CConstaterende datTerneuzen
Koppel je AI →
Document · PDF

2022-11-30 - Bijlage 3 Bijlagen bij toelichting geanon.

gemeenteraad 15 december 2022, gemeente TerneuzenBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan 'Dow, Mosselbanken en Logistiek Park, uitbreiding transformatorstation'29.287 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

Dow, Mosselbanken en Logistiek Park, uitbreiding transformatorstation Gemeente Terneuzen Opdrachtgever Stedin Netbeheer B.V.

identificatie

planstatus

identificatiecode:

datum:

status:

NL.IMRO.0715.BPIDM06-VG01

23-11-2021 17-2-2022 28-6-2022

concept voorontwerp ontwerp vastgesteld

projectnummer:

040551.20201792 opdrachtleider:

mr. ir. H. Wenting

2

Inhoudsopgave

Bijlagen toelichting

3

Bijlage 1

M.e.r.-beoordeling

5

Bijlage 2

Stroomschema Archeologie

279

Bijlage 3

Archeologisch onderzoek

283

Bijlage 4

Verkennend bodemonderzoek

369

Bijlage 5

Aanmeldformulier watertoets

435

Bijlage 6

Akoestisch onderzoek

443

Bijlage 7

Advies zonebeheerder

525

Bijlage 8

Soortenonderzoek

531

Bijlage 9

Ontheffing Wnb soorten

547

Bijlage 10

Advies Veiligheidsregio

567

Bijlage 11

Antwoordnota zienswijzen (dummy)

571

Rho adviseurs voor leefruimte

040551.20201792

3

Bijlagen toelichting

Rho adviseurs voor leefruimte

040551.20201792

4

Rho adviseurs voor leefruimte

040551.20201792

5

Bijlage 1

M.e.r.-beoordeling

Rho adviseurs voor leefruimte

040551.20201792

UITBREIDING TRANSFORMATORSTATION H.H. DOWWEG Vormvrije m.e.r.- beoordeling 28 juni 2022

1/20

DATUM KENMERK

28 juni 2022 040551.20201792

PROJECT PROJECTLEIDER

Uitbreiding transformatorstation H.H. Dowweg mr. ir. H. Wenting

OPDRACHTGEVER Stedin Netbeheer B.V. PROJECTNUMMER AUTEUR Buddy de Groot STATUS Definitief

2/20

INHOUD 1.

2.

3.

4. 5. 6.

3/20

Inleiding

4

1.1 1.2 1.3

4 4 5

Aanleiding Wat houdt een m.e.r.- beoordeling in? Leeswijzer

Plaats en kenmerken van het project

6

2.1 2.2

6 11 11 11 12

Plaats van het project Kenmerken van het project 2.2.1 Locatiekeuze 2.2.2 De beoogde ontwikkeling 2.2.3 Verkeer en parkeren

Kenmerken van de milieueffecten

13

3.1 3.2

Verkeer en parkeren Geluid 3.2.1 Industrielawaai

13 13 13

3.3 3.4 3.5

Luchtkwaliteit Externe Veiligheid Bodem en Water 3.5.1 Bodem 3.5.2 Water

13 14 14 14 14

3.6

Ecologie 3.6.1 Natura 2000 3.6.2 Natuurnetwerk Zeeland 3.6.3 Herplanten houtopstanden 3.6.4 Soortenbescherming

15 15 15 15 15

3.7

Cultuurhistorie en archeologie 3.7.1 Cultuurhistorie 3.7.2 Archeologie

16 16 16

3.8

Sloop- en aanlegwerkzaamheden

16

Mitigerende maatregelen Conclusie Bijlage

18 19 20

6.1 6.2 6.3 6.4 6.5

20 20 20 20 20

Bijlage 1 Stroomschema Archeologie Bijlage 2 Archeologisch onderzoek Bijlage 3 Verkennend bodemonderzoek Bijlage 4 Akoestisch onderzoek Bijlage 5 QuickScan; soortenonderzoek

1. INLEIDING 1.1

Aanleiding

Het transformatorstation aan de H.H. Dowweg in Terneuzen wordt uitgebreid. In fases worden er 6 nieuwe transformatoropstellingen geplaatst. Deze uitbreiding heeft twee redenen. In de eerste plaats wordt op het terrein van de Mosselbanken een zonnepark ontwikkeld. Om de door dit park geproduceerde stroom op het elektriciteitsnet te kunnen brengen, dient de capaciteit van het transformatorstation te worden uitgebreid. Daarnaast is het nodig om de capaciteit van het bestaande transformatorstation uit te breiden in verband met toekomstige ontwikkelingen op het terrein van Dow of in de directe omgeving. Zoals lokaal opgewekte duurzame energie en het aansluiten van nieuwe bedrijven. Het totaal opgesteld elektrisch vermogen van het transformatorstation zal gefaseerd ongeveer 490MVA bedragen. Op basis van de huidige regels met betrekking tot storingsreserve geldt dat het totaal vermogen dat tegelijkertijd in bedrijf is, ten hoogste 345MVA zal bedragen. In overleg met Dow, als eigenaar van de omliggende gronden, en de gemeente Terneuzen, is een locatie bepaald voor de uitbreiding van het transformatorstation direct grenzend aan het bestaande transformatorstation: in de huidige landschappelijke inpassing van het Dow-terrein aan de H.H. Dowweg, ter hoogte van de Elstacentrale.

Op basis van de geldende beheersverordening is de realisatie van het transformatorstation op deze locatie niet mogelijk. Aan de locatie is het besluitvlak 'Groen' toegekend. Om de beoogde ontwikkeling mogelijk te maken wordt een nieuw bestemmingsplan opgesteld. In het Besluit milieueffectrapportage is de bijlage in categorie D (sectie D 11.3) opgenomen dat de aanleg, wijziging of uitbreiding van een industrieterrein m.e.r.-beoordelingsplichtig is in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 75 hectare of meer. De beoogde ontwikkeling blijft ruim onder deze drempelwaarden (0,76 hectare). Dit betekent dat kan worden volstaan met een zogenaamde 'vormvrije m.e.r.-beoordeling'. Dit document bevat deze beoordeling.

1.2

Wat houdt een m.e.r.- beoordeling in?

In een m.e.r.- beoordeling wordt getoetst of een m.e.r. procedure doorlopen moet worden. De wettelijke regeling voor de m.e.r.-beoordeling gaat uit van het principe 'nee, tenzij'. Dat wil zeggen, een volwaardige m.e.r.-procedure is alleen noodzakelijk als sprake is van 'belangrijke nadelige gevolgen' die het betreffende project voor het milieu kan hebben. Daarbij moet het bevoegd gezag rekening houden met de omstandigheden zoals aangegeven in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling, te weten: ● ● ●

de plaats van het project; de omvang van het project; de kenmerken van de potentiële milieueffecten (in samenhang met de eerste twee criteria).

Het bevoegd gezag dient een m.e.r-beoordelingsbeslissing te nemen, waarin wordt aangegeven of wel of geen MER nodig is, gelet op de omvang van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële (milieu)effecten en mogelijke mitigerende maatregelen. Deze beslissing wordt als bijlage bij het bestemmingsplan opgenomen.

4/20

1.3

Leeswijzer

Deze m.e.r.-beoordelingsnotitie: ● ● ●

beschrijft in hoofdstuk 2 de plaats en omvang van het project; licht in hoofdstuk 3 de verwachte effecten voor de verschillende milieueffecten toe; geeft ten slotte in hoofdstuk 4 de conclusie weer voor de m.e.r.-beoordeling.

Bij de analyse in hoofdstuk 2 en 3 is gebruik gemaakt van informatie uit de onderzoeken welke te vinden zijn in de bijlagen.

5/20

2. PLAATS EN KENMERKEN VAN HET PROJECT 2.1

Plaats van het project

De beoogde locatie van het nieuwe transformatorstation ligt tussen de H.H. Dowweg en de Elstacentrale, aan de zuidzijde van Dow Benelux. Het perceel wordt ontsloten via de inrit van Ravago en de inritten van Air Liquide BV. De ligging is weergegeven in figuren 2.1 en 2.2. Het plangebied maakt op dit moment deel uit van de landschappelijke inpassing van het Dow-terrein aan de H.H. Dowweg en bestaat uit een met bomen beplant perceel. Het gaat om een gebied van ongeveer 7.600 m².

Figuur 2.1 Ligging plangebied

Figuur 2.2 Weergave plangebied

6/20

Archeologie Het plangebied kent in de beheersverordening Dow, Mosselbanken en Logistiek Park (vastgesteld op 2013-06-25) 'WaardeArcheologie-1' en 'Waarde-Archeologie-2'. Op gronden met de functie 'Waarde-Archeologie-1' is bij bodemingrepen dieper dan 50 centimeter en groter dan 100 m² een archeologisch onderzoek noodzakelijk waarin aangetoond wordt dat er geen archeologische waarden geschaad worden door de ontwikkelingen. Voor de gronden met de functie 'Waarde-Archeologie2' geld dit voor bodemingrepen dieper dan 50 centimeter en groter dan 500 m². Het deel van het plangebied waar de functie 'Waarde-Archeologie-1' geldt betreft een zeer smalle strook aan de westkant van het plan. Zie figuur 2.3.

Figuur 2.3 Waardes archeologie 1 en 2 binnen plangebied (ruimtelijkeplannen.nl)

Cultuurhistorie De cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Terneuzen bestaat uit drie kaartbladen: 'behoud', 'behoud door ontwikkeling' en 'vernieuwing mogelijk'. Voor het beoogde transformatorstation is het kaartblad 'behoud' van belang. Voor het plangebied geldt de volgende strategie; het plangebied is onderdeel van het gebied 'Grootschalige industrieel-logistieke complexen'. Deze complexen bestaan uit de vestigingen van Dow en het Valuepark in het noorden, de concentratie rond Yara en de Axelse Vlakte bij Sluiskil en de bedrijvigheid rondom Cargill bij Sas van Gent. Deze complexen hebben een zodanig economische waarde voor de gemeente Terneuzen en Zeeuws-Vlaanderen dat het functioneren van deze bedrijvigheid bescherming verdient. De bedrijfsvoering van deze bedrijven wordt beschermd tegen ruimtelijke ontwikkelingen in de directe omgeving die de bedrijfsvoering kunnen beperken. Zie figuur 2.4.

Figuur 2.4 Cultuurhistorische waardenkaart (gemeente Terneuzen)

7/20

Milieugevoelige gebieden Het plangebied is geen onderdeel van een stiltegebied. Het dichtstbijzijnde stiltegebied bevindt zich ongeveer 466 meter ten westen van het plangebied. Zie figuur 2.5.

Figuur 2.5 Plangebied en ligging Stiltegebied (atlasleefomgeving)

Het plangebied is geen onderdeel van het natura 2000 netwerk. Het dichtstbijzijnde natura 2000 gebied bevindt zich ongeveer 2000 meter ten noorden van het plangebied. Zie figuur 2.6.

Figuur 2.6 Plangebied en ligging Natura 2000 (atlasleefomgeving)

8/20

Ten slotte is het plangebied geen onderdeel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Het dichtstbijzijnde NNN gebied bevindt zich ongeveer 60 meter ten zuiden van het plangebied. Zie figuur 2.7.

Figuur 2.7 Plangebied en ligging NNN gebied (provincie Zeeland)

Het plangebied is geen onderdeel van een grondwaterbeschermingsgebied. Het dichtstbijzijnde grondwaterbeschermingsgebied ligt ongeveer 20 km ten zuidoosten van het plangebied. Zie figuur 2.8.

Figuur 2.8 plangebied en ligging grondwaterbeschermingsgebied (provincie Zeeland)

9/20

Verontreiniging, hinder, risico van zware ongevallen en rampen, risico’s voor de menselijke gezondheid Deze thema’s komen mede aan bod in het volgende hoofdstuk. Cumulatie met andere projecten Voor zover bekend zijn er geen redelijkerwijs te verwachten toekomstige ontwikkelingen in de buurt waarmee cumulatie verwacht kan worden.

10/20

2.2

Kenmerken van het project

2.2.1 Locatiekeuze De locatie ten westen van het huidige transformatorstation is niet beschikbaar voor het beoogde transformatorstation van Stedin Netbeheer B.V. omdat deze locatie ook in beeld is voor plannen van Dow op weg naar CO2-neutraliteit. Deze locatie maakt namelijk deel uit van de plannen voor de realisatie van een waterstoffabriek. Omdat een locatie grenzend aan het huidige transformatorstation noodzakelijk is, wordt het stuk grond aan de oostzijde van het huidige transformatorstation geschikt geacht om zo de ontwikkeling van een nieuw transformatorstation van Stedin Netbeheer B.V. te faciliteren. 2.2.2 De beoogde ontwikkeling Om uitbreiding van het transformatorstation mogelijk te maken zal de aanwezige beplanting worden gerooid en elders worden gecompenseerd. De oppervlakte houtopstanden die wordt gerooid zal krachtens de Wet natuurbescherming moeten worden herplant. Herplant dient binnen 3 jaar na het rooien van de beplanting plaats te vinden. In overleg met Dow, provincie, gemeente en Staatsbosbeheer is bezien waar herplant van de betreffende oppervlakte houtopstanden mogelijk is. Het transformatorstation bestaat (in de eindfase) uit 6 transformatoropstellingen met een maximale bouwhoogte van 8 meter en 4 gebouwen met technische installaties (zie figuur 2.9). De totale opstelling heeft een elektrisch vermogen van 4x 100MVA + 2x 45MVA = 490MVA.

Vanwege de huidige regels met betrekking tot storing-reserve bedraagt het totale vermogen dat tegelijkertijd in bedrijf is ten hoogste 3x 100MVA + 1x 45MVA = 345MVA. De transformatoropstellingen zijn voorzien van zogenoemde bliksempieken van maximaal 15 meter hoog. De beoogde gebouwen en transformatoropstellingen zullen gefaseerd worden gerealiseerd. Bij de realisatie van het transformatorstation zullen met name langs de (noord)oostrand van het plangebied nieuwe bomen worden ingeplant waarmee het zicht op de achterliggende Elstacentrale deels wordt ontnomen (zie figuur 2.10).

Figuur 2.9 Schetsontwerp beoogde ontwikkeling (Stedin Netbeheer B.V.)

11/20

Figuur 2.10 Zijaanzicht transformatoropstelling (Stedin Netbeheer B.V.)

2.2.3 Verkeer en parkeren Verkeer Het nieuwe transformatorstation wordt ontsloten via de Herbert H. Dowweg. De Herbert H. Dowweg is een gebiedsontsluitingsweg waar een maximum snelheid geldt van 80 km/uur. Fietsers maken langs deze weg gebruik van een vrij-liggend fietspad. De Herbert H. Dowweg sluit aan de oostzijde aan op de rotondes van de N252 van/naar de N62 richting Westerscheldetunnel/Goes en Sluiskil/Gent en de stad Terneuzen. Het transformatorstation is onbemand. In de gebruiksfase bestaat de verkeersgeneratie uitsluitend uit voertuigbewegingen in verband met inspectie, onderhoud, beheer van het transformatorstation. Het gaat hierbij om: ● ●

inspectieronde: 1x per 2 weken, 1 dag, 1 tot 2 man; onderhoud: 1x per jaar, 1 week, 2 man.

Dit komt neer op een verkeersgeneratie van 0,091 mvt/etmaal. De verkeersbewegingen zullen opgaan in het huidige verkeersbeeld en hebben geen gevolgen voor de verkeersafwikkeling. Parkeren In het stedenbouwkundig plan worden 8 parkeerplaatsen op eigen terrein opgenomen. Hiermee voorziet het plan in ruime mate de parkeerbehoefte. Parkeren vindt op eigen terrein plaats. De zeer beperkte toename van de verkeersintensiteit als gevolg van de beoogde ontwikkeling, zal geen gevolgen hebben voor de verkeersafwikkeling op de H.H. Dowweg. Hiermee worden vanuit de aspecten verkeer en parkeren geen negatieve effecten verwacht.

12/20

3. KENMERKEN VAN DE MILIEUEFFECTEN In dit hoofdstuk worden de belangrijkste milieueffecten van de beoogde ontwikkeling beschreven. Het is gebruikelijk de milieueffecten van de beoogde situatie te vergelijken met de referentiesituatie. De referentiesituatie bestaat uit de huidige situatie inclusief autonome ontwikkelingen. De effectbeoordeling in dit hoofdstuk is gebaseerd op de informatie uit de ruimtelijke onderbouwing dat voor de beoogde ontwikkeling is opgesteld.

3.1

Verkeer en parkeren

De toename aan verkeersgeneratie bedraagt maximaal 0,091 mvt/etmaal. De bestaande infrastructuur in de omgeving zal het extra verkeer hierdoor zonder problemen kunnen afwikkelen. In het stedenbouwkundig plan worden 8 parkeerplaatsen op eigen terrein opgenomen. Hiermee voorziet het plan in ruime mate de parkeerbehoefte. Negatieve effecten als gevolg van de beoogde ontwikkeling kunnen zodoende worden uitgesloten.

3.2

Geluid

Gezien de minimale toename in verkeer worden nadelige milieugevolgen voor het aspect (verkeers)geluid uitgesloten. Alleen industrielawaai wordt nader bekeken. 3.2.1 Industrielawaai Er is akoestisch onderzoek uitgevoerd naar de geluidbelasting in de omgeving van de op te richten inrichting (Peutz, 17 februari 2022), zie bijlage 4. Uit het onderzoek blijkt dat de geluidbijdrage van het HS-station maximaal 24 dB(A) etmaalwaarde op de zonegrens bedraagt. Deze waarde is 26 dB lager dan de totale, voor gehele industrieterrein ter plaatse toegestane waarde en is daarmee volledig verwaarloosbaar. De hoogste geluidbelasting treedt op tijdens fase 1, waarbij de huidige transformatoren TR51 en TR52 nog in bedrijf zijn. In de latere stadia van de uitbreiding (fase 2 t/m 4) is de geluidbelasting lager omdat de nieuw te plaatsen transformatoren aanmerkelijk stiller zijn dan de bovengenoemde trafo's. Ter plaatse van de woningen in de zone waarvoor een MTG is vastgesteld, bedraagt de geluidbijdrage van het station ten hoogste 45 dB(A) etmaalwaarde. Deze bijdrage is 16 dB lager dan de totale, voor het gehele industrieterrein toegestane waarde en is daarmee eveneens nagenoeg verwaarloosbaar. Gelet op de berekende geluidniveaus op de zonegrens en bij de MTG-woningen, mag worden aangenomen dat voor alle uitbreidingsfasen sprake is van een vergunbare situatie.

3.3

Luchtkwaliteit

De verkeersgeneratie van de beoogde ontwikkeling bedraagt maximaal 0,091 mvt/etmaal, waarvan 0% zwaar verkeer. De maximale bijdragen als gevolg van deze verkeersgeneratie zijn berekend met behulp van de NIBM-tool (tabel 3.1). De maximale bijdrage voor NO2 bedraagt 0,00 µg/m³. Voor PM10 bedraagt de maximale bijdrage 0,00 µg/m³. Uit de berekening blijkt dat de beoogde ontwikkeling ‘niet in betekende mate’ bijdraagt aan de concentratie luchtverontreinigende stoffen en is vrijgesteld van toetsing aan de grenswaarde.

13/20

Tabel 3.1

In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het projectgebied gegeven. Dit is gedaan aan de hand van de NSL-monitoringstool 2018 die bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit hoort. De dichtstbijzijnde maatgevende weg betreft de Herbert H. Dowweg ten zuiden van het projectgebied. Uit de NSL-monitoringstool blijkt dat in 2020 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijn stof langs deze Herbert H. Dowweg ruimschoots onder de grenswaarden lagen. De concentraties luchtverontreinigende stoffen voor deze weg bedroegen in 2020; 15.9 µg/m3 voor NO2, 15.4 µg/m3 voor PM10 en 7.6 µg/m3 voor PM2,5. Het aantal overschrijdingsdagen van de 24-uur gemiddelde concentratie PM10 bedroeg 6.0 dagen. Aangezien direct langs deze weg ruimschoots aan de grenswaarden wordt voldaan, zal dit ook ter plaatse van het projectgebied het geval zijn. Concentraties luchtverontreinigende stoffen nemen immers af naarmate een locatie verder van de maatgevende weg ligt. Negatieve effecten als gevolg van de beoogde ontwikkeling kunnen zodoende worden uitgesloten.

3.4

Externe Veiligheid

De beoogde ontwikkeling betreft geen risicobron en zal dan ook geen negatief effect hebben op omliggende (beperkt) kwetsbare objecten. Het plangebied ligt niet binnen een plaatsgebonden risicocontour (PR 10-6 ) en/of plasbrandaandachtsgebied van een risicobron. Tevens ligt het projectgebied de niet binnen het invloedsgebied van één van de risicobronnen. Daarmee kunnen belangrijke nadelige milieugevolgen voor het aspect externe veiligheid worden uitgesloten.

3.5

Bodem en Water

3.5.1 Bodem Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd door ABO-milieuconsultant B.V., 2021. Dit onderzoek is toegevoegd aan de bijlage (bijlage 3). Daarbij is een lichte verontreiniging met molybdeen aangetoond. Deze verontreiniging is dermate gering dat nader bodemonderzoek niet noodzakelijk wordt geacht. De beoogde functie zal daarnaast geen belangrijke negatieve effecten hebben op de bodemkwaliteit. Daarmee kunnen belangrijke nadelige milieugevolgen voor het aspect bodem worden uitgesloten.

3.5.2 Water Er heeft overleg plaatsgevonden met het Waterschap Scheldestromen. De waterbergingsopgave is berekend op 199 m3. Een klein deel hiervan (29 m3) wordt opgevangen in infiltratiekratten onder de parkeervoorzieningen. Er zijn verschillende mogelijkheden om in de overige waterbergingsopgave te voorzien. Hierover vinden nog gesprekken plaats met grondeigenaren binnen hetzelfde peilgebied.

14/20

In de regels van het bestemmingsplan is vastgelegd dat voldoende waterbergende voorziening wordt gerealiseerd. Hiermee wordt de minimaal benodigde waterberging bedoeld. Daarnaast is geborgd dat de wijze waarop de waterbergingscompensatie voor de toename van verhard oppervlak wordt uitgevoerd en hoe de waterhuishouding in het plangebied wordt ingericht, vooraf met het waterschap wordt afgestemd en door het waterschap wordt goedgekeurd. De ontwikkeling heeft geen negatieve effecten op de waterhuishouding.

3.6

Ecologie

3.6.1 Natura 2000 Zoals beschreven in paragraaf 2.1 is het projectgebied niet gelegen binnen beschermd natuurgebied, zoals Natura 2000 of Natuurnetwerk Nederland (NNN). Directe effecten zoals areaalverlies en versnippering kunnen hierdoor worden uitgesloten. Gezien de aard en omvang van de ontwikkeling en de afstand tot natuurgebieden kunnen ook verstoring en verandering van de waterhuishouding worden uitgesloten. De beoogde ontwikkeling leidt wel tot een kleine toename van verkeersbewegingen. Echter is deze verkeerstoename zodanig klein dat vervolg onderzoek niet nodig wordt geacht (zie 3.3). Negatieve effecten als gevolg van toename in stikstofdepositie zijn daarom uitgesloten. 3.6.2 Natuurnetwerk Zeeland Provincie Zeeland beschermt alle bestaande natuurgebieden en de agrarische gebieden van ecologische betekenis. Rond de natuurgebieden van het Natuurnetwerk Zeeland geldt een zone van 100 meter waarbij nieuwe ontwikkelingen worden beoordeeld op gevolgen voor de natuur. Het plangebied ligt binnen de 100 meter zone van de Achterste kreek. De ontwikkeling van het plangebied leidt niet tot effecten op de waterhuishouding. Overige effecten als verstoring worden eveneens niet verwacht door de aanwezigheid van de provinciale weg Herbert H. Dowweg tussen het bedrijventerrein en het natuurgebied. Negatieve effecten op de beheerdoeltypen kunnen worden uitgesloten.

De ontwikkeling leidt niet tot negatieve effecten op beschermde natuurgebieden. Het beleid van de provincie en de Wet natuurbescherming met betrekking tot beschermde gebieden, staan de uitvoering van het plan niet in de weg. 3.6.3 Herplanten houtopstanden Voor de herplant van houtopstanden wordt in het bestemmingsplan een voorwaardelijke verplichting opgenomen. De herplant zal voor 1 maart 2025 plaatsvinden. 3.6.4 Soortenbescherming Om de ecologische gevolgen van de beoogde ontwikkeling in kaart te brengen is een ecologische quickscan uitgevoerd (Rho Adviseurs, 8 december 2021, 29291792001). Dit onderzoek is in de bijlage toegevoegd (bijlage 5). Geconcludeerd wordt dat bij de voorgenomen ontwikkeling verstoring en/of vernietiging van verblijfplaatsen onvermijdbaar is. Voor verstoring van het leefgebied van het konijn en de verblijfplaatsen van de vleermuizen is ontheffing vereist. Hiervoor zijn aanvullend mitigerende maatregelen genomen. Voor de broedlocatie voor algemene broedvogels en vliegroutes voor vleermuizen zijn aanvullende maatregelen genomen, waardoor er geen effect is op de aanwezige functies. Kap vindt plaats buiten het broedseizoen voor de meeste soorten. Voor 15 maart, of na 1 augustus. Er vindt een controle plaats voor de kap op aanwezigheid van broedvogels, ook buiten deze periode. Daarom is een ontheffing voor deze werkzaamheden niet nodig.

Naast de verplichten maatregelen zijn er enkele aanvullende maatregelen uitgevoerd ten behoeve van in het verleden aanwezige soorten en in het gebied aanwezige algemene soorten. Hoewel er geen broedende roofvogels (buizerd) in het plangebied zijn aangetroffen, is het habitat in theorie en de praktijk geschikt voor de soort. Daarom zijn in de directe omgeving maatregelen genomen zodat het totaal aantal geschikte broedlocaties niet afneemt. Om de mogelijke impact van het plan voor grondgebonden zoogdieren, zoals de egel en marter, te verzachten zijn in de directe omgeving in geschikt habitat enkele egel- en marterkasten geplaats. Hierdoor zal de hoeveelheid geschikte verblijfplaatsen niet afnemen.

15/20

Op 15 december 2021 is 15 december 2021 is de ontheffing Wnb aangevraagd voor de verstoring en/of vernietiging van verblijfsplaatsen van de ruige dwergvleermuis en voor de beschadiging en/of vernieling van vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van het konijn. De ontheffing is op 9 februari 2022 door de Provincie Zeeland verleend.

3.7

Cultuurhistorie en archeologie

3.7.1 Cultuurhistorie De voorgenomen ontwikkeling past binnen het gemeentelijk cultuurhistorische beleid. Uit het cultuurhistorisch beleid van de gemeente blijkt dat het plangebied valt binnen het gebied Grootschalige industrieel-logistieke complexen. De bedrijfsvoering van deze bedrijven wordt beschermd tegen ruimtelijke ontwikkelingen in de directe omgeving die de bedrijfsvoering kunnen beperken. 3.7.2 Archeologie Het plangebied valt binnen de beheersverordening Dow, Mosselbanken en Logistiek Park (2013), waar ook de in 2018 vastgestelde Eerste Wijziging Waterstofleiding van kracht is. Mogelijke archeologische waarden binnen het plangebied worden planologisch beschermd door een besluitvlak ‘Waarde – Archeologie 2’. Bij de beoogde ontwikkeling is het mogelijk dat deze waarde worden overtroffen daarom is er een archeologische bureauonderzoek uitgevoerd door Artefact! Advies en Onderzoek in Erfgoed. Bij het onderzoek zijn er een groot aantal bronnen bestudeerd, hetgeen heeft geleid tot een gespecificeerd verwachtingsmodel voor het plangebied. Dit model is vervolgens getoetst door het uitvoeren van een verkennend booronderzoek. Op basis van de resultaten van dit onderzoek kan gesteld worden dat: ● ● ●

In, en op, het Laagpakket van Wierden (pleistoceen dekzand) dat voorkomt vanaf 3,57 m -mv (2,12 m -NAP) een middelhoge verwachting geldt op het voorkomen van vindplaatsen uit het Paleolithicum t/m Vroeg Neolithicum. Op het (Holland/Basis)veen dat voorkomt vanaf 2,30 m -mv (0,96 m -NAP) een middelhoge verwachting geldt op het voorkomen van vindplaatsen uit de Late IJzertijd en/of Romeinse tijd. In, en op, de afzettingen van het Laagpakket van Walcheren (die dagzomend voorkomen en een totale dikte hebben van minimaal 2,30 m) een lage verwachting bestaat op het voorkomen van vindplaatsen uit de (Vroeg) middeleeuwen tot en met de Nieuwe Tijd.

Met betrekking tot de beoogde hei- en graafwerkzaamheden in fase 1 wordt geconcludeerd dat hierbij geen archeologische waarden worden bedreigd. Bij gewijzigde planvorming (voor fase 1) of bij de toekomstige ontwikkelfase 2, 3 en 4 moeten de gedetailleerde inrichtingsplannen worden voorgelegd aan de bevoegde overheid bij het aanvragen van de omgevingsvergunning. Op basis daarvan kan worden bepaald of voor deze fasen nader archeologisch onderzoek noodzakelijk is. Omdat er nog niet voldoende concrete informatie beschikbaar is over de bodemverstoringen van de fasen 2 tot en met 4 (bv. omvang in diepten en oppervlakten van de beoogde graaf- en heiwerkzaamheden) is in het bestemmingsplan een archeologische dubbelbestemming opgenomen. Toetsing van die fasen wordt doorgeschoven naar de betreffende omgevingsvergunningaanvragen.

3.8

Sloop- en aanlegwerkzaamheden

Gelet op de tijdelijkheid van sloop- en aanlegwerkzaamheden kunnen blijvende negatieve milieueffecten uitgesloten worden. Tevens zal vanwege de kleinschaligheid ook geen sprake zijn van significante negatieve milieueffecten, zoals geluid- en stofoverlast, ten tijde van de werkzaamheden.

16/20

17/20

4. MITIGERENDE MAATREGELEN Uit de voorgaande sectorale analyses komt voort dat er één mitigerende maatregel nodig is: de herplanting van de huidige houtopslag, deze dient binnen 3 jaar na het rooien plaats te vinden. Uit de voorgaande analyses van de overige milieuaspecten blijkt dat er geen mitigerende maatregelen benodigd zijn om belangrijke nadelige milieugevolgen uit te kunnen sluiten.

18/20

5. CONCLUSIE Uit de informatie in deze notitie blijkt dat het projectgebied niet is gelegen in kwetsbaar gebied en/of gebied met een beschermde status. Verder leiden de aard en omvang van het project niet tot belangrijke nadelige milieugevolgen, mits de genoemde mitigerende maatregel, bestaande uit het herplanten van de huidige houtopslag wordt uitgevoerd. Er is een (dubbele) wettelijke verplichting voor de herplant als mitigerende maatregel; vanuit de Wnb houtopstanden en als gevolg van de voorwaardelijke verplichting in het bestemmingsplan. Met inachtneming van deze maatregel is het doorlopen van een volledige m.e.r.-procedure niet noodzakelijk.

19/20

6. BIJLAGE 6.1 6.2 6.3 6.4 6.5

20/20

Bijlage 1 Stroomschema Archeologie Bijlage 2 Archeologisch onderzoek Bijlage 3 Verkennend bodemonderzoek Bijlage 4 Akoestisch onderzoek Bijlage 5 QuickScan; soortenonderzoek

De onderste steen boven? Interim-beleid archeologie gemeente Terneuzen

Lijst agendapunten nr. 6d

BIJLAGE 1 Stroomschema onderzoeksplicht archeologie. Deze toetsen dienen uitgevoerd te worden bij het opstellen van ruimtelijke plannen, de behandeling van aanvragen om aanlegvergunning of vergunningverlening in het kader van de Erfgoedverordening. Aanbevolen wordt deze toetsen uit te voeren in samenhang met de toets op cultuurhistorie. Hierdoor kan tijd bespaard worden. Ook in het milieuonderzoek is meestal al veel informatie over de bodemopbouw en de recente historie van de locatie aanwezig. Daarnaast kan de toets aangevuld worden met informatie uit archieven, literatuur, kaartmateriaal, luchtfoto’s, de lijst van verdronken dorpen, een terreininspectie en informatie van plaatselijke heemkundigen, historici of (amateur)archeologen. Bij een uitvoeriger toetsing mag, na overeenstemming met de beleidsmedewerker archeologie of een bevoegd deskundige, gemotiveerd worden afgeweken van het stroomschema. STAP 1. TOETSBEVOEGD GEZAG 1. Is sprake van een archeologisch monument?

Ja: het rijk is bevoegd gezag

Nee: is sprake van een wettelijke procedure zoals ontgronding, trajectbesluit, MER, bouw- en/of milieuvergunning en dergelijke?

Ja: bevoegd gezag archeologie valt samen met bevoegd gezag procedure.* Dit kan bijvoorbeeld het rijk of de provincie zijn, maar ook de gemeente.

Nee/ alle overige gevallen: gemeente is bevoegd gezag in het kader van de erfgoedverordening.

STAP 2. VRIJSTELLINGSREGELING In onderstaande situaties is sprake van vrijstelling: Algemene vrijstelling tot 0,5 meter diep en <100 m2**. Vrijstelling indien reeds eerder aantoonbaar verstoring of onderzoek heeft plaatsgevonden. Hierbij kan gedacht worden aan ophogingen, ontgrondingen, wegcunetten, rioleringsleuven, bodemsanering en dergelijke. Een en ander dient ter beoordeling aan het bevoegd gezag te worden voorgelegd. Vrijstelling is eveneens van toepassing als de uitkomst van de toets voor de 4 genoemde criteria (AMK, IKAW, ARCHIS/ZAA, en de bodemkaart) uitkomt op ‘geen onderzoeksplicht’. (zie stap 3 TOETS ONDERZOEKSPLICHT) * In het kader van de Wabo kan een andere overheid een verklaring van geen bedenkingen opstellen. 15 aan de daadwerkelijk Lijst agendapunten nr. 6d ** De genoemde diepte en oppervlakte zijn gerelateerd te bebouwen of verstoren diepte en oppervlakte, dus niet aan de perceelgrootte.

STAP 3. TOETS ONDERZOEKSPLICHT INDIEN GEMEENTE BEVOEGD GEZAG IS Ja: onderzoeksplicht. 1.AMK Bodemkaart*** Nee: geen < 1000 m2, ga geen onderzoeksplicht onderzoeksplicht, naar IKAW> 1000 m2, onderzoeksplicht < 500 m2, geen onderzoeksplicht > 500 m2, onderzoeksplicht geen onderzoeksplicht

Hollandveen Duinkerke II**** 2. IKAW

Duinkerke III

Aanbevolen wordt deze toetsen uit te voeren in samenhang met de toets op cultuurhistorie. Hierdoor kan tijd bespaard worden. Ook in het milieuonderzoek is meestal al veel informatie over de bodemopbouw en de Zeer lage aanwezig. of lage trefkans: Middelhoge trefkans: Hoge trefkans recente historie van de locatie Daarnaast kan de toets aangevuld worden met informatie uit archieven, literatuur, kaartmateriaal, luchtfoto’s, de lijst van verdronken dorpen, een terreininspectie en informatie Geen onderzoeksplicht, ga van plaatselijke heemkundigen, historici of (amateur)archeologen. verder naar Bij een uitvoeriger toetsing mag,ARCHIS/ZAA na overeenstemming met de beleidsmedewerker archeologie of SCEZ, gemotiveerd worden afgeweken van het stroomschema. * De genoemde diepte en oppervlakte zijn gerelateerd aan de daadwerkelijk te bebouwen of verstoren diepte en oppervlakte, dus niet aan de perceelgrootte. ** Te beoordelen door de beleidsmedewerker archeologie of SCEZ. In geval van voormalige vestingwerken is een grens van 500 m2 van toepassing.

*** Van Rummelen 1977. Beoordeeld dienen te worden; de te verstoren bodemlagen. Als de genoemde bodemlaag niet verstoord wordt geldt geen onderzoeksplicht. Als de bodemlaag reeds aantoonbaar verstoord is geldt eveneens geen onderzoeksplicht. De diepteligging van de bodemlagen vaak afgeleid worden uitm2* het milieuonderzoek. <100 geen <500 m2* >500kan m2* >100 m2* **** Deze laag is van belang voor de Middeleeuwen Bij uitvoerige toetsing is de grens > 1000 m2 bij ontbreken archeologische indicatoren. geen onderzoeksplicht, ga onderzoeksplicht onderzoeksplicht onderzoeksplicht, ga verder naar verder naar ARCHIS/ZAA ARCHIS/ZAA

3. ARCHIS/ ZAA Geen gegevens: geen onderzoeksplicht, ga verder naar bodemkaart

Gegevens, lage waarde**: geen onderzoeksplicht, ga verder naar bodemkaart

Gegevens, hoge waarde**: onderzoeksplicht

4. BODEMKAART***

Pleistoceen zand

- < 100 m2* - of > 1 m onder maaiveld < 500 m2* - of > 2 m onder maaiveld < 1000 m2* geen onderzoeksplicht

Hollandveen

- aan het maaiveld of < 1m onder maaiveld en > 100 m2* - of > 1 m onder maaiveld > 500 m2* - of > 2 m onder maaiveld > 1000 m2* onderzoeksplicht

< 1000 m2* geen onderzoeksplicht

> 1000 m2* onderzoeksplicht

Duinkerke II **** < 500m2* geen onderzoeksplicht

Duinkerke III: Geen onderzoeksplicht

> 500 m2* onderzoeksplicht

* De genoemde diepte en oppervlakte zijn gerelateerd aan de daadwerkelijk te bebouwen of verstoren diepte en oppervlakte, dus niet aan de perceelgrootte. ** Te beoordelen door de beleidsmedewerker archeologie of een archeologisch deskundige. In geval van voormalige vestingwerken is een grens van 500 m2 van toepassing. *** Van Rummelen 1977. Beoordeeld dienen te worden; de te verstoren geologische lagen. Als de genoemde geologische laag niet verstoord wordt geldt geen onderzoeksplicht. Als de geologische laag reeds aantoonbaar verstoord is geldt eveneens geen onderzoeksplicht. De diepteligging van de geologische lagen kan vaak afgeleid worden uit het milieuonderzoek. **** Inclusief oudere afzettingen van Duinkerke. Deze laag is van belang voor de Middeleeuwen Bij uitvoerige toetsing is de grens > 1000 m2 bij ontbreken archeologische indicatoren en algehele vrijstelling als deze lagen verstoord of geërodeerd zijn. Lijst agendapunten nr. 6d

16

ARTEFACT! RAPPORT 649

Hoek Herbert Dowweg (TNZ00A1064) Gemeente Terneuzen Archeologisch Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek door middel van verkennende boringen

M. van den Berg J.E.M. Wattenberghe

ARTEFACT RAPPORT 649

HOEK HERBERT H. DOWWEG

Inhoud Samenvatting ............................................................................................................................................................. 4 Administratieve Gegevens .......................................................................................................................................... 6

1

Inleiding ........................................................................................................................... 8 1.1 Aanleiding van het onderzoek .....................................................................................................................8 1.2 Doel van het onderzoek en onderzoeksvragen .............................................................................................9 1.3 Wettelijk kader en beleid ........................................................................................................................... 11 1.4 Plangebied en planvorming ....................................................................................................................... 14

2

Archeologisch bureauonderzoek....................................................................................... 16 2.1 Methoden .................................................................................................................................................. 16 2.2 Landschap en geologie .............................................................................................................................. 17 2.2.1

Landschappelijke ontwikkeling ..................................................................................................... 17

2.2.2

Aardkundige waarden .................................................................................................................. 23

2.3 Historie ...................................................................................................................................................... 30 2.3.1

Historisch-geografische ontwikkeling ........................................................................................... 30

2.3.2

Verstoringsgeschiedenis ............................................................................................................... 41

2.4 Archeologische waarden ...........................................................................................................................42 2.5 Bouw- en cultuurhistorische waarden ........................................................................................................ 50 2.6 Archeologisch verwachtingsmodel ............................................................................................................ 51

3

Inventariserend veldonderzoek ........................................................................................ 55 3.1 Methoden .................................................................................................................................................. 55 3.2 Geologie en bodem ................................................................................................................................... 57 3.3 Archeologie ............................................................................................................................................... 58

4

Conclusie en advies.......................................................................................................... 59 4.1 Conclusie: beantwoording onderzoeksvragen ........................................................................................... 59 4.2 Advies ....................................................................................................................................................... 61

Lijst met figuren ....................................................................................................................................................... 64 Bronnen .................................................................................................................................................................... 66

Bijlage 1

AMZ-cyclus .......................................................................................................................................... 71

Bijlage 2

Verklarende woordenlijst en afkortingen .............................................................................................. 72

Bijlage 3

Tijdstabel ............................................................................................................................................. 73

Bijlage 4

Planvorming ......................................................................................................................................... 75

Bijlage 5

Boorstaten ........................................................................................................................................... 76

3

ARTEFACT RAPPORT 649

HOEK HERBERT H. DOWWEG

Samenvatting DNWG Infra B.V. heeft het voornemen om het bestaande transformatorstation langs de Herbert H. Dowweg (TNZ00A1064) te Hoek (gemeente Terneuzen) gefaseerd uit te breiden. In het kader van de hiertoe benodigde bestemmingsplanwijziging heeft Artefact! Advies en Onderzoek in Erfgoed in opdracht van Rho Adviseurs een archeologisch vooronderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek bestond in eerste instantie uit een bureauonderzoek waarbij een gespecificeerd verwachtingsmodel werd opgesteld voor het plangebied. Dit model is vervolgens getoetst door het uitvoeren van een inventariserend veldonderzoek door middel van boringen (verkennende fase). Tijdens deze verkennende fase werden de landschappelijke vormeenheden bepaald met als doel kansarme zones uit te sluiten en kansrijke zones aan te duiden voor eventuele volgende vormen van onderzoek. Op basis van de resultaten van dit onderzoek kan gesteld worden dat:  In, en op, het Laagpakket van Wierden (pleistoceen dekzand) dat voorkomt vanaf 3,57 m -mv (2,12 m -NAP) een middelhoge verwachting geldt op het voorkomen van vindplaatsen uit het Paleolithicum t/m VroegNeolithicum.  Op het (Holland/Basis)veen dat voorkomt vanaf 2,30 m -mv (0,96 m -NAP) een middelhoge verwachting geldt op het voorkomen van vindplaatsen uit de Late IJzertijd en/of Romeinse tijd.

 In, en op, de afzettingen van het Laagpakket van Walcheren (die dagzomend voorkomen en een totale dikte hebben van minimaal 2,30 m) een lage verwachting bestaat op het voorkomen van vindplaatsen uit de (Vroeg) middeleeuwen tot en met de Nieuwe Tijd. Op basis van de resultaten van het onderzoek wordt geadviseerd om in het bestemmingsplan de vigerende dubbelbestemming waarde archeologie binnen het gehele plangebied te behouden. Meer specifiek reden wordt geadviseerd om binnen het plangebied geen graafwerkzaamheden uit te voeren die dieper reiken dan 0,75 m -NAP (hoogste ligging van het veen + buffer van 20 cm). Na ophogen van het terrein tot 2,10 m+NAP impliceert dit dus geen graafwerkzaamheden dieper dan 2,85 m-mv. Indien toch graafwerkzaamheden worden voorzien die dieper reiken dan 2,85 m-mv wordt vervolgonderzoek noodzakelijk geacht. Conform de AMZcyclus (Archeologische Monumenten Zorg cyclus) dient dit vervolgonderzoek te bestaan uit een karterend en/of waarderend inventariserend veldonderzoek. Gezien de aard van de verwachte is het uitvoeren van een Inventariserend Veldonderzoek door middel van proefsleuven (karterende en waarderende fase) de meest geschikte onderzoeksmethode, desgewenst onder de variant Archeologische Begeleiding.

Tijdens een dergelijk gravend onderzoek kan de daadwerkelijke aan- of afwezigheid van vindplaatsen, en de behoudenswaardigheid daarvan, vastgesteld worden. Op basis daarvan kan de bevoegde overheid een selectiebesluit nemen: vrijgeven, behoud in situ of opgraven. De meest diepe graafwerkzaamheden ten behoeve van de nieuwe inrichting in Fase 1 reiken tot 2,80 m -mv. Dit betekent dat hierbij geen archeologische waarden worden bedreigd en vervolgonderzoek niet noodzakelijk wordt geacht. De nieuwe bebouwing in Fase 1 zal echter worden gefundeerd op grondverdringende geschroefde stalen buispalen. De impact van palen hangt samen met de dichtheid en het soort palen dat wordt gehanteerd. Hoewel de dichtheid van de palen bij deze gebouwen dichter is dan als wenselijk is beschreven in de handreiking van RCE wordt geadviseerd deze werkzaamheden te vergunnen zonder verdere onderzoeksplicht. Het betreft immers een klein percentage (gemiddeld 2,1 %) van een klein oppervlak (232 en 268 m²) dat wordt verstoord. Bovendien zijn de genoemde laagpakketten diep onder het huidige maaiveld gesitueerd en zijn er geen vindplaatsen (of enige aanwijzing daartoe) aangetoond. Vooralsnog bestaat enkel een verwachting. Bovendien impliceert het palenplan niet dat toekomstig archeologisch onderzoek op deze locatie onmogelijk wordt gemaakt.

De palen staan voldoende ver uit elkaar om er met de kraan tussendoor te kunnen graven, die delen waar de palen dicht op elkaar staan zijn in oppervlakte beperkte 4

ARTEFACT RAPPORT 649

HOEK HERBERT H. DOWWEG

clusters, en de te onderheien delen vormen bovendien slechts kleinere delen van het totale plangebied. De impact van de geplande (schroefpalen)werkzaamheden in Fase 1 op het bodemarchief wordt dan ook aanvaardbaar geacht en vervolgonderzoek wordt niet noodzakelijk geacht. Let op, in de gevoerde ruimtelijke procedure is wel de gewenste eindsituatie vastgelegd maar zijn nog niet alle inrichtingsdetails van elke ontwikkelfase bekend. Bovenstaand advies is afdoende ten behoeve van het aanvragen van de omgevingsvergunning in Fase 1. Bij gewijzigde planvorming (voor Fase 1) of bij de toekomstige ontwikkelfase 2, 3 en 4 moeten de gedetailleerde inrichtingsplannen worden voorgelegd aan de bevoegde overheid bij het daadwerkelijk aanvragen van de omgevingsvergunning. De inrichtingsplannen moeten dan (voor elke fase) door (de adviseur van) de bevoegde overheid worden getoetst aan het archeologiebeleid en de onderzoeksresultaten/advies in het voorliggend rapport. Op basis daarvan kan worden bepaald of voor deze fasen nader archeologisch onderzoek noodzakelijk is. Tot slot dient opgemerkt dat in die delen waar geen vervolgonderzoek is geadviseerd, toch relevante archeologische vindplaatsen in de bodem verborgen zijn, die in de uitvoeringsfase van de toekomstige graafwerkzaamheden aan het licht komen.

Voor dergelijke vondsten bestaat een wettelijke meldingsplicht op grond van artikel 5.10 van de Erfgoedwet (2016). Om dit goed te borgen kan desgewenst het protocol Realisatievondsten worden gehanteerd.

5

ARTEFACT RAPPORT 649

HOEK HERBERT H. DOWWEG

Administratieve Gegevens Projectnaam

Hoek Herbert Dowweg (TNZ00A1064)

Onderzoeksvorm

Archeologisch Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek door middel van verkennende boringen

LOCATIE Provincie

Zeeland

Gemeente

Terneuzen

Plaats

Hoek

Adres / Locatie

Herbert Dowweg (TNZ00A1064)

Hoekpunten coördinaten RD

NW 42.816 / 372.653 NO 42.964 / 372.631 ZW 42.816 / 372.609 ZO 42.965 / 372.572

Centrum coördinaat RD

42.892 / 372.616

Kaartblad

67E

Kadastraal perceel

Gemeente Terneuzen, Sectie A, perceelnrs. 1064 en 706 (gedeeltelijk)

Oppervlakte plangebied

7.847 m2

Vigerende beheersverordening

Dow, Mosselbanken en Logistiek Park (2013) en Eerste Wijziging Waterstofleiding (2018)

BEKENDE WAARDEN Gemeentelijke vindplaats

Geen

AMK status

Geen

Archis vondstlocatie

Geen

Zeeuws Archeologisch Depot

Geen (mail helpdesk ZAD d.d. 30-9-2021)

OPDRACHTGEVER Naam

Rho Adviseurs voor leefruimte

Contactpersoon

Dhr. L. Prenger

Adres

Segeerssingel 6, 4337 LG Middelburg

Telefoon

0118 689025

Email

lars.prenger@rho.nl

BEVOEGDE OVERHEID Naam

Gemeente Terneuzen

Contactpersoon

Mevr. S. Vierbergen

Adres

Postbus 35, 4530 AA Terneuzen

Telefoon

14 0115 / 06 13904024

Email

s.vierbergen@terneuzen.nl

6

ARTEFACT RAPPORT 649

HOEK HERBERT H. DOWWEG

TOETSING NAMENS BEVOEGDE OVERHEID Naam

Gemeente Terneuzen

Contactpersoon

Mevr. M. Burger

Adres

Postbus 35, 4530 AA Terneuzen

Telefoon

06-40985677

Email

m.burger@terneuzen.nl

BEHEER EN PLAATS DOCUMENTATIE EN VONDSTEN Naam

Zeeuws Archeologisch Depot

Contactpersoon

dhr. J.J. H. van den Berg

Adres Telefoon

Looierssingel 2, 4331 NK Middelburg Postbus 49, 4330 AA Middelburg 0118 670618

Email

jjh.vanden.berg@erfgoedzeeland.nl

E-depot

EDNA (E-Depot Nederlandse archeologie via www.easy.dans.knaw.nl)

UITVOERDER Naam

Artefact! Advies en Onderzoek in Erfgoed.

Contactpersoon

dhr. J.E.M. Wattenberghe

Adres

Riemensstraat 9, 4543 BW Zaamslag

Telefoon

0115 851614

Email

janwattenberghe@artefact-info.nl

Certificaat

ARC-010/3 - BRL4000 SIKB: protocollen 4002, 4003 en 4004

ONDERZOEKSGEGEVENS Planologische aanleiding

Bestemmingsplanwijziging

Begin/einddatum veldwerk

25 oktober 2021

Projectnummer Artefact

2021ART67

Archis onderzoeksmelding

5118863100

Vindplaats(en)

-

7

ARTEFACT RAPPORT 649

1

Inleiding

1.1

Aanleiding van het onderzoek

HOEK HERBERT H. DOWWEG

In opdracht van Rho Adviseurs heeft Artefact! Advies en Onderzoek in Erfgoed een archeologisch bureauonderzoek en een inventariserend veldonderzoek door middel van verkennende boringen uitgevoerd binnen een plangebied aan de Herbert H. Dowweg te Hoek (gemeente Terneuzen; figuren 1 en 2). De aanleiding tot het onderzoek wordt gevormd door het voornemen van de initiatiefnemer om het bestaande transformatorstation langs de Herbert H. Dowweg uit te breiden. De uitbreiding wordt gerealiseerd op (delen van) twee aan elkaar grenzende bomenrijke percelen die kadastraal bekend staan onder Gemeente Terneuzen, Sectie A, Perceel 1064 en 706 (gedeeltelijk) en beslaat een oppervlakte van 7.847 vierkante meter.

Figuur 1 Ligging in Nederland. Bron: Esri Nederland, Community Map Contributors 2020.

Binnen het plangebied zijn de beheersverordening Dow, Mosselbanken en Logistiek Park (2013) en de in 2018 vastgestelde Eerste Wijziging Waterstofleiding van kracht. Het plangebied heeft een enkelbestemming Groen. Mogelijke archeologische waarden binnen het plangebied worden planologisch beschermd door een besluitvlak waarde archeologie 2 of 1 (aan de uiterst westelijke rand). Binnen het gebied met waarde archeologie 2 of 1 geldt een verbod op het uitvoeren van (graaf)werkzaamheden die respectievelijk groter zijn dan 100 of 50 vierkante meter én dieper reiken dan 0,50 meter beneden maaiveld (-mv). Dergelijke werkzaamheden zijn wel vergunbaar mits een archeologisch onderzoeksrapport wordt voorgelegd waarin wordt aangetoond dat geen archeologische waarden

8

ARTEFACT RAPPORT 649

HOEK HERBERT H. DOWWEG

aanwezig zijn, dat deze niet behoudenswaardig zijn of dat deze door de voorgenomen werkzaamheden niet onevenredig worden geschaad. Echter, in 2017 heeft de gemeente Terneuzen zijn Vrijstellingenkaart Terneuzen 2017 gepresenteerd. Toetsing aan deze kaart leert dat de dieptevrijstellingsgrens voor het gebied met waarde archeologie 2 is verhoogd tot 3 m-mv. Voor het deel met waarde archeologie 1 is de dieptevrijstellingsgrens van 0,50 m-mv gehandhaafd. Dit impliceert dat enkel de uiterst zuidwestelijke hoek (45 m2) van het plangebied onderzoeksplichtig zou zijn indien geen werkzaamheden plaatsvinden die dieper reiken dan 3 m-mv. Verwacht wordt echter dat ook heiwerkzaamheden noodzakelijk zijn, waardoor voor het hele plangebied onderzoeksplicht geldt. De voorgenomen inrichting past niet binnen het bestaande bestemmingsplan. In het kader van de bestemmingsplanwijziging is voorliggend onderzoek uitgevoerd.

1.2

Doel van het onderzoek en onderzoeksvragen

Conform de AMZ-cyclus start een archeologisch onderzoek steeds met een bureauonderzoek. Het doel van een bureauonderzoek is het opstellen van een gespecificeerde, archeologische verwachting, met behulp van informatie van bestaande bronnen over bekende of verwachte archeologische waarden binnen een omschreven gebied. Het resultaat is een standaardrapport met een advies op basis waarvan de bevoegde overheid een besluit kan nemen over het al dan niet laten uitvoeren van vervolgonderzoek. 1 De resultaten van het standaardrapport bureauonderzoek kunnen leiden tot één van de volgende uitkomsten:  Er zijn onvoldoende data: er wordt nader archeologisch onderzoek geadviseerd conform protocol 4003 Inventariserend Veldonderzoek  Er zijn voldoende data: er wordt geen vervolgonderzoek geadviseerd Het doel van een inventariserend veldonderzoek is het aanvullen en toetsen van de gespecificeerde archeologische verwachting, zoals geformuleerd in het bureauonderzoek en/of in het Programma van Eisen. Het gaat om gebieds- of vindplaatsgericht onderzoek. Inventariserend veldonderzoek gebeurt door middel van waarnemingen in het veld, waarbij (extra) informatie wordt verkregen over bekende en/of verwachte archeologische waarden in een onderzoeksgebied.

Dit omvat de aan- of afwezigheid, de aard, de omvang, de datering, de gaafheid, de conservering en de inhoudelijke kwaliteit van de archeologische waarden. Een inventariserend veldonderzoek kan uitgevoerd worden als een IVO-proefsleuvenonderzoek (IVO-P waarbij veldwerk bestaat uit het aanleggen van proefsleuven en/of proefputten) of als een IVO-overig (IVO-O waarbij het veldwerk kan bestaan uit oppervlaktekartering, boringen, profielputjes of geofysisch onderzoek).2 Een inventariserend veldonderzoek kent drie mogelijke fasen: een verkennende, een karterende en een waarderende fase. Het is vanzelfsprekend niet steeds noodzakelijk al deze fasen te doorlopen.  De verkennende fase heeft als doel om inzicht te krijgen in de vormeenheden van het landschap die van invloed zijn op de locatiekeuze in het verleden. Dit kan met een eenvoudige terreininspectie, maar ook door geo-archeologisch booronderzoek en het graven van profielputjes.

Doel daarbij is het uitsluiten van kansarme zones en het selecteren van kansrijke zones voor de volgende vormen van onderzoek  Tijdens de karterende fase wordt het terrein systematisch onderzocht op de aanwezigheid van vondsten en/of sporen  Tijdens de waarderende fase kan het waarnemingsnet verdicht worden om de aard, omvang, datering, gaafheid, conservering en inhoudelijke kwaliteit van de archeologische resten vast te stellen Het resultaat van een inventariserend veldonderzoek is een standaardrapport met een waardering en een inhoudelijk selectieadvies (buiten normen van tijd en geld), op basis waarvan een beleidsbeslissing (meestal een selectiebesluit)

1 SIKB, Protocol 4002, Versie 4.1, d.d. 19 februari 2018: p.4.

2

SIKB, Protocol 4003, Versie 4.1, d.d. 19 februari 2018: p.4

9

ARTEFACT RAPPORT 649

HOEK HERBERT H. DOWWEG

kan worden genomen. Om te komen tot het resultaat moeten de veldactiviteiten uitgevoerd worden tot het niveau waarop de beleidsbeslissing gefundeerd genomen kan worden, d.w.z. dat de archeologische waarden van het terrein/vindplaats in voldoende mate zijn vastgesteld. Indien er onvoldoende data voor waardering en selectie-advies zijn, kunnen deze niet opgesteld worden.3 Het advies kan dan zijn: vrijgeven, vervolgonderzoek en/of planologische bescherming. Het voorliggend onderzoek betreft een bureauonderzoek gecombineerd met een inventariserend veldonderzoek door middel van boringen (IVO-O, verkennende fase). Conform de Regeling aanvullende richtlijnen voor archeologisch onderzoek in de provincie Zeeland 20194 dient een archeologisch vooronderzoek in de Provincie Zeeland, behoudens anders besloten na overleg met de bevoegde overheid, immers (minimaal) te bestaan uit een bureauonderzoek gecombineerd met een inventariserend veldonderzoek door middel van (verkennende) boringen. Het resultaat van het bureauonderzoek (het verwachtingsmodel) is opgenomen in hoofdstuk 2.6. Het resultaat van het inventariserend veldonderzoek door middel van (verkennende) boringen is opgenomen in hoofdstuk 4.1.

Het bepalen van de landschappelijke vormeenheden staat daarbij voorop met als doel het uitsluiten van kansarme zones en het selecteren van kansrijke zones voor eventuele volgende vormen van onderzoek. Tijdens dit onderzoek worden de volgende vragen beantwoord:  Wat is de geo(morfo)logische situatie binnen het plangebied?  Is de bodem intact of werden verstoringen vastgesteld?  Werden binnen het plangebied (aanwijzingen voor de aanwezigheid van) vindplaatsen vastgesteld? Zo ja, binnen welk deel van het plangebied en op welk niveau/diepte?  Bestaat binnen het plangebied een verwachting op het voorkomen van vindplaatsen? Zo ja, binnen welk deel van het plangebied en op welk niveau/diepte? Met andere woorden: kan het verwachtingsmodel uit het bureauonderzoek worden bijgesteld?  Worden de (vastgestelde of verwachte) archeologische waarden bedreigd door de voorgenomen planontwikkeling?  Is het plangebied in voldoende mate onderzocht? Zo nee, welke vorm van vervolgonderzoek wordt geadviseerd?

3 SIKB, Protocol 4003, Versie 4.1, d.d. 19 februari 2018: p.4-5. 4 Provinciaal Blad van Zeeland nr. 8080, 12 december 2019.

10

ARTEFACT RAPPORT 649

HOEK HERBERT H. DOWWEG

Figuur 2 Ligging van het plangebied op een uitsnede van de Topografische Kaart. Bron: Esri Nederland, Jan Willem van Aalst – www.imergis.nl.

1.3

Wettelijk kader en beleid

Sinds 1 juli 2016 is de Erfgoedwet van kracht, hiermee is het Europese Verdrag van Malta binnen de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd. Het verdrag beoogt het cultureel erfgoed, dat zich in de bodem bevindt, beter te beschermen. De Erfgoedwet regelt de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem, de inpassing ervan in de ruimtelijke ontwikkeling en de financiering van archeologische onderzoeken. De Erfgoedwet moet samen met de (nog in werking te treden) Omgevingswet een integrale bescherming van het cultureel erfgoed mogelijk maken. Op landelijk niveau is een Nationale Onderzoeksagenda Archeologie (NOaA2) opgesteld waarin het Zeeuws kleigebied als archeoregio een afzonderlijk hoofdstuk vormt en de regiogebonden onderzoeksthema’s en -vragen toegelicht worden. Daarnaast worden in deze NOaA2 ook per periode en complextype specifieke onderzoeksthema’s en –vragen geformuleerd die richtinggevend kunnen zijn bij onderzoek. Het beleid van de provincie Zeeland ten aanzien van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ) is vastgelegd in de CultuurNota 2017-2020. In februari 2017 heeft het College van Gedeputeerde Staten van Zeeland het ‘Toetsingskader archeologie Provincie Zeeland 2017’ vastgesteld. 5 In het toetsingskader is vastgesteld wanneer archeologisch (voor)onderzoek noodzakelijk is indien de provincie als bevoegde overheid optreedt. Daarnaast werd in 2016 de

5 Toetsingskader archeologie Provincie Zeeland 2017, Provinciaal blad 2017 nr. 605, 15 februari 2017.

11

ARTEFACT RAPPORT 649

HOEK HERBERT H. DOWWEG

Provinciale Onderzoeksagenda Archeologie Zeeland 2017-2020 gepubliceerd waarin de kernthema’s en zwaartepunten voor archeologisch onderzoek in de provincie Zeeland worden gepresenteerd:  Basale harde gegevens en diachrone datasets  Archeologisch onderzoek in diepere bodemontsluitingen  Uitwerking oud archeologisch onderzoek  Verdronken land en dorpen  Onderzoek naar infrastructuur  Verdedigingswerken in Zeeland  Boerderijen en rurale nederzettingen  Voedseleconomie van stad en platteland  Religieuze en rituele verschijningsvormen  Scheeps- en onderwaterarcheologie  Publiekswerking van archeologisch onderzoek Aan de uiterst westelijke rand ligt in de beheersverordening een stukje met waarde archeologie 1. Dit heeft te maken met de mogelijke aanwezigheid van het verdronken dorp Vremdijcke wat een raakpunt is met het bovengenoemde thema. Tot slot heeft de provincie een Regeling aanvullende richtlijnen voor archeologisch onderzoek in de provincie Zeeland 2019. 6 De Gedeputeerde Staten van de Provincie Zeeland zijn bevoegde overheid in het kader van de Ontgrondingenwet. Met de komst van de Wet op de archeologische Monumentenzorg (Wamz) is de verantwoordelijkheid voor het cultureel erfgoed in grote mate verschoven van Rijk en provincie naar de gemeenten.

Gemeenten worden verantwoordelijk gehouden voor de omgang met archeologische waarden binnen het gemeentelijk grondgebied. Daartoe dienen gemeenten een eigen archeologiebeleid te voeren. De gemeente Terneuzen beschikt sinds 27 januari 2011 over een gemeentelijk interim-beleid archeologie: “De onderste steen boven?”. Om inzicht te krijgen in de archeologische verwachtingswaarde van een gebied of locatie dient volgens dit beleid aan vijf criteria te worden getoetst: de Archeologische Monumentenkaart (AMK), de Indicatieve Kaart van Archeologische Waarden (IKAW), Archis, het Zeeuws Archeologisch Archief (ZAA) en de bodemopbouw. Bij het opstellen van ruimtelijke plannen en vergunningverlening in het kader van de Erfgoedverordening, zal deze toets het uitgangspunt zijn voor de beoordeling. In dit interim-beleid concludeerde de gemeente echter ook dat de kennisstand van een aantal vindplaatsen ontoereikend was, waarna het project ‘Leemten in kennis’ is gestart. Hiertoe heeft Artefact! Advies en Onderzoek in Erfgoed een inventarisatie gemaakt van vindplaatsen waarvan fundamentele kennis ontbreekt.7 Binnen een straal van 1 km rond het plangebied komen drie van dergelijke vindplaatsen voor (zie paragraaf 2.4). Ook is een inventarisatie gemaakt van verdronken dorpen en hun vermoedelijke ligging.

Binnen een straal van 1 km rond het plangebied wordt de ligging van drie verdronken dorpen vermoed (zie paragraaf 2.3.1). In het kader van het ‘Leemten’-project zijn tevens tien grote bureauonderzoeken uitgevoerd, waarin een aantal specifieke vindplaatsen dan wel verdronken dorpen worden uitgelicht. Het beleid van de gemeente Terneuzen is inmiddels verankerd in de bestemmingsplannen en beheersverordeningen. Het plangebied valt binnen beheersverordening Dow, Mosselbanken en Logistiek Park (2013), waar ook de in 2018 vastgestelde Eerste Wijziging Waterstofleiding van kracht is. Het plangebied heeft een enkelbestemming Groen. Mogelijke archeologische waarden binnen het plangebied worden planologisch beschermd door een besluitvlak waarde archeologie 2 of 1 (aan de uiterst westelijke rand). Binnen het gebied met waarde archeologie 2 of 1 geldt een

6 Provinciaal Blad van Zeeland nr. 8080, 12 december 2019. 7 De Visser & Emaus 2014.

12

ARTEFACT RAPPORT 649

HOEK HERBERT H. DOWWEG

verbod op het uitvoeren van (graaf)werkzaamheden die respectievelijk groter zijn dan 100 of 50 m2 én dieper reiken dan 0,50 m -mv. Dergelijke werkzaamheden zijn wel vergunbaar mits een archeologisch onderzoeksrapport wordt voorgelegd waarin wordt aangetoond dat geen archeologische waarden aanwezig zijn, dat deze niet behoudenswaardig zijn of dat deze door de voorgenomen werkzaamheden niet onevenredig worden geschaad. In het gemeentelijk archeologiebeleid wordt doorgaans een vrijstellingsdiepte van 0,5 m -mv gehanteerd. Het toepassen van een grotere vrijstellingsdiepte is alleen weloverwogen mogelijk. De gemeente heeft in 2014 daartoe een vrijstellingenkaart laten ontwikkelen die in 2017 geactualiseerd werd als de Vrijstellingenkaart Gemeente Terneuzen 2017 (figuur 3).8 Toetsing aan deze kaart leert dat de dieptevrijstellingsgrens voor het gebied met waarde archeologie 2 is verhoogd tot 3 m-mv. Dit betreft het overgrote deel van het plangebied. Voor het deel met waarde archeologie 1 is de dieptevrijstellingsgrens van 0,50 m-mv gehandhaafd. Dit betreft een klein deel (45 m2) van het zuidwesten van het plangebied. Dit impliceert dat enkel het zuidwestelijke hoekje van het plangebied onderzoeksplichtig zou zijn indien geen werkzaamheden plaatsvinden die dieper reiken dan 3 m-mv.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12063675/1