2022-11-30 - Bijlage 3 Bijlagen bij toelichting geanon.
Tekst van het document
11
Hoek
Huisplaats
MELB
Op basis van onderzoek nr. 1 en vondlocatie 15 (zie onderstaande twee tabellen).
53
Hoek Lovenpolder
Dijk
MEL-NT
-
67
Hoek Willemskerkepolder
Dijk
MEL-NT
-
Eerder uitgevoerd onderzoek Archis is het geautomatiseerde Archeologisch Informatiesysteem voor Nederland. Het bestaat uit een databank waarin allerlei gegevens over archeologische onderzoeken, vindplaatsen en terreinen in Nederland zijn opgeslagen. Het raadplegen van Archis leert dat het plangebied deel uitmaakt van drie onderzoeken die in het verleden zijn uitgevoerd; dit betreft grotere bureauonderzoeken t.b.v. gemeentelijk beleid (onderzoeken 3, 4 en 12). Afgezien daarvan heeft specifiek in het plangebied nog geen archeologisch onderzoek plaatsgevonden. In een straal van 1 km rond het plangebied hebben meerdere archeologische onderzoeken plaatsgevonden en zijn twee vondstlocaties bekend. In onderstaande figuur worden de locaties van bovengenoemde onderzoeken, vondstlocaties en ‘Leemten’vindplaatsen weergegeven.
86 De Visser & Emaus 2014.
42
ARTEFACT RAPPORT 649
HOEK HERBERT H. DOWWEG
15
7
Figuur 22 Onderzoeken en vondstlocaties in de omgeving van het plangebied. Gegevens ontleend aan Archis 3. Bron: Esri Nederland, Community Map Contributors 2020.
In onderstaande tabel worden de onderzoeken samengevat die hebben plaatsgevonden in een straal van 1 km rond het plangebied. De nummers in de linker kolom corresponderen met de groene nummers in bovenstaande figuur. Nr.
Uitvoerder
Aard en resultaten onderzoek
1
Onderzoek Nummer 2026574100
RAAP
Aanvullend Archeologische Inventarisatie in het kader van het opstellen van een archeologische advieskaart en aanwijzen van terreinen die in aanmerking komen voor vervolgonderzoek. 87 Zie vondstlocatie nr. 15.
2
2384416100
Artefact!
Archeologisch bureauonderzoek (2013) t.b.v. MER MUP (uitbouw leidingenstelsel) Kanaalzone Terneuzen.88 In het kader van de MERprocedure zijn drie alternatieve tracés onderzocht en nader uitgewerkt, om een onderbouwde afweging met betrekking tot de verschillende alternatieve leidingtracés te kunnen maken.
87 Schute 1997. 88 D’hondt & Coppens 2013.
43
ARTEFACT RAPPORT 649
HOEK HERBERT H. DOWWEG
3
2434360100
St. Cultureel Erfgoed Zeeland
Onderzoek verruiming vrijstellingsdiepte (2014).89 Zie paragraaf 1.3.
4
2439204100
Artefact!
Bureauonderzoek (2014) ‘Leemten in kennis’, Kennisplan Buitengebied gemeente Terneuzen. 90 Relevante vindplaatsen zijn eerder in deze paragraaf behandeld.
5
3297351100
Artefact!
Archeologisch booronderzoek (2015) Dow-terrein (zie ook paragraaf 2.2.1 in voorliggend rapport). 91 Antropogene ophooglaag aanwezig tot maximaal 1,1 m -mv (1,1 m +NAP); hieronder Westerscheldegeulafzettingen (Laagpakket van Walcheren). In 1 boring is onderin de boring een zwak siltige kleilaag aangetroffen die mogelijk gekoppeld kan worden aan de Sluiskilafzettingen. De top van deze afzetting werd aangetroffen vanaf 3,45 m -mv/ 1,19 m –NAP. Voor de Middeleeuwen en Nieuwe Tijd bleef de middelhoge verwachting gehandhaafd op het aantreffen van archeologische waarden tussen de 9de en 17de eeuw in de Sluiskilafzettingen, en laag voor waarden vanaf de 17de eeuw in de Westerscheldeafzettingen. De Formatie van Koewacht, het Laagpakket van Wierden en het Hollandveen Laagpakket zijn niet aangeboord. Geen vervolgonderzoek aanbevolen i.v.m. beperkte diepte graafwerkzaamheden.
6
4011908100
Archol
Archeologisch booren geofysisch onderzoek en 92 oppervlaktekartering (2016) Noorddijk. Resten (bouwkeramiek, aardewerk, metaalvondsten, glas) van verdronken steenbouwvindplaats uit de Middeleeuwen, niet duidelijk of het gaat om dorp of verspreide bewoning.
7
4025695100
Artefact!
Archeologisch booronderzoek (2016) aanleg 2MW-aansluiting Nieuwe Sluis Terneuzen (zie ook paragraaf 2.2.1).93 Het westen van het toenmalig onderzoeksgebied ligt zeer nabij onderhavig plangebied. Hiervoor geldt op basis van het booronderzoek een hoge verwachting voor Finaal-Paleolithicum t/m Midden-Neolithicum in de top van Laagpakket van Wierden (2,80-3,95 m -mv/ 2,39-2,88 m NAP), hoge verwachting IJzertijd/Romeinse tijd in top van intact Hollandveen (1,70-2,10 m -mv/ 1,10-1,24 m -NAP) en Late Middeleeuwen/Nieuwe Tijd in Westerscheldeafzettingen (0,80 m mv/ 1,30 m +NAP). Sluiskilafzettingen (Vroege Middeleeuwen) waren niet intact. In twee boringen nabij de zuidoosthoek van onderhavig plangebied is op circa 0,90 m -mv baksteen aangetroffen.
8
4040988100
Artefact!
Archeologisch bureauonderzoek (2017) versterken 150 kV-net. 94 Voortraject van onderzoek nr. 9.
9
4550591100
Artefact!
Archeologisch booronderzoek (2018) versterken 150 kV-net. 95 Noorden van het tracé loopt enkele honderden meters ten oosten van
89 De Weerd & Kerckhaert 2014. 90 De Visser & Emaus 2014. 91 Coppens 2016.
92 Laan & Tol 2018. 93 Delporte 2017.
94 Delporte 2018a. 95 Delporte 2018b.
44
ARTEFACT RAPPORT 649
HOEK HERBERT H. DOWWEG
onderhavig plangebied. Hier zijn de Formatie van Boxtel en het Hollandveen Laagpakket niet vastgesteld. Het Laagpakket van Walcheren bestaat hier uit beddingafzettingen van BraakmanWesterschelde en/of Sluiskil, dan wel kwelder- op beddingafzettingen van Braakman-Westerschelde. 10
4551888100
Artefact!
Archeologisch bureauonderzoek, voortraject van onderzoek nr. 11.
11
4552098100
Artefact!
Archeologisch booronderzoek (2017), direct ten oosten van onderhavig plangebied.96 Intact dekzand plaatselijk aanwezig tussen 3,75 en 4,80 m -NAP; op sommige plaatsen echter geërodeerd. In deel van de boringen intacte top Hollandveen aanwezig tussen 1,31 en 1,98 m -NAP. In deel van de boringen vrij gaaf Sluiskilniveau, hier geldt hoge verwachting Late Middeleeuwen/Nieuwe Tijd; in 3 boringen aanwijzingen voor menselijke activiteit (ten eerste laklaag/oude akkerlaag, ten tweede compactie, mogelijk als gevolg van aanwezigheid historisch grondlichaam, en ten derde vergraven kleilaag, mogelijk veenwinningskuil). Laatstgenoemde niveau ligt echter binnen de nieuw vastgestelde vrijstellingsdiepte van 3 m -mv. Advies vervolgonderzoek bij toekomstige bodemingrepen dieper dan 3 m -mv in delen van het plangebied.
12
4568760100
Edufact
Vrijstellingenkaart (2017).97 Zie paragraaf 1.3.
13
4752127100
Artefact!
Archeologisch booronderzoek (2019) op het perceel ten westen van 98 onderhavig plangebied. Scheldeafzettingen en Schelderestgeulafzettingen niet aangeboord; hoge verwachting voor Finaal Paleolithicum t/m Midden Neolithicum in top Laagpakket van Wierden, vanaf 4,25 m -mv/ 2,17 m -NAP. Middelhoge verwachting Late IJzertijd-Romeinse tijd in top Hollandveen, aanwezig in deel onderzoeksgebied vanaf 2,95 m -mv/ 0,76 m -NAP. In deel onderzoeksgebied hoge verwachting Late Middeleeuwen/Nieuwe Tijd in Sluiskilafzettingen (vanaf 2,8 m -mv/ 0,67 m -NAP), mede op basis van voorkomen oud maaiveld en verwachte ligging Vremdijcke. I.v.m. aard voorgenomen werkzaamheden geen vervolgonderzoek geadviseerd.
In onderstaande tabel worden de twee vondstlocaties kort besproken die in Archis bekend zijn in een straal van 1 km rond het plangebied. De nummers in de linker kolom corresponderen met de blauwe nummers in figuur 22. Nr.
Vondst locatie
Datering
Aard van de vondsten
14
1057383
onbekend
Particuliere vondst (1989) van een grondspoor (infrastructuur) via luchtfoto (figuur 23), Hoogedijk/Boerengat. Tot wat voor complex of periode het grondspoor te rekenen valt, is niet bekend.
96 Delporte & D’hondt 2018.
97 De Visser & De Weerd 2017. 98 Delporte 2020.
45
ARTEFACT RAPPORT 649
15
1066331
HOEK HERBERT H. DOWWEG
MEL
Hoort bij onderzoek nr. 1. Grote hoeveelheid aardewerk (vnl. blauwgrijs en Pingsdorf-scherven) en dierlijk bot, gevonden tijdens veldkartering/booronderzoek (1997) ter hoogte van Hoogedijk/Kerpelgat. Het betreft een laatmiddeleeuwse (14de/15de eeuw) huisplaats/boerderij (ca. 30 x30 m), aangeboord door Bazen in 1972. De vindplaats ligt op een oeverwal langs een kreekje. Bouwmateriaal werd niet aangetroffen. Een controleboring toonde een sterk met fosfaten aangerijkte toplaag.
Figuur 23 Luchtfoto (kijkend vanuit noordelijke richting) boven het gehucht Boerengat, gemaakt in 1989 door J. Semeij. Bron: Beeldbank Erfgoed Zeeland.
Samenvattend blijkt uit bovenstaande informatie dat het plangebied zich bevindt in een landschap waar gedurende het Pleistoceen dekzand is afgezet. Dit dekzand wordt soms intact aangetroffen. Op het dekzand heeft zich gedurende het Holoceen een pakket veen gevormd, waarvan de top plaatselijk eveneens intact valt aan te treffen. Op het veen liggen Sluiskil- en Westerscheldeafzettingen behorend tot het Laagpakket van Walcheren, waarvan de mate van intactheid sterk wisselt. In een straal van 1 km rond het plangebied zijn archeologische resten aangetroffen uit de periode vanaf de Late Middeleeuwen; daarnaast heeft enkele meters ten zuiden van het plangebied de Lovendijk, daterend uit de Vroege Nieuwe Tijd, gelopen.
46
ARTEFACT RAPPORT 649
HOEK HERBERT H. DOWWEG
Oudere archeologische waarden in de (wijdere) omgeving van het plangebied99 In de wijdere omgeving van het plangebied zijn ook resten van grotere ouderdom gevonden. Deze worden hieronder besproken. De vroegste getuigen van menselijke aanwezigheid in Zeeuws-Vlaanderen dateren uit het Midden-Paleolithicum (tot circa 35.000 v. Chr.) en bestaan uit enkele afslagen en werktuigen, waaronder vuurstenen vuistbijlen. Deze relicten van Neanderthalers zijn echter in verspoelde (Cadzand) of in losse context (Nieuw Namen) aangetroffen. Ook van de daarop volgende periode, het Laat-Paleolithicum (35.000 tot 8.800 BC), worden de meeste artefacten in secundaire context waargenomen, bijvoorbeeld rond Nieuw Namen en op het strand van Cadzand. 100 Bij de bouw van een bejaardentehuis in Axel zijn op een paleosol meer dan 100 vuurstenen werktuigen van de Tjongercultuur aangetroffen, die getuigen van menselijke bewoning. Vindplaatsen uit het Mesolithicum zijn in Zeeland primair bekend uit Zeeuws-Vlaanderen. Bij de aanleg van de Middensluis in het Kanaal van Gent naar Terneuzen is in de jaren ’60 van de vorige eeuw een mesolithische pijlpunt aangetroffen. 101 Bij een nieuwbouwwijk in Othene, direct ten oosten van Terneuzen, is in 2010 een zogenaamde tranchetbijl uit het Mesolithicum gevonden.
Deze bijl is gevonden aan het maaiveld, maar is wellicht opgegraven bij de aanleg van een waterpartij.102 Bij karterend booronderzoek en micromorfologisch onderzoek bij de Sluiskiltunnel zijn in de top van het dekzand verschillende microchips aangetroffen. 103 In 2016 zijn op drie locaties binnen het projectgebied Nieuwe Sluis Terneuzen in totaal drie vuursteenartefacten aangetroffen in de onderzijde van het veen of bovenzijde van het dekzand, deze dateren uit het Mesolithicum of Neolithicum.104 Archeologische resten uit Neolithicum, Bronstijd en IJzertijd zijn schaars, vermoedelijk omdat er lange tijd sprake is geweest van nattere omstandigheden en veengroei. In 1902 is in Terneuzen een geslepen bijl gevonden, vermoedelijk in het veen.105 Laatstgenoemde vondst toont aan dat het veengebied in die periode door mensen is bezocht, zonder dat dit per se betekent dat hier bewoning heeft plaatsgevonden.
Nabij Terneuzen zijn, bij de aanleg van de Zeesluis in 1962, in het veen greppels uit de Romeinse tijd waargenomen.106 Rond het sluizencomplex zijn meerdere fragmenten Romeins aardewerk uit de 2de/3de eeuw gevonden.107 Bij karterend en waarderend archeologisch boor-zeefonderzoek in 2016 op drie locaties binnen het projectgebied Nieuwe Sluis Terneuzen zijn eveneens verschillende fragmenten aardewerk aangetroffen die wijzen op bewoning in deze periode.108 Overige meldingen Navraag bij het Zeeuws Archeologisch Depot (mail helpdesk archeologie d.d. 30 september 2021) heeft geen aanvullende informatie opgeleverd t.a.v. het plangebied, behalve een aantal luchtfoto’s (zie boven). Luchtfotoanalyse Zoals ook hierboven al duidelijk werd, kunnen luchtfoto’s soms aan de hand van herkenbare soil- en/of cropmarks aanwijzingen geven voor de aanwezigheid van mogelijke archeologische vindplaatsen (of verstoringen) in de bodem. In het kader van het bureauonderzoek zijn meerdere lucht- en satellietfoto’s geraadpleegd om eventuele aanvullende informatie te verkrijgen over de ontwikkeling van het plangebied. Het betreft luchtfoto’s uit 1959 en ca. 1970 (Geoloket 99 Informatie in deze paragraaf is grotendeels ontleend aan: Delporte 2020. 100 Kuipers & Swiers 2005: 15.
47
101 De Boer 2013: 28.
102 Mondelinge mededeling dhr. R. Lensen, in: D’hondt & Wattenberghe 2015. 103 Noens et al. 2012: 198.
104
De vondsten zijn opgeboord met een avegaarboor en zijn dan ook gedeeltelijk verplaatst bij het boren, waardoor een exacte bepaling van het vondstniveau niet mogelijk was. Vos et al. 2016. 105 Jongepier 1995: 50. 106 Munaut 1967 : 19. 107 ARCHIS3, vondstlocatie 2958350100; Vos et al. 2016. 108 Vos et al. 2016.
ARTEFACT RAPPORT 649
HOEK HERBERT H. DOWWEG
Atlas van Zeeland), 1989 (Foto-Atlas Zeeland 1989) en satellietfoto’s uit 2002, 2003, 2005 en 2007 t/m 2020 (Geoloket Atlas van Zeeland). Op de luchtfoto uit 1959 (figuur 24) is de situatie te zien die voorafging aan de ontwikkeling van de Nieuw Neuzenpolder tot industriegebied. Het plangebied en de directe omgeving vormen nog agrarisch gebied. In het plangebied en de directe omgeving zijn op de luchtfoto uit 1959 geen duidelijke soil- of cropmarks zichtbaar.
Figuur 24 Projectie van het plangebied op luchtfoto uit 1959. Bron: Geoloket Atlas van Zeeland.
De luchtfoto uit 1970 (figuur 25) is genomen terwijl de ontwikkeling van de Nieuw Neuzenpolder tot industriegebied in volle gang was. Infrastructuur en installaties rukten op. Tussen het plangebied en de Lovenweg liep inmiddels de Herbert H. Dowweg. Ten westen van het plangebied lag een weg die in verband stond met de iets westelijker gelegen zoetwaterfabriek. Niettemin was de onmiddellijke omgeving van het plangebied op dat moment verder nog onbebouwd en nog altijd deels in gebruik als akker. Het plangebied zelf maakte deel uit van een strook waar beplanting was aangelegd. Op een agrarisch perceel ten noordwesten van het plangebied lijkt een noordnoordwest-zuidzuidoost georiënteerd lineair grondspoor waarneembaar (aangegeven met blauwe pijlen op onderstaande figuur), dat niet direct te relateren valt aan elementen op historisch kaartmateriaal. De oriëntatie wijkt af van die van de percelering in de Nieuw Neuzenpolder. Het kan daarom een restant zijn van een ouder, mogelijk antropogeen landschapselement, zoals een dijk, uit een vroegere periode. Dit is echter niet zeker, omdat het verdere verloop van het mogelijke spoor ten noorden en ten zuiden van het betreffende perceel niet valt waar te nemen. Op luchtfoto’s van later datum is de ontwikkeling van het Dow-terrein verder gevorderd en is van agrarisch gebied in de Nieuw Neuzenpolder geen sprake meer.
Hierdoor vallen op het meer recente fotomateriaal geen mogelijke crop- of soilmarks waar te nemen binnen deze polder. Deze recentere luchtfoto’s bevestigen het beeld zoals dat geschetst kon worden op basis van historische gegevens.
48
ARTEFACT RAPPORT 649
HOEK HERBERT H. DOWWEG
Figuur 25 Projectie van het plangebied (in rood) op luchtfoto uit 1970. De blauwe pijlen geven de loop van een vermoedelijk grondspoor aan. Bron: Geoloket Atlas van Zeeland.
49
ARTEFACT RAPPORT 649
2.5
HOEK HERBERT H. DOWWEG
Bouw- en cultuurhistorische waarden
Bouw- en cultuurhistorische waarden Om vast te stellen of binnen, of direct grenzend aan, het plangebied waardevolle bouwhistorische of cultuurhistorische elementen voorkomen, is het Geoloket Cultuurhistorie van de provincie Zeeland geraadpleegd. Hieruit blijkt dat zulke elementen binnen het plangebied niet voorkomen. Ten zuiden van het plangebied, parallel aan de Herbert H. Dowweg, bevinden zich restanten van de Lovendijk uit 1542. In de dijk bevinden zich mogelijk resten van eerdere bedijkingen. Direct ten zuiden van deze dijk staat de Lovenpolder aangegeven, eveneens daterend uit 1542. Verder komen in de directe nabijheid van het plangebied geen bouw- of cultuurhistorische waarden voor. Militair erfgoed De Indicatieve Kaart Militair Erfgoed (IKME) geeft een overzicht van de (verwachte) ligging van resten van ondergronds en bovengronds militair erfgoed (vooralsnog enkel uit de Tweede Wereldoorlog). Raadpleging van de kaart leert dat het plangebied deel uitmaakt van Operatieterrein Breskens, een groot slagveld in Zeeuws-Vlaanderen. In 1944 veroverden de Geallieerden het bruggenhoofd Breskens, een strategisch belangrijk punt in de oversteek naar Walcheren. Archeologisch kan zich dit weerspiegelen in een verspreiding van verschillende munitieartikelen.
Daarnaast kunnen meer statische structuren worden verwacht, zoals resten van stellingen, versperringen, loopgraven, ondersteunende posten e.d. Ook inslagen van granaten en mortieren kunnen worden verwacht, vaak in de vorm van beschadigingen aan bestaande bouw of bomen en als microreliëf. Slagvelden zijn echter alleen globaal af te bakenen en de grenzen van moderne slagvelden zijn diffuus.109 Verder worden op de kaart geen militaire relicten weergegeven binnen, of direct grenzend aan, het plangebied.
109 www.ikme.nl
50
ARTEFACT RAPPORT 649
2.6
HOEK HERBERT H. DOWWEG
Archeologisch verwachtingsmodel
Op basis van de in eerdere paragrafen beschreven informatie over de huidige situatie, de aardwetenschappelijke, de historische situatie en bekende archeologische waarden kan een specifieke archeologische verwachting worden opgesteld. Op basis van de verzamelde aardwetenschappelijke gegevens valt in het plangebied waarschijnlijk pleistoceen dekzand (Formatie van Boxtel) in de ondergrond te verwachten, met hierop Hollandveen, afgedekt door klei- en/0f zandafzettingen behorend tot het Laagpakket van Walcheren. Laatstgenoemde zijn naar verwachting op te delen in Sluiskil- en/of Westerscheldeafzettingen. Het plangebied heeft vanaf de Late Middeleeuwen afwisselend binnen- en buitendijks gelegen. Sinds begin 19de eeuw maakt het deel uit van de Nieuw Neuzenpolder, waarbinnen het als bouwland is gebruikt. In de tweede helft van de 20ste eeuw werd het beplant met bomen en ging het (onbebouwd) deel uitmaken van het Dow-terrein. Het maaiveld ligt in het plangebied op een hoogte van circa 1,30 m +NAP. Hieronder wordt per laagpakket de archeologische verwachting besproken. Enkel perioden met een middelhoge of hoge verwachting zijn in verwachtingstabellen opgenomen.
Pleistoceen landschap – Formatie van Boxtel (Scheldeafzettingen, Schelderestgeulafzettingen, Laagpakket van Wierden) Het is mogelijk dat zich binnen het plangebied archeologische waarden bevinden uit het Paleolithicum. Deze kunnen worden aangetroffen in de Scheldeafzettingen en Schelderestgeulafzettingen in de onderzijde van de Formatie van Boxtel. Dit betreft fluviatiele gelaagde afzettingen waarin, vooral in de laatste fase, sprake is geweest van drogere perioden waarin bodemvorming kon optreden. Ook op andere niveaus in de Formatie van Boxtel, zoals in het dekzand van het Laagpakket van Wierden, kunnen archeologische waarden uit het Paleolithicum worden aangetroffen, voornamelijk in de niveaus waarin bodemvorming heeft plaatsgevonden (paleosols). Archeologische onderzoeken in de omgeving van het plangebied leveren geen aanwijzingen op voor de aanwezigheid van paleosols; DINO-gegevens evenmin. Omdat er zelden een dergelijk niveau met archeologische resten is gevonden, is de verwachting voor deze periode niet hoog, maar middelhoog. Datering
Paleolithicum
Complextype
Algemeen – niet gespecificeerd: bewoning, begraving
Soort vindplaats
Vindplaatsen met alleen een vondststrooiing
Omvang
Klein (nomadische kampen; <50 m2)
Uiterlijke kenmerken
Voorkomen van archeologische indicatoren zoals verbrand bot, vuursteen, verbrande botanische resten. Maar ook indicatoren die niet met zekerheid als antropogeen kunnen worden bestempeld: onbewerkt natuursteen, onverbrand bot, onverbrand botanisch materiaal
Vondstdichtheid
Zeer laag tot laag: < 40 tot 80 per m²
Diepteligging
In dekzand, dieper dan 4,50 m -mv/ 2 m -NAP
Locatie
Hele plangebied
Gaafheid en conservering
Goed: afgedekt landschap met goede bewaarcondities
Mogelijke verstoringen
-
Vindplaatsen uit het Mesolithicum t/m Vroeg-Neolithicum kunnen aanwezig zijn in de top van het pleistocene dekzand. In de wijde omgeving van het plangebied zijn meerdere archeologische waarden uit deze perioden gevonden. Vindplaatsen kunnen bestaan uit kleine nederzettingsterreinen, zogenaamde extractiekampen (5 tot 10 m2), of basiskampen, die een ruimere omvang hebben. Vindplaatsen uit deze periode kenmerken zich voornamelijk door een vondstverspreiding van vuursteen. Ook kunnen ondiepe grondsporen (crematiegraven, haardplaatsen) worden 51
ARTEFACT RAPPORT 649
HOEK HERBERT H. DOWWEG
aangetroffen. De waarde van vuursteenvindplaatsen wordt grotendeels bepaald door de mate van intactheid van het bodemprofiel. De top van het dekzand kan zijn aangetast door erosie. Zolang de mate van intactheid niet in beeld is gebracht, wordt uitgegaan van een hoge verwachting. Vindplaatsen uit het Neolithicum kunnen bestaan uit huizen en erven. Vindplaatsen (huisplaatsen) uit deze periode kenmerken zich door het voorkomen van (dieper ingegraven) grondsporen (paalsporen, afvalkuilen, greppels, waterkuilen) en vondststrooiingen met aardewerk en vuursteen. Net als dit het geval is voor vindplaatsen uit het Mesolithicum, kan bij een verstoring van het bodemprofiel de verwachting voor wat betreft vondststrooiingen naar beneden worden bijgesteld. Indien de verstoring beperkt is tot de bovenzijde van het podzolprofiel, blijft de kans op (dieper ingegraven) archeologische sporen bestaan. Zolang de mate van intactheid van het dekzand niet is vastgesteld, geldt ook alle soorten vindplaatsen uit deze periode een hoge verwachting. Datering
Mesolithicum
Complextype
Algemeen – niet gespecificeerd: bewoning, begraving
Soort vindplaats
Vindplaatsen met alleen een vondststrooiing, ondiepe grondsporen
Omvang
Vuursteenvindplaats: zeer klein tot groot (< 5 m² - enkele honderden m²)
Uiterlijke kenmerken
Voorkomen van archeologische indicatoren zoals verbrand bot, vuursteen, verbrande botanische resten. Maar ook indicatoren die niet met zekerheid als antropogeen kunnen worden bestempeld: onbewerkt natuursteen, onverbrand bot, onverbrand botanisch materiaal
Vondstdichtheid
Zeer laag tot laag: < 40 tot 80 per m²
Diepteligging Locatie
Top dekzand: circa 4,50 m -mv/ vanaf 2 m -NAP Hele plangebied
Gaafheid en conservering
Afhankelijk van mate van erosie
Mogelijke verstoringen
-
Datering
Vroeg-Neolithicum
Complextype
Algemeen – niet gespecificeerd: bewoning, begraving, agrarische productie en voedselvoorziening
Soort vindplaats
Vindplaatsen met zowel grondsporen als een vondststrooiing
Omvang
Huisplaats: 500-2.000 m²
Uiterlijke kenmerken
Voorkomen van archeologische indicatoren zoals aardewerk, verbrand bot, vuursteen, verbrande botanische resten. Maar ook indicatoren die niet met zekerheid als antropogeen kunnen bestempeld worden: onbewerkt natuursteen, onverbrand bot, onverbrand botanisch materiaal
Vondstdichtheid
Zeer laag tot laag: < 40 tot 80 per m²
Diepteligging
Top dekzand: circa 4,50 m -mv/ vanaf 2 m -NAP
Locatie
Hele plangebied
Gaafheid en conservering
Afhankelijk van mate van erosie
Mogelijke verstoringen
-
Veenlandschap – Formatie van Nieuwkoop In het plangebied vormde zich veen vanaf omstreeks het Midden Neolithicum tot en met de Midden IJzertijd. Het zich ontwikkelende veenmoeras zal vrijwel alleen door mensen zijn gebruikt voor activiteiten die van tijdelijke aard waren. Te denken valt aan al of niet rituele deposities of overblijfselen van vervoer (achtergelaten kano, knuppelweg door het 52
ARTEFACT RAPPORT 649
HOEK HERBERT H. DOWWEG
veen). De verwachting op het voorkomen van vindplaatsen uit de periode Midden Neolithicum – Midden IJzertijd in (de onderzijde van) het veen wordt daarom ook laag geacht. Het zijn bovendien puntlocaties, die moeilijk met geijkte onderzoeksmethoden zijn op te sporen, waardoor ook de kans op het aantreffen daarvan bijzonder klein wordt geacht. In de loop van de IJzertijd en in de Romeinse tijd verbeterde de drainage. Theoretisch kunnen vindplaatsen uit deze periodes worden aangetroffen in de top van het veen. Deze kunnen bestaan uit woningen en erven, maar ook uit grafvelden. Vindplaatsen met huisplaatsen uit deze perioden kenmerken zich door het voorkomen van (dieper ingegraven) grondsporen (paalsporen, afvalkuilen, greppels, waterkuilen). Voor wat betreft grafvelden kunnen de sporen uit graven bestaan, maar ook uit grafheuvels, kringgreppels (rond de grafheuvels) en/of palenzettingen. In de wijdere omgeving van het plangebied zijn meerdere resten uit de Romeinse tijd gevonden, ook in het veen. Als gevolg van overstromingen vanaf de Vroege Middeleeuwen kan het veen geërodeerd zijn, maar onderzoeken uit de nabije omgeving van het plangebied hebben uitgewezen dat het veen geregeld nog min of meer intact wordt aangetroffen. Bovendien zijn in de ruime omgeving van het plangebied eerder resten uit de Romeinse tijd waargenomen.
Daarom geldt voor de Late IJzertijd en Romeinse tijd vooralsnog een hoge verwachting. Datering
Late IJzertijd – Romeinse Tijd
Complextype
Algemeen – niet gespecificeerd: bewoning, begraving, infrastructuur, nijverheid, agrarische productie en voedselvoorziening
Soort vindplaats
Vindplaatsen met alleen grondsporen; vondststrooiing mogelijk
Omvang
Huisplaats: 500-2.000 m²; nederzetting: 2.000-8.000 m²
Uiterlijke kenmerken
Voorkomen van archeologische indicatoren zoals aardewerk, verbrand bot, verbrande botanische resten. Maar ook indicatoren die niet met zekerheid als antropogeen kunnen worden bestempeld: onbewerkt natuursteen, onverbrand bot, onverbrand botanisch materiaal; mogelijk voorkomen van leef-, cultuur- of ophooglagen
Vondstdichtheid
Zeer laag tot laag: < 40 tot 80 per m²
Diepteligging
Top Hollandveen: vanaf circa 3,50 m -mv/ 1,40 m -NAP
Locatie
Hele plangebied
Gaafheid en conservering
Afhankelijk van mate van erosie
Mogelijke verstoringen
-
Jong getijdenlandschap – Laagpakket van Walcheren (Sluiskil-/Westerscheldeafzettingen) – Formatie van Naaldwijk Uit het bureauonderzoek is gebleken dat vanaf het laatste kwart van de 2de of het begin van de 3de eeuw n. Chr. de invloed van de zee op de omgeving van het plangebied toenam en het gebied werd afgedekt met Sluiskilafzettingen (Laagpakket van Walcheren, Formatie van Naaldwijk). Dit gebied was in deze vroege periode onbedijkt kwelderlandschap. In de omgeving van het plangebied zijn uit deze periode geen archeologische waarden bekend. Gezien de relatief natte, vrij actieve mariene omstandigheden waaronder de Sluiskilafzettingen zijn ontstaan, wordt de verwachting voor deze periode, de Vroege Middeleeuwen, in eerste instantie laag ingeschat. Na het hoger opslibben van de kwelder kunnen mogelijk wel vindplaatsen (8ste - 10de eeuw) worden aangetroffen op de hoger gelegen delen in het onbedijkte kwelderlandschap. Vanaf de 12de eeuw lag het plangebied in bedijkt gebied. Nadien ontstonden in de nabije omgeving verschillende nederzettingen, zoals Vremdijcke (tweemaal ontstaan op verschillende locaties). Net ten zuiden van het plangebied is in de 16de eeuw een dijk aangelegd. Het plangebied en omgeving is vanaf de Late Middeleeuwen regelmatig – al dan niet moedwillig – geïnundeerd geweest. Vanaf de 17de tot in de vroege 18de eeuw lag het buitendijks.
Gedurende deze perioden hebben Westerscheldeafzettingen mogelijk de Sluiskilafzettingen (deels) geërodeerd, maar dit hoeft niet te betekenen dat eventueel aanwezige laatmiddeleeuwse resten compleet verloren zijn gegaan. Uit eerder onderzoek in de onmiddellijke omgeving van het plangebied is gebleken dat de Sluiskilafzettingen in de omgeving worden 53
ARTEFACT RAPPORT 649
HOEK HERBERT H. DOWWEG
aangetroffen en verwacht mogen worden vanaf een diepte tussen 0,31 en 2,13 m –NAP. Uit dezelfde onderzoeken is echter ook gebleken dat dit niveau vaak niet intact bewaard is gebleven. Daarom is de verwachting voor de Late Middeleeuwen – Vroege Nieuwe Tijd (t/m 16de eeuw) wat betreft het niveau van de Sluiskilafzettingen niet hoog, maar middelhoog. Datering
Late Middeleeuwen – Vroege Nieuwe Tijd
Complextype
Algemeen – niet gespecificeerd: bewoning, begraving, infrastructuur, industrie en nijverheid, agrarische productie en voedselvoorziening, grondstofwinning
Soort vindplaats
Vindplaatsen met alleen grondsporen; mogelijk vondststrooiing; off-site vindplaatsen; lineaire vindplaatsen (weg/dijk)
Omvang
Huisplaats: 500-2.000 m²
Uiterlijke kenmerken
Vondstdichtheid
Voorkomen van archeologische indicatoren zoals aardewerk, verbrand bot, vuursteen, verbrande botanische resten. Maar ook indicatoren die niet met zekerheid als antropogeen kunnen bestempeld worden: onbewerkt natuursteen, onverbrand bot, onverbrand botanisch materiaal; voorkomen van 'vuile' laag of antropogeen doorwerkte bodem/sporen(niveau); voorkomen van leef-, cultuur- of ophooglagen. Zeer laag tot laag: < 40 tot 80 per m²
Diepteligging
Onder Westerscheldeafzettingen: vanaf 0,16 – 2,13 m -NAP
Locatie
Volledige plangebied
Gaafheid en conservering
Mogelijk aangetast door Westerscheldeafzettingen
Mogelijke verstoringen
Diep liggende kabels & leidingen, ontwikkeling t.b.v. industrieterrein
Vanaf de 17de eeuw lag het gebied in onbedijkt slikken- en schorrengebied. Voor de periode vanaf de inpoldering in de Nieuwe Neuzenpolder in de 19de eeuw zijn er voldoende cartografische bronnen voorhanden om vast te kunnen stellen dat zich sindsdien geen bebouwing of infrastructuur binnen het plangebied heeft bevonden. Voor de Nieuwe Tijd vanaf de 17de eeuw geldt dan ook een lage verwachting voor vindplaatsen in de top van de Westerscheldeafzettingen.
54
ARTEFACT RAPPORT 649
HOEK HERBERT H. DOWWEG
3
Inventariserend veldonderzoek
3.1
Methoden
Het voorliggend hoofdstuk omvat de resultaten van het Inventariserend Veldonderzoek door middel van boringen (IVO-O, verkennende fase). In de aanvullende richtlijnen voor archeologisch onderzoek in de provincie Zeeland staat immers beschreven dat het, op basis van het voorafgaand bureauonderzoek, opgestelde archeologisch verwachtingsmodel door een verkennend booronderzoek moet worden getoetst. Het onderzoek is uitgevoerd conform protocol 4003 (IVO-O) van de KNA 4.1, de Aanvullende Richtlijnen van de Provincie Zeeland (2019) en het hiertoe opgestelde Plan van Aanpak110. De strategie en werkwijze is afgestemd op de bovengenoemde richtlijnen en in onderstaande tabel opgenomen: Aantal boringen
6
Grid
Zoveel mogelijk verspreid over het plangebied; hiervan is afgeweken indien nodig, bijv. vanwege kabels & leidingen of bomen
Dichtheid
8 boringen per hectare
Plaats- en hoogtebepaling
RTK-GNSS (GPS & GLONASS, afwijking circa 3-4 m); AHN
Boorgegevens
Digitaal vastgelegd op iPad
Gebruikte codelijsten - standaard
(afgeleide van) ASB (Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode) en ABR (Archeologisch Basis Register)
Boordiepte
3,10 - 4,55 m -mv/ 1,76 – 3,21 m -NAP
Gehanteerde boor Opsporen indicatoren
Edelmanboor (Ø 7 cm), Gutsboor (Ø 3 cm) In het veld visueel door versnijden/verbrokkelen
Monstername
Geen
Oppervlaktekartering
Geen
De boringen zijn zoveel mogelijk over het plangebied verspreid. In verschillende delen van het plangebied is echter niet geboord in verband met veiligheidsstroken (Eis Voorzorgsmaatregel) voor belangrijke dan wel gevaarlijke kabels en leidingen. Ook moest soms een boring worden verplaatst vanwege de aanwezigheid van bomen. Omdat de boringen hebben plaatsgevonden op een bomenrijk terrein, was het GPS-bereik slecht. Hierdoor was het niet mogelijk om in het veld correcte X-, Y- en Z-coördinaten in te meten. Dit heeft tot gevolg dat de X- en Y-coördinaten van de boringen een afwijking van enkele meters kunnen hebben en dat onderstaande boorpuntenkaart slechts de locaties van de boorpunten bij benadering aangeeft. Het Z-coördinaat is na afloop van het veldwerk zo nauwkeurig mogelijk berekend op basis van de AHN-gegevens. Voor het Z-coördinaat zal de afwijking beperkt zijn, omdat in het plangebied geen sprake is van grote hoogteverschillen. Waar mogelijk, zijn de boringen doorgezet tot in het Laagpakket van Wierden. In twee boringen is het Laagpakket van Wierden niet bereikt, omdat deze zijn gestuit op ondoordringbaar hout.
Tijdens het beschrijven van de boringen is specifieke aandacht besteed aan de volgende geologische en bodemkundige kenmerken: de aard, kleur en kalkgehalte van het sediment aard van de laagovergangen (erosieverschijnselen) de genese van de laag 110 Wattenberghe & Van den Berg, 19-10-2021: Plan van Aanpak Inventariserend Veldonderzoek door middel van
verkennende boringen Hoek Herbert H. Dowweg (TNZ00A1064).
55
ARTEFACT RAPPORT 649
HOEK HERBERT H. DOWWEG
bodemvormende kenmerken (bodemvorming/veraarding, ontkalking, rijping e.d.) de diepteligging van het reductievlak De boorpuntenkaart wordt afgebeeld op figuur 26, de boorstaten zijn opgenomen in bijlage 4.
Figuur 26 Boorpuntenkaart op een uitsnede van de Topografische Kaart. Bron: Esri Nederland, Jan Willem van Aalst, www.imergis.nl.
56
ARTEFACT RAPPORT 649
3.2
HOEK HERBERT H. DOWWEG
Geologie en bodem
Het booronderzoek heeft een goed beeld opgeleverd van de bodemopbouw binnen het plangebied. In deze paragraaf worden de resultaten besproken. Laagpakket van Wierden Zoals verwacht is in de meeste boringen (boringen 1, 4, 5 en 6) aan de basis pleistoceen dekzand aangetroffen, behorend tot het Laagpakket van Wierden (Formatie van Boxtel). Dit is zeer fijn zand. De top van het dekzand is in elk geval deels intact: in alle vier gevallen is een B-horizont waargenomen; in één boring (boring 5) wordt de B afgedekt door een AE-horizont. In boring 4 is een dunne A-horizont aanwezig met daaronder een B-horizont gevormd door inspoeling van humus. Het dekzand is aanwezig vanaf circa 3,57 m -mv of 2,12 m -NAP. In boringen 2 en 3 is het dekzand niet bereikt maar in het zuidoostelijke deel van het plangebied lijkt het dekzand net iets dieper gelegen: circa 3,75 m mv of 2,48 m -NAP. Rekening houdend met de (enigszins onzekere maaiveldhoogtes) lijken er geen grote hoogteverschillen te bestaan. boring 6 is de top wel wat dieper gelegen maar mogelijk beperkt aangetast tijdens moerneringswerkzaamheden. Het (restant van een) B-horizont werd daar waargenomen op 4,35 m -mv of 3,01 m NAP. Formatie van Nieuwkoop In vijf van de zes boringen (boringen 1 t/m 5) is een laag veen aangetroffen, behorend tot de Formatie van Nieuwkoop. Dit betreft matig tot sterk amorf bosveen.
Omdat zich in het plangebied geen afzettingen van het Laagpakket van Wormer hebben afgezet, is het onderscheid tussen Basisveen en Hollandveen niet te maken. Intact veen is in boring 3 aangetroffen vanaf 2,30 m -mv/ 0,96 m -NAP. Dit veen bleek sterk amorf, duidelijk goed ontwaterd en veraard veen werd vastgesteld in boring 4 op 2,35 m -mv/ 0,99 m -NAP. Beperkte mate van erosie is dan weer waargenomen in boring 2 waar het veen iets dieper op 2,55 m -mv/ 1,27 m -NAP is gelegen. De dikte van het veen varieert sterk. In boring 4, waar de veraarde top is aangetroffen, is het pakket met 1,22 m het dikst. In boringen 2 en 3 is een dikte vastgesteld van respectievelijk 0,95 en 0,70 m, maar deze twee boringen zijn gestuit op hout. In deze twee boringen, alsook in boring 4, is onder het veen, dan wel onderin het veen, veel hout aanwezig vanaf dieptes van 2,75 – 3,40 m -mv/ 1,41 - 2,12 m -NAP. Het hout valt mogelijk in verband te brengen met een oerbos dat groeide in het veenlandschap in de omgeving van het tegenwoordige Terneuzen (zie paragraaf 2.2.1). In boringen 1 en 5 is de dikte van de veenlaag respectievelijk slechts 0,15 en 0,30 m; in boring 6 is helemaal geen veenlaag meer aanwezig. In deze drie boringen zijn sporen gezien van veenwinning. Het betreft veenextractiekuilen die zijn opgevuld met klei waarin sprake is van veenbrokken (geremanieerd veen).
Laagpakket van Walcheren In het plangebied bestaat de bovenste 2,35 tot 4,35 m uit zandige en kleiige afzettingen die lithostratigrafisch tot het Laagpakket van Walcheren (Formatie van Naaldwijk) kunnen worden gerekend. Er zijn twee pakketten onderscheiden. Het veen wordt afgedekt door zwak tot matig siltige, matig slappe tot vaak stevige (blauw)grijze klei, met soms schelpfragmenten. De top werd in boring 2, 3 en 4 tussen 1,40 en 1,70 m -mv (0,12 tot 0,34 m -NAP) vastgesteld. In boring 3 wijst een 2 cm dik vegetatielaagje op gestagneerde sedimentatie. Duidelijke humeuze of doorwerkte bodems werden in de overige boringen niet vastgesteld tenzij in boring 6 waar vanaf 2,57 m -mv (1,23 m -NAP) een sterk humeus vegetatielaagje een 40 cm dikke humeuze laag met wat veenbrokken afdekt. Beide zijn doorgroeid met rietwortels wat wijst op de natte bodemomstandigheden. Daaronder komt tot 4,35 m -mv (3,01 m -NAP) heterogene klei met veenbrokken voor. Hetzelfde beeld zien we in boring 5 en 1 waar tot respectievelijk 3,30 m -mv (1,82 m -NAP) en 3,60 m -mv (2,33 m -NAP) gelijkaardige heterogene klei met veenbrokken voorkomt. Het betreft moerneringskuilen waarvan de dichtgegooide bovenzijde voorkomt tussen 1,60 en 1,75 m -mv (0,33 tot 0,27 m -NAP). De bovenste afzettingen op de moerneringsklei in boring 1 zijn niet aantoonbaar heterogeen en mogelijk nadien nog afgezet.
Hetzelfde zien we in boring 6 waar de laaggelegen sterk humeuze (en met riet doorgroeide) top van de gedempte moerneringskuil wordt afgedekt door klei met dikke zandlagen waarvan de top op 1,60 m -mv (0,26 m -NAP) is vastgesteld. 57
ARTEFACT RAPPORT 649
HOEK HERBERT H. DOWWEG
Dit onderste kleidek kan lithostratigrafisch geïnterpreteerd worden als oudere afzettingen van het Laagpakket van Walcheren, door Vos benoemd als Sluiskil afzettingen. De top van deze afzettingen werd waargenomen vanaf 1,40 m -mv (0,12 m -NAP). Een duidelijke (antropogeen) doorwerkte bodem of maaiveld werd niet waargenomen, noch enig spoor van cultuurlaag of antropogene indicatoren. Tenminste een deel van dit kleilandschap werd ontgonnen ten behoeve van veenwinning waarna een wellicht onregelmatig cultuurlandschap restte. Dit landschap is afgedekt door licht bruingrijze klei met een sterk variërend gehalte aan silt. Deze klei is over het algemeen lichter van kleur, vertoont roestvlekken en bevat meer silt, soms afgewisseld met zandige lagen of meer zandige klei. De basis van deze afzettingen is vaak ook zandig. Dit pakket kan lithostratigrafisch geïnterpreteerd worden als jongere afzettingen van het Laagpakket van Walcheren, door Vos benoemd als Westerschelde afzettingen. Het betreft kwelderafzettingen (schor) op wadafzettingen (slik). Dit sediment is afgezet in een onbedijkt slikkengebied (wad) dat geleidelijk aan is opgeslibd tot een schor (kwelder) tot het moment van (her)inpoldering in de vroege 19de eeuw. De dikte van dit jonger dek bedraagt 1,40 tot 1,70 meter.
Bouwvoor/Strooisellaag De bovenste 0,25 - 0,45 m vanaf het maaiveld omvat de teelaarde met strooisellaag, bestaande uit stevige, zwak tot matig humeuze, matig tot uiterst siltige bruingrijze tot donkerbruine kalkrijke klei, waarin sprake is van sterke doorworteling.
3.3
Archeologie
Tijdens het veldwerk zijn in geen van de boringen archeologische indicatoren of cultuurlagen aangetroffen. De veenextractiekuilen, aangetroffen in boringen 1, 5 en 6, zijn te interpreteren als archeologische fenomenen. De kuilen zijn na het ontgraven opgevuld met klei met veenbrokken (geremanieerd veen). In boring 1 ligt de top van de vulling op 2,50 m -mv/ 1,23 m -NAP en de bodem van de kuil op 3,60 m -mv/ 2,33 m -NAP. In boring 5 ligt de top van de vulling op 1,75 m -mv/ 0,27 m -NAP en de bodem van de kuil op 3,30 m -mv/ 1,82 m -NAP. In boring 6 ligt de top van de vulling op 3,10 m -mv/ 1,76 m -NAP en de bodem van de kuil op 4,35 m -mv/ 3,01 m -NAP. De vullingen van de extractiekuilen worden afgedekt door afzettingen (kwelderafzettingen op wadafzettingen) van het Laagpakket van Walcheren.
58
ARTEFACT RAPPORT 649
4
Conclusie en advies
4.1
Conclusie: beantwoording onderzoeksvragen
HOEK HERBERT H. DOWWEG
Op basis van de beschikbare aardwetenschappelijke, archeologische en historische gegevens uit het bureauonderzoek werd een gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel opgesteld. Op basis van de resultaten van het uitgevoerde booronderzoek kunnen de onderstaande onderzoeksvragen worden beantwoord en kan het verwachtingsmodel worden bijgesteld en verfijnd. Wat is de geo(morfo)logische situatie binnen het plangebied? Het plangebied maakt deel uit van een pleistoceen dekzandlandschap (Laagpakket van Wierden, Formatie van Boxtel). Het dekzand is aanwezig vanaf 3,57 m -mv of 2,12 m -NAP en vertoont relatief kleine reliëfverschillen. Grofweg vanaf het Neolithicum is door vernatting geleidelijk aan een veenmoeras gegroeid op dit pleistocene landschap (Formatie van Nieuwkoop). Het veen is meer dan 1 meter dik ontwikkeld en werd aangetroffen vanaf 2,30 m -mv of 0,96 m -NAP. Het veen heeft zicht ontwikkeld als bosveen, aan de basis van het veen zijn meerdere boringen gestuit op hout wat laat vermoeden dat zich resten van een oerbos onderin het veen bevinden (of eventueel, maar minder waarschijnlijk, op het pleistoceen dekzand). Een sterk amorfe (en soms veraarde) top maakt duidelijk dat het veen uiteindelijk hoog is opgegroeid en goed ontwaterd. Vanaf de laat Romeinse periode raakte het veenlandschap opnieuw onder invloed van de zee waarbij marien sediment werd afgezet.
Hierin werden twee lagen onderscheiden. Het onderste kleidek kan lithostratigrafisch geïnterpreteerd worden als oudere afzettingen van het Laagpakket van Walcheren, door Vos benoemd als Sluiskil afzettingen. De top van deze afzettingen werd waargenomen vanaf 1,40 m -mv (0,12 m -NAP). Duidelijke sporen van een (antropogeen) doorwerkte bodem werden niet waargenomen. Ee dun vegetatielaagje duidt vermoedelijk het oude maaiveld, rietwortels wijzen op een eerder natte omgeving, wellicht ook te wijten aan antropogene oorzaken. Tenminste een deel van het kleilandschap werd immers ontgonnen ten behoeve van veenwinning. De omgeving van het plangebied werd in de 12de mogelijk 13de eeuw ingepolderd. Het bedijkte middeleeuwse landschap is tijdens de late middeleeuwen echter meerdere keren overspoeld tijdens hevige stormvloeden en telkens opnieuw droog gemaakt. Met de Tachtigjarige Oorlog, de militaire inundaties maar ook daarop volgende stormvloeden kwam het gebied, getuige archivalische bronnen, in het begin van de 17de eeuw voor lange tijd onder invloed van de Westerschelde. Hierbij werd een tweede pakket afgezet dat wordt gekenmerkt door een hoger gehalte aan silt en zand(lagen). Dit sediment is afgezet in een onbedijkt slikkengebied (wad) dat geleidelijk aan is opgeslibd tot een schor (kwelder) tot het moment dat de Nieuw Neuzenpolder in de vroege 19de eeuw werd ingedijkt.
De dikte van dit jonger dek bedraagt 1,40 tot 1,70 meter en kan lithostratigrafisch geïnterpreteerd worden als jongere afzettingen van het Laagpakket van Walcheren, door Vos benoemd als Westerschelde afzettingen. Is de bodem intact of werden verstoringen vastgesteld? Het oorspronkelijke pleistocene maaiveld is in de boringen goeddeels intact aangetroffen op dieptes van 3,57 – 4,35 m -mv/ 2,12 – 3,01 m -NAP. Van het veen is plaatselijk (boring 4) een veraarde top aanwezig op een diepte van 2,35 m mv/ 0,99 m -NAP. Het veen is echter deels (in 3 boringen aangetast door middeleeuwse moerneringsactiviteiten). In de afzettingen van het Laagpakket van Walcheren zijn geen verstoringen vastgesteld, behalve doorworteling door bomen. Verder kan gesteld worden dat binnen een beperkt deel van het plangebied de aanleg van enkele leidingen de bodem zal hebben verstoord. Werden binnen het plangebied (aanwijzingen voor de aanwezigheid van) vindplaatsen vastgesteld? Zo ja, binnen welk deel van het plangebied en op welk niveau/diepte? In boringen 1, 5 en 6, oftewel in het oosten en noordwesten van het plangebied, zijn opgevulde veenextractiekuilen aangetroffen waarvan de top zich (dieper dan) 1,75 m -mv/ 0,27 m -NAP bevindt. Moerneringskuilen zijn exponenten van menselijk handelen. Ze komen echter doorheen heel Zeeland voor en worden als dusdanig ook niet als vindplaats benoemd.
Er zijn verder geen aanwijzingen voor het voorkomen van vindplaatsen aangetroffen, zoals archeologische indicatoren of cultuurlagen. 59
ARTEFACT RAPPORT 649
HOEK HERBERT H. DOWWEG
Bestaat binnen het plangebied een verwachting op het voorkomen van vindplaatsen? Zo ja, binnen welk deel van het plangebied en op welk niveau/diepte? Met andere woorden: kan het verwachtingsmodel uit het bureauonderzoek worden bijgesteld? De top van het dekzand is zo goed als intact aangetroffen. Er werden echter geen podzolbodems, archeologische indicatoren of vondstenlagen aangetroffen waardoor de verwachtingen voor het Paleolithicum, Mesolithicum en Vroeg-Neolithicum tot middelhoog kunnen worden bijgesteld. Er is geen aanleiding om de lage verwachting voor de periode Midden-Neolithicum t/m Midden IJzertijd te wijzigen. Het gebied maakte toen wellicht deel uit van een groot veenmoeras. De hoge verwachting voor Late IJzertijd en Romeinse tijd kan eveneens tot middelhoog worden bijgesteld. Grofweg in het zuidelijke deel van het plangebied is (intact en deels veraard) veen bewaard. Er werden geen aanwijzingen voor vindplaatsen waargenomen maar het landschap bood daartoe wel mogelijkheden. In het noordelijke deel zijn eventuele vindplaatsen mogelijk verstoord door moerneringskuilen. Het is niet uit te sluiten dat deze ook in het zuidelijke deel van het plangebied aanwezig zijn maar dat bleek niet uit te boringen waarbij niet is uit te sluiten dat naast de moerneringskuilen op veendammen is geboord.
Er is geen aanleiding om de lage verwachting voor de Vroege Middeleeuwen bij te stellen. De middelhoge verwachting voor Late Middeleeuwen en Vroege Nieuwe Tijd kan worden bijgesteld naar laag. Voor deze perioden geldt dat op de hoger opgeslibde kwelder (of later in het bedijkte landschap) vindplaatsen kunnen voorkomen. De boringen laten echter een vrij natte omgeving veronderstellen zonder duidelijke (antropogeen doorwerkte) bodems. Verder werden geen vuile lagen, cultuurlagen of archeologische indicatoren aangetroffen. Daarnaast is een deel van dit landschap aangetast door moernering. Ook voor het jonger dek geldt een lage verwachting op het voorkomen van vindplaatsen uit de Midden en Late Nieuwe Tijd is geen aanleiding. Het onbedijkte kwelderlandschap bood geen uitgelezen vestigingsmogelijkheden en cartografische bronnen geven geen enkele aanwijzing voor de mogelijke aanwezigheid van vindplaatsen. Deze omstandigheden veranderen met het inpolderen van de Nieuw Neuzenpolder in het begin van de 19de eeuw. Er is echter voldoende kaartmateriaal dat duidelijk maakt dat het gebied aanvankelijk als bouwland werd gebruikt, in de tweede helft van de 20ste eeuw werd aangeplant met bomen en deel ging uitmaken van het Dow-terrein.
Worden de (vastgestelde of verwachte) archeologische waarden bedreigd door de voorgenomen planontwikkeling? Er geldt enkel een middelhoge verwachting op het voorkomen van vindplaatsen op het pleistoceen dekzand en het veen. Archeologische waarden uit Paleolithicum t/m Vroeg-Neolithicum bevinden zich op, of in, het niveau van het Laagpakket van Wierden, aanwezig op dieptes vanaf 3,57 m -mv/ 2,12 m -NAP. Verwachte archeologische waarden uit de Late IJzertijd en Romeinse tijd bevinden zich op het niveau van het veen van de Formatie van Nieuwkoop, aanwezig op dieptes vanaf 2,30 m -mv/ 0,96 m -NAP. In de voorgenomen planontwikkeling zal het maaiveld in het hele plangebied worden opgehoogd met 0,80 m. Vanaf het nieuwe maaiveld zal vervolgens sprake zijn van ontgravingsdieptes van 0,50 m -mv (0,30 m boven het huidige maaiveld) voor de aanleg van een weg, 1,20 – 2,50 m -mv (0,40 – 1,70 m onder huidige maaiveld) voor de aanleg van kabels, en 1,20 - 2,95 m -mv (0,40 – 2,15 m onder huidige maaiveld) voor verschillende typen bebouwing. Eventueel aanwezige archeologische waarden worden dus niet bedreigd door de voorgenomen graafwerkzaamheden. De nieuwe bebouwing zal echter worden onderheid met palen (volgens voorlopige planvorming). Deze palen reiken tot ruim 10 m-mv en kunnen dus ook mogelijk aanwezige archeologische waarden op het pleistocene dekzand of veen bedreigen.
Is het plangebied in voldoende mate onderzocht? Zo nee, welke vorm van vervolgonderzoek wordt geadviseerd? Deze vraag wordt beantwoord in paragraaf 4.2.
60
ARTEFACT RAPPORT 649
4.2
HOEK HERBERT H. DOWWEG
Advies
In bovenstaande hoofdstukken wordt het archeologisch potentieel binnen het plangebied geïllustreerd. Samengevat kan worden gesteld dat: In, en op, het Laagpakket van Wierden (pleistoceen dekzand) dat voorkomt vanaf 3,57 m -mv (2,12 m -NAP) een middelhoge verwachting geldt op het voorkomen van vindplaatsen uit het Paleolithicum t/m VroegNeolithicum. Op het (Holland/Basis)veen dat voorkomt vanaf 2,30 m -mv (0,96 m -NAP) een middelhoge verwachting geldt op het voorkomen van vindplaatsen uit de Late IJzertijd en/of Romeinse tijd. In, en op, de afzettingen van het Laagpakket van Walcheren (die dagzomend voorkomen en een totale dikte hebben van minimaal 2,30 m) een lage verwachting bestaat op het voorkomen van vindplaatsen uit de (Vroege) middeleeuwen tot en met de Nieuwe Tijd. Om die reden wordt geadviseerd om binnen het plangebied geen graafwerkzaamheden uit te voeren die dieper reiken dan 0,75 m -NAP (hoogste ligging van het veen + buffer van 20 cm). Ten opzichte van het maaiveld betekent dit het volgende: de maaiveldhoogte in het plangebied varieert tussen 1,20 en 1,40 m +NAP. Het plangebied is duidelijker lager gelegen dan de industriële en bebouwde omgeving en wordt daarom opgehoogd tot 2,10 m+NAP. Na ophogen van het terrein met gemiddeld 0,80 meter impliceert dit dus geen graafwerkzaamheden dieper dan 2,85 mmv.
Figuur 27 Advieskaart op een uitsnede van de Topografische Kaart. Bron: Esri Nederland, Jan Willem van Aalst, www.imergis.nl.
61
ARTEFACT RAPPORT 649
HOEK HERBERT H. DOWWEG
Indien toch graafwerkzaamheden worden voorzien die dieper reiken dan 2,85 m-mv wordt vervolgonderzoek noodzakelijk geacht. Conform de AMZ-cyclus (Archeologische Monumenten Zorg cyclus) dient het vervolgonderzoek te bestaan uit een karterend en/of waarderend inventariserend veldonderzoek. Gezien de aard van de verwachte vindplaatsen (zowel kleine vindplaatsen met louter vondststrooiingen maar ook middelgrote vindplaatsen met grondsporen, mogelijk zonder vondstenlaag) is het uitvoeren van een Inventariserend Veldonderzoek door middel van proefsleuven (protocol 4003 IVO-P, karterende en waarderende fase) de meest geschikte onderzoeksmethode. Tijdens een dergelijk gravend onderzoek kan de daadwerkelijke aan- of afwezigheid van vindplaatsen, en de behoudenswaardigheid daarvan, vastgesteld worden. Op basis daarvan kan de bevoegde overheid een selectiebesluit nemen: vrijgeven, behoud in situ of opgraven. Desgewenst kan dit onderzoek onder de variant Archeologische Begeleiding worden uitgevoerd waarbij de civiele werkzaamheden gecombineerd worden met het archeologisch onderzoek. De initiatiefnemer wil binnen het plangebied een bestaand transformatorstation gefaseerd uitbreiden. Hiertoe wordt een ruimtelijke procedure gevoerd waarin wel de gewenste eindsituatie is vastgelegd maar nog niet alle inrichtingsdetails bekend zijn.
Voorliggend advies is afdoende in het kader van de ruimtelijke procedure maar het ontbreken van de inrichtingsdetails impliceert dat de (gedetailleerde) plannen bij het daadwerkelijk aanvragen van de omgevingsvergunning (voor elke fase) door (de adviseur van) de bevoegde overheid moeten worden getoetst aan het archeologiebeleid en het resultaat/advies in voorliggend rapport. Vooralsnog zijn de inrichtingsplannen voor Fase 1 bekend. De meest diepe graafwerkzaamheden ten behoeve van de nieuwe inrichting in Fase 1 reiken tot 2,80 m -mv. Dit betekent dat hierbij geen archeologische waarden worden bedreigd en vervolgonderzoek niet noodzakelijk wordt geacht. De nieuwe bebouwing zal echter worden gefundeerd op geschroefde stalen. De impact van heipalen hangt samen met de dichtheid en het soort heipalen dat wordt gehanteerd. De impact van niet-grondverdringende palen op eventueel aanwezige vindplaatsen wordt dikwijls aanvaardbaar geacht, net als de impact van sommige grondverdringende palen (bijv. heipalen). In de Handreiking Archeologievriendelijk Bouwen van de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed uit 2016111 wordt onder meer ingegaan op funderingspalen en potentiële oplossingen om (funderings-)plannen archeologievriendelijk(er) te maken.
Hier wordt onder meer geadviseerd om het aantal palen te minimaliseren en zoveel mogelijk gebruik te maken van palen die de bodem zo weinig mogelijk verstoren (grondvervangende palen). In slappe klei- of veenbodems kunnen grondverdringende palen eventueel wel toegepast worden, dus mogelijk ook binnen het plangebied. Er wordt geadviseerd om grondverdringende schroefpalen en groutinjectiepalen altijd te vermijden. Verder is het wenselijk de tussenafstand tussen palen zo groot mogelijk te houden (minimaal 4 meter). Tot slot wordt gesteld dat de oppervlakte van de verstoring van vindplaatsen door palen beter niet meer dan 2 % van de oppervlakte van de vindplaats kan bedragen om de schade aan de vindplaats te beperken. Groenendijk 112 daarentegen beargumenteerd in zijn proefschrift dat sommige grondverdringende palen (geslagen heipalen of geschroefde (buis)palen in sommige bodemsoorten) beter zijn en zorgen voor minder informatieverlies bij archeologische vindplaatsen dan grondvervangende palen. Bijvoorbeeld omdat daarmee het archeologisch materiaal in de bodem behouden blijft . Hij geeft echter ook aan dat de verstoring bij grondverdringende palen groter is dan bij grondvervangende palen maar omdat de paaldiameter kleiner is bij grondverdringende palen is daarmee uiteindelijk ook het totale verstoringsoppervlak kleiner.
Kortom, er zijn meerdere aspecten die een rol spelen bij het beoordelen van de impact van een (hei)palenplan op archeologische vindplaatsen. Ten tijde van het opstellen van voorliggend rapport was alleen een palenplan van fase 1 (de transformatorcellen en de onderstations) beschikbaar (zie bijlage 4). Voor deze gebouwen worden grondverdringende geschroefde stalen buispalen voorzien die worden opgevuld met een betonmengsel. Deze zijn niet gelijkmatig over de betreffende gebouwoppervlak verdeeld, maar zullen dichter opeen staan waar de zwaarste druk
111 Roorda & Stover 2016.
112
Groenendijk 2021
62
ARTEFACT RAPPORT 649
HOEK HERBERT H. DOWWEG
zal worden uitgeoefend (soms zo dicht als 0,80 tot 1,2 m uit elkaar). In de overige delen staan de palen circa 3 tot 4 meter uit elkaar. Een gedetailleerd overzocht wordt gegeven in hoofdstuk 1.3 (zie ook bijlage 4 voor het palenplan). De benodigde paaldikte bedraagt 324 mm, onder de transformatorcel (oppervlak 232 m²) zijn 68 palen voorzien waardoor deze gezamenlijk 5,57 m2 innemen, oftewel 2,4 procent van het totale oppervlak van het betreffende gebouw. Onder het onderstation (of schakelhal, oppervlak 268 m²) zijn 58 palen voorzien waardoor deze gezamenlijk 4,75 m2 innemen (0,082 m² per paal), oftewel 1,8 procent van het totale oppervlak van het betreffende gebouw. Hoewel de dichtheid van de palen bij deze gebouwen dichter is dan als wenselijk is beschreven in bovengenoemde handreiking wordt geadviseerd deze werkzaamheden te vergunnen zonder verdere onderzoeksplicht. Het betreft immers een klein percentage (gemiddeld 2,1 %) van een klein oppervlak (232 en 268 m²) dat wordt verstoord. Bovendien zijn de genoemde laagpakketten diep onder het huidige maaiveld gesitueerd en zijn er geen vindplaatsen (of enige aanwijzing daartoe) aangetoond. Vooralsnog bestaat enkel een verwachting. Bovendien impliceert het palenplan niet dat toekomstig archeologisch onderzoek op deze locatie onmogelijk wordt gemaakt.
De palen staan voldoende ver uit elkaar om er met de kraan tussendoor te kunnen graven, die delen waar de palen dicht op elkaar staan zijn in oppervlakte beperkte clusters, en de te onderheien delen vormen bovendien slechts kleinere delen van het totale plangebied. De impact van de geplande (schroefpalen)werkzaamheden op het bodemarchief wordt dan ook aanvaardbaar geacht en vervolgonderzoek wordt niet noodzakelijk geacht. Merk op dat de dubbelbestemming waarde archeologie in het nieuwe bestemmingsplan wel moet worden behouden in het volledige plangebied en dat bij gewijzigde planvorming (voor Fase 1) of bij de toekomstige ontwikkelfase 2, 3 en 4 de gedetailleerde inrichtingsplannen moeten worden voorgelegd aan de bevoegde overheid bij het daadwerkelijk aanvragen van de omgevingsvergunning. De inrichtingsplannen moeten dan (voor elke fase) door (de adviseur van) de bevoegde overheid worden getoetst aan het archeologiebeleid en de onderzoeksresultaten/advies in het voorliggend rapport. Op basis daarvan kan worden bepaald of voor deze fase nader archeologisch onderzoek noodzakelijk is (zie boven). Verder dient het volgende opgemerkt. Het is nooit uit te sluiten dat in die delen waar geen vervolgonderzoek is gepleegd, toch relevante archeologische vindplaatsen in de bodem verborgen zijn, die in de uitvoeringsfase van de toekomstige graafwerkzaamheden aan het licht komen.
Voor dergelijke vondsten bestaat een wettelijke meldingsplicht op grond van artikel 5.10 van de Erfgoedwet (2016). Om ervoor te zorgen dat aan deze wettelijke plicht wordt voldaan bij het eventueel aantreffen van sporen en/of vondsten tijdens de uitvoering van de werkzaamheden, wordt verzocht om navolgende tekst in het uitvoeringsbestek op te nemen: Archeologie Ook daar waar tijdens vooronderzoek geen behoudenswaardige archeologische waarden zijn aangetroffen, is niettemin de kans aanwezig dat archeologische sporen en vondsten in de bodem aanwezig zijn en dat deze in de uitvoeringsfase van de graaf- en inrichtingswerkzaamheden aan het licht komen. Voor dergelijke vondsten bestaat een wettelijke meldingsplicht ex. artikel 5.10 van de Erfgoedwet uit 2016. Bij graafwerkzaamheden dient men dan ook attent te zijn op eventuele vondsten. Opdrachtgever verplicht de aannemers om attent te zijn op eventuele vondsten en/of sporen tijdens de werkzaamheden en verplicht hen archeologische vondsten direct te melden bij de bevoegde overheid. Meer specifiek dient ook het volgende te worden vermeld: het is niet uit te sluiten dat in de ondergrond resten van een oerbos (boomstronken) aanwezig zijn en dat deze bij heiwerkzaamheden worden aangetroffen.
Mochten heipalen onverhoopt ‘vastlopen’ op deze bomen en er dienen graafwerkzaamheden te worden verricht dan wordt geadviseerd dit te doen onder toezicht van een archeoloog. Hiervoor kan desgewenst het protocol Realisatievondsten worden gehanteerd. Dergelijk Plan van Aanpak Realisatievondsten is bedoeld als handreiking aan alle partijen die grondwerkzaamheden verrichten, die op basis hiervan duidelijk inzichtelijk krijgen hoe te handelen bij het aantreffen van mogelijke/vermoedelijke archeologische resten die tijdens uitvoeringswerkzaamheden aan het licht komen.
63
ARTEFACT RAPPORT 649
HOEK HERBERT H. DOWWEG
Lijst met figuren Figuur 1 Ligging in Nederland. Bron: Esri Nederland, Community Map Contributors 2020......................................... 8 Figuur 2 Ligging van het plangebied op een uitsnede van de Topografische Kaart. Bron: Esri Nederland, Jan Willem van Aalst – www.imergis.nl. ....................................................................................................................................... 11 Figuur 3 Ligging van het plangebied (in zwart) op de Vrijstellingenkaart Gemeente Terneuzen 2017. Bron: De Visser & De Weerd 2017; Esri Nederland, Community Map Contributors 2020. ..................................................... 13 Figuur 4 Projectie van het plangebied op een uitsnede van de luchtfoto (2020). Bron: Esri Nederland, Beeldmateriaal.nl. ..................................................................................................................................................... 15 Figuur 5 Paleogeografische ontwikkeling Zeeland. Blauwe stip: ligging plangebied. Bron: Vos & De Vries 2013. ..... 20 Figuur 6 Kaart van Oost-Zeeuws-Vlaanderen met de verschillende inbraakgeulen ten gevolge van stormvloeden en militaire inundaties in de 16de eeuw. De rode ster markeert de ligging van het plangebied. Bron: De Kraker 1997: 213, naar Van Rummelen 1977a.