CConstaterende datTerneuzen
Koppel je AI →
Document · PDF

2021-07-06 c. Ruimtelijke onderbouwing Windturbines Axelse Vlakte

gemeenteraad 6 juli 2021, gemeente TerneuzenBij agendapunt: Afgifte ontwerp Verklaring van geen bedenkingen (Vvgb) voor de realisatie van twee windturbines op de Axelse vlakte32.627 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

719081 | Goede ruimtelijke onderbouwing Windturbines Axelse Vlakte, gemeente Terneuzen 2 juni 2021 | Definitief v1.0

Pondera Consult

55

mei 2020) en 'Handleiding Risicoberekeningen Windturbines' (versie oktober 2019) (hierna: Handboek risicozonering), als vervanger van het 'Handboek Risicozonering Windturbines' (2014). Ook wordt voor de bepaling van de effecten op infrastructuren en objecten aansluiting gezocht bij het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb)37. Daarnaast hebben beheerders van infrastructurele werken randvoorwaarden voor situaties van uitval van belangrijke infrastructurele werken zoals grote gasleidingen en elektriciteitsvoorzieningen. Om hier rekening mee te houden is gekeken naar de invloed van plaatsing van windturbines op de leveringszekerheid en betrouwbaarheid van de nabije infrastructurele werken. In het Handboek wordt ook verwezen naar de beleidsregel van Rijkswaterstaat (2002)38 voor de beoordeling van effecten op (vaar)wegen. Deze beleidsregel geldt enkel voor rijks(vaar)wegen, voor provinciale en lokale wegen gelden geen (beleids)regels. In juli 2020 is ‘Richtlijnen Vaarwegen 2020’ uitgekomen voor de beoordeling voor vaarwegen. De richtlijn is van toepassing verklaard op provinciale en lokale vaarwegen, eerder was er enkel een toetsafstand voor rijksvaarwegen. Nu is dezelfde toetsafstand van toepassing voor alle vaarwegen (dus ook recreatievaart etcetera)39.

In de beleidsregel “Windturbines langs auto-, spoor-, en vaarwegen: beoordeling van veiligheidsrisico’s”40 staan de richtlijnen gegeven ten aanzien van de beoordeling van het individueel passentenrisico (IPR) en het maatschappelijk risico (MR) om het effect op overige wegen te beoordelen. In onderstaande tabel staat het beoordelingskader voor veiligheid samengevat.

37

Besluit van 24 juli 2010, houdende milieukwaliteitseisen externe veiligheid voor het vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen (Besluit externe veiligheid buisleidingen) en aanvulling tot d.d. 01-05-2016. 38 “Beleidsregel voor het plaatsen van windturbines op, in of over rijkswaterstaatswerken”, 15 mei 2002/Nr. HKW/R 2002/3641 39 De toetsafstand zelf blijft: een halve rotordiameter afstand vanaf de rand van de vaarweg met een minimum van 50 meter. Naar verwachting wordt half 2021 deze toetsafstand aangepast naar: een halve rotordiameter + 30 meter vanaf de rand van de vaarweg. 40 P.H. de Joode, S. Onnink, B.A. van den Horn, Ministerie van Verkeer en Waterstaat, Rijkswaterstaat, Bouwdienst (RWS, BD), NS Railinfrabeheer, 1999

Goede ruimtelijke onderbouwing Windturbines Axelse Vlakte, gemeente Terneuzen | 719081 2 juni 2021 | Definitief v1.0

Pondera Consult

56

Tabel 5.15 Beoordelingskader veiligheid Beoordelingscriterium

Effectbeoordeling

Bebouwing – Kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten

Kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten binnen de maximale ligging van de plaatsgebonden risicocontour

Toetswaarde van risico

Vergunningsafstand

max. PR 10-6 en max. PR 10-5

Afkomstig uit

Activiteitenbesluit

Rijkswegen binnen toetsafstanden

max IPR = 10-6 & max MR = 2x10-3 en invloed op gevaarlijke stoffen

Bij plaatsing op of boven gronden van Rijkswaterstaat

Beleidsregels van Rijkswaterstaat

Verkeer – Spoorwegen

Spoorwegen binnen toetsafstanden

max. IPR = 10-6 & max MR = 2x10-3 en invloed op gevaarlijke stoffen

11 meter vanaf het hart van het spoor

Beleidsregels beheerder (ProRail)

Industrie en risicovolle inrichtingen

Risico-inrichtingen en installaties binnen toetsafstanden en 10% toets voor significantie van effect

10%verwaarloosbaar toets en kwalitatieve effectbeoordeling

n.v.t

Onder- en bovengrondse transportleidingen

Toetsing aan effect op buisleiding en bijbehorend risico voor omgeving

Risicotoevoeging voor omgeving en trefkans van buisleiding

Adviesafstand uit de handleiding en handreiking risicozonering windturbines 2020)

Trefkans van hoogspanningsnetwerk

Adviesafstand uit de handleiding en handreiking risicozonering windturbines 2020)

Verkeer – (Water)wegen

Hoogspanningslijnen

Dijklichamen en waterkeringen

Toetsing aan effect op hoogspanning

Toetsing aan effect op waterkering

Trefkans van waterkeringen

Bij plaatsing op of boven gronden van Rijkswaterstaat of Waterschap

Waterschap/ Rijkswaterstaat

* RD = Rotordiameter

Onderzoek Het Handboek risicozonering (HRW) adviseert een identificatieafstand waarbinnen het veiligheidsrisico voor objecten en infrastructuren onderzocht dient te worden. Deze afstand is gebaseerd op de maximale generieke werpafstand die plaatsvindt als windturbines tweemaal het nominale toerental draaien (ook wel 'overtoeren'). Objecten buiten deze afstand

719081 | Goede ruimtelijke onderbouwing Windturbines Axelse Vlakte, gemeente Terneuzen 2 juni 2021 | Definitief v1.0

Pondera Consult

57

ondervinden geen risico en worden verder buiten beschouwing gelaten. Om de maximale effecten goed weer te geven wordt de werpafstand gehanteerd van een windturbine met een maximale werpafstand van 163 meter bij nominaal toerental en 424 meter bij overtoeren. Er wordt voor het te werpen blad uitgegaan van de maximale bladlengte (dus 75 meter). Hiermee wordt zoveel mogelijk een worst-case situatie inzichtelijk gemaakt voor momenteel beschikbare windturbinetypes. Voor de achterliggende berekeningen bij de hier genoemde afstanden wordt verwezen naar de externe veiligheidsanalyse in bijlage 2a. Identificatie objecten De identificatieafstand is bepaald op 424 meter. Binnen deze afstand zijn de volgende objecten en infrastructuren geïdentificeerd: •

gebouwen en (beperkt) kwetsbare objecten:

•

lokale wegen;

•

percelen en terreinen van derden, inclusief mogelijke risicovolle installaties / inrichtingen; 

risicovol terrein en gebouwen van Vlaeynatie;

risicovol terrein en gebouwen van De Doelder Pallets;

risicovol terrein en gebouwen van Yara Sluiskil B.V.;

risicovol terrein en gebouwen van SPF Zeeland Green Energy B.V.

Motorbaan cross terreinen (Door het bevoegd gezag is aangegeven dat dit terrein niet langer actief in gebruik is en tevens niet bestemd is. Dit oude terrein wordt verder niet behandeld);

•

Autrichehavenweg aan de west- en noordzijde van het terrein van locatie te Tevix II en Finlandweg / Denemarkenweg ten zuiden/westen van de noordelijke windturbinelocatie;

•

Kanaal Sluiskil ten noorden van de noordelijke windturbine;

•

Havenspoorlijnen (doodlopend);

•

Spoorlijn naar Outokumpu (staaltransporten);

Spooraansluiting naar de terminal Vlaeynatie (suiker of bulktransport);

Aardgasbuisleiding van de Gasunie Z-552-01; 

Inclusief twee potentiële bovengrondse installaties (bij Yara Sluiskil en naast de Finlandweg);

•

Groengasleiding van SPF Zeeland green Energy (niet weergegeven op risicokaart.nl);

•

Ondergrondse hoogspanningsverbindingen van 150 kV van TenneT.

Binnen de identificatieafstand van 424 meter zijn er geen primaire waterkeringen met een normstelling, rijkswegen of snelwegen aanwezig.

Kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten De plaatsgebonden risicocontouren liggen volgens de vuistregels uit het HRW nooit verder dan de volgende afstanden: •

de PR10-5 contour ligt maximaal op een afstand van een halve rotordiameter (hier: 75 meter) en;

•

de PR10-6 contour ligt maximaal op de grootste afstand van of de tiphoogte of de werpafstand bij nominaal toerental (hier: 199,5 meter).

Specifieke PR10-5 en PR10-6 contouren zijn in de praktijk tot enkele tientallen meters kleiner als de maximale vuistregel die hierboven is gehanteerd.

Goede ruimtelijke onderbouwing Windturbines Axelse Vlakte, gemeente Terneuzen | 719081 2 juni 2021 | Definitief v1.0

Pondera Consult

58

De maximale afstanden volgens de vuistregel zijn in de onderstaande twee figuren weergegeven. Figuur 5.10 Ligging maximale PR10-6 contour Turbine Zeeuwind Turbine Tevix II

719081 | Goede ruimtelijke onderbouwing Windturbines Axelse Vlakte, gemeente Terneuzen 2 juni 2021 | Definitief v1.0

Pondera Consult

59

Figuur 5.11 Maximale ligging PR10-5 contour Turbine Zeeuwind Turbine Tevix II

Voor de bepaling wat (beperkt) kwetsbare objecten zijn is aangesloten bij de definities uit artikel 1 lid 1 uit het Besluit externe veiligheid Inrichtingen (Bevi). Zo worden woningen met een plaatsingsdichtheid van meer dan 2 woningen per hectare gezien als kwetsbare objecten. Ook ziekenhuizen, scholen en andere gebouwen voor minder zelfredzame personen of gebouwen bestemd voor grote groepen langdurig aanwezige personen met een hoge persoonsdichtheid zijn te definiëren als kwetsbare objecten41. Andere objecten waar personen in aanwezig kunnen zijn beperkt kwetsbare objecten. Nabij de beoogde locatie voor de twee windturbines zijn er buiten de eigen inrichting geen kwetsbare objecten gelegen binnen de maximale ligging van de PR10 -06 contour. Tevens zijn er geen beperkt kwetsbare objecten gelegen binnen de PR10 -05 contour. De windturbine kan voldoen aan de gestelde eisen tot beperkt kwetsbare en kwetsbare objecten zoals gesteld in het activiteitenbesluit. Wijziging onderdeel van de inrichting van Tevix II in relatie tot Externe Veiligheid Er heeft sinds het opstellen van de EV-analyse in de bijlagen een wijziging plaatsgevonden waardoor de windturbine niet langer, zoals in de EV-analyse in is aangenomen, onderdeel is van de inrichting van Innovarec.

Dit betekent dat de gebouwen behorende bij Innovarec, in tegenstelling tot in de EV-analyse, wel getoetst dienen te worden in het kader van het Activiteitenbesluit Milieubeheer in relatie tot het onderwerp externe veiligheid. Er zijn 4 gebouwen aanwezig op het terrein. In onderstaand figuur zijn de betrokken gebouwen genummerd.

41

Kantoorgebouwen met een bruto vloeroppervlakte van meer dan 1.500 m2 zijn kwetsbare objecten. Dit is daarmee een beperkt kwetsbaar object.

Goede ruimtelijke onderbouwing Windturbines Axelse Vlakte, gemeente Terneuzen | 719081 2 juni 2021 | Definitief v1.0

Pondera Consult

60

Figuur 5.12 Ligging gebouwen Innovarec B.V. ten opzichte van de risicocontouren

De gebouwen 3 en 4 zijn gelegen buiten de maximale ligging van de PR10-06 contour en kunnen daardoor ongeacht hun kwetsbaarheid voldoen aan het Activiteitenbesluit Milieubeheer. Gebouw 2 is actief in gebruik als hoofdgebouw inclusief toegangs-/ontvangstruimte. In gebouw 2 wordt permanente aanwezigheid (tijdens kantooruren) van personeel verwacht. Gezien het gebruik van het gebouw zijn er met zekerheid minder dan 50 man personeel aanwezig in het gebouw. Gebouw 2 kan daarmee gezien worden als een bedrijfsgebouw en is een beperkt kwetsbaar object. Gebouw 2 dient te zijn gelegen buiten de PR10 -05 contour van de windturbine. In onderstaand figuur is zichtbaar dat hieraan kan worden voldaan. Gebouw 1 zal vóór de ingebruikname van de windturbine worden verwijderd.

Ruimtelijke mogelijkheden kwetsbare en beperk kwetsbare objecten Naast invloed op bestaande objecten kunnen windturbines een invloed hebben op de mogelijkheden van bestemmingen in de nabije omgeving.

719081 | Goede ruimtelijke onderbouwing Windturbines Axelse Vlakte, gemeente Terneuzen 2 juni 2021 | Definitief v1.0

Pondera Consult

61

Doordat er binnen een afstand van 199,5 meter vanaf de beoogde windturbinelocatie volgens de huidige geldende ruimtelijke regels (verordening) ter plaatse reeds geen nieuwe kwetsbare objecten zijn toegestaan zorgt de plaatsing van de windturbine niet voor extra ruimtelijke belemmeringen op de bestemmingsmogelijkheden van de omgeving. Geadviseerd wordt om ruimtelijk vast te leggen dat er geen nieuwe beperkt kwetsbare objecten mogen worden gerealiseerd binnen de PR10-05 contour. Gezien het huidige gebruik en de bestemmingen binnen deze contour wordt dit niet gezien als een significante aantasting van de gebruiksmogelijkheden voor derden.

IJsworp, ijsval en kleine incidenten In het Besluit algemene regels inrichtingen Milieubeheer (Barim)42, ook wel Activiteitenbesluit genoemd, is onder andere geregeld dat een windturbine niet in werking mag worden gesteld indien een zodanige ijslaag is afgezet op de rotorbladen dat dit een risico vormt voor de veiligheid van de directe omgeving. Een zone van een halve rotordiameter plus 11 meter vormt het grootste risicogebied voor vallend ijs en/of kleine onderdelen zoals moeren en bouten. Bij moderne windturbines kan door middel van ijsdetectiesystemen de windturbine automatisch stilgezet worden om zo de risico’s van ijsworp te beperken tot een klein gebied.

Zuidelijke windturbinelocatie (Tevix II) De kans bestaat dat in de huidige situatie op het omliggende terrein van Innovarec een persoon aanwezig is onder de locatie van het rotorblad tijdens de specifieke weersomstandigheden waarbij gevaarlijke hoeveelheden ijsafglijding op kan treden. Om deze risico’s verder te minimaliseren en om mogelijke schade aan het Innovarec terrein te voorkomen zal een ijsdetectie systeem worden geïnstalleerd.

Noordelijke windturbinelocatie (Zeeuwind) Er zijn geen objecten van derden in de nabije omgeving aanwezig die gevoelig kunnen zijn voor ijsworp. Er zijn daarmee geen nadere eisen of regels benodigd om de omgeving te beschermen tegen ijsworp buiten de huidige regels in het geldende activiteitenbesluit.

Wegen Plaatsing van windturbines nabij transportroutes (waterwegen, rijkswegen of spoorwegen) van nationaal formaat is alleen mogelijk wanneer uit nader onderzoek blijkt dat geen onaanvaardbaar verhoogd risico voor de verkeersveiligheid bestaat. Hierbij kan getoetst worden aan de normen voor het IPR en MR die Rijkswaterstaat hanteert. IPR staat voor Individueel Passanten Risico en geeft de overlijdenskans per passant per jaar aan. Het MR staat voor Maatschappelijk Risico en is een maat voor het verwachte aantal doden per jaar, als het product van het verwachte aantal slachtoffers per passage en het aantal passages per jaar.

42

Activiteitenbesluit milieubeheer, van 19 oktober 2007, met wijzigingen, geldend tot 30-11-2015, te raadplegen via: http://wetten.overheid.nl/BWBR0022762/geldigheidsdatum_30-11-2015.

Goede ruimtelijke onderbouwing Windturbines Axelse Vlakte, gemeente Terneuzen | 719081 2 juni 2021 | Definitief v1.0

Pondera Consult

62

Voor niet-Rijkswaterstaatroutes zijn er geen algemene beleidsregels van toepassing. Lokale overheden of bevoegde gezagen over deze wegen kunnen een eigen afweging maken maar hiervoor gelden voor windturbines geen vastgelegde regels. Om inzicht in de effecten te kunnen geven wordt aangesloten bij de normstellingen van Rijkswaterstaat. Onderstaande kaart geeft overzicht van de routes binnen de identificatieafstand van 424 meter (maximale werpafstand bij overtoeren). Figuur 5.13 Weergave Identificatieafstand windturbine.

Er zijn geen wegen van Rijkswaterstaat of wegen van nationaal belang aanwezig binnen de identificatieafstand. De grootste doorlopende weg betreft de Autrichehavenweg op een afstand van circa 270 meter van de zuidelijke windturbine. Bij de noordelijke windturbine zijn twee wegen aanwezig voor bestemmingsverkeer waarbij de Denemarkenweg is gelegen op 130 meter en de Finlandweg is gelegen op 145 meter. De weg bij de zuidelijke windturbine ligt hiermee buiten de tiphoogte en buiten de werpafstand bij nominaal toerental en kan daarmee alleen een risico ondervinden bij het faalscenario bladworp bij overtoeren. De kans op optreden van dit uitzonderlijke faalscenario zijn zodanig klein dat de risico’s bij voorbaat verwaarloosbaar klein zullen zijn voor passanten en eventuele gevaarlijke transporten op de lokale weg. Voor de noordelijke windturbine is in de Externe Veiligheidsrapportage een berekening van het individueel passanten risico en het maatschappelijk risico uitgevoerd voor de Denemarkenweg op 130 meter welke ook gebruikt kan worden voor de beoordeling van de Finlandweg op 145 meter.

719081 | Goede ruimtelijke onderbouwing Windturbines Axelse Vlakte, gemeente Terneuzen 2 juni 2021 | Definitief v1.0

Pondera Consult

63

Uitgaande van 500 passages in een jaar voor het maatgevende individu bedraagt het individueel passantenrisico (IPR) op de Denemarkenweg 1,0 x 10-08. Dit is ruim beneden de normstelling van Rijkswaterstaat van maximaal IPR van 1 x 10 -06 per jaar. Verder betekent dit dat er meer dan 60 miljoen passages op dit tracé moeten voorkomen om in de buurt te komen van de normstelling die Rijkswaterstaat bijvoorbeeld voor het Maatschappelijk Risico (MR) hanteert voor snelwegen van 2 x 10-03. Van dergelijke verkeersintensiteiten is op dit wegdeel van de Denemarkenweg of de Finlandweg zonder doorgaand verkeer met zekerheid geen sprake. De meest dichtbijgelegen weg waar de verkeersintensiteiten van bekend zijn betreft de doorlopende industrieweg waar sprake is van maximaal 1,7 miljoen verkeerspassages per jaar43.

Spoorwegen Binnen de identificatieafstand zijn spoorwegen aanwezig die in gebruik zijn als havenspoorwegen. Er vindt geen personentransport plaats op deze tracés. De spoorwegen op de Axelse Vlakte zijn wel aangewezen als hoofdspoorwegen volgens het Besluit aanwijzing hoofdspoorwegen. De spoorweg bij de zuidelijke windturbine bevindt zich op meer dan 282 meter afstand. Deze spoorlijn kan enkel worden getroffen door het faalscenario bladworp bij overtoeren. De kans van optreden en kans van treffen zijn zodanig laag dat er geen sprake is van een significante risicotoevoeging. Bij de noordelijke windturbine is de meest dichtbijgelegen spoorverbinding langs de Finlandweg gelegen op een afstand van 164 meter uit het hart van het spoor. De plaatsing van de windturbine kan ruim voldoen aan vergunningsgrens op 11 meter + halve rotordiameter. Er is geen vergunning vanuit de spoorwegbeheerder benodigd. Het plaatsingsadvies van ProRail is 7,85 meter + halve rotordiameter waaraan ook ruim kan worden voldaan. Omdat de spoorlijn aanwezig is binnen de tiphoogteafstand van de noordelijke windturbine is in de Externe Veiligheidsrapportage het individueel passanten risico en het maatschappelijk risico berekend. Uitgaande van 500 passages in een jaar voor het maatgevende individu bedraagt het individueel passantenrisico (IPR) op de spoorweg 1,0 x 10 -08 per jaar.

Dit is ruim beneden de normstelling van maximaal IPR van 1 x 10-06 per jaar. Verder betekent dit dat er meer dan 13 miljoen treinpassages op dit tracé moeten voorkomen om in de buurt te komen van de normstelling voor het Maatschappelijk Risico (MR) hanteert voor snelwegen van 2 x 10 -03.

Waterwegen Het zijkanaal C bevindt zich op circa 278m afstand vanaf de noordelijke windturbine. Deze waterweg kan daardoor enkel geraakt worden door het faalscenario bladworp bij overtoeren. Zijkanaal C is op dit gedeelte een CEMT-klasse II vaarweg geschikt voor schepen tot 55 meter en 6,6 meter breed. De trefkans van een dergelijk schip is 2,2 x 10-13 per passage waarmee het

43

Gebaseerd op Verkeersintensiteiten werkdag x 250 + 70% werkdag x 115 van 4.100 en 2.600 VTE voor de Industrieweg verkregen uit de Dataset Verkeersintensiteiten hoofdwegen Zeeland via: https://data.overheid.nl/dataset/8888be42-6a5d-47cb-959b-a03ce22dab11

Goede ruimtelijke onderbouwing Windturbines Axelse Vlakte, gemeente Terneuzen | 719081 2 juni 2021 | Definitief v1.0

Pondera Consult

64

IPR bij 500 passages: 1,1 x10-10 wordt. Dergelijke risico’s zijn met zekerheid verwaarloosbaar klein.

Risicovolle inrichtingen en installaties Om inzichtelijk te maken of er sprake kan zijn van additionele risico’s voor industrie en risicovolle inrichtingen en installaties in de omgeving van de windturbine wordt een identificatieafstand gebruikt om de maximale effecten van een windturbine inzichtelijk te maken. De identificatieafstand is de maximale effectafstand waar een windturbine nog een risico kan veroorzaken. Deze afstand komt voort uit het faalscenario bladworp bij overtoeren wat wordt conform het handboek risicozonering windturbines 2014 (v3.1) wordt vastgesteld door de bladworpafstand te berekenen bij een toerental met een snelheid van 2x het nominale toerental. De maximale identificatieafstand van alle opstellingsalternatieven is ~424 meter voor een windturbine met de betrokken afmetingen. De terreingrens van de risicovolle inrichting van Yara Sluiskil is gelegen binnen de identificatieafstand maar er zijn geen installaties of objecten gelegen binnen deze zone aan de rand van het terrein van Yara Sluiskil. Er is geen sprake van een te beoordelen effect op dit terrein. De andere terreinen worden per paragraaf besproken. Figuur 5.14 Weergave risicovolle inrichtingen in de omgeving windturbines

Vlaeynatie Het terrein ligt buiten de tiphoogte (199,5 meter) afstand van de zuidelijke turbine waardoor de installaties op dit terrein enkel geraakt kunnen worden door het scenario bladworp bij overtoeren. Dit faalscenario heeft een zeer kleine kans van optreden en een zeer grote mogelijke effectzone. Dit betekent dat de kans op raken van één locatie binnen dit gebied zeer klein is. De trefkansen van een installaties op het terrein van Vlaeynatie zullen dan ook verwaarloosbaar klein zijn. Om dit aan te tonen is in de Externe Veiligheidsrapportage een

719081 | Goede ruimtelijke onderbouwing Windturbines Axelse Vlakte, gemeente Terneuzen 2 juni 2021 | Definitief v1.0

Pondera Consult

65

voorbeeldberekening gemaakt van een typerende risicovolle installatie op de meest nabijgelegen potentiële locatie op het terrein. Conform de risicokaart44 is op het terrein van Vlaeynatie een PGS-15 opslaglocatie en terrein voor opslag van meststoffen. Er is op het moment van schrijven van deze analyse geen openbaar beschikbare kwalitatieve risicoanalyse (QRA) aanwezig waar we voor de beoordeling van de potentiële effecten op kunnen aansluiten. Tevens geeft de risicokaart geen informatie over de plaatsing van de risicovolle installaties. Om de maximale trefkansen voor één installatie te kunnen berekenen is daarom uitgegaan van een conservatieve aanname door een object gelegen op de eerste afstand tot het terrein waar een nieuwe opslagtank nog zou kunnen worden geplaatst te beoordelen45. Uitgaande van een lengte en breedte van maximaal 50 meter voor een individuele installatie is de trefkans 7,3 x 1008 per jaar. Dit betekent dat de windturbine aan een aanwezige PR10 -6 contour van een

installatie van 50x50 meter in het ergste geval maximaal +7,3% bijdraagt indien er een PR10 -6 contour aanwezig zou zijn. Deze toevoeging is kleiner dan 10% waarmee de risico toevoeging van de windturbine als verwaarloosbaar kan worden gezien. De eerste bestaande grote (onbeschermde) silo van Vlaeynatie bevindt zich op een afstand van 446 meter vanaf de windturbine en ligt dus buiten de identificatieafstand. Afhankelijk van het formaat en de gewenste posities van mogelijk nieuw te ontwikkelen risicovolle installaties kan gekeken worden of er sprake is van een significante risicotoevoeging. Hierbij kan ook rekening worden gehouden met de werkelijke eigenschappen van het te bouwen windturbinetype in plaats van de conservatieve worst-case aannames die nu zijn gehanteerd voor de optredende risico’s. De Doelder Pallets Het terrein van De Doelder Pallets is gelegen op een afstand van 141 meter ten westen vanaf de noordelijke windturbine. Dit betekent dat het terrein getroffen kan worden door een meevallend rotorblad bij mastfalen of door een geworpen rotorblad tijdens nominaal toerental en overtoeren. Het terrein kan niet getroffen worden door de mast, de gondel of gondelonderdelen. De inrichting van De Doelder Pallets is aangewezen als risicovol omdat er buitenopslag aanwezig is van brandbare vaste stoffen (3.575 m 2). Er is geen PR10-06 contour aanwezig.

44 45

www.risicokaart.nl, geraadpleegd op 16-04-2018. Installatie gelegen binnen in het gebouw zullen een lagere risico ondervinden van een windturbine door afscherming van het gebouw zelf. Hierdoor zou alleen direct treffen een significant gevolg kunnen veroorzaken terwijl in de buitenlucht zowel direct als indirect treffen tot significante gevolgen zou kunnen leiden.

Goede ruimtelijke onderbouwing Windturbines Axelse Vlakte, gemeente Terneuzen | 719081 2 juni 2021 | Definitief v1.0

Pondera Consult

66

Figuur 5.15 Weergave locatie De Doelder Pallets i.r.t windturbines

Bij het falen van de windturbine kunnen de pallets op het terrein worden geraakt door een meevallend rotorblad of een geworpen rotorblad. Een dergelijk incident zal echter niet leiden tot een brandbare scenario waardoor de impact van de windturbine op deze inrichting niet zorgt voor een verhoogd risico voor de omgeving. De inrichting van De Doelder Pallets kan beoordeeld worden op zijn kwetsbaarheid conform de daarvoor geldende regels voor beperkt kwetsbare en kwetsbare objecten. De kans dat ergens een oppervlakte van het terrein wordt getroffen door een zwaartepunt van een rotorblad is berekend op 6,3 x 10 -05 per jaar. Deze trefkans leidt niet tot een significant verhoogd risico voor de omgeving. Er is geen verhoogd veiligheidsrisico voor de omgeving als gevolg van de aanwezigheid van de windturbine. SFP Zeeland. BV Op 345 meter van de noordelijke windturbine ligt het terrein van SFP Zeeland BV. Deze risicovolle inrichting bevat een Ammonniakkoelinstallatie (Machinekamer) met 1.400 kg NH 3. Voor koelinstallaties tussen de 200 en de 1.500 kg is geen RP10 -06 van toepassing. Daarnaast is een biogasopslag van 10.000 m3 aanwezig met een generieke PR10-06 risicocontour van 95 meter. De inrichting ligt enkel binnen de effecten van het faalscenario van bladworp bij overtoeren.

Het grootste object betreft het gebouw op het terrein wat tevens het meest dichtbij op 359 meter is gelegen.

719081 | Goede ruimtelijke onderbouwing Windturbines Axelse Vlakte, gemeente Terneuzen 2 juni 2021 | Definitief v1.0

Pondera Consult

67

Figuur 5.16 Weergave effectafstanden in relatie tot SPF Zeeland locatie

In de Externe Veiligheidsrapportage is de trefkans voor het grootste object (76x20m) op het terrein bepaald op maximaal 8,4 x 10-08. Dit betekent dat voor alle objecten op het terrein geldt dat de trefkans minder is dan <10% van een eventuele aanwezige risicocontour. De trefkansen van het faalscenario bladworp bij overtoeren kunnen als verwaarloosbaar worden beschouwd in het licht van de reeds aanwezige risico’s van de inrichting van SFP Zeeland BV. Potentieel toekomstige ontwikkeling waterstof fabriek Op 11 mei 2021 is berichtgeving geplaatst op de website van North Sea Port (beheerder van het haventerrein) dat een samenwerkingsovereenkomst is getekend voor de realisatie van een groene waterstoffabriek van VoltH2 in Terneuzen. De waterstoffabriek lijkt vooralsnog beoogd op een perceel ten zuiden van de noordelijke windturbine. Om inzichtelijk te maken of deze beide ontwikkelingen samen kunnen gaan is een korte analyse gemaakt in paragraaf 4.4 van de Externe Veiligheidsrapportage. Uit het aangegeven perceel in het kadaster blijkt dat het terrein enkel geraakt kan worden door een meevallend rotorblad bij mastfalen en een bladworpsituaties tijdens overtoeren. Het gedeelte wat geraakt kan worden door een deel van een rotorblad bij mastfalen is gelegen over circa 1.496 m2 aan hoekpunten van de beschikbare 29.045 m2 aan oppervlakte (zie Figuur 5.17).

Goede ruimtelijke onderbouwing Windturbines Axelse Vlakte, gemeente Terneuzen | 719081 2 juni 2021 | Definitief v1.0

Pondera Consult

68

Figuur 5.17 Weergave locatie beoogde waterstoffabriek i.r.t windturbinepositie

Indien risicovolle installaties geplaatst worden binnen dit gebied dan dient extra aandacht te worden besteedt aan de mogelijke verhogende risico’s als gevolg van de aanwezigheid van de windturbine. Omdat het in dit gebied enkel gaat om treffen door meevallende delen van een rotorblad (het zwaartepunt van het rotorblad valt buiten de inrichting) kunnen de aanwezige installaties mogelijk ook beschermd worden tegen een eventuele impact van een partieel rotorblad. Er is dan geen significante risicotoevoeging zelfs bij plaatsing van een installatie binnen deze zone. Voor objecten of installaties van de waterstoffabriek gelegen buiten de tiphoogteafstand van 199,5 meter (oranje lijn) geldt dat deze enkel geraakt kunnen worden in een situatie van bladworp bij overtoeren. In paragraaf wordt aangetoond dat objecten tot een formaat van 65 bij 65 bij 5 meter een trefrisico ondervinden wat minder is dan 10% van een eventueel aanwezige PR10-06 risicocontour. Daarmee kan gesteld worden dat vrijwel alle risicovolle installaties die zelf een intrinsieke PR10-06-contour veroorzaken een verwaarloosbare risicotoevoeging verkrijgen binnen de zone vanaf tiphoogteafstand (199,5 m) tot aan de maximale bladworpafstand bij overtoeren (424m).

Uit het huidige gepresenteerde (niet definitieve) ontwerp van de waterstoffabriek blijkt dat het de intentie is om risicovolle installaties buiten de tiphoogteafstand te plaatsen. Dit is zichtbaar in Figuur 5.18.

719081 | Goede ruimtelijke onderbouwing Windturbines Axelse Vlakte, gemeente Terneuzen 2 juni 2021 | Definitief v1.0

Pondera Consult

69

Figuur 5.18 Uitsnede van website North Sea ports46

NB: Het terrein waarde contour van de tiphoogteafstand overheen ligt lijkt niet ingericht te worden voor installaties.

Op basis van de huidige plannen en de omschreven situatie kan geconcludeerd worden dat de twee ontwikkelingen op de aangegeven percelen goed gecombineerd kunnen worden zonder dat dit een significante verslechtering voor de veiligheid van de omgeving oplevert. Wanneer meer bekend wordt over de invulling van het terrein van de waterstoffabriek kan deze analyse opnieuw uitgevoerd worden. Analyse toekomstige mogelijkheden risicovolle inrichtingen op haventerreinen Na overleg met North Sea Ports is nader onderzoek uitgevoerd naar de mogelijkheden van de ontwikkeling van risicovolle installaties en inrichtingen op de haventerreinen. De effecten zijn omschreven in de memo: “Analyse risicovolle installaties nabij windturbines Axelse Vlakte” v1.0 van 27 augustus 2020”. Hieruit blijkt dat buiten een tiphoogteafstand vanaf de windturbines installaties tot een formaat van 65 bij 65 meter een maximale trefkans ondervinden van minder dan 10% van het eigen risico (indien een PR10-06 contour aanwezig is) en dat deze dominorisico’s als verwaarloosbaar klein kunnen worden beschouwd. Voor risicovolle installaties binnen de tiphoogteafstand kan er sprake zijn van een significante risicotoevoeging waar rekening mee moet worden gehouden bij de realisatie en kwantitatieve risico berekeningen van de beoogde risicovolle objecten.

Gezien de bestemmingsplanmogelijkheden in de nabij omgeving zijn er echter met zekerheid binnen 500 meter afstand vanaf deze terreinen geen kwetsbare objecten aanwezig. Dit betekent dat risicovolle installaties met maximale effectafstanden tot 500 meter vanuit het oogpunt externe veiligheid ook bij plaatsing binnen een tiphoogteafstand vanaf de windturbine mogelijk kunnen zijn.

46

Afkomstig van: https://www.northseaport.com/volth2-en-virya-energy-tekenensamenwerkingsovereenkomst-voor-de-ontwikkeling-van-een-groene-waterstoffabriek-in-north-sea-port op 26 mei 2021

Goede ruimtelijke onderbouwing Windturbines Axelse Vlakte, gemeente Terneuzen | 719081 2 juni 2021 | Definitief v1.0

Pondera Consult

70

Buisleidingen Gasunie buisleiding Z-552-01 Bij de zuidelijke windturbine zijn er geen buisleidingen met gevaarlijke inhoud aanwezig binnen de identificatieafstand. De noordelijke buisleiding ligt bij een leidingstrook waarin meerdere leidingen aanwezig zijn waaronder een buisleiding met aardgas van de Gasunie: Z-552-01 op een afstand van 136 meter vanaf de windturbine. De buisleiding bevindt zich daarmee binnen de toetsafstand van 199,5 meter vanaf de windturbine. De Handleiding Risicobeoordeling Windturbines geeft aan dat overleg met de Gasunie benodigd is. Dit overleg heeft plaatsgevonden en er is gezocht naar geschikte oplossingen die risico’s voor de omgeving minimaliseren. In de rapportage “Analyse EV effecten WTG Sluiskil op infrastructuur van de Gasunie” v4.0 van 28 mei 2020 is omschreven hoe er kan worden omgegaan met de ligging van de risicovolle buisleiding nabij de windturbine. De initiatiefnemer van de noordelijke windturbine (Zeeuwind) wil zich zo veel als mogelijk conformeren aan het beleid wat de Gasunie heeft aangegeven inzake de plaatsing van windturbines nabij hun gasinfrastructuur. Om daaraan te kunnen voldoen wordt voorgesteld om lokaal boven de huidige buisleiding de gronddekking te verhogen over het tracé wat mogelijk geraakt kan worden door de windturbine bij de faalscenario’s mastfalen en bladworp bij nominaal toerental.

Dit betekent dat over een lengte van maximaal 100 meter buisleiding een talud met grond dient te worden toegevoegd. De Gasunie heeft de ligging van de buisleiding nagemeten en heeft intern berekeningen gedaan aan de benodigde gronddekking om het ontstaan van een PR10-06 contour te kunnen voorkomen. De Gasunie heeft aangegeven dat een additionele gronddekking van maximaal 1,0 meter voldoende zou zijn bij de onderzochte worst-case windturbine47. Om de volledige verticale cirkel van de kritische afstand rondom het hart van de buisleiding af te dekken dient het talud circa 4 meter breed te zijn met taludhoeken van 45 graden. Uitvoering van deze oplossing betekent dat het vallende gewicht van een rotorblad niet langer kan zorgen voor schade aan de buisleiding. Afhankelijk van de eigenschappen van het te kiezen windturbinetype kan minder gronddekking benodigd zijn. In overleg met de Gasunie wordt voor uiteindelijk voor de te realiseren windturbine onderzocht welke gronddekking op welke plek benodigd is om toegevoegde significante risico’s als gevolg van de aanwezigheid van de windturbine te kunnen voorkomen. Door de toepassing van de mitigerende maatregel wordt ook in de nieuwe situatie bij plaatsing van de windturbine geen extra risico toegevoegd aan de buisleiding. De situatie blijft gelijk aan de huidige situatie.

Er blijft gelijk aan de huidige situatie een PR10 -08 contour aanwezig en er blijft geen sprake van een significant groepsrisico. Het aanbrengen van de gronddekking voorkomt de komst van een PR10-06 contour van de buisleiding waarmee dit risico niet optreedt. De situatie kan daarmee na uitvoering van de mitigerende maatregel van extra gronddekking ruim voldoen aan het eigen beleid van de Gasunie inzake windturbines nabij ondergrondse buisleidingen. Bij uitvoering van de benodigde gronddekking ontstaat er geen significant risico voor de omgeving. Dit is omschreven in de notitie: “Omschrijving maatregel gronddekking buisleiding bij windturbine veiligheidsrisico’s” v2.0 van 28 mei 2020 47

719081 | Goede ruimtelijke onderbouwing Windturbines Axelse Vlakte, gemeente Terneuzen 2 juni 2021 | Definitief v1.0

Pondera Consult

71

Groen gas buisleiding Ten zuiden van de noordelijke windturbinepositie ligt een groengas buisleiding. Deze buisleiding wordt in de toekomst mogelijk door de Gasunie overgenomen. Met zowel de beheerder als Gasunie is contact geweest over de ligging van deze leiding. Het betreft een kleinere buisleiding met een diameter van 114,3 mm en een ontwerpdruk van 40 Bar. De beoogde windturbine zou zijn gelegen op een afstand van 143 meter vanaf de buisleiding. Op deze afstand zou de buisleiding beschadigd kunnen raken door een vallend rotorblad bij een faalscenario van mastfalen dat (gele cirkel) of door een rotorblad bij het faalscenario bladworp bij nominaal toerental (lichtblauwe cirkel). Een buisleiding kan ook uit zichzelf ontploffen en is daarmee een risico voor de lokale omgeving rondom de buisleiding. Dit risico van ontploffing of lekkage van de buisleiding kan vergroot worden indien er rekening wordt gehouden met de extra kans op schade die een windturbine hieraan toevoegt. Figuur 5.19 Weergave Groengas buisleiding i.r.t windturbinepositie

Het maximale risico wat rondom een buisleiding mag optreden is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid Buisleidingen (BevB). Hierin staat omschreven dat er geen ‘kwetsbare objecten’ (grenswaarde) of ‘beperkt kwetsbare objecten’ (richtwaarde) mogen zijn gelegen binnen de PR10-06 contouren rondom de buisleiding. In de Kwantitatieve risico analyse (QRA48) die bij de aanleg van de groengasleiding van SPF Zeeland is gemaakt is te zien aan de maximale effectafstanden dat de hier genoemde risicocontour van de PR10 -06 maximaal kan toenemen tot een afstand van 40 meter. Het is onmogelijk dat de buisleiding een grotere

48

Bron: Kwantitatieve risicoanalyse aansluitleiding groengas te Westdorpe van DNV GL d.d. 30-01-2018

Goede ruimtelijke onderbouwing Windturbines Axelse Vlakte, gemeente Terneuzen | 719081 2 juni 2021 | Definitief v1.0

Pondera Consult

72

effectafstand krijgt dan deze afstand van 40 meter. Binnen deze afstand van 40 meter rondom het buisleidingtracé (rood gestreepte pilvormige zone) wat geraakt kan worden door de windturbine zijn geen kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten aanwezig. Binnen de afstand van 40 meter bevindt zich maximaal nog vijf meter bedrijventerrein, dit terrein mag volgens het bestemmingsplan niet gebruikt worden voor de bouw van gebouwen (eerste vijf meter tot perceelgrenzen is uitgesloten voor bebouwing). Dit betekent dat zelfs indien de risicotoevoeging van de windturbine heel groot zou zijn ten opzichte van het risico zonder windturbine dat er dan nog geen sprake is van overschrijding van de veiligheidseisen in het BevB van de bestaande groengas buisleiding van SPF Zeeland. Op basis van een trefkansanalyse blijkt de kans dat de buisleiding wordt geraakt door de windturbine cumulatief maximaal 2,5 x 10-5 per jaar (eens per 40.000 jaar) is over een tracélengte van 91 meter buisleiding. Dit kan vergeleken worden met de eigen faalfrequentie van een buisleiding om te analyseren hoe hoog dit risico is. De faalfrequentie van de bestaande groengasleiding van SPF Zeeland is niet bekend. Deze informatie is benodigd om de ligging van de nieuwe PR-contouren te kunnen bepalen.

Afhankelijk van de hoogte van de faalfrequentie van de buisleiding (als WT-risico groter is dan 10%) kan de Gasunie de nieuwe ligging van de PR-contouren bepalen na toevoeging van het windturbine risico. Deze risicoverhoging kan zorgen voor een toename van de PR contouren. Indien in de toekomst de buisleiding vervangen of gewijzigd moet worden dan gelden er nieuwe eisen uit het BevB. In dit geval dient de buisleiding te voldoen aan een maximale ligging van de PR10 -06 contour binnen vier meter vanaf de buisleiding. Dit kan worden bereikt door bij de vervanging of wijziging van de buisleiding de buisleiding dieper te leggen (circa 1,9m dieper) of van een sterker materiaal te maken of andere veiligheidsmaatregelen t.z.t. te treffen. Naast de risico effecten die lokaal kunnen optreden zorgt het trefrisico op de buisleiding nog voor een effect op de betrouwbaarheid van de groengaslevering. De kans op een ongeval is ingeschat op maximaal ééns in de 40.000 jaar. Dit risico kan afgezet worden tegen de gewenste betrouwbaarheid van de levering van gas aan SPF Zeeland over dit buisleidingtracé. De huidige positie van de windturbine is zodanig gekozen dat er binnen het beschikbare perceel zo min mogelijk risico optreedt voor de noordwestelijke gelegen buisleiding van de Gasunie en de zuidwestelijk gelegen groengas buisleiding van SPF Zeeland..

Bovenstaande analyses gaan uit van de maximale effecten bij plaatsing van een Vestas V150 windturbine op 125 meter ashoogte die voor de locatie haalbaar wordt geacht. Bij plaatsing van kleinere, lichtere of minder snel draaiende windturbines kunnen de genoemde trefkansen van de buisleiding enigszins wijzigen. De gepresenteerde situatie is daarmee een worst-case weergave van de toekomstige situatie.

Overige leidingen Naast de hoofdgasinfrastructuur voor risicovolle stoffen zijn er mogelijk ook leidingen in het plangebied aanwezig voor niet-risicovolle stoffen. De Handreiking Risicozonering Windturbines zegt hier over:

719081 | Goede ruimtelijke onderbouwing Windturbines Axelse Vlakte, gemeente Terneuzen 2 juni 2021 | Definitief v1.0

Pondera Consult

73

Kader: Overige leidingen in het HRW Buisleidingen worden in deze Handreiking onderverdeeld in: 1. leidingen waardoor minder risicovolle tot ongevaarlijke stoffen worden getransporteerd, zoals lage druk aardgasleidingen, leidingen voor niet gevaarlijke stoffen, drinkwaterleidingen, rioleringen, en stadsverwarming. Voor leidingen waardoor minder risicovolle tot ongevaarlijke stoffen worden getransporteerd, bestaan geen risicocriteria. Deze hoeven in een risicoanalyse dan ook niet te worden beschouwd. 2. leidingen waardoor gevaarlijke stoffen worden getransporteerd, zoals hogedruk aardgastransportleidingen en hogedruk brandstofleidingen of (petro)chemische leidingen. De hier bovenstaande paragrafen hebben alleen betrekking op leidingen waardoor gevaarlijke stoffen worden getransporteerd en onder het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) vallen.

Dit betekent dat voor overige leidingen (bijv: water, riool, middenspanning elektra) waar geen risicovolle situaties door kunnen ontstaan er geen risicoanalyses hoeven te worden uitgevoerd. In de bouwwerkzaamheden zal met de aanwezigheid van deze overige leidingen rekeningen gehouden moeten worden om aantasting of schade door bijvoorbeeld zettingen of trillingen te voorkomen. Voor de overige leidingen gelegen in de leidingstrook is contact gelegd met de beheerders om informatie uit te wisselen over mogelijke effecten ook om het gevolg van de benodigde gronddekking op de risicovolle buisleiding van de Gasunie te bespreken. Algemeen gezien kan het trefrisico van windturbineonderdelen voor een overige leiding op slechts 15 meter van het hart van de windturbine (direct naast het fundament) per windturbine locatie niet hoger worden dan circa 1 x 10-04 ( 1 / 10.000) per jaar49. Het risico op aantasting van de leveringszekerheid van overige leidingen als gevolg van de aanwezigheid van de windturbine is daarmee zelfs bij directe ligging naast het fundament van de windturbine zeer beperkt. Toekomstige leidingen in leidingstrook De leidingstrook ten westen van de noordelijke windturbine bevindt zich tussen de 115 en de 150 meter vanaf het hart van de windturbine.

Deze strook is bestemd voor bestaande leidingen en geeft ten aanzien van het gebruik en bouwmogelijkheden alleen mogelijkheden voor bestaande buisleidingen. Voor nieuwe leidingen zal een volledige besluitvormingsprocedure moeten worden doorlopen. Bij de risicoberekeningen zal rekening gehouden moeten worden met de windturbine als een risicoverhogend object. Er kan een acceptabele situatie ontstaan indien de effecten op de omgeving passend blijven binnen de voorwaarden die gelden voor de aanleg van buisleidingen in het Besluit externe veiligheid Buisleidingen. Hier kan bijvoorbeeld sprake van zijn indien de buisleiding voldoende diepteligging heeft of zodanig sterk is uitgevoerd dat er geen kans op schade is. Ook kan de gerealiseerde windturbine een kleinere effectzone hebben dan waar momenteel nu momenteel worst-case mee gerekend is. Omdat de aanleg van nieuwe buisleidingen niet bestemd is in de bestemming “Leiding” veroorzaakt de plaatsing van de windturbine geen directe beperking van de huidige bestemmingsplan mogelijkheden.

49

De exacte trefkans is afhankelijk van het leidingtype, het turbinetype en de exacte ligging. Deze waarde is een conservatieve bepaling voor de orde van grote van het maximale risico.

Goede ruimtelijke onderbouwing Windturbines Axelse Vlakte, gemeente Terneuzen | 719081 2 juni 2021 | Definitief v1.0

Pondera Consult

74

Kader 5.3 Weergave uitsnede uit Artikel 8 van beheersverordening Axelse Vlakte vastgesteld 201306-25 Artikel 8.1 Bestaand gebruik en bestaande bouwwerken a. de in het besluitvlak 'Leiding' gelegen gronden en bestaande bouwwerken mogen worden gebruikt overeenkomstig het bestaande gebruik; b. bestaande bouwwerken mogen worden vervangen door bouwwerken van dezelfde afmetingen en op dezelfde locatie. Artikel 8.2 Aanvullingen ten aanzien van het GEBRUIK Artikel 8.2.1 Besluitvlak 'Leiding' In aanvulling op het bepaalde in lid 8.1 is het toegestaan gronden en gebouwen mede te gebruiken voor: a. bescherming en veiligstelling van de leidingfunctie van de leidingen, zoals opgenomen op de kaart in bijlage 1. (redactie: In bijlage 1 staan enkel de bestaande leidingen vermeld) met dien verstande dat de regels van het besluitvlak 'Leiding' prevaleren boven de regels die gelden ingevolge de andere daar voorkomende besluitvlakken. Artikel 8.3 Aanvullingen ten aanzien van het BOUWEN Artikel 8.3.1 Toelaatbare bebouwing Op deze gronden mag worden gebouwd en gelden de volgende regels: a. op deze gronden mogen ten behoeve van het in lid 8.1 genoemde besluitvlak uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd; (redactie: artikel lid 8.1 heeft het enkel over bestaand gebruik en bestaande bouwwerken). )

Hoogspanningsnetwerk In de nabije omgeving zijn geen bovengrondse hoogspanningslijnen gelegen. Het transformatorstation aan Zijkanaal D bevindt zich op een afstand van meer dan 1.200 meter en ondervind daarmee nul risico. In de omgeving van het plangebied zijn wel enkele ondergrondse hoogspanningsverbindingen aanwezig. Ondanks dat hier geen algemene adviesregels voor zijn vastgelegd is met TenneT overleg gevoerd over de mogelijke trefkansen en invloed op de levering van het elektriciteitsnetwerk. Het tracé bestaat uit 150 kV hoogspanningskabels, behorende bij het tracé van Westdorpe – HydroAgriSluiskilkabe. Na overleg met TenneT is een situatie doorgerekend die gebruikt kan worden als afwegingsmaat. Rekening houdend met de uitgangspunten is het totale trefrisico bepaald op: 9,0 x 10-06 oftewel ééns om de 110.000 jaar. De uitkomsten zijn te vinden in de memo “Trefkans ondergrondse hoogspanningskabels” v3.0 van 29 april 2020. TenneT heeft op 17 april 2020 aangegeven dat gelet op het; beperkte risico; feit dat het hier een kabelverbinding betreft die deels in een boring op diepte ligt; gegeven dat deze verbinding een klantverbinding betreft en niet in eigendom is van TenneT; We (TenneT) instemmen met plaatsing van deze windturbine. De eventuele risico’s voor de aantasting van de betrouwbaarheid van het netwerk zijn daarmee inzichtelijk gemaakt en acceptabel bevonden.

719081 | Goede ruimtelijke onderbouwing Windturbines Axelse Vlakte, gemeente Terneuzen 2 juni 2021 | Definitief v1.0

Pondera Consult

75

Conclusie Nabij de beoogde locatie voor de twee windturbines zijn er buiten de eigen inrichting geen kwetsbare objecten gelegen binnen de maximale ligging van de PR10 -06 contour. Tevens zijn er geen beperkt kwetsbare objecten gelegen binnen de PR10 -05 contour. De windturbine kan voldoen aan de gestelde eisen tot beperkt kwetsbare en kwetsbare objecten zoals gesteld in het activiteitenbesluit. Doordat er binnen een afstand van 199,5 meter vanaf de beoogde windturbinelocatie volgens de huidige geldende ruimtelijke regels (verordening) ter plaatse reeds geen nieuwe kwetsbare objecten zijn toegestaan zorgt de plaatsing van de windturbine niet voor extra ruimtelijke belemmeringen op de bestemmingsmogelijkheden van de omgeving. Geadviseerd wordt om ruimtelijk vast te leggen dat er geen nieuwe beperkt kwetsbare objecten mogen worden gerealiseerd binnen de PR10-05 contour. Gezien het huidige gebruik en de bestemmingen binnen deze contour wordt dit niet gezien als een significante aantasting van de gebruiksmogelijkheden voor derden. Nabij de locatie zijn geen rijkswegen of waterwegen aanwezig. De effecten op lokale wegen en spoorwegen zijn verwaarloosbaar klein. De maximale effectafstand bij overtoeren van de windturbine ligt gedeeltelijk over de risicovolle inrichting van Vlaeynatie, De Doelder Pallets en SFP Zeeland.

De trefkansen zijn waar relevant uitgerekend en de trefkansen voor SFP Zeeland en een fictieve installatie op Vlaeynatie zijn echter zodanig klein dat het additionele risico van de windturbine verwaarloosbaar klein is in vergelijking met reeds aanwezige risico’s van risicovolle installaties. De installaties van Yara Sluiskil liggen buiten de maximale werpafstand bij overtoeren en de houtopslag bij De Doelder Pallets ondervind geen additionele risico’s voor de veiligheid van de omgeving als gevolg van het treffen door een rotorblad. Er ontstaan geen additionele risico’s voor aanwezige risicovolle installaties in de omgeving. Toekomstige risicovolle installaties binnen de werpafstand bij overtoeren dienen bij hun kwantitatieve risico analyse benodigd voor de vergunningaanvraag rekening te houden met de windturbines als risicoverhogende objecten. De plaatsing van de windturbine op de beoogde locatie veroorzaakt geen significante veiligheidsrisico’s voor de omgeving. Geadviseerd wordt om in de ruimtelijke plannen voor de windturbine aan te geven welke gebieden uitgesloten dienen te blijven van kwetsbare objecten dan wel beperkt kwetsbare objecten om inzicht te kunnen geven aan de mogelijkheden voor toekomstige ontwikkelingen. Dit levert geen belemmeringen op voor het huidige gebruik en tevens geen belemmeringen voor de huidige bestemmingsplanmogelijkheden.

Natuur Toetsingskader Voor het beschermen van ecologische waarden kan onderscheid worden gemaakt tussen gebieds- en soortenbescherming. Ruimtelijke ingrepen kunnen (negatieve) effecten hebben op beschermde flora en fauna en natuurgebieden. De Wet natuurbescherming (hierna: Wnb) bundelt de gebiedsbescherming van nationaal begrensde natuurgebieden en de bescherming

Goede ruimtelijke onderbouwing Windturbines Axelse Vlakte, gemeente Terneuzen | 719081 2 juni 2021 | Definitief v1.0

Pondera Consult

76

van flora en faunasoorten. In de wet zijn ook de bepalingen vanuit de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn verwerkt.

Gebiedsbescherming Natura 2000-gebieden Wanneer de realisatie en exploitatie van windturbines negatieve effecten hebben op de omvang van de populaties van de soorten en of habitattypen (instandhoudingsdoelen) waarvoor een Natura 2000-gebied is aangewezen, is een vergunning nodig op grond van de Wnb (Artikel 2.7 lid 2). De bescherming van Natura 2000-gebieden kent externe werking wat betekent dat ook projecten buiten Natura 2000-gebieden negatieve effecten op het behalen van de instandhoudingsdoelen (IHD) kunnen hebben. Het meest dichtbijgelegen Natura 2000 gebied ligt op meer dan 4 kilometer ten zuiden van het plangebied. Het betreft het gebied Canisvliet (zie Figuur 3.2). Op 7,5 kilometer naar het noorden bevindt zich het gebied Waterschelde & Saeftinghe. Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is een Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. In het Natuurnetwerk Nederland liggen: •

Bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 nationale parken;

•

Gebieden waar nieuwe natuur wordt aangelegd;

•

Landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer;

•

Ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de kustzone van de Noordzee en de Waddenzee.

•

Alle Natura 2000-gebieden.

Voor gebieden die zijn begrensd binnen het Natuurnetwerk Nederland, ecologische verbindingszones en gebieden met agrarisch natuurbeheer, geldt een planologisch beschermingsregime. Ingrepen in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op deze gebieden, of als negatieve effecten kunnen worden tegengegaan door het nemen van mitigerende maatregelen. Heeft een ingreep wel een significant negatief effect op de wezenlijke kenmerken en waarden van een gebied dat behoort tot het Natuurnetwerk Nederland, dan geldt het ‘nee, tenzij-regime’. Een project kan dan alleen doorgaan als er geen reële alternatieven zijn en als sprake is van een groot openbaar belang. Als een ingreep wordt toegestaan moet de schade zoveel mogelijk worden beperkt door mitigerende maatregelen en moet de resterende schade door de initiatiefnemen worden gecompenseerd. Er kan sprake zijn van aantasting van de natuurwaarden in NNN-gebieden door activiteiten binnen de grenzen van deze gebieden. Daarnaast kan ook sprake zijn van aantasting van natuurwaarden door verstoring door activiteiten buiten de grenzen. Voor de gebieden die behoren tot het NNN geldt een provinciaal beschermingsregime (Omgevingsverordening Zeeland 2018). Tevens geldt voor het NNZ (Natuur Netwerk Zeeland) externe werking binnen een afstand van 100 meter.

Dit betekent dat onderzocht moet worden of de aanleg en het gebruik van de windturbines effecten kan hebben op het NNZ, ook als het tot maximaal 100 meter buiten de begrenzing ligt van het NNZ.

719081 | Goede ruimtelijke onderbouwing Windturbines Axelse Vlakte, gemeente Terneuzen 2 juni 2021 | Definitief v1.0

Pondera Consult

77

De windturbines bevinden zich niet binnen gebieden behorende tot het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De dichtstbijgelegen gebieden liggen op een afstand van meer dan 100 meter, ten zuiden en ten oosten op respectievelijk 0,5 en ruim 1,5 kilometer. Er is dus geen aanvullend onderzoek nodig op de effecten van de windturbines op de NNNgebieden. Provinciaal natuurbeleid Er liggen geen weidevogelgebieden, akkerfaunagebieden of ganzenopvanggebieden in de omgeving van het plangebied, met uitzondering van een ganzenrustgebied op 1,7 kilometer ten oosten van het plangebied. Analyse gebiedsbescherming Vanwege de afstand van 4,5 kilometer naar het dichtstbijgelegen Natura 2000-gebied, is niet te verwachten dat de bouw van de windturbines negatieve effecten heeft op de omvang van de populaties van de soorten en of habitattypen (instandhoudingsdoelen) van dit Natura 2000gebied. Om dit aan te tonen zal een toetsing Natuurbeschermingswet uitgevoerd worden voor het studiegebied. Er zal voor het realiseren en exploiteren van de windturbines een ontheffing aangevraagd in het kader van de Wet natuurbescherming.

Soortbescherming Naast gebiedsbescherming waarmee de leefomgeving van flora en fauna wordt beschermd is er een wettelijk kader voor het beschermen van individuele soorten. Zo zijn op grond van de Wnb alle vogelsoorten beschermd. De Wnb kent een aantal verbodsbepalingen die aanleiding kunnen zijn om een ontheffing aan te vragen. De relevante verbodsbepalingen zijn het doden of vangen van soorten, het opzettelijk verontrusten van soorten of het verstoren, vernietigen, beschadigen van nesten of vaste rust- & verblijfsplaatsen. De Wnb onderscheidt bij de bescherming van soorten drie beschermingsregimes: •

Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn (Wnb § 3.1),

•

Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn (Wnb § 3.2) en

•

Beschermingsregime andere soorten (Wnb § 3.3). In het kader van de soortenbescherming is in deze analyse onderscheid gemaakt tussen effecten op beschermde soorten in de aanlegfase en in de gebruiksfase.

Analyse soortenbescherming Op basis van de huidige ter beschikking staande kennis en inschattingen van deskundigen kan niet worden uitgesloten dat door de bouw en exploitatie van de windturbines geen verbodsbepaling van de Wet natuurbescherming (hoofdstuk 3) wordt overtreden. Echter op basis van de tellingen van vogels en vleermuizen welke reeds hebben plaatsgevonden is de verwachting dat op grond van een voortoets kan worden aangegeven dat een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming zal kunnen worden verleend, al dan niet met enkele mitigerende maatregelen.

Conclusie Voor het plaatsen en gebruiken van de twee windturbines is voorafgaand aan de aanvraag omgevingsvergunning een ontheffing aangevraagd worden in het kader van de Wet

Goede ruimtelijke onderbouwing Windturbines Axelse Vlakte, gemeente Terneuzen | 719081 2 juni 2021 | Definitief v1.0

Pondera Consult

78

natuurbescherming. Daarmee is de aanhaakplicht met de omgevingsvergunning vervallen. De provincie Zeeland is bevoegd gezag voor het beoordelen van de aanvraag en het verlenen van de ontheffing. Ter bescherming van ecologische waarden in en rond het plangebied zal er een afweging worden gemaakt in het kader van de Wet natuurbescherming. Op grond van het reeds uitgevoerde veldonderzoek naar vogels en vleermuizen in combinatie met het relatief beperkte effect van twee windturbines wordt verwacht dat de benodigde ontheffing kan worden verleend en dat de bijbehorende voorschriften als zodanig worden uitgevoerd en nageleefd, wordt voldaan aan een goede ruimtelijke ordening.

Cultuurhistorie Toetsingskader Op 16 januari 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag voor de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. De Erfgoedwet50, die de Monumentenwet 1988 heeft vervangen, vormt in Nederland het wettelijk kader voor de bescherming van al het cultureel erfgoed, waaronder ook de afspraken uit het Verdrag van Malta. Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. De bescherming van cultuurhistorische elementen is vastgelegd in de Monumentenwet 1988. Deze wet is vooral gericht op het behouden van historische elementen voor latere generaties. Archeologie houdt zich bezig met de niet zichtbare delen van onze cultuurgeschiedenis. Zij zijn verborgen in de bodem.

Onderzoek Volgens de Indicatieve Kaart Archeologische Waarden (IKAW)51 wordt het plangebied als een gebied met een zeer lage trefkans op archeologische waarden. Aansluitend op de nationale wetgeving draagt de gemeente Terneuzen middels eigen wet- en regelgeving actief bij aan de instandhouding van het archeologisch erfgoed. De gemeente Terneuzen heeft een eigen Vrijstellingenkaart Archeologie (2017). Wanneer in een bestemmingsplan of beheersverordening van de gemeente Terneuzen een dubbelbestemming waarde Archeologie wordt opgenomen, vormt deze kaart de basis of er een archeologisch onderzoek zal moeten plaatsvinden. De Vrijstellingenkaart Archeologie bevat 9 vrijstellingsdieptes. De locatie van beide windturbines valt in een zone met de grootste vrijstellingsdiepte (zie Figuur 5.20). De beroeringsdiepte die in deze zone is vrijgesteld gaat tot 4 meter en verder. Er is daarom ook geen archeologisch onderzoek noodzakelijk voor het realiseren van de windturbines en bijbehorende voorzieningen.

50

Wet van 9 december 2015, houdende bundeling en aanpassing van regels op het terrein van cultureel erfgoed (Erfgoedwet) 51 Bron: https://www.atlasnatuurlijkkapitaal.nl/indicatieve-kaart-archeologische-waarden

719081 | Goede ruimtelijke onderbouwing Windturbines Axelse Vlakte, gemeente Terneuzen 2 juni 2021 | Definitief v1.0

Pondera Consult

79

Figuur 5.20 Archeologie

Bron: Pondera Consult / gemeente Terneuzen

Overige cultuurhistorische waarden Voor overige cultuurhistorische waarden is de kaart van de Cultuurhistorische Hoofdstructuur van de provincie Zeeland geraadpleegd52. Hieruit blijkt dat er in het plangebied geen sprake is van cultuurhistorische waarden, zoals (rijks)monumenten en dorps- en stadsgezichten.

Conclusie Het windpark doet geen afbreuk aan cultuurhistorische en archeologische waarden in het plangebied en de omgeving ervan. Voor het aspect cultuurhistorie is sprake van een goede ruimtelijke ordening.

Waterhuishouding Toetsingskader Water en ruimtelijke ordening hebben met elkaar te maken. Enerzijds is water één van de ordenende principes in de ruimtelijke ordening en kan daarmee beperkingen opleggen aan het ruimtegebruik. Anderzijds kunnen ontwikkelingen in het ruimtegebruik ongewenste effecten hebben op de waterhuishouding. Een goede afstemming tussen beide is derhalve noodzakelijk om problemen zoals wateroverlast, slechte waterkwaliteit, verdroging, etc. te voorkomen. De verplichte watertoets is geregeld in de artikelen 3.1.1 en 3.16 van het Besluit ruimtelijke ordening. Vanaf het begin van de planvorming dient overleg gevoerd te worden tussen 52

Bron: https://www.zeeland.nl/kaarten-en-cijfers/kaarten/cultuurhistorische-hoofdstructuur-kaart

Goede ruimtelijke onderbouwing Windturbines Axelse Vlakte, gemeente Terneuzen | 719081 2 juni 2021 | Definitief v1.0

Pondera Consult

80

gemeente, waterbeheerders en andere betrokkenen. Doel van dit overleg is gezamenlijk de uitgangspunten en wensen vanuit duurzame watersystemen en veiligheid te vertalen naar concrete gebiedsspecifieke uitgangspunten. Hierbij geldt dat afwenteling moet worden voorkomen en dat de drietrapsstrategie ‘vasthouden, bergen en afvoeren’ moet worden gehanteerd. Nationaal Bestuursakkoord Water In het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) is het kabinetsstandpunt over het waterbeleid in de 21e eeuw vastgelegd. De hoofddoelstellingen zijn: het waarborgen van het veiligheidsniveau bij overstromingen en het verminderen van wateroverlast. Daarbij wordt de voorkeur gegeven aan ruimtelijke maatregelen boven technische maatregelen. In het NBW is ook de watertoets als procesinstrument opgenomen. De watertoets is het proces van vroegtijdig informeren, adviseren en beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van dit nieuwe instrument is waarborgen dat de waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet in beschouwing worden genomen als het gaat om waterhuishoudkundige relevante ruimtelijke plannen en besluiten. Waterwet Op 22 december 2009 is de Waterwet in werking getreden. Kort samengevat regelt de Waterwet het beheer van oppervlaktewater en grondwater. Ook verbetert de wet de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10341778/1