2022-11-29 - Bijlage 2 toelichting Verordening fysieke leefomgeving Terneuzen 2023
Tekst van het document
Voor de berekening van de schadevergoeding zoals opgenomen in het vierde lid, en nader verwerkt in het Handboek Kabels en Leidingen, worden vooralsnog als basis gehanteerd de grondslagen van herstraattarieven conform de ‘Leidraad voor gemeenten en nutsbedrijven inzake (her-)straatwerkzaamheden (van overleg orgaan nutsvoorzieningen en de vereniging van Nederlandse gemeenten). Artikel 3.67 Eigendom De gemeente wil de regie kunnen voeren en daarmee de gewenste coördinatie realiseren. Uitdrukkelijk wil de gemeente aangeven dat zij met deze procedures niet beoogt het eigendom of andere rechten (en verplichtingen) op de kabels of leidingen te verwerven. Het zakelijk karakter van de instemming is er zodat een nieuwe aanbieder, die gebruik maakt van de kabel, ook de instemming heeft, en zich houdt aan de voorschriften. De wettelijke bepalingen (vooral het Burgerlijk Wetboek) zijn van toepassing op het eigendom van kabelnetwerken. Wettelijk is al bepaald dat het uitgesloten is dat de gemeente door het geven van een instemmingsbesluit, eigenaar wordt van de kabels en/of leidingen en/of netwerken waarop het instemmingsbesluit betrekking heeft. Artikel 3.68 Overleg Meldingen voor projecten/werkzaamheden worden in vooroverleg met de gemeentelijke coördinator besproken. Ingewikkelder meldingen worden zonder vooroverleg niet in behandeling genomen.
In de praktijk heeft de gemeente periodiek overleg met netbeheerders en grondroerders. Dit overleg krijgt een formele status, zonder dat deelnemers hieraan rechten ontlenen. Verwacht wordt dat partijen in hun eigen belang deelnemen aan dit overleg en dat de gemeente hen zal uitnodigen. Doelstelling van het overleg is tijdige informatie-uitwisseling over plannen (van zowel de gemeente als de gravende partijen) zodat men waar mogelijk daarop tijdig kan inspelen. Mede daarom is het van belang dat niet alleen over de korte termijnplannen gesproken wordt, maar dat ook de plannen op 3 tot 5-jarige termijn ingebracht worden, met inzicht in geplande, voorgenomen en gerealiseerde vervangingen, zowel ondergrondse als de relevante bovengrondse plannen, inclusief, waar mogelijk, de plannen van woningcorporaties. Dit overlegorgaan is afhankelijk van deelname van alle relevante partijen. Belangrijk is dat voor zowel de dagelijkse praktijk als de meerjarenplanning namens de gemeente en netbeheerders bevoegde en geïnformeerde vertegenwoordigers aan het overleg deelnemen. Dit overleg heeft een formele en structurele basis. Dit laat onverlet dat 38
partijen die voornemens zijn werkzaamheden te verrichten met de gemeente in die concrete situaties in vooroverleg treden. Artikel 3.69 Niet-openbare kabels en leidingen De gemeente gedoogt onder te stellen voorwaarden kabels en leidingen met een publieke of openbare functie in de ondergrondse openbare ruimte. De gemeente krijgt ook aanvragen van particuliere partijen voor het leggen, hebben en onderhouden van kabels en leidingen in de ondergrond van de gemeente. De ondergrondse ruimte is echter beperkt (schaars). Bovendien heeft de gemeente wettelijk voor de kabels en leidingen van de openbare nutspartijen, verplichtingen bij het ter beschikking stellen van ondergrondse ruimte voor kabels en leidingen. Tevens wil de gemeente de bedrijfsvoering van de openbare nutspartijen niet negatief beïnvloeden door het toestaan van concurrerende particuliere voorzieningen c.q. voorzieningen die ook door bestaande partijen, binnen het kader van hun reguliere bedrijfsvoering voor klanten kan worden gerealiseerd. Vanwege het intensieve gebruik van de ondergrondse ruimte en de veiligheidsrisico’s hanteert de gemeente als gedragslijn dat geen toestemming wordt verleend voor het leggen van private of nietopenbare kabels c.q.
leidingen (anders dan kabels en leidingen met een publieke of openbare functie) van/door particulieren en bedrijven in/onder de openbare ruimte, met uitzondering voor al verleende toestemmingen. Particulieren en bedrijven die een eigen verbinding wensen te realiseren, moeten dan ook bij voorkeur gebruik maken van de dienstverlening van een openbare aanbieder. Toch zijn er uitzonderingssituaties waarbij het aanleggen van particuliere voorzieningen belangrijk is voor de behoefte van de aanvrager en niet strijdig is met de belangen van openbare nutspartijen. Indien de beschikbare ondergrondse ruimte het toestaat kan de gemeente onder strikte voorwaarden toestemming geven om een dergelijke voorziening aan te leggen. Uitgangspunt hierbij is dat de gemeente onder geen beding nu of in de toekomst belemmering ondervindt dan wel schade lijdt door de gelegde voorziening. Tevens is het redelijk en billijk dat degene die voordeel heeft van de voorziening (de neteigenaar) aan de gemeente een jaarlijkse vergoeding betaalt voor het gebruik van de ondergrond (Precario). Bij werkzaamheden met niet-openbare kabels en leidingen in openbare gronden geldt uitdrukkelijk géén wettelijke gemeentelijke gedoogplicht, maar wordt de VFL in procedureel opzicht van overeenkomstige toepassing verklaard.
Dat houdt in dat een instemmingsbesluit tot het uitvoeren van (graaf)werkzaamheden voor niet-openbare kabels/leidingen in openbare gronden vooraf aangevraagd moet worden bij de gemeente, en dat de gemeente beleidsvrijheid heeft die instemming al dan niet te verlenen (of de voorwaarden te bepalen). Voorwaarde voor toestemming is dat de private aanvrager moet aantonen dat aan de wettelijke verplichtingen (Wet informatie-uitwisseling bovengrondse en ondergrondse netten) wordt voldaan en dat onderhoud en beheer van de verbinding is gegarandeerd. Tevens moet een geldende verklaring worden overgelegd dat de verbinding niet fysiek door een openbare netwerkaanbieder kan worden aangeboden. Om dit goed te reguleren moet voor iedere toegestane particuliere voorziening een overeenkomst worden afgesloten tussen de gemeente en de betreffende neteigenaar. Hierin worden de volgende aansprakelijkheden van de gemeente afgedekt: 1. De gemeentelijke verplichting om aan neteigenaren/beheerders van openbare nuts- en/of
openbare elektronische communicatienetwerken een ongestoorde en veilige bedrijfsvoering voor de levering van producten en/of diensten via hun netten te garanderen. 2. De gemeentelijke verplichtingen, op grond van de Wet Informatievoorziening Ondergrondse en Bovengrondse Netten ten aanzien van weesleidingen. 39
3. De gemeentelijke taakstelling ten aanzien van het beperken van overlast voor haar
4.
5. 6. 7.
burgers alsmede voor vervoer- en hulpdiensten door werkzaamheden aan ondergrondse netten. De gemeentelijke verantwoordelijkheid naar openbare nuts- en telecombedrijven ten aanzien van de verplichtingen uit de telecommunicatiewet, de elektriciteitswet, de gaswet en de waterwet. De gemeentelijke vrijheid om de inrichting van de openbare ruimte te wijzigen en/of openbare gronden te verkopen dan wel particuliere gronden te verwerven. Alle voor particuliere kabels en leidingen gemaakte en te maken kosten mogen niet ten laste komen van de gemeentebegroting. Indien de particuliere kabel of leiding buiten functie raakt moet de eigenaar deze zo spoedig mogelijk uit de ondergrond verwijderen.
De technische voorschriften voor het leggen van de voorzieningen zijn vastgelegd in het Handboek Kabels en Leidingen. Verzoeken voor het verleggen van niet-openbare kabels en leidingen dienen op kosten van de eigenaar van de kabels en leidingen te worden uitgevoerd. Artikel 3.70 Informatieplicht Wettelijk is voor openbare elektronische communicatienetwerken voorzien in regels rond kabels (en aanpalende voorzieningen als lege mantelbuizen) voor de duur van de gedoogplicht. Daarbij is van belang om inzicht te hebben of die kabels en leidingen (nog) deel uit maken van een dergelijk netwerk. Onderscheid is er tussen bestaande lege mantelbuizen en nieuw te leggen lege mantelbuizen. Voor de gemeente is het niet doenlijk zelfstandig voldoende zicht te houden op het al dan niet in gebruik zijn van de voorzieningen. De netbeheerders worden geacht een kabel- en leidingregistratie bij te houden en de gemeente te informeren (op verzoek van de gemeente dan wel op eigen initiatief) over voorzieningen als lege mantelbuizen. Wijzigingen kunnen ook optreden door het vervallen van het openbare karakter van gronden, dat dan gevolgen heeft voor de kabels en leidingen in die gronden. Op grond van artikel 6, lid 2 van de WIBON is de netbeheerder ook verplicht om wijzigingen in zijn netwerk (beheerpolygoon) aan het Kadaster door te geven.
Deze dienst beheert het elektronisch informatiesysteem over kabels en leidingen in de ondergrond ( art. 5 WIBON) Artikel 3.71 Verleggingen van leidingen Voor verleggingen van kabels en leidingen van de nutsbedrijven zijn enkele beperkte procedurele regels opgenomen. Nadere en meer specifieke afspraken kunnen worden gemaakt in het kader van afstemming in het geval van mogelijke verlenging of actualisering van bestaande privaatrechtelijke afspraken tussen de nutsbedrijven en de gemeente. Een netbeheerder is verplicht te verleggen als dat noodzakelijk is voor werken door of vanwege de gemeente. De verrekening van kosten wordt vooralsnog bepaald aan de hand van de tussen partijen van toepassing zijnde afspraken, totdat er algemeen geldende regels hieromtrent zijn overeengekomen. Procedureel geldt als praktische richtlijn dat als de gemeente nadeelcompensatie moet bieden aan een netbeheerder, dit slechts zal geschieden op basis van een voldoende nauwkeurig gespecificeerd kostenoverzicht. Artikel 3.72 Verwijderen van leidingen
40
Aangegeven is dat formeel gezien een netbeheerder verplicht is op aanzeggen van de gemeente, leidingen te verwijderen als de vergunning is verlopen/beëindigd of als de betreffende kabels en leidingen buiten gebruik zijn gesteld. Vooral bij reconstructies moeten buiten gebruik gestelde kabels en leidingen worden verwijderd. Uiteraard zal dit gelet op de mogelijke gevolgen, steeds in afstemming tussen de gemeente en de betrokken netbeheerder gebeuren, mede om onnodige overlast voor omwonenden te beperken. Artikel 3.73 Naleving voorschriften Bestuursrechtelijk zijn de Awb (hoofdstuk 5) en de Gemeentewet van toepassing met bepalingen inzake de toezichthouder, bestuursdwang, last onder dwangsom en bestuurlijke boete. De bevoegdheid tot bestuursrechtelijke handhaving is veelal gemandateerd en de toezichthouder wordt aangewezen. Vooruitlopend op de bestuursrechtelijke handhaving, kan de toezichthouder in voorkomende gevallen (indien noodzakelijk, vooral om geen onomkeerbare situatie te creëren en onevenredige overlast te vermijden) bevelen de werkzaamheden stil te leggen. Indien en voor zover nodig kunnen daarnaast of aansluitend ook de civielrechtelijke en strafrechtelijke mogelijkheden benut worden. Strafrechtelijke consequenties vloeien vooral voort uit de mogelijke overtredingen van de Wet op de economische delicten (WED).
Er is voor gekozen aan te sluiten bij het generieke gemeentelijke toezicht- en handhavingsbeleid, waarbij enkele materie gebonden sanctiemaatregelen benoemd zijn in het Handboek Kabels en Leidingen. Artikel 3.74 Bevoegdheid college Dit artikel behoeft geen nadere toelichting. Het inzetten van de bevoegdheid tot het stilleggen van de werkzaamheden zal niet lichtvaardig gebeuren. In eerste instantie zal het college trachten door overleg met de uitvoerder van de werkzaamheden mogelijke overtredingen te herstellen. Indien echter zonder vergunning gewerkt wordt, is het stilleggen van de werkzaamheden onontkoombaar. In ieder geval gedurende de termijn die nodig is om een vergunningaanvraag te behandelen. Rechten van omwonenden en andere belanghebbenden moeten op een evenwichtige wijze gewogen kunnen worden. § 3.4.6. Recreatief nachtverblijf Artikel 3.75 Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen Met de intrekking van de WOR per 1 januari 2008 heeft de Rijksoverheid bedoeld een nogal omslachtig stuk regelgeving te dereguleren. Door opname van bepalingen hierover in de Verordening wordt de ruimte die gemeenten met de intrekking van de wet is geboden op een lastenarme manier ingevuld. Daarmee is ook het in de WOR opgenomen verbod tot het kamperen buiten kampeerterreinen “ondergebracht”.
Artikel 3.76 Uitzonderingsbepaling Dit artikel geeft duidelijk weer in welke gevallen en onder welke voorwaarden het verbod van artikel 3.75 niet toepasselijk is. In sommige gevallen zal echter wel een evenementenvergunning nodig zijn, t.w. bij samenloop van een evenement en daaraan gekoppeld, kamperen.
Afdeling 3.5 Andere onderwerpen betreffende de huishouding van de Gemeente. § 3.5.1. Parkeerexcessen Artikel 3.77 Aanwijzing activiteiten 41
In dit artikel is het parkeren van voertuigen op de weg aangewezen als activiteit die gevolgen kan hebben voor de fysieke leefomgeving. Artikel 3.78 Specifieke zorgplicht In dit artikel is de specifieke zorgplicht van artikel 3.3. geconcretiseerd voor de activiteiten die zijn geregeld in deze paragraaf Artikel 3.79 Voertuigen van autobedrijf e.d. Dit artikel bevat het verbod om de weg te gebruiken als werkplaats voor voertuigen of voor het parkeren van meer dan twee voertuigen binnen een cirkel met een straal van 25 m. Deze verboden gelden alleen voor degenen die bedrijfsmatig rijlessen verzorgen, personen tegen betaling vervoeren of voertuigen stallen, verhuren, verhandelen, slopen, onderhouden of herstellen. Eerste lid Aangezien het parkeren van voertuigen van rijschoolhouders en taxiondernemers excessieve vormen kan aannemen, is in het eerste lid expliciet bepaald dat onder ‘verhuren’ mede wordt verstaan het gebruiken van voertuigen voor het geven van lessen of voor het vervoeren van personen tegen betaling. Aldus kan ook tegen excessief gebruik van de weg worden opgetreden. Tweede lid In lid 2 onder a is het woord ‘vergen’ gebruikt in plaats van ‘duren’ om zoveel mogelijk twijfel uit te sluiten over de vraag of met een bepaalde herstel- of onderhoudswerkzaamheid meer dan een uur gemoeid is. Bij het gebruik van de term ‘vergen’ leidt tot een meer objectieve maatstaf.
Derde lid, onder a Deze bepaling beoogt optreden mogelijk te maken tegen die autohandelaren en exploitanten van garage-, herstel- en autoverhuurbedrijven die de weg voortdurend gebruiken als stallingsruimte voor auto’s die hun toebehoren of zijn toevertrouwd. Bij het opstellen van deze bepaling is ernaar gestreefd de delictsomschrijving zoveel mogelijk vrij te houden van elementen waarvan de bewijslevering moeilijkheden kan opleveren. Niettemin kan vooral het bewijs dat betrokkene “zijn bedrijf of nevenbedrijf dan wel een gewoonte” van de hier bedoelde activiteiten maakt, alsook dat de desbetreffende voertuigen “hem toebehoren of zijn toevertrouwd”, onder omstandigheden problemen opleveren. De woorden “drie of meer voertuigen” zijn gekozen om de bewijslast niet onevenredig zwaar te maken. Doordat het verbod slechts betrekking heeft op het parkeren dat in het kader van (neven)bedrijf of gewoonte plaatsvindt, blijft het normaal parkeren van de voor persoonlijk gebruik gebezigde auto(’s) van de exploitant en eventueel van zijn gezinsleden mogelijk (zie het eerste lid, onder b). Deze bepaling heeft slechts betrekking op ‘eigenlijke’ parkeerexcessen, dat wil zeggen op het parkeren van voertuigen op de weg in de zin van de WVW 1994. Het zou uiteraard te ver gaan deze bepaling ook te laten gelden voor gedragingen buiten de weg.
Op basis van deze bepaling mogen er dan binnen een cirkel met een straal van 100 m maximaal twee, dus geen drie, voertuigen staan. Eén van de op de weg geparkeerde voertuigen geldt als middelpunt van de cirkel. Voor eventuele volgende voertuigen die buiten deze cirkel staan, geldt opnieuw dat er maximaal twee voertuigen binnen een cirkel met een straal van het meteraantal mogen staan. En zo verder. Derde lid, onder b Reparatie- en sloopwerkzaamheden aan op de weg geparkeerde voertuigen in het kader van de uitoefening van een (neven)bedrijf, geven veelal klachten inzake geluidsoverlast en verontreiniging van de weg; in mindere mate wordt geklaagd over de als gevolg van deze activiteiten verminderde parkeergelegenheid. Vierde lid Het verlenen van een ontheffing ingevolge het vierde lid zal in het algemeen op zijn plaats zijn als redelijkerwijs moet worden aanvaard dat de exploitant geen andere mogelijkheden 42
heeft dan de hem toebehorende of toevertrouwde auto’s op de weg te parkeren. Te denken is hierbij aan het geval dat de exploitant van een reeds lang bestaand bedrijf in de feitelijke onmogelijkheid verkeert op eigen terrein of in de nabijheid van zijn bedrijf stallingsruimte te creëren, dan wel daarover op andere wijze de beschikking te krijgen. Aan de ontheffing kunnen uiteraard voorschriften worden verbonden, onder meer over de plaats waar, en de tijd gedurende welke voertuigen voor de hier aan de orde zijnde doeleinden op de weg mogen worden geplaatst, alsmede ten aanzien van het aantal voertuigen dat ter plaatse door de houder van de ontheffing mag worden geparkeerd. Artikel 3.80 Te koop aanbieden en voertuigen Het komt voor dat eigenaren hun voertuig te koop aanbieden op de openbare weg. Wanneer het een enkel voertuig betreft, is dit geen echt probleem. Van aantasting van het uiterlijk aanzien van de omgeving is niet of nauwelijks sprake, de overlast voor de omwonenden blijft beperkt en het gebruik van de beschikbare parkeerruimte kan niet excessief genoemd worden. Anders ligt het wanneer de voertuigen met grotere aantallen tegelijk aangeboden worden. Behalve dat het uiterlijk aanzien wordt aangetast, brengt het voor de omwonenden overlast met zich mee. Een dergelijke uitstalling van voertuigen trekt immers kooplustigen aan.
Ook wordt er een aanmerkelijk beslag op de beschikbare parkeerruimte gelegd. Voor dergelijke situaties geldt het verbod om een voertuig te parkeren met het doel het te koop aan te bieden of te verhandelen. Dit verbod geldt alleen op een door het college aangewezen weg. Bij het behandelen van een verzoek om ontheffing van het verbod, zal het college de belangen van deze paragraaf mede in ogenschouw nemen. Derde lid Dit artikel dient om te kunnen optreden tegen geïmproviseerde kleine automarkten op de openbare weg. Gezien de overlast die daarmee gepaard kan gaan, is het wenselijk de toepasselijkheid van de lex silencio positivo ingevolge artikel 28, eerste lid, van de Dienstenwet uit te zonderen. Artikel 3.81 Defecte voertuigen Het verschijnsel doet zich voor dat niet-rijklare voertuigen op de weg worden geplaatst. De eigenaar of houder van een of meer van dergelijke voertuigen heeft deze meestal aangekocht om na weken of zelfs maanden van nijvere zelfwerkzaamheid weer een volwaardig voertuig te creëren. Veelal slaagt hij in deze poging niet, waarna het voertuig op de weg wordt achtergelaten, waar het na verloop van tijd degenereert tot autowrak. Deze bepaling richt zich in het bijzonder tegen dit soort parkeergedragingen.
Het excessieve is in het bijzonder gelegen in het in relatie tot het tekort aan parkeerruimte niet gerechtvaardigde doel waartoe men het voertuig op de weg zet. Daarnaast kan het hier bedoelde parkeren een ontsiering van het uiterlijk aanzien van de gemeente meebrengen en om die reden excessief zijn. Beperking van het verbod tot die gevallen waarin er sprake is van min of meer ernstige gebreken aan het voertuig, moet noodzakelijk worden geacht, wil het verbod niet een te ruime strekking krijgen. Artikel 3.82 Voertuigwrakken Anders dan de niet-rijklare voertuigen die ingeval van parkeren gedurende zekere tijd in het bijzonder een parkeerexces kunnen opleveren door het in relatie tot het tekort aan parkeerruimte niet gerechtvaardigde doel waartoe men een voertuig op de weg zet, geeft een achtergelaten voertuigwrak, inclusief een fiets of bromfiets, in de eerste plaats aanstoot, doordat het een ontsierend element in het straatbeeld vormt. Ook houdt een wrak een gevaar in voor spelende kinderen en voor de weggebruikers. Het verbod in dit artikel richt zich op degene die het voertuigwrak op de weg plaatst of heeft. Dat is op zich al een ruimere kring van subjecten dan alleen de bestuurder; ook andere belanghebbenden bij het voertuig vallen onder deze bepaling. 43
Artikel 3.83 Kampeermiddelen e.a. voertuigen Eerste lid Deze bepaling richt zich tegen het langer dan nodig parkeren op de weg of op een van af de weg zichtbare plaats van voertuigen die voor recreatie en dergelijke worden gebruikt. Gezien de veelal toenemende parkeerdruk op de openbare weg – vaak juist ook in woonwijken – zou ervoor gekozen kunnen worden om het direct voor de gehele gemeente (of een gedeelte daarvan) van toepassing te verklaren, door te bepalen dat het verboden is de hier bedoelde voertuigen langer dan gedurende drie achtereenvolgende dagen op de weg te plaatsen of te hebben. Hiervoor is gekozen. Vierde lid De raad kan hier twee kanten op redeneren. Het gaat hier om een ontheffing, niet om een reguliere vergunning. Een ontheffing wordt alleen verleend als een in beginsel ongewenste handeling bij hoge uitzondering toch moet worden toegestaan. Doorgaans is daarvoor dan een noodzaak of een zeer dwingende reden. Het college heeft hier dus een vrij overzichtelijke afweging te maken, en er is geen reden waarom dit besluit niet tijdig kan worden genomen. Om die reden is er in de APV voor gekozen om de lex silencio positivo van toepassing te verklaren. Dit verbod geldt ook voor andere voertuigen die niet voor verkeersdoeleinden worden gebruikt, zoals grasmaaiers. Volgens het tweede lid kan het college van het verbod ontheffing verlenen.
Een verzoek tot ontheffing zal beoordeeld worden, gelet op de belangen van deze paragraaf. Artikel 3.84 Reclamevoertuigen Eerste lid Deze bepaling richt zich tegen degenen die voor een beroep of bedrijf reclame maken door een of meer voertuigen, voorzien van reclameopschriften, op de weg of op particulier terrein te parkeren. Hierbij staat het maken van reclame voorop. Als handelsreclame in de zin van dit artikel wordt niet gezien de vermelding op een voertuig van de naam van het bedrijf waarbij het voertuig in gebruik is en een (korte) aanduiding van de goederen of diensten die dat bedrijf pleegt aan te bieden. Deze voertuigen worden immers niet primair gebruikt “met het kennelijke doel om daarmee handelsreclame te maken”, maar vooral als vervoermiddel. Het excessieve is primair gelegen in het in relatie tussen het tekort aan parkeerruimte en het niet gerechtvaardigde doel waartoe men het voertuig op de weg zet. Dit doel kan reeds met één voertuig worden bereikt. In de tweede plaats kan het excessieve gelegen zijn in het motief van het tegengaan van ontsiering van het uiterlijk aanzien van de gemeente. Het in dit artikel omschreven verbod is beperkt tot het maken van handelsreclame (commerciële reclame).
Uit de jurisprudentie en uit artikel 7, vierde lid, van de Grondwet blijkt, dat de gemeentelijke wetgever in ieder geval het maken van handelsreclame aan beperkingen mag onderwerpen. Derde lid In dit geval is ervoor gekozen de lex silencio positivo van toepassing te verklaren. Het gaat hier om een ontheffing, niet om een reguliere vergunning. Een ontheffing wordt alleen verleend als een in beginsel ongewenste handeling bij hoge uitzondering toch moet worden toegestaan. Doorgaans is daarvoor dan een noodzaak of een zeer dwingende reden. Dit zal met een reclamevoertuig niet snel aan de orde zijn. Het toekennen of afwijzen van een aanvraag om deze ontheffing zal geen complexe afweging vergen. Artikel 3.85 Grote voertuigen Algemeen In gemeentelijke kring wordt het meer en meer als noodzakelijk ervaren dat het parkeren van grote voertuigen – in het bijzonder vrachtwagens – op wegen in de stadscentra en in de 44
woonwijken zoveel mogelijk wordt tegengegaan. Maatschappelijk gezien is er een tendens waarneembaar dat dit parkeren wordt ervaren als misbruik van de weg. De gevaren en inconveniënten die deze parkeergedragingen kunnen opleveren, zijn velerlei: onvoldoende opvallen bij schemer en duisternis van geparkeerde vrachtwagens, onvoldoende zichtbaarheid van tussen of achter deze voertuigen spelende kinderen, buitensporige inbeslagneming van de schaarse parkeerruimte, belemmering van het uitzicht vanuit de woning, afbreuk aan het uiterlijk aanzien der gemeente enzovoort. Op den duur zal het parkeren van grote voertuigen dan ook niet meer dienen te geschieden op wegen binnen de bebouwde kom, althans niet op die wegen binnen de bebouwde kom, die gelegen zijn in het centrum of in de woonwijken. Uit de jurisprudentie kan worden opgemaakt, dat ook volgens de Hoge Raad het parkeren van vrachtwagens in woonwijken enzovoort, bezien tegen de achtergrond van de recente verkeersomstandigheden en maatschappelijke inzichten, niet (meer) redelijkerwijze als ‘normaal’ verkeer kan worden beschouwd. De artikelen 3.85 en 3.86 bevatten regels waarmee het parkeren van grote voertuigen, voor zover dit excessief is, kan worden tegengegaan. Voertuigen die, met inbegrip van de lading, langer zijn dan 6 m of hoger dan 2,40 m mogen niet worden geparkeerd op een door het college aangewezen weg.
Dit verbod voor grote voertuigen geldt niet voor recreatievoertuigen. Die vallen namelijk al onder het verbod van artikel 3.83 (maximum parkeerduur van drie achtereenvolgende dagen). Het verbod geldt ook niet op werkdagen van 08:00 tot 18:00 uur. Artikel 3.86 Uitzichtbelemmerende voertuigen Eerste lid Deze bepaling beoogt optreden mogelijk te maken tegen het op de weg parkeren van vrachtwagens en dergelijke bij andermans voor bewoning of ander dagelijks gebruik bestemd gebouw, zodanig, dat daardoor het uitzicht van bewoners of gebruikers van het gebouw op hinderlijke wijze wordt belemmerd of hun anderszins hinder of overlast wordt aangedaan. Zie ook de toelichting bij artikel 3.85. Door opneming van de bestanddelen “of hen anderszins hinder of overlast wordt aangedaan” zijn ook mogelijke andere vormen van hinder of overlast dan uitzichtbelemmering, door het parkeren van grote voertuigen aan bewoners of gebruikers van gebouwen berokkend, verboden. Hierbij kan worden gedacht aan belemmering van de lichtval, stankoverlast en geluidsoverlast, bijvoorbeeld ten gevolge van het starten en warmdraaien van grote voertuigen. Het begrip ‘parkeren’ moet zo worden uitgelegd, dat het verbod in dit artikel zich niet alleen richt op de bestuurder van een voertuig maar ook op de andere belanghebbenden bij het voertuig.
Tweede lid De in dit lid opgenomen uitzondering ziet bijvoorbeeld op (het parkeren van) hoogwerkers, meetwagens en dergelijke. Een ontheffingsmogelijkheid is niet geboden. Niet goed valt in te zien hoe deze mogelijkheid te rijmen valt met het hinderlijke karakter van het hier bedoelde parkeren. Artikel 3.87 Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen Eerste lid Het is helaas een terugkerend verschijnsel dat groenstroken, openbare beplantingen, plantsoenen en grasperken worden benut voor het rijden met, of het parkeren van voertuigen. Met dit artikel wordt beoogd beschadiging van groenstroken en dergelijke, die het uiterlijk aanzien van de gemeente beogen te verfraaien, te voorkomen en het groen beter aan zijn bestemming te doen beantwoorden. Omdat de WVW 1994 onder ‘wegen’ ook de bermen begrijpt, is het in dit artikel opgenomen verbod beperkt tot parken en groenstroken. De wegenverkeerswetgeving voorziet niet in de 45
gevallen waarin het voertuig op of in een groenvoorziening wordt geplaatst, als die strook geen deel uitmaakt van de weg (in de zin van de WVW 1994). Ten overvloede: gedragingen als de onderhavige brengen in sommige gevallen ook zaakbeschadiging in de zin van artikel 350 van het WvSr. met zich mee. Doorgaans zal een groenstrook geen deel uitmaken van de weg. Bermen maken wel deel uit van de ‘wegen’ in de zin van artikel 1 van de Wvw 1994. Aangezien deze bepaling zich uitsluitend richt tegen een ’oneigenlijk’ parkeerexces – dat wil zeggen tegen een gedraging welke buiten de ‘weg’ (in de zin van de Wvw 1994) plaatsvindt, behoeft voor strijd met de bepalingen van de wegenverkeerswetgeving niet te worden gevreesd. Om deze reden bestaat er geen bezwaar tegen dat in deze bepaling ook bijvoorbeeld het rijden over openbare beplantingen wordt verboden. Artikel 10 van het RVV 1990 bepaalt dat bijvoorbeeld auto’s en motoren op de rijbaan en op andere weggedeelten – met uitzondering van het trottoir, het voetpad, het fietspad of het ruiterpad – mogen worden geparkeerd. Onder deze andere weggedeelten waar wel geparkeerd mag worden vallen ook de bermen van een weg. Indien in een bepaald geval het parkeren in een berm als ongewenst moet worden aangemerkt, kan een parkeerverbod voor die berm worden ingesteld.
Het is tevens mogelijk dat het parkeren op de rijbaan niet wenselijk is, bijvoorbeeld uit oogpunt van de verkeersveiligheid, maar dat het parkeren in de berm wel kan worden toegestaan. In dat geval is plaatsing van bord E1 van bijlage 1 van het RVV 1990 noodzakelijk. Tweede lid Volgens het tweede lid geldt dit verbod niet voor een weg. Het verbod geldt evenmin als het parkeren plaatsvindt voor werkzaamheden waarvoor de aanwezigheid van het voertuig nodig is. Bij de onder b bedoelde voertuigen kan worden gedacht aan voertuigen in gebruik bij de politie, de brandweer of de gemeentelijke plantsoenendienst. Campings vallen onder terreinen als bedoeld onder c. Ook geldt het verbod niet voor een locatie waar een standplaats wordt ingenomen. Op het innemen van standplaatsen is pararagraaf 3.5.4. van toepassing. Artikel 3.88 Fietswrakken, weesfietsen en overlast van fiets of bromfiets Eerste lid In de praktijk wordt regelmatig overlast ondervonden van fietsen en bromfietsen die her en der buiten de daartoe bestemde fietsenstallingen worden geplaatst. Het gaat hierbij doorgaans om plaatsen, waar zich grote concentraties van gestalde (brom)fietsen voordoen, zoals bijvoorbeeld bij stations, winkelcentra en dergelijke. Voorop staat dat dan wel voldoende stallingsmogelijkheden ter plekke aanwezig zijn.
Ter regulering van overlast van foutief geplaatste (brom)fietsen is in het eerste lid van dit artikel aan het college de bevoegdheid gegeven om plaatsen aan te wijzen waar het verboden is (brom)fietsen buiten de daarvoor bestemde ruimten of plaatsen te laten staan. De belangen die daarmee beschermd worden zijn de bescherming van het uiterlijk aanzien van de gemeente, de voorkoming of opheffing van overlast of de voorkoming van schade aan de openbare gezondheid. Bij het laatste motief kan worden gedacht aan het voorkomen van mogelijke verwondingen aan voetgangers die zich tussen een woud van (brom)fietsen een weg moeten banen. Na aanwijzing van een plaats waar het verbod zal gelden, kan tegen een foutief geplaatste (brom)fiets worden opgetreden. Door middel van borden moet worden aangegeven dat foutief geplaatste (brom)fietsen zullen worden verwijderd. Het feitelijk verwijderen dient dan beschouwd te worden als toepassing van bestuursdwang. Alvorens deze vorm van bestuursdwang te effectueren is het verstandig aan het publiek bekend te maken, bijvoorbeeld door mededeling in het gemeenteblad, de plaatselijke krant of een huis-aanhuisblad, met affiches en dergelijke. Tevens is het raadzaam aan te geven waar de verwijderde (brom)fietsen weer kunnen worden opgehaald en hoe hoog de kosten zijn die vergoed moeten worden.
46
§ 3.5.2. Parkeerregulering Artikel 3.89 Aanwijzing activiteiten In dit artikel zijn de activiteiten benoemd is gevolgen kunnen hebben voor de fysieke leefomgeving. Artikel 3.90 Parkeervergunning belanghebbenden In het eerste lid wordt gesproken over 'kan ... verlenen'. Hiermee wordt aangegeven dat niet elke aanvraag gehonoreerd behoeft te worden. Burgemeester en wethouders moeten de mogelijkheid hebben om een aanvraag te toetsen aan het gemeentelijke beleid. Er is dan ook sprake van een vrije beschikking. De houder van een dergelijke vergunning is het toegestaan om te parkeren bij parkeerapparatuur zonder betaling, mits hij in het bezit is van een vergunning. Uiteraard blijft het ook mogelijk om op de 'gewone' manier bij parkeerapparatuur te parkeren. Er zijn omstandigheden denkbaar dat het redelijk is een vergunning voor andere motorvoertuigen dan personenauto's te verlenen. Wellicht ten overvloede moet er nog op gewezen worden dat bij een eventuele vergunningverlening voor 'grote' motorvoertuigen rekening moet worden gehouden met de verboden die elders in deze verordening zijn opgenomen. (art 3.85/3.86) Uit lid 2 van dit artikel blijkt dat er drie soorten vergunningen (voor bewoners respectievelijk zakelijk belanghebbenden en voor bezoekers) kunnen worden verleend.
Dit onderscheid is gewenst omdat voor de verlening van deze drie soorten vergunningen verschillende criteria worden aangelegd. Daarnaast is de ruimte beperkt om te parkeren binnen het gebied dat gereguleerd is. Het maximum aantal te verlenen vergunningen moet, wanneer de noodzaak zich aandient, bepaald kunnen worden. Het college kan van die mogelijkheid gebruik maken. Het is de verantwoordelijkheid van de in het gebied gelegen bedrijven zelf om een vergunning aan te vragen. Een belangrijk principe is dat elk bedrijf in principe op eigen erf dient te parkeren. Omdat dit vaak niet mogelijk is zal het bedrijf in principe mee moeten betalen aan het aanleggen van parkeervoorzieningen op openbaar terrein. Bedrijven dienen dus een vergunning aan te vragen. Het vierde lid van dit artikel geeft tevens één van de criteria aan die maatgevend zijn voor het beoordelen van de vraag of een vergunning wel/niet verleend kan worden. Artikel 3.91 Beslistermijn op aanvraag Behoeft geen nadere toelichting Artikel 3.92 Geldigheidsduur vergunning Om een goede controle te kunnen houden over de verleende vergunningen worden deze voor de termijn van maximaal een jaar ( of een deel ervan) verleend. Door deze jaarlijkse controle blijft het bestand up-to-date. Zijn de omstandigheden ongewijzigd, dan wordt de vergunning verlengd.
Derde lid Om de praktische controle op de naleving van het vergunningparkeren efficiënt te laten verlopen wordt alleen de ter zake doende informatie op het vergunningbewijs vermeld. Artikel 3.93 Intrekken en wijzigen van een vergunning In de aanhef van dit artikel wordt gesproken over 'kan...intrekken'. Bedoeld is hiermee aan te geven dat het ter beoordeling van burgemeester en wethouders staat of een vergunning daadwerkelijk wordt ingetrokken wanneer een van de opgesomde omstandigheden zich 47
voordoet. De opsomming is limitatief bedoeld. Om andere redenen kan de vergunning dan ook niet worden ingetrokken. Artikel 3.94 Verbod achterlaten voorwerpen en voertuigen Dit artikel verbiedt het plaatsen van voorwerpen, niet zijnde motorvoertuigen, op parkeerapparatuur- en vergunningplaatsen. Het plaatsen van dergelijke voorwerpen belemmert de normale gang van zaken op de genoemde plaatsen en doorkruist daarmee de beoogde regulering. Het gaat hier om gedragingen die zich niet lenen voor fiscalisering. Deze verbodsbepaling moet dan ook in de verordening worden opgenomen. De ontheffingsmogelijkheid die in lid 3 van dit artikel is opgenomen zal het college spaarzaam gebruiken om te voorkomen dat de goede gang van zaken op parkeerapparatuurplaatsen doorkruist wordt. Artikel 3.95 Verbod in werkingstelling parkeerapparatuur Dit artikel bevat enkele verbodsbepalingen voor gedragingen die niet gefiscaliseerd kunnen worden. Deze bepalingen moeten, in de verordening opgenomen worden. Wanneer de parkeertijd, waarvoor een bestuurder heeft betaald, is verstreken moet hij (opnieuw) aangifte doen. Als hij niet aan die verplichting voldoet, wordt hem, in geval van constatering, een naheffingsaanslag opgelegd. Dit verbod geldt alleen niet voor vergunninghouders.
Artikel 3.96 Verbod parkeren op plaats vergunninghouder De fiscale aanpak van het niet betalen van het parkeergeld is, gelet op de Gemeentewet, alleen mogelijk bij parkeerapparatuur, en niet op vergunningplaatsen. Daarom is in de verordening een strafbepaling opgenomen. Voor het parkeren op parkeerplaatsen bij parkeerapparatuur zonder (geldige) vergunning is geen strafbaarstelling nodig. Op die plaatsen kan wel het fiscale regime gehanteerd worden. § 3.5.3. Weekmarkten Artikel 3.97 Gereserveerd Artikel 3.98 Gereserveerd Artikel 3.99 Gereserveerd Artikel 3.100 Gereserveerd Artikel 3.101. Gereserveerd Artikel 3.102 Gereserveerd Artikel 3.103 Gereserveerd Artikel 3.104 Gereserveerd Artikel 3.105 Gereserveerd Artikel 3.106 Gereserveerd Artikel 3.107 Gereserveerd 48
Artikel 3.108 Gereserveerd Artikel 3.109 Gereserveerd Artikel 3.110 Gereserveerd Artikel 3.111 Gereserveerd Artikel 3.112 Gereserveerd Artikel 3.113 Gereserveerd Artikel 3.114 Gereserveerd § 3.5.4 Standplaatsen Artikel 3.115 Aanwijzing activiteiten In dit artikel zijn de activiteiten benoemd die gevolgen kunnen hebben voor de fysieke leefomgeving. Artikel 3.116 Specifieke zorgplicht In dit artikel is de specifieke zorgplicht van artikel 3.3. nader geconcretiseerd voor zover het gaan om de activiteiten in deze paragraaf. Artikel 3.117 Standplaatsvergunning en weigeringsgronden Algemeen Een vergunning voor het hebben van een standplaats is noodzakelijk. De vergunning dient om te voorkomen dat de openbare orde wordt verstoord, de veiligheid van het verkeer in het gedrang komt en overlast wordt tegengegaan. Gedacht kan worden aan bijvoorbeeld: geluidsoverlast, stankoverlast, verkeershinder en overlast door zwerfafval. De vergunning is persoonsgebonden. Op het vergunningstelsel is de Dienstenrichtlijn van toepassing. Dat geldt ook als de standplaats wordt gebruikt voor de verkoop van goederen. Die activiteit vormt voor de toepassing van de Dienstenrichtlijn namelijk een ‘dienst’. Er kan sprake zijn van een schaarse vergunning, waardoor de vergunning niet voor onbepaalde tijd kan worden verleend en de selectie- en vergunningprocedure aan bepaalde voorwaarden moeten voldoen.
Vrijheid van meningsuiting Voor het aanbieden van gedrukte stukken waarin gedachten en gevoelens worden geopenbaard kan geen vergunning worden geëist in verband met artikel 7 van de Grondwet. Het aanbieden van zodanige gedrukte stukken wordt gezien als een zelfstandig middel van verspreiding. Wel is een vergunning noodzakelijk indien vanaf een standplaats gedrukte stukken worden aangeboden. Deze vergunning is niet vereist vanwege het feit dat gedrukte stukken worden aangeboden, maar vanwege het feit dat een standplaats wordt ingenomen. Tweede lid De bepalingen over het innemen van een standplaats hebben als doel de ordening van de straathandel en zijn gebaseerd op de regulerende bevoegdheid van de gemeente van zaken die tot haar huishouding behoren. Daarnaast vormen de besluiten op grond van de Wet ruimtelijke ordening, zoals een bestemmingsplan, een zelfstandige toetsingsgrond. Dit betekent dat bij de beoordeling van een aanvraag voor een vergunning voor het innemen van een standplaats altijd gelet moet worden op de voorschriften die uit het desbetreffende ruimtelijke plan voortvloeien.
49
Als bijvoorbeeld het bestemmingsplan standplaatsen ter plaatse niet toelaat, is het moeilijk uit te leggen dat de vergunning weliswaar wordt verleend, maar dat daarvan geen gebruik gemaakt kan worden wegens strijd met het bestemmingsplan ( in de toekomst: strijd met het omgevingsplan). Strijd met het bestemmingsplan, de beheersverordening, het exploitatieplan of het voorbereidingsbesluit is daarom als imperatieve weigeringsgrond opgenomen. Blijkens jurisprudentie is dit aanvaardbaar omdat een dergelijke bepaling geen zelfstandige planologische regeling bevat. Derde lid, onder a In het verleden is het beschermen van een redelijk voorzieningenniveau in de gemeente ten behoeve van de consument als een openbare ordebelang aangemerkt. De gedachte was dat gevestigde winkeliers geconfronteerd worden met hoge exploitatiekosten die niet in verhouding staan tot de vrij lage exploitatiekosten van de straathandelaren. Uit jurisprudentie van de Afdeling blijkt dat het reguleren van de concurrentieverhoudingen niet als een huishoudelijk belang van de gemeente wordt aangemerkt. Hierop wordt door de Afdeling slechts één uitzondering toegestaan, namelijk wanneer het voorzieningenniveau voor de consument in (een deel van) de gemeente in gevaar komt. Van duurzame ontwrichting van het voorzieningenniveau zal in de praktijk niet snel sprake zijn.
Voor de vraag of een duurzame ontwrichting van het voorzieningenniveau zal ontstaan, komt geen doorslaggevende betekenis toe aan de vraag of voor een overaanbod in het verzorgingsgebied en mogelijke sluiting van bestaande voorzieningen moet worden gevreesd, maar het doorslaggevende criterium is of inwoners van een bepaald gebied niet langer op een aanvaardbare afstand van hun woning kunnen voorzien in hun eerste levensbehoeften. Bijvoorbeeld ABRvS 13-01-2016, Artikel 3.118 Toestemming rechthebbende Deze bepaling ziet op standplaatsen op een voor publiek toegankelijk en in de openlucht gelegen perceel, waarbij het perceel niet in eigendom van de gemeente is. Gedacht kan worden aan een parkeerterrein bij een winkelcentrum in eigendom van een vastgoedondernemer. Dit artikel verbiedt de rechthebbende op een terrein, toe te laten dat een standplaats wordt ingenomen, zonder dat hiervoor een vergunning is verstrekt. Met dit verbod is het mogelijk niet alleen maatregelen te nemen tegen degene die zonder vergunning een standplaats inneemt, maar ook tegen de eigenaar van de grond die het innemen van een standplaats zonder vergunning toestaat. Artikel 3.119 Afbakeningsbepaling Regelt de afbakening met landelijke en provinciale wetgeving.
§ 3.5.5 Snuffelmarkten Artikel 3.120 Aanwijzing activiteiten In dit artikel zijn de activiteiten benoemd is gevolgen kunnen hebben voor de fysieke leefomgeving. Artikel 3.121 Organiseren van een snuffelmarkt § 3.5.6 Openbaar water en waterstaatswerken Artikel 3.122 Aanwijzing activiteiten In dit artikel is het innemen van ligplaats, het gebruiken of veranderen van openbaar water en waterstaatswerken en het varen op de Otheense Kreek, aangewezen als activiteit die gevolgen kan hebben voor de fysieke leefomgeving.
50
Artikel 3.123 Voorwerpen op, in of boven openbaar water Dit artikel heeft een aanvullend karakter op de andere in het vijfde lid genoemde wet- en regelgeving. De veiligheid op het water heeft reeds een afdoende regeling gevonden in een aantal bepalingen van het WvSr, te weten de artikelen 162, 163 en 427, sub 6, en het BPR (zie bijvoorbeeld artikel 1.15 van dit reglement). Artikel 3.124 Ligplaats vaartuigen Eerste en tweede lid Uitgangspunt van de APV-bepalingen over ligplaatsen is dat het in beginsel is toegestaan met een vaartuig een ligplaats in te nemen, te hebben of beschikbaar te stellen binnen de gemeente, tenzij de plaats deel uitmaakt van door het college aangewezen openbaar water (eerste lid). Er geldt slechts een verbod om een ligplaats in te nemen in strijd met de nadere regels van het college op grond van het tweede lid, onder a (delegatie van regelgeving door de raad op grond van artikel 156 van de Gemeentewet). Krachtens het tweede lid, onder b, van artikel 3.124 heeft het college ook de mogelijkheid om een differentiatie naar soort en aantal vaartuigen aan te brengen. Zo kunnen aparte ligplaatsen voor woonschepen en ligplaatsen voor uitsluitend pleziervaartuigen aangewezen worden. Bovendien kan het aantal gelimiteerd worden.
Via deze algemeen werkende voorschriften is het mogelijk om bijvoorbeeld aan vaartuigen die gedurende langere tijd een ligplaats willen innemen of hebben, eisen te stellen met betrekking tot de afvoer van het afvalwater, de drinkwatervoorziening etc. Zelfs zou aansluiting op de riolering, het drinkwater- en elektriciteitsnet voorgeschreven kunnen worden, indien de mogelijkheden daartoe redelijkerwijs aanwezig zijn. Derde lid Maakt het college van zijn bevoegdheid krachtens het eerste lid geen gebruik om gedeelten van openbaar water aan te wijzen waar het verboden is aan te leggen, dan kunnen aan de locatie voor het innemen, hebben of beschikbaar stellen van een ligplaats uitsluitend nog beperkingen opgelegd worden krachtens een eventuele provinciale omgevingsverordening dan wel krachtens de Wet ruimtelijke ordening c.q. de Omgevingswet en het Activiteitenbesluit c.q. het besluit activiteiten leefomgeving wanneer bijvoorbeeld het beschikbaar stellen van een ligplaats zodanig gebeurt dat er sprake is van een milieuvergunningplichtige activiteit. Heeft het college daarentegen wel gedeelten van openbaar water aangewezen, dan mag slechts ligplaats ingenomen of beschikbaar gesteld worden op de niet-aangewezen gedeelten en kunnen er daarnaast eventueel nog andere beperkende factoren worden gesteld vanuit de provinciale landschapsverordening of de Omgevingswet.
Daar waar een provinciale verordening van kracht is, kan het motief landschapsbescherming niet meer door het college ten grondslag gelegd worden aan de aanwijzing van ligplaatsen als bedoeld in het eerste lid of het stellen van nadere regels (dat wil zeggen algemene voorschriften) als bedoeld in het tweede lid. In het derde lid is de werking van deze bepaling ook uitgezonderd voor die gevallen waarin de Wet milieubeheer c.q. Omgevingswet van toepassing is. Veel jachthavens zullen namelijk aangemerkt kunnen worden als milieuvergunningplichtige activiteit. Artikel 3.125 Varen op de Otheense kreek Dit artikel nam de gemeenteraad op, aanvullend op het model van de verordening, om de overlast van vaartuigen op de Otheense kreek te voorkomen en de veiligheid op het water van de Kreek te waarborgen. Artikel 3.126 Beschadigen van waterstaatswerken Deze bepaling heeft alleen betrekking op waterstaatswerken die in beheer zijn bij de gemeente. Artikel 1.14 van het Binnenvaartpolitiereglement legt aan degene die een kunstwerk beschadigt bovendien nog een meldingsplicht op.
51
Afdeling 3.6 Activiteiten met betrekking tot cultureel erfgoed § 3.6.1 Algemeen Artikel 3.127 Doel Dit artikel somt op met welke oogmerken de algemene regels voor de activiteiten in deze afdeling zijn gesteld. De Omgevingswet kent een aantal maatschappelijke doelen. De algemene regels over activiteiten met betrekking tot cultureel erfgoed in deze verordening zijn gesteld vanwege een concretisering van deze doelen. Artikel 3.127 somt deze oogmerken limitatief op § 3.6.2 Beschermde gemeentelijke monumenten en voorbeschermde monumenten Artikel 3.128 Aanwijzing activiteiten In dit artikel zijn het slopen, verstoren, verplaatsen of wijzigen van een beschermd gemeentelijk monument of een voorbeschermd gemeentelijk monument en het herstellen of gebruiken van een beschermd gemeentelijk monument of een voorbeschermd gemeentelijk monument waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht, aangewezen als activiteiten die gevolgen kunnen hebben voor de fysieke leefomgeving. Datzelfde geldt voor het uitvoeren van bodemverstorende werkzaamheden in of bij een beschermd archeologisch monument en overige grondwerkzaamheden waardoor archeologische waarden beschadigd of verstoord kunnen worden. Artikel 3.129 Specifieke zorgplicht In dit artikel is de specifieke zorgplicht van artikel 3.3 geconcretiseerd voor de activiteiten waarover in deze paragraaf regels zijn gesteld.
De formulering sluit aan bij artikel 11, eerste lid, van de Monumentenwet 1988, zoals dat is gewijzigd met de Erfgoedwet. § 3.6.3 Instandhouding van gemeentelijke monumentale zaken Artikel 3.130. Instandhoudingbepaling en omgevingsvergunning Dit artikel is voor gemeentelijke monumenten naar analogie met artikel 11, eerste lid, van de Monumentenwet 1988 geschreven, zoals dat is gewijzigd door artikel 10.18 van de Erfgoedwet, met inbegrip van de instandhoudingsplicht die daarbij is geïntroduceerd. Het verbod op beschadigen en vernielen van rijksmonumenten en voorbeschermde rijksmonumenten wordt onder de Ow geregeld in artikel 13.12 van het Besluit activiteiten leefomgeving (hierna: Bal). Lid 2 van dit artikel (omgevingsvergunning) is oorspronkelijk gebaseerd op artikel 2.2 van de Wabo en vanwege het overgangsrecht tot en met 2029 inhoudelijk zoveel mogelijk gelijk gebleven. Wel is een bepaling conform artikel 3.11 van het Bal onder andere handelend over rijksmonumentenactiviteiten bij begraafplaatsen en grafmonumenten toegevoegd. Ten aanzien van de omgevingsvergunningaanvraag voor gemeentelijke monumenten is van belang dat het verkrijgen van gegevens en ontbrekende gegevens geregeld is in de Awb (artikel 4:2 respectievelijk 4:5 en 4:15).
In lid 4 van artikel 3.130 wordt de mogelijkheid geschapen voor het college om nadere regels te stellen die in de plaats kunnen worden gesteld van het verbod uit het eerste lid en de vergunningplicht uit het tweede lid. De Wabo ziet alleen op vergunningen en ontheffingen. Deze bepaling over het stellen van nadere regels valt daarom buiten de Wabo. Het college blijft hiervoor het bevoegde gezag. Het zal hierbij over het algemeen gaan om wijzigingen aan gemeentelijke monumenten die niet van ingrijpende aard zijn. Voornamelijk het reguliere 52
onderhoud kan in vastomlijnde regels worden opgenomen, zodat burgers niet voor relatief eenvoudige wijzigingen (bijvoorbeeld met betrekking tot kleurstelling of het gebruik van identieke materialen) worden geconfronteerd met een vergunningprocedure. In deze nadere regels kunnen dan expliciet die situaties worden benoemd waarin de burger geen vergunning hoeft aan te vragen. Indien echter duidelijk is wat het toetsingskader is voor grote (nietreguliere) wijzigingen aan een monument, kan ook dit toetsingskader in algemene regels worden opgenomen, zodat burgers nog minder met administratieve lasten worden geconfronteerd. In de nadere regels (uitvoeringsrichtlijnen of programma´s van eisen) kunnen de uitgangspunten, functionele toetsen en aanwijzingen in het kader van de monumentenzorg worden opgenomen. Hierbij dient de bouwkundige en monumentale kwaliteit (behoudtechnische optiek) voorop te staan. Voorts staat het voeren van (voor)overleg centraal bij dit artikel, zodat maatwerk kan worden geleverd. Artikel 3.131 De schriftelijke aanvraag Een aanvraag voor een omgevingsvergunning kan op grond van het Besluit omgevingsrecht (Bor) zowel digitaal als op papier worden ingediend. Een burger heeft de keuze tussen het digitaal dan wel schriftelijk aanvragen van de omgevingsvergunning. Voor ondernemingen en personen met een zelfstandig beroep geldt in beginsel geen keuzevrijheid.
Zij kunnen uitsluitend een aanvraag langs digitale weg indienen. Aangezien een aantal, vooral kleinere, bedrijven nog niet over de benodigde voorzieningen beschikken om een aanvraag digitaal in te dienen is in overleg met diverse brancheorganisaties besloten om de verplichting na verloop van twee jaren in werking te laten treden. Het Bor bepaalt dat in het kader van de vermindering van de administratieve lasten voor burgers en bedrijven het bevoegd gezag bij een schriftelijke aanvraag maar maximaal 4 exemplaren van de aanvraag en de daarbij behorende bescheiden mag opvragen. In bepaalde gevallen kan op grond van het derde lid van artikel 4.2 Bor hiervan worden afgeweken. Er moet dan sprake zijn van twee of meer adviezen of verklaringen van geen bedenkingen. Artikel 3.132 Termijnen advies Op grond van artikel 3.7 Wabo is voor de voorbereiding van een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 3.130 de reguliere voorbereidingsprocedure van toepassing. Het betreft hier een wijziging ten opzichte van de oude model Erfgoedverordening. Op basis hiervan was op de voorbereiding van deze vergunningaanvraag de uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure uit de Awb van toepassing verklaard. Op grond van de Wabo is deze procedure niet meer nodig geacht voor de vergunning betreffende de gemeentelijke monumenten.
Echter indien er meerdere activiteiten voor het project moeten worden uitgevoerd en voor één van de andere activiteiten de uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure op grond van de Wabo gevolgd moet worden, dan wordt voor het hele project de uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure gevolgd. Uitgangspunt van de Wabo is dat altijd maar één procedure geldt. Indien er sprake is van een samenloop van procedure geldt de zwaarste procedure (de uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure). Aangezien veelal de reguliere procedure gevolgd zal worden is ervoor gekozen om deze hieronder nader toe te lichten. De reguliere voorbereidingsprocedure komt tegemoet aan één van de doelen van de Wabo, namelijk het bevorderen van een snelle besluitvorming. De reguliere voorbereidingsprocedure sluit voor het overgrote deel aan bij titel 4.1 van de Awb. De procedure vangt aan met een verplichte ontvangstbevestiging van het indienen van een aanvraag. Het bevoegd gezag zendt de aanvrager nadat het de aanvraag heeft ontvangen een bericht waarin het vermeldt dat zij bevoegd gezag is, welke procedure zal worden doorlopen, de beslistermijn en de beschikbare rechtsmiddelen en indien de reguliere procedure wordt gevolgd vermeldt het bevoegd gezag tevens dat een beslissing van rechtswege is gegeven, indien niet tijdig op de aanvraag is beslist. Indien de verstrekte 53
gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag, stelt het bevoegd gezag de aanvrager in de gelegenheid de aanvraag binnen de door hem gestelde termijn aan te vullen. Het bevoegd gezag geeft van de aanvraag met vermelding van de ontvangstdatum kennis in een of meer dag, nieuws- of huis-aan-huisbladen of op een andere geschikte wijze. Het bevoegd gezag moet op grond van artikel 3.9 Wabo binnen 8 weken een beslissing op de aanvraag nemen. In deze periode moet het bevoegd orgaan eventuele belanghebbenden de mogelijkheid geven om zienswijzen in te brengen (artikel 4:8 Awb). Het bestuursorgaan kan bij verordening op grond van artikel 2.26, derde lid, Wabo ‘andere instanties’ aanwijzen die in de gelegenheid worden gesteld advies uit te brengen. Hierbij kan onder meer gedacht worden aan de (gemeentelijke) monumentencommissie. Na inwerkingtreding van de Omgevingswet is dat de commissie ruimtelijke kwaliteit. Op grond van artikel 3.6 Awb dient het bestuursorgaan zelf een termijn te stellen voor het uitbrengen van advies, indien dit niet reeds bij wettelijk voorschrift is bepaald. Deze termijn mag niet zodanig kort zijn, dat de adviseur zijn taak niet naar behoren kan vervullen. Gelet op de beslistermijn dient het uitbrengen van het advies door de monumentencommissie parallel te lopen aan de beoordeling van de aanvraag door het bevoegde gezag.
Wordt het advies niet binnen de gestelde termijn gegeven dan kan het bevoegd gezag de procedure vervolgen. Het bevoegd gezag dient altijd de termijn van 8 weken in acht te nemen. De termijn van 8 weken kan met ten hoogste zes weken worden verlengd. Het bevoegde gezag dient hiervan op dezelfde manier mededeling te doen als van de kennisgeving van de aanvraag. Deze verlenging van 6 weken is voornamelijk bedoeld om de adviseur meer tijd te geven voor het uitbrengen van een advies. Het definitieve besluit wordt gepubliceerd en zes weken ter inzage gelegd waarbij het wordt opengesteld voor het indienen van bezwaar. Het besluit treedt in werking met ingang van de dag na haar bekendmaking en wordt opgeschort totdat de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift is verstreken. In lid 3 van artikel 3.9 van de Wabo is een positieve fatale beslistermijn opgenomen. Deze positieve fatale beslistermijn houdt in dat de overschrijding van de beslistermijn leidt tot een omgevingsvergunning van rechtswege. De omgevingsvergunning wordt conform de aanvraag verleend. Men spreekt ook wel van de fictieve vergunningverlening. De bepalingen uit paragraaf 4.1.3.3 van de Awb zijn van toepassing verklaard, met uitzondering van artikel 4:20b, derde lid en 4:20f.
De van rechtswege verleende vergunning treedt in werking met ingang van de dag na de bekendmaking en wordt opgeschort totdat de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift is verstreken of indien bezwaar is gemaakt, op dit bezwaar is beslist. Artikel 3.133. Weigeringsgronden In het eerste lid ligt op grond van de belangenafweging die moet worden gemaakt tevens besloten dat rekening wordt gehouden met het gebruik van het monument. In het tweede lid is voor wat betreft de vereiste overeenstemming met de eigenaar van een kerkelijk monument aangesloten bij artikel 3.2a van de Wabo. Dit geldt ook deels voor artikel 16.58 van de Ow, maar er is geen gebruik gemaakt van het eerste lid van dit artikel waarin wordt gesproken over “overleg” en niet over “overeenstemming” omdat dit de kerkelijke eigenaar minder rechten geeft. § 3.6.4 Instandhouding van archeologische terreinen Artikel 3.134 Vangnet archeologie Op grond van artikel 38a Monumentenwet jo. artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening diende in het bestemmingsplan in de toelichting bij het bestemmingsplan een beschrijving opgenomen te worden van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige 54
cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. Met de invoering van deze verplichting was de bescherming archeologische waarden in beginsel ruimtelijk geborgd. Alle bestemmingsplannen die na 2007 zijn geactualiseerd, moeten in principe voldoen aan deze eis. Er waren echter nog bestemmingsplannen van kracht van vóór de invoering van deze eisen. Om, mede gelet op de verplichtingen van het Verdrag van Valletta, ook voor de gronden waar deze ‘oude’ bestemmingsplannen nog gelden de bescherming van archeologische waarden te verzekeren, is dit artikel opgenomen. De strekking van dit artikel is te waarborgen dat mogelijk in deze gronden aanwezige archeologische waarden niet worden verstoord, tenzij daaraan aandacht is besteed die gelijkwaardig is aan waartoe artikel 5.130 van het Besluit kwaliteit leefomgeving verplicht, door middel van de verwachtingskaarten, een omgevingsvergunning of eigen onderzoek dat aan die eisen kan voldoen. Artikel 22.4 van de Ow bevat een overgangsbepaling. Voorts bepaalt artikel 22.8, onder a, van de Ow dat gemeenten – na inwerkingtreding van die wet - slechts beschermingsmaatregelen in hun omgevingsplan mogen opnemen inzake bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten.
Bij eventuele nadere regels van burgemeester en wethouders over het verrichten van archeologisch onderzoek zoals genoemd in het tweede lid van dit artikel kan bijvoorbeeld gedacht worden aan het toepassen van de criteria uit het archeologiebeleid “De onderste steen boven” dat de gemeenteraad in 2011 vaststelde. In dit beleidsstuk is een stappenplan opgenomen voor het beantwoorden van de vraag of er sprake is van de noodzaak tot het uitvoeren van een archeologisch onderzoek bij het uitvoeren van grondroerende werkzaamheden. Aanvullend op dit beleid kwam in 2016 de vrijstellingenkaart archeologie tot stand. Ook de toepassing van dit vrijstellingenbeleid voor het uitvoeren van archeologisch onderzoek valt onder de werking van het tweede lid van dit artikel. Artikel 3.135 Opgravingen en begeleiding De verplichtingen die in deze bepaling zijn opgenomen kunnen alleen goed functioneren, indien een gemeente hierover actief de archeologische onderzoekers informeert. Immers, indien een gemeente deze bepaling in haar verordening opneemt, wordt gekozen voor een regiefunctie bij archeologische opgravingen binnen het gemeentelijk grondgebied. Indien een dergelijk regierol niet uitdrukkelijk gewenst is, dient deze bepaling niet overgenomen te worden.
In dat geval bestaat nog steeds voldoende bescherming bij opgravingen, aangezien al in de Monumentenwet 1988 een aantal zaken uitputtend is geregeld. Zo bestaat: • een vergunningvereiste voor het doen van opgravingen; • dient een rechthebbende van een terrein te dulden dat de opgravingbevoegde zijn terrein betreedt en eventueel opgravingen verricht; en • is ook de eigendomskwestie van de archeologische vondsten uitputtend geregeld. Om de bedoelde regierol goed te kunnen uitoefenen dient het college een programma van eisen op te stellen waarmee de kaders worden gesteld voor het ontwerp en de uitvoering van archeologisch onderzoek (lid 1, onder a). Vervolgens wordt van de opgraver verwacht dat hij in een plan van aanpak weergeeft hoe hij specifiek de gestelde kaders, zoals omschreven in het programma van eisen, denkt te gaan invullen (lid 1, onder b). Ook hier is sprake van een verkapt vergunningstelsel ten behoeve van de realisering van een fysiek project. Net als bij onderdeel e, van het eerste lid van artikel 3.134 is ervoor gekozen om deze bepaling onder de werking van de Wabo te laten vallen. Op grond van de leden 2 en 3 kunnen vervolgens nadere regels worden gesteld met betrekking tot de feitelijke uitvoering (en het toezicht daarop) en de beoordeling van het plan van aanpak.