2022-11-30 - Bijlage 3 Bijlagen bij toelichting geanon.
Tekst van het document
Verwacht wordt echter dat ook heiwerkzaamheden noodzakelijk zijn (paragraaf 1.4), waardoor voor het hele plangebied onderzoeksplicht geldt. De voorgenomen inrichting past niet binnen het bestaande bestemmingsplan. In het kader van de bestemmingsplanwijziging dient een archeologisch onderzoeksrapport te worden voorgelegd.
Figuur 3 Ligging van het plangebied (in zwart) op de Vrijstellingenkaart Gemeente Terneuzen 2017. Bron: De Visser & De Weerd 2017; Esri Nederland, Community Map Contributors 2020.
8
De Visser & De Weerd 2017: bijlage 3.
13
ARTEFACT RAPPORT 649
1.4
HOEK HERBERT H. DOWWEG
Plangebied en planvorming
Het plangebied ligt aan de Herbert H. Dowweg in Hoek (gemeente Terneuzen) en maakt deel uit van het Dow-terrein, gelegen in de Nieuw Neuzenpolder, ten noorden van het dorp Hoek en ten westen van de stad Terneuzen. Het plangebied heeft een totale oppervlakte van 7.847 m2 en beslaat (delen van) twee aan elkaar grenzende bomenrijke percelen, die kadastraal bekend staan onder Gemeente Terneuzen, Sectie A, Perceel 1064 en 706 (figuur 4). Ten westen, noorden en oosten wordt het plangebied begrensd door andere percelen van het Dow-terrein. Ten zuiden wordt het plangebied begrensd door de Herbert H. Dowweg. Deze weg loopt enkele meters ten noorden van (en parallel aan) de oudere Lovenweg. Enkele honderden meters ten zuidoosten van het plangebied bevinden zich de buurtschappen Hoogedijk en Boerengat. De initiatiefnemer wil binnen het plangebied een bestaand transformatorstation langs de Herbert H. Dowweg uitbreiden. Hierbij zullen een onderstation, transformatoropstelling, centraal dienstengebouw, ondergronds kabeltracé en een verharde weg worden gerealiseerd (bijlage 4). Dit zal gefaseerd gebeuren (zie bijlage 4 voor faseringstekening). Vooraf zullen vrijwel alle bomen worden gekapt en zal het terrein circa 0,80 m worden opgehoogd zodat het op dezelfde hoogte komt te liggen als het omringende terrein. De maaiveldhoogte zal na ophogen 2,10 m+NAP bedragen.
In bijlage 4 wordt de beoogde eindsituatie en dus de complete inrichtingstekening van het gebied afgebeeld. Daarbij worden ook de plattegronden, doorsneden en palenplannen van de gebouwen uit fase 1 weergegeven.9 Hierbij worden ook de voorziene ontgravingsdiepten ten opzichte van het bouwpeil aangeduid. Het bouwpeil ligt 0,20 m boven het toekomstige maaiveld dus op 2,30 m+NAP. Op de doorsneden in bijlage 4 worden de maten weergegeven ten opzichte van het bouwpeil. Omgerekende bedragen de voorziene maximale ontgravingsdiepten beneden (het met 0,80 m opgehoogde) maaiveld dus: voor de aanleg van een weg: 0,50 m -mv of 1,80 m+NAP voor de aanleg van kabels: 1,20 tot 2,50 m -mv of 1,10 m+NAP tot 0,20 m-NAP voor het centraal dienstengebouw: 1,20 m -mv of 1,10 m+NAP voor de transformatorcellen: 1,60 m -mv of 0,70 m+NAP voor de onderstations: 2,80 m -mv of 0,50 m-NAP Dit betekent dat alle ontgravingen zijn voorzien binnen de vigerende vrijstellingsdiepte zoals opgenomen in de beheersverordening. Daarnaast zullen de gebouwen (de onderstations, de transformatorcellen en het centraal dienstengebouw, in totaal circa 1670 m2) worden gefundeerd op palen. Hierbij wordt gebruik gemaakt van grondverdringende geschroefde stalen buispalen, die zullen worden opgevuld met een betonmengsel. De benodigde dikte bedraagt 324 mm. De dichtheid en de hoeveelheid palen verschilt per gebouwtype.
Ten tijde van het opstellen van voorliggend rapport waren alleen de palenplannen van de gebouwen uit fase 1 beschikbaar10: de transformatorcel: voor dit gebouw, met een oppervlakte van 232 m2 (8,6 x 27 m), zijn 68 palen voorzien. Dit betekent dat de palen hier gezamenlijk 5,57 m2 innemen (0,082 m² per paal), oftewel 2,4 procent van het totale oppervlak van het betreffende gebouw het onderstation (of schakelhal): voor dit gebouw, met een oppervlakte van bijna 268 m2 (10,5 x 25,5 m) zijn 58 palen voorzien. Dit betekent dat de palen hier gezamenlijk 4,75 m2 innemen (0,082 m² per paal), oftewel 1,8 procent van het totale oppervlak van het betreffende gebouw. Het palenplan van het centrale dienstgebouw is nog niet bekend maar dit vereist een aanzienlijk minder zwaar palenplan. 9
Deze inrichtingsdetails zijn voor fase 2, 3 en 4 nog niet bekend maar zullen vergelijkbaar zijn. 14 Het palenplan is nog niet definitief (de paallengte moet nog worden bepaald maar dat heeft verder geen invloed op de archeologische waarden) 10
ARTEFACT RAPPORT 649
HOEK HERBERT H. DOWWEG
De palen zijn niet gelijkmatig over de betreffende gebouwoppervlakken verdeeld, maar zullen dichter opeen staan waar de zwaarste druk wordt uitgeoefend: de transformatorcel: onder het centrale deel staan de palen in een verspringend grid van 2,40 bij 0,80 meter, daaromheen staan de palen 1,80 tot 3,50 meter uit elkaar (hart op hart) het onderstation (of schakelhal): centraal onder het gebouw staan de palen in een grid van 2,40 bij 2,10 meter. Op de buitenrand daaromheen staan de palen 2,75 tot 4,17 meter uit elkaar (hart op hart) Het palenplan van het centrale dienstgebouw is nog niet bekend maar de tussenafstanden zullen groter zijn dan de waarden zoals hierboven genoemd.
Figuur 4 Projectie van het plangebied op een uitsnede van de luchtfoto (2020). Bron: Esri Nederland, Beeldmateriaal.nl.
15
ARTEFACT RAPPORT 649
2
Archeologisch bureauonderzoek
2.1
Methoden
HOEK HERBERT H. DOWWEG
Het voorliggend hoofdstuk omvat de resultaten van het archeologisch bureauonderzoek. Het onderzoek is uitgevoerd conform protocol 4002 van de KNA 4.1 en de Regeling aanvullende richtlijnen voor archeologisch onderzoek in de provincie Zeeland 2019.11 Hierbij werden de volgende processtappen doorlopen: Processtap
Specificatie
Hoofdstuk
Afbakenen plan/onderzoeksgebied; vaststellen consequenties toekomstig gebruik
LS01
1.4
Vermelden (en toepassen) overheidsbeleid
LS01
1.3
Beschrijven huidig gebruik
LS02
1.4
Beschrijven historische situatie
LS03
2.3.1
Beschrijven mogelijke verstoringen
LS03
2.3.2
Beschrijven mogelijke aanwezigheid bouwhistorische waarden ondergrond
LS02-03-04
2.5
Beschrijven bekende aardwetenschappelijke kenmerken
LS04
2.2.2
Beschrijven bekende archeologische kenmerken
LS04
2.4
Opstellen gespecificeerde verwachting
LS05
2.6
Tijdens het uitvoeren van de bovengenoemde processtappen werd een groot aantal bronnen van diverse aard geraadpleegd. Deze worden hieronder benoemd en in het bronnenoverzicht nader gespecificeerd. (Landelijke en regionale) bodem-, geologische en geomorfologische (overzichts)kaarten Paleogeografische kaarten Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) (Specialistische) literatuur Rapporten van eerder uitgevoerd archeologisch en cultuurhistorisch onderzoek Inrichtingsplannen en conditionerende onderzoeksrapporten: milieu, ecologie, niet-gesprongen explosieven Lucht- en satellietfoto’s Kaartmateriaal: topografische (militaire) kaarten, oud(st)e kadasterkaarten, oude en/of historische kaarten Gemeentelijk en/of provinciaal archief Archeologische Monumenten Kaart (AMK) Het Archeologisch Informatie Systeem (Archis) Centraal Monumenten Archief (CMA) en Centraal Archeologisch Archief (CAA) werden niet geraadpleegd omdat deze oude papieren archieven na de introductie door de ROB werden ingevoerd in Archis Cultuurhistorie: gemeentelijke waardenkaart en/of de provinciale Cultuurhistorische Hoofdstructuur (CHS) Data en Informatie van de Nederlandse Ondergrond (DINO) Gemeentelijke verwachtings- en beleidskaarten Indicatieve Kaart Archeologische Waarden (IKAW), maar enkel indien geen meer gedetailleerde regionale kaarten beschikbaar zijn Provinciaal depot:
archief van het Zeeuws Archeologisch Depot (ZAD)
11 Provinciaal Blad van Zeeland nr. 8080, 12 december 2019.
16
ARTEFACT RAPPORT 649
2.2
Landschap en geologie
2.2.1
Landschappelijke ontwikkeling12
HOEK HERBERT H. DOWWEG
Zeeland maakt deel uit van het zuidwestelijk zeekleigebied, een sterk gestapeld landschap bestaande uit eolische afzettingen, mariene sedimenten en sedentaat (veen). Zeeuws-Vlaanderen, waaronder het plangebied valt, vormt een vrij complex geologisch geheel. Enerzijds hebben holocene afzettingen met verschillende sedimentatiefasen zich ingesneden in het oudere landschap, anderzijds vormen zij een afdekkende laag waaronder het vroeg-holocene en pleistocene landschap nog intact bewaard kan zijn. Daartussen lopen dekzandruggen als landschappelijk relict uit de laatste ijstijd. Omdat de locatiekeuze van bewoning en nederzettingspatronen voor een groot deel worden bepaald door de mogelijkheden die het natuurlijke landschap daartoe bood, is het zinvol de landschappelijke ontwikkeling gedurende de laatste fase van het Pleistoceen en het Holoceen in beeld te krijgen. De landschappelijke evolutie van het Zeeuwse kustgebied kan worden geschetst aan de hand van de paleogeografische kaarten die door Vos en De Vries zijn gepubliceerd.13 Paleogeografische kaarten zijn ontwikkeld door de analyse van grote hoeveelheden bodemdata en bieden aan de hand van momentopnamen inzicht in het waarschijnlijke landschapsbeeld. De veranderende landschappelijke omgeving gedurende de laatste 12.000 jaar, en de globale ligging van het plangebied, wordt afgebeeld op figuur 5.
De geologische basis ter plaatse van het plangebied wordt gevormd door tertiaire stugge Boomse klei, behorende tot de Rupel Formatie, afgezet tussen 33,7 en 23,8 miljoen jaar geleden. Boven de Rupel Formatie liggen afzettingen van fluviatiele oorsprong, die tot de Formatie van Koewacht worden gerekend. De afzettingen van de Formatie van Koewacht worden gerelateerd aan de bedding van de Schelde, die hier gedurende het Vroeg-Pleniglaciaal of VroegGlaciaal haar stroomgebied heeft gehad. Deze bedding bestond uit een breed stroomgebied waarbinnen de rivier zich verspreidde in een vlechtwerk van smalle geulen. De afzettingen bestaan uit een pakket matig fijn tot grof zand, soms met laagjes herwerkte glauconietzanden of laagjes met meer silthoudend materiaal. Deze zanden bevatten ook geremanieerde schelpresten en grind (afgeronde vuursteen, afgeronde fosforietknollen, kalksteen en fijne kwarts). Tijdens geoarcheologisch booronderzoek binnen het projectgebied Nieuwe Sluis Terneuzen is hierin ook een geremanieerd versteend walvisbot en een stukje bot van onbekende oorsprong aangetroffen.14 Bovenop de afzettingen van de Formatie van Koewacht worden afzettingen van de Formatie van Boxtel aangetroffen. Deze dateren uit het Dryas-stadiaal, een van de koude fasen uit het Laat-Glaciaal van het Weichselien.
Onderin dit pakket, op de grens met de afzettingen van de Formatie van Koewacht, is een laminatie van organische en anorganische lagen waarneembaar. Dit betreft eveneens Scheldeafzettingen. De grens tussen de Formatie van Boxtel en de Formatie van Koewacht is daardoor vaak erg complex en moeilijk waarneembaar. In het eerder genoemde onderzoek in het projectgebied Nieuwe Sluis Terneuzen kon toch een onderscheid worden gemaakt tussen de verschillende pakketten die de Formatie van Boxtel vormen. Ten eerste betreft het onderin fijne Scheldeafzettingen (Laagpakket van Singraven, Formatie van Boxtel), die in het Vroeg Pleniglaciaal en Vroeg Glaciaal zijn ontstaan in het meanderende riviersysteem. Ten tweede betreft het hierboven Schelderestgeulafzettingen (Laagpakket van Singraven, Formatie van Boxtel), die zich tussen 45.000 en 35.000 jaar geleden hebben afgezet in de restgeul van de Schelde. Ten derde betreft het dekzandafzettingen (Laagpakket van Wierden, Formatie van Boxtel) die tussen circa 16.000 en 10.000 jaar geleden onder eolische invloed zijn afgezet vanuit het droogliggende Noordzeebekken. Dit dekzand bestaat uit fijnzandige afzettingen met ingeschakelde leemlagen en een aantal gyttja- en venige gyttjalaagjes.15 Vooral in de laat-pleistocene fase van deze formatie is een opbouw van verschillende vegetatieniveaus (paleosols) waarneembaar.
In Zeeland kunnen deze laat-pleistocene venige lagen in het dekzand veelal gerelateerd worden aan het Allerød-interstadiaal: de warmere periode tussen het Oude Dryas en het Jonge Dryas. Recent onderzoek van een venige paleosol bij Heikant, circa 20 km ten zuidoosten van het plangebied, wijst uit dat die 12 Voorliggende paragraaf is voor een groot deel gebaseerd op, en deels overgenomen uit, eerdere bureauonderzoeken die
Artefact heeft uitgevoerd naar onderzoeksgebieden op en nabij het Dow-terrein (o.a. Delporte & D’hondt 2018; Delporte 2020). 13 Vos & De Vries 2013. 14 Vos et al. 2015. 15 Van Rummelen 1977a: 12.
17
ARTEFACT RAPPORT 649
HOEK HERBERT H. DOWWEG
veenlaag een ouderdom heeft die overeenkomt met het midden van het Allerød-interstadiaal, overeenkomend met de vorming van de laag van Usselo van laat-paleolithische ouderdom. De uitkomsten van de dateringen van de veenlaag zijn 11.120 +/- 50 BP (GrA 49518) voor de top en 11.650 +/- 50 BP ( GrA 49506) voor de basis. De 14C-dateringen zijn gekalibreerd naar kalenderjaren voor heden (cal BP). De veenlaag heeft zich ontwikkeld tussen circa 13.000 en 13.500 jaar geleden.16 Bij het onderzoek ter plaatse van het projectgebied Nieuwe Sluis Terneuzen zijn de verschillende niveaus die de Formatie van Boxtel vormen, aangetroffen op een diepte tussen circa 10 en 17 m -NAP (Scheldeafzettingen), tussen circa 3 en 12 m -NAP (Schelderestgeul-afzettingen) en tussen circa 2 en 5 m -NAP (met een maximaal reliëf van circa 2 m; Laagpakket van Wierden). De dikte van het Laagpakket van Wierden was hierbij slechts 0,5 tot 1 m. 17 Het onderscheid tussen de Scheldeafzettingen en het Laagpakket van Wierden wordt in DINO-ondergrondmodellen niet gemaakt. Volgens die modellen komen binnen het onderhavige plangebied afzettingen van de Formatie van Boxtel voor tot een diepte van 19,50 m -mv/ 17,75 m -NAP. Het ondergrondmodel geeft geen informatie over eventuele paleosols (vegetatieniveaus) binnen de Formatie van Boxtel.
Het pleistocene dekzandlandschap (Laagpakket van Wierden) vertoont verschillende welvingen, waarvan de voornaamste de zogenaamde Grote Dekzandrug is. Deze is ontstaan tussen Maldegem en Stekene (Oost-Vlaanderen, België), waar de eolische zanden werden tegengehouden door hoger gelegen tertiaire klei. Zo kon zich een uitgestrekte, brede dekzandrug vormen. Deze duikt op ter hoogte van Gistel (West-Vlaanderen, België) en is met korte onderbrekingen van Maldegem tot Stekene (Oost-Vlaanderen, België) in de ondergrond aanwezig. Vanaf Stekene buigt de rug meer naar het noorden af, over Hulst en Saaftinge tot bij Rilland (dit deel wordt ook de Rillandrug genoemd). De zogenaamde Rillandrug verhinderde dat de toenmalige Scheldeloop een westelijke richting kon nemen. Bij het onderzoek onmiddellijk ten noorden van het Herbert H. Dowweg en ten oosten van de Westerscheldetunnelweg is de intacte top van de Formatie van Boxtel aangetroffen op een diepte van circa 2,74 meter -NAP, al is in dezelfde zone ook erosie van dit niveau vastgesteld.18 Bij onderzoek ten zuiden van de Herbert H.
Dowweg in 2016 werd de bovenzijde van de Formatie van Boxtel aangetroffen op een diepte van circa 2,4 m –NAP.19 Bij onderzoek ten oosten van het huidige plangebied lag dit niveau op een diepte tussen 3,75 en 4,80 m –NAP.20 Bij onderzoek ten westen van het plangebied was dit niveau intact aanwezig op dieptes vanaf 2,17 m -NAP.21 Na afloop van de laatste ijstijd (en het einde van het Pleistoceen) werd het klimaat warmer en begon het Holoceen. Door het afsmelten van de ijskap ten gevolge van de toegenomen temperatuur, begon de zeespiegel vanaf het LaatAtlanticum sterk te stijgen. De sterke stuwing van het grondwater veroorzaakte op vele plaatsen langs het westelijke kustgebied een sterke veengroei (Basisveen Laagpakket; Formatie van Nieuwkoop). Tijdens het holoceen maximum ontstonden vervolgens mariene afzettingen van het Laagpakket van Wormer (Formatie van Naaldwijk). Op dat ogenblik was de gemiddelde temperatuur het hoogst en bevond ook de zeespiegel zich op een maximum. Er ontstond in grote delen van Zeeland een getijdenlandschap, doorsneden door brede geulen. In deze geulen werden oudere holocene en pleistocene afzettingen opgeruimd. Andere delen raakten bedekt met dikke lagen marien sediment.22 In grote delen van Zeeuws-Vlaanderen is de invloed van de Formatie van Naaldwijk echter beperkt gebleven.
Enkel lager gelegen delen in het uiterste westen van Zeeuws-Vlaanderen en noordelijke delen van Oost-Zeeuws-Vlaanderen zijn overstroomd door de zee. In de omgeving van het huidige plangebied hebben zich geen mariene sedimenten afgezet gedurende deze periode.
16 Hoek 2014: 16.
17 Vos et al. 2015. 18 Delporte & Wattenberghe 2016. 19 Delporte 2017.
20 Delporte & D’hondt 2018. 21 Delporte 2020.
22 Vos & Van Heeringen 1997: 53.
18
ARTEFACT RAPPORT 649
HOEK HERBERT H. DOWWEG
19
ARTEFACT RAPPORT 649
HOEK HERBERT H. DOWWEG
Figuur 5 Paleogeografische ontwikkeling Zeeland. Blauwe stip: ligging plangebied. Bron: Vos & De Vries 2013.
20
ARTEFACT RAPPORT 649
HOEK HERBERT H. DOWWEG
Na het holoceen maximum nam de invloed van de zee af en ontwikkelde zich opnieuw een veenlandschap, het zogenaamde Hollandveen Laagpakket (Formatie van Nieuwkoop). In de hoger gelegen delen van Zeeuws-Vlaanderen, waar de mariene afzettingen van het Laagpakket van Wormer geen invloed hadden, ontwikkelde het nieuwe veenpakket zich rechtstreeks op de dagzomende pleistocene dekzandafzettingen of op het reeds aanwezige Basisveen. Hierbij kan vaak geen onderscheid gemaakt worden tussen het Basisveen en het Hollandveen; soms lukt dit echter wel.23 Radiokoolstofdateringen dateren het begin van de veengroei in en rond het Terneuzen tussen circa 3627 en 2928 v. Chr.24 Deze gegevens kunnen in dit geval vrij specifiek worden gehanteerd, omdat het veen in 1962, bij de bouw van de derde sluis te Terneuzen, is onderzocht door Munaut. Ter plaatse van de ontgraving vond hij een oerbos van boomstronken en -stammen. Hij stelde hierbij onder meer vast dat op het dekzand een eikenbos aanwezig was, dat door de vernatting en de veengroei is verstikt. Dit wordt op basis van recent onderzoek ontkracht. De bomen zouden in en op het veen gegroeid hebben en niet rechtstreeks op het dekzand. 25 Ook het veen dat is aangetroffen bij de onderzoeken in het projectgebied Nieuwe Sluis Terneuzen 26 en ter plaatse van de kanaaltunnel te Sluiskil 27 is gedateerd en stamt eveneens uit het Midden-Neolithicum.
Het veen in het projectgebied Nieuwe Sluis Terneuzen heeft een datering tussen 3640 en 3381 v. Chr. 28 De datering van het veen uit het onderzoek ter plaatse van de Sluiskiltunnel is vroeger: hier is de aanvang van de veengroei gedateerd in 4500 v. Chr.29 Omstreeks 200 v. Chr. stopte de veengroei.30 Door een goede ontwatering ging het veen inklinken en ontstond erosie van het veenoppervlak. Dit proces werd bevorderd door de aanwezigheid van de zeearm de Honte, die zich vanaf de strandwal voor Knokke en Cadzand insneed richting het oosten. Deze getijdengeul ontwikkelde zich geleidelijk tot een zeegat dat de Schelde met de zee zou verbinden en uiteindelijk de Westerschelde zou vormen. Dateringen van de top van het veen doen vermoeden dat deze zeearm in de Late IJzertijd al tot bij Terneuzen moet zijn doorgedrongen.31 Daarnaast werden vooral in de Romeinse tijd ontwateringskanaaltjes aangelegd om de bewoningscondities te verbeteren. Gedurende een periode van enkele eeuwen was het veenlandschap hierdoor geschikt voor bewoning.
Bij onderzoeken in de omgeving van het plangebied werd intact of deels intact veen aangetroffen op dieptes tussen 0,76 en 1,98 m -NAP.32 De invloed van de zee nam in de 3de eeuw opnieuw toe, waardoor een getijdenlandschap ontstond.33 Dit proces werd in het laatste kwart van de 3de eeuw versneld door de teloorgang van de beperkte waterbouwkundige infrastructuur die was aangelegd in de Romeinse tijd. 34 Deze toegenomen mariene invloed, die vroeger omschreven werd als Duinkerke II-transgressies, wordt nu veeleer gezien als een rustig sedimentatie- en verlandingsproces, gespreid over verschillende eeuwen. 35 Deze vroegere Duinkerke II-afzettingen worden nu benoemd als Sluiskilafzettingen, behorende tot het Laagpakket van Walcheren (Formatie van Naaldwijk).36 De Sluiskilafzettingen bestaan ter plaatse van het nabijgelegen projectgebied Nieuwe Sluis Terneuzen enerzijds uit kwelderafzettingen van zware klei, die aan de basis vaak humeus zijn, en anderzijds uit sterk gelaagde geulafzettingen bestaande uit kleien met fijne zandlaagjes. Over het algemeen zijn de geulafzettingen schelploos, in de top bevinden 23 Zie Delporte & D’hondt 2018: 56-57. 24 Munaut 1967; Deforce 2011.
21
25 Zie Brijker et al. 2013: 110.
26 Bats et al. 2014; Vos et al. 2015.
27 Brijker et al. 2013: 51-53. 28 Vos et al. 2015.
29 Brijker et al. 2013: 86. 30 In het kader van het geoarcheologisch vooronderzoek in het projectgebied Nieuwe Sluis Terneuzen kon een geoxideerde top van
de veenlaag gedateerd worden in de Late Bronstijd. Dit betreft echter niet de laatste fase van veengroei; de bovenzijde van het veen was hier namelijk gedeeltelijk geoxideerd en deels geërodeerd. Vos et al. 2015. 31 De Kraker ed. 2002: 16. 32 Delporte 2017; Delporte 2020; Delporte & D’hondt 2018. 33 Sier 2003: 14; De Clercq & Van Dierendonck 2008; De Clercq 2009. 34 Lases & De Kraker 2009: 30. 35 Baeteman 2007. 36 Vos et al. 2008.
ARTEFACT RAPPORT 649
HOEK HERBERT H. DOWWEG
zich wel schelpen in leefstand. De ondergrens is veelal scherp (zowel voor de kwelder- als de geulafzettingen). Op basis van dateringen van kweldervegetatie uit de Sluiskilafzettingen kon de overstroming van het veen in het kader van het geoarcheologisch vooronderzoek in het projectgebied Nieuwe Sluis Terneuzen gedateerd worden in de periode na 200 n. Chr. en het meest waarschijnlijk in de periode tussen 200 en 225. Deze afzettingen komen daar voor vanaf een diepte van 1 tot 3 m -NAP. De plaatselijk aanwezige geulafzettingen hebben vaak de onderliggende horizonten (veen en pleistoceen zand) geërodeerd tot een diepte van ruim 10 m -NAP.37 De Sluiskilafzettingen zijn ontstaan in een systeem van kwelders en geulen en zorgden ervoor dat het plangebied en omgeving niet langer geschikt was voor bewoning. Net zoals in de eerdere nattere fasen hoeft dit echter niet te betekenen dat de mens gedurende deze periode volledig wegbleef uit dit gebied. Uit onderzoeken die zijn uitgevoerd in de omgeving van het plangebied, is gebleken dat deze Sluiskilafzettingen in de Vroege Middeleeuwen gingen verlanden en dat er bodemvorming plaatsvond. Hierdoor mag aangenomen worden dat omstreeks 1000 n. Chr.
deze afzettingen zijn gestopt.38 De toen afgesloten actieve mariene periode resulteerde onder andere in enkele grotere noord-zuid georiënteerde inbraakgeulen in dit deel van ZeeuwsVlaanderen, zoals de Blijde (van Terneuzen naar Axel), een voorloper van de Braakman.39 Het schorrengebied rond de kreken slibde langzaam op, waardoor de kwelders niet meer regelmatig overstroomden. Tijdens het onderzoek ten zuiden van de Herbert H. Dowweg in 2016 zijn geen Sluiskilafzettingen aangetroffen. 40 Deze zijn echter wel aangetroffen ten oosten en ten westen van het huidige plangebied. Ten oosten waren deze aanwezig op een hoogte tussen 0,31 en 2,13 m –NAP, deze afzettingen waren hier niet intact.41 Ten westen waren deze deels intact en werden ze aangetroffen tussen 0,16 en 1,37 m -NAP.42 Tussen het einde van de 10de en het einde van de 11de eeuw werden de getijdengeulen in de kustvlakte ingedijkt, wat uiteindelijk leidde tot de verhoging van het stormvloedniveau in het buitendijkse gebied.43 Bedijking zorgde er echter voor dat de Westerschelde zich kon ontwikkelen tot een brede getijdenstroom, wat er op zijn beurt voor zorgde dat het binnendijkse gebied gevoelig werd voor stormvloeden. De bekendste (maar lang niet de enige) zijn die van 1134, 1214, 1375, de Sint-Elisabethsvloeden van 1404 en 1421 en de grootschalige overstroming van 1530.
44 Deze stormvloeden, maar ook militaire inundaties die op grote schaal gedurende de Tachtigjarige Oorlog werden doorgevoerd, hadden als gevolg dat dit gebied weer sterk onder mariene invloed kwam te staan.45 Smalle en brede inbraakgeulen sneden zich hierdoor in dit landschap in; ook de lager gelegen delen werden overspoeld door het water (figuur 6). Tot ver landinwaarts werd hierdoor een dik pakket sediment afgezet, waardoor grote delen van het oude landschap bedekt raakten. Deze jongere afzettingen, ontstaan gedurende de laatste 1000 jaar, bestaan uit mariene zanden en kleien en worden benoemd als Westerscheldeafzettingen. De kwelderafzettingen die deel uitmaken van de Westerscheldeafzettingen, zijn binnen het plangebied Nieuwe Sluis Terneuzen aangetroffen op een diepte tussen circa 0 en 1 m –NAP, de in het noordwesten van het toenmalig plangebied gelegen grote getijdengeul (eveneens ten noorden van het huidige plangebied gelegen) heeft zich ingesneden tot een diepte van 20-30 m –NAP en heeft bijgevolg tot die diepte oudere afzettingen geërodeerd. 46 Tijdens het onderzoek ten zuiden van het huidige plangebied zijn zowel kom- als geulafzettingen aangetroffen.
Hier ligt de bovenzijde van deze afzettingen op een diepte tussen 0,28 en 0,49 m –NAP.47 Het onderzoek ten oosten van het huidige plangebied in 2018 heeft uitgewezen dat daar de Westerscheldeafzettingen grotendeels bestaan uit kwelderafzettingen met daarin en -tussen diep reikende geulbeddingen.48 Ten westen van het plangebied werden Westerscheldeafzettingen aangetroffen in de vorm van kwelderafzettingen, vanaf 1,24 m +NAP (en dieper).49
37 Vos et al. 2015
38 Vos et al. 2015. 39 Brand 1993 : 43.
40 Delporte 2017: 83.
41
Delporte & D’hondt 2018.
42 Delporte 2020. 43 Tys 2010: 91.
44
De Kraker 1997: 21; De Kraker red. 2002: 16.
45 Van Strydonck & De Mulder 2000: 109. 46 Vos et al. 2015.
47
Delporte 2017: 91-92. Delporte en D’hondt 2018: 61. 49 Delporte 2020. 48
22
ARTEFACT RAPPORT 649
HOEK HERBERT H. DOWWEG
Figuur 6 Kaart van Oost-Zeeuws-Vlaanderen met de verschillende inbraakgeulen ten gevolge van stormvloeden en militaire inundaties in de 16de eeuw. De rode ster markeert de ligging van het plangebied. Bron: De Kraker 1997: 213, naar Van Rummelen 1977a.
2.2.2
Aardkundige waarden
Geologie Op de Geologische Overzichtskaart van Nederland50 (niet afgebeeld) ligt het plangebied binnen een zone met code Na8, hetgeen betekent dat hier het Laagpakket van Walcheren aanwezig is op de Formatie van Nieuwkoop (zeeklei op veen). Op de fijnmaziger Geologische Kaart van Nederland51 (figuur 7) is te zien dat het plangebied deel uitmaakt van een zone met code F0.3b met witte ruitjes. Dit wil zeggen dat hier sprake is van afzettingen van Duinkerke IIIb op oudere afzettingen van Duinkerke (beide vallen volgens de nieuwe nomenclatuur onder het Laagpakket van Walcheren) op Hollandveen op Pleistoceen. Volgens de bijkaarten van de Geologische Kaart heeft het Hollandveen ter hoogte van het plangebied een dikte van 1 tot 1,5 m. Het pleistocene dekzand kan volgens de bijkaarten worden verwacht op een diepte van 2 tot 3 m -NAP.
50 TNO 2010, naar De Mulder et al. 2003. 51 Van Rummelen 1977a.
23
ARTEFACT RAPPORT 649
HOEK HERBERT H. DOWWEG
Figuur 7 Projectie van het plangebied (in rood) en situering van de dichtstbijzijnde DINO-boringen op uitsnede van de Geologische Kaart. Bron: Van Rummelen 1977a.
Data en Informatie van de Nederlandse Ondergrond (DINO)
Data en Informatie van de Nederlandse Ondergrond (DINO) zijn bruikbaar om de diepteligging van de verschillende geologische niveaus te achterhalen. Raadpleging van de ondergrondgegevens in het DINOloket52 leert dat binnen het plangebied geen boringen bekend zijn. In de onmiddellijke nabijheid van het plangebied zijn echter wel meerdere boringen verricht, namelijk ten noorden van de oostelijke helft van het plangebied. Het betreft acht boringen, die allemaal zijn verricht op afstanden tussen 0,80 en 15,00 m van de noordgrens van het plangebied. Lithostratigrafische eenheden zijn voor geen van deze boringen benoemd. Hieronder wordt de aangetroffen lithologie per boring kort besproken. Hierbij moet worden opgemerkt dat het maaiveld in dit gebied op circa 2,30 m +NAP ligt, oftewel ongeveer 1 m hoger dan in het plangebied. De nummers corresponderen met de nummering op onderstaande figuur.
52 www.dinoloket.nl, geraadpleegd op 28 september 2021.
24
ARTEFACT RAPPORT 649
HOEK HERBERT H. DOWWEG
Figuur 8 Projectie van het plangebied (in rood) en situering van de dichtstbijzijnde DINO-boringen op uitsnede van de Geologische Kaart. Bron: Van Rummelen 1977a.
In boring 1 (B54E2066) is uitsluitend zand aangeboord tot aan de einddiepte (2 m -mv/ 0,17 m +NAP). In boring 2 (B54E2065) is tot een diepte van 1,20 m -mv/ 0,90 m +NAP zand aangetroffen; hieronder bevinden zich kleilagen tot op een diepte van 3,50 m -mv/ 1,40 m -NAP. Hieronder is tot aan de einddiepte van 4,00 m mv/ 1,90 m -NAP veen aangeboord. In boring 3 (B54E2068) is tot aan de einddiepte van 2 m -mv/ 0,12 m +NAP een afwisseling van lagen zand en klei aangeboord. In boring 4 (B54E2071) is tot een diepte van 1,70 m -mv/ 0,44 m +NAP een pakket zand aangeboord. Hieronder bevindt zich tot aan de einddiepte van 2 m -mv/ 0,14 m +NAP klei. In boring 5 (B54E2070) is de situatie vergelijkbaar met die in boring 4 (zand op klei); alleen reikt het zand hier tot een diepte van 1,30 m -mv/ 0,81 m +NAP. In boring 6 (B54E2069) is de situatie vergelijkbaar met bovenstaande twee boringen (zand op klei); alleen reikt het zand hier tot een diepte van 2,00 m -mv/ 0,10 m +NAP en ligt de einddiepte op 3,00 m -mv/ 0,90 m -NAP. In boring 7 (B54E2067) is tot een diepte van 1,20 m -mv/ 0,87 m +NAP zand aangetroffen. Hieronder bevinden zich tot een diepte van 3,50 m -mv/ 1,43 m -NAP kleiafzettingen. Deze dekken een 1,30 m dikke laag veen af.
25
ARTEFACT RAPPORT 649
HOEK HERBERT H. DOWWEG
Hieronder zijn vanaf 4,80 m -mv/ 2,73 m -NAP tot aan de einddiepte van 6 m -mv/ 3,93 m -NAP zandafzettingen aangeboord. In boring 8 (B54E2101) is tot aan de einddiepte van 2 m -mv/ 0,24 m +NAP een afwisseling van lagen zand en klei aangeboord. Tevens werd bovenin, tussen twee lagen zand in, een 0,10 m dik laagje veen aangetroffen op een hoogte van 0,45 m -mv/ 1,79 m +NAP. Al is de lithostratigrafie voor deze boringen onbenoemd gebleven, toch valt op basis van boringen 2 en 7 (die dieper zijn doorgezet dan de overige boringen) te vermoeden dat er Hollandveen aanwezig is vanaf een diepte van 3,50 m mv/ 1,40 m -NAP. De vastgestelde dikte van het veenpakket 1,30 m en de diepteligging van de top van het (vermoedelijke) dekzand van 2,73 m -NAP in boring 7 zijn allebei in lijn met de gegevens op de bijkaarten van de Geologische Kaart van Nederland. Een Appelboormodel van DINO voorspelt dat in het plangebied tot een diepte van 3,50 -mv/ 1,75 m -NAP zand- dan wel kleiafzettingen van het Laagpakket van Walcheren te verwachten zijn, met hieronder een circa 1 m dikke laag Hollandveen. Hieronder is vanaf circa 4,50 m -mv/ 2,75 m -NAP een ongeveer 14 m dik pakket zand van de Formatie van Boxtel te verwachten. Het ondergrondmodel geeft geen informatie over te onderscheiden niveaus en/of eventuele paleosols binnen de Formatie van Boxtel (zie hierover paragraaf 2.2.1).
Bodem Op de Bodemkaart van Nederland 53 (niet afgebeeld) ligt het plangebied in niet gekarteerd gebied. Op basis van extrapolatie kan het plangebied worden gesitueerd in een zone met kalkrijke poldervaaggronden. Deze zijn ontwikkeld in lichte en zware zavel (code Mn56/Mn15A). Bij het bepalen van het grondwaterregime van de bodem wordt gewerkt met grondwatertrappen. Deze trappen geven een klassenindeling weer van ten eerste de verschillende grondwaterstanden naar diepte en ten tweede de seizoensvariatie in de grondwaterstanden. In de gebieden waar geen bodemkartering heeft plaatsgevonden (zoals dit het geval is voor het plangebied) is ook de grondwatertafel niet bepaald.
Geomorfologie Projectie op de Geomorfologische Kaart van Nederland (figuur 9)54 laat zien dat het plangebied in niet gekarteerd gebied ligt, namelijk het Dow-terrein. Dit terrein maakt deel uit van een polder waar de ondergrond bestaat uit een vlakte van getijafzettingen (code 2M35). Onmiddellijk ten zuiden van het plangebied is door middel van een roze lijn een dijk weergegeven; dit betreft de Herbert H. Dowweg. Ten zuiden hiervan ligt een gebied waarin sprake is van welvingen in getijafzettingen (code 3L20) met hierbinnen meerdere getij-(kreek)beddingen (code 3R13/14).
53 Stichting voor Bodemkartering 1980a. 54 Brus & De Lange 1987.
26
ARTEFACT RAPPORT 649
HOEK HERBERT H. DOWWEG
Figuur 9 Projectie van het plangebied (in rood) op een uitsnede van de Geomorfologische Kaart van Nederland. Bron: Brus & De Lange 1987.
Actueel Hoogtebestand Nederland Het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) vormt een belangrijke aanvullende informatiebron voor de landschapsanalyse. Dit met behulp van laser-altimetrie (LiDAR) verkregen digitale bestand toont een goed beeld van het huidige reliëf in het plangebied en de omgeving (figuur 10). Hierop is te zien dat het maaiveld in het grootste deel van de Nieuw Neuzenpolder hoger ligt (circa 2,10 – 2,50 m +NAP) dan in bijvoorbeeld de zuidelijker gelegen Lovenpolder (circa NAP – 0,80 m +NAP). Dit betreft goeddeels kunstmatige ophoging, die samenhangt met de ontwikkeling van het Dow-terrein in de tweede helft van de 20ste eeuw.
27
ARTEFACT RAPPORT 649
HOEK HERBERT H. DOWWEG
Nieuw Neuzenpolder Lovenpolder
Figuur 10 Projectie van het plangebied (in zwart) op bewerkte uitsnede Actueel Hoogtebestand Nederland. Bron: www.pdok.nl (AHN3 0,5 meter raster DTM).
Indien verder wordt ingezoomd (figuur 11), valt op dat het plangebied lager ligt dan omringende gebieden in de Nieuw Neuzenpolder, waarschijnlijk omdat hier nog geen ontwikkeling heeft plaatsgevonden. Het maaiveld ligt in het plangebied op hoogtes tussen de 1,20 en 1,40 m +NAP, maar op de meeste plaatsen bedraagt de maaiveldhoogte circa 1,30 m +NAP. Verder geeft de hoogtekaart geen specifieke aanwijzingen voor eventuele archeologische vindplaatsen in of rond het plangebied.
28
ARTEFACT RAPPORT 649
HOEK HERBERT H. DOWWEG
Figuur 11 Projectie van het plangebied (in zwart) op bewerkte uitsnede Actueel Hoogtebestand Nederland. Bron: www.pdok.nl (AHN3 0,5 meter raster DTM).
Samenvattend maakt het plangebied deel uit van een industrieterrein in het noorden van Zeeuws-Vlaanderen. Het maaiveld in het plangebied lijkt nog niet, of slechts in beperkte mate, kunstmatig opgehoogd. In het plangebied zijn tot een diepte van ongeveer 3,50 m -mv/ 1,40 m -NAP Westerschelde- en Sluiskilafzettingen van het Laagpakket van Walcheren (Formatie van Naaldwijk) te verwachten, met hieronder een circa 1 m dikke laag veen van de Formatie van Nieuwkoop. Hieronder, vanaf circa 4,50 m -mv/ 2 -3 m -NAP, valt de top van het pleistocene dekzand (Laagpakket van Wierden, Formatie van Boxtel) te verwachten.
29
ARTEFACT RAPPORT 649
2.3
Historie
2.3.1
Historisch-geografische ontwikkeling55
HOEK HERBERT H. DOWWEG
Het beschrijven van de historische situatie dient meerdere doelen. Er wordt archeologisch inhoudelijk gekeken of eventueel sprake is van historische bebouwing, mogelijke (vaar)wegen en/of subrecent gebruik, waarbij vastgesteld moet worden of sprake is van verstoringen (bijvoorbeeld ontgrondingen, stortingen en verhardingen). Bij het tot stand komen van voorliggend onderzoeksrapport werd gebruikt gemaakt van meerdere historische of oude kaarten. Enkel de kaarten waarop nieuwe, afwijkende of kenmerkende informatie met betrekking tot het plangebied wordt weergegeven, zijn afgebeeld in dit rapport. Hierbij dient opgemerkt dat de projecties die gemaakt op oude kaarten vrij betrouwbaar zijn voor alle kaarten daterend vanaf het midden van de 18de eeuw, toen, dikwijls voor militaire doeleinden, topografische kaarten ontwikkeld werden met vrij grote schaalnauwkeurigheid. De projecties op de kaarten daterend voor deze periode moeten dan ook als indicatief worden beschouwd. Vanaf de 10de eeuw vermelden historische bronnen plaatsen als Axel, Boterzande en Ostholt. Deze vermeldingen duiden op een toenemend economisch belang van de streek. Schapenwol is namelijk de basis voor de lakenhandel in de ten zuiden van Zeeuws-Vlaanderen gelegen steden als Brugge en Gent. Het plangebied ligt centraal in het noorden van Zeeuws-Vlaanderen.
Bestuurlijk viel dit gebied vanaf de Late Middeleeuwen onder de Vier Ambachten. Dit was een samenvoeging van het Axeler, Hulster, Boekhouter en Asseneder Ambacht onder een gemeenschappelijke keure.56 In deze bestuurlijke eenheid wordt naast waterbeheer en dijkwerken ook rechtspraak uitgeoefend.57 De kaart van Gwijdde van Dampierre (historische kopie door Van Thuyne uit 1617) geeft de situatie van Noord-Vlaanderen omstreeks 1274 weer (figuur 12). Op basis van deze kaart kan worden afgeleid dat het plangebied binnen de grenzen van het Asseneder Ambacht valt en zich bevindt in de omgeving van het dorp Vremdijcke. Het is onmogelijk om de exacte locatie van het plangebied op deze oude kaart aan te geven, omdat er te weinig correcte referentiepunten zijn tussen deze kaart en de huidige topografie. Vremdijcke werd voor het eerst vermeld in 1114 als Fronendike en is daarmee de oudste dijknaam in de Vier Ambachten. 58 Andere dijknamen duiken in de geschreven bronnen pas op na de grote stormvloed van 1134. De systematische inpoldering van dit gebied duidt op een duidelijke toename in economisch belang vanaf de 12de eeuw. Deze toename hing samen met de sterke bevolkingsgroei en de opkomst van de stad Gent als belangrijkste en grootste Vlaamse stad.
De bevolkingstoename weerspiegelde zich in het toenemende aantal stichtingen van nederzettingen, kerken en kapellen.59 Zo ontstonden Steenlandt en Willemskercke op het einde van de 12de eeuw als moerparochies. In de 13de eeuw ontstonden Nieuwerkercke en Hertinghe.60 In 1234 werd tevens Peerboom als parochie genoemd.61 Deze nieuwe stichtingen staan ook op de Dampierre-kaart afgebeeld. In de onmiddellijke omgeving van het plangebied worden naast de hierboven reeds vermelde dorpen Vremdijcke (Vroondijke), Stee(n)land en Willemskercke ook andere moerdorpen gesitueerd zoals Oud (of Aut) Axel. Deze middeleeuwse dorpen lagen allemaal ten westen van het huidige Kanaal van Gent naar Terneuzen. Direct ten oosten van het huidige kanaal lagen in deze periode de nederzettingen Triniteit en Hugersluis. 62 Het pas in de 14de eeuw ontstane Terneuzen wordt op deze kaart ook weergegeven. Het is echter met een afzonderlijke lijn omringd die in het noorden verder doorloopt dan de grens van het land zoals op de kaart weergegeven. Op een andere kopie van de Dampierrekaart (niet afgebeeld) wordt Terneuzen
55 Voorliggende paragraaf is voor een groot deel gebaseerd op, en deels overgenomen uit, eerdere onderzoeken die
Artefact heeft uitgevoerd naar plangebieden in de omgeving van Hoek, toegespitst op het onderhavige plangebied en aangepast en aangevuld met specifieke en aanvullende gegevens. 56 Gottschalk 1984. 57 De Kraker 2004: 51-52. 58 Verhulst 1995; De Visser & Emaus 2014. 59 Gottschalk 1984. 60 De Visser & Emaus 2014. 61 De Kraker 2004. 62 De Visser & Emaus 2014.
30
ARTEFACT RAPPORT 649
HOEK HERBERT H. DOWWEG
niet weergegeven.63 Dit alles doet vermoeden dat de weergave van Terneuzen op de kaart door Van Thuyne een latere toevoeging betreft.
Figuur 12 Uitsnede uit een 17de-eeuwse kopie naar de zgn. kaart van Gwijde van Dampierre uit 1274. De verschillende ambachten zijn met kleuren ingedeeld (geel = IJzendijker Ambacht, lichtgroen = Boekhouter Ambacht, rood = Asseneder Ambacht en wit = Axeler Ambacht). De ligging van de nederzettingen Vremdijcke en Oud Axel is met een blauwe cirkel aangegeven. Bron: RAG-065-7.
Na de stormvloed van 1214 werden in opdracht van de cisterciënzerabdijen van Ter Doest, Baudelo en Cambron op grote schaal nieuwe offensieve dijken aangelegd. Het plangebied lag toen wellicht in ingepolderd gebied, maar Gottschalk doet geen uitspraak over de indeling van de polders tussen Terneuzen en Biervliet. Ze situeert in de 13de eeuw in deze zone Milmen, een bedijkt schor (eiland) waarop een uithof van de abdij Groeninge werd gebouwd: het zogenaamde Hof ter Milme.64 Ondanks de grootschalige inpolderingscampagnes werd dit deel van de Vier Ambachten de gehele 13de, maar ook de 14de en 15de eeuw, regelmatig door stormvloeden overspoeld. De continue strijd tegen het water heeft geleid tot een geschiedenis van herhaalde (her)bedijkingen. Het (her)bedijken betrof meestal het terugwinnen van land, zelden het aanwinnen van nieuw land. 65 Gedurende de Late Middeleeuwen was van twee stormvloeden de impact dermate bepalend voor het verdere geologische en historisch-geografische verloop, dat deze hier nader besproken worden. De eerste is de stormvloed van 1375. Hierbij ontstond bij de Braakman een groot zeegat, waarbij de noordelijke helft van het Boekhouter Ambacht werd weggespoeld. De tweede belangrijke stormvloed voor dit gebied vond plaats in 1488. Tijdens deze storm werd de Braakman verder uitgediept naar het oosten toe. Ook de noordelijke helft van het 63 RAG VZ1-11.
64 Gottschalk 1984: 53, 249. 65 Gottschalk 1984.
31
ARTEFACT RAPPORT 649
HOEK HERBERT H. DOWWEG
Asseneder Ambacht en het aangrenzende Boekhouter en Axeler Ambacht gingen verloren als gevolg van het doorbreken van een sluis bij Nieuwersluis. Tijdens deze stormvloed werden in deze regio verschillende moerparochies verzwolgen door het water, de meeste voorgoed. Enkel de Vremdijckepolder en de Willemskerckepolder ten noorden van de Braakman werden herbedijkt in 1498 en 1518. In de herbedijkte Vremdijckepolder is vervolgens een nieuw dorp genaamd Vremdijcke aangelegd, maar op een andere locatie dan het eerste.66 Na de stormvloed van 1488 kwam het zeewater tot bij de Axelsche Vaart en in het zuiden zelfs tot bij Zelzate. Pas na het beëindigen van de oorlog met Maximiliaan van Oostenrijk in 1492 (Vrede van Cadzand) werd met de aanleg van de Landdijk tussen Terneuzen en Boekhoute een eerste grootschalig infrastructureel werk gerealiseerd dat een verder doorbreken van de Braakman in het achterland moest verhinderen. De parochies Vremdijcke, Willemskercke, Coudekercke, Steelandt, Hertinghe, Moerkerke, Niewkercke en Hughersluis – en het huidige plangebied – zijn allemaal buitendijks van de Landdijk te situeren.67 Ook in de periode hierna volgden nog grote overstromingen.
In 1532 sloeg een stormvloed een groot gat in de Landdijk tussen Assenede en Westdorpe, waardoor laatgenoemde dorp overspoeld werd.68 Ook de ten noorden van de Braakman gelegen gebieden, waaronder het plangebied, overstroomden op dat moment (figuur 13).
Figuur 13 Reconstructie van de omvang van de inundatie in de Vier Ambachten en het Land van Saeftinghe omstreeks 1530. De rode stip geeft de globale ligging van het plangebied weer. Bron: De Kraker 1997: 68.
In de daaropvolgende relatief stabiele periode tot 1552 werden verschillende van de schorren rond de Braakman (opnieuw) ingepolderd, voornamelijk ten noorden van Assenede en Boekhoute, ten westen van Axel en ten westen van Terneuzen.69 Voor de zone ten zuidwesten van Terneuzen werd in 1542 een bedijkingsoctrooi verleend. Vervolgens werden de Lovenpolder (1542; gedeeltelijk ter plaatse van de voormalige Willemskerckepolder) en Koudenpolder (1545) aangelegd. De opnieuw drooggemaakte Willemskerkepolder was een stuk kleiner en heeft delen af moeten staan aan de ten westen ervan gelegen Lovenpolder en Vremdijckepolder. Het plangebied maakte op dat tijdstip 66 Schute & Kerckhaert 2015. 67 De Kraker 1997: 37-38.
68 De Kraker 1997: 66-67. 69 Wilderom 1973: 172-176.
32
ARTEFACT RAPPORT 649
HOEK HERBERT H. DOWWEG
volgens De Kraker geen deel uit van de Vremdijckepolder, maar van de Lovenpolder. De zeedijk van de Lovenpolder lag volgens hem destijds namelijk ruim 300 m noordelijker (figuur 14). Door de aanleg van inlaagdijken is deze dijk uiteindelijk meer naar het zuiden komen te liggen,70 i.c. direct ten zuiden van het plangebied.
Figuur 14 Ligging van de zeedijk van de Lovenpolder in 1600 volgens De Kraker (2015: 63, figuur 10.5), geprojecteerd op een uitsnede van de luchtfoto (2020). Bron: Esri Nederland, Beeldmateriaal.nl.
Op figuur 15 wordt de situatie na de inpolderingen omstreeks 1550 weergegeven. Op deze kaart is de Lovenpolder benoemd en is in de ten noorden daarvan gelegen Vremdijckepolder (niet benoemd) de nederzetting Vremdijcke aangegeven.
70 De Kraker 2015: 61-62. Schute & Kerckhaert (2016: 27, voetnoot 26) noemen deze redenering ‘logisch en aannemelijk’,
maar wijzen erop dat het onduidelijk is hoe De Kraker op 300 m uitkomt.
33
ARTEFACT RAPPORT 649
HOEK HERBERT H. DOWWEG
Figuur 15 Uitsnede uit de kaart van noordelijk deel van Vlaanderen omstreeks 1550. Op deze kaart zijn de verschillende nieuwe polders weergegeven. Bron: RAG-065-19.
Bij nieuwe dijkdoorbraken in 1552 en 1570 (Allerheiligenvloed) overstroomden delen van het gebied ten noorden van de Braakman tijdelijk opnieuw, waaronder delen van de Lovenpolder, de Vremdijckepolder en de Koudenpolder. 71 Tijdens de Tachtigjarige Oorlog vond tevens een reeks door de mens veroorzaakte inundaties plaats. Zo staken opstandelingen in 1584, in een poging om de Spanjaarden te verdrijven die Gent, Brugge en Antwerpen bedreigden vanaf de zuidelijke oever van de Westerschelde, onder andere de zeedijken in het Hulster Ambacht en het Land van Saeftinghe door, waardoor dit gebied overstroomde. In een poging om de Spaanse troepen te beletten Axel in te nemen, werd in datzelfde jaar de sluis bij Kampen vernield. Kort daarna werd ook de sluis bij Nieuw-Othene doorgestoken. Hierdoor kwamen de polders van Othene, Zaamslag en Aendijcke onder water te staan. Ondanks verwoede pogingen van de Spaanse soldaten om de schade te herstellen, werd het herstelwerk snel weer ongedaan gemaakt. Intussen was ook de Willemskerckepolder ondergelopen. In het midden van 1584 bestond het nietgeïnundeerde deel van het Kwartier van Terneuzen enkel nog uit de kern van Terneuzen, de polder met Vremdijcke en de Kouden- en Lovenpolder.
Deze polders stonden op dat moment enkel nog door middel van een baandijk in verbinding met Terneuzen, dat in 1584 stadsrechten had gekregen en dat gedurende de oorlog werd omgebouwd tot
71 De Kraker 1997: 100-101.
34
ARTEFACT RAPPORT 649
HOEK HERBERT H. DOWWEG
vestingstad. 72 De gevolgen van de verschillende inundaties waren groot voor het landschap, terwijl het beoogde resultaat, namelijk het verdrijven van de Spanjaarden en het redden van de steden, niet werd behaald.73 De steden Hulst en Axel waren omgeven met water en raakten geïsoleerd. Het uitgemoerde middeleeuwse landschap was onder het water verdwenen en werd bedolven met nieuw sediment. Samen met de dorpen en moerparochies zouden de veenexploitaties, die door het natuur- en oorlogsgeweld vanaf het einde van de 15de eeuw al sterk teruggelopen waren, in de 16de eeuw volledig verdwijnen. Alsof de militaire inundaties nog niet erg genoeg waren, vonden tijdens de Tachtigjarige Oorlog en daarna tevens overstromingen plaats die het resultaat waren van dijkvallen of stormvloeden. Ten gevolge van zo’n ‘natuurlijke’ overstroming kwam de polder Vremdijcke in 1600-1601 volledig onder water te staan, waarna het dorp opnieuw, en ditmaal voorgoed, verloren ging.74 Situering verdronken dorpen Van een deel van de verdwenen woonplaatsen, namelijk Stee(n)land, Triniteit en het stadje Hugersluis, zijn reeds resten aangetroffen. De exacte ligging van andere dorpen, waaronder het oorspronkelijke Vremdijcke en het tweede Vremdijcke, is voorlopig nog niet archeologisch aangetoond. Er zijn meerdere pogingen gedaan om de locatie van verdwenen dorpen te bepalen.
Dit is gebeurd op basis van bekende historische en archeologische gegevens en reeds gedaan onderzoek. In 1967 stelde Platteeuw in een publicatie over Hoek dat Vremdijcke ten noordwesten van de huidige Lovenpolder heeft gelegen, op de plaats waar de Voorste Kreek inkomt in de in 1953 ingepolderde Braakman.75 Dit zou betekenen dat het enkele honderden meters ten westen van het plangebied heeft gelegen. In een inventarisatie uit 2004 (figuur 16)76 wordt Vremdijcke (aangegeven met nr. 92) ter plaatse van het plangebied gesitueerd, maar dit betreft geen zeer fijnmazige kaart. Een onderscheid tussen het eerste en tweede Vremdijcke wordt niet gemaakt. Circa 2 km ten zuidoosten van Vremdijcke wordt Willemskerke (nr. 91) gesitueerd en circa 2 km ten westen ervan het dorp Pakinghe (nr. 93).
Figuur 16 Overzicht uit 2004 van vermoede locaties van verdronken kerkdorpen (uitsnede). Bron: Goldschmitz-Wielinga et al. 2004.
72 De Kruijf et al. 2004: 227.
73
De Kraker 2015. 74 Schute & Kerckhaert 2015. 75 Platteeuw 1967: 10,17. 76 Goldschmitz-Wielinga et al. 2004.
35
ARTEFACT RAPPORT 649
HOEK HERBERT H. DOWWEG
De vermoedelijke ligging van verdwenen dorpen binnen het grondgebied van de huidige gemeente Terneuzen is later onderzocht in het kader van het project Leemten in Kennis (figuur 17).77 Op basis van dit onderzoek bevindt het huidige plangebied zich hypothetisch hooguit enkele tientallen meters ten oosten van het tweede Vremdijcke/Vroondijke, 900 m ten zuiden van Pakinghe en 700 m ten westen van Oud Axel/Out Axel. Pakinghe, ook wel Sint Laureinskerke genoemd, werd vermeld in 1114 en ging al ten onder tijdens en stormvloed in 1214. Over Oud Axel is maar weinig bekend. Het ging waarschijnlijk tegelijk met Vremdijcke ten onder tijdens de storm in 1601.78
Figuur 17 Situering van verdronken dorpen in de omgeving van het plangebied, op basis van onderzoek in 2014. Bron: De Visser & Emaus 2014.
Het Geoloket Cultuurhistorie van de Provincie Zeeland (figuur 18) situeert het eerste Vremdijcke/Vroondijk/Fronendike (periode: 1488) op circa 400 m ten zuidoosten van het plangebied (ongeveer waar De Visser en Emaus Out Axel situeren) en het tweede Vremdijcke (periode: 1601) op ongeveer 500 m ten westen van het plangebied (westelijker dus dan De Visser en Emaus). Pakinghe/Sint-Laureinskerk (periode: 1214) ligt volgens het Geoloket op een vergelijkbare locatie als in het onderzoek van De Visser en Emaus. Daarnaast is volgens het Geoloket nog sprake van het dorp Vogeldijk (periode: 1488), op ongeveer 300 m ten zuidoosten van het plangebied, en Wizzekineswerf (periode: 1488), op ongeveer 800 m ten zuidwesten van het plangebied.
77 De Visser & Emaus 2014. 78 De Visser & Emaus 2014: 34.
36
ARTEFACT RAPPORT 649
HOEK HERBERT H. DOWWEG
Figuur 18 Ligging van verdronken dorpen (aangegeven met stervormen) volgens het Geoloket Cultuurhistorie van de Provincie Zeeland.
Pas met de politieke consolidatie in het begin van de 17de eeuw begon men opnieuw met de inpoldering van de verloren gebieden in de Ambachten. Voor de zone ten zuidwesten van Terneuzen is in 1595 opnieuw een octrooi tot bedijking uitgereikt, waarna in 1608 de Vlooswijkpolder werd aangelegd. In 1615 werd de Goesschepolder (genoemd naar de initiatiefnemers van de inpoldering, namelijk inwoners van Goes) bedijkt, waarna in 1629 de nieuwe Willemskerkepolder volgde. Deze had niet meer de omvang van de oudere Willemskerckepolder. Vaak ging het inpolderingsproces gepaard met het aanleggen van nieuwe verdedigingslinies en het beschermen van strategische punten. In 1648, het jaar van de Vrede van Münster, werd ook de Sluispolder bedijkt en afgesloten van het water.79 De geïnundeerde zone in de polder van Vremdijcke werd echter niet opnieuw ingepolderd en bleef tot in de 19de eeuw deel uitmaken van buitendijks schorrengebied. De Lovenpolder, die niet geïnundeerd was aan het begin van de 17de eeuw, hoefde niet opnieuw ingepolderd te worden. De noordelijke begrenzing van deze polder verschoof in de loop van de 17de eeuw en in de eerste helft van de 18de eeuw ten gevolge van de aanleg van inlaagdijken naar het zuiden.80 Hierdoor kwam het huidige plangebied in deze periode ook weer buitendijks te liggen.
Op de kaart van Hattinga uit het midden van de 18de eeuw is het plangebied dan ook buitendijks te situeren, namelijk net ten noorden van de Lovendijk, waarvan de loop en ligging min of meer correspondeert met die van de tegenwoordige Lovenweg/Herbert H. Dowweg (figuur 19). Ten westen en ten oosten van het plangebied staan binnen de Lovenpolder twee waterlopen aangegeven. Dit betreft aan de westzijde de Voorste Kreek en aan de oostzijde de Achterste Kreek. Beide kreken bestaan nog altijd. Tussen beide kreken binnen de Lovenpolder staat een noord-zuid georiënteerde weg vanaf de Lovendijk aangegeven
79 Wilderom 1973: 172-173. 80 De Kraker 2015.
37
ARTEFACT RAPPORT 649
HOEK HERBERT H. DOWWEG
met enige bebouwing erlangs; de loop en ligging van deze weg correspondeert min of meer met die van de tegenwoordige Lovenpolderstraat.
Figuur 19 Ligging van het plangebied (in rood; bij benadering) op kaart van Hattinga uit ongeveer 1750. Bron: Geoloket Cultuurhistorie, Provincie Zeeland.
Pas na een octrooi uit 1816 door koning Willem I werden de schorren ten noorden van de Loven- en Willemskerkepolder ingedijkt en ontstond de Nieuw Neuzenpolder.81 Het plangebied kwam hiermee opnieuw binnendijks te liggen. De Nieuw Neuzenpolder wordt weergegeven op het Minuutplan van de Kadastrale Kaart uit circa 1830 (figuur 20). Deze kaart is opgemaakt met als doel grondbelasting te kunnen heffen op grondbezit en gebouwen en geeft dan ook de kadastrale percelen (en perceelsgrenzen) en gebouwen nauwkeurig weer. Op het Minuutplan is te zien dat het plangebied op dat moment viel binnen twee langgerekte, noord-zuid georiënteerde percelen. Deze hadden als kadastrale aanduiding Hoek Sectie A (Neuzen Polder), perceelnummers 48 en 49. Volgens de Oorspronkelijk Aanwijzende Tafels waren beide percelen bouwland (landbouwgrond), in handen van particulieren uit respectievelijk Sint Niklaas en Gent. Bebouwing staat in of nabij het plangebied nog steeds niet aangegeven. Ten zuiden van het plangebied is de situatie nog vergelijkbaar met die op de kaart van Hattinga, al staat het geulenstelsel van de Achterste Kreek (Agterste Kreek) uitgebreider aangegeven. De westelijke zijkreken, met de namen Loopguil, Boeyes Gat en Kerpelgat, reiken tot aan de tegenwoordige Lovenpolderstraat; deze straat staat op het Minuutplan genoemd als de Loven Poldersche Weg.
81 Wilderom 1973: 176.
38
ARTEFACT RAPPORT 649
HOEK HERBERT H. DOWWEG
Figuur 20 Projectie van het plangebied (in rood) op uitsnede van de gedigitaliseerde Kadastrale Minuutkaart, omstreeks 1830. Bron: Geoloket Provincie Zeeland.
In de rest van de 19de eeuw en in de eerste helft van de 20ste eeuw veranderde er weinig in de omgeving van het plangebied. Sinds 1964 is in de Nieuw-Neuzenpolder chemische industrie van Dow Chemical gevestigd. Ten westen van het plangebied werd in 1969 een zoetwaterfabriek annex elektriciteitscentrale in gebruik genomen.82 Bij de aanleg van de Dow-installaties en bijbehorende infrastructuur verdwenen alle boerderijen uit de polder; enkel de boerderij “Op Hoop van Zegen” (600 m ten noordoosten van het plangebied), daterend uit het eerste kwart van de 19de eeuw, is tot op heden behouden gebleven. Op al het kaartmateriaal uit de periode vanaf de 19de eeuw (figuur 21) staat het plangebied als onbebouwd weergegeven. De perceelsgrens die op de Kadastrale Minuut het plangebied verdeelt in een westelijke en oostelijke helft, lijkt in de loop der jaren eveneens onveranderd te zijn gebleven. Ten westen van het plangebied stond vanaf de jaren ’70 een zoetwaterfabriek. Tussen 1985 en 1995 is direct ten westen van het plangebied het huidige hoogspanningsstation aangelegd. In de loop van de jaren ’90 breidde de bebouwing van deze faciliteit zich uit tot in het gebied ten noorden van het plangebied. Vanaf de jaren ’70 staat in het uiterste zuiden van het plangebied een groenstrook aangegeven; op kaartmateriaal vanaf de jaren ’80 is het hele plangebied voorzien van begroeiing.
82 https://encyclopedievanzeeland.nl/Nieuw-neuzenpolder
39
ARTEFACT RAPPORT 649
HOEK HERBERT H. DOWWEG
1916
1960
1972
1990
1995
2015
Figuur 21 Projectie van het plangebied (in lichtblauwgroen) op de Topografische Kaart uit 1916, 1960, 1972, 1990, 1995 en 2015. Bron: Esri Nederland, Kadaster.
Samenvattend valt over het plangebied te stellen dat het vanaf de 12de eeuw af en toe deel uitmaakte van bedijkt gebied. Het viel binnen het Asseneder Ambacht en lag waarschijnlijk in de nabijheid van een of meer (verdronken) dorpen, zoals Vremdijcke, dat tweemaal is ontstaan op verschillende locaties. In de Late Middeleeuwen en Nieuwe Tijd is het plangebied en omgeving meermaals overstroomd geweest als gevolg van stormvloeden en opzettelijke inundaties. Vanaf de 16de eeuw lag het waarschijnlijk enige tijd in de Lovenpolder. Vanaf de eerste helft van de 18de eeuw lag het plangebied buitendijks, totdat het een eeuw later deel ging uitmaken van de Nieuw Neuzenpolder. Het plangebied werd aanvankelijk als landbouwgrond gebruikt. In de 20ste eeuw ging het deel uitmaken van een industrieel gebied, maar het bleef tot op heden onbebouwd.
40
ARTEFACT RAPPORT 649
2.3.2
HOEK HERBERT H. DOWWEG
Verstoringsgeschiedenis
Bodemloket In het Bodemloket en de website Bodemrapportages Zeeland worden de bodemkwaliteit en de status/voortgang van eventueel uitgevoerde onderzoeken weergegeven. Raadpleging van het Bodemloket 83 leert dat een strook aan de noordzijde, die ongeveer een derde van het plangebied beslaat, reeds is onderzocht. Het betreft verkennend en indicatief onderzoek, waarbij is vastgesteld dat de (voormalige) activiteiten en/of de onderzoekslocatie voldoende zijn onderzocht in het kader van de Wet bodembescherming. Raadpleging van Bodemrapportages Zeeland 84 leert dat binnen het plangebied geen saneringen bekend zijn. Historische gegevens Sinds de inpoldering van de Nieuw Neuzenpolder aan het begin van de 19de eeuw is het plangebied ruim een eeuw lang agrarisch gebied geweest. Als gevolg van bewerking van de landbouwgrond kan de natuurlijke ondergrond tot op zekere diepte verstoord zijn geraakt. Daarnaast liep een noord-zuid georiënteerde kavelgrens midden door het plangebied; dit kan een greppel zijn geweest die mogelijk plaatselijk tot een beperkte verstoring heeft geleid. Tevens kan de 20ste-eeuwse boombeplanting tot verstoringen hebben geleid als gevolg van doorworteling. KLIC Omdat het plangebied deel uitmaakt van het Dow-terrein, geeft de graafmelding voor het plangebied aanwijzingen voor een aantal verstoringen van de bodem door kabels en leidingen.
De meeste hiervan bevinden zich ter hoogte van de westelijke en zuidelijke begrenzingen van het plangebied. Tevens loopt door het noordoostelijke deel van het plangebied een buisleiding met gevaarlijke inhoud (namelijk waterstof) en een datatransportkabel. Initiatiefnemer Bij de initiatiefnemer zijn geen gegevens over mogelijke verstoringen bekend, anders dan wat de KLIC oplevert aan bekende kabels in leidingen.85 Gegevens archief Raadpleging van (de website van) het Zeeuws Archief leverde geen relevante informatie op omtrent eventuele verstoringen van het plangebied.
83 www.bodemloket.nl, geraadpleegd op 5 oktober 2021.
84 https://zeeland.nazca4u.nl/Rapportage/, geraadpleegd op 5 oktober 2021. 85 Mondelinge mededeling dhr. Suurland (DNWG), d.d. 5 oktober 2021.
41
ARTEFACT RAPPORT 649
2.4
HOEK HERBERT H. DOWWEG
Archeologische waarden
In deze paragraaf worden de bekende archeologische gegevens opgesomd binnen een straal van 1 kilometer rond het plangebied. Archeologische monumenten De Archeologische Monumentkaart (AMK) is een digitaal bestand waarin de archeologische monumententerreinen, waaronder de wettelijk beschermde monumenten, werden bijgehouden. Sinds 2014 wordt dit bestand echter niet meer bijgewerkt, waardoor het als statisch bestand kan worden beschouwd. Binnen een straal van 1 km rond het plangebied komen geen AMK-terreinen voor. Vindplaatsen ‘Leemten in kennis’ (2014) Ten behoeve van het project ‘Leemten in kennis’ heeft Artefact in 2014 voor de gemeente Terneuzen een reeks vindplaatsen aangewezen die in aanmerking komen voor nader onderzoek. 86 Hiervan ligt er geen binnen het plangebied. Binnen een straal van 1 km rond het plangebied liggen er drie. Deze staan op figuur 22 in lichtblauw aangegeven met de bijbehorende nummers waaronder deze staan geregistreerd in de rapportage uit 2014. In onderstaande tabel worden de betreffende vindplaatsen opgesomd. Nr.
Toponiem
Complextype
Periode
Overige informatie