2022-11-29 - Bijlage 2 toelichting Verordening fysieke leefomgeving Terneuzen 2023
Tekst van het document
Deze programma’s en plannen moeten voldoen aan de protocollen voor opgravingen zoals die zijn omschreven in het Besluit aanwijzing richtlijnen op professionele wijze verrichten van opgravingen. Dat besluit is een uitvoeringsbesluit van artikel 5.5. van de Erfgoedwet 55
Artikel 3.136 Procedure Zoals hierboven al is aangegeven is er bij artikel 3.134 eerste lid, onder e en artikel 3.135, eerste lid, onder b sprake van een verkapt vergunningstelsel en de uitvoering van een fysiek project. Om deze reden is de Wabo van toepassing verklaard. De bepalingen uit de artikelen 3.131 tot en met 3.134, welke zien op de verlening van de omgevingsvergunning voor gemeentelijke monumenten, kunnen derhalve van overeenkomstige toepassing worden verklaard. Verwezen wordt naar de artikelsgewijze toelichting bij deze artikelen.
Afdeling 3.7 Activiteiten met betrekking tot flora en fauna § 3.7.1 Algemeen Artikel 3.137 Doel Dit artikel somt op met welke oogmerken de algemene regels voor de activiteiten in deze afdeling zijn gesteld. De Omgevingswet kent een aantal maatschappelijke doelen. De algemene regels over activiteiten met betrekking tot flora en fauna in deze verordening zijn gesteld vanwege een concretisering van deze doelen. Artikel 3.137 somt deze oogmerken limitatief op. Dit artikel werkt ook door in de bevoegdheden van het college tot het stellen van maatwerkvoorschriften. Bij de activiteiten in deze afdeling zullen niet steeds alle oogmerken een rol spelen. Als voor een bepaald oogmerk geen nader uitgewerkte regels in deze verordening zijn opgenomen, geldt wel de specifieke zorgplicht. In dit artikel zijn de doelen opgenomen van de regels in deze afdeling.
Artikel 3.138 Aanwijzing activiteiten In dit artikel is het vellen van houtopstanden aangewezen als activiteit die gevolgen kan hebben voor de fysieke leefomgeving. De afbakening met de rijksregels over het vellen van houtopstanden is geregeld in artikel 1.4. § 3.7.2 Vellen van bomen Artikel 3.139 Omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstanden. Dit artikel wijst het vellen van een monumentale of waardevolle houtopstand aan als gevallen waarvoor een vergunning verplicht is. Het gaat daarbij om houtopstanden die als monumentaal of waardevol zijn opgenomen op de Waardevolle bomenlijst die op grond van artikel 2.10 is vastgesteld door het college. Onder ‘vellen’ wordt verstaan rooien, kappen, verplanten, snoeien van meer dan 20 procent van de boomkroon of het wortelgestel, met inbegrip van de eerste maal kandelaberen of knotten, of het verrichten van handelingen die de dood, ernstige beschadiging of ernstige ontsiering van een houtopstand kunnen veroorzaken. In het vierde lid zijn de uitzonderingen op de vergunningplicht geregeld. Geen vergunning is verplicht voor bijvoorbeeld het vellen van houtopstand dat is vereist op grond van de Plantenziektenwet of velling van dode of niet meer te herstellen houtopstand in eigendom van de gemeente, waarvan de toestand door een boomdeskundige is vastgesteld.
Afdeling 3.8 Activiteiten met betrekking tot begraafplaatsen
56
§ 3.8.1. Algemeen Artikel 3.140 Aanwijzing activiteiten In dit artikel zijn de activiteiten benoemd die gevolgen kunnen hebben voor de fysieke leefomgeving. § 3.8.2. Vergunningen grafkelder en grafbedekking en onderhoud Artikel 3.141 Grafkelder Dit artikel vindt eigenlijk nauwelijks toepassing. Artikel 3.142 Historische graven Verspreid over meerdere begraafplaatsen in de gemeente zijn er ongeveer 700 graven die als historisch of als oorlogsgraf te kenschetsen zijn. De gemeente onderhoudt in het algemeen deze graven, omdat van een rechthebbende vaak geen sprake is.
Afdeling 3.9 Activiteiten met betrekking tot het gebruik woningen § 3.9.1 Algemeen Artikel 3.143 Doel Dit artikel geeft weer met welk doel de regels voor de activiteiten in deze paragraaf zijn gesteld. Bij eventuele vergunningverlening zal het belang van het beschermen van deze doelen een belangrijke rol spelen. Artikel 3.144 Aanwijzing activiteiten In dit artikel zijn de activiteiten benoemd die gevolgen kunnen hebben voor de fysieke leefomgeving. § 3.9.2. Gebruik woningen Artikel 3.145 Gebruiksverbod 2e woningen In artikel 21 van de Huisvestingswet is onder meer bepaald dat het verboden is om woonruimte geheel of gedeeltelijk aan de bestemming tot bewoning te onttrekken, met andere woonruimte samen te voegen of van zelfstandige in onzelfstandige woonruimte om te zetten zonder vergunning daartoe van burgemeester en wethouders. In Terneuzen gaat het in de verordening om het voorkomen van een vermindering van het aantal woningen binnen de woningvoorraad dat beschikbaar is voor permanente bewoning door het omzetten van een permanente woning in een woning die als tweede woning gebruikt wordt. Het omzetten van een woning die permanent bewoond wordt naar een woning die als tweede woning gebruikt wordt, kan worden aangemerkt als een onttrekking.
In het eerste lid van dit artikel wordt expliciet aangeven dat het zonder vergunning van het college in gebruik nemen van een tweede woning, verboden is. Recreatieve verhuur van tweede woningen is te allen tijde verboden. In het tweede en derde lid van dit artikel wordt het gebruik als tweede woning en de vaststelling of iemand zijn hoofdverblijf in een woonruimte heeft, nader ingevuld. Artikel 3.146 Uitzondering gebruiksverbod Een vergunning heeft een persoonlijk karakter en is dus niet overdraagbaar. Dat geldt ook bij verandering in het eigendomsrecht op de woonruimte door vererving, verkoop of schenking aan een derde. 57
Artikel 3.147 Criteria vergunningverlening In dit artikel is in algemene termen omschreven op basis van welke criteria het college een afweging maakt bij de vraag of wel/geen vergunning verleend kan worden. Dat vergt primair een belangenafweging. Op basis van die belangenafweging kan het college ook besluiten aan een vergunning nadere voorschriften te verbinden. Artikel 3.148 Procedure beslistermijn en nadere regels In het eerste lid is voor wat betreft de beslistermijn op een aanvraag om vergunning aangesloten bij de algemene termijn voor beschikkingen t.w.8 weken. Het tweede lid geeft burgemeester en wethouders de bevoegdheid om regels te stellen over de manier waarop een aanvraag moet worden ingediend. Het stellen van nadere regels heeft betrekking op de gegevens die bij de aanvraag moeten worden verstrekt. De Huisvestingswet 2014 bepaalt dat een vergunning alleen kan worden aangevraagd door de eigenaar van de woning.
HOOFDSTUK 4 BEHEER EN ONDERHOUD Afdeling 4.1 Onderhoud- en instandhoudingsverplichtingen Afdeling 4.2. Gedoogplichten Artikel 4.2 Voorzieningen voor verkeer en verlichting In beginsel biedt de Belemmeringenwet Privaatrecht het kader om op het eigendomsrecht van anderen inbreuk te maken. De Belemmeringenwet Privaatrecht is echter in haar toepassing bedoeld voor zodanige inbreuken op dat eigendomsrecht, waardoor het gebruik van de desbetreffende onroerende zaak al dan niet tijdelijk beperkt wordt. Wanneer daarvan sprake is kan niet een gedoogplicht op grond van artikel 4.2 geconstrueerd worden. Deze gedoogplicht is alleen dan aanwezig wanneer de voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het openbaar verkeer of de openbare verlichting het gebruiksrecht van de eigenaar niet aantasten.
HOOFDSTUK 5 FINANCIËLE BEPALINGEN Afdeling 5.1 Wegslepen voertuigen Artikel 5.1 Kosten overbrengen en bewaren van voertuigen De tarieven voor het wegslepen van voertuigen zijn afgeleid van de tarieven van het wegslepende bedrijf. De tarieven worden jaarlijks opnieuw afgesproken. Uitgangspunt hierbij is het gestelde onder lid 8 van dit artikel.
Afdeling 5.2 Tegemoetkoming in schade Artikel 5.2 Gemeentelijke en archeologische monumenten De Afdeling rechtspraak van de Raad van State heeft uitgemaakt dat de Erfgoedverordening zonder een schadevergoedingsregeling rechtsgeldig is (BR 86,604). Voor het archeologische deel van de verordening dient echter, op grond van de Wet op de Archeologische monumentenzorg, wel een schadevergoedingsregeling in de verordening opgenomen te worden. De rijksregeling voor excessieve opgravingkosten is ingaande 2009 niet meer van toepassing. Het “veroorzaker-betaalt- principe”, zoals dat in de memorie van toelichting van de Wet op de Archeologische monumentenzorg c.q. de Erfgoedwet is verwoord, staat bij de afweging tot toekenning van schadevergoeding voorop. De gemeente zal zelf per geval moeten afwegen wat ‘redelijk’ of ‘buitenproportioneel’ is. In deze verordening is gekozen voor 58
een schadevergoedingsbepaling, waarin de specifieke gevallen zijn opgenomen op grond waarvan het bevoegd gezag mogelijk een schadevergoeding aan een belanghebbende dient toe te kennen.
HOOFDSTUK 6 ADVIES Artikel 6.1. Gereserveerd Artikel 6.2. Advies gemeentelijke monumentencommissie Artikel 15 van de Monumentenwet 1988 blijft van kracht tot de invoering van de Ow. Op grond van dat artikel dient ten minste in deze verordening te zijn geregeld de inschakeling van “een commissie op het gebied van de monumentenzorg die in elk geval tot taak heeft te adviseren over aanvragen om een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder f, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.” Binnen de commissie zijn enkele leden deskundig op het gebied van de monumentenzorg. De gemeenteraad wees hiervoor de Vereniging Dorp Stad en Land aan. Op deze wijze functioneert nu in Terneuzen de monumentencommissie. De gemeenteraad besloot op 10 maart 2022 tot het instellen van een commissie ruimtelijke kwaliteit. Deze commissie neemt na de inwerkingtreding van de Omgevingswet de taken van de monumentencommissie over. Ook deze op artikel 17.9 van de Omgevingswet gebaseerde commissie heeft tot taak te adviseren over de aanvragen om een omgevingsvergunning voor een rijksmonumentenactiviteit. Ook daarbinnen dienen enkele leden deskundig te zijn op het gebied van de monumentenzorg.
Het gaat (onder de Ow) om een adviescommissie met een bredere taak voor de omgevingskwaliteit, waarin de erkenning ligt van het belang van aspecten als cultureel erfgoed, architectonische kwaliteit van bouwwerken, stedenbouwkundige kwaliteit en kwaliteit van natuur en landschap. Het gaat daarbij (onder de Ow) zowel om de menselijke beleving van de fysieke leefomgeving als om de intrinsieke waarden die de maatschappij toekent aan de identiteit van gebieden en aan dier- en plantensoorten. De Ow maakt een bredere taakstelling van deze adviescommissie mogelijk. Lid 3 van dit artikel noemt de termijn waarbinnen de monumentencommissie moet adviseren. Door de besluitvorming aan een termijn te binden, weten alle belanghebbenden waar ze aan toe zijn. In het kader van de vermindering van administratieve lasten dient goed nagedacht te worden over de specifieke invulling met betrekking tot de duur van de termijnen. Over het algemeen geldt hoe korter de termijnen zijn, des te minder zijn de administratieve lasten voor de burger. Het bepaalde in lid 3 heeft tot gevolg dat, wanneer de monumentencommissie niet tijdig adviseert, het college de volgende keuze kan maken: zonder advies een beslissing nemen, of besluiten om een (te laat) uitgebracht advies als bedoeld in het eerste lid toch in hun overwegingen te betrekken.
Als het college niet tijdig beslist, is op grond van de Awb sprake van een fictieve weigering. Ingevolge artikel 6:2 Awb staat voor de aanvrager dan de mogelijkheid van bezwaar of administratief beroep open die ook tegen een reëel besluit open zou staan. Het artikel bevat geen bepalingen over bekendmaking van het besluit, omdat de Awb dat afdoende regelt (afdeling 3.6). Artikel 6.3 Advisering omgevingsvergunning Dit artikel vindt zijn herkomst in de huidige bouwverordening. Dit artikel is in deze verordening overgenomen.
HOOFDSTUK 7 HANDHAVING EN STRAFBEPALING Artikel 7.1 Toezichthouders 59
Bijna elke gemeentelijke verordening bevat een bepaling over het aanwijzen van toezichthouders op de naleving van deze verordening. Dit is ook het geval in deze verordening. Specifiek is dat dit artikel een samenballing is van bepalingen op dit onderdeel zoals die zijn opgenomen in de onderliggende verordeningen, zoals genoemd in artikel 9.1 Toezichthouders worden aangewezen overeenkomstig modelbepaling 90.M van de Aanwijzingen voor de decentrale regelgeving. Het aanwijzen van toezichthouders kan door het college geschieden. Deze aanwijzingsbevoegdheid staat los van de vergunningverlening. De basis voor deze aanwijzingsbevoegdheid wordt gevonden in hoofdstuk 5 van de Awb, waarin algemene regels worden gegeven voor de bestuursrechtelijke handhaving van algemeen geldende rechtsregels en individueel geldende voorschriften. Toezichthouders worden in artikel 5:11 Awb omschreven als zijnde personen, die bij of krachtens wettelijk voorschrift belast zijn met het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens enig wettelijk voorschrift. In artikel 5:13 Awb is het evenredigheidsbeginsel neergelegd, wat inhoudt dat een toezichthouder zijn bevoegdheid slechts mag uitoefenen voor zover dit redelijkerwijs voor de vervulling van zijn taak noodzakelijk is.
Een toezichthouder kan daarom niet te allen tijde gebruik maken van alle bevoegdheden die in de Awb standaard aan toezichthouders worden toegekend. Steeds zal de afweging gemaakt moeten worden of het voor de vervulling van zijn taak redelijkerwijs noodzakelijk is. Bepalend hiervoor is de aard van het voorschrift op de naleving waarvan een toezichthouder moet toezien. Op basis van artikel 5:15 Awb is een toezichthouder bevoegd elke plaats te betreden met uitzondering van woningen zonder toestemming van de bewoner. 'Plaatsen' is daarbij een ruim begrip en omvat niet alleen erven en andere terreinen, maar ook gebouwen (nietwoningen). Nadrukkelijk wordt vermeld dat het college op grond van dit artikel niet zelf opsporingsambtenaren aanwijst als bedoeld in artikel 141 Strafvordering. Dat kan en hoeft het college ook niet te doen aangezien artikel 142 lid 1 sub c Wetboek van Strafvordering regelt dat bij verordening aangewezen toezichthouders ook opsporingsbevoegdheid toekomt. Deze buitengewone opsporingsambtenaren hebben in de regel een opsporingsbevoegdheid voor een beperkt aantal strafbare feiten. De bepaling over het aanwijzen van toezichthouders heeft mede ten doel, alle betrokken partijen bewust te maken van het niet-vrijblijvende karakter van de bepalingen, en zo nodig nadere eisen, van deze verordening. Uitgangspunt is dat partijen zich houden aan de bepalingen.
Indien partijen zich niet houden aan de voorschriften en beperkingen, behoudt de gemeente zich nadrukkelijk het recht voor gebruik te maken van haar bevoegdheden, vooral en in eerste instantie bestuursrechtelijk, maar niet noodzakelijk daartoe beperkt. Artikel 7.2 Strafbepaling Op grond van artikel 154 van de Gemeentewet kan de raad op overtreding van zijn verordeningen straf stellen. Artikel 7.2, regelt dat het niet-naleven van de in de verordening genoemde voorschriften of beperkingen die aan een vergunning of een ontheffing zijn verbonden, een strafbaar feit oplevert. De Gemeentewet heeft aan de raad de keuze gelaten op overtreding van verordeningen geldboete te stellen van de eerste óf de tweede categorie. De raad heeft daarbij de ruimte om binnen de verordening onderscheid te maken naar bepalingen waar bij overtreding, een straf van de eerste dan wel van de tweede categorie op staat. Uiteraard kan ook worden gekozen voor een enkele strafmaat. De gemeente verliest dan echter de mogelijkheid om scheiding aan te brengen tussen lichte en zwaardere overtredingen. Het is niet mogelijk om van de indeling in boetecategorieën af te wijken, bijvoorbeeld door een maximumboete van € 1000 te stellen.
De op te leggen straf mag niet zwaarder zijn dan hechtenis van ten hoogste drie maanden of een geldboete van de tweede categorie, al dan niet met openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak. In artikel 23 van het WvSr zijn de maxima van de zes boetecategorieën opgenomen. Het maximum van een boete van de eerste categorie bedraagt € 415 en van de 60
tweede categorie € 4.150. Het is overigens uiteindelijk de strafrechter die de soort en de maat van de straf in een concreet geval bepaalt, tot de grens van de door de raad gekozen boetecategorie. Hierbij dient de rechter op grond van artikel 24 van het WvSr rekening te houden met de draagkracht van de verdachte. Het wettelijk minimum van de geldboete bedraagt op grond van artikel 23, tweede lid, van het WvSr, € 3. Strafbaarheid rechtspersonen Op grond van artikel 91 juncto 51 van het WvSr. vallen ook rechtspersonen onder de werking van de sanctiebepaling. Bij veroordeling van een rechtspersoon kan de rechter een geldboete opleggen tot ten hoogste het bedrag van de naast hogere categorie “indien de voor het feit bepaalde boetecategorie geen passende bestraffing toelaat” (artikel 23, zevende en achtste lid, van het WvSr). Dat betekent dat voor overtredingen van de verordening door een rechtspersoon de rechter de mogelijkheid heeft een boete van de derde categorie op te leggen € 8.300. Uitgangspunten bij een keuze tussen de tweede en de eerste geldboetecategorie Het is niet goed mogelijk om algemene criteria te geven voor de vraag of een overtreding van een gemeentelijke verordening bedreigd moet worden met een boete van de eerste (lichte overtredingen) dan wel de tweede categorie. De opvatting van de raad over de ernst van bepaalde overtredingen is hiervoor maatgevend.
Wel kunnen enkele algemene uitgangspunten worden genoemd: a. De hoogte van een op te leggen boete zal in overeenstemming moeten zijn met de aard van de overtreding. Gezien de aard van de bepalingen van de verordening kan als algemene lijn worden gehanteerd dat op overtredingen een straf van de tweede categorie wordt gesteld. Op de overtredingen die de raad minder ernstig acht, kan een boete van de eerste categorie worden gesteld. Overigens dient er bij de vaststelling van de strafhoogte rekening te worden gehouden met het feit dat ook de lichtere delicten soms onder zodanige omstandigheden kunnen worden gepleegd, dat zij een zwaardere bestraffing verdienen. Het komt nog wel eens voor dat de rechter er behoefte aan heeft, voor bijvoorbeeld bepaalde baldadigheidsdelicten - waarop in het algemeen een zware straf niet past - met het oog op de algemene preventie, een zwaardere straf op te leggen. Desondanks blijft het gewenst om na te gaan welke overtredingen in de eigen gemeentelijke verordeningen in aanmerking komen voor onderbrenging in de eerste categorie. b. Op milieuovertredingen, vooral overtredingen die ook door rechtspersonen kunnen worden gepleegd, wordt veelal een boete van tweede categorie gesteld. c.
Indien aanvullend wordt opgetreden ten opzichte van provinciale verordeningen, kan als uitgangspunt worden gehanteerd dat de raad kiest voor een geldboete van de eerste categorie indien de provinciale regelgever daar ook voor heeft gekozen. Overigens staat het de raad vrij om in dit soort gevallen toch te kiezen voor de tweede categorie. d. Indien de raad aanvullend optreedt ten opzichte van een rijksregeling, kan net als bij de provincie als uitgangspunt worden genomen dat het Rijk wordt gevolgd bij de keuze van de boetecategorie. Zo zijn in elke verordening wel bepalingen opgenomen die een aanvulling zijn op overtredingen waar Boek III WvSr een boete van eerste categorie op stelt. Het betreft veelal artikelen die beogen overlast en baldadigheid tegen te gaan. In deze verordening is die keuze gemaakt voor overtredingen tegen het systeem van parkeerregulering, en –vergunningen. Deze zijn aangemerkt als een overtreding van de 1e categorie. Strafbaarstelling niet-naleving nadere regels en vergunningsvoorschriften Niet alleen de overtreding van in de verordening opgenomen bepalingen wordt in dit artikel met straf bedreigd. In een aantal bepalingen wordt aan het college de bevoegdheid gedelegeerd nadere regels te stellen. Ook de overtreding hiervan levert een strafbaar feit op.
Dit geldt ook voor de overtreding van krachtens artikel 3.7 gegeven beperkingen en voorschriften bij een vergunning of een ontheffing. 61
Formeel levert dit laatste een overtreding van artikel 3.7, derde lid, op. Hierin is de verplichting opgenomen dat degene aan wie krachtens de verordening een vergunning of ontheffing is verleend, verplicht is de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te komen. 7.3 Economisch delict. Artikel 7.2 bevat de strafbaarstelling van de overtreding van de gemeentelijke verordeningen op basis van de Gemeentewet. De wetgeving – in het bijzonder de Afvalstoffenwet en de Wet Economische Delicten – heeft echter ook bepalingen op het gebied van strafbaarstelling. Die bepalingen moet de gemeente in zijn verordeningen volgen. In deze verordening geldt dat vooral voor de verbodsbepalingen rond het aanbieden en inzamelen van afvalstoffen, en voor de verbodsbepalingen rond het aanleggen van en weg, een uitrit en het kappen van bomen.
HOOFDSTUK 8 OVERGANGSRECHT Artikel 8.1. Overgangsbepalingen In de praktijk blijkt het overgangsrecht vaak problemen te geven. Indien bijvoorbeeld een regeling wordt ingetrokken, is het niet altijd duidelijk welke gevolgen de intrekking heeft voor op die regeling gebaseerde besluiten. Vanwege de rechtszekerheid en de eerbiediging van bestaande rechten is daarom in deze verordening een overgangsbepaling opgenomen. Van belang is in de overgangsbepalingen aan te geven of bestaande vergunningen, ontheffingen, enz. al dan niet hun rechtskracht blijven behouden na de inwerkingtreding van deze verordening. Deze verordening bevat een technische omzetting waarbij zoveel mogelijk is aangesloten bij de bestaande verordeningen en de sinds 2021 uitgebrachte modelverordeningen van de VNG. Dit betekent dat er inhoudelijk nauwelijks veranderingen zijn ten opzichte van de bestaande verordeningen. De aanpassingen: Op het onderdeel Afvalbeheer (par. 3.3.3.) is sprake van toevoeging van een tweetal artikelen *(huis aan huisbladen en kadavers van gezelschapsdieren). Bij het onderdeel aanleg van een uitrit zijn de toetsingscriteria uitgebreid ten opzichte van de regeling in de tot op heden bestaande APV.
Gelet hierop bepaalt lid 1 van dit artikel dat vergunningen, ontheffingen en andere beschikkingen die zijn genomen op basis van de oude verordeningen en die nog golden op het moment van inwerkingtreding van de nieuwe verordening, blijven gelden. Dit uitgangspunt betekent b.v. dat de op grond van de oude erfgoedverordening op de gemeentelijke monumentenlijst voorkomende monumenten, geacht worden te zijn aangewezen en geregistreerd overeenkomstig deze nieuwe verordening Op aanvragen om een besluit, ingediend onder de oude verordening, wordt volgens de AWB beslist overeenkomstig de nieuwe verordening (lid 2 toetsing ex nunc). Dit uitgangspunt betekent dat we voorkomen dat er gedurende een korte overgangsperiode voor dezelfde soort aanvragen 2 verschillende procedures gelden Op basis van de oude verordening zijn uitvoeringsbesluiten zoals aanwijzingsbesluiten, nadere regels en beleidsregels genomen. Deze besluiten blijven onder de nieuwe verordening hun rechtskracht behouden.
HOOFDSTUK 9 INTREKKEN VAN VERORDENINGEN Artikel 9.1. Intrekking oude regelingen De bestaande verordeningen die onderdeel zijn geworden van deze integrale verordening voor de fysieke leefomgeving, moeten na de vaststelling van deze laatste verordening
62
ingetrokken worden. Dat geldt ook voor delen van de bestaande APV, en de Beheersverordening begraafplaatsen. Dit artikel voorziet daarin. Artikel 9.2 Inwerkingtreding De parlementaire behandeling van de Omgevingswet en de daarop gebaseerde uitvoeringsregelingen heeft vele jaren in beslag genomen. De Minister van Volkshuisvesting heeft nu uitgesproken dat de Omgevingswet per 1 juli 2023 in werking treedt. De Eerste Kamer heeft de Minister in zijn voornemen gevolgd. Of deze nieuwe invoeringsdatum haalbaar is, moeten we afwachten. Veel zal afhangen van de praktische toepassingsmogelijkheden van het Digitale Stelsel Omgevingswet (DSO). Immers ook het vierde uitstel van de inwerkingtreding van de Omgevingswet in oktober 2022, vond zijn basis in de problemen met een werkbaar en betrouwbaar DSO. Omdat de voorbereidingsfase en de fase van de bestuurlijke behandeling van deze Verordening langer vergt dan drie maanden, is het uitgangspunt van de verordening nu dat deze in werking treedt op het moment waarop ook de Omgevingswet in werking treedt. Artikel 9.3 Citeertitel Dit artikel noemt de naam van de verordening
63