van het transformatorstation op het terrein van Dow. Om deze boscompensatie mogelijk te maken is enkele jaren geleden het noorden van de Lovenpolder aangewezen als zoekgebied. Dit gebied heeft nu nog een agrarische bestemming. In het Besluit milieueffectrapportage is in categorie D (sectie D 9) opgenomen dat een landinrichtingsproject dan wel een wijziging of uitbreiding daarvan m.e.r.-beoordelingsplichtig is in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op vestiging van een glastuinbouwgebied of bloembollenteeltgebied van 50 hectare of meer of een functiewijziging met een oppervlakte van 125 hectare of meer van water, natuur, recreatie of landbouw of. De beoogde ontwikkeling blijft ruim onder deze drempelwaarden. Dit betekent dat kan worden volstaan met een zogenaamde 'vormvrije m.e.r.-beoordeling'. Dit document bevat deze beoordeling.
1.2
Wat houdt een m.e.r.-beoordeling in?
In een m.e.r.- beoordeling wordt getoetst of een m.e.r. procedure doorlopen moet worden. De wettelijke regeling voor de m.e.r.-beoordeling gaat uit van het principe 'nee, tenzij'. Dat wil zeggen, een volwaardige m.e.r.-procedure is alleen noodzakelijk als sprake is van 'belangrijke nadelige gevolgen' die het betreffende project voor het milieu kan hebben. Daarbij moet het bevoegd gezag rekening houden met de omstandigheden zoals aangegeven in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling, te weten: ● de plaats van het project; ● de omvang van het project; ● de kenmerken van de potentiële milieueffecten (in samenhang met de eerste twee criteria). Het bevoegd gezag dient een m.e.r-beoordelingsbeslissing te nemen, waarin wordt aangegeven of wel of geen MER nodig is, gelet op de omvang van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële (milieu)effecten en mogelijke mitigerende maatregelen. Deze beslissing wordt als bijlage bij het bestemmingsplan opgenomen.
1.3
Leeswijzer
Deze m.e.r.-beoordelingsnotitie: ● ● ●
4/13
beschrijft in hoofdstuk 2 de plaats en omvang van het project; licht in hoofdstuk 3 de verwachte effecten voor de verschillende milieueffecten toe; geeft ten slotte in hoofdstuk 4 de conclusie weer voor de m.e.r.-beoordeling.
2. PLAATS EN KENMERKEN VAN HET PROJECT 2.1
Plaats van het project
Het plangebied ligt aan de noordzijde van de Lovenpolder. Het plangebied grenst aan de west- en noordzijde aan de Lovenweg en aan de oostzijde aan de Lovenpolderstraat. Ten noordoosten van het plangebied ligt het bedrijventerrein van Dow en ten noorden en noordwesten van het plangebied ligt de Braakmankreek. Ten oosten van het plangebied bevindt zich een pluimveehouderij. Aan de westzijde bevindt zich een woning en aan de zuidwestzijde ligt een baan ten behoeve van sportvliegtuigen en parapenters. Zie figuur 2.1 voor ligging en begrenzing van het plangebied.
Figuur 2.1 Ligging en begrenzing van het plangebied
De gronden in het plangebied zijn in gebruik voor akkerbouw. In het oosten van het plangebied loopt een ondergrondse watertransportleiding. Er bevinden zich binnen het plangebied een schuur en een woning. Deze gebouwen worden ter zijner tijd gesloopt. Ligging plangebied ten opzichte van beschermde/bijzondere gebieden Het plangebied is geen Beschermd Natuurmonument of Natura 2000-gebied, zie figuur 2.2. De afstand tot Natura 2000gebieden bedraagt circa 2.000 meter. Dit betreft het Natura 2000-gebied 'Westerschelde & Saeftinghe'. Het plangebied bestaat niet uit een gebied behorend bij het Natuurnetwerk Zeeland (NNZ), zie figuur 2.3. De meest dichtstbijzijnde gebieden die deel uitmaken van het NNZ, liggen aan de noordzijde van het plangebied. Dit betreffen de NNZ gebieden 'dijken binnendijk nieuw' en 'Lovenpolder'.
5/13
Figuur 2.2 Projectgebied en ligging Natura 2000 gebied (Bron: Provincie Zeeland)
Figuur 2.3 Projectgebied (rode omkadering) en NNN. (fryslan.nl)
6/13
Archeologie Voor vrijwel het hele plangebied is ook de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie - 2' van toepassing. Als beleidskader geldt het interimbeleid archeologie 'De onderste steen boven?!' en de cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Terneuzen. Toetsing aan de vrijstellingenkaart archeologie laat zien dat het plangebied onderdeel is van het gebied waar een vrijstellingsdiepte geldt tot 0,5 meter en waar bouwwerken niet groter mogen zijn dan 500m2. Cultuurhistorie De cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Terneuzen bestaat uit drie kaartbladen: 'behoud', 'behoud door ontwikkeling' en 'Vernieuwing mogelijk' . Voor het beoogde ontwikkeling zijn de kaartbladen 'behoud' en 'behoud door ontwikkeling' van belang, zie figuur 2.4. Voor het plangebied geldt de strategie 'Behouden'.
Figuur 2.4 Cultuurhistorische waardenkaart gemeente Terneuzen - kaartblad 'Behoud'
De kaart 'Cultuurhistorische Hoofdstructuur Zeeland' toont waar cultuurhistorische waardevolle aspecten van het landschap gevonden kunnen worden. Binnen het plangebied, aan de Lovenweg, bevindt zich een historisch boerderij die ook is aangeduid als MIP object. Deze historische boerderij wordt gesloopt.
2.2
Huidige situatie
Het geldende bestemmingsplan 'Buitengebied' is vastgesteld op 25 juni 2013 door de gemeenteraad van Terneuzen. In dit bestemmingsplan geldt voor het plangebied de enkelbestemming 'Agrarisch met waarden - Coulisselandschap en Microrelief' (zie figuur 2.5). Voor vrijwel het hele plangebied is ook de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie - 2' van toepassing. Door het plangebied loopt een waterleiding waarvoor de dubbelbestemming 'Leiding - Water - Waterleiding' is opgenomen. Ten slotte ligt over het plangebied de gebiedsaanduiding 'geluidzone - industrie - 1'.
7/13
Figuur 2.5 Uitsnede Bestemmingsplan 'Buitengebied' (www.ruimtelijkeplannen.nl)
2.3
Cumulatie
Voor zover bekend zijn er redelijkerwijs geen te verwachten toekomstige ontwikkelingen in de buurt waarmee cumulatie verwacht kan worden.
2.4
Kenmerken van het project
Boscompensatie fase 1a Ravago heeft een herplantplicht voor 4,5 hectare (fase 1a) op grond van de Wet natuurbescherming moet de herplant binnen 3 jaar na kap van de bomen zijn gerealiseerd. Deze termijn is om diverse redenen inmiddels verstreken. De boscompensatie voor Ravago wordt in combinatie met de opgave van Stedin (fase 1b) in het najaar van 2023 uitgevoerd. In figuur 2.3 is aangegeven waar de boscompensatie ten behoeve van de ontwikkeling van Ravago is voorzien.
8/13
Figuur 2.6 Boscompensatie fase 1a
Boscompensatie fase 1b De boscompensatie voor Ravago wordt in combinatie met de opgave van Stedin (fase 1b) als eerste uitgevoerd. Stedin heeft een herplantplicht van 0,8 hectare. Deze boscompensatie moet voor maart 2025 worden uitgevoerd. De opgave wordt aan de zuidzijde van de bestaande watergang gerealiseerd (zie figuur 2.7) aanvullend op fase 1a. Overig plangebied De overige gronden blijven voorlopig nog in agrarisch gebruik. Er zijn plannen om op het huidige terrein van Dow een fabriek uit te breiden. Hiervoor moet ongeveer 2 hectare bomen worden gerooid. De herplant van deze bomen is op termijn ook voorzien in de Lovenpolder. De invulling van deze herplantopgave is nog niet concreet en omdat de bomen op het terrein van Dow nog niet zijn gerooid, geldt er nog geen deadline voor de herplant. Voorlopig blijven de overige gronden in het plangebied nog in agrarisch gebruik. Er is dan ook voor gekozen om de geldende agrarische bestemming op deze percelen te behouden. Om boscompensatie op termijn mogelijk te maken is de aanduiding 'bos' toegevoegd. Ter plaatse van de bestaande woning en schuur, die naar verwachting eind 2023 worden gesloopt, kan 0,3 hectare bos worden geplant in aansluiting op het bos dat in de eerste fase wordt gerealiseerd.
9/13
Figuur 2.7 Boscompensatie fase 1b
2.4.1 Verkeer en parkeren Ontsluiting Het plangebied wordt ontsloten via de Lovenweg en de Lovenpolderstraat. Beide wegen zijn erftoegangswegen waar een maximum snelheid geldt van 60 km/uur. Ook fietsers en voetgangers maken gebruik van de erftoegangsweg, er is geen vrijliggend fietspad aanwezig. Via de Lovenweg en de Lovenpolderstraat kan de Herbert H. Dowweg bereikt worden. De Herbert H. Dowweg sluit aan de oostzijde aan op de rotondes van de N252 van/naar de N62 richting Westerscheldetunnel/Goes en Sluiskil/Gent en de stad Terneuzen. Parkeren Er zijn in de gemeentelijke parkeernota geen normen opgenomen voor de beoogde ontwikkeling. Ten behoeve van onderhoud en beheer zal incidenteel iemand aanwezig zijn. Hiervoor wordt voldoende parkeergelegenheid op het terrein gerealiseerd.
10/13
3. KENMERKEN VAN DE MILIEUEFFECTEN 3.1
Verkeer en parkeren
De beperkte verkeersgeneratie zal afgewikkeld worden via de Lovenweg. In de gebruiksfase bestaat de verkeersgeneratie uitsluitend uit voertuigbewegingen in verband met onderhoud en beheer van het terrein. De verkeersbewegingen zullen opgaan in het huidige verkeersbeeld en hebben geen gevolgen voor de verkeersafwikkeling. Parkeren vindt plaats op eigen terrein. De zeer beperkte toename van de verkeersintensiteit als gevolg van de beoogde ontwikkeling zal geen gevolgen hebben voor de verkeersafwikkeling op de Lovenweg. Negatieve effecten als gevolg van de beoogde ontwikkeling kunnen zodoende worden uitgesloten.
3.2
Geluid
Er worden ten behoeve van de realisatie van de boscompensatie geen nieuwe wegen aangelegd of geluidgevoelige functies gerealiseerd. De Wet geluidhinder is dan ook niet van toepassing. Wanneer echter sprake is van een substantiële toename van de verkeersbewegingen op de wegen in de omgeving (met meer dan 20%) is het gewenst de effecten daarvan op omliggende geluidgevoelige bestemmingen te onderzoeken. Dit is niet het geval doordat er alleen bomen worden aangeplant. Daarom wordt geconcludeerd dat akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai niet nodig is. Het plangebied ligt in de geluidzone van het industrieterrein Terneuzen West, de geluidbelasting vanwege het industrieterrein hoeft daarom niet te worden onderzocht. Negatieve effecten als gevolg van de beoogde ontwikkeling kunnen zodoende worden uitgesloten.
3.3
Luchtkwaliteit
Vanwege de ontwikkeling is alleen sprake van verkeer voor beheer en onderhoud van het bos. Dit draagt niet in betekende mate bij aan de concentratie luchtverontreinigende stoffen. Nader onderzoek is niet noodzakelijk. Negatieve effecten als gevolg van de beoogde ontwikkeling kunnen zodoende worden uitgesloten.
3.4
Externe veiligheid
Het plangebied ligt ten zuiden van een aantal risicovolle bedrijven. Rond deze bedrijven is een veiligheidscontour vastgesteld. De contour ligt gedeeltelijk over het plangebied. Het is niet toegestaan om binnen deze contour nieuwe kwetsbare objecten toe te staan. Beperkt kwetsbare objecten kunnen in bepaalde gevallen wel worden toegestaan. Het bestemmingsplan voorziet in boscompensatie. De realisatie wordt niet aangemerkt als een kwetsbaar of beperkt kwetsbaar object. Het is dan ook toegestaan om de uitbreiding binnen de veiligheidscontour te realiseren. Het groepsrisico van de omliggende risicovolle bedrijven wijzigt niet. Negatieve effecten als gevolg van de beoogde ontwikkeling kunnen zodoende worden uitgesloten.
3.5
Bodem
Historisch bodemonderzoek Er is een historisch bodemonderzoek uitgevoerd naar het plangebied. Geadviseerd wordt om ter plaatse van de be-
bouwing een verkennend bodemonderzoek uit te voeren voordat er werkzaamheden plaatsvinden. In het plangebied is een gedempte poel aanwezig. Hier wordt geadviseerd om een zintuiglijk onderzoek uit te voeren om te bepalen of er bodemvreemde grond is toegepast. Verkennend bodemonderzoek
11/13
Het geadviseerd verkennend bodemonderzoek wordt momenteel uitgevoerd.
3.6
Water
De beoogde ontwikkeling voorziet in de ontwikkeling van boscompensatie. Door de sloop van een oude opstal ontstaat er minder verhard oppervlak. Het planvoornemen heeft dan ook geen negatieve effecten op watergerelateerde aspecten.
3.7
Ecologie
Gebiedsbescherming Er wordt geen ontwikkeling mogelijk gemaakt waarbij sprake is van stikstofdepositie. Gezien de aard en omvang van de ontwikkeling en de afstand tot natuurgebieden (zie paragraaf 2.1) kunnen ook verstoring en verandering van de waterhuishouding worden uitgesloten. De aanleg en het gebruik van het landinrichtingsproject hebben geen negatief effect op de natuurwaarden van de gebieden die zijn begrensd. Soortenbescherming Door Sweco is een verkennend onderzoek naar kansen voor de biodiversiteit uitgevoerd. Deze ecologische meerwaarde wordt alleen maar versterkt met het herplanten van bosplantsoen. Verder wordt zorgvuldig ingepast in het landschap en de natuur van Zeeuws-Vlaanderen. Daarnaast is een quickscan flora en fauna uitgevoerd. Dit rapport is als bijlage opgenomen bij de toelichting van het bestemmingsplan ‘Buitengebied, Lovenpolder Hoek (boscompensatie)’. Geconcludeerd wordt dat als gevolg van het planvoornemen geen kwaliteitsverlies, versnippering of stikstofdepositie plaatsvindt. Er is wel nader onderzoek nodig naar de aanwezigheid van vleermuizen en de huismus en naar verschillende akkerflora. Indien noodzakelijk worden mitigerende maatregelen getroffen en een ontheffing aangevraagd.
3.8
Cultuurhistorie en archeologie
Archeologie Door Artefact is een archeologisch bureauonderzoek en veldonderzoek uitgevoerd voor boscompensatie fase 1 (zie paragraaf 2.4) van het plangebied (Artefact, Archeologisch Bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek door middel van verkennende boringen fase 1, AR718, 31 augustus 2022). Dit rapport is als bijlage opgenomen bij de toelichting van het bestemmingsplan ‘Buitengebied, Lovenpolder Hoek (boscompensatie)’. Het onderzoek concludeert dat een overgroot deel van het onderzoeksgebied de verwachting op de aanwezigheid van archeologische resten hoog tot middelhoog wordt geacht. De beoogde ontwikkeling omvat de aanplant van bomen en struiken tot op dieptes van respectievelijk circa 0,40 m-mv en 0,20 – 0,30mv in plantgaten van circa 0,60 m breed. Deze activiteiten vallen binnen de vrijstellingsdiepte van 0,50 m. Mogelijk aanwezige archeologische waarden uit eerdere perioden dan de Nieuwe Tijd zijn aan te treffen op grotere diepten; deze worden niet bedreigd door de thans voorgenomen werkzaamheden. Op basis van dit concludeert het onderzoek dat er geen vervolgonderzoek nodig is voor de bosaanplant van fase 1. Cultuurhistorie Binnen het plangebied, aan de Lovenweg, bevindt zich een historisch boerderij die ook is aangeduid als MIP object. Deze historische boerderij wordt gesloopt.
Verder heeft de ontwikkeling geen invloed op deze cultuurhistorische waardevolle objecten.
12/13
4. CONCLUSIE Uit de informatie in deze notitie blijkt dat het plangebied niet is gelegen in kwetsbaar gebied en/of gebied met een beschermde status. Verder leiden de aard en omvang van het project niet tot belangrijke nadelige milieugevolgen. Het doorlopen van een volledige m.e.r.-procedure niet noodzakelijk.
13/13
Bijlage 3
47/252
Archeologisch onderzoek
ARTEFACT! RAPPORT 718
Hoek Lovenweg 4 Gemeente Terneuzen Archeologisch Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek door middel van verkennende boringen (Fase 1)
M. van den Berg J.E.M. Wattenberghe
ARTEFACT RAPPORT 718
HOEK LOVENWEG 4
Colofon Titel
Hoek Lovenweg 4. Gemeente Terneuzen. Archeologisch Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek door middel van verkennende boringen (Fase 1)
Auteur(s)
M. van den Berg MA en drs. J.E.M. Wattenberghe
Artefact rapport
AR718
Status rapport
Definitief Voorliggend rapport is beoordeeld en goedgekeurd door de bevoegde overheid.
Datum
13 februari 2023
Projectcode
2022ART44 / 2022ART93
Projectleider veldwerk
Drs. F.M.J. Delporte (Senior KNA Prospector)
Projectmedewerker(s)
Drs. S. Diependaele (KNA Prospector MA)
ISSN
2213 7424
Autorisatie
Naam
Drs. J.E.M. Wattenberghe (Senior KNA Prospector)
Artefact! Advies en Onderzoek in Erfgoed B.V. Riemensstraat 9 4543 BW Zaamslag T 0115 851614 E info@artefact-info.nl W www.artefact-info.nl
© Artefact! Advies en Onderzoek in Erfgoed B.V., 2023 Artefact! Advies en Onderzoek in Erfgoed aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit het gebruik van de resultaten van dit onderzoek of de toepassing van het hierin verwoorde advies. Alle figuren zijn vervaardigd door de auteur(s) tenzij anders vermeld.
2
ARTEFACT RAPPORT 718
HOEK LOVENWEG 4
Inhoud Samenvatting ............................................................................................................................................................. 4 Administratieve Gegevens .......................................................................................................................................... 6
1
Inleiding ........................................................................................................................... 8 1.1 Aanleiding van het onderzoek .....................................................................................................................8 1.2 Doel van het onderzoek en onderzoeksvragen ........................................................................................... 10 1.3 Wettelijk kader en beleid ........................................................................................................................... 11 1.4 Plangebied, onderzoeksgebied en planvorming ........................................................................................ 14
2
Archeologisch bureauonderzoek ....................................................................................... 16 2.1 Methoden .................................................................................................................................................. 16 2.2 Landschap en geologie .............................................................................................................................. 17 2.2.1
Landschappelijke ontwikkeling ..................................................................................................... 17
2.2.2
Aardkundige waarden .................................................................................................................. 23
2.3 Historie ...................................................................................................................................................... 30 2.3.1
Historisch-geografische ontwikkeling ........................................................................................... 30
2.3.2
Verstoringsgeschiedenis ...............................................................................................................45
2.4 Archeologische waarden ...........................................................................................................................46 2.5 Bouw- en cultuurhistorische waarden ........................................................................................................ 52 2.6 Archeologisch verwachtingsmodel ............................................................................................................ 55
3
Inventariserend veldonderzoek ........................................................................................ 60 3.1 Methoden ..................................................................................................................................................60 3.2 Geologie en bodem ................................................................................................................................... 61 3.3 Archeologie ............................................................................................................................................... 65 3.4 Aanvullende historische informatie ...........................................................................................................66
4
Conclusie en advies.......................................................................................................... 70 4.1 Conclusie: beantwoording onderzoeksvragen ........................................................................................... 70 4.2 Advies ....................................................................................................................................................... 74
Lijst met figuren ........................................................................................................................................................ 76 Bronnen ..................................................................................................................................................................... 78
Bijlage 1
AMZ-cyclus .......................................................................................................................................... 83
Bijlage 2
Verklarende woordenlijst en afkortingen ............................................................................................. 84
Bijlage 3
Tijdstabel .............................................................................................................................................85
Bijlage 4
Boorstaten ........................................................................................................................................... 87
3
ARTEFACT RAPPORT 718
HOEK LOVENWEG 4
Samenvatting Een initiatiefnemer heeft het voornemen om op het agrarische perceel aan de Lovenweg 4 te Hoek (gemeente Terneuzen) natuurontwikkeling te realiseren, in de vorm van wetlands en bos. In het kader van de hiertoe benodigde omgevingsvergunningen heeft Artefact! Advies en Onderzoek in Erfgoed in opdracht van Rho Adviseurs en Ravago Logistic Terneuzen een archeologisch vooronderzoek uitgevoerd. Hiertoe is een bureauonderzoek uitgevoerd, waarbij een gespecificeerd verwachtingsmodel werd opgesteld voor het plangebied. Dit model is vervolgens getoetst door het uitvoeren van een inventariserend veldonderzoek door middel van boringen (verkennende fase). Tijdens deze verkennende fase worden de landschappelijke vormeenheden bepaald met als doel kansarme zones uit te sluiten en kansrijke zones aan te duiden voor eventuele volgende vormen van onderzoek. Het onderzoeksgebied voor het booronderzoek betreft in eerste instantie een gedeelte van het plangebied, aangeduid als Fase 1. Hier vangen op korte termijn de eerste werkzaamheden aan, in de vorm van het aanplanten van bomen. Aan Fase 1 is naderhand nog een uitbreidingsgebied toegevoegd waarvoor voorliggend advies ook geldt; dit wordt toegelicht in hoofdstuk 1.4. Fase 2 van het booronderzoek zal op een later tijdstip worden uitgevoerd en apart worden gerapporteerd.
Fase 3 omvat de sloop van de bebouwing aan de Lovenweg 4, waarna ook hier bos wordt aangeplant. Ook voor deze fase wordt in voorliggend rapport al een advies uitgebracht. Op basis van de resultaten van voorliggend onderzoek kan gesteld worden dat: ⎯ In het grootste deel van het onderzoeksgebied intact dekzand aanwezig is. In één boring is op het dekzand een kleine hoeveelheid verbrand materiaal aangetroffen. Dit kan een aanwijzing zijn voor een vindplaats; ⎯ In het grootste deel van het onderzoeksgebied intact en veraard veen aanwezig is; ⎯ Geen aanwijzingen zijn gezien voor een intact middeleeuws niveau; ⎯ In delen van het onderzoeksgebied mogelijke cultuurlagen en een mogelijk grondspoor uit de Nieuwe Tijd aanwezig zijn; ⎯ De te slopen woning en het erf van Lovenweg 4 waarschijnlijk dateren uit de Midden (of wellicht Vroege) Nieuwe Tijd; ⎯ Op basis van dit alles in het hele onderzoeksgebied een middelhoge verwachting geldt voor het Paleolithicum (in paleosols in het dekzand, op onbekende diepte), en in delen van het onderzoeksgebied hoge of middelhoge verwachtingen voor respectievelijk Mesolithicum-Vroeg-Neolithicum, Midden-NeolithicumMidden-IJzertijd, Late IJzertijd-Romeinse tijd en de Nieuwe Tijd; ⎯ Mogelijk aanwezige archeologische waarden uit de Nieuwe Tijd plaatselijk en deels kunnen worden aangesneden bij het graven van plantgaten voor de bomen, maar dat de impact
hiervan, zowel wat betreft diepte als wat betreft oppervlakte, minimaal en aanvaardbaar wordt geacht; ⎯ Mogelijk aanwezige archeologische waarden uit alle vroegere perioden niet zullen worden aangesneden tijdens de voorgenomen werkzaamheden. Omdat de impact van de voorgenomen werkzaamheden op eventuele archeologische waarden minimaal en aanvaardbaar wordt geacht (zie toelichting in hoofdstuk 4), en omdat de werkzaamheden plaatsvinden binnen de vigerende vrijstellingsdiepte van 0,50 m -mv, wordt ten aanzien van Fase 1, waaronder ook het uitbreidingsgebied, geen vervolgonderzoek geadviseerd ten aanzien van de thans voorgenomen werkzaamheden. Ten aanzien van Fase 3 wordt op basis van voorliggend onderzoek geadviseerd de sloop van de huidige woning enkel bovengronds uit te voeren, zodat ondergrondse structuren in situ behouden kunnen blijven. Indien de sloop dieper zal plaatsvinden dan de vigerende vrijstellingsdiepte van 0,50 m -mv, wordt geadviseerd de ondergrondse sloop van de woning archeologisch te begeleiden (Opgraven – variant Archeologische Begeleiding) om te voorkomen dat ondergrondse structuren en een fasering ongezien verloren gaan. Dit advies en de doelen van dergelijk vervolgonderzoek worden nader toegelicht in hoofdstuk 4. Ten aanzien van de bovengrondse sloop wordt geadviseerd een cultuurhistorisch onderzoek te overwegen. 4
ARTEFACT RAPPORT 718
HOEK LOVENWEG 4
Tot slot dient opgemerkt dat in die delen waar geen vervolgonderzoek is geadviseerd, toch relevante archeologische vindplaatsen in de bodem verborgen kunnen zijn, die in de uitvoeringsfase van de toekomstige graafwerkzaamheden aan het licht komen. Voor dergelijke vondsten bestaat een wettelijke meldingsplicht op grond van artikel 5.10 van de Erfgoedwet (2016).
5
ARTEFACT RAPPORT 718
HOEK LOVENWEG 4
Administratieve Gegevens Projectnaam
Hoek Lovenweg 4
Onderzoeksvorm
Archeologisch Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek door middel van verkennende boringen (Fase 1)
LOCATIE Provincie
Zeeland
Gemeente
Terneuzen
Plaats
Hoek
Adres / Locatie
Lovenweg 4
Hoekpunten coördinaten RD
N 42.098 / 372.706 O 42.552 / 372.451 Z 42.188 / 372.182 W 42.020 / 372.648
Centrum coördinaat RD
42.265 / 372.466
Kaartblad
67E
Kadastraal perceel
Gemeente Terneuzen, Sectie U, Perceel 1496
Oppervlakte plangebied
161.454 m2
Oppervlakte onderzoeksgebied Fase 1 Vigerend bestemmingsplan
53.260 m2 Buitengebied (2013); enkelbestemming Agrarisch met waarden – Coulisselandschap en Microreliëf; dubbelbestemming Waarde Archeologie 2
BEKENDE WAARDEN Gemeentelijke vindplaats
Geen
AMK status
Geen
Archis vondstlocatie
Geen
Zeeuws Archeologisch Depot
Geen (mail helpdesk ZAD d.d. 7 juli 2022)
OPDRACHTGEVER BUREAUONDERZOEK Naam
Rho Adviseurs voor leefruimte
Contactpersoon
Mevr. H. Wenting
Adres
Segeerssingel 6, 4337 LG Middelburg
Telefoon
0118 689045
hetty.wenting@rho.nl
OPDRACHTGEVER BOORONDERZOEK Naam
Ravago Logistic Terneuzen
Contactpersoon
Dhr. B. Smet
Adres
Herbert H. Dowweg 13, 4542 NM Hoek
Telefoon
06 52018960 / 0115 788 240
Bart.Smet@ravago.com
6
ARTEFACT RAPPORT 718
HOEK LOVENWEG 4
BEVOEGDE OVERHEID Naam
Gemeente Terneuzen
Contactpersoon
Mevr. S. Vierbergen
Adres
Postbus 35, 4530 AA Terneuzen
Telefoon
14 0115 / 06 13904024
s.vierbergen@terneuzen.nl
TOETSING NAMENS BEVOEGDE OVERHEID Naam
Gemeente Terneuzen
Contactpersoon
Mevr. M. Burger
Adres
Postbus 35, 4530 AA Terneuzen
Telefoon
06-40985677
m.burger@terneuzen.nl
BEHEER EN PLAATS DOCUMENTATIE EN VONDSTEN Naam
Zeeuws Archeologisch Depot
Contactpersoon
dhr. J.J. H. van den Berg
Adres Telefoon
Looierssingel 2, 4331 NK Middelburg Postbus 49, 4330 AA Middelburg 0118 670618
jjh.vanden.berg@erfgoedzeeland.nl
E-depot
EDNA (E-Depot Nederlandse archeologie via www.easy.dans.knaw.nl)
UITVOERDER Naam
Artefact! Advies en Onderzoek in Erfgoed.
Contactpersoon
dhr. J.E.M. Wattenberghe
Adres
Riemensstraat 9, 4543 BW Zaamslag
Telefoon
0115 851614
janwattenberghe@artefact-info.nl
Certificaat
ARC-010/3 - BRL4000 SIKB: protocollen 4002, 4003 en 4004
ONDERZOEKSGEGEVENS Planologische aanleiding
Omgevingsvergunningen
Begin/einddatum veldwerk
16 – 18 augustus 2022
Projectnummer Artefact
2022ART44 / 2022ART93
Archis onderzoeksmelding
5274731100
Vindplaats(en)
-
7
ARTEFACT RAPPORT 718
1
Inleiding
1.1
Aanleiding van het onderzoek
HOEK LOVENWEG 4
In opdracht van Rho Adviseurs en Ravago Logistic Terneuzen heeft Artefact! Advies en Onderzoek in Erfgoed een archeologisch bureauonderzoek en een inventariserend veldonderzoek door middel van verkennende boringen uitgevoerd binnen een plangebied aan de Lovenweg 4 te Hoek (gemeente Terneuzen; figuren 1 en 2). De aanleiding tot het onderzoek is het voornemen van de initiatiefnemer om op het agrarische perceel aan de Lovenweg 4 natuurontwikkeling te realiseren, in de vorm van wetlands en bos. Het plangebied omvat één perceel, dat kadastraal bekendstaat onder Gemeente Terneuzen, Sectie U, Perceel 1496 en beslaat een oppervlakte van 161.454 m2.