CConstaterende datTerneuzen
Koppel je AI →
Document · PDF

2022-11-29 - Bijlage 2 toelichting Verordening fysieke leefomgeving Terneuzen 2023

gemeenteraad 15 december 2022, gemeente TerneuzenBij agendapunt: Vaststellen Verordening fysieke leefomgeving Terneuzen 202330.519 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

nieuwe aanbieders omdat de bestaande aanbieders voor onbepaalde tijd alle beschikbare vergunningen in handen hebben. In dat geval moet geregeld een transparante en onpartijdige ‘herverdeling’ van de schaarse vergunningen worden georganiseerd; d. een beperkte duur gerechtvaardigd is om een dwingende reden van algemeen belang: als gemeenten een vergunning voor bepaalde tijd verlenen, moeten zij beargumenteren waarom deze beperking nodig is en de evenredigheidstoets kan doorstaan. Sommige vergunningen lenen zich naar hun aard alleen voor verlening voor bepaalde tijd. Dit is bijvoorbeeld het geval bij een evenementenvergunning of een standplaatsvergunning voor een oliebollenkraam rond de jaarwisseling.

Artikel 4, onder 8, van de Dienstenrichtlijn geeft een definitie van ‘dwingende redenen van algemeen belang’: “redenen die als zodanig zijn erkend in de rechtspraak van het Hof van Justitie; waaronder de volgende gronden: openbare orde, openbare veiligheid, staatsveiligheid, volksgezondheid, handhaving van het financiële evenwicht van het socialezekerheidsstelsel, bescherming van consumenten, afnemers van diensten en werknemers, eerlijkheid van handelstransacties, fraudebestrijding, bescherming van het milieu en het stedelijk milieu, diergezondheid, intellectuele eigendom, behoud van het nationaal historisch en artistiek erfgoed en doelstellingen van het sociaal beleid en het cultuurbeleid”. Artikel 3.9 bepaalt dat bij gewijzigde omstandigheden de vergunning kan worden gewijzigd of ingetrokken. Het ligt ook daarom in de rede dat een vergunning voor onbepaalde duur blijft gelden indien de omstandigheden niet wijzigen. Pas bij gewijzigde omstandigheden dient de vergunning opnieuw te worden bezien. Ook daarbij wordt rekening gehouden met de noodzakelijkheids- en proportionaliteitseis. Bij geringe wijziging van omstandigheden die geen gevolgen hebben voor het algemeen belang, kan de vergunning niet worden gewijzigd of ingetrokken. De noodzaak daarvoor ontbreekt.

Daarnaast kan het zijn dat de aard van de vergunning of ontheffing zich verzet tegen een vergunning voor onbepaalde tijd. Daarvan is volgens het tweede lid in ieder geval sprake als het aantal vergunningen of ontheffingen dat wordt verleend is beperkt en het aantal mogelijke aanvragers het aantal beschikbare vergunningen of ontheffingen overtreft. Dit kan bij de weekmarkt een rol spelen. Schaarse vergunningen lenen zich naar hun aard niet voor verlening voor onbepaalde tijd omdat dat zich niet verdraagt met het formele gelijkheidsbeginsel, waarin tevens een beginsel van gelijke kansen besloten ligt. Het voor onbepaalde tijd verlenen van schaarse vergunningen (meer aanvragers dan beschikbare vergunningen) kan immers tot gevolg hebben dat de markt voor nieuwe aanbieders feitelijk ontoegankelijk wordt. Met dit tweede lid wordt duidelijk gemaakt dat schaarse vergunningen in ieder geval moeten worden aangemerkt als vergunningen die zich naar hun aard niet lenen voor verlening voor onbepaalde tijd. Artikel 3.11 Weigeringsgronden Vergunnings- of ontheffingsstelsels zijn in verordening als volgt geformuleerd: een verbodsbepaling om een bepaalde activiteit te verrichten behoudens vergunning of ontheffing. Ter bevordering van de systematiek en duidelijkheid is voor gekozen om in dit hoofdstuk algemene weigeringsgronden te benoemen.

Alleen als er voor een vergunning of ontheffing andere of aanvullende weigeringsgronden gelden dan de in artikel 3.11 genoemde, worden die in het betreffende artikel genoemd.

Afdeling 3.2. Activiteiten met betrekking tot bouwwerken open erven en terreinen Artikel 3.12 Doel Dit artikel somt op met welke oogmerken de algemene regels voor de activiteiten in deze afdeling zijn gesteld. De Omgevingswet kent een aantal maatschappelijke doelen. De algemene regels over bouw-, aanleg-, en sloopactiviteiten in deze verordening zijn gesteld vanwege een concretisering van deze doelen. Artikel 3.12 somt deze oogmerken limitatief 21

op. Dit werkt ook door in de bevoegdheden van het college tot het stellen van maatwerkvoorschriften. Bij de activiteiten in deze afdeling zullen niet steeds alle oogmerken een rol spelen. Als voor een bepaald oogmerk geen nader uitgewerkte regels in deze verordening zijn opgenomen, geldt wel de specifieke zorgplicht. Artikel 3.13 Aanwijzen activiteiten In dit artikel zijn de activiteiten benoemd die gevolgen kunnen hebben voor de fysieke leefomgeving. Artikel 3.14 Verbod tot bouwen op verontreinigde grond Artikel 8, tweede lid, onder c, van de Woningwet geeft de gemeenteraad de opdracht om in de bouwverordening voorschriften op te nemen over het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem. In artikel 8, derde lid, van de Woningwet is uitgewerkt op welke bouwwerken deze voorschriften betrekking dienen te hebben. Het woord 'uitsluitend' in de redactie van dit derde lid duidt erop dat aanvulling in de bouwverordening niet is toegestaan. Met paragraaf 3.2.2 wordt uitvoering gegeven aan deze opdracht van de Woningwet. Bij de uitwerking is zoveel mogelijk geanticipeerd op de bepalingen die met het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet zijn toegevoegd aan de regels van de bruidsschat. Voor de inwerkingtreding van deze verordening was deze materie geregeld in de Bouwverordening.

In de artikelen 22.29, 22.30 en 22.31 van de Bruidsschat en paragraaf 5.1.4.5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving worden nu bepalingen opgenomen die gaan over het bouwen op verontreinigde grond. Deze artikelen treden in de plaats van artikel 8 van de Woningwet. Dat artikel vervalt namelijk na inwerkingtreding van de Omgevingswet. De artikelen uit de Bruidsschat vormen na de inwerkingtreding van de Omgevingswet onderdeel van het tijdelijke omgevingsplan ( artikel 22.2 Omgevingswet). Wat echter niet in de Omgevingswet, noch in de Bruidsschat is geregeld, is dat er situaties zijn waarbij een bouwwerk aanwezig is op een locatie waar een vermoeden van bodemverontreiniging bestaat. Dan is het uitvoeren van een bodemonderzoek niet altijd mogelijk. Lid 2 van dit artikel maakt het mogelijk dat in dergelijke gevallen een bodemonderzoek plaatsvindt, nádat de aanwezige bebouwing is gesloopt Artikel 3.15 Beoordeling excessen Artikel 22.7 van de Bruidsschat bepaalt dat het uiterlijk van genoemde bouwwerken niet in ernstige mate in strijd mag zijn met redelijke eisen van welstand. Eind 2012 besloot de gemeenteraad het welstandbeleid te herzien. Dit vond enerzijds plaats door het afschaffen van de welstandscommissie en het benoemen van welstandsvrije gebieden.

Anderzijds vond de gemeenteraad het noodzakelijk een instrument te hebben om excessen op het gebied van welstand te kunnen tegengaan. Om dat te kunnen doen, kwam in 2013 de “Excessenregeling Terneuzen, beleidsnota welstand” tot stand. Deze nota geldt op grond van artikel 4.19 van de Omgevingswet als beleidsregel. Indien een bouwwerk in ernstige mate afwijkt van redelijke eisen van welstand, dan kan het college de eigenaar van het bouwwerk verplichten een voorzien te treffen, zodanig dat het bouwwerk alsnog aan die redelijke eisen gaat voldoen. Deze mogelijkheid wordt gezien als een maatwerkvoorschrift. Een dergelijk maatwerkvoorschrift kan ons college ook stellen op grond van artikel 22.4 van de Bruidsschat. De excessenregeling is als bijlage 6 aan deze verordening toegevoegd

Afdeling 3.3. Milieubelastende activiteiten § 3.3.1 Algemeen Artikel 3.16 Doel 22

Dit artikel somt op met welke oogmerken de algemene regels voor de activiteiten in deze afdeling zijn gesteld. De Omgevingswet kent een aantal maatschappelijke doelen. De algemene regels over milieubelastende activiteiten in deze verordening zijn gesteld vanwege een concretisering van deze doelen. Artikel 3.16 somt deze oogmerken limitatief op. Artikel 3.16 werkt ook door in de bevoegdheden van het college tot het stellen van maatwerkvoorschriften. De oogmerken zijn ook van belang voor de toepassing van de beoordelingsregels. Bij de activiteiten in deze afdeling zullen niet steeds alle oogmerken een rol spelen. Als voor een bepaald oogmerk geen nader uitgewerkte regels in deze verordening zijn opgenomen, geldt wel de specifieke zorgplicht.

Afdeling 3.4. Activiteiten in de openbare ruimte Artikel 3.17 Aanwijzing activiteiten In dit artikel is het vieren van festiviteiten en het veroorzaken van geluidoverlast aangewezen als activiteit die gevolgen kunnen hebben voor de fysieke leefomgeving § 3.3.2. Geluid en lichthinder door festiviteiten (APV) Artikel 3.18 Aanwijzing collectieve festiviteiten Eerste lid De bevoegdheid om te bepalen dat de in dit lid bedoelde geluidsnormen niet gelden bij collectieve festiviteiten komt voort uit artikel 2.21, eerste lid, onder a, van het Activiteitenbesluit milieubeheer (Omgevingswet artikel 2.24 en de artikelen. 5.67 t/m 5.72 van het Besluit kwaliteit leefomgeving). Dit artikel voorziet erin dat op deze dagen overmatige geluidhinder zo veel mogelijk moet worden voorkomen: De voorschriften gelden niet “voor zover de naleving van deze voorschriften redelijkerwijs niet kan worden gevergd”. Voorbeelden van collectieve festiviteiten zijn carnaval, kermis of culturele, sport- en recreatieve manifestaties. In artikel 3.18 is de uitvoering van de regeling neergelegd bij het college. Er hoeft dus niet jaarlijks een raadsbesluit te worden genomen om te bepalen welke feesten als collectieve festiviteiten worden aangewezen.

Het verdient aanbeveling dat het college jaarlijks – in samenspraak met het plaatselijke bedrijfsleven – vaststelt op welke data de betreffende voorschriften uit het Activiteitenbesluit niet van toepassing zijn. Voor de collectieve dagen is geen begrenzing voor het aantal dagen opgenomen. Tweede lid Volgens artikel 3.148, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer ( straks art. 22.239 van de Bruidsschat) moet de verlichting bij sportbeoefening in de buitenlucht tussen 23.00 uur en 07.00 uur zijn uitgeschakeld en indien er geen sport wordt beoefend of onderhoud wordt uitgevoerd. De bevoegdheid om te bepalen dat deze beperkingen niet gelden bij collectieve festiviteiten staat in artikel 3.148, tweede lid, onder a, van het Activiteitenbesluit. Dit voorschrift is vooral bedoeld voor sportverenigingen die buiten de reguliere en recreatieve wedstrijden en trainingen gebruik willen maken van hun lichtinstallatie. Een voorbeeld van een collectieve festiviteit is een sportieve manifestatie waar meerdere sportverenigingen aan mee doen. Ook hier verdient het aanbeveling het college – in samenspraak met de plaatselijke sportverenigingen – vast te laten stellen op welke data de betreffende beperkingen niet van toepassing zijn.

In het Activiteitenbesluit wordt net als voor de festiviteiten als bedoeld in het eerste lid geen maximum gesteld voor het aantal collectieve festiviteiten. Derde lid De gemeente kan rekening houden met de aard van het gebied door in de verordening gebiedsdifferentiatie toe te passen. De raad kan het grondgebied van de gemeente in de verordening bijvoorbeeld verdelen naar verschillende dorpskernen of wijken. In de 23

verordening zijn alle woonkernen aangewezen, zoals in de huidige regeling in de APV nu ook het geval is Artikel 3.19 Kennisgeving incidentele festiviteiten Eerste lid De bevoegdheid voor het vaststellen van het aantal dagen of dagdelen in verband met de viering van incidentele festiviteiten voor inrichtingen in een gemeentelijke verordening staat in artikel 2.21 van het Activiteitenbesluit milieubeheer. Volgens artikel 2.21, eerste lid, onder b, kan de raad bij verordening het aantal dagen of dagdelen aanwijzen waarop individuele inrichtingen voor incidentele festiviteiten vrijstelling kunnen verkrijgen van de geluidsnormen. Een incidentele festiviteit is een festiviteit die aan één of een klein aantal inrichtingen gebonden is. Dit is bijvoorbeeld een optreden met levende muziek bij een café, een jubileum, een personeels- of straatfeest of een ‘vroege vogels’-toernooi. Meerdaagse festiviteiten zijn denkbaar. In het Besluit is bepaald dat het maximum aantal dagen waarvoor de geluidsnormen niet gelden, maximaal twaalf dagen of dagdelen per jaar betreft. De gemeenteraad heeft de bevoegdheid, rekening houdend met plaatselijke omstandigheden, dit maximum te verlagen.

Het maximum aantal van twaalf dagen of dagdelen in verband met de viering van incidentele festiviteiten is ongewijzigd in vergelijking met het tot 1 januari 2008 geldende Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer. Wat wel is veranderd, is dat de regeling nu ook geldt voor festiviteiten bij alle andere type A- en B-inrichtingen die onder het Besluit vallen. Dit betekent dat bijvoorbeeld ook detailhandel, kantoren, opslag- en transportbedrijven en metaalelektro-bedrijven een beroep op deze regeling kunnen doen. De enige uitzonderingen waarvoor de regeling niet geldt, zijn de type C-inrichtingen (dat wil zeggen inrichtingen die vergunningplichtig blijven of vallen onder het Besluit landbouw milieubeheer of Besluit glastuinbouw). Tweede lid Volgens artikel 3.148, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer moet bij inrichtingen de verlichting voor sportbeoefening in de buitenlucht tussen 23.00 uur en 07.00 uur zijn uitgeschakeld en indien er geen sport wordt beoefend of onderhoud wordt uitgevoerd. Op basis van het tweede lid van artikel 3.148 kan hiervan worden afgeweken. Dit kan bijvoorbeeld als sportverenigingen buiten de reguliere competities en recreatieve wedstrijden en trainingen gebruik willen maken van hun lichtinstallatie bij het houden van een veteranentoernooi of een ‘vroege vogels’-toernooi.

Volgens het Activiteitenbesluit is het aantal dagen waarvoor de beperkingen voor de verlichting niet gelden maximaal 12 dagen of dagdelen per jaar. Volgens de toelichting bij het Activiteitenbesluit blijft ook bij gebruik van artikel 3.148, tweede lid, de algemene zorgplicht met betrekking tot lichthinder en duisternis voor de sportinrichtingen gelden, al is enige mate van hinder is bij incidentele activiteiten aanvaardbaar. De beoordeling of sprake is van onaanvaardbare lichthinder in geval van de viering van een festiviteit is aan het college. Artikel 3.20 Onversterkte muziek Dit artikel sluit aan op de artikelen 2.17, 2.17a, 2.18, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer. In de toekomst artikel 2.24 van de Omgevingswet en 5.73 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Het artikel is alleen gericht op onversterkte muziek vanuit inrichtingen en niet buiten inrichtingen. Of er sprake is van een inrichting, wordt bepaald door de Wet milieubeheer. In het Activiteitenbesluit is onversterkte muziek uitgezonderd van de algemene geluidsniveaus. Gemeenten hebben, in artikel 2.18, eerste lid, onder f, juncto vijfde lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer, expliciet de bevoegdheid gekregen om voor onversterkte muziek regels op te nemen in de APV.

Door het feit dat de hinderbeleving van onversterkte muziek zeker niet lager is dan die van versterkte muziek, dient deze op gelijke wijze te worden beschermd. De geluidswaarden kunnen door de gemeenten zelf worden bepaald. 24

Artikel 3.21 Geluidhinder door knalapparaten Behoeft geen nadere toelichting. Feitelijk een verbijzondering van artikel 3.24 Artikel 3.22 Geluidhinder door motorvoertuigen en bromfietsen Behoeft geen nadere toelichting. Feitelijk een verbijzondering van artikel 3.24 Artikel 3.23 Geluidhinder door vrachtauto’s Behoeft geen nadere toelichting. Feitelijk een verbijzondering van artikel 3.24 Artikel 3.24 Overige geluidhinder Door in het eerste lid de zinsnede ‘een inrichting’ (in de zin van de Wm) op te nemen wordt de afbakening direct vastgelegd. Een inrichting in de zin van de Wm heeft ofwel een milieuvergunning nodig (waarin geluidsvoorschriften zijn opgenomen), ofwel zij valt onder de algemene regels op grond van het Activiteitenbesluit milieubeheer. In deze algemene regels zijn ook geluidsvoorschriften opgenomen. In de praktijk zullen vooral de Omgevingswet, de Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit en de omgevingsverordening van de provincie een afbakeningsdiscussie opleveren. Daarom is gekozen om deze wetten afzonderlijk te benoemen in het derde lid. Artikel 3.24 heeft betrekking op de vormen van geluidhinder waarin de andere regelingen niet voorzien.

Onder andere valt te denken aan: • een niet permanente activiteit in een niet besloten ruimte, zoals een kermis, een braderie, een rally, enzovoort; • het door middel van luidsprekers op voertuigen of anderszins reclame of muziek maken of mededelingen doen; • het ten gehore brengen van achtergrondmuziek in winkelstraten; • het gebruik van diverse geluid producerende recreatietoestellen; • het gebruik van bouwmachines, zoals compressors, cirkelzagen, trilhamers en heistellingen; • overige handelingen waardoor geluidoverlast ontstaat. Voorts kunnen onder artikel 3.24 vormen van geluidhinder vallen, veroorzaakt door het beoefenen van ‘lawaaiige’ hobby’s, het voortdurend bespelen van muziekinstrumenten, het gebruiken van elektro-akoestische apparatuur, het laten draaien van koelaggregaten op vrachtwagens, enzovoort. Vooral voor deze vormen van geluidhinder ontbreken algemeen geldende criteria of normen. Dit behoeft ook niemand te verwonderen: de bron van geluidhinder is niet een bepaalde, aanwijsbare inrichting of gedraging. In beginsel kan het elke gedraging betreffen. Van geval tot geval zal daarom moeten worden nagegaan in welke situatie en gedurende welke tijden er sprake is van geluidhinder, en welke maatregelen kunnen worden genomen. Uitgangspunt daarbij zal moeten zijn dat een zekere mate van (geluid)hinder als onvermijdelijk moeten worden aanvaard.

Het college kan ontheffing van het verbod verlenen, zo nodig met voorschriften. Bedacht moet worden dat klachten over vormen van geluidhinder nogal eens een minder goede verstandhouding tussen buren of omwonenden als achtergrond hebben. Normale handelingen worden dan eerder als (geluid)hinderlijk ervaren, terwijl men minder geneigd is aan een afdoende oplossing mee te werken Artikel 3.25 Mosquito Is een eigen keuze van de gemeenteraad geweest bij het vaststellen van de APV in 2021. Een afzonderlijke toelichting op dit artikel is niet noodzakelijk.

25

§ 3.3.3 Afvalbeheer Artikel 3.26 Aanwijzing activiteiten In het eerste lid zijn het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen en bedrijfsafvalstoffen, het ter inzameling aanbieden, overdragen en achterlaten van huishoudelijke afvalstoffen en bedrijfsafvalstoffen, andere activiteiten met afvalstoffen en activiteiten waardoor zwerfafval kan ontstaan, aangewezen als activiteiten die gevolgen kunnen hebben voor de fysieke leefomgeving. Daarnaast is op grond van de Wet Dieren, ook het inzamelen van kadavers van gezelschapsdieren aangewezen. De regels in deze paragraaf geven uitvoering aan de verplichting van artikel 10.23 van de Wet milieubeheer, waarin de gemeenteraad wordt opgedragen om in het belang van de bescherming van het milieu een afvalstoffenverordening vast te stellen. Dit onderdeel blijft ook na de inwerkingtreding van de Omgevingswet van kracht. In het tweede lid is een uitzondering gemaakt op artikel 3.1, tweede lid, dat bepaalt dat de regels in hoofdstuk 3 niet van toepassing zijn op activiteiten die door of vanwege de gemeente Terneuzen worden verricht voor de uitoefening van een publiekrechtelijke taak.

Het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen en bedrijfsafvalstoffen die naar aard en samenstelling vergelijkbaar zijn met huishoudelijke afvalstoffen, is namelijk een publiekrechtelijke taak die in artikel 10.21 van de Wet milieubeheer is opgedragen aan het gemeentebestuur. Het is van belang om voor die activiteit regels te stellen over het inzamelen. Om die reden is in het tweede lid een uitzondering opgenomen op artikel 3.1, tweede lid. Artikel 3.27 Specifieke zorgplicht In dit artikel is de specifieke zorgplicht van artikel 3.3 geconcretiseerd voor de activiteiten die zijn geregeld in deze paragraaf. Op grond van artikel 10.25, onder a en b, van de Wet milieubeheer kunnen gemeenten in hun afvalstoffenverordening de zwerfafvalproblematiek regelen. Gemeenten hebben hiertoe de bevoegdheid, maar geen wettelijke plicht. Zwerfafval ontstaat niet alleen door illegale dumping maar kan ook ontstaan uit huishoudelijk afval, bijvoorbeeld als dat verkeerd is aangeboden of als ter inzameling gereedstaand huishoudelijk afval is doorzocht of omgeschopt. Zwerfafval komt ook in de openbare ruimte terecht via het publiek rondom winkels, eet- en drinkgelegenheden, evenementen of reclame- en promotiecampagnes. Met de specifieke zorgplicht wordt zwerfafval voorkomen en bestreden.

Op grond van artikel 6 van het Besluit beheer autowrakken (hierna: BBA) moeten gemeenten in hun afvalstoffenverordening bepalen dat een autowrak, zijnde een huishoudelijke afvalstof, slechts mag worden afgegeven aan autodemontagebedrijven, garages en autoschadeherstelbedrijven of aan een persoon die in een ander land dan Nederland is gevestigd (onder strikte voorwaarden). Op grond van artikel 7 van het BBA worden autowrakken afkomstig van huishoudens uitdrukkelijk uitgezonderd van de gemeentelijke zorgplicht voor de inzameling van huishoudelijk afval. De onderdelen 6 en 7 hebben als doel om de verspreiding van ongewenst drukwerk te voorkomen. Inwoners hebben de volgende mogelijkheden om hun voorkeur ten aanzien van de ontvangst van commercieel reclamedrukwerk en/of de huis-aan-huis bladen kenbaar te maken: Overzicht stickers

Ongeadresseerd reclamedrukwerk gewenst

Ongeadresseerde huis-aanhuisbladen

26

JA/JA sticker

Ja

Ja

Geen sticker

Nee

Ja

NEE/JA sticker

Nee

Ja

NEE/NEE sticker

Nee

Nee

In bijlage I is de definitie opgenomen van ongeadresseerd reclamedrukwerk. Met ongeadresseerd reclamedrukwerk wordt in deze verordening bedoeld al het reclamedrukwerk dat zonder adres wordt aangeboden. Onder deze definitie vallen alle aanduidingen zonder toevoeging van een feitelijk adres, zoals ‘aan de bewoners van dit pand of gebouw’. Drukwerk van vrijwilligers- en niet commerciële organisaties, waaronder ook politieke partijen, valt niet onder de definitie van ‘ongeadresseerd drukwerk’. De gemeente kiest voor dit onderscheid omdat de huis- aan-huisbladen en pamfletten een belangrijke functie hebben voor onder meer de nieuwsverspreiding op lokaal niveau en de sociale cohesie in de buurt. Daarbij hebben deze bladen een lage frequentie. In de definitie van de ‘huis-aan-huisblad’ is een norm gehanteerd van 10% aan inhoudelijk buurtgericht nieuws. Hiermee sluit deze verordening aan op de norm die landelijk door de Stichting Reclamecode wordt gehanteerd. Het artikel bepaalt dat huis-aan-huisbladen mogen worden bezorgd, tenzij de ontvanger onmiskenbaar duidelijk heeft gemaakt deze bladen niet te willen ontvangen. Artikel 3.28 Regulering van andere inzamelaars In het eerste lid is een verbod opgenomen voor het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen.

Op grond van het eerste lid, aanhef en onder a, geldt dit verbod niet voor de inzameldienst die door het college is aangewezen voor het inzamelen. De zorg voor het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen berust volgens de artikelen 10.21 en 10.22 van de Wet milieubeheer op de gemeenteraad en het college. De aangewezen inzameldienst zal aan die zorg praktische uitvoering geven. Op grond van het eerste lid, aanhef en onder b, geldt het verbod ook niet voor een andere inzamelaar dan de inzameldienst: a. die door het college is aangewezen voor het inzamelen; b. die op grond van nadere regels van het college is vrijgesteld van het verbod; of c. die op grond van artikel 9.5.2, derde lid, aanhef en onder b, of vierde lid, van de Wet milieubeheer verplicht is tot inname van de huishoudelijke afvalstoffen. Het gaat hier om inzamelaars die bepaalde bestanddelen van huishoudelijke afvalstoffen mogen inzamelen. Inzamelen is op de eerste plaats toegestaan voor inzamelaars die daartoe zijn aangewezen door het college. Het gaat dan om een beschikking waaraan op grond van artikel 3.7 voorschriften en beperkingen kunnen worden verbonden. Een aanwijzing wordt niet van rechtswege verleend als sprake zou zijn van niet tijdig beslissen. Dat is geregeld in artikel 2.7, tweede lid. Op de tweede plaats kan het college bepaalde personen of organisaties vrijstellen bij nadere regels.

In het eerste lid, aanhef en onder b, is het mogelijk gemaakt dat er met generieke vrijstellingen kan worden gewerkt voor bijvoorbeeld verenigingen die papier inzamelen of voor andere organisaties of personen die 27

bestanddelen huishoudelijke afvalstoffen inzamelen als inzamelaar. Op de derde plaats zijn er producenten van bijvoorbeeld witgoed voor wie op grond van de Wet milieubeheer verplichtingen bestaan tot inname van afgedankte producten. Het gaat dan om de producentenverantwoordelijkheid. Vanzelfsprekend kan daarvoor geen verbod gelden. De aanwijzing van inzamelaars verschilt qua karakter van de aanwijzing van de inzameldienst. Het gaat bij de inzamelaars om personen of organisaties die om verschillende redenen behulpzaam willen zijn bij de taak om huishoudelijk afval in te zamelen. Deze aanwijzing heeft – anders dan de aanwijzing van de inzameldienst – het karakter van een vergunning en gaat niet gepaard met een uitvoeringsplicht. Artikel 3.29 Algemene verboden Burgers mogen hun afvalstoffen alleen aanbieden aan op grond van artikel 2.7 aangewezen inzameldiensten en aan personen of instanties die in het kader van producentenverantwoordelijkheid bij AMvB of ministeriële regeling een inzamelplicht hebben. In dit geval mag de burger zijn huishoudelijke afvalstoffen, zoals elektrische en elektronische apparatuur, ook aan deze personen of instanties aanbieden. Artikel 3.30 Inzamelmiddelen en –voorzieningen Er is een onderscheid tussen inzamelmiddelen en inzamelvoorzieningen.

Inzamelmiddelen dienen het ter inzameling aanbieden door een huishouden, zoals een minicontainer, afvalemmer, plastic afvalzak. Inzamelvoorzieningen dienen het collectief ter inzameling aanbieden door meerdere huishoudens, zoals een verzamelcontainer of een wijkcontainer, voor het inzamelen van huishoudelijk afval. Op grond van dit artikel kunnen inzamelmiddelen worden voorgeschreven. Ook kunnen hier regels worden gesteld over het gebruik van inzamelvoorzieningen. Artikel 3.31 Gescheiden afvalinzameling Dit artikel regelt welke bestanddelen van huishoudelijke afvalstoffen afzonderlijk moeten worden ingezameld, met welke frequentie en op welke locatie. Deze locatie kan zijn bij elk perceel, nabij elk perceel of een van deze met uitzondering van bepaalde gebieden van de gemeente. Artikel 10.21 van de Wet milieubeheer schrijft voor dat het gemeentebestuur, al dan niet samen met het gemeentebestuur van andere gemeenten, ervoor zorgt dat ten minste eenmaal per week de huishoudelijke afvalstoffen worden ingezameld bij elk binnen haar grondgebied gelegen perceel waar zodanige afvalstoffen geregeld kunnen ontstaan. Grove huishoudelijke afvalstoffen zijn daarvan uitgezonderd. Bioafval moet volgens dit artikel verplicht afzonderlijk worden ingezameld.

De gemeenteraad kan volgens artikel 10.21, derde lid, van de Wet milieubeheer besluiten tot het afzonderlijk inzamelen van andere bestanddelen van huishoudelijke afvalstoffen. Deze vrijheid is ingeperkt door artikel 3 van de Regeling afgedankte elektrische en elektronische apparatuur. Dat verplicht gemeenten ertoe om afgedankte elektrische en elektronische apparatuur van particuliere huishoudens gescheiden in te zamelen. Bij de uitoefening van de bevoegdheden met betrekking tot afvalstoffen dient het gemeentebestuur bovendien rekening te houden met het Landelijk afvalbeheersplan (hierna: LAP). In het LAP zijn bestanddelen huishoudelijke afvalstoffen benoemd, die door de consument gescheiden dienen te worden. In het Landelijke afvalbeheerplan 3 (hierna: LAP3) is gesteld dat ‘het gewenste beleid betekent voor burgers dat zij in ieder geval glas, bioafval, textiel, papier en karton en gevaarlijke afvalstoffen zouden moeten scheiden. In Terneuzen moeten de volgende afvalfracties gescheiden worden aangeleverd: a. Bioafval; b. Grof huishoudelijk afval 28

c. papier en karton; d. glas; e. textiel; f. elektrische of elektronische apparatuur; en g. klein chemisch afval. Het zevende de lid biedt de mogelijkheid om meer maatwerk te kunnen geven. Op grond van artikel 10.26 van de Wet milieubeheer kan de gemeenteraad in afwijking van artikel 10.21, in het belang van een doelmatig beheer van huishoudelijke afvalstoffen bepalen dat: • huishoudelijke afvalstoffen worden ingezameld nabij elk perceel; • huishoudelijke afvalstoffen worden ingezameld met een daarbij aangegeven regelmaat; • in een gedeelte van het grondgebied van de gemeente geen huishoudelijke afvalstoffen worden ingezameld. Het regelen van de frequentie en de locatie van inzameling wordt in beginsel overgelaten aan het college. De raad bepaalt wel welke bestanddelen in ieder geval afzonderlijk ingezameld dienen te worden. Tenzij het college in het belang van een doelmatig afvalstoffenbeheer, zoals een operationele nascheiding, bepaalde bestanddelen achterwege wenst te laten. Dit is onder meer van belang omdat dit artikel aan burgers het verbod oplegt om die bestanddelen ongescheiden ter inzameling aan te bieden. Artikel 3.32 Gescheiden aanbieding Dit tot de gebruikers van percelen, waar huishoudelijke afvalstoffen geregeld kunnen ontstaan, gerichte verbod is het spiegelbeeld van artikel 3.31. Wat gescheiden moet worden ingezameld, moet ook gescheiden worden aangeboden.

Concrete omschrijvingen van de bestanddelen kunnen door het college in de nadere regels op grond van het tweede lid worden gegeven om discussies te voorkomen en om in het kader van de handhaving houvast te bieden. Dit artikel regelt ook dat het aanbieden, overdragen of achterlaten van huishoudelijke afvalstoffen niet anders mag geschieden dan door afgifte aan de aangewezen inzameldienst of aan een andere inzamelaar als bedoeld in artikel 3.28, eerste lid, of door achterlating op een door het college aangewezen inzamelplaats. De inzamelplaatsen worden aangewezen op grond van artikel 2.8. Artikel 3.33 Tijdstip van aanbieding De plaatsen, dagen en tijden voor de inzameling worden door het college bepaald. Het gaat hier om een besluit van algemene strekking. De plaatsen, dagen en tijden voor de verschillende bestanddelen van huishoudelijke afvalstoffen kunnen verschillen. Artikel 3.34 Wijze en plaats van aanbieding Er is een onderscheid tussen inzamelmiddelen en inzamelvoorzieningen. Inzamelmiddelen dienen het ter inzameling aanbieden door een huishouden, zoals een minicontainer, afvalemmer, plastic afvalzak. Inzamelvoorzieningen dienen het collectief ter inzameling aanbieden door meerdere huishoudens, zoals een verzamelcontainer of een wijkcontainer, voor het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen. Op grond van dit artikel kunnen inzamelmiddelen worden voorgeschreven.

Ook kunnen hier regels worden gesteld over het gebruik van inzamelvoorzieningen. Het artikel bepaalt ook dat individuele inzamelmiddelen na de inzameling niet in de openbare ruimte mogen blijven staan. Dit geschiedt met het oog op het bewaren van een verzorgde aanblik van de openbare ruimte en uit een oogpunt van verkeersveiligheid (omgewaaide inzamelmiddelen). Artikel 3.35/3.36 Inzamelen en ter inzameling aanbieden van bedrijfsafvalstoffen 29

De inzameldienst kan ook bedrijfsafvalstoffen of bepaalde bestanddelen van bedrijfsafvalstoffen inzamelen. Anders dan bij huishoudelijke afvalstoffen geldt voor bedrijfsafvalstoffen geen zorgplicht voor de gemeente. Inzameling van bedrijfsafvalstoffen door de inzameldienst is daarom een daarvan te onderscheiden activiteit, waarbij de inzameldienst tegen vergoeding aangewezen bedrijfsafvalstoffen inzamelt bij bedrijven. In de praktijk gaat het vaak om afval uit de KWD-sector, of over bouw- en sloopafval. Alleen de bedrijven die betalen voor de gemeentelijke inzamelvoorzieningen mogen hun bedrijfsafvalstoffen aanbieden aan de inzameldienst. Artikel 3.37 Regeling van inzameling van bedrijfsafvalstoffen Het college kan, net als bij huishoudelijke afvalstoffen, regels stellen over de wijze waarop de bedrijfsafvalstoffen ter inzameling moeten worden aangeboden. De basis voor het stellen van regels over de inzameling van bedrijfsafvalstoffen kan worden gevonden in artikel 10.23, derde lid, van de Wm. De memorie van toelichting zegt hierover: “Ten aanzien van de inzameling van bedrijfsafvalstoffen of gevaarlijke afvalstoffen mogen ook in het belang van de bescherming van het milieu, regels worden gesteld. Blijkens het derde lid mogen deze regels geen vergunningstelsel inhouden. Dit is op grond van artikel 10.48 van de Wm voorbehouden aan de minister.

Vanzelfsprekend mogen de gemeenten hun bevoegdheid evenmin benutten ter bevoordeling van de eigen inzameldienst en ten nadele van andere aanbieders op de markt.”(Kamerstukken 26 638, nr. 3, blz. 48). Het is dus mogelijk om in het belang van het milieu bepaalde dagen te kunnen aanwijzen waarop bedrijfsafvalstoffen mogen worden ingezameld. Bijvoorbeeld ter beperking of voorkoming van geluidhinder of aanzuigende werking of om ritten zoveel mogelijk te combineren. Dit artikel kan vooral van belang zijn voor de inzameling van bedrijfsafvalstoffen in een (historisch) centrum. Uiteraard kunnen deze regels gelden voor alle betrokken inzamelaars die bedrijfsafvalstoffen ophalen. Artikel 3.38 Dumpingsverbod Dit artikel heeft primair een milieubeschermende functie en beoogt de gemeenten een instrument te geven om illegale dumpingen, voor zover geen hogere wet- of regelgeving van toepassing is, of het ontstaan van zwerfafval, tegen te gaan. Uiteraard zal in een aantal gevallen het brengen van stoffen op of in de bodem zodanig kunnen gebeuren dat een hogere wet, zoals de Wet bodembescherming, de Waterwet of het Besluit bodemkwaliteit van toepassing is. In het eerste lid worden bewust de termen stof en voorwerp gebruikt en niet alleen de term afvalstof, omdat niet altijd duidelijk is of de desbetreffende stoffen of voorwerpen afvalstoffen zijn.

Artikel 10.25, onder a, van de Wm is de grondslag voor het opnemen van een dergelijk artikel in de Afvalstoffenverordening. Artikel 3.39. Zwerfafval in de openbare ruimte Op grond van artikel 10.25, onder a en b, van de Wm kunnen gemeenten in de Afvalstoffenverordening de zwerfafvalproblematiek regelen. Er is sprake van facultatief medebewind. Gemeenten hebben hiertoe de bevoegdheid, maar geen wettelijke plicht. Het eerste lid gaat over straatafval. Dat is afval dat onderweg ontstaat, buiten een perceel, dat niet als zwerfafval op straat of in het plantsoen terecht dient te komen en waarvoor afvalbakken of voorzieningen zijn om zich daarvan ter plekke te ontdoen (voor zover van beperkte omvang en gewicht). Klein chemisch afval is uitdrukkelijk uitgesloten van de omschrijving. Dit afval dient in alle gevallen via de daartoe opgezette inzamelstructuur te worden verwijderd. Het gaat hier per definitie om afvalstoffen die "buiten een perceel ontstaan". Een huishoudelijke afvalstof, ontstaan op of binnen het perceel, moet worden aangeboden volgens het bepaalde in artikel 3.32. In het derde lid behoeft het begrip zwerfafval zelf geen verdere definitie. Uit de redactie blijkt dat van zwerfafval sprake is wanneer ter inzameling gereedstaand afval wordt verspreid, 30

omgestoten of omgeschopt, enz. De redactie brengt ook mee dat doorzoeken op een manier die geen zwerfafval veroorzaakt, bijvoorbeeld door morgensterren of stadsjutters, niet onder het verbod valt. Artikel 3.40 Ongeadresseerd drukwerk Wordt nog nader onderzocht op haalbaarheid. Voor ongeadresseerde dag- en weekbladen biedt dit artikel een handvat. Die zaken mogen bezorgd worden, tenzij de bewoner uitdrukkelijk heeft kenbaar gemaakt op bezorging geen prijs te stellen. Artikel 3.41 Zwerfafval rondom inrichtingen Dit artikel sluit aan bij artikel 2.13 van het Activiteitenbesluit milieubeheer, maar heeft het meer toegespitst op de problematiek van zwerfafval en wijkt daarom op een aantal punten van dat artikel af. Dit is een toegestane aanvulling van het Activiteitenbesluit milieubeheer. Na inwerkingtreding van de Omgevingswet vervalt het Activiteitenbesluit Milieubeheer. De in het tweede lid van dit artikel geregelde materie is dan via de Bruidsschat ( artikel 22.53) opgenomen in het tijdelijke deel van het omgevingsplan. Artikel 3.42. Afval en verontreiniging op de weg Het gaat in dit artikel vooral over laden, lossen en vervoeren. Het artikel bevat een gebod om de veroorzaakte verontreiniging op te ruimen. Mocht aan dit gebod geen gehoor gegeven worden, dan is sprake van een overtreding die strafbaar is gesteld op grond van artikel 7.3, lid 1.

Daarnaast is er de mogelijkheid om door middel van bestuursdwang tot opruiming te dwingen. Dit kan inhouden dat de gemeente de verontreiniging zelf opruimt en de kosten daarvoor op de overtreder verhaalt. Artikel 3.43. Geen opslag van afval in de open lucht Kern van dit artikel is opslag van huishoudelijke afvalstoffen, het gaat niet om het bewaren van afvalstoffen voor aanbieding tijdens de eerstvolgende inzameling daarvan. Er is geen behoefte aan een mogelijkheid van ontheffing, nu een vrijstelling kan worden verleend op grond van artikel 3.34, lid 3, bijvoorbeeld voor gebieden waar vanwege de bouw uit de jaren 1970 geen ruimte is voor het houden van minicontainers. “Waarneembaar” gaat in de eerste plaats om zicht. Daarnaast kan sprake zijn van reukoverlast. Artikel 3.44. Kadavers van gezelschapsdieren Dit artikel betreft de inzameling van kadavers van gezelschapsdieren. Artikel 1.1. en bijlage I regelen wat onder gezelschapsdier moet worden verstaan. Tot de gezelschapsdieren worden gerekend onder meer honden, katten, knaagdieren, kooi- en volièredieren, duiven en vissen. Konijnen, kippen, kalkoenen, kwartels, parelhoenders, eenden, ganzen en fazanten behoren eveneens tot deze categorie indien er geen commerciële opbrengst aan verbonden is, zoals de (commerciële) productie van vlees, wol, pels, eieren, pluimen of huiden.

Het artikel heeft geen betrekking op hobby- en landbouwhuisdieren zoals runderen, paarden, schapen, (dwerg)geiten, hangbuikzwijnen, varkens en herten. De gemeente draagt zorg voor de verwerking en verwijdering van kadavers van gezelschapsdieren. De kadavers van deze dieren zijn een bijzondere vorm van afvalstoffen, die op grond van de Wet dieren nadere regeling behoeven. De grondslag voor deze nadere regeling is deels gelegen in artikel 10.23 van de Wet milieubeheer, en voor het overige in artikel 3.5 van de Wet dieren. De Wet dieren verplicht de gemeente diegene aan te wijzen die met de inzameling van kadavers is belast (eerste lid). Deze draagt dan zorg voor de overdracht van de kadavers van gezelschapsdieren aan Rendac Son B.V. Deze verwerker is door de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit aangewezen op grond van artikel 3.3, eerste lid, van de Wet dieren. 31

In het eerste tot en met derde lid zijn de verantwoordelijkheden en plichten van de houder van een kadaver van een gezelschapsdier opgenomen. De houder (meestal de eigenaar) is ervoor verantwoordelijk dat het kadaver wordt verwijderd. Op grond van de Wet dieren kan de houder het dier op eigen terrein begraven, of afgeven aan een van de erkende dierencrematoria of dierenbegraafplaatsen. In dat geval gelden de bepalingen in het derde lid niet voor de houder op grond van het vierde lid. Als de houder van die mogelijkheid geen gebruik maakt, dan moet de houder het kadaver afgeven aan degene die de inzameling daarvan doet. Deze afgifte vindt plaats uiterlijk op de eerste werkdag nadat de houder het overlijden heeft geconstateerd. Tot het moment van afgifte wordt het kadaver zodanig bewaard dat er geen vermenging met ander materiaal kan plaatsvinden (derde lid). Artikel 3.45. Ontdoen van autowrakken In dit artikel is de afgifte van autowrakken door huishoudens geregeld. Op grond van artikel 6 van het Besluit beheer autowrakken (hierna: BBA) moeten gemeenten in hun Afvalstoffenverordening bepalen dat een autowrak, zijnde een huishoudelijk afvalstof, slechts mag worden afgegeven aan autodemontagebedrijven, garages en autoschadeherstelbedrijven of aan een persoon die in een ander land dan Nederland is gevestigd (onder strikte voorwaarden).

Op grond van artikel 7 van het BBA worden autowrakken, afkomstig van huishoudens uitdrukkelijk uitgezonderd van de gemeentelijke zorgplicht voor de inzameling van huishoudelijk afval. § 3.3.4 Bodem-, weg-, en milieuverontreiniging Artikel 3.46 Straatvegen Dit artikel bevat een verkeersbeperkende bepaling. Een dergelijke bepaling moet, gezien het verschil in motief, mogelijk worden geacht naast de wegenverkeerswetgeving. De Wegenverkeerswet 1994 handhaaft uitdrukkelijk de bevoegdheid tot het maken van aanvullende gemeentelijke verordeningen ten aanzien van het onderwerp waarin deze wet voorziet, voor zover deze verordeningen niet in strijd zijn met deze wet. Blijkens de jurisprudentie van de Hoge Raad is de gemeenteraad op basis van artikel 149 van de Gemeentewet bevoegd tot het opstellen van regels, die andere belangen dan verkeersbelangen beogen te dienen, tenzij deze regels ondanks het afwijkende motief zo diep en zo algemeen ingrijpen in het normale verkeer op wegen dat het stelsel van de Wegenverkeerswet 1994 wordt doorkruist. Artikel 3.46 beoogt niet een verkeersbelang te dienen, maar heeft een milieumotief. In het bijzonder strekt het ter voorkoming van overlast voor de reinigingsdienst. Bovendien heeft het daarin vervatte verbod slechts betrekking op bepaalde, aangewezen weggedeelten en geldt slechts gedurende bepaalde aangeduide dagen en uren.

Het effectueren van de maatregel zal plaatselijk verschillend al dan niet problematisch zijn, al naar gelang de beschikbare parkeerruimte schaars is of niet. Het kenbaar maken van het verbod zou, afgezien van de te geven publiciteit in de plaatselijke pers en een schriftelijke kennisgeving huis aan huis, via verplaatsbare borden kunnen geschieden. Een gemeente kan gebruik maken van eigen borden. Artikel 3.47 Natuurlijke behoefte doen Doorgaans beter bekend onder de naam ‘wildplassen’. Het verbod beperkt zich tot gebieden binnen de bebouwde kom. Artikel 3.48 Verontreiniging door honden Straatverontreiniging kan grote gevaren opleveren voor de volksgezondheid. Ook wordt via

32

Hondenuitwerpselen, die op straat, in parken en plantsoenen blijven liggen, het voor honden dodelijke canine parvo virus verspreid. Los daarvan staat het probleem al jaren hoog in de ranglijsten van ergernissen. Er zijn verschillende manieren om de overlast van hondenuitwerpselen aan te pakken. Handhaving vraagt betrapping op heterdaad, de bedoeling van de bepaling is daardoor deels preventief. Het is mogelijk om het bij zich hebben van ‘opruimmiddelen’ verplicht te stellen, wat uiteraard wel controleerbaar is. Overtreding van het verontreinigingsverbod door hondenuitwerpselen behoort tot de zogenaamde verontreinigingsdelicten, die vatbaar zijn voor transactie door de politie. Artikel 3.49 Toestand van sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten gebouwen Dit artikel betreft een samenvoeging van de in de Model-bouwverordening geschrapte artikelen 334 en 336. Aangezien het hier om bepalingen gaat die niet direct het bouwwerk maar meer de omgeving betreffen, is tot onderbrenging in de APV, en nu dus in de VFL, besloten.

Afdeling 3.4. Activiteiten in de openbare ruimte § 3.4.1 Algemeen Artikel 3.50 Doel Dit artikel somt op met welke oogmerken de algemene regels voor de activiteiten in deze afdeling zijn gesteld. De Omgevingswet kent een aantal maatschappelijke doelen. De algemene regels over activiteiten in de openbare ruimte in deze verordening zijn gesteld vanwege een concretisering van deze doelen. Artikel 3.50 somt deze oogmerken limitatief op. De oogmerken zijn ook van belang voor de toepassing van de beoordelingsregels. Bij de activiteiten in deze afdeling zullen niet steeds alle oogmerken een rol spelen. Als voor een bepaald oogmerk geen nader uitgewerkte regels in deze verordening zijn opgenomen, geldt wel de specifieke zorgplicht. Artikel 3.51 Aanwijzing activiteiten In dit artikel zijn de activiteiten benoemd die gevolgen kunnen hebben voor de fysieke leefomgeving. § 3.4.2. Gebruik en veiligheid van de weg Artikel 3.52 Voorwerpen op de weg Dit artikel geeft de gemeente de mogelijkheid greep te houden op situaties die hinder of gevaar kunnen opleveren of ontsierend kunnen zijn. Voor de toepassing kan worden gedacht aan het plaatsen van reclameborden, containers of fietsparkeervoorzieningen. Ook voorwerpen die met de grond zijn verbonden, zoals een haag in de berm, kunnen als voorwerpen als hier bedoeld worden aangemerkt (ABRvS 10-01-2018, ECLI:NL:RVS:2018:49).

Artikel 3.53 Winkelwagentjes Deze bepaling bestrijdt het “zwerfkarrenprobleem” door winkelbedrijven te verplichten achtergelaten winkelwagentjes direct te verwijderen en op deze winkelwagentjes een herkenningsteken aan te brengen. Een andere aanpak van het probleem is via een statiegeldsysteem op het gebruik van winkelwagentjes. De consument kan een wagentje pas gebruiken met bijvoorbeeld een munt van 50 eurocent. 33

Artikel 3.54 Hinderlijke beplanting of gevaarlijk voorwerp Indien door bomen of planten het uitzicht zodanig wordt belemmerd dat de verkeersveiligheid in het gedrang komt, kan het college op basis van zijn bevoegdheid om bestuursdwang toe te passen ex artikel 125 van de Gemeentewet, een last opleggen om de bomen of beplanting te verwijderen of te snoeien. Volgens deze facultatieve bepaling is het verboden, beplanting of een voorwerp aan te brengen of te hebben op zodanige wijze dat aan het wegverkeer het vrije uitzicht wordt belemmerd of daaraan op andere wijze hinder of gevaar oplevert. ‘Wegverkeer’ kan daarbij breed worden gelezen. Het is bijvoorbeeld ook mogelijk dat een gevaarlijke situatie ontstaat doordat voor overstekende voetgangers het zicht wordt belemmerd. Artikel 3.55 Openen straatkolken e.d. Deze bepaling spreekt voor zich. § 3.4.3 Veranderen van de weg Artikel 3.56 (Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg Eerste lid Omdat voor de toepassing van dit artikel onder andere het begrip ‘weg’ uit de WVW 1994 gebruikt wordt, is een vergunning vereist voor bijvoorbeeld de aanleg en verandering van wegen die feitelijk voor het openbare verkeer openstaan. Dit betekent dat in beginsel de vergunningplicht ook geldt voor de zogenaamde ‘eigen wegen’ die feitelijk voor het openbare verkeer openstaan.

Ook voor deze wegen is het namelijk wenselijk dat voor de bruikbaarheid daarvan voor brandweer, ambulance en dergelijke, voorschriften gesteld kunnen worden over bijvoorbeeld de wijze van verharding en breedte. Aan artikel 3.56 ligt als motief ten grondslag de behoefte om de aanleg, beschadiging en verandering van wegen te binden aan voorschriften met het oog op de bruikbaarheid van die weg. Naast het opleggen van min of meer technische voorschriften kan het ook gewenst zijn het tempo van wegenaanleg in de hand te houden. Het is natuurlijk hoogst onwenselijk dat wegen voortijdig aangelegd worden waardoor – door de latere aanleg van zogenaamde complementaire openbare voorzieningen, zoals riolering, water en gasvoorziening en verlichting – de bruikbaarheid van die weg gedurende lange tijd sterk verminderd zal zijn, nog daargelaten dat het veel extra kosten meebrengt. Als de gemeente tevens eigenaar van de weg is, moet uiteraard ook privaatrechtelijke toestemming worden gegeven. Een afgegeven vergunning mag niet worden gefrustreerd door privaatrechtelijke weigering van de gemeente. Als een derde eigenaar van de grond is, ligt dat anders. Het college kan in dat geval de aanvrager om vergunning erop wijzen dat hij ook privaatrechtelijke toestemming behoeft.

Op het aanleggen of veranderen van een weg is artikel 2.2, eerste lid, onder d, van de Wabo van toepassing als de activiteit verboden is in een bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit. Dat betekent dat de termijnen genoemd in artikel 3.9 van de Wabo van toepassing zijn op deze vergunning. De beslistermijn is 8 weken, de verdagingstermijn zes weken. Let wel: indien er meerdere activiteiten worden aangevraagd en er één onder artikel 3.10 van de Wabo valt, dan is de uitgebreide procedure van toepassing (beslistermijn van zes maanden met een mogelijkheid tot verdagen van zes weken). Tweede lid Van de vergunningplicht zijn uitgezonderd de overheden die in de uitvoering van hun publiekrechtelijke taak wegen aanleggen of veranderen. Er mag van uitgegaan worden dat zij hun werkzaamheden afstemmen op de bruikbaarheid van de weg. Derde lid 34

Het nutsbedrijf zal op grond van artikel 3.56 een vergunning nodig hebben voor het leggen van leidingen en dergelijke in een weg. Dat is niet zo voor telecommunicatiebedrijven en kabeltelevisiebedrijven en de door hen beheerde telecommunicatiekabels met een openbare status (telecommunicatie- en omroepnetwerken). Voor deze werken is een regeling getroffen in de Telecommunicatiewet § 3.4.4 Uitrit aanleggen of veranderen Artikel 3.57 Omgevingsvergunning voor het maken, of veranderen van een uitweg Dit artikel bevat de specifieke regels voor het beoordelen van vergunningaanvragen voor het maken/veranderen van een uitrit. De weigeringsgronden voor een vergunning in lid 2 zijn ongewijzigd gebleven. De weigeringsgrond “gevaar voor het verkeer op de weg”, is aan de hand van enkele praktijkvoorbeelden nader geduid Het tweede lid bevat specifieke weigeringsgronden. Die zijn een aanvulling op de algemene beoordelingsregels van artikel 3.11. § 3.4.5 Ondergrondse infrastructuur Artikel 3.58 Specifieke zorgplicht openbaar gebied De gemeente beoogt met deze regeling de regie te houden over de kwaliteit van het openbare gebied. Artikel 3.59 Nadere regels De gemeenteraad stelt deze verordening vast, en geeft daarmee het gewenste kader aan voor de sturing en regievoering bij voorgenomen graafwerkzaamheden in de openbare ruimte.

Ter uitwerking is in diverse artikelen van de verordening voorzien in de mogelijkheid dat het college nadere regels stelt ter uitwerking. Artikel 3.59 biedt als paraplu-bepaling een generieke mogelijkheid voor het college. Te denken valt hierbij aan de regels in het “Handboek kabels en leidingen” of de tarieven voor onder andere herstel-, beheer-, en degeneratiekosten. Artikel 3.60 Vereiste van instemming of vergunning Uitgangspunt is dat werkzaamheden in de openbare ruimte verboden zijn, tenzij men beschikt over een vergunning of een instemmingsbesluit. Dat uitgangspunt staat in dit artikel centraal en wordt qua procedure uitgewerkt in artikel 3.61. Deze systematiek is in vrijwel alle gemeenten ook zo vastgelegd in een verordening (Algemene verordening ondergrondse infrastructuur) als bron voor de huidige vergunningverlening voor de netwerken van de nutsbedrijven. Het karakter van een vergunningstelsel in het algemeen bestuursrecht is: de handelingen (te weten: werkzaamheden in de openbare ruimte) zijn toegestaan maar de gemeente wil plaats, tijd en werkwijze kunnen beoordelen en bijsturen. Het wettelijk vastgelegde principe van graafrechten in relatie tot de vereiste instemming van het college is hiermee vertaald en wordt toegepast op alle betrokken werkzaamheden.

Die instemming heeft betrekking op de plaats, het tijdstip en de wijze van uitvoering van de werkzaamheden, maar ook op het bevorderen van medegebruik van voorzieningen en het afstemmen van voorgenomen werkzaamheden met beheerders van overige in de grond aanwezige werken. Het onderscheid met werkzaamheden van niet ingrijpende aard, spoedeisende werkzaamheden en calamiteiten wordt in het tweede lid benoemd, gezien daarvoor een eenvoudiger en snellere procedure van toepassing is. Artikel 3.61 Melding of aanvraag

35

In geval van voorgenomen werkzaamheden moet de melding of aanvraag (voor de netten van de nutsbedrijven) bij de gemeente plaatsvinden. Dat kan formeel bij het college van burgemeester en wethouders, maar in de praktijk veelal bij de gemachtigde afdeling of medewerk(st)er. De vereiste voorafgaande instemming van gemeentewege heeft betrekking op het tijdstip, de plaats en de wijze waarop de werkzaamheden plaatsvinden. Op het verlenen van dit besluit zijn ook de algemene beginselen van behoorlijk bestuur van toepassing; dit houdt onder andere in dat het gelijkheidsbeginsel in acht moet worden genomen. Een aanvrager kan over voorgenomen werkzaamheden vooroverleg voeren met het college om de melding of aanvraag, bedoeld in het eerste lid van dit artikel, voor te bereiden. Ingewikkelder meldingen worden zonder vooroverleg niet in behandeling genomen. De maximale beslistermijn voor het college van 8 weken is afgeleid van artikel 16.64 van de Omgevingswet en de Awb. De termijn voor niet ingrijpende werkzaamheden is korter en bij spoedeisende werkzaamheden/calamiteiten kan worden volstaan met een kennisgeving, die tevoren dient te worden gedaan. De gemeente moet vooraf akkoord gaan voordat gestart kan worden met de werkzaamheden. Deze verstoringen zijn niet specifiek omschreven, anders dan dat het veelal spoedeisende reparatie of onderhoud betreft zoals bij een kabelbreuk.

Motivering door de netbeheerder moet onderbouwen of de belemmering of storing voldoende reden is om als spoedeisend of calamiteit te worden aangemerkt. Werkzaamheden kunnen tevens betrekking hebben op gronden van andere gedoogplichtigen: dat kunnen instanties of (rechts)personen zijn binnen dezelfde gemeente maar ook andere gemeentes. Ook kunnen op grond van een andere wet andere vergunningen noodzakelijk zijn. Deze samenhang kan in de praktijk tot lange doorlooptijden leiden. De wetgever staat formeel toe dat de gemeente eventueel een deelinstemmingsbesluit verleent (voor een deeltraject of een deelproject) zodat de aanvragende partij alvast op de hoogte is van deze instemming en de daaraan te stellen voorwaarden, zodat met de verdere tracékeuze en andere aanvragen rekening gehouden kan worden, of dat in principe zelfs al begonnen kan worden met de werkzaamheden in dat deel van het gebied. De risico’s verbonden aan deze aanpak (bijvoorbeeld dat door latere vergunningverlening door een ander orgaan de aanvankelijke gemeentelijke aanvraag of het tracéaangepast moet worden, en dus wellicht opnieuw moet worden gedaan) moeten dan in projectmatige zin opgepakt en afgestemd worden (vooral bij grootschaliger aanleg). Algemeen gesproken zal het gebruik van deze mogelijkheid slechts in specifieke en goed overwogen situaties kunnen plaatsvinden.

In eerste instantie is de aanvrager zelf verplicht met alle betrokken instanties of (rechts)personen naar overeenstemming te streven. Als de aanvrager dat verzoekt, zal de gemeente inhoudelijke afstemming van de beoordeling van de ingediende aanvragen bij andere bestuursorganen (bijvoorbeeld een waterschap) nastreven (= bemiddeling). Daartoe moeten op het formulier (contact)gegevens over deze andere aanvragen vermeld worden. Voor private partijen blijft de aanvrager zelf verantwoordelijk. Artikel 3.62 Gegevensverstrekking Dit artikel is gericht op de wijze waarop een aanvraag of melding moet worden gedaan, welke gegevens verstrekt moeten worden en welke formulieren gebruikt moeten worden. Het betreft die informatie die de gemeente als beheerder van openbare gronden nodig heeft om een juiste beoordeling te maken en inzicht te hebben in de belangen die door de voorgenomen werkzaamheden worden geraakt. De specifieke voorwaarden en de formulieren worden om praktische redenen niet in de verordening opgenomen, maar in een collegebesluit met nadere regels op grond van deze verordening. Deze zogenaamde indieningsvereisten worden in de vorm van nadere regels vastgelegd en opgenomen in het Handboek Kabels en Leidingen. Er wordt gebruik gemaakt van standaardformulieren: het 36

formulier voor de reguliere melding/aanvraag en het formulier voor niet ingrijpende (of spoedeisende) werkzaamheden. Instemming (telecombedrijven) of vergunningverlening (nutsbedrijven) zal op aanvraag van de verzoekende partij plaatsvinden. De aanvrager geeft aan wat de gewenste startdatum is. De gemeente kan, gemotiveerd, bijvoorbeeld met het oog op andere graafwerkzaamheden, aanpassingen aanbrengen, waarbij de wet een maximale uitsteltermijn van 12 maanden aangeeft. Een aanvraag of melding wordt in behandeling genomen (en dan beginnen de termijnen te lopen) indien en zodra alle vereiste gegevens compleet zijn. Deze bevoegdheid is vastgelegd in Awb art. 4:5. Conform het besluit met nadere regels dient ook opgave te worden gedaan van eventueel benodigde ondergrondse of bovengrondse kasten, waartoe ook eventuele handholes worden gerekend. Van belang kan zijn dat bijvoorbeeld ook een Omgevingsvergunning vereist is. Op grond van de Wet Informatie-uitwisseling Bovengrondse en Ondergrondse Netten (WIBON) is registratie van de kabels en leidingen wettelijk verplicht (bij het Kadaster). Van de netbeheerders wordt verwacht dat zij hun kabels en leidingen zo registreren dat inzicht steeds kan worden geboden. Er is enige samenhang van bepalingen uit de WIBON (nationale wetgeving) en deze VFL (gemeentelijke verordening).

De WIBON heeft (veralgemeniseerd) betrekking op het voorkomen van graafschade via een plicht tot zorgvuldig graven én een plicht tot een zorgvuldige en tijdige informatie-uitwisseling. De WIBON bepaalt in artikel 35 dat de gemeente in het belang van de openbare orde en veiligheid bij verordening voorschriften kan geven over het verrichten van graafwerkzaamheden, te verbinden aan een instemmingsbesluit. Artikel 3.63 Beslistermijnen De beslistermijn is gelijk aan de meld-,/aanvraagtermijn zodat de werkzaamheden op de geplande datum kunnen aanvangen, mits aan de voorwaarden tijdig en geheel voldaan is. Op grond van de Omgevingswet ( art. 16.64) en Awb is de gemeente verplicht binnen een redelijke termijn een besluit te nemen, welke termijn geacht wordt te zijn verstreken na verloop van 8 weken. Expliciet wordt in het vijfde lid bepaald dat de Lex Silencio Positivo, oftewel de positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen, zoals die is vastgelegd in de Algemene wet bestuursrecht, niet van toepassing is op dit onderdeel van deze verordening. Een instemmingsbesluit kan dus niet van rechtswege verleend worden. Artikel 3.64 Geldigheid Dit artikel beperkt de werkingsduur van het instemmingsbesluit of vergunning om uitvoering geruime tijd na afgifte te voorkomen. Eventueel tussentijds gewijzigd gebruik van gronden kan de uitvoering van werkzaamheden alsnog onwenselijk maken.

In gevallen waar uitvoering en voorbereiding een langere doorlooptijd vergen, dient dat bij de melding te worden aangegeven en kan hiermee bij het verlenen van het instemmingsbesluit of vergunning rekening worden gehouden. Artikel 3.65. Intrekking instemmingsbesluit Dit artikel maakt het mogelijk dat het college een vergunning/instemming intrekt in bepaalde, limitatief benoemde, situaties. Hiermee wordt geen rechtsonzekerheid voor netbeheerders beoogd, maar wordt wel nagestreefd dat de noodzakelijke voorwaarden voor de gewenste regievoering ook worden vervuld. Artikel 3.66 Voorschriften, beperkingen en weigeringsgronden Het college kan door middel van nadere regels aan een instemmingsbesluit voorschriften en beperkingen verbinden. Vanwege de uniformiteit is aangegeven welk soort voorschriften en 37

beperkingen dit kunnen zijn. Ze hebben vooral te maken met de wijze van uitvoering en zijn gericht op de belangen die de gemeente geacht wordt te behartigen. Het voor de dagelijkse praktijk meest sprekende praktische voorbeeld van deze nadere regels zijn de lokale regels en voorwaarden in het zogenaamde ‘Handboek’, welke voorwaarden standaard van toepassing zijn op uit te voeren graafwerkzaamheden. Eventuele specifieke aanvullende voorschriften kunnen bij verlening van de instemming worden bekend gemaakt. Het college stelde dit Handboek vast. Dit artikel (dan wel de nadere regels die door het college zijn vastgesteld) bevat bepalingen over het herstel van de openbare ruimte nadat het werk heeft plaatsgevonden: een beginselplicht tot het herstellen van de openbare ruimte. In beginsel wordt uitgegaan van de “aangetroffen staat” van de infrastructuur. Voorzien wordt in het mogelijk maken van (in principe) een drietal gemeentelijke opname-momenten: een vooropname, een opleveringsopname en een overdrachtsopname na de onderhoudstermijn van 1 jaar. Dit om te voorkomen dat later niet meer duidelijk is hoe de staat van de openbare ruimte was voor aanvang van de werkzaamheden.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12060750/1