CConstaterende datTerneuzen
Koppel je AI →
Document · PDF

2022-11-29 - Bijlage 2 toelichting Verordening fysieke leefomgeving Terneuzen 2023

gemeenteraad 15 december 2022, gemeente TerneuzenBij agendapunt: Vaststellen Verordening fysieke leefomgeving Terneuzen 202330.519 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

Toelichting Verordening fysieke leefomgeving 2023

Gemeente Terneuzen

Inhoud HOOFDSTUK I ALGEMEEN.............................................................................................. 3 1.1 Inleiding .................................................................................................................... 3 1.2 Aanpak inventarisatie verordeningen (en beleidsregels) ........................................... 4 1.3 Doel en uitgangspunt integratie van verordeningen .................................................. 5 HOOFDSTUK II TOELICHTING OP ARTIKELNIVEAU ...................................................... 6 Algemene bepalingen ..................................................................................................... 6 HOOFDSTUK 2 AANWIJZINGEN IN DE FYSIEKE LEEFOMGEVING .............................. 9 Afdeling 2.1 Cultureel Erfgoed ........................................................................................ 9 Afdeling 2.2.

Afvalbeheer ..............................................................................................12 Afdeling 2.3 Weekmarkten ............................................................................................13 Afdeling 2.4 Waardevolle bomen ...................................................................................13 Afdeling 2.5 Hondenuitlaatterreinen...............................................................................13 Afdeling 2.6 Parkeerregulering ......................................................................................13 Afdeling 2.7 Wegen waar wegsleepregeling geldt ........................................................14 Afdeling 2.8 Standplaatsen ...........................................................................................15 Afdeling 2.9 Gebruik woonruimte als 2e woning .............................................................15 Afdeling 2.10 Duurzaamheid energie-opwekking ...........................................................15 HOOFDSTUK 3: ACTIVITEITEN IN DE FYSIEKE OMGEVING ........................................17 Afdeling 3.1. Inleidende bepalingen ...............................................................................17 Afdeling 3.2. Activiteiten met betrekking tot bouwwerken open erven en terreinen ........21 Afdeling 3.3.

Milieubelastende activiteiten .....................................................................22 Afdeling 3.4. Activiteiten in de openbare ruimte .............................................................23 Afdeling 3.4. Activiteiten in de openbare ruimte .............................................................33 Afdeling 3.5 Andere onderwerpen betreffende de huishouding van de Gemeente.........41 Afdeling 3.6 Activiteiten met betrekking tot cultureel erfgoed .........................................52 Afdeling 3.7 Activiteiten met betrekking tot flora en fauna..............................................56 Afdeling 3.8 Activiteiten met betrekking tot begraafplaatsen ..........................................56 Afdeling 3.9 Activiteiten met betrekking tot het gebruik woningen ..................................57 HOOFDSTUK 4 BEHEER EN ONDERHOUD ..................................................................58 Afdeling 4.1 Onderhoud- en instandhoudingsverplichtingen ..........................................58 Afdeling 4.2.

Gedoogplichten.........................................................................................58 HOOFDSTUK 5 FINANCIËLE BEPALINGEN ..................................................................58 Afdeling 5.1 Wegslepen voertuigen ...............................................................................58 Afdeling 5.2 Tegemoetkoming in schade ......................................................................58 HOOFDSTUK 6 ADVIES .................................................................................................59 HOOFDSTUK 7 HANDHAVING EN STRAFBEPALING ....................................................59 1

HOOFDSTUK 8 OVERGANGSRECHT ...........................................................................62 HOOFDSTUK 9 INTREKKEN VAN VERORDENINGEN ..................................................62

2

HOOFDSTUK I ALGEMEEN 1.1 Inleiding Wanneer de Omgevingswet in werking treedt in 2023, heeft Terneuzen in formele zin al een ‘tijdelijk’ omgevingsplan. Dat bestaat uit alle geldende bestemmingsplannen, wijzigings- en uitwerkingsplannen. We hoeven deze geldende ruimtelijke plannen niet opnieuw vast te stellen. Daarnaast komen ook de regels van de zogenaamde bruidsschat in het omgevingsplan. Dat zijn voormalige rijksregels die worden opgenomen in het Invoeringsbesluit van de Omgevingswet en die de gemeente ‘cadeau’ krijgt van het Rijk. Tot 2030 is er een periode waarin de gemeente alle geldende plannen en verordeningen kan vervangen door een omgevingsplan dat opgesteld is volgens de regels van de nieuwe Omgevingswet. Dat is nodig want in het bestemmingsplan staan alleen ruimtelijk relevante regels, maar in het omgevingsplan zullen uiteindelijk veel meer regels staan. Volgens de Omgevingswet (art. 1.2) bestaat de fysieke leefomgeving uit o.a. de volgende fysieke onderdelen van: bouwwerken, infrastructuur, watersystemen, water, bodem, lucht, landschappen, natuur, cultureel erfgoed en werelderfgoed. Daarnaast is duidelijk dat ook de thema’s gezondheid en duurzaamheid een rol spelen bij de inrichting van de fysieke leefomgeving Het omgevingsplan bevat dus straks alle regels over de fysieke leefomgeving die de gemeente stelt binnen haar grondgebied.

Dat geldt in de eindfase ook voor de regels met betrekking tot de fysieke leefomgeving die nu verspreid staan in diverse verordeningen.

3

Wanneer de Omgevingswet in werking treedt, worden die verordeningen niet beschouwd als onderdeel van het tijdelijke omgevingsplan. Tijdens de wettelijke overgangsfase tot 2030 moet de gemeente vele regels uit deze verordeningen integreren in het omgevingsplan. De bedoeling van deze verordening is om alle gemeentelijke verordeningen die leiden tot aanpassing van, of invloed hebben op, de fysieke leefomgeving, te bundelen in één verordening. Het voordeel van het bijeenbrengen van gemeentelijke regels die de fysieke infrastructuur betreffen zijn: a. Het biedt overzicht; b. De verordening biedt grip, omdat tijdens de overgangsfase de regels uit verordeningen die de fysieke infrastructuur betreffen bij elkaar staan; c. We hebben bij de indeling zoveel als mogelijk voorgesorteerd op de indeling zoals die in de toekomst ook in een omgevingsplan aan de orde komt. Het casco van het omgevingsplan van de VNG bood hiervoor de basis.

1.2 Aanpak inventarisatie verordeningen (en beleidsregels) Om gewenste orde en overzichtelijkheid te scheppen hebben we nu alvast geïnventariseerd welke verordeningen voor de fysieke leefomgeving er gelden. De volgende stappen hebben we genomen: - inventariseren gemeentelijke verordeningen en beleidsdocumenten; - analyseren welke regels in het omgevingsplan thuishoren; - samenvoegen tot één actuele verordening met regels voor de fysieke leefomgeving. Van de circa 240 Terneuzense verordeningen en beleidsstukken hebben 95 verordeningen en beleidsstukken betrekking op een veilige en gezonde fysieke leefomgeving. Om uit te maken welke onderwerpen zich lenen voor opname in de verordening voor de fysieke leefomgeving is een driedeling gevolgd. Deze driedeling is ook onderdeel van de Omgevingswet. Deze driedeling is als volgt: 1. Verordeningen en beleidsstukken die regels stellen over activiteiten die de fysieke infrastructuur wijzigen. Deze moeten in het omgevingsplan worden opgenomen ( art. 2.1, lid 1 Omgevingsbesluit). Denk aan onderwerpen zoals bouwverordening, erfgoedverordening, bomen en delen uit de APV. 2. Verordeningen en beleidsstukken die geen invloed hebben op de fysieke infrastructuur en bepaalde verordeningen die de openbare orde en veiligheid betreffen of

4

belastingverordeningen. Op grond van artikel 2.1. lid 2 van het Omgevingsbesluit mogen deze regels geen onderdeel vormen van het omgevingsplan. 3. Verordeningen en beleidsstukken over onderwerpen die de (fysieke) leefomgeving betreffen, maar ook een ander motief kennen. Deze mogen in het omgevingsplan worden opgenomen, maar dat is niet verplicht. Vaak gaat het over regels die het gebruik van de fysieke infrastructuur betreffen, maar deze infrastructuur niet wijzigen. Bijvoorbeeld de aanwijzing van een hondenuitlaatterrein op grond van het Hondenbeleid. Van de 95 verordeningen en beleidsregels zijn er 14 die een plek zouden moeten/mogen krijgen in het toekomstige omgevingsplan, en daaraan voorafgaand dus in de Verordening Fysieke Leefomgeving (VFL). Daarnaast is er een groot aantal beleidsstukken die in de toekomst hun doorwerking moeten krijgen in de onderbouwing van de keuzes van de ontwikkelingsrichting in het Omgevingsplan. Het geheel leidt tot het volgende resultaat Moeten opnemen in de Verordening fysieke leefomgeving Terneuzen 1. De Afvalstoffenverordening 2. De Algemene Verordening Ondergrondse Infrastructuur; 3. De Bouwverordening, incl. de excessenregeling 4. De volgende onderdelen uit de Algemene plaatselijke verordening: • Hst 2, afd. 2: Bruikbaarheid, uiterlijk aanzien en veilig gebruik van openbare plaatsen • Hst 4, afd.

1: Voorkomen en beperken van geluidhinder en hinder door verlichting • Hst 4, afd. 2: Bodem en milieuverontreiniging • Hst 4, afd. 3: Het bewaren van houtopstanden • Hst 5, afd. 1: Parkeerexcessen; • Hst 5, afd. 4: Standplaatsen; • Hst 5, afd. 5: Snuffelmarkten; • Hst 5, afd. 6: Openbaar water en waterstaatswerken 5. Marktverordening; 6. Erfgoedverordening 7. De Parkeerverordening; 8. De Wegsleepverordening; 9. De Beheersverordening begraafplaatsen, artikelen 16 (grafkelders) en 26 (historische graven); 10. De Gebruiksverordening 2e woningen. Daarnaast zijn uit de beleidsstukken de onderdelen gehaald die invloed hebben op de fysieke leefomgeving. Het gaat daarbij om: 1. De toewijzing van standplaatsen op grond van het standplaatsenbeleid van 19 juli 2022; 2. Het in het Kampeerbeleid opgenomen verbod tot kamperen buiten campings is ook onderdeel van de APV; 3. Het aanwijzen van hondenuitlaatterreinen op grond van het hondenbeleid; 4. Het aanwijzen van de studiegebieden voor de toepassing van windenergie; 5. Het afwijzen van gebieden die geschikt zouden zijn voor de toepassing van windenergie; 6. Het onderdeel van de lijst met waardevolle bomen uit het bomenbeleidsplan.

1.3 Doel en uitgangspunt integratie van verordeningen Het opnemen of verwerken van een integrale verordening voor de fysieke leefomgeving in het toekomstige omgevingsplan is naar verwachting minder ingrijpend dan het integreren van de huidige sectorale verordeningen. Doel van de integratie is geweest om te komen tot een eenduidige opzet, een goede onderlinge samenhang.

5

HOOFDSTUK II TOELICHTING OP ARTIKELNIVEAU Algemene bepalingen Artikel 1.1 Begripsbepalingen Dit artikel gaat over de begrippen die in deze verordening worden gebruikt. Deze bepaling vormt de grondslag voor een bijlage die bij deze verordening wordt opgenomen. Die bijlage bevat definities van belangrijke begrippen die op meerdere plaatsen in deze verordening worden gebruikt. De definities gelden ook voor zover die begrippen in op deze verordening gebaseerde regelgeving worden gebruikt. Om redenen van toegankelijkheid en leesbaarheid is ervoor gekozen om de begripsbepalingen gebundeld op te nemen in een bijlage in plaats van deze in hoofdstuk 1 zelf te verwerken zoals veelal gebruikelijk is. Omdat deze verordening niet is gebaseerd op de Omgevingswet zijn de begripsbepalingen van die wet, de daarop gebaseerde algemene maatregelen van bestuur en de Omgevingsregeling niet van toepassing op deze verordening. Omdat een aantal van die begripsbepalingen in deze verordening wordt gebruikt zijn die omschreven in bijlage I bij deze verordening. Daarnaast zijn in bijlage I de begripsbepalingen opgenomen van de (model)verordeningen die deze verordening vervangt. De begripsbepalingen zijn wel geënt op de omschrijvingen zoals die ook gebruikt wordt in de nieuwe Omgevingswetgeving. De modelverordeningen van de VNG, zoals die sinds 2021 zijn aangepast vormden hiervoor de basis.

Artikel 1.2 Toepassingsbereik Het toepassingsbereik van deze verordening wordt bepaald door artikel 1.2 en is geïnspireerd door artikel 1.2 van de Omgevingswet. In de memorie van toelichting bij die wet is aangegeven dat dit artikel spoort met de benaderingswijze die wordt gehanteerd in het verdrag van Aarhus. Dit verdrag maakt systematisch gezien onderscheid tussen, voor zover hier van belang: a. de toestand van elementen van het milieu, zoals lucht, water, bodem, landschappen en natuurgebieden; b. activiteiten die de elementen van het milieu aantasten of kunnen aantasten; en c. de toestand van de menselijke gezondheid en veiligheid en de menselijke levensomstandigheden, voor zover deze worden of kunnen worden aangetast door de toestand van de elementen van het milieu of, via die elementen, door activiteiten als bedoeld onder b. Deze driedeling uit het verdrag is ook terug te vinden in de opzet van artikel 1.2. Eerste lid In het eerste lid is vastgelegd dat deze verordening betrekking heeft op enerzijds de fysieke leefomgeving (onderdeel a) en anderzijds op activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor de fysieke leefomgeving (onderdeel b). Het begrip ‘fysieke leefomgeving’ zelf wordt niet gedefinieerd in de Omgevingswet en ook niet in deze verordening. Dit begrip geeft de buitenste randen van het toepassingsgebied van de verordening aan.

In latere artikelen van deze verordening wordt dit begrip verder ingekleurd en afgebakend. Ook van het begrip ‘activiteit’ (onderdeel b) is geen definitie opgenomen. Wat hieronder wordt verstaan blijkt uit de context van de artikelen in deze verordening waarin het begrip activiteit wordt gebruikt. Doorgaans zal het gaan om een feitelijke handeling. Tweede lid Het tweede lid bevat in beginsel alle onderdelen van de fysieke leefomgeving. Ter voorkoming van mogelijke rechtsvragen is er voor gekozen in het tweede lid een nietuitputtende opsomming van de onderdelen van de fysieke leefomgeving op te nemen. Een 6

limitatieve opsomming zou de vraag kunnen oproepen of een regel wel verbindend is omdat het fysieke voorwerp dat de regels beogen te beschermen naar het oordeel van een belanghebbende niet tot één van de benoemde onderdelen van de fysieke leefomgeving zou behoren. Zo zou bijvoorbeeld een belanghebbende kunnen stellen dat een dode boom geen natuur is en derhalve voor het kappen geen vergunning nodig is. Met de gekozen open formulering hoeft in een dergelijk geval alleen de vraag beantwoord te worden of het gemeentebestuur redelijkerwijs tot het standpunt heeft kunnen komen dat dit voorwerp een onderdeel is van de fysieke leefomgeving. Derde lid Het derde lid van artikel 1.2 kleurt het toepassingsgebied van deze verordening nader in. Deze bepaling is opgenomen om te verhelderen welke aspecten, verband houdend met activiteiten in de fysieke leefomgeving, in ieder geval door de verordening kunnen worden gereguleerd. Het wijzigen van onderdelen van de fysieke leefomgeving (onderdeel a) is de grootste, meest directe invloed die de mens daarop kan uitoefenen. Te denken valt aan de gevolgen van activiteiten als de aanleg van een weg, het bouwen van woningen, ontgrondingen en het kappen van bomen. Gebruik van natuurlijke hulpbronnen (onderdeel b) wordt genoemd omdat hulpbronnen vaak beperkt voorhanden zijn, door bijvoorbeeld schaarste.

Gebruik van een natuurlijke hulpbron, zoals een delfstof, plant of dier uit de natuur, water of wind, sluit vaak ander gebruik van die hulpbron uit en heeft daarmee gevolgen voor andere gebruikers van de fysieke leefomgeving. Onderdeel b heeft geen betrekking op gevolgen ter plaatse van de winning, oogst, vangst of benutting van een natuurlijke hulpbron, zoals het wijzigen van onderdelen van de leefomgeving, emissies, hinder of risico’s. Die gevolgen worden gedekt door de onderdelen a en c van dit lid. Gevolgen voor de fysieke leefomgeving kunnen eveneens voortvloeien uit activiteiten, waardoor emissies, hinder of risico’s worden veroorzaakt, zoals de uitstoot van verontreinigende stoffen, het veroorzaken van geluid of stank en het werken met gevaarlijke stoffen waardoor risico’s voor mens en milieu ontstaan (onderdeel c). Gevolgen voor de fysieke leefomgeving kunnen voortvloeien uit een ‘doen’ maar ook uit een ‘niet doen’, zoals het achterwege laten van (voldoende) beschermende maatregelen bij het verrichten van een activiteit of door het nalaten van een activiteit (onderdeel d). Bij het nalaten van een activiteit kan bijvoorbeeld worden gedacht aan het niet onderhouden van bouwwerken of installaties waardoor emissies, hinder of risico’s worden veroorzaakt. Vierde lid Gevolgen voor de fysieke leefomgeving kunnen ook betrekking hebben op gevolgen voor de mens.

Beschermende regels van deze verordening hebben betrekking op de fysieke leefomgeving, maar zijn uiteindelijk grotendeels gericht op het beschermen van de veiligheid en gezondheid van de mens en de omgevingskwaliteit voor de mens. Slechts een beperkt deel van de regels is exclusief gericht op bescherming van de fysieke leefomgeving door de intrinsieke waarde die de mensheid daaraan toekent. De mens wordt hier eenmalig genoemd naast de gevolgen voor de fysieke leefomgeving. Deze opzet betekent dat overal waar deze verordening regels stelt over activiteiten die gevolgen hebben of kunnen voor de fysieke leefomgeving of onderdelen daarvan, dit ook de bevoegdheid impliceert om ook gevolgen voor de mens erbij te betrekken, voor zover de mens wordt of kan worden beïnvloed door of via de fysieke leefomgeving. Artikel 1.3 Doelen van de verordening De doelen zijn overgenomen uit de Omgevingswet. Het doel ‘het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit’ (onderdeel a) benadrukt de opdracht tot het waarborgen van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. Het doel in onderdeel b – ‘het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen 7

van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften’ – ziet op het benutten (= gebruiken) van de fysieke leefomgeving door de mens. De aanhef van het artikel bevat algemene eisen die fungeren als verbindende schakels tussen beide doelen. De eerste algemene eis is dat de toepassing van deze verordening moet plaatsvinden met het oog op duurzame ontwikkeling. Duurzame ontwikkeling is een ontwikkeling die voorziet in de behoeften van de huidige generatie zonder de mogelijkheden voor toekomstige generaties om in hun eigen behoeften te voorzien in gevaar te brengen. De tweede algemene eis houdt in dat de twee doelen van deze verordening in onderlinge samenhang moeten worden nagestreefd. Dit betekent dat bij de toepassing van de verordening acht moet worden geslagen op de onderlinge verhoudingen tussen onderdelen van de fysieke leefomgeving en de gevolgen van activiteiten op de leefomgeving. Het artikel sluit aan op het motto van de Omgevingswet: ‘ruimte voor ontwikkeling, waarborgen voor kwaliteit’. De ‘ruimte voor ontwikkeling’ komt tot uitdrukking in het uitgangspunt van duurzaamheid en ligt daarnaast besloten in ‘ter vervulling van maatschappelijke behoeften in onderdeel b; de ‘waarborgen voor kwaliteit’ zijn vooral terug te vinden in onderdeel a.

De in deze bepaling neergelegde maatschappelijke doelen geven richting aan de uitvoering en toepassing van deze verordening. Dit geldt zowel voor bedrijven en burgers (denk aan de specifieke zorgplichten) als voor het college. Een belangrijke beperking, voor wat betreft het college, is dat als elders in deze verordening specifieke kaders voor de uitoefening van taken en bevoegdheden zijn gegeven, die kaders voorgaan. Deze meer specifieke kaders zijn dan leidend bij de uitvoering van dat onderdeel van deze verordening. Die kaders worden geacht een invulling te zijn van de algemene doelbepaling van artikel 1.3. Opmerking verdient dat noch uit artikel 1.3 noch uit meer specifieke kaders voor het uitoefenen van bevoegdheden, conclusies kunnen worden getrokken over het onderlinge gewicht van de betrokken belangen. Doel a staat niet in de weg aan activiteiten die vooral doel b dienen, zoals de ontwikkeling van een weg ter vervulling van de maatschappelijke functie ‘mobiliteit’. Doel b staat niet in de weg aan overheidsmaatregelen die vooral doel a dienen, zoals het vaststellen van algemene regels over activiteiten die het milieu belasten. Toepassing van de verordening vereist het zoeken naar oplossingen die zoveel mogelijk tegemoet komen aan beide doelen en de belangen daarachter. En waar dat niet kan, het maken van een belangenafweging.

De uitkomst van de door het college te verrichten belangenafweging zal per geval verschillen. Het college moet op grond van artikel 3:4, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) de rechtstreeks bij een besluit betrokken belangen afwegen, voor zover niet uit een wettelijk voorschrift of uit de aard van de uit te oefenen bevoegdheid een beperking voortvloeit. De uitkomst van die belangenafweging moet worden gemotiveerd (zie afdeling 3.7 Awb). Dit is primair een bestuurlijke afweging en daarbij past een terughoudende toets door de rechter. Artikel 3:4 Awb is in beginsel ook van toepassing op het vaststellen van algemeen verbindende voorschriften (de schakelbepaling van artikel 3:1, eerste lid, Awb), zoals nadere regels die het college kan vaststellen op basis van en ter uitwerking van deze verordening Artikel 1.4 Verhouding tot andere regelgeving Dit artikel maakt de relatie tussen de verordening en andere en hogere wetgeving duidelijk. Waar hogere wetgeving in eenzelfde regeling met hetzelfde motief voorziet, treedt de verordening terug.

8

HOOFDSTUK 2 AANWIJZINGEN IN DE FYSIEKE LEEFOMGEVING Afdeling 2.1 Cultureel Erfgoed Artikel 2.1. De aanwijzing tot gemeentelijk monument Lid 1 Dit artikel regelt de toekenning van de status van gemeentelijk monument aan een bouwwerk. De aanwijzing vergt een belangenafweging tussen het met de aanwijzing te dienen belang en de overige bij de aanwijzing betrokken belangen, waaronder planologische en/of economische belangen of het gebruik van het monument. Deze formulering is ontleend aan artikelen 3.1, eerste lid, en 3.16, tweede lid, van de Erfgoedwet. Burgemeester en wethouders hebben beleidsvrijheid bij de aanwijzing van een monument of archeologisch monument als gemeentelijk beschermd monument. Er geldt bovendien niet zoiets als de voorheen gehanteerde vijftigjarengrens voor monumenten. Bij de afweging van belangen die daarbij een rol spelen moeten ook de belangen van het gebruik ten opzichte van de te beschermen monumentale waarde uitdrukkelijk en gemotiveerd naar voren komen. Bij de voorbereiding van een aanwijzing moeten deze belangen worden onderzocht. Artikel 2 van de verordening van vóór 2016 (vergelijkbaar met het oude artikel 2, eerste lid, van de Monumentenwet 1988) over het gebruik van het monument, keert echter niet terug in deze verordening.

Voor de aanwijzing als gemeentelijk monument voegt de bepaling over het gebruik van het (archeologisch) monument geen belang toe dat niet al op grond van artikel 3:4, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) dient te worden meegewogen. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State gaat het bij een besluit over de aanwijzing als beschermd monument om de afweging van het algemeen belang dat is gemoeid met de bescherming van het cultureel erfgoed tegen de belangen die de eigenaar heeft bij al dan niet aanwijzing. Het gebruik van het monument wordt beschouwd als een aspect van de belangen van de eigenaar en behoeft daarom niet afzonderlijk te worden benoemd. De aanwijzing tot gemeentelijk monument en het plaatsen op de monumentenlijst zijn twee zaken met verschillend rechtsgevolg. De aanwijzing heeft rechtsgevolg, het daarna registreren op de gemeentelijke monumentenlijst is slechts een administratieve handeling. Het besluit tot aanwijzing is een discretionaire bevoegdheid van het college. Na afweging van alle betrokken belangen kan tot aanwijzing worden besloten. De afweging van de belangen van de rechthebbende ten opzichte van de te beschermen monumentale waarden moet uitdrukkelijk gemotiveerd in het besluit naar voren komen (de redengeving). De aanwijzing geeft geen recht op schadevergoeding.

De aanwijzing verandert immers over het algemeen niets aan het bestaande gebruik van het monument. Een aanwijzing heeft echter wel gevolgen voor de mogelijkheden wat betreft het toekomstige gebruik van een monumentaal object. Immers, de monumentaal aangewezen onderdelen mogen slechts met een vergunning (zie art. 3.130, tweede lid) of slechts op grond van de nadere regels (zie art. 3.130, derde lid) worden gewijzigd. Het wijzigen van nietmonumentale onderdelen is alleen vergunningvrij wanneer ook geen omgevingsvergunning voor het bouwen is vereist. Om deze, weliswaar toekomstige, last voor de burger in te perken, dient bij de aanwijzing in de redengevende omschrijving zorgvuldig bekeken te worden wat wel en wat niet van het object tot monumentaal beschermingswaardig onderdeel wordt aangewezen en voor welk deel een vergunningplicht achterwege kan blijven. Mogelijke afweging kan zijn om alleen de vanuit openbare ruimten zichtbare bijzondere onderdelen tot monument aan te wijzen, zodat bijvoorbeeld voor wijzigingen aan de achterkant en het 9

interieur in dat geval geen omgevingsvergunning voor monumenten is vereist maar bijvoorbeeld alleen een omgevingsvergunning voor het bouwen. In de verordening is geen bepaling opgenomen dat, voordat het college over een aanwijzing een besluit neemt, de aanvrager en andere belanghebbenden worden gehoord. Dit is namelijk al geregeld in (de artikelen 4:8 en 4:9 van) de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Lid 2 Monumenten die op grond van een aanwijzing door het Rijk of provincie al op een monumentenlijst zijn geplaatst, komen niet voor aanwijzing als gemeentelijk monument in aanmerking. Artikel 2.2 Het voornemen tot aanwijzing Eerste lid Ieder monument is gegeven de begripsbepaling van artikel 1.1 van de Erfgoedwet per definitie een onroerende zaak (een bouwwerk of (groen)aanleg). Voor alle zakelijke gerechtigden op de betreffende onroerende zaken is ontvangst van het voornemen van een aanwijzing door burgemeester en wethouders van belang, niet alleen voor de eigenaar. Zie ook artikel 1van de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen (Wkpb). Onder zakelijk gerechtigden vallen ook hypothecaire schuldeisers ten aanzien van de onroerende zaak. Tweede lid Het college moet het advies inwinnen van de monumentencommissie zoals genoemd in artikel 6.2. De verordening bindt het advies niet aan bepaalde voorschriften over vorm en inhoud.

Een regeling die de taak en werkwijze van deze commissie bepaalt, is daarvoor de aangewezen plaats. Derde lid De aanwijzing van kerkelijke monumenten vereist voorafgaand overleg met de eigenaar. Het gaat dan per definitie om een monument dat eigendom is van een kerkgenootschap, een zelfstandig onderdeel daarvan, een lichaam waarin kerkgenootschappen zijn verenigd, of van een ander genootschap op geestelijke grondslag en dat uitsluitend of voor een overwegend deel wordt gebruikt voor het gezamenlijk belijden van de godsdienst of levensovertuiging (artikel 1.1 van de Erfgoedwet). Dit lid stemt overeen met de vergelijkbare eis in artikel 3.1 van de Erfgoedwet en artikel 16.58 van de Omgevingswet (Ow) en doet recht aan de bijzondere positie van het kerkelijk monument als plaats voor het gezamenlijk belijden van godsdienst of levensovertuiging. Dit geldt naast de algemene regel van artikel 4:8 van de Awb op grond waarvan belanghebbenden zoals eigenaren moeten worden gehoord. Artikel 2.3. Voorbescherming Het is wenselijk ook ten aanzien van gemeentelijk monumenten in voorbescherming te voorzien. Dat gebeurt met dit artikel. De voorbescherming start zodra burgemeester en wethouders het voornemen tot aanwijzing hebben bekendgemaakt aan de zakelijk gerechtigden.

De voorbescherming voor gemeentelijk monumenten is gebaseerd op artikel 1 van de Wkpb en vergelijkbaar met de voorbescherming voor rijksmonumenten die voortvloeide uit artikel 5 van de Monumentenwet 1988 (dat, zoals dat luidde voor inwerkingtreding van Erfgoedwet, tot inwerkingtreding van de Ow blijft gelden voor rijksmonumenten). De voorbescherming van rijksmonumenten loopt onder de Ow via de definities ‘voorbeschermd rijksmonument’ en ‘rijksmonumentenactiviteit’ en de vergunningplicht in artikel 2.2. van de Wabo, resp. artikel 5.1, eerste lid, onder b, van de Ow. 10

Een rijksmonumentenactiviteit is vergunningplichtig en betreft ook voorbeschermde rijksmonumenten. De voorbescherming van gemeentelijke monumenten betekent dat in de periode van kennisgeving van het voornemen van het college om een monument op de gemeentelijke monumentenlijst te plaatsen tot het daadwerkelijke aanwijzingsbesluit (dit kan ook een afwijzing zijn), de artikelen 3.130 tot en met 3.133 van deze verordening van toepassing zijn. Dat betekent onder andere dat een monument tijdens de aanwijzingsprocedure tot gemeentelijk monument niet mag worden afgebroken, gewijzigd, verplaatst (etc.) zonder een omgevingsvergunning voor monumenten of anders dan de bij nadere regels opgestelde wijze. Het gebruik van de voorbeschermingsprocedure is gebonden aan een motivatieplicht, aangezien hieraan voor de eigenaar/gebruiker financiële consequenties kunnen zijn verbonden. Immers, gedurende de voorbescherming dienen bouwactiviteiten te worden opgeschort. Het inroepen van de voorbescherming van een object is een publiekrechtelijke beperking en een beperkingenbesluit in de zin de van artikel 1 van de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken. Daarmee is ook onder andere artikel 13 van deze wet van toepassing wat betreft de aansprakelijkheid van gemeenten voor geleden schade.

Daarom moet een gemeente gegronde redenen kunnen aanvoeren voor het inroepen van de voorbescherming. Artikel 2.4. Bekendmaking aanwijzingsbesluit aan rechthebbende en inschrijving De ontvangst van de (veelal aangetekende) mededeling (zijnde een afschrift van de inschrijving) van het college is voor alle aan het monumentale object verbonden zakelijk gerechtigden van essentieel belang. De kenbaarheid van de aanwijzing tot monumentaal object is ook te herleiden tot artikel 1, onder a, sub 1 juncto artikel 1, onder b, sub 6 van de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken. Daarmee zijn de voorschriften uit deze wet ook van toepassing op een aanwijzingsbesluit als bedoeld in artikel 2.4 van deze verordening. Dit artikel regelt overigens niet specifiek dat de aanwijzing wordt bekendgemaakt aan de eigenaar en de aanvrager, omdat de Awb dat al bepaalt (afdeling 3.6). Indien artikel 4:8 Awb is toegepast (horen van geadresseerde en derden belanghebbenden) dan dienen de betrokkenen op grond van het bepaalde in artikel 3:43 Awb eveneens een mededeling te ontvangen. Artikel 2.5. Registratie op de gemeentelijke monumentenlijst De registratie van de aanwijzing is een administratieve handeling (en geen besluit).

De bedoeling van de bij te houden monumentenlijst is om een ieder snel inzicht te geven in welke zaken als gemeentelijk monument zijn aangewezen en de redengeving daartoe. Wat betreft dit laatste aspect zij tevens verwezen naar de toelichting bij artikel 2.1, eerste lid (aanwijzing). Artikel 2.6 Wijziging gemeentelijk erfgoedregister, vervallen aanwijzing monument Op grond van dit artikel is het mogelijk om de aanwijzing van gemeentelijke monumenten te wijzigen. Hiervoor geldt dezelfde voorbereidingsprocedure als voor de aanwijzing zelf (lid 2), Dit artikel bepaalt dat ook dat op het schrappen uit het register van een aanwijzing als gemeentelijk monument dezelfde procedure geldt als bij de aanwijzing daarvan. Voorts is hierin bepaald dat de aanwijzing als gemeentelijk monument vervalt zodra een monument is 11

opgenomen in het rijksmonumentenregister, in een provinciaal erfgoedregister of een provinciale omgevingsverordening. Wijzigingen van de aanwijzing worden doorgevoerd op de gemeentelijke monumentenlijst.

Afdeling 2.2. Afvalbeheer Artikel 2.7 Aanwijzing van de inzameldienst In het eerste lid geeft de raad aan het college de opdracht om een onderneming aan te wijzen, die met de inzameling van huishoudelijke afvalstoffen is belast. De zorg voor deze inzameling berust ingevolge de artikelen 10.21 en 10.22 van de Wet milieubeheer op de raad en het college. De aangewezen inzameldienst zal aan die zorg praktische uitvoering geven. In het derde lid wordt een grondslag gegeven om nadere regels te stellen over de wijze waarop de inzameldienst huishoudelijke afvalstoffen inzamelt. Redenen van algemeen belang van milieu en gezondheid die met de aanwijzing van inzameldiensten zijn gemoeid, dwingen ertoe geen regeling op te nemen voor het van rechtswege nemen van aanwijzingsbesluiten in gevallen waarin niet tijdig op een daartoe strekkende aanvraag zou worden beslist. De regeling van paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht is daarom niet van toepassing. Zo nodig kunnen bij het aanwijzingsbesluit beperkingen of voorschriften worden verbonden aan de inzameling van huishoudelijke afvalstoffen. Het ligt in de rede dat dit alleen aan de orde is wanneer er ten aanzien van de aan te wijzen instantie bijzondere voorschriften of beperkingen moeten gelden.

Lid 4 van dit artikel geeft invulling aan de opdracht aan het gemeentebestuur in artikel 3.5 van de Wet Dieren, om een dienst aan te wijzen die belast is met de inzameling van gezelschapsdieren. Dit is een nieuwe regeling. Voorheen was de regeling voor het verwijderen van kadavers van vooral boerderijdieren geregeld in de Destructieverordening. Deze regeling geldt niet meer, wat betekent dat ook de Destructieverordening moet worden ingetrokken. In artikel 9.1 is dat nu opgenomen. Artikel 2.8 Aanwijzing inzamelplaats In dit artikel wordt geregeld dat op ten minste een plaats, gelegenheid wordt geboden om huishoudelijke afvalstoffen achter te laten. Hiertoe is het gemeentebestuur op grond van artikel 10.27 Wet milieubeheer verplicht in verband met de in artikel 3.31 geboden mogelijkheid om niet telkens per week en bij elk perceel in te zamelen. Op de inzamelplaats kunnen alle bestanddelen van huishoudelijke afvalstoffen worden achtergelaten.

12

Afdeling 2.3 Weekmarkten Artikel 2.9 Gereserveerd

Afdeling 2.4 Waardevolle bomen Artikel 2.10 Aanwijzing monumentale en waardevolle bomen Op 30 juni 2016 stelde de gemeenteraad de notitie vast: “Ruimte voor kwaliteit, Bomenbeleidsplan Terneuzen”. Dit beleidsplan stelt eisen aan de groeiplaats van bomen, zowel boven-, als ondergronds. Ook wordt bij nieuwe aanplant van bomen/bomengroepen gewerkt met een sortimentslijst. De op deze lijst voorkomende bomenrassen zijn geselecteerd op basis duurzaamheid, ziektegevoeligheid en het veroorzaken van overlast. Het beleidsplan geeft ook inzicht in de controlefrequentie van het bomenbestand, om situaties van gevaarzetting zoveel als mogelijk te voorkomen. Ook beschrijft het beleidsplan hoe de gemeente in principe zal handelen in het geval van conflictsituaties (licht- en uitzichtbelemmering, overhangende takken, wortelopdruk, blad- en zaadval). Tenslotte is ook beschreven hoe de gemeente wil omgaan met waardevolle bomen. Waardevolle bomen zijn ingedeeld in drie categorieën. 1. Monumentale bomen; 2. Potentieel monumentale bomen 3. Waardevolle bomen. Alle bomen binnen deze categorieën hebben tenminste een minimale omtrek en hoogte. Deze drie bomencategorieën zijn opgenomen in de “Waardevolle bomenlijst”. Daarop staan ongeveer 1000 bomen van de meer dan 22.000 in de gemeente aanwezige bomen. Voor de bomen die het college opneemt op deze waardevolle bomenlijst geldt een kapverbod.

Het kan gaan om zowel gemeentelijke als om particuliere bomen. Het belang van de aanvrager bij het kappen van de boom ( moet uit de aanvraag blijken) zal daarbij afgewogen worden tegen de cultuurhistorische en ecologische waarde van de boom en de standplaats van de boom.

Afdeling 2.5 Hondenuitlaatterreinen Artikel 2.11 Aanwijzing hondenuitlaatterreinen Verspreid over 11 woonkernen van de gemeente zijn in totaal 46 terreinen aangewezen waar de eigenaar van een hond, deze los mag laten lopen en waar de hond ook zijn behoefte kan doen, zonder dat een opruimplicht geldt.

Afdeling 2.6 Parkeerregulering Artikel 2.12 Aanwijzing weggedeelten en tijdstippen parkeren door vergunninghouders Op 8 november 2018 besloot de gemeenteraad in te stemmen met het invoeren van fiscaal parkeren ( = betaald parkeren) in de binnenstad. Het systeem is ingevoerd om overlast van verkeerd geparkeerde auto’s te beperken en daarmee de parkeerplaatsen voor bewoners van het gebied “veilig” te stellen. Bewoners van het gebied kunnen voor het parkeren van hun voertuig een zogenaamde bewonersvergunning aanvragen. Bij het raadsbesluit waren een tweetal bijlagen gevoegd. Enerzijds een kaart van het gebied en anderzijds de weggedeelten die van het nieuwe systeem deel uitmaken. Deze stukken zijn nu ook als bijlage 3 aan deze Verordening toegevoegd. 13

Afdeling 2.7 Wegen waar wegsleepregeling geldt Artikel 2.13 Aanwijzing wegen en weggedeelten waar voertuigen kunnen worden verwijderd Alle wegen in de gemeente zijn aangewezen als wegen waar de wegsleepregeling van toepassing is. Een verkeerd geparkeerd voertuig kan namelijk overal in de weg staan en op die manier voor hinder en overlast zorgen. Het overbrengen en in bewaring stellen van een op een aangewezen weggedeelte staand voertuig - simpeler gezegd het wegslepen van een voertuig - vindt plaats door middel van de uitoefening van de bestuursdwangbevoegdheid ex artikel 125 van de Gemeentewet. Aan de uitoefening van deze bevoegdheid – in de praktijk gaat het vaak om fout geparkeerde auto’s – stelt de Wegenverkeerswet 1994 eisen. Wettelijke vereisten Op grond van artikel 170 lid 1 en onder c van de Wegenverkeerswet 1994 (‘Wvw’) geldt voor het wegslepen van voertuigen een tweetal voorwaarden. Allereerst dient sprake te zijn van een overtreding van een wettelijk voorschrift. Te denken valt aan parkeren langs een gele onderbroken streep (zie artikel 24 lid 1 onder e van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990). Daarnaast dient het wegslepen van het voertuig ook noodzakelijk te zijn, (bij de c-grond van artikel 170 lid 1 van de Wvw) in verband met het vrijhouden van een aangewezen weg(gedeelte).

Of ook voldaan is aan de tweede voorwaarde, zo lijkt uit de tekst van artikel 170 lid 1 van de Wvw te volgen, vereist steeds een beoordeling, ter plaatse, te maken door een gemeentelijke verbalisant. Degene die met de uitvoering ervan is belast moet per geval namelijk nagaan of in dat specifieke geval het wegslepen van het betreffende voertuig absoluut noodzakelijk is. Als het wegslepen niet urgent is kan worden volstaan met het opmaken van een proces-verbaal door een opsporingsambtenaar. Het uitvoeren van de wegsleepregeling is een bevoegdheid van het college van burgemeester en wethouders. Het wegslepen van een voertuig moet worden gezien als een bijzondere vorm van bestuursdwang. In de Algemene wet bestuursrecht (Awb) staan de algemene regels voor toepassing van bestuursdwang. Deze regels zijn voor een groot deel ook van toepassing op het wegslepen van voertuigen. In de WVW 1994 wordt een aantal bepalingen uit de Awb niet van toepassing verklaard. Tegen besluiten tot het wegslepen van voertuigen staat op grond van de Awb bezwaar en vervolgens beroep open. Wanneer een voertuig fout geparkeerd staat en wegsleepwaardig is, zijn er in principe twee naast elkaar bestaande manieren om hiertegen op te treden. Allereerst het opmaken van een proces-verbaal door gemeentelijk toezicht/politie/justitie, op grond van de Wet administratieve handhaving verkeersvoorschriften (Wet Mulder).

Daarnaast het uitvoeren van bestuursdwang, in de vorm van het (laten) wegslepen en bewaren van het voertuig, door het college van Burgemeester en wethouders. Het opmaken van een proces-verbaal op grond van de Wet Mulder is niet (meer) vereist, maar kan wel samengaan. Als alleen gebruik wordt gemaakt van de bestuursdwang-mogelijkheid dan moet de geconstateerde parkeerovertreding goed worden vastgelegd in een schriftelijk document dat vergezeld gaat van foto’s e.d. In het geval dat gebruik wordt gemaakt van proces-verbaal en bestuursdwang is een eventueel sepot, vrijspraak of ontslag van rechtsvervolging door justitie, respectievelijk de rechter, naar aanleiding van het proces-verbaal, niet zonder meer een reden om ook de kosten van bestuursdwang aan de burger terug te betalen. Het college maakt binnen het kader van een eventuele bezwaarprocedure namelijk een eigen afweging. Overigens is artikel 170, lid zes van de WVW 1994 hier ook van belang. Daarin staat dat een voertuig niet kan worden weggesleept als de rechthebbende het voertuig verwijdert voordat 14

met de overbrenging wordt begonnen. In de wet wordt niet exact aangegeven wanneer sprake is van situaties waarin met de overbrenging wordt begonnen, maar in de praktijk wordt ervan uitgegaan dat pas met de overbrenging wordt begonnen wanneer het voertuig zich in de takels van het wegsleepvoertuig bevindt. Indien de rechthebbende zich eerder bij zijn voertuig meldt, mag het voertuig niet meer worden weggesleept. Wel zal de rechthebbende dan alle aan de overbrenging verbonden kosten moeten vergoeden, waarbij kan worden gedacht aan voorrijkosten van het sleepvoertuig en administratieve kosten. De te vergoeden kosten zijn opgenomen in artikel 5.1 van de verordening, en afgeleid van de overeenkomst die de gemeente op dit punt met een bergingsbedrijf afsloot. Bij de waardering van de situatie ter plaatse voor het beantwoorden van de vraag of er sprake is van een situatie die noodzaakt tot het wegslepen van een voertuig, valt blijkens de parlementaire geschiedenis te denken aan de verkeersintensiteit, de snelheid waarmee op de weg wordt gereden, de overzichtelijkheid van de verkeerssituatie ter plaatse, de tijd van de dag, de aard en de hoedanigheid van de weg en ook de weersomstandigheden (Kamerstukken II 1973/1974, nr. 3, pag. 5). Artikel 2.14 Aanwijzing plaats van bewaring voertuigen en openingstijden Behoeft geen nadere toelichting.

Voor het ophalen van een weggesleept voertuig gelden dezelfde tijden.

Afdeling 2.8 Standplaatsen Artikel 2.15 Aanwijzen locaties voor innemen standplaats In Terneuzen zijn in nagenoeg alle kernen locaties aangewezen waar handelaren standplaats kunnen innemen voor het verhandelen van hun waren. In totaal zijn op die manier in de gemeente 23 standplaatsen aangewezen. Deze zijn opgenomen in de lijst die als bijlage 4 van deze verordening deel uit maakt.

Afdeling 2.9 Gebruik woonruimte als 2e woning Artikel 2.16 Aanwijzing gebied verbod gebruik woningen als 2e woning Dit artikel omschrijft voor welke gebieden in de gemeente een verbod tot het gebruik van woonruimte als tweede woning geldt. Op alle woningen gelegen binnen de aangewezen bebouwde kom van alle kernen is deze verordening van toepassing. Buiten de bebouwde kom c.q. in het buitengebied, geldt het verbod dus niet. Het behoud van leefbaarheid en voorzieningen speelt een belangrijke rol bij de overweging om alle woonkernen aan te wijzen als gebied waar het verbod tot gebruik ban 2e woningen geldt. Overigens is ook in bestemmingsplannen sprake van en gebruiksverbod voor 2e woningen.

Afdeling 2.10 Duurzaamheid energie-opwekking Artikel 2.17 Aanwijzing zoekgebieden windenergie De gemeenteraad stelde het Beleidskader windenergie in maart 2021 vast. Naast een aantal aangewezen zoekgebieden, waar de haalbaarheid van windenergie op land door derden onderzocht zou kunnen worden, wees de gemeenteraad ook een aantal gebieden aan, waar in zijn opvatting het realiseren van windenergie niet tot de mogelijkheden behoort. De daadwerkelijke invulling van de aangewezen zoekgebieden is afhankelijk van de haalbaarheidsstudie en de vraag in hoeverre voor die invulling draagvlak onder omwonenden bestaat. De zoeklocatie moet ook voldoen aan een aantal in het beleidskader omschreven voorwaarden (afstand tot woonkernen; locatie op industrieterreinen of bij 15

grootschalige infrastructuur, en profijtbeginsel voor de omgeving toepassen). Deze voorwaarden zijn nu opgenomen in lid 2 van dit artikel. Dit beleidskader kwam tot stand onder de werking van het coalitieakkoord 2018-2022 (Sterk, betrokken en vitaal), waarin de volgende frases stonden op het onderdeel economie, en volksgezondheid en milieu: “We zetten de schouders onder duurzaamheid. We geven extra aandacht aan energietransitie, klimaatbeleid en afvalinzameling”. In het coalitieprogramma 2022 – 2026, “Goed leven in Terneuzen”, is op dat onderdeel een andere insteek gekozen. Onder het thema “Klimaat en duurzaamheid” wordt “de bouw van grote windmolens afgewezen, vanwege de overlast voor de omgeving”. “Aanvragen voor het vervangen van bestaande molens wil het college kritisch beoordelen”. Deze ommezwaai tegenover de toelaatbaarheid van windenergie laat echter onverlet, dat het vastgestelde “Beleidskader windenergie” nog altijd bestaat. Om te voorkomen dat initiatiefnemers willekeurig aan de slag gaan met haalbaarheidsstudies is er voor gekozen de in het beleidskader aangewezen zoeklocaties (4) als bijlage 5 aan deze verordening toe te voegen. Daarnaast zijn de uitgesloten gebieden voor windenergie via deze bijlage ook nadrukkelijk onderdeel van de verordening.

16

HOOFDSTUK 3: ACTIVITEITEN IN DE FYSIEKE OMGEVING Afdeling 3.1. Inleidende bepalingen Artikel 3.1 Toepassingsbereik In dit artikel is het toepassingsbereik geregeld van de regels in hoofdstuk 3. Die regels zijn alleen van toepassing op activiteiten die zijn aangewezen in de afdelingen 3.2 tot en met 3.9. Dat betekent bijvoorbeeld dat de inleidende bepalingen in afdeling 3.1 alleen gelden voor activiteiten die in die afdelingen zijn aangewezen. De specifieke zorgplicht van artikel 3.3 geldt dus niet voor alle activiteiten in de fysieke leefomgeving maar alleen voor activiteiten die in die afdelingen zijn aangewezen. In het tweede lid zijn uitgezonderd de activiteiten die worden verricht door of vanwege de gemeente Terneuzen voor de uitoefening van een publiekrechtelijke taak. In deze verordening kunnen daarop uitzonderingen worden gemaakt. Dat wordt tot uitdrukking gebracht met de zinsnede ‘tenzij in deze verordening anders is bepaald’. Op dit moment is alleen in artikel 3.26, tweede lid, een uitzondering gemaakt voor het inzamelen van afvalstoffen. Die activiteit wordt namelijk verricht voor de uitoefening van de publiekrechtelijke taak die is geregeld in de Wet milieubeheer om afvalstoffen bij huishoudens in te zamelen. Artikel 3.2 Normadressaat Artikel 3.2 bepaalt tot wie de regels van hoofdstuk 3 zijn gericht.

In de Omgevingswet wordt degene die de activiteit verricht primair verantwoordelijk geacht voor de naleving van de regels die gelden voor het verrichten van activiteiten. Artikel 3.2 sluit daarbij aan. Het gaat daarbij om degene die verantwoordelijk is voor het verrichten van de activiteiten, zoals de eigenaar of de opdrachtgever. Degene die de activiteiten verricht, moet voldoen aan de regels van deze verordening, en ervoor zorgen dat de mensen of bedrijven die voor haar of hem werkzaamheden verrichten zich aan de regels over de activiteit houden. Artikel 3.3 Specifieke zorgplicht Degene die een activiteit verricht heeft een specifieke zorgplicht. Van degene die een activiteit verricht die is aangewezen in de afdelingen 3.2 tot en met 3.9, wordt een inspanning verwacht om zelf te beoordelen of het handelen nadelige gevolgen heeft en ook hoe die gevolgen redelijkerwijs kunnen worden voorkomen of beperkt. Onder handelen wordt uiteraard ook het nalaten om te handelen verstaan. De formulering van de specifieke zorgplicht sluit aan bij de formulering van de algemene zorgplicht van artikel 1.7 van de Omgevingswet. De specifieke zorgplicht is gekoppeld aan de bepalingen in hoofdstuk 3 waarin de doelen zijn opgenomen waarop de regels in hoofdstuk 3 betrekking hebben. Die doelen zijn geregeld in de algemene paragrafen van de afdelingen 3.2 tot en met 3.6.

De specifieke zorgplicht heeft geen betrekking op belangen die geen onderdeel uitmaken van die oogmerken en is daardoor specifieker dan de algemene wettelijke zorgplicht. Zo ziet de zorgplicht bijvoorbeeld niet op de kwaliteit van het zwemwater. Dat oogmerk valt wel onder de algemene zorgplicht in de Omgevingswet. Tegen een overtreding van de specifieke zorgplicht kan handhavend worden opgetreden. Handhavend optreden ligt voor de hand bij duidelijke overtredingen van de specifieke zorgplicht. Daarvan is sprake in situaties waarin het handelen of nalaten van degene die de activiteit verricht, onmiskenbaar in strijd is met de specifieke zorgplicht. Er kunnen ook situaties aan de orde zijn waarin niet direct duidelijk is of van onmiskenbare strijd sprake is. Het college zal dan een keuze moeten maken tussen een handhavingstraject of het eerst verduidelijken wat de specifieke zorgplicht inhoudt. 17

Ook wanneer het college degene die de activiteit verricht, mondeling of schriftelijk informeert over wat er in een concreet geval onder de specifieke zorgplicht moet worden verstaan, is het voor diegene na ontvangst van die informatie duidelijk wat er verwacht wordt. Als daar geen gevolg aan wordt gegeven, is er sprake van onmiskenbare strijd met de specifieke zorgplicht. Een uitgebreidere uiteenzetting van de mogelijkheden om handhavend op te treden tegen overtredingen van de specifieke zorgplicht is opgenomen in de nota van toelichting bij het Besluit activiteiten leefomgeving. Artikel 3.4 Algemene aanvraagvereisten In dit artikel zijn de aanvraagvereisten opgenomen die voor iedere aanvraag gelden. Een aanvraag is volgens artikel 1:3, derde lid, van de Awb een verzoek van een belanghebbende een besluit te nemen. De aanvraagvereisten in dit artikel zijn aanvullend op de algemene aanvraagvereisten die zijn opgenomen in artikel 4:2, eerste lid, van de Awb. Op grond van dat artikel moet de aanvraag worden ondertekend en ten minste bevatten de naam en het adres van de aanvrager, de dagtekening en een aanduiding van de beschikking die wordt gevraagd. Omdat deze algemene vereisten al gelden zijn deze niet herhaald in artikel 3.4 Een aanvrager hoeft alleen de gegevens en bescheiden te verstrekken die het bevoegd gezag nodig heeft om een vergunningaanvraag te beoordelen.

Dat volgt uit artikel 4:2, tweede lid, van de Awb, waarin is geregeld dat de aanvrager de gegevens en bescheiden verschaft die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen. Dat betekent bijvoorbeeld dat het bevoegd gezag in een bepaald geval ervan af kan zien om specifieke gegevens en bescheiden van de aanvrager te verlangen omdat deze niet nodig zijn om een beslissing te nemen. Dit hangt ook samen met artikel 3:2 van de Awb. Dat artikel regelt dat het bevoegd gezag bij de voorbereiding van een besluit de nodige kennis over de relevante feiten en de af te wegen belangen vergaart. Ook hoeven er geen gegevens en bescheiden te worden verstrekt, voor zover het bevoegd gezag al over die gegevens of bescheiden beschikt. Dat volgt uit artikel 2.8 van de Wabo, resp. 4.4, lid 2 van het Besluit omgevingsrecht. Artikel 16.55, vijfde lid, van de Omgevingswet heeft dezelfde inhoud. Onder a Uit de aanvraag zal moeten blijken voor welke activiteit of activiteiten een omgevingsvergunning wordt aangevraagd. De activiteiten waarom het kan gaan zijn opgesomd in artikel 2.1 en 2.2. van de Wabo resp. artikel 5.1 van de Omgevingswet Onder c Uit de gegevens en bescheiden die bij de aanvraag worden verstrekt moet het bevoegd gezag duidelijk worden waar de activiteit wordt verricht.

Voor de meeste activiteiten kan daarbij worden volstaan met het vermelden van het adres. In sommige gevallen is er geen adres en kan de aanduiding van de locatie plaatsvinden met kadastrale gegevens of de coördinaten. Onder d De aanvrager moet het bevoegd gezag informatie verstreken over de begrenzing van de locatie waar de activiteit verricht gaat worden. Dit gaat om de volledige activiteit die als vergunningplichtig is aangewezen. Als het gaat om een milieubelastende activiteit dan vallen daar soms dus ook de activiteiten onder die de ‘hoofdactiviteit’ functioneel ondersteunen. De begrenzing is waar de activiteit begint en ophoudt en kan bijvoorbeeld op een kaart worden ingetekend. Onder e In artikel 4.1 van het Besluit omgevingsrecht c.q. artikel 14.1 van het Omgevingsbesluit is bepaald dat een aanvraag via de landelijke voorziening moet worden verzonden als de activiteit waarop de aanvraag betrekking heeft wordt verricht door of namens een rechtspersoon of natuurlijke persoon in het kader van het voeren van een onderneming of het uitoefenen van een zelfstandig beroep. Om communicatie tussen aanvrager en bevoegd 18

gezag te vergemakkelijken is het wenselijk dat het bevoegd gezag de beschikking heeft over het e-mailadres van de aanvrager of de gemachtigde, als de aanvraag is ingediend door een gemachtigde. Onder lid 2.a. Wanneer bodemonderzoeken in het geding zijn vraagt de gemeente specifieke formats voor het “vullen” van het bodeminformatiesysteem. Artikel 3.5 Ontheffing en aanwijzing Als in hoofdstuk 3 een (absoluut) verbod is opgenomen voor het verrichten van een bepaalde activiteit of handeling, is het mogelijk om daarvoor een ontheffing te krijgen van het college. Het gaat daarbij niet om verboden in dit hoofdstuk om zonder vergunning of aanwijzing een activiteit te verrichten. In die gevallen is namelijk al geregeld dat een vergunning of aanwijzing mogelijk is en zijn veelal ook de voorwaarden geregeld waaraan moet worden voldaan om een vergunning of aanwijzing te verkrijgen (beoordelingsregels). Bij de aanwijzing gaat het om het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen. In artikel 3.29 is bepaald dat het verbod om huishoudelijke afvalstoffen in te zamelen niet geldt voor de inzameldienst of andere inzamelaar die door het college is aangewezen. Volgens het derde lid, is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdige beslissen) niet van toepassing op de aanwijzing.

Dat betekent dat bij overschrijding van de termijn voor het geven van de beschikking (acht weken volgens artikel 3.6) de aanwijzing niet van rechtswege is verkregen. Het expliciet regelen van deze uitzondering is nodig omdat volgens artikel 28 van de Dienstenwet paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is op een aanvraag om een vergunning, tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald. Volgens de Dienstenwet, die geldt voor dienstverrichters, moet een aanwijzing worden beschouwd als een vergunning in de zin van die wet en de dienstenrichtlijn. Inzamelaars van afvalstoffen kunnen worden beschouwd als dienstverrichters. Zonder deze uitzondering zou paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht dus gelden voor de aanwijzing van inzamelaars en dat is ongewenst vanwege de publieke belangen die hiermee zijn gemoeid. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht is op grond van het derde lid ook niet van toepassing op ontheffingen en vergunningen. Volgens het vierde lid is die paragaaf wel van toepassing op de ontheffingen die worden verleend van de verboden in de artikelen 3.83, lid 4, 3.84, lid 2, en 3.85 lid 5. Het gaat daarbij o.a. om het verbod om op de weg een voertuig te plaatsen dat is voorzien van reclame en om het verbod om recreatieve of grote voertuigen te parkeren.

Dat is een voortzetting van de regels in de Algemene plaatselijke verordening 2021. Volgens het vierde lid is paragraaf 4.1.3.3 ook van toepassing op vergunningen die worden verleend op grond van de artikelen 3.52 (gebruiken van de weg). Artikel 3.6 Bevoegd gezag en beslistermijn Het college van burgemeester en wethouders is in het eerste lid aangewezen als bevoegd gezag. Als in hoofdstuk 3 een melding verplicht is gesteld dan moet die melding worden gedaan aan het college. Daarnaast neemt het college de besluiten over het stellen van een maatwerkvoorschrift, de toestemming om een gelijkwaardige maatregel te treffen, de aanvraag om een vergunning of ontheffing en het wijzigen van de tenaamstelling van een vergunning of ontheffing. Op grond van het tweede lid moet het college binnen acht weken na de datum van ontvangst van de aanvraag een besluit nemen, tenzij in deze verordening anders is bepaald. Die termijn kan op grond van het tweede lid met ten hoogste acht weken worden verlengd. De beslissingstermijn van acht weken is een termijn van orde. Uit het overschrijden van die termijn vloeien derhalve geen rechtsgevolgen voort. Dat is alleen anders als het gaat om een 19

aanvraag om een ontheffing van de verboden in de artikelen 3.83 lid 2, 3.84, lid 2 en 3.85 lid 5. Daarop is namelijk volgens artikel 3.4, vierde lid, paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. Artikel 3.7 Voorschriften en beperkingen Volgens dit artikel kunnen aan een vergunning, ontheffing en aanwijzing voorschriften en beperkingen worden verbonden. Volgens het tweede lid kunnen die voorschriften en beperkingen alleen strekken tot bescherming van de belangen met het oog waarop de vergunning, ontheffing of aanwijzing verplicht is gesteld. Deze belangen kunnen worden afgeleid van de artikelen in de afdelingen 3.2 tot en met 3.9 waarin de oogmerken zijn opgesomd met het oog waarop de regels in die afdelingen zijn gesteld. Dat betekent bijvoorbeeld dat aan een vergunning voor het aanleggen van een weg (artikel 3.56) alleen voorschriften en beperkingen kunnen worden verbonden die strekken ter bescherming van de belangen die in artikel 3.50 (doel) zijn opgesomd (bijvoorbeeld het behouden en bevorderen van de verkeersveiligheid). En het is niet toegestaan om voorschriften aan die vergunning te verbinden met het oog op de landschappelijke waarde. Dat is namelijk niet een in artikel 3.50 genoemd oogmerk. In het derde lid is bepaald dat het is verboden te handelen in strijd met een voorschrift of beperking van een vergunning, ontheffing of aanwijzing.

Als blijkt dat een voorschrift of beperking niet wordt nageleefd kan het college daartegen handhavend optreden. Artikel 3.8 Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing Volgens dit artikel geldt een vergunning of ontheffing alleen voor degene aan wie zij is verleend. Artikel 3.9 Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing Onder bepaalde omstandigheden kan een vergunning of ontheffing worden ingetrokken of gewijzigd. De omstandigheden waarbij dat mogelijk is, zijn opgesomd in de onderdelen a tot en met e. Het betreft hier een alternatieve opsomming wat tot uitdrukking wordt gebracht met het woordje ‘of’ aan het slot van onderdeel d. Dat betekent dat slechts aan één voorwaarde hoeft te worden voldaan om de vergunning of ontheffing te kunnen intrekken of wijzigen. Het hangt van de omstandigheden af of tot intrekking of wijziging wordt overgegaan. Zo zal niet iedere niet-nakoming van vergunningsvoorschriften hoeven te leiden tot intrekking van de vergunning. Vooral het rechtszekerheids- en het vertrouwensbeginsel beperken nogal eens de bevoegdheid tot wijziging en intrekking. Onder d wordt grondslag geboden om een vergunning in te trekken als die langere tijd niet is gebruikt, bijvoorbeeld bij het innemen van een standplaats.

Als het bestuursorgaan overweegt om de vergunning of ontheffing in te trekken of te wijzigen, dient het de belanghebbenden in de gelegenheid te stellen hun zienswijzen naar voren te brengen (artikel 4:8 van de Awb). Artikel 3.10 Termijnen Dit artikel bepaalt dat de vergunning of ontheffing in beginsel voor onbepaalde tijd geldt. Dit vloeit mede voort uit artikel 11 van de Dienstenrichtlijn, dat stelt dat vergunningen geen beperkte geldingsduur mogen hebben, tenzij: a. de vergunning automatisch wordt verlengd of alleen afhankelijk is van de voortdurende vervulling van de voorwaarden: er is dan formeel sprake van een beperkte geldigheidsduur, maar verlening vindt van rechtswege plaats; b. het aantal beschikbare vergunningen beperkt is door een dwingende reden van algemeen belang: c. wanneer het aantal vergunningen logischerwijs beperkt is, bijvoorbeeld omdat de gemeente geen onbeperkt grondgebied heeft, mag de markt niet gesloten blijven voor 20

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12060750/1