CConstaterende datTerneuzen
Koppel je AI →
Document · PDF

2021-04-07 e. Regionale Energiestrategie Zeeland - 1.0

gemeenteraad 22 april 2021, gemeente TerneuzenBij agendapunt: Kaderstellend besluit verduurzamingsstrategie maatschappelijk vastgoed53.305 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 7

Belemmeringen Het verwarmen van gebouwen vindt hoofdzakelijk plaats in de winter. Indien men duurzame stroom wil toepassen bij power-toheat dan zal deze voornamelijk voort moeten komen uit wind- en waterkracht. Zonne-energie is slechts beperkt beschikbaar in de winter. Daarnaast stelt het toepassen van een warmtepomp eisen aan het gebouw. Zo is er minimaal een degelijke basisisolatie nodig bij toepassing van hybride warmtepompen en vergaande isolatie bij all-electric warmtepompen. Ook op het gebied van kierdichtheid worden eisen gesteld en is er opstellingsruimte benodigd voor een buffervat. Een warmtepomp is het meest efficiënt met vloerverwarming of speciale lagetemperatuur-radiatoren: die hebben een groter oppervlak waardoor ze de warmte beter afgeven. De meest gangbare warmtepompen beschikken over een buitenunit met daarin een compressor en een ventilator. Beide onderdelen produceren geluid. De locatie van de buitenunit verdient dan ook aandacht in verband met geluidsoverlast. Het Ministerie van Binnenlandse Zaken wil overigens geluidseisen opnemen in het Bouwbesluit. De grenswaarde komt te liggen op 40 dB(A) op de perceelsgrens. Dit betekent dat de warmtepomp 35 dB(A) mag produceren op de perceelsgrens doordat er nog 5 dB(A) voor tonaal geluid afgetrokken dient te worden.

Uit onderzoek blijkt dat de stilste buitenunits die op dit moment op markt te vinden zijn toch al een afstand van 3 à 4 meter van de perceelgrens geplaatst moeten worden, om aan de norm van 35 dB te voldoen. Als deze afstand tot de buren niet kan worden gevonden op het eigen perceel, dan ligt het voor de hand om een geluiddempende omkasting te gebruiken, die de geluidsbelasting met 7 tot 15 dB omlaag brengt. Andere belemmeringen zijn de aankoopprijs, visuele uitstraling en aanpassingen in het gebouw welke mogelijk tot overlast zorgen. Door de lage efficiëntie verbruikt weerstandsverwarming veel schaarse duurzame energie met tevens een hoge energierekening voor de gebruiker tot gevolg. Daarnaast stelt weerstandsverwarming hoge eisen aan het elektriciteitsnetwerk. Een elektrische cvketel vraagt een vermogen van meer dan 10 kW terwijl een all-electric warmtepomp ± 2,5 kW vraagt. De capaciteit van het elektriciteitsnet zal bij volledige toepassing van weerstandsverwarming met een factor 3-4 moeten toenemen. Dit heeft een negatieve impact op de betaalbaarheid van het elektriciteitsnet.

Kansen Warmtepompen leveren op een efficiënte manier warmte uit stroom omdat ze warmte uit de omgeving (o.a. bodem of buitenlucht) gebruiken. Een warmtepomp kan met 1 deel elektriciteit en 3 delen lucht samen 4 delen warmte maken. Hierdoor wordt schaarse duurzame elektriciteit optimaal ingezet. Naast de functie verwarmen is een warmtepomp veelal ook in staat om een gebouw te koelen. Gezien o.a. de klimaatverandering wordt koeling steeds belangrijker. Momenteel stimuleert de overheid het toepassen van warmtepompen voor zowel particulieren als zakelijke gebruikers via o.a. ISDE. De belemmering van de hoge aankoopprijs wordt hiermee deels weggenomen. De kansen voor weerstandsverwarming en met name infrarood liggen bij het verwarmen van ruimtes die kort of weinig gebruikt worden of als bijverwarming op een specifieke locatie.

Volgende stappen: De kansen voor de gebouwde omgeving voor Nederland en Zeeland zullen in het traject naar 2030 verder worden uitgewerkt. Naast de gebouwde omgeving liggen er ook kansen voor power-to-heat in de industrie.

2.5.8 Duurzame en hernieuwbare gassen Groen gas is de duurzame variant van aardgas en wordt gemaakt door biogas op te waarderen tot het dezelfde kwaliteit heeft als aardgas. Groen gas wordt schoon geproduceerd en is hernieuwbaar. Biogas wordt geproduceerd uit onder meer slib, afval van stortplaatsen, tuinafval, resten groente en fruit, en dierlijke restproducten zoals koeienmest. Het biogas wordt vervolgens gezuiverd en gedroogd en op dezelfde kwaliteit als aardgas gebracht. Na deze bewerkingen mag het groen gas heten en is het een duurzaam alternatief voor fossiel aardgas.

49

Regionale Energiestrategie Zeeland RES 1.0

Kaart 6: Duurzame gassen Zeeland. 27

Potentie duurzame gassen Duurzame gassen zijn klimaatvriendelijke varianten op aardgas en komen voor in de vorm van biomethaan, groen gas en waterstof. Biomethaan is methaangas gewonnen uit hernieuwbare bronnen zoals GFT, restafval uit de voedingsmiddelenindustrie en mest. Daarnaast zijn er ontwikkelingen om door vergassing van houtachtige biomassa en het methaniseren van waterstof ‘syngas’ te produceren. Het huidige gas dat wordt gebruikt in de gebouwde omgeving moet voldoen aan de Ministeriele Regeling Gaskwaliteit (MRG). Biomethaan dat voldoet aan deze kwaliteitseisen heet ‘groen gas’. Dit wordt bereikt door o.a. het biomethaan te zuiveren en te drogen. De eisen zijn opgesteld om de veiligheid en uitwisselbaarheid met aardgas te borgen. Die uitwisselbaarheid is in de toekomst niet meer nodig, waardoor er mogelijk ruimere grenswaarden voor biomethaan gesteld kunnen worden. Overigens worden er in de MRG ook voorwaarden gesteld aan de maximale hoeveelheid waterstof dat zich bevindt in het gas. Een voordeel van duurzame gassen in de gebouwde omgeving is dat er ‘hoge temperatuur warmte’ wordt verkregen (> 70⁰C). Hierdoor zijn er nauwelijks bouwkundige aanpassingen (zoals isolatie) vereist, waardoor de investeringen voor de gebouweigenaren laag zijn. Dit kan uitkomsten bieden voor o.a.

historische binnensteden met veel monumentale panden die niet goed te isoleren zijn en daarom op het eerste gezicht ongeschikt zijn voor all-electric of een warmtenet. Dit zelfde geldt voor gebouwen met een bouwjaar van voor 2000 in de buitengebieden met weinig woningen per hectare. Ook de kosten voor het transporteren van de duurzame gassen zijn laag omdat de bestaande infrastructuur tegen beperkte kosten kan worden omgebouwd. Daarnaast kunnen duurzame gassen in grote hoeveelheden worden opgeslagen. Zo kan een mismatch tussen vraag en aanbod van energie worden opgevangen. De warmtevraag van de gebouwde omgeving vindt namelijk vooral plaats in de wintermaanden, terwijl het aanbod van bijvoorbeeld zonne-energie in de zomer beschikbaar is. Een andere oplossing om de mismatch te herstellen is het importeren van duurzame gassen. Voor de potentie in Zeeland geldt:  Er is op termijn kans op spin-off van het grootschalig gebruik van waterstof in de industrie naar de gebouwde omgeving. De kans dat er grootschalig groene waterstof zal worden geproduceerd in Zeeland is reëel. O.a. de aanlanding van groene elektriciteit en de beschikbare ruimte in Zeeland spelen hierbij een rol. De verwachting is echter dat dit eerder voor de (proces)industrie en bijv. scheepvaart een belangrijke energiebron kan zijn i.p.v. voor de gebouwde omgeving.

In Zeeland bevinden zich veel buitengebieden met een laag aantal woningen en gebouwen per hectare. Deze gebieden zijn geschikter voor warmtebronnen waaronder all-electric en duurzaam gas en niet voor warmtenetten. Momenteel wordt er in Zeeland jaarlijks 20.000.000 m3 (n) biomethaan inclusief groen gas geproduceerd. Gezien de ontwikkelingen wordt verwacht dat dit in 2030 zal groeien naar 35.000.000 m3 (n) omgerekend 1,2 PJ. Ten opzichte van de huidige hoeveelheid gas dat wordt gebruikt in de gebouwde omgeving (325.000.000 m3(n) in 2017) betreft dit een aandeel van 10%. Hierbij is nog geen rekening gehouden met maatregelen waarmee de energievraag van de gebouwde omgeving kan worden teruggebracht met behulp van o.a. isolatie en de inzet van (hybride) warmtepompen. Begin 2019 is er in Zeeuws-Vlaanderen een biovergasser gestart met het invoeden van groen gas in het gasnetwerk. Hiermee worden op jaarbasis ± 13.000 huishoudens voorzien van duurzaam gas. Dit aantal kan worden verdubbeld door het beter isoleren van gebouwen en bijvoorbeeld het toepassen van hybride warmtepompen.

27

Over Morgen WTM 1.7.1 Zeeland.

50

Regionale Energiestrategie Zeeland RES 1.0 In de achtergrondnotitie ‘Vraag en aanbod duurzame warmte en duurzame gassen’ onderdeel uitmakend van het KA, wordt gesteld dat er 70 PJ groen gas wordt geproduceerd in Nederland in 2030 waarvan er 60 – 85 % beschikbaar is voor de gebouwde omgeving. Wanneer dit wordt omgerekend naar Zeeland zou dit betekenen dat er 5 PJ beschikbaar zou zijn aan groen gas. Daarnaast wordt in de notitie gesteld dat het landelijk aandeel waterstof in de gebouwde omgeving in 2030 nog zeer gering zal zijn (± 11.000 woningen).

Belemmeringen Een nadeel van waterstof is het rendement en de kosten waarmee het wordt geproduceerd, bijvoorbeeld uit elektriciteit. Hiervoor is een kostbare elektrolyser benodigd met een rendement van ca. 75%. Hierdoor gaat er duurzame opwek verloren. De kosten van energieconversie dalen echter gestaag en de rendementen nemen toe. Waterstof wordt nader besproken in Hoofdstuk 5. De rijksoverheid speelt een belangrijke rol bij de potentie van de duurzame gassen. Zo is er per 1 januari 2019 een verhoging doorgevoerd op de energiebelasting van aardgas. Wanneer de belasting op aardgas omhoog gaat, dan zou er voor duurzame gassen een uitzondering moeten worden gemaakt of moet er een subsidie tegenover staan. Anders zullen gebouweigenaren niet kiezen voor een warmtevoorziening gebaseerd op duurzame gassen.

Volgende stappen Biomethaan, groen gas en waterstof kunnen net als aardgas worden verbrand in ‘conventionele’ cv-ketels. Voor een conventionele cv-ketel maakt het niet uit of er aardgas of groen gas wordt aangevoerd. Bij biomethaan kan de verbrandingswaarde sterk verschillen, waardoor de verbranding niet optimaal is. Er zijn dan ook al proeven met ketels die zichzelf aanpassen aan de gaskwaliteit in plaats van andersom. Met dit type ketels is men veel flexibeler wat betreft het type gas dat men aanvoert en wordt ook wel een multi-gasketel genoemd. Waterstof kan men bijmengen in verschillende verhoudingen met aardgas. Bij een proef op Ameland werd geconcludeerd dat het bijmengen tot twintig procent voor de gebruikers, apparaten en leidingen geen probleem was. In Nederland staan echter ook oude gastoestellen zoals gashaarden en fornuizen. De impact op deze toestellen dient nader te worden onderzocht voordat het percentage waterstof in het gasnet kan worden opgevoerd. Wanneer hogere percentages waterstof aan het gasnet worden toegevoegd zal o.a. de brander van de cv-ketel moeten worden vervangen. Sommige ketels die nu op de markt komen zijn al geschikt gemaakt voor waterstof. In de Rotterdamse deelgemeente Rozenburg start binnenkort een proef om woningen te verwarmen met 100% waterstof. Biomethaan, groen gas en waterstof kunnen in plaats van te verbranden ook m.b.v.

een brandstofcel worden omgezet in elektriciteit en vervolgens worden gekoppeld aan bijvoorbeeld een warmtepomp. Bij het omzetten komt warmte vrij die kan worden gebruikt voor de centrale verwarming en warmwater productie. Dit principe, soms ook wel ‘thuiscentrale’ genoemd, wordt door diverse producenten al aangeboden en is sterk in ontwikkeling.

Potentie landelijk Een groot voordeel van het toepassen van duurzame gassen in de gebouwde omgeving is dat er zogenaamde ‘hoge temperatuur warmte’ wordt verkregen (> 70⁰C). Hierdoor zijn er geen tot weinig bouwkundige aanpassingen (zoals isolatie) vereist in de gebouwde omgeving. Hierdoor zijn de investeringen op het gebied van een duurzame warmtevoorziening voor de gebouweigenaren laag. Dit kan uitkomsten bieden voor o.a. historische binnensteden met veel monumentale panden die niet goed te isoleren zijn en daarom op het eerste gezicht ongeschikt zijn voor all-electric of een warmtenet. Dit zelfde geldt voor gebouwen in de buitengebieden met een laag aantal woningequivalenten per hectare.

2.6 Warmtevraag Waar zit de warmtevraag in Zeeland? De warmtevraag in woningen, kantoren, winkels, onderwijsgebouwen, ziekenhuizen en verpleegtehuizen loopt zeer uiteen. Het verschil zit in het gebruik. Ziekenhuizen worden bijvoorbeeld continu gebruikt en kantoren en winkels slechts een deel van de tijd. In de paragrafen van de subsectoren particulier, sociaal, publiek en recreatief vastgoed zijn, waar beschikbaar, verbruiksgegevens opgenomen. De meest bekende vorm van warmte is ruimteverwarming. Daarvoor wordt op dit moment vooral aardgas gebruikt. Daarnaast wordt voor een klein deel van de ruimtewarmte gebruik gemaakt van houtkachels, warmtepompen en omgevingswarmte. Hieronder staat de totale warmtevraag van de gebouwde omgeving in Zeeland. Warmtevraag Zeeland totaal

Bron in Klimaatmonitor

Fysieke eenheden Primaire energie (TJp)

Koop- en huurwoningen, publieke en comm. dienstverlening Woningen op stadswarmte (2017)

336,9 (mln m3) 27.000 GJ

51

10.663

Regionale Energiestrategie Zeeland RES 1.0 Particuliere woningen

Gasverbruik koopwoningen (temperatuurgecorrigeerd) 2017

168,5 (mln m3)

5.333

Sociale huurwoningen

Gasverbruik huurwoningen (temperatuurgecorrigeerd) 2017

64,9 [mln m3]

2.054

Publiek vastgoed

Publieke dienstverlening 2017

36,8 [mln m3]

1.165

Commercieel vastgoed

Gasverbruik commerciële dienstverlening 2017

65,7 [mln m3]

2.079

Recreatief vastgoed

Logies-, maaltijd- en drankverstrekking (SBI I) 2017

26,7 [mln m3]

845

Tabel 9: Warmtevraag Zeeland en uitsplitsing sub-sectoren gebouwde omgeving.

Het terugdringen van de warmtevraag is één van de belangrijkste opgave voor de gebouwde omgeving. De verduurzaming van de bestaande woningvoorraad van 185.000 woningen en 48.000 gebouwen zal stapsgewijs worden aangepakt. De Zeeuwse opgave voor CO2-reductie in de gebouwde omgeving in 2030 is 11,7% van de landelijke ambitie voor 2030. Voor de woningbouw betekent dit een CO2-reductie van 215 Kton. Daarnaast moeten we een CO2 reductie realiseren van 182 Kton in de utiliteitsbouw. De Zeeuws gebouwde omgeving bestaat uit vier stedelijke gebieden en honderd dorpen. Ruim 75% van de bestaande woningen hebben een energielabel C of minder. Daarnaast moeten we er rekening mee houden dat de woningbehoefte de komende jaren vooral gericht is op eenpersoonshuishoudens, dit is van invloed op de nieuwbouw in Zeeland. Dit alles maakt de opgave voor verduurzaming complex. Naast de warmtevraag stijgt ook de koudevraag. Bij koude onderscheiden we comfortkoeling (met klimaatinstallaties, airco’s) en productkoeling (bijv. koelkasten). Er wordt veel elektriciteit gebruikt voor koeling in huishoudens en de dienstensector. Ook hier moet een verduurzamingslag worden gemaakt. Bij koeling van gebouwen wordt steeds meer gebruik gemaakt van omgevingsenergie zoals koude uit de bodem of lucht. De (her)inrichting van de openbare ruimte kan ook een bijdrage leveren aan minder opwarming van de gebouwen.

De warmtevraag is sterk afhankelijk van de leeftijd van het gebouw. In onderstaande tabel28 is een voorbeeld gegeven van het gemiddelde gasverbruik van een 2/1 kap woning van gelijke oppervlakte, maar van verschillende leeftijden. Gemiddeld gasverbruik 2/1 kapwoning naar leeftijd

Bouwjaar

Vloeropp.

Gasverbruik m3

2 onder 1 kapwoning

1200 t/m 1945

100 tot 150 m2

1 800

2 onder 1 kapwoning

1946 t/m 1964

100 tot 150 m2

1 750

2 onder 1 kapwoning

1965 t/m 1974

100 tot 150 m2

1 760

2 onder 1 kapwoning

1975 t/m 1991

100 tot 150 m2

1 540

2 onder 1 kapwoning

1992 t/m 1999

100 tot 150 m2

1 310

2 onder 1 kapwoning

2000 t/m 2014

100 tot 150 m2

1 090

2 onder 1 kapwoning

2015 of later

100 tot 150 m2

980

Tabel 10: Gemiddeld gasverbruik t.o.v. bouwjaar.

CO2-uitstoot reduceren in de gebouwde omgeving Om na te gaan hoeveel CO2 reductie haalbaar is, geeft het Klimaatakkoord het jaar 1990 als referentiejaar. Van 1990 zijn echter geen gegevens beschikbaar van de emissie van CO2 van de gebouwde omgeving. Om CO2-uitstoot voor het verwarmen van gebouwen te reduceren zijn vier factoren van invloed:    

reduceren van de warmtevraag en verlagen van verwarmingstemperatuur; aanpassen van de infrastructuur, zodat duurzame energiebronnen ontsloten kunnen worden, bijvoorbeeld een warmtenet of het verzwaren van het elektriciteitsnet; duurzaam opwekken van energie;, tijdelijk opslaan van elektriciteit en warmte.

In dit onderzoek beschouwen we alleen de warmtevraagreductie. Het maatregelenpakket voor woningbouw kan bestaan uit een combinatie van (een deel van) onderstaande maatregelen:  

isolatiemaatregelen, zoals vloer-, gevel-, dakisolatie en het vervangen van kozijnen en glas; verbeteren van de kierdichting;

28 CBS Statline.

52

Regionale Energiestrategie Zeeland RES 1.0  

verbeteren van het ventilatiesysteem; aanpassen van de radiatoren.

Bij utiliteitsbouw kunnen vergelijkbare maatregelen worden genomen. Vaak zien we dat bij utiliteitbouw grote besparingen kunnen worden gehaald met goed energiemanagement. Bij utiliteit is de opgave meer installatietechnisch in vergelijking met woningbouw en minder gefocust op warmte dan bij woningbouw. Bureau Over Morgen raamt dat een gemiddelde besparing kan worden gerealiseerd van circa 15-25% op de warmtevraag ten opzichte van de huidige situatie. Deze besparing van 15-25% vertaalt zich direct terug in de CO2-uitstoot. Om de reductie van warmtevraag van woningen te berekenen, is een realistische aanname gedaan, waarbij de warmtevraag voor ruimteverwarming wordt verlaagd naar 50-65 kWh/m2. De totale huidige warmtevraag is gemiddeld 94,5 kWh per m2 woonoppervlak, hiervan wordt ca 15-20 kWh/m2 gebruikt voor verwarming van tapwater. De huidige warmtevraag voor ruimteverwarming komt neer op ca 77 kWh/m². Het reduceren van de warmtevraag voor ruimteverwarming tot 50-65 kWh/m2 komt neer op een besparing van 13-29% op de totale warmtevraag van woningen. De totale reductie van de warmtevraag komt daarmee uit op ca. 28,1 tot 39,2% ten opzichte van 1990.

Verwachtingen warmtevraag 2030 Het kiezen van de ‘juiste’ opties is afhankelijk van de gehanteerde uitgangspunten en daarmee vele variabelen. Vanuit het Zeeuws Energieakkoord wordt met name een technisch/ economische afweging gemaakt, welke als uitgangspunten fungeren voor het individuele vervolg van de TVW. Belangrijke variabelen hierbij zijn: •

gebouwtype;

•

huidige warmtevraag;

•

haalbare bouwkundige maatregelen (o.a. isolatie, ventilatie en afgiftesysteem);

•

beschikbare warmtebronnen;

•

beschikbare energie-infrastructuren;

•

bebouwingsdichtheid;

•

type verwarmingsinstallatie;

•

maatschappelijke kosten;

Om tot oplossingsrichtingen te komen is relevante data over de gebouwde omgeving verzameld en opgenomen in de ‘Energie Transitie Atlas’ voor Zeeland. Op basis van deze data kunnen zogenaamde warmteopties, zoals eerder beschreven, worden toegekend aan gebouwen. Dit model analyseert eigenschappen van de gebouwde omgeving (woningtype, bouwjaar en dichtheid) en berekent zo de maatschappelijke kosten per warmteoptie per buurt. In onderstaande figuur is een voorbeeld te zien met de resultaten van de berekening.

Figuur 7: Voorbeeld resultaten berekening Energie Transitie Atlas.

53

Regionale Energiestrategie Zeeland RES 1.0 Deze resultaten zullen samen met de uitkomsten van andere modellen worden gebruikt voor het in kaart brengen van de ‘beste’ opties gebaseerd op een technisch / economische afweging in de collectieve processtappen van de TVW. De uitkomsten worden vervolgens gebruikt bij het opstellen van de TVW en het Wijkuitvoeringsplan. In de TVW en het Wijkuitvoeringsplan zullen ook o.a. sociale en maatschappelijke aspecten mee worden genomen. Dit zal invloed hebben op de uiteindelijk gekozen warmteopties. Voor de netbeheerder is het van belang om vroegtijdig inzicht te krijgen in kansrijke warmteopties per buurt om de impact op de elektriciteits- en gasnetten te kunnen bepalen. Om dit mogelijk te maken heeft Enduris de kansrijke gebouwen uit de ETA geëxtraheerd waar op termijn een all-electric, warmtenet of hernieuwbaar gas infrastructuur benodigd is. Op basis van deze data is een afgeleide dataset ontwikkeld met daarin o.a. het verwachte aantal warmtepompen inclusief locaties in Zeeland in 2030. Hierbij zijn diverse aannames gedaan voor de implementatiesnelheid waaronder:          

Vanaf 2005 zijn gebouwen qua isolatieniveau geschikt voor elektrische verwarming; Vanaf 1992 tot 2005 zijn gebouwen qua isolatieniveau geschikt voor een hybride warmtepomp; Bij gebouwen van voor 1992 wordt met name ingezet op het verminderen van energievraag; Per jaar worden er gemiddeld 1.100 nieuwe gebouwen opgeleverd en worden er 300 gesloopt; Komende jaren zullen de kosten van het verduurzamen van gebouwen flink dalen als gevolg van innovatie, schaalvergroting en standaarden; Het wordt gemakkelijker en inzichtelijker gemaakt hoe men een gebouw kan verduurzamen; Financiële afspraken waaronder subsidies, financieringen en belastingen zullen het verduurzamen van gebouwen versnellen; We voorspellen dat wie isoleert, ook onderzoekt of een andere warmteoptie mogelijk is. We gaan er in de berekeningen van uit dat wie isoleert naar label B of beter, direct onderzoekt of vloerverwarming meegenomen kan worden om lage temperatuur warmteopties beter mogelijk te maken. In de sociale woningbouw zal het tempo worden beïnvloed door de rol van ‘Startmotor’; door de verplichte opgave hier naar label B te isoleren in 2021 zal hier een forse isolatiestap moeten worden gemaakt. Daar waar dit niet mogelijk is, verwachten we een toename van het aantal sloop – nieuwbouwprojecten. We richten ons hier op gebouwen met een woonfunctie, wat voornamelijk particulier en sociaal vastgoed betreft.

De opgave voor commercieel en recreatief vastgoed, is lastig door te rekenen op basis van de warmteopties. Dat komt voornamelijk door andere standaarden en verplichtingen, maar ook dat in commercieel vastgoed een aanzienlijk deel van de reductie in energievraag uit oplossingen als de Erkende Maatregelen lijst moet komen, zoals ook besproken in het hoofdstuk omtrent Commercieel vastgoed.

In onderstaande figuur zijn de resultaten van de studie t.a.v. de verwachte aantallen per warmteoptie nu en in 2030 weergegeven, waarin ook de cijfers uit het Klimaatakkoord zijn meegenomen. Warmteopties:

Huidige aantallen

RES / Enduris

2020:

Raming 2030:

OKA Zeeland, Raming 2030:

- warmtepompen (lucht)

1.000

20.000

16.500

- warmtepompen (bron / WKO)

1.000

1.600

3.200

- LT + MT met WP

265

1.365

- HT warmtenet

550

4.300

- hybride warmtepomp

2.000

18.500

14.000

- cv-ketel

190.000

160.000

157.500

All electric individueel:

Warmtenet: 14.600

Gasnet:

Tabel 11: Verwachte aantallen per warmteoptie nu en in 2030.

Op basis van werkelijke verbruiksgegevens, de uitgangspunten uit de Energie Transitie Atlas en aannames uit het Klimaatkakkoord is een doorrekening gemaakt op basis van bovenstaande aantallen naar de impact op de warmtevraag in de gebouwde omgeving. De resultaten hiervan zijn in onderstaande tabel meegenomen. Dit resulteert in een reductie van de energievraag uit het gas- en elektriciteitsnet van 1.01 PJ, waarbij de gebruikte omgevingswarmte van de warmtepompen dus niet is meegerekend, hetgeen overeenkomt met een reductie van 6,6% t.o.v. het referentiejaar. Belangrijk in dit verband is dat deze 54

Regionale Energiestrategie Zeeland RES 1.0 inschatting exclusief de besparing van eventuele Hoge Temperatuur warmtenetten is, daarbij is immers de warmtebron leidend in de te realiseren besparing. De keuze voor een warmtebron zal worden gemaakt in de TVW van de Zeeuwse Gemeenten. Ter indicatie; indien de volledige inschatting van 4.300 woningen volledig wordt gevoed door een reeds bestaande hoog-temperatuur bron, levert dit een reductie op van zo’n 0,2 PJ of 1,32% t.o.v. het referentiejaar. Voor hernieuwbaar gas geldt dat de toewijzing en potentiële reductie hiervan eerder is beschreven in de paragraaf ‘Duurzame en Hernieuwbare gassen’. De verwachte reductie in aardgasverbruik is groter dan de reductie in energievraag, doordat de overgang op elektrische warmtebronnen zorgt voor een toename van de elektriciteitsvraag. De reductie in aardgasvraag vanwege de beschreven reductie warmtevraag, sloop > nieuwbouw en de overgang op (hybride) warmtepomp en warmtenetten is ongeveer 45 miljoen m3. Warmteopties:

RES/ Enduris 2030:

Isolatie - Aantal geïsoleerde woningen naar minimaal label B

30.000

- Waarvan sociaal vastgoed

26.000

- Reductie warmtevraag

250 TJ

Warmtepomp: - Reductie warmtevraag uit net

640 TJ (omgevingswarmte)

Sloop > nieuwbouw: - Reductie warmtevraag uit net

260 TJ

- Toename door groei woningaanbod

140 TJ

Totale reductie:

1.010 TJ

Tabel 12: Reductie warmtevraag Gebouwde omgeving particulier & sociaal vastgoed in 2030.

55

Regionale Energiestrategie Zeeland RES 1.0

2.7 Warmte-infrastructuur Het gasnet Via het hoofdtransportleidingennet en de regionale transportleiding- en distributienetten wordt het aardgas door Nederland vervoerd. Er ligt in totaal ruim 136.000 kilometer aan gasleidingen in Nederland, voornamelijk onder de grond. In Zeeland gaat het om ca. 5.000 km gasleidingen. Zo’n 95% van de huishoudens heeft een gasaansluiting. Bij de verbranding van aardgas komt CO2 vrij, daarom is het noodzakelijk om het aardgasverbruik in woningen terug te dringen. In de onderstaande kaarten van Enduris is, links, te zien waar het hogedruk aardgasnet door Zeeland loopt. In het rechterkaartje met het lagedruk aardgasnet is te zien hoe de leidingen door de hele wijk lopen (gele lijnen op de kaart).

Kaart 7: Hogedruk (HD) gasnet (Enduris).

Kaart 8: Lagedruk (LD) gasnet (Enduris).

Bij het beoordelen van de huidige infrastructuur voor de gebouwde omgeving, en het beoordelen van vereisten voor een toekomstige infrastructuur moeten we rekening houden met technologische, maatschappelijk en ruimtelijke aspecten. We onderscheiden het huidige gasnetwerk, warmtenetten en het elektriciteitsnetwerk. In Zeeland zijn er momenteel warmtenetten in Lammerenburg in Vlissingen en Ouverture in Goes.

Potentie van het huidige gasnetwerk De infrastructuur kan ook voor andere (duurzame) gassen worden gebruikt. Voor groen gas zijn helemaal geen aanpassingen nodig, voor waterstof zijn wel aanpassingen nodig. De huidige infrastructuur kenmerkt zich door:      

Op dit moment wordt energie voor warmte en warm tapwater voor ongeveer 90% ingevuld met CV-ketels op aardgas. Dit gas wordt getransporteerd van waar het gewonnen wordt via het gasnetwerk naar de gebouwde omgeving. De gasvraag verschilt per seizoen: de gebouwde omgeving vraagt vooral warmte voor verwarming in de winter, in de zomer is er bijna alleen vraag naar warm tapwater. De gasinfrastructuur is flexibel: zo gemaakt dat er in de winter genoeg energie kan worden getransporteerd, waarbij ook nog pieken in de warmtevraag (aan- en uitzetten verwarming) opgevangen kunnen worden. Het gasnet is betrouwbaar: via de huidige infrastructuur zijn er altijd meerdere routes naar een eindgebruiker. Gasnetten hebben een lange levensduur: vroegtijdig verwijderen is kapitaalvernietiging plus bij minder gasaansluitingen worden de kosten per aansluiting hoger. Verminderen van aardgasverbruik leidt niet recht evenredig tot minder investeringen in het gasnet. De infrastructuur kan pas weg als alle aansluitingen zijn verwijderd in een wijk.

Potentie van het huidige elektriciteitsnetwerk Voor warmte kan ook elektriciteit ingezet worden. Dat heeft consequenties voor de infrastructuur, zeker ook in combinatie met een groeiende elektriciteitsvraag voor andere dingen dan warmte (koken, mobiliteit, et cetera). Voor een toekomstige infrastructuur is van belang in gedachten te houden: 

Zonne- en windenergie komt op twee manieren bij de eindgebruiker: via elektriciteitsnetwerk naar gebouwde omgeving en eindgebruikers wekken zelf elektriciteit op (zonnepanelen). 56

Regionale Energiestrategie Zeeland RES 1.0   

Opwek windenergie loopt (ongeveer) synchroon met warmtevraag gebouwde omgeving (in de winter meer vraag), bij zonneenergie speelt het tegenovergestelde (meer zon in de zomer bij weinig vraag). Voor beide soorten energie is opslag nodig. Voor de impact op het netwerk is het belangrijk te weten welke technologie wordt ingezet voor omzetting van elektriciteit in warmte (warmtepompen, warmtepompboilers, infraroodpanelen) omdat het rendement verschilt. Nu is het elektriciteitsnetwerk berekend op 1,2 kW per huishouden (factor 10 kleiner dan gasnet). Wanneer hier elektriciteitsgebruik voor warmte (vervanging van gasaansluiting) bij komt, zullen vermoedelijk aanpassingen nodig zijn.

Gevolgen van de energietransitie Elk alternatief om aardgasverbruik terug te dingen, heeft impact op het elektriciteits- en gasnet. Het gasnetwerk heeft een capaciteit van 350 GW, het elektriciteitsnetwerk 20 GW. Het gasverbruik is in de zomer twee keer zo groot als de elektriciteitsvraag en in de winter meer dan tien keer zo groot. Het is daarom niet vanzelfsprekend dat een elektriciteitsaansluiting de functie van een gasaansluiting één-op-één kan overnemen. Worden er warmtebronnen ingezet voor de warmtevoorziening, dan wordt de druk op het elektriciteitsnet verlaagd.29

2.8 Match warmtebronnen en warmtevraag Om de match tussen warmtebronnen en warmtevraag te maken is voor de Zeeuwse gebouwde omgeving een Warmtetransitiemodel (WTM) ontwikkeld door bureau Over Morgen. Het model geeft beleidsmakers, adviseurs, energieleveranciers en netwerkbedrijven de inzichten en instrumenten die zij nodig hebben om de transitie te maken naar een aardgasvrije leefomgeving. Alle gemeenten hebben toegang tot dit instrument en instructie gekregen om er mee te werken. Zeeland zal niet alleen van dit model gebruik maken, maar ook van de andere modellen die hiervoor op de markt zijn, zoals het Openingsbod van Stedin en de modellen van CE Delft/Quintel en Vesta Mais. De verschillen tussen deze modellen worden door Bureau Over Morgen in 2020 inzichtelijk gemaakt. De gemeenten zullen de verschillende modellen onderzoeken om tot een optimale afweging te kunnen komen per wijk. De tekst van dit hoofdstuk is gedeeltelijk overgenomen uit het rapport WTM.30 Het model kenmerkt zich door:     

inzicht in een aardgasvrije omgeving; een ruimtelijk model gebaseerd op GIS; inzicht in kosten als je nu zou beginnen; analyse op gebouwniveau wat kansrijke gebieden zijn om aan de slag te gaan; visualisatie in online GIS-applicaties.

Op basis van de gebouwendatabase worden twee typen analyses uitgevoerd:  

Een analyse die de laagste maatschappelijke transitiekosten per buurt berekent voor verschillende warmteopties. Dit doet het model op basis van financiële en technische rekenregels. Deze analyse leidt tot de Warmtekaart. Daarnaast voert het model een analyse uit die de gebouwendatabase doorzoekt op de meest kansrijke gebouwen om aan de slag te gaan in het onderzoeksgebied op basis van een vooraf ingesteld filter. Dit filter kan bijvoorbeeld samen met stakeholders worden bepaald. Deze analyse leidt tot de Kansenkaart. De huidige versie van het WTM berekent kosten en besparingen voor woningen en voor utiliteitsbouw en niet voor industrie en bedrijventerreinen.

Figuur 8: Schematisch modelontwerp van de Warmtekaart.

29

Basisinformatie over energie-infrastructuur, Netbeheer Nederland.

30 Het WTM Documentatie Versie 1.7.1 (Zeeland).

57

Regionale Energiestrategie Zeeland RES 1.0 Combinaties van bouwjaarklassen en woningtypen vormen sleuteltypen in het WTM. Zeeuwse doelgroepen

Modelgebouwtypologie Rij- en hoekwoning

Sociale woningbouw

Twee-onder-een-kapwoning

Particuliere woningbouw

Vrijstaande woning Meergezinswoning

Publiek vastgoed Commercieel vastgoed

Utiliteitsbouw

Recreatief vastgoed Tabel 13: Verhouding doelgroepen Zeeuwse RES tot de gebouwtypen van het WTM.

De warmteoptie De mate van isolatie en de temperatuur die nodig is in het afgiftesysteem op de koudste dag van het jaar voor een comfortabele verwarming, bepaalt de warmtevraag van een gebouw. Daarin maken we onderscheid in drie niveaus:   

onvoldoende of niet geïsoleerd; basisisolatie; vergaande isolatie.

Er wordt onderscheid gemaakt in twee bouwkundige aanpassingsniveaus: basis en vergaand. Basismaatregelen brengen de warmtevraag voor de afgiftetemperatuur van de verwarming terug tot hoogstens 70˚C. Vergaande maatregelen brengen de warmtevraag voor de afgiftetemperatuur van de verwarming terug tot hoogstens 40˚C. Een warmteoptie is een logisch samenhangende combinatie van een energiesysteem en gebouwaanpassingen.

Kansenkaart Waar de Warmtekaart gericht is op het schetsen van een mogelijk eindbeeld per buurt op basis van de huidige stand van kennis en techniek, is er ook behoefte aan een concreet handelingsperspectief voor de korte termijn. De Kansenkaart geeft daaraan invulling. De Kansenkaart heeft een nauwkeuriger schaalniveau dan de Warmtekaart. De Kansenkaart visualiseert kansrijke gebouwen en kijkt naar de clustering van de deze gebouwen om te komen tot concrete kansgebieden. Bij de selectie van kansrijke gebouwen worden in dit model verschillende categorieën onderkend:    

kansrijke gebouwen voor een warmtenet; kansrijke gebouwen voor all-electric; kansrijke gebouwen voor hybride warmtepompen of innovatieve oplossingen; andere warmteoplossingen.

Wanneer kansrijke gebouwen zijn geselecteerd op grond van de selectiecriteria kunnen in deze selectie ruimtelijke clusters worden gevonden. De clustering van kansrijke gebouwen tot potentie-eilanden wordt berekend volgens het DBSCAN algoritme. Voor de vorming van een potentie-eiland worden criteria gebruikt voor afstand en minimale omvang. Deze clusters, ofwel potentie-eilanden, zijn om verschillende redenen interessant:  

Een potentie-eiland van kansrijke gebouwen is voor stakeholders herkenbaar als project- of kansgebied. Het is een logisch samenhangend gebied van gebouwen, en niet bepaald door fictieve grenzen zoals buurtgrenzen. Een potentie-eiland van kansrijke gebouwen kan buurtoverstijgend zijn: het grensoverschrijdende karakter van kansen zichtbaar wordt zo zichtbaar en de ‘harde’ buurtgrenzen van de Warmtekaart genuanceerd.

Het kan op deze manier voorkomen dat kansen voor een warmtenet zichtbaar worden in buurten waar dat op grond van maatschappelijke kosten voor de hele buurt niet werd verwacht. Potentie-eilanden kunnen worden gecombineerd met bijvoorbeeld planningen van riolering, gasvervanging, herinrichting van de openbare ruimte of andere stakeholderinformatie zodat koppelkansen zichtbaar worden.

58

Regionale Energiestrategie Zeeland RES 1.0

Warmtenet

All-electric

Pandtype

Meergezinswoningen en Utiliteitsbouw

Pandtype

Eengezinswoningen

Bouwjaar

≥ 1950-2000

Bouwjaar

≥ 1950-1975 (Nul-op-de-Meter) Of ≥ 2005 (lage investering)

Eigendom

Corporatie- of particulier bezit

Eigendom

Corporatie- of particulier bezit

Blokverwarming

Met of zonder

Gasverbruik

> 1400 m3 (alleen bij Nul-op-deMeter)

Grootte

≥ 5 woningen

Energielabel

E of slechter (alleen bij Nul-op-deMeter)

Tabel 14: Criteria voor de selectie van kansrijke gebouwen per categorie. Deze criteria zijn niet gefixeerd: zij kunnen aangepast worden in afstemming met betrokken partijen.

Afwegingskaders In het hoofdstuk over warmtebronnen is beschreven welke bronnen er in de Zeeuwse omgeving onderzocht moeten worden op toepasbaarheid in de gebouwde omgeving. In de komende anderhalf jaar moeten criteria worden opgesteld waaraan warmtebronnen moeten voldoen en waaraan de vraagkant moet voldoen. Daarbij gaat het niet alleen over hoeveelheden van vraag en aanbod en de kosten van het samenbrengen, maar ook over het ruimtegebruik dat hiervoor nodig is, maatschappelijk en bestuurlijk draagvlak en natuurlijk de energiesysteemefficiëntie. De samenhang van al deze factoren moet bepalen of een warmtebron geschikt is. Voor de Zeeuwse gebouwde omgeving zijn in het hieronder beschreven model, deze opties afgewogen op de volgende criteria:   

kostenvergelijking tussen varianten op hetzelfde temperatuurniveau; risico op een lock-in op aardgas; lange termijnbeschikbaarheid van warmtebronnen voor de gebouwde omgeving.

Toegepast op de warmteopties ontstaat een afweging per warmteoptie, zoals weergegeven in de volgende tabel:

59

Regionale Energiestrategie Zeeland RES 1.0 Warmteoptie Variant

Bron en bronopslag

Infrastructuur vanaf bron

Opwek in wijk

Omgevingswarmte met WKO

Infrastructuur vanaf opwek

Gebouwinstallatie

Minimale gebouwaanpassingen

Bronnet Warmtepomp en boilervat

AE-1 Verzwaard elektriciteitsnet All-electric

AE-2

70˚C warmtenet

90˚C warmtenet

Verzwaard elektriciteitsnet

LT-1

Omgevingswarmte met WKO

LT-2

Restwarmte, retournet, ondiepe geothermie en grootschalige zonthermie

MT-1

Omgevingswarmte met WKO

MT-2

Restwarmte, retournet, ondiepe geothermie en 40˚C warmtenet grootschalige zonthermie

40˚C warmtenet

Bronnet

Collectieve warmtepomp

Vergaande isolatie, LT-afgiftesysteem, energiezuinige ventilatie en e-koken

40˚C warmtenet

40˚C net

Bronnet

Collectieve warmtepomp

70˚C warmtenet

Afleverset

MT-3

Restwarmte, diepe geothermie

70˚C warmtenet

HT-1

Restwarmte, ultradiepe geothermie

90˚C warmtenet

HT-2

Houtige biomassa

Basisisolatie, aanpassing afgiftesysteem, mechanische ventilatie en e-koken

Wegverkeer Ketel

HT-3

Warmtepomp en boilervat + buitenunit, bodemlussen of zonthermiepanelen

90˚C warmtenet

Bestaand gasnet E-koken

Bestaand gasnet

Biomassa

Bestaand gasnet

Houtige biomassa

Wegverkeer

60

HR-ketel of Hybride warmtepomp

Pelletketel met opslag

Regionale Energiestrategie Zeeland RES 1.0

Warmteoptie

Variant

Afweging

Warmteoptie in WTM

All-electric

AE-1

Complexiteit van collectief bronnet in combinatie met kosten van vergaande

N.v.t.

gebouwmaatregelen en verzwaring e-net. Daardoor geen volwaardig alternatief voor AE-2.

AE-2

Warmteoptie die minimale aanpassing vergt in energiesysteem mits isolatieniveau

All-Electric

voldoende is. 40˚C warmtenet

LT-1 LT-2

70˚C warmtenet

Complexiteit van collectief warmtenet in combinatie met kosten van vergaande

N.v.t.

gebouwmaatregelen. Daardoor geen volwaardig alternatief voor AE-2.

MT-1

Flexibele warmteoptie door combinatie van grote beschikbaarheid van bronnen en een

MT-2

basisisolatieniveau.

Warmtenet

MT-3 90˚C warmtenet

HT-1

Vaak nog aardgaswarmte; schaarse beschikbaarheid; kan wel dienen als startmotor voor

N.v.t.

70˚C-warmtenet terwijl gebouwen worden aangepast. HT-2

Biomassa is op lange termijn onvoldoende beschikbaar voor gebouwde omgeving; kan wel

N.v.t.

dienen als startmotor voor 70˚C-warmtenet terwijl gebouwen worden aangepast. HT-3

Onvoldoende beschikbaarheid hernieuwbaas gas, daarmee lock-in op aardgas; kan wel

N.v.t.

dienen als startmotor voor 70˚C-warmtenet terwijl gebouwen worden aangepast. Bestaand gasnet

Hernieuwbaar gas is op lange termijn onvoldoende beschikbaar voor gebouwde omgeving,

Voorlopig nog

daarmee is er risico op een lock-in op aardgas. Veel met name vooroorlogse of landelijk

gasnet / Hybride

gelegen woningen zijn echter zeer moeilijk of alleen tegen hoge kosten aardgasvrij te

warmtepomp /

maken met een warmtenet of all-electric. Het is daarom realistisch dat deze woningen

Innovatie

voorlopig nog op het gasnet blijven in afwachting van kostendalingen of innovaties. Deze woningen kunnen ondertussen wel isoleren en een hybride warmtepomp installeren. Biomassa

Biomassa is op lange termijn onvoldoende beschikbaar voor gebouwde omgeving. In

N.v.t.

specifieke gevallen kan biomassa wel een optie zijn, bijvoorbeeld voor plattelandswoningen die nooit op het gasnet zijn aangesloten.6 Tabel 15: Afweging van warmteopties.

Uit het afwegingskader volgt dat een 70˚C-warmtenet de meest flexibele en kansrijke warmteoptie is binnen de categorie warmtenetten. Dit komt omdat voor aansluiting op een 70˚C-warmtenet slechts basisisolatie is vereist, daarmee zijn de kosten van gebouwaanpassingen (veruit de grootste kostencomponent bij de meeste warmteopties) beperkt. Daarnaast is er bij het 70˚Cwarmtenet een breed spectrum aan warmtebronnen beschikbaar: omgevingswarmte, geothermie, restwarmte, biomassa en hernieuwbaar gas. Bij all-electric blijft alleen de warmteoptie over waarbij er slechts één infrastructuur in de wijk wordt gerealiseerd, namelijk een verzwaard elektriciteitsnet. De derde warmteoptie is die van het bestaande gasnet. Deze warmteoptie is belangrijk omdat er buurten overblijven waar zowel all-electric als een 70˚C-warmtenet zeer kostbare en daarom onrealistische warmteopties zijn. Het gaat dan met name om landelijke buurten en om oude binnensteden. In deze buurten kan begonnen worden met isolatie en elektrisch koken om zoveel als mogelijk het basisniveau te bereiken en kan de HR-ketel in veel gevallen spijtvrij worden vervangen door een hybride warmtepomp, als de bouwkundige staat van het pand het toelaat. Het afwegingskader is geïmplementeerd in het WTM door middel van rekenregels.

Op basis van de kengetallen per woningtypebouwjaarcombinatie is per woning berekend wat de investeringen en besparingen zijn van de warmteopties. De resultaten van de kostentechnische analyse worden gevisualiseerd in de Warmtekaart. De Warmtekaart toont de voorkeursoptie op basis van de laagste maatschappelijke kosten, en toont ook de orde grootte van het verschil met het alternatief. De komende twee jaar gaat dit model verder geoptimaliseerd worden door het met lokale gegevens aan te vullen. Daarnaast zal, zodra de industrie- en landbouwtafel landelijk zijn eerste resultaten heeft gepresenteerd, de warmtevraag in de industrie en landbouw inzichtelijk worden binnen Zeeland. Ook hier geldt dat de koppeling met warmtebron en warmtevraag moet worden gemaakt, welke ongetwijfeld van invloed zal zijn op de match die voor de gebouwde omgeving wordt gemaakt. Op basis van de huidige gegevens in de klimaatmonitor, is voor de warmtevraag in de industrie geen inschatting te maken. Voor landbouw is de inschatting dat de warmtevraag zo’n 1,5 PJ bedraagt op basis van de gegevens in de klimaatmonitor (2018).

61

Regionale Energiestrategie Zeeland RES 1.0

2.9 Procesvoorstel Veel partijen zullen in actie moeten komen als we daadwerkelijk aan de slag gaan. Of zijn al in actie gekomen. Mensen van ongeveer 55 organisaties en bedrijven brachten hun ervaring, kennis en kunde in om tot deze RES voor de gebouwde omgeving te komen. Het gros van deze mensen zegt nu al ook in de volgende fase actief te willen zijn. De bereidheid is in alle (sub)sectoren groot. Wat moet er gebeuren? Er zal een uitvoeringsagenda moeten komen om de strategie ten uitvoering te brengen. Onderzoeksvragen moeten worden geformuleerd en startprojecten gedefinieerd. Per sub-tafel van de gebouwde omgeving is ook een aantal acties gedefinieerd, die niet uitputtend in dit procesvoorstel zijn opgenomen. In deze paragraaf is een overzicht opgenomen van de aanbevolen acties.

1. Terugdringen energie- en warmtevraag a.

b.

c.

d.

De in de RES aangehaakte partijen maken samen een plan van aanpak voor het terugdringen van de warmtevraag in de gebouwde omgeving. De gemeenten nemen hiervoor het voortouw. Ook de subtafels krijgen hierin een belangrijke rol. Bedrijven (met uitzondering van de kleinverbruikers) hebben sinds 1 juli 2019 een informatieplicht om aan te geven op welke manier zij energie gaan besparen. De gemeenten stellen samen met de RUD een plan op hoe zij niet alleen de handhaving vorm gaan geven, maar ook bedrijven gaan begeleiden om voortvarend aan de slag te gaan met energiebesparing. De gemeenten zullen de grootste energieverbruikers als eerste bezoeken. Economische Impuls Zeeland zal bedrijven bezoeken om te verkennen op welke manier zij behoefte hebben aan ondersteuning. Provincie en gemeenten stellen samen met Techniek Nederland en Economische Impuls Zeeland een actieplan op om het inregelen van verwarmingsinstallaties in bedrijfsgebouwen en woningen als nieuwe standaard te promoten. Installatiebedrijven geven aan dat hiermee 10 tot 20% energie is te besparen. De Zeeuwse gemeenten en provincie stellen uiterlijk in 2020 een routekaart op voor de verduurzaming en energiebesparing van hun vastgoed.

2. Bruikbaarheid van warmtebronnen e.

f.

g. h.

Ter voorbereiding op het opstellen van de TVW analyseert de gemeentes de bruikbaarheid van de warmtebronnen uit het kaartmateriaal van Bureau Over Morgen en vult de data aan. Dit is een vereist onderdeel van de TVW die elke gemeente moet opstellen voor 2022. In 2.8 is een globaal afwegingskader opgenomen aan de hand waarvan de bronnen geanalyseerd kunnen worden, dit wordt nader uitgewerkt. Op basis van de analyse van de warmtebronnen, verkent de gemeente met de betrokken partijen (VvE’s, corporatie, eigenaren gebouwen) de mogelijkheid om de geschikte warmtebronnen te gebruiken voor verwarming van de gebouwde omgeving. Deze conclusies moeten tweejaarlijks herijkt worden. De gemeente stelt een businesscase op samen met de gebruikers en leveranciers van de warmtebron aan de hand waarvan de betrokkenen een besluit nemen over de realisatie ervan of eerst het ontwikkelen van een pilot. Voor woonwijken die na 2005 zijn gebouwd, analyseert elke gemeente samen met het netwerkbedrijf hoe en wanneer deze wijk van het aardgas kan worden losgekoppeld. Gezamenlijk maken zij een plan van aanpak voor deze wijken.

3. Startprojecten Elke subsectortafel benoemt meerdere startprojecten, om zo op korte termijn aan de slag te gaan met de uitvoering van de RES. Voor gebouwde omgeving stellen we de volgende projecten voor: i.

j.

Alternatieve warmtebronnen: i. haalbaarheidsonderzoek gebruik van restwarmte van industrie in de Kanaalzone en in Middelburg, Dauwendaele (in uitvoering); ii. benoemen van twee à drie haalbaarheidsonderzoeken in Zeeland op het gebied van toepassing van aquathermie (in ontwikkeling); iii. op een aantal Zeeuwse bedrijventerreinen wordt middels de provinciale regeling Duurzaamheidsscans bedrijventerreinen onderzocht wat de mogelijkheden zijn om bedrijventerreinen te verduurzamen en restwarmte van de bedrijven te benutten. (in ontwikkeling). Terugdringen van energievraag: i. opleiden van installateurs voor het optimaal inregelen van verwarmingsinstallaties (in uitvoering);

62

Regionale Energiestrategie Zeeland RES 1.0 ii. iii. iv.

Energiek Zeeland, het opzetten van een adviessysteem voor woningeigenaren door Zeeuwse bedrijven (in uitvoering); duurzame monumentenproject uitrollen; het begeleiden van monumenteneigenaren bij het terugbrengen van de warmtevraag (in uitvoering). plan van aanpak voor mobiliseren van grootverbruikers onder Zeeuwse bedrijven om energievraag terug te dringen.

Een overzicht van alle startprojecten per sub-sector is te vinden in Bijlage 3.

4 Communicatie k. De gezamenlijke gemeenten werken een communicatieplan uit voor bewustwording bij bedrijven en particulieren. l. Het onderwijs wordt op verschillende manieren zoveel mogelijk betrokken in de startprojecten. m. Kennis over startprojecten is breed toegankelijk voor geïnteresseerden, o.a. via de website van het Zeeuws Energieakkoord, maar ook zoveel mogelijk via publiciteit in de media.

2.10 Monitoring van de CO2-reductie Om de gestelde doelen t.a.v. de gebouwde omgeving te realiseren is het van belang om de CO2-reductie periodiek te monitoren. Op deze manier kunnen er indien noodzakelijk, tijdig maatregelen worden getroffen om bij te sturen. Binnen Zeeland worden diverse dashboards gehanteerd om de voorgang te meten. Zo wordt er gebruik gemaakt van de Klimaatmonitor van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat. Hierin zijn diverse dashboards beschikbaar waar o.a. de totale uitstoot van CO2, veroorzaakt door de gebouwde omgeving, wordt gepresenteerd. Daarnaast wordt ook het energieverbruik van zowel woningen, de commerciële- alsook publieke dienstverlening weergegeven over meerdere jaren en per energiedrager. Op deze manier worden trends zichtbaar en kunnen er voorspellingen worden gedaan over het wel of niet behalen van de doelstellingen. Naast de Klimaatmonitor heeft Enduris een proces ontwikkeld waarin zowel recente als juiste cijfers t.a.v. duurzame opwek en verbruik van elektriciteit en gas in de gebouwde omgeving kunnen worden opgevraagd. Het hierbij behorende dashboard zal het komende jaar verder worden uitgebreid met parameters zoals het aantal gebouwen per jaar voorzien van all-electric, hybride en warmtenet oplossingen afgezet tegen de geprognosticeerde aantallen.

Deze informatie wordt aan belanghebbende partijen beschikbaar gesteld waaronder de Gemeenten en de RES Zeeland.

2.11 Conclusies Gebouwde Omgeving Voor de Zeeuwse gebouwde omgeving is de omslag naar verduurzaming van de warmtevraag en de overgang naar een andere warmtebron dan aardgas, vrij complex. Uit de huidige analyse van de beschikbare data blijkt dat er niet één specifieke oplossing voor de gebouwde omgeving uit springt, die op dit moment realistisch is voor alle locaties en toepassingen. Om die reden is het advies om op korte termijn geen ingrijpende beslissing te nemen voor een alternatieve warmtevoorziening, maar stapsgewijs te gaan verkennen wat in de Zeeuwse situatie de beste oplossing is door pilotprojecten en onderzoek. Dit betekent niet dat we nu niets moeten en kunnen doen, we zullen vooral inzetten op ‘geen spijt’ maatregelen (op de juiste manier isoleren bijvoorbeeld). Voor het terugdringen van de warmtevraag en om woningen en gebouwen op termijn wel te kunnen voorzien van duurzame warmte (bijvoorbeeld middels warmtenetten of warmtepompen), moet fors worden ingezet op terugdringen van de energievraag door isolatie en door het efficiënter omgaan met energie. Vanuit deze Regionale Energiestrategie zal samen met de Zeeuwse gemeenten het komende jaar verder worden gewerkt aan de invulling van de TVW. In deze visie, die elke gemeente gaat opstellen, zal per wijk aangegeven worden hoe de overgang naar een duurzame warmtevoorziening vorm krijgt.

Eind 2019 hebben de Zeeuwse gemeenten besloten om dit zoveel mogelijk gezamenlijk te gaan doen, met ondersteuning vanuit de hoofdtafel Gebouwde Omgeving. Deze RES vormt met alle verzamelde data en het kaartmateriaal dat Bureau Over Morgen in opdracht van de Zeeuwse RES-partners heeft opgesteld, de basis voor de TVW.

Voorlopig nog gasnet/hybride warmtepomp/innovatie Voor oude binnensteden en voor woningen in het landelijk gebied (inclusief dorpen) van vóór 2005 is een warmtenet van 70 graden of all-electric oplossing voorlopig niet haalbaar, zonder ingrijpende investeringen te doen. Dit geldt momenteel voor meer dan de helft van het Zeeuwse woningenbestand. Het advies is hier om fors in te zetten op het isoleren van de woningen, conform de standaarden die het Rijk daarvoor gaat opstellen en vanuit de RES Zeeland breed zullen worden gecommuniceerd. In verschillende modellen (de Leidraad en de Energieatlas) die gebruikt worden voor het bepalen van een alternatieve warmtebron, wordt uitgegaan van een schillabel B voor woningen. In overleg met de gemeenten is het raadzaam om een plan van aanpak op te 63

Regionale Energiestrategie Zeeland RES 1.0 stellen om huiseigenaren te ondersteunen en aan te sporen om serieus aan de slag te gaan met het terugdringen van de warmtevraag. Dit maakt in de toekomst het overstappen naar een alternatieve warmtebron eenvoudiger en geeft tijd aan de overheden om de meest geschikte alternatieven te identificeren. Tegelijkertijd geeft het woningeigenaren, Verenigingen van Eigenaren en dergelijke wel een handelingsperspectief. Goed advies is zowel voor woningeigenaren als ondernemers van groot belang. Om die reden blijven we inzetten op de ontwikkeling en versterking van het onafhankelijk woningadvies (Energiek Zeeland), het Duurzame monumentenpaspoort en andere instrumenten voor gebouweigenaren. Een hybride warmtepomp zou voor het hierboven geschetste type woningen wel een optie kunnen zijn, omdat deze bij piekverbruik kan overschakelen op aardgas en ook hernieuwbaar gas zou kunnen gebruiken. Daarnaast is het de moeite waard om te verkennen of een middentemperatuurverwarming een oplossing biedt. Dit kan soelaas bieden waar lagetemperatuurverwarming onvoldoende vermogen geeft.

Warmtenet Op veel plaatsen in ons land zal de toekomstige warmtevoorziening via een warmtenet gaan verlopen. Dit warmtenet kan door verschillende bronnen gevoed worden (bijvoorbeeld restwarmte, biomassa of geothermie). De eigenschappen van de Zeeuwse gebouwde omgeving, zoals de lage woningdichtheid, maar ook het beperkt aantal warmtebronnen, maakt het opzetten en exploiteren van warmtenetten slechts op een beperkt aantal plaatsen interessant. Bureau Over Morgen heeft o.a. de data van warmtebronnen in de database verwerkt, maar deze bronnen vergen nader onderzoek. We weten nog niet hoeveel en wanneer er warmte aan deze bronnen kan worden onttrokken en wat de bruikbaarheid ervan is, ook op lange termijn. Dit is onderdeel van de TVW, die de gemeenten uit gaan voeren vanaf 2022. Op basis daarvan kan het bijvoorbeeld in Zeeuwse steden waar appartementencomplexen zijn gevestigd, de moeite zijn om een nadere verkenning te doen, samen met de woningbouwcorporatie of VvE in die wijk/gebied. De omschreven kansen die er mogelijk op het vlak van aquathermie liggen, bijvoorbeeld het gebruik van warmte uit oppervlaktewater, verdienen eveneens nader onderzoek, ook naar de opslagmogelijkheden hiervan. Om die reden zullen er op enkele plaatsen in Zeeland waar pilots opgezet worden voor aquathermie om de kansen en knelpunten te onderzoeken.

De bij de industrie beschikbare restwarmte is nadrukkelijk onderwerp van onderzoek de komende jaren. Het onderzoek moet inzicht geven in de beschikbaarheid van de warmte op langere termijn, de kosten van toepassing in de gebouwde omgeving en de mogelijkheden die er op dat vlak in Zeeland zijn.

All-electric Voor het all-electric gaan verwarmen van huizen, is het cruciaal dat ze voldoende geïsoleerd zijn. Voor woonwijken die na 2005 zijn gebouwd, zou dit met een beperkt aantal ingrepen haalbaar zijn. Ook voor de recreatiesector liggen er kansen op dat vlak. Het advies is dat betrokken partijen, zoals gemeente, woningbouwcorporatie en netwerkbedrijf, zullen een plan van aanpak maken voor de komende 10 jaar voor dit soort wijken.

Andere gebouwen Voor alle gebouwen die geen verblijfsfunctie hebben, geldt eveneens dat het terugdringen van de warmtevraag prioriteit moet hebben. Voor een groot deel van deze gebouwen geldt dezelfde problematiek als hierboven geschetst voor woningen. Bedrijfsgebouwen op een bedrijventerrein zijn mogelijk wel eenvoudiger op een lokaal warmtenet aan te sluiten, gevoed met restwarmte van omliggende bedrijven. Het advies is dat gemeenten lokaal op bedrijventerreinen een verkenning uitvoeren voor dit soort oplossingen. Lokale warmtenetten hebben vaak een redelijk korte terugverdientijd. De gemeenten en provincie zouden hiertoe het initiatief dienen te nemen. Het Rijk heeft een aantal beleidsmaatregelen genomen om de CO2 uitstoot van bedrijven te verminderen. Uitvoering van die maatregelen is een uitgangspunt bij het bepalen van de opgave voor de regio’s. De besparing die met deze beleidsmaatregelen wordt beoogd, moet dus absoluut worden gehaald. Het gaat om de implementatie van de Energie Efficiency Richtlijn, het Activiteitenbesluit en het verbod op verhuur van kantoren met een energielabel slechter dan C. De gemeenten en de RUD zijn als bevoegd gezag aangewezen voor de handhaving hiervan. De energievraag van de bedrijven betreft niet alleen gas en elektriciteit voor het verwarmen en verlichten van bedrijfsgebouwen, maar met name energie voor bedrijfsprocessen.

Het advies is dat de provincie en gemeenten actief inzetten op een forse reductie van de energievraag bij bedrijven binnen 5 jaar. De RUD en de gemeenten zetten hiervoor een gezamenlijk plan van aanpak op. De bedrijfsvoering van gemeenten, provincie en waterschap is op sommige vlakken vergelijkbaar met die van het bedrijfsleven. Zij zullen het goede voorbeeld geven en zetten in op het versneld ontwikkelen van een CO2-neutrale bedrijfsvoering. Uiterlijk in 2020 ontwikkelen ze hiervoor een routekaart.

64

Regionale Energiestrategie Zeeland RES 1.0

3.

Elektriciteit

De belangrijkste punten uit de Zeeuwse RES op het gebied van Elektriciteit:     

  

Zeeland wekt 3 TWh (11 PJ) aan hernieuwbare elektriciteit op in 2030. Zo dragen we meer dan evenredig bij aan de landelijke opgave. In Zeeland zijn landschappelijke kwaliteiten, biodiversiteit en een fijne leefomgeving leidend bij het inpassen van winden zonprojecten. In Zeeland hanteren we voor windenergie een concentratiebeleid met aangewezen locaties. Voor zon-PV hebben we een Zeeuws afwegingskader (ladder). De Zeeuwse gemeenteraden en provinciale staten hebben altijd het laatste woord als het gaat om de ruimtelijke ordening, we respecteren het democratisch proces. Daarom is per gemeente specifiek beleid voor wind en zon opgenomen in de RES. Zeeland kijkt, naast zon en wind als energiebron, ook naar energie uit water en we ondersteunen technologische innovaties. Kernenergie heeft een rol in de Zeeuwse CO2-vrije energiemix. In Zeeland zit de netbeheerder voortdurend bij overheden en initiatiefnemers aan tafel om locaties en prioriteiten van energieprojecten af te stemmen. Zo zorgen we dat het elektriciteitsnet in staat is de groei van hernieuwbare energieopwekking op te vangen en houden we maatschappelijke kosten zo laag mogelijk. De energie-infrastructuur in de Zeeuwse industriegebieden is zeer bepalend voor het toekomstig energiesysteem in Zeeland. Daarom benaderen we dit integraal en betrekken we de industrie actief bij het opstellen en uitvoeren van de RES.

3.1 Inleiding Nederland heeft als doel een CO2-vrij elektriciteitssysteem in 2050. Dat betekent dat bestaande fossiele bronnen worden vervangen door hernieuwbare bronnen. In Zeeland is dat al volop gaande: met bestaande en nieuwe windparken en groeiende aantallen zonnepanelen. De totale Zeeuwse hernieuwbare elektriciteitsproductie is nu ongeveer 5,5 PJ. Dat is iets meer dan 50% van het totale Zeeuwse elektriciteitsverbruik.31

Proces en keuzes Waar we bij het schrijven van deze RES tegenaan zijn gelopen, is het feit dat er verschillende ideeën leven over de mate van concreetheid die een RES kan bieden. Dilemma bij het schrijven van deze RES was: enerzijds het willen aanwijzen van specifieke locaties om de doelen concreet te onderbouwen, anderzijds het willen doorlopen van goede ruimtelijke procedures van plannen; waarbij de belangen en wensen van omwonenden ertoe doen, we inspraakmogelijkheden willen respecteren en per project gemeenteraden en provinciale staten het laatste woord hebben. Deze RES bevat daarom doelen en afwegingskaders, om aan beide invalshoeken recht te doen. Besluitvorming over projecten vindt niet plaats in deze RES, maar blijft plaatsvinden met de project specifieke vergunningprocedures.

In de RES worden de verschillende waarden voor elektriciteit gebruikt: Watt is de eenheid waarin elektrisch vermogen wordt uitgedrukt. Als men een machine met een vermogen van 1 kW een uur laat werken, heeft men 1 kWh (kilowattuur) aan elektriciteit verbruikt. 1000 Kilowatt is een megawatt (MW) en een miljoen kilowatt is een gigawatt (GW). En daar weer 1.000 van is een terawatt (TW). Naast watt-uren wordt in de RES ook de eenheid petajoules (PJ) gebruikt. De gangbare eenheid voor energie is namelijk joule. Ook de energiewaarde van gas kan worden uitgedrukt in PJ’s.

Opgave en ambitie hernieuwbare elektriciteit 2030 In het Klimaatakkoord is opgenomen dat regio’s een basispakket (49% in 2030) realiseren van 35 TWh hernieuwbare opwekking op land. 35 TWh staat gelijk aan 126 PJ. Het Zeeuwse aandeel hierbinnen is moeilijk te bepalen; een inschatting op basis van landoppervlak en het Zeeuwse aandeel in het landelijke elektriciteitsverbruik is dat het Zeeuwse aandeel neerkomt op ca. 6 PJ. De ambitie van de Zeeuwse partners ligt echter hoger dan dit. Daarom spannen de Zeeuwse partners zich in om in 2030 tenminste 11 PJ (3 TWh) aan opwekking hernieuwbare elektriciteit te realiseren. 11 PJ is ongeveer 1/12e deel van de landelijke doelstelling van 126 PJ en daarmee een fair deel van het landelijke doel. Tevens staat dit ongeveer gelijk aan het huidige totale Zeeuwse elektriciteitsverbruik (inclusief industrie) en betekent 11 PJ een verdubbeling van de huidige opgewekte hoeveelheid hernieuwbare elektriciteit. Deze 11 PJ kan indicatief worden verdeeld over de volgende technieken en vermogens:

31 Gegevens Windstats.nl en zonneopbrengst gegevens Enduris.

65

Regionale Energiestrategie Zeeland RES 1.0 Indicatief vermogen

Opbrengst in watt-uren

Opbrengst in PJ

Windenergie

700 MW

≈ 1950 GWh

≈ 7 PJ

Zon-PV op dak (> 15 kW)

500 MW

≈ 485 GWh

≈ 1,75 PJ

Zon-PV op land/water

500 MW

≈ 485 GWh

≈ 1,75 PJ

Energie uit water

100 MW

≈ 135 GWh

≈ 0,5 PJ

Totaal

1800 MW

3 TWh

11 PJ

Tabel 16: Technieken en vermogens energie opwek.

Scenario's voor een CO2-neutraal energiesysteem in 2050 Het doel ‘11 PJ hernieuwbare elektriciteit in 2030’ is een tussendoel richting een volledig CO2-neutrale energievoorziening in 2050. Het potentieel van verschillende technologieën is in kaart gebracht en de belangrijkste voor- en nadelen zijn benoemd. Marktpartijen maken de uiteindelijke keuzes, al dan niet gestuurd door overheidsbeleid. Onderstaande tabel geeft een overzicht van de beschikbare technologieën, met daarbij een hele grove inschatting van de potentie in 2050: Leverings-

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/9921056/1