2021-04-07 e. Regionale Energiestrategie Zeeland - 1.0
Tekst van het document
Huidige stand van zaken Voor de hierboven genoemde routekaart zijn de volgende stappen gedefinieerd:
Gemeenten brengen hun vastgoedportefeuille in kaart en voorzien deze van een aanpak waaruit blijkt dat het eigen vastgoed de komende jaren in tranches wordt verduurzaamd richting energieneutraal. De Provincie heeft deze exercitie reeds uitgevoerd voor het eigen vastgoed, de gemeenten doen dat uiterlijk in 2020. De VNG ondersteunt hen daarbij met kennis en communicatie, zoals een format voor het in kaart brengen van de vastgoedportefeuille, een benchmark voor gemeentelijk vastgoed, een modelaanpak inclusief een handleiding voor bestuurlijke besluitvorming en door het verspreiden van goede voorbeelden. Gemeenten onderzoeken of zij met hun eigen vastgoed een bijdrage kunnen leveren aan een snelle start van de verduurzaming van de warmtevoorziening, door aan te sluiten bij initiatieven van corporaties en energieleveranciers in die gebieden waar op korte termijn overeenstemming is over de gewenste warmtevoorziening. Twaalf sectoren in het maatschappelijk vastgoed hebben afgesproken per 1 mei 2019 een routekaart op te leveren: Rijksvastgoedbedrijf, VNG, IPO, Politie, Primair Onderwijs (PO) en Voortgezet Onderwijs (VO), Middelbaar Beroepsonderwijs (MBO), Hoger Beroepsonderwijs (HBO) en Wetenschappelijk Onderwijs (WO), zorg- en sportvastgoed en monumenten.
Doel van de sectorale routekaarten maatschappelijk vastgoed is een concrete bijdrage te leveren aan 50% CO2-reductie in 2030 en CO2-arm maatschappelijk vastgoed in 2050. Met deze routekaarten worden de kosten inzichtelijk gemaakt evenals de status ten opzichte van de afspraak om in het kader van het Energieakkoord in 2020 2,5 PJ additionele besparing te realiseren. De routekaarten geven inzicht hoe de opgave binnen de betreffende sector wordt bereikt, brengt de knelpunten in kaart en biedt handelingsperspectief. In de praktijk blijkt dat een groot deel van de partijen eind 2019 de routekaart nog niet heeft ingevuld voor het eigen vastgoed. In Zeeland wordt hier via de RES aandacht voor gevraagd bij de betreffende partijen. Vanuit de RES Gebouwde omgeving is via de tafel Publiek Vastgoed tweemaal een overleg georganiseerd voor vastgoedbeheerders van de gemeenten. De meeste gemeenten waren hierbij vertegenwoordigd, evenals de provincie. Bij deze bijeenkomsten is aandacht geschonken aan de routekaart, het opstellen van een duurzaam meerjarenonderhoudsplan en gemeenten wisselen uit hoe zij aan de slag gaan met de routekaart. De aanwezige gemeenten hebben afgesproken om dit overleg in 2020 te continueren en circa 4 à 5 keer per jaar bij elkaar te komen, waarbij steeds een andere gemeente gastheer is. Gasverbruik naar branche in m3
Elektriciteitsgebruik naar branche in kWh
Openbaar bestuur (SBI O)
2.745.995
60.750.891
Onderwijs (SBI P)
6.007.079
20.325.240
Gezondheids- en welzijnszorg (SBI Q)
15.812.698
64.152.515
Kunst, amusement, recreatie (SBI R)
5.719.761
31.943.243
Overige dienstverlening (SBI S)
6.172.086
17.486.840
Tabel 3: Gas- en energieverbruik publiek vastgoed in Zeeland in 2018.13
Oplossingsrichtingen Elke gemeente (en andere overheid) heeft een meerjaren-onderhoudsplan (MJOP). Hier wordt nu een Duurzaam MJOP van gemaakt door standaard het duurzaamheidsaspect toe te voegen. Vaak zijn gebouwen zo verouderd dat nieuwbouw wenselijk is. In dat geval is het verstandig niet te investeren in onderhoud als het gebouw op termijn niet meer voldoet. Scholen nemen in het maatschappelijk vastgoed een eigen positie in. Verduurzaming van bestaande schoolgebouwen komt door een combinatie van factoren moeizaam op gang, terwijl scholen wel een voorbeeldfunctie vervullen. Het nationaal uitvoeringsprogramma Green Deal Scholen (2015-2017) heeft hierin nauwelijks verandering in kunnen brengen. In een Integraal Huisvestingsplan (IHP) dient een lange termijn planning gemaakt te worden welke scholen in een gemeente in aanmerking komen
13 Openbare verbruiksgegevens Enduris.
33
Regionale Energiestrategie Zeeland RES 1.0 voor nieuwbouw. In de nieuw te ontwikkelen IHP’s kan de verduurzamingsopgave meegenomen worden. Het Energie Servicepunt Zeeland heeft voor basisscholen een eigen ‘Zeeuwse’ aanpak ontwikkeld voor bestaande scholen, waarbij alle stakeholders direct betrokken worden in een plan van aanpak per school. Die aanpak wordt in 2019 en 2020 beproefd op 20 scholen. Deze scholen zijn verdeeld over zo veel mogelijk gemeenten en schoolkoepels. Als deze aanpak succesvol is, kan deze ook toegepast en uitgerold worden voor circa 150 andere basisscholen in Zeeland. Ook zijn er andere overheidsdiensten en gemeenschappelijke regelingen die centraliseren wat leidt tot sluitingen van gebouwen of delen van gebouwen. Gemeente moeten dus een duurzame, goede vastgoedstrategie maken rondom duurzaamheid. En zo de beschikbare middelen efficiënter inzetten. Ook met het vastgoed van de Zeeuwse hulpdiensten en zorg is een belangrijke bijdrage te leveren. Gezien het verbruik van deze sector, is een apart plan van aanpak, op te stellen met de sector, een belangrijk aandachtspunt. In de kamerbrief van BZK van december 2019 schrijft de minister dat momenteel in beeld wordt gebracht wat de benodigde randvoorwaarden en knelpunten zijn voor financiering, wetgeving en organisatie bij verduurzaming van maatschappelijk vastgoed.
Een belangrijk knelpunt is financiering van maatregelen. Doel van de minister is om waar mogelijk praktische oplossingen te bieden.
Maatregelen en aanbevelingen
Zet het recent opgezette overleg van vastgoedbeheerders van gemeenten met betrekking tot het verduurzamen van het vastgoed, voort in 2020 en betrek alle gemeenten hierbij. Maak een gezamenlijke strategie en betrek andere eigenaren van publiek vastgoed. Leg alle DMJOP plannen van de gemeenten bij elkaar. Maak inzicht in de opgave en formuleer de kansen. Integreer duurzame aspecten in het MJOP en IHP voor scholen om te komen tot gezonde, duurzame en betaalbare scholen. Voor bestaande scholen en nieuwbouw zijn hiervoor diverse tools ontwikkeld. Benut, voor zover nog niet gedaan, de daken van het publiek vastgoed. Maak kansen inzichtelijk en geef als overheid het goede voorbeeld. Onderzoek hoe de voorbeeldrol van maatschappelijke organisaties is te benutten op het vlak van energiebesparing. Onderzoek de opties om de kosten van vastgoedbeheer te drukken. Ga als gezamenlijke gemeenten aan de slag met de zorgsector om gezamenlijk een plan van aanpak te maken voor energiebesparing en verduurzaming. Zorg dat nieuwbouw direct energieneutraal is. Ontwikkel waar mogelijk gezamenlijke activiteiten (zoals gezamenlijk inkopen e.d.). Zorg dat alle partijen ervan doordrongen zijn dat verduurzaming van vastgoed geld kost en dat dit niet uit de reguliere budgetten kan worden bekostigd.
Er moet een meerjarenplan voor de kostenraming en dekkingsplan worden vastgesteld door de beheerders en de budgethouders. Grijp natuurlijke momenten van onderhoud, verbouwing en nieuwbouw aan om een verduurzamingsslag te maken, die toekomstbestendig is bij het aardgasvrij maken van de gebouwen.
Startprojecten
Direct aan de slag met reduceren van de warmte/energievraag, te beginnen bij het inregelen van de verwarmingsinstallaties. Het opzetten van een gemeentelijk monitoringssysteem voor energieverbruik. In een MJOP sturen op verduurzaming. Welke stappen kunnen het best wanneer gezet worden (in aanpak en financiële zin). Renovaties, nieuwbouw etc. Voldoende inzicht in verbruik krijgen. Gezamenlijke gemeenten gaan aan de slag met DMJOP. Samen met onderwijs en zorginstellingen werkt de tafel Publiek Vastgoed aan verduurzaming van het vastgoed. Het Project ‘Meer energie in scholen’; een Zeeuwse aanpak voor verduurzaming scholen (pilot in uitvoering).
2.4.4 Commercieel vastgoed Onder commercieel vastgoed verstaan we alle gebouwen van bedrijven, uitgezonderd de landbouw, energiebedrijven, bouwnijverheid en industrie. Onderstaand een overzicht van de commerciële sectoren, inclusief aantal vestigingen en werkzame personen. Kenmerkend voor het commerciële vastgoed in Zeeland is:
zo’n 50% van alle vestigingen van bedrijven en instellingen is commercieel vastgoed; ook buiten de sector industrie wordt veel energie gebruikt voor het bewerken of bewaren van producten; groot- en Detailhandel is grootste energieverbruiker in de sector commercieel en heeft de meeste vestigingen (6.254);
34
Regionale Energiestrategie Zeeland RES 1.0 energieverbruik van commercieel vastgoed is het grootste in gemeenten met een klein winkelbestand, door energieintensieve groothandelsbedrijven; horecasector relatief groot; in North Sea Port zijn veel overslagbedrijven, elektrisch railverkeer, mede hoge energieverbruik in de sector.
SBI
Omschrijving
Vestigingen
Werkzame personen
G H
Groot- en detailhandel; reparatie van auto’s
6.254
31.113
Vervoer en opslag
1.353
9.532
I
Logies-, maaltijd- en drankverstrekking
2.304
13.633
J
Informatie en communicatie
1.073
2.287
K
Financiële instellingen
500
2.698
L
Verhuur van en handel in onroerend goed
646
1.667
M
Advisering, onderzoek, special. zakelijke dienstverlening
5.189
10.398
N
Verhuur van roerende goederen, overige zakelijke dienstverlening
1.628
6.938
Tabel 4: Aantallen en vestigingen Zeeland.14
Wetgeving
Per 1 januari 2023 moet elk kantoor groter dan 100m2 minimaal energielabel-C hebben. Dit betekent een Energie-Index van 1,3 of beter. Voldoet het pand dan niet aan de eisen, dan mag het pand per 1 januari 2023 niet meer als kantoor gebruikt worden. Het Activiteitenbesluit milieubeheer verplicht bedrijven en instellingen (inrichtingen) om energie te besparen. In 2019 verandert deze regelgeving. Naast de bestaande energiebesparingsplicht komt er een informatieplicht Activiteitenbesluit voor categorie A en categorie B inrichtingen (bedrijven en instellingen) die meer dan 50.000 kWh elektriciteit of 25.000 m³ aardgas(equivalent) per jaar verbruiken. De meldingsplicht gaat in per 1 juli 2019 en moet gemeld worden bij het bevoegde gezag. De EED verplicht grootverbruikers om een energiebesparingsplan te maken en uit te voeren. In Zeeland vallen volgens een analyse van de Regionale Uitvoeringsdienst (RUD) Zeeland 307 bedrijven onder de EED. Het grootste deel van deze bedrijven valt onder de sector Industrie. Ook grootverbruikers gaan op termijn onder de meldingsplicht Activiteitenbesluit vallen. De wettelijke verplichting om nieuwbouwwoningen en utiliteitsgebouwen (<40m3/uur) desgevraagd aan te sluiten op het aardgasnet is per 1 juli 2018 vervallen.
Het ministerie van Binnenlandse Zaken onderzoekt met welke maatregelen bij verschillende type utiliteitsgebouwen de opgave voor 2030 binnen handbereik komt. Daarnaast komt er een wettelijke eindnorm waaraan utiliteitsgebouwen in 2050 minimaal moeten voldoen (kamerbrief Uitwerking KA, dec.2019).
Onderstaande tabel geeft inzicht in het energieverbruik van de commerciële sector. De periode 2010-2017 is te kort om duidelijke trends af te leiden. Wel zien we een daling van het energieverbruik in de financiële sector, vermoedelijk door het sluiten van bankfilialen. Verder valt het stijgende energieverbruik in de sector vervoer en opslag op. Het energieverbruik geeft nog geen inzicht in het warmtegebruik, maar we kunnen aannemen dat in het commercieel vastgoed warmte in hoofdzaak wordt opgewekt met gas. In bovenstaand overzicht is daarom een kolom met het gasverbruik per sector in 2017 opgenomen. We zien dat de grooten detailhandel, na de horeca, de grootste gasverbruiker is. Vermoedelijk is een fors deel van het gasverbruik gerelateerd aan bedrijfsprocessen binnen de groothandel. 2018 in TJ
2018 gas m3
Groot- en detailhandel, reparatie van auto's (SBI G)
1116
25.693.951
Vervoer en Opslag incl. elektr. railverkeer (SBI H)
480
10.651.558
Informatie en communicatie (SBI J)
99
2.069.342
Financiële activiteiten en verzekeringen (SBI K)
52
1.241.218
Exploitatie van en handel in onroerend goed (SBI L)
59
1.455.521
Advisering, onderzoek, specialistische zakelijke dienstverlening (SBI M)
373
9.210.663
Verhuur van roerende goederen, overige zakelijke dienstverlening (SBI N)
133
3.114.279
Energiegebruik Zeeland TJ
14 Klimaatmonitor.
35
Regionale Energiestrategie Zeeland RES 1.0 Tabel 5: Energieverbruik TJ in Zeeland.15
Huidige stand van zaken In de detailhandel zien we een afname in het aantal vierkante meters en het aantal winkelpanden. Er komen minder winkels en de winkels die overblijven zijn gemiddeld groter. Verder is er sprake van concentratie van detailhandel in de steden. Dit kan leiden tot nieuwbouw van meer energiezuinige winkelpanden. Groothandelsbedrijven verbruiken veel energie16, zowel voor het gebouw (verlichting, verwarming) maar ook niet-gebouwgebonden zoals voor het productie- of verwerkingsproces (drogen, koelen, ventileren bijvoorbeeld van landbouwproducten).
Nieuwbouw Tussen 1990 en 2010 was de nieuwbouwproductie (vooral op centrale locaties) cumulatief 202.000 m2. Er was veel nieuwbouw rond 1994 met de ontwikkeling van het centrum van Middelburg en Goes. Tussen 1996 en 2005 is veel bestaande bouw vervangen en zijn oude gebouwen getransformeerd.
Kantoren De kantorenmarkt17 in Zeeland is betrekkelijk klein, mede ook door het vertrek van een aantal Rijksdiensten staan grotere kantoren leeg. Slechts een klein gedeelte van de kantoren heeft een energielabel. Het Economisch Instituut voor de Bouw (EIB) heeft een analyse gemaakt van de leeftijd van de kantoren in Zeeland en verwacht dat tussen 2020 en 2040 ongeveer 8% van de vierkante kantoormeters door technische veroudering van de markt gaat. Gelijktijdig zal volgens het EIB de vraag met 11% dalen door een kleinere Zeeuwse beroepsbevolking. Er zijn in Zeeland 1.545 kantoorpanden18, wat niet wil zeggen dat deze panden ook planologisch als kantoor bestemd zijn. Deze kantoren bevinden zich in stads- en dorpscentra, op industrieterreinen en op formele kantoorlocaties. De totale vloeroppervlakte van deze kantoren is 1.3720.000 m2. Het lijkt aannemelijk dat (zonder aanvullend beleid) het energieverbruik van kantoren met 10% af zal afnemen voor 2040 door de op handen zijnde label-eisen (zie wetgeving hierboven) en de afname in vraag. Alle standaard bedrijfsindeling (sbi)-sectoren maken in minder of meerdere mate gebruik van kantoren. Beleggers proberen regelmatig oudere kantoren te transformeren tot appartementen.
Ze hoeven dan niet te investeren in de vereiste labelverbetering die vanaf 2023 geldt en de appartementen hoeven niet te voldoen aan de energiezuinigheidseisen voor nieuwbouw. Dit is een bedreiging omdat er relatief energie-onzuinige woningen aan de woningvoorraad kunnen worden toegevoegd.
Vervoer en opslag Vervoer en opslagbedrijven in Borsele, Vlissingen en Terneuzen (havens en procesindustrie) veroorzaken in deze sector vermoedelijk het hoge energieverbruik. Zowel de tankopslag- en (vries)veembedrijven verbruiken veel en ook is het elektrisch railverkeer hier meegeteld.
Dienstverlening De sector dienstverlening bestaat uit een groot aantal relatief kleine ondernemingen. Het kost moeite om deze bedrijven te bewegen hun energieverbruik terug te brengen. Het EED en het Activiteitenbesluit is maar op een klein deel van de commerciële dienstverlening van toepassing en het is moeilijk om energiebesparing bij het resterende deel van de dienstverleners af te dwingen. Overheden hebben de verbruiksgegevens niet op bedrijfsniveau, waardoor implementatie van de EED en het Activiteitenbesluit moeilijk is. Voor een gerichte aanpak is meer inzicht in het energieverbruik nodig dan de Klimaatmonitor nu biedt. Netbeheerder Enduris deed een eerste poging tot meer inzicht door een koppeling te maken tussen het Ribizwerkgelegenheidsbestand en de verbruiksgegevens. De resulterende geaggregeerde cijfers zijn niet te herleiden tot individuele bedrijven maar geven wel inzicht in waar de grootste energieverbruikers te vinden zijn. In Bijlage 1 zijn overzichten opgenomen van de standaard bedrijfsindeling klassen (sbi-klassen) met de grootste verbruiken en met de grootste verbruiken per aansluiting. Hieruit blijkt dat de indeling per sector niet, of beperkt, bruikbaar is voor de aanpak van energiebesparing.
Grote energieverbruikers in de commerciële sector De grote energieverbruikers bevinden zich in de industrie en landbouw, maar ook in de zorg, de zakelijke dienstverlening en de groothandel. Zoals al eerder aangegeven, gebruiken zij veelal energie voor de bedrijfsprocessen en niet uitsluitend voor verwarmen, ventileren of verlichten van bedrijfsruimten. Niet alleen binnen de industrie (die buiten de scope van de RES valt) maar ook bij bedrijven die niet onder de industriesector vallen, vindt be- en verwerking van producten plaats. Eigenlijk zou de
15 Openbaar verbruiksgegevens Enduris. 16 Klimaatmonitor op basis van verbruiksgegevens netbeheerders. 17 EIB, Kantorenmarkt in Zeeland, 2012, Locatus Verkenner. 18 Ribiz werkgelegenheidsenquête.
36
Regionale Energiestrategie Zeeland RES 1.0 aanpak van de grote verbruikers binnen het commerciële vastgoed hetzelfde moeten zijn als bij de industrie. Afdwingen van maatregelen uit de erkende maatregelenlijst is onvoldoende. De uitvoeringsdienst kan bedrijven nu verplichten om besparende maatregelen te nemen. Dit is vooral gericht op het gebouwgebonden energieverbruik (bijvoorbeeld het vervangen van TL8 lampen door T5 of LED). Daarmee wordt het energieverbruik binnen de bedrijfsprocessen niet aangepakt.
Oplossingsrichtingen Voor commercieel vastgoed zijn vermindering van de warmte/energievraag en het toepassen van duurzame warmte de meest kansrijke opties. Om resultaat te bereiken, wordt een aantal aanbevelingen gedaan bij het opzetten van het plan van aanpak:
intensieve begeleiding van bedrijven bij energiebesparing; eenvoudige toegang van gemeenten en RUD tot verbruiksgegevens van bedrijven; gelet op de aard en oorzaak van hun energieverbruik zou de aanpak van energiebesparing bij de grote verbruikers binnen commercieel vastgoed hetzelfde moeten zijn als bij de industrie; aandacht voor niet-gebouwgebonden energieverbruik van bedrijven, ook buiten de sector industrie; het afdwingen van de erkende maatregelenlijst is een te beperkt middel. Een gedegen onderzoek naar besparingsmogelijkheden binnen het bedrijfsproces (niet gebouwgebonden energieverbruik) is noodzakelijk; voldoende capaciteit bij gemeenten en bij RUD voor implementatie EED en Activiteitenbesluit; de uitvoeringsdienst heeft deskundigheid en personele capaciteit nodig om ondernemers te begeleiden bij energiebesparing en om uitvoering te geven aan het Activiteitenbesluit; het verdient de voorkeur om deskundigheid op het vlak van energiebesparende maatregelen op te bouwen binnen de RUD zodat de RUD een deskundig team kan samenstellen en opleiden; om met beperkte middelen een grote CO2-reductie te kunnen bereiken is het belangrijk dat de RUD zich als eerste richt op de 200 bedrijven met het grootste energieverbruik; promoten van het inregelen van verwarmingsinstallaties om op die manier 10 tot 20% energie te besparen op verwarming.
Maatregelen Uit gesprekken met MKB-bedrijven blijkt dat velen best energie willen besparen, maar niet goed weten waar te beginnen en er ook geen prioriteit aan geven. Uit de cijfers blijkt dat het verbruik in bepaalde sectoren erg hoog is en dat elke procent reductie een behoorlijke impact kan geven op de opgave van CO2-reductie. Daarom is het advies om als Zeeuwse gemeenten samen op te trekken en samen een aanpak te ontwikkelen waarmee Zeeuwse bedrijven in de periode 2020-2025 een forse slag kunnen maken in energiebesparing- en verduurzaming. Daarvoor zou het goed zijn als de gemeenten samenwerken met de RUD, het netwerkbedrijf en een vertegenwoordiging van het bedrijfsleven (Impuls, Economic Board). Een goede start is focus op de grootverbruikers die nu niet onder SDR vallen. Daarna kunnen we de doelgroep verbreden naar alle sectoren binnen het commercieel vastgoed, om ze op weg te helpen met energiebesparing. Gemeenten en de RUD hebben inmiddels redelijk inzicht in het energieverbruik van bedrijven die moeten voldoen aan de Energiebespaarplicht.
Startprojecten
De provinciale regeling Duurzaamheidsscans bedrijventerreinen ondersteunt gemeenten om inzage te krijgen in de mogelijkheid om bedrijventerreinen te verduurzamen en het gas- en energieverbruik van de gebouwen op het terrein te reduceren of gebouwen energieneutraal te maken (in uitvoering). Vanuit het Interregproject DOEN, (Duurzame ontwikkeling van Energie Neutraliteit) waar o.a. de provincie Zeeland partner in is, onderzoeken de provincie, SDR en Impuls Zeeland de mogelijkheid om restwarmte van industrie toe te passen in de Zeeuwse gebouwde omgeving (in uitvoering 2019-2021). Er wordt een pilot opgezet met installatiebedrijven voor het inregelen van verwarmingsinstallaties van bedrijven om op korte termijn 10-20% besparing te realiseren voor warmtevraag bij bedrijven (in ontwikkeling). De provincie en gemeenten zetten actief in op een forse reductie van de energievraag bij bedrijven binnen 5 jaar. Samen met de RUD zetten zij hiervoor een gezamenlijk plan van aanpak op (in ontwikkeling). Gemeenten gaan richtlijnen opzetten voor het onder de aandacht brengen van de installatie van zonnepanelen op nieuwbouw en eisen die het aan de constructie stelt. De tafel commercieel vastgoed gaat aan de slag met de top 100 grootverbruikers op het vlak van energie. Deze worden in samenwerking met de gemeenten bezocht in 2020 en aangespoord om werk te maken van energiebesparing.
Gemeenten geven voorlichting over energiezuinige nieuwbouw bij bedrijven. Voor dit doel wordt een digitale flyer ontwikkeld die actueel wordt gehouden met informatie over technische maatregelen, subsidies en fiscale stimuleringsmaatregelen. 37
Regionale Energiestrategie Zeeland RES 1.0
Aanbeveling landelijke tafel
Het energiebelastingstelsel kent nu een degressief tarief. Hoe meer je verbruikt, hoe minder energiebelasting en netwerktarief een ondernemer betaalt per m3 gas en per kWh elektriciteit. Dit heeft een negatieve invloed op de terugverdientijd van energiebesparende maatregelen; energie is te goedkoop voor de grote verbruikers. Als we echt progressie willen maken in de reductie van energieverbruik bij grootverbruikers, zal er ook een financiële prikkel moeten komen bij verbruik of het realiseren van een grote besparing. In de Handreiking RES is aangegeven dat er geen onderzoek is gedaan naar het energiebesparingspotentieel bij commercieel vastgoed. Ervaringen uit lokale projecten in Den Bosch en Middelburg leren dat een energiebesparing van 10% tot 20% eenvoudig en snel haalbaar is bij de meeste bedrijven. Bij een sterkere juridische of financiële prikkel is een grotere besparing mogelijk. Besparingen in gebouwgebonden energieverbruik (verwarming, koeling, verlichting) zijn eenvoudiger te realiseren dan besparingen in het bedrijfsproces. Het advies is om dit mee te nemen in de handreiking RES. Er zijn in Zeeland bijna 4.000 bedrijven die volgens het Activiteitenbesluit een Energiebesparingsplan op moeten stellen en uitvoeren. De begeleiding van bedrijven en het beoordelen van die energiebesparingsplannen is een grote opgave.
Het ontbreekt de gemeenten en omgevingsdienst nog aan menskracht en deskundigheid. Er is behoefte aan meer financiële ondersteuning dan het Rijk nu biedt. De oplopende eisen die aan de energielabels voor kantoren worden gesteld, kunnen leiden tot de transformatie van kantoren naar appartementen, waarvoor dan niet de EPC-eisen voor nieuwbouw gelden. RES Zeeland pleit er voor om deze ontsnappingsroute af te sluiten en in het Bouwbesluit strenge EPC-eisen te stellen aan appartementen in het geval van transformatie. Dit sluit aan bij de voorgenomen isolatienormen, die op termijn een verplichtend karakter moeten krijgen, zoals beschreven in het landelijk KA, gebouwde omgeving.
2.4.5
Recreatief vastgoed
Onder recreatief vastgoed verstaan we: hotels, hotels, pensions, bed & breakfasts, gebouwen op campings en jachthavens en vakantiewoningen of chalets op vakantieparken of als tweede woning. De recreatiesector in Zeeland is divers:
van mini-campings bij de boer tot luxe hotels; van vaste gasten die elk jaar naar hun tweede huis terugkeren tot toeristen die eenmalig komen; Nederland is nog altijd de belangrijkste herkomstmarkt; het toerisme vanuit het buitenland groeit, vooral uit Duitsland en België.
Onderstaande tabel laat het aantal per soort zien in Zeeland. Het toerisme in Zeeland kwam op in de jaren 70. Omdat recreatief vastgoed niet aan dezelfde eisen van het bouwbesluit voor particuliere woningen hoeft te voldoen, is de isolatiewaarde van een groot deel van de bestaande recreatiewoningen en gebouwen laag. Maar we zien ook dat ‘toekomstgerichte’ ondernemers steeds meer investeren in energiezuinige maatregelen en recreatiewoningen die nu ontwikkeld worden energiezuinig zijn. Het beeld is dus divers: van hoge tot lage isolatiewaarden en dus ook van energieverbruik. Eenheden
Slaapplaatsen
Vakantiewoningen / appartementen (bedrijfsmatige verhuur)
6,120
36,880
Vakantiewoningen / chalets / appartementen (particulier eigendom) #
13,520
65,970
Bijzondere accommodaties
380
1,520
Strandslaaphuisjes
470
2,120
Verhuurchalets
3,150
15,010
Jaarplaatsen *
12,880
64,880
Toeristische kampeerplaatsen
22,840
114,170
Kamers (hotel / hostel / pension / B&B)
4,550
10,330
Vaste ligplaatsen
9,920
Passantenligplaatsen
900 Totaal
38
74,710
310,880
Regionale Energiestrategie Zeeland RES 1.0 Tabel 6: : soorten recreatief vastgoed eenheden/slaapplaatsen.19
Aantal elektriciteitsaansluitingen
Verbruik elektrisch
Verhuur vakantiehuisjes appartementen jeugdherbergen
221
5832714
Restaurants, cafetaria’s e.d.
948
37.183.748
Kampeerterreinen
296
19.083.066
SBI klasse
Aantal gasaansluitingen
in kWh
Verbruik gas in m3
El/aan-sluiting
Gas/aansluiting
2131125
26392
12536
847
5.300.089
39.223
6.257
223
2.307.166
64.470
10.346
170
Hotels e.d.
317
15.236.500
271
3.122.670
48.065
11.523
Cafés
393
12.885.402
344
1.856.562
32.787
5.397
Overige recreatie
135
1.303.961
121
279.876
9.659
2.313
Overige logiesverstrekking
45
183.408
42
95.744
4.076
2.280
Tabel 7: Recreatief vastgoed aansluitingen en verbruik gas en elektriciteit.20
Afspraken Toeristisch Ondernemend Zeeland (TOZ) is het Zeeuwse koepelplatform van de toeristische brancheorganisaties Koninklijke Horeca Nederland, VeKaBo en Hiswa-Recron. In haar recent opgestelde strategiedocument heeft het TOZ ‘duurzaamheid en energietransitie’ als een van de vijf uitdagingen en ambities opgenomen waarmee ze aan de slag wil gaan. De Zeeuwse sector wil graag bewust omgaan met energie, dat past bij de wensen van de hedendaagse gast en sluit aan op erkende kwaliteitskeurmerken. Daarbij is het bedrijfseconomisch interessant om het energieverbruik te reduceren.
Wetgeving
De Wet Milieubeheer, artikel 2.15 van het Activiteitenbesluit, betekent een energiebesparings- en meldplicht (EML), waaronder ook recreatiebedrijven vallen. Het ministerie van EZK heeft bij de nieuwe lijst Sport en Recreatie vanaf 1 april 2019 de vakantiewoningen ook onder de EML geplaatst. Op 5 maart 2019 is een lijst met erkende maatregelen die zich binnen vijf jaar terugverdienen, gepubliceerd in de Staatscourant (Lijst Sport en Recreatie en Horeca). Het Bouwbesluit stelt wel eisen aan vakantiewoningen, maar de EPC-eis is veel minder streng dan voor woningen.
Huidige stand van zaken Op het gebied van verduurzaming van recreatie vastgoed gebeurt er in Zeeland in de recreatiesector al het een en ander: zo zijn er verschillende bedrijven bezig met circulair bouwen, zijn nieuwe projecten vaker duurzaam en zien we bij overdracht van eigendom dat investeringen in het energiezuinig maken van het object plaatsvinden. Op het vlak van energiebesparing is er echter nog veel winst te boeken. Er is een brede variatie in de energievoorziening van vakantieaccommodatie, tot en met propaan- en butaangas toe. Verduurzaming in de hele sector vormt een uitdaging.
Toenemende vraag Belangrijke ontwikkelingen die van invloed zijn op de energieopgave: prognose toename van het aantal gasten en dus het aantal overnachtingen21 met 50% in 2030. Dit zal leiden tot de wens voor uitbreiding van bestaande recreatiebedrijven en het ontstaan van nieuwe, dit zal een sterke groei van het energieverbruik veroorzaken. Het soort accommodatie verandert ook: niet meer alleen standaard 4-persoons vakantiewoningen, maar meer flexibele accommodatie voor samengestelde gezinnen, families en vriendengroepen. Recreatiewoningen worden steeds vaker als beleggingsobject aangeschaft. De verduurzaming van bestaande woningen kan, door versnipperd bezit bijvoorbeeld op campings (staplaatsen) en in vakantieparken, niet collectief. Doordat kampeerplaatsen steeds vaker worden omgezet in chalets wordt het seizoen langer, en dus ook de energievraag hoger. En dat terwijl de isolatie-eisen aan recreatieverblijven lager zijn dan aan een gewone woning. De EPC-eis voor een recreatiewoning is 1,4 terwijl de woning wel het hele jaar wordt gebruikt en verwarmd. Al met al is de trend dat gasten steeds meer kijken naar duurzaamheid, luxe, gezondheid en gemak en ook steeds vaker een vakantiewoning of hotel verkiezen boven kamperen.
19 Aanboddatabase Zeeland, Kenniscentrum Kusttoerisme. 20 Openbare gebruiksgegevens Enduris. 21 Perspectief bestemming Nederland 2030, NBTC Holland Marketing, januari 2019.
39
Regionale Energiestrategie Zeeland RES 1.0
Oplossingsrichtingen
Energiebewust: Bewust omgaan met energie is goed voor het imago van de sector, past bij de wensen van de gast en sluit aan op erkende kwaliteitskeurmerken. En bedrijfseconomisch is het interessant om te besparen of het energieverbruik te reduceren. De piek in verbruik is gelijk aan de piek in het toeristenseizoen en ook aan de piek in duurzame opwek (zonne-energie). Bijzondere duurzame verblijfsrecreatie kan nieuwe doelgroepen aantrekken (bv. circulaire woningen, duurzaam kamperen of woningen gekoppeld aan oplaadpunt van Tesla). De brancheorganisaties gaan de bewustwording m.b.t. energieverbruik van hun leden vergroten door er in nieuwsbrieven en bij bijeenkomsten aandacht aan te schenken en goede voorbeelden te laten zien. Financiering: Er is bereidheid om te investeren in recreatief onroerend goed. Dit biedt kansen om het bestand van recreatiewoningen te vernieuwen op populaire locaties. Maar de benodigde financiële armslag is niet altijd aanwezig voor de investeringen in duurzaamheid. Bekend maken van duurzame financieringsmogelijkheden met gunstige voorwaarden en voorbeelden uit de sector, biedt kansen. Advisering: Het kennisniveau bij ondernemers is erg verschillend. Er is behoefte aan onafhankelijke advisering met kennis over branche-specifieke vragen (over het koelen van horecavriezers, zwemvoorzieningen, ed.).
Uitdagingen: Wanneer parken volledig op elektriciteit overschakelen, kan in de toekomst de capaciteit van het energienet en tijdige informatie hierover, een probleem worden. Veel recreatiewoningen zijn in handen van particulieren. Voor deze doelgroep moet ook een plan van aanpak opgezet worden. De eisen van het Bouwbesluit houden geen rekening met het intensieve gebruik van vakantiewoningen. Er worden nu vakantiewoningen gebouwd met de EPC-eis die meer dan 10 jaar geleden voor woningen gold. Er is geen goed inzicht in het verbruik van vakantiehuizen omdat de nutsaansluiting van vakantiewoningen vaak op de naam van een particuliere eigenaar staat. Dat betekent dat het daadwerkelijke gasverbruik van vakantiewoningen hoger is dan in bovenstaande tabel is vermeld. Ook kan in de toekomst de capaciteit van het energienet, en tijdige informatie hierover, een probleem worden.
Maatregelen Het voorstel is dat de sector een onderzoek laat uitvoeren naar het energieverbruik van verschillende recreatievormen en welke energiebesparende maatregelen het beste passen bij het gebruik. Op basis van dat onderzoek is het voornemen een actieplan op te stellen met TOZ, Provincie, gemeenten en Impuls Zeeland om een CO2-reductie van 25% in 2025 te realiseren in de Zeeuwse recreatiesector. Toeristisch Ondernemend Zeelanden de Zeeuwse overheden gaan gezamenlijk werken aan bewustwording en voorlichting m.b.t. CO2-reductie in de recreatiesector. Er wordt een plan van aanpak voor opgesteld dat vanaf 2020 van start gaat. In overleg zullen de mogelijkheden voor het benodigd budget bepaald worden.
Startprojecten
Binnen het project ‘Een Zeeuwse Circulaire Beleving’ worden recreatieondernemers gestimuleerd om aan de slag te gaan met circulair bouwen. Dit draagt bij aan de CO2-reductie die nodig is voor de productie van bouwmaterialen. Gebruik van zonnepanelen en zonneboilers is kansrijk op recreatiebedrijven voor stroomvoorziening en warm water. Gebruik hiervan zal vanuit de brancheorganisaties gestimuleerd worden. Aanbevolen wordt de benchmark energieverbruik voor recreatiewoningen te verbeteren. Deze acties zullen onderdeel zijn van het plan van aanpak dat de betrokken partijen van de subtafel recreatief vastgoed in 2020 zullen opstellen.
Aanbeveling aan landelijke tafel Het is van groot belang dat er eisen worden gesteld aan de energiezuinigheid van bestaande vakantiewoningen. Het is belangrijk dat er aanvullende isolatie-eisen komen voor recreatieverblijven die in de winter worden verhuurd. De EPC-eis voor recreatiewoningen moet op hetzelfde niveau worden gebracht als voor reguliere woningen, bij nieuwe chalets en caravans moeten ook eisen gesteld worden aan de isolatiewaarden. Daarbij kan bij stacaravans en chalets het beste ingezet worden op het in fases vernieuwen van bestaande caravans en chalets. Tevens is het in gesprek gaan met toeleveranciers over de eisen van groot belang.
2.5 Regionale Structuur Warmte In dit hoofdstuk geven we aan hoe de regionale structuur warmte er voor Zeeland uitziet. We geven aan wat ons voorstel is voor de regionale voorziening van warmte met daarin opgenomen hoe het warmteaanbod, de warmtevraag, en de infrastructuur op Zeeuws niveau, met elkaar kunnen worden verbonden en wat hierin onze ambitie is. De op te stellen TVWs van de gemeenten 40
Regionale Energiestrategie Zeeland RES 1.0 zullen belangrijke input opleveren voor het overzicht van de warmtebehoefte in Zeeland. In dit hoofdstuk zijn verschillende bronnen en modellen gebruikt, die in de loop van 2020 en 2021 geanalyseerd worden en verder zullen worden uitgewerkt, afhankelijk van de bruikbaarheid van het model in de omschakeling naar andere warmtebronnen dan aardgas. Er zal in de TVW een uitwerking moeten komen van wat we het Afwegingskader noemen; daarin zal zowel een financiële analyse worden gemaakt van de maatschappelijke kosten als ook sociale aspecten zullen een belangrijke rol gaan spelen in de totale afweging.
Warmtebronnen De ambitie voor een duurzame warmtevoorziening in de gebouwde omgeving is groot. Het energiegebruik in de gebouwde omgeving is ruim 30% van het totale energiegebruik in Nederland (Klimaatmonitor). Op dit moment bestaat circa 90% van die energievraag in de gebouwde omgeving uit ruimteverwarming met aardgas. In Nederland willen we in 2050 geen gebruik meer maken van aardgas voor de gebouwde omgeving. Om dat te bereiken is in ieder geval energiebesparing nodig, bijvoorbeeld door isolatie. De rest van de besparing moet komen van all-electric, of andere warmte-opties die (uiteindelijk) niet afhankelijk zijn van aardgas. Een hele opgave gezien de (beperkte) beschikbaarheid van duurzame alternatieven, de vervanging van gasapparaten, de noodzakelijke investeringen in infrastructuur en het vastgoed en de ruimtelijke impact. Het is belangrijk dat we de in Zeeland aanwezige warmtebronnen zo goed mogelijk inzetten in de gebouwde omgeving. Er zal steeds, op wijkniveau, zorgvuldig een afweging gemaakt moeten worden tussen belangen. De inzet van duurzame warmtebronnen reduceert de totale CO2-uitstoot, maar heeft ook andere, soms negatieve, effecten op het landschap, de bodemof waterkwaliteit, het ecosysteem, de luchtkwaliteit of de volksgezondheid. We kijken naar mogelijkheden van duurzame opwekking of voorziening.
Zo kan de gebouwde omgeving zoveel mogelijk in haar eigen warmtebehoefte voorzien, of gebruik kan maken van nabijgelegen duurzame warmtebronnen. Onderstaand worden de Zeeuwse mogelijkheden van het gebruik van restwarmte, zonnewarmte, geothermie, aquathermie, biomassa, power to heat en duurzame gassen voor de gebouwde omgeving beschreven. Om deze bronnen straks echt goed in te kunnen zetten, moet nog wel aan een aantal voorwaarden worden voldaan: verdergaand onderzoek naar de Zeeuwse situatie, regio-brede regie en politieke steun en soepele wet- en regelgeving voor experimenteren met, en inzetten van, alternatieve warmtebronnen. Het onderzoek naar de bruikbaarheid van de warmtebronnen zal in 2020 en 2021 worden uitgevoerd door de gemeenten, met de partijen die een rol hebben in het beschikbaar stellen van de warmtebron. De gemeenten zullen de opgedane kennis delen in de subtafel TVW, waar ook de afstemming over het gebruik van de bronnen plaatsvindt. De hoofdtafel Gebouwde omgeving zal in 2020 ook in gesprek gaan met de omliggende regio’s, met betrekking tot het afstemmen van het warmteaanbod en de warmtevraag.
2.5.1 Aquathermie Aquathermie is de verzamelnaam voor thermische energie uit water, waaronder oppervlaktewater (TEO), afvalwater (TEA) en rioolwater (Riothermie).
Kaart 1: Kansen aquathermie Zeeland.22
22 Over Morgen WTM 1.7.1 Zeeland.
41
Regionale Energiestrategie Zeeland RES 1.0
Potentie aquathermie Zeeland is een regio met veel (kennis van) water, en dus bij uitstek de regio waar ervaring opgedaan kan worden met aquathermie. In theorie overtreffen de totale thermische mogelijkheden van al het Zeeuwse water de totale warmtevraag van Zeeland ruimschoots. De grootste kansen zien we voor de gebouwde omgeving, op dit moment, in TEO. Bij aquathermie wordt thermische energie gewonnen uit water en middels een warmtepomp naar een hoger en bruikbaar temperatuurniveau gebracht. Het water heeft hierbij temperatuurniveaus tussen 7 en 25°C en is daarmee een lage temperatuur (LT) warmtebron. Landelijke voorbeelden maken veelal een combinatie tussen aquathermie en WKO in de bodem. Hiermee wordt de thermische warmte uit oppervlaktewater tijdelijk opgeslagen. In deze combinatiesystemen wordt de warmte primair gewonnen wanneer het water warm is, waardoor dit logischerwijs dus tijdens de zomermaanden (en deels voor- en naseizoen) gebeurt. In de winter wordt de warmte uit de WKO met een centrale warmtepomp opgewaardeerd naar circa 70°C. Deze warmte wordt met een warmtenet gedistribueerd aan de afnemers. Met deze temperatuur kunnen gebouwen direct (zonder verdere opwaardering) worden verwarmd en van warm tapwater worden voorzien. Wanneer er een relatief groot volume oppervlaktewater voor handen is kan ook zonder een WKO gewerkt worden.
Hierbij wordt op het gewenste moment warmte onttrokken aan het water via een warmtepomp en wordt het water direct weer teruggegeven, maar dan kouder. Zowel met als zonder WKO dient natuurlijk wel rekening gehouden te worden met de (ecologische) draagkracht van het watersysteem.
Belemmeringen Met de huidige technologie en wat we nu weten, kunnen we aquathermie nog niet volledig benutten. In Zeeland lijken weinig vraaggebieden geschikt voor een warmtenet, de afstand tot het water kan niet te groot zijn (maximaal 5 kilometer) en de ondergrond moet geschikt zijn als warmtebuffer, zodat warmte in de zomer opgeslagen kan worden voor gebruik in de winter. Daarnaast is er nog meer onderzoek nodig naar de invloed op de waterkwaliteit en vereist het veelal zilte Zeeuwse water specifieke technieken. Voor thermische energie uit rioolwater is in Zeeland een van de eerste projecten gerealiseerd.
Kansen Alle stedelijke gebieden liggen aan een kanaal, en Vlissingen, Terneuzen en Zierikzee in de nabijheid van open water. Ook zijn er in Zeeland diverse plaatsen met grote wateren dichtbij dorpen en kleinere steden. Er lijken dus genoeg kansen voor thermische energie uit oppervlaktewater (TEO). Vanwege de benodigde investeringen en het volume, is deze oplossing vooral geschikt voor collectieve warmtenetten en veel minder voor individuele woningen. Voordeel van een aquathermie/WKO-systeem t.o.v. een enkel een WKO-systeem is dat bij een WKO-systeem de warmte-onttrekking jaarlijks gelijk moet zijn aan de koude-onttrekking, waardoor een regulier systeem alleen geschikt is voor afnemers met een grote koudevraag (en dus grote warmteproductie). Bij TEO wordt de WKO in balans gehouden door de toevoeging van warmte uit het oppervlaktewater.
Volgende stappen:
realiseren regie om potentieel van aquathermie goed verder te verkennen en daadwerkelijk stappen te zetten (Green Deal); nader onderzoek is nodig naar de haalbaarheid van warmtenetten en de draagkracht van de watersystemen; nader onderzoek naar kansrijke locaties voor TEA; een of meerdere pilots in Zeeland opzetten op plaatsen waar aquathermie een kansrijke business case heeft.
2.5.2 Bodemenergiesystemen Bodemenergie is een verzamelnaam voor technieken waarmee energie in de ondiepe ondergrond (< 500 m diepte) gebufferd en gewonnen kan worden middels bodemenergiesystemen. Er worden twee soorten bodemenergiesystemen onderscheiden: open systemen en gesloten systemen. Het open systeem, waarvoor de Provincie bevoegd gezag is, werkt als een energiebuffer in grondwater in watervoerende lagen van de bodem, middels WKO. In de zomer wordt warmte in het grondwater opgeslagen, met een verkoelend effect in het gebouw, dat vervolgens in de winter wordt gebruikt om het gebouw van warmte te voorzien. Het afgekoelde water wordt daarna weer terug de grond in gepompt, zodat het in de zomer weer warmte kan opnemen. Vanwege de onttrekking van grondwater is voor dit systeem volgens het Waterbesluit een watervergunning nodig. Voor systemen die minder dan 10 m3 water/uur onttrekken, geldt een meldingsplicht.
Gesloten systemen Gesloten systemen werken met lussen in de bodem, waar een vloeistof doorheen wordt geleid. Hoewel deze circulatievloeistof dus geen direct contact maakt met het grondwater, is het wel in staat om de temperatuur van de omliggende bodem over te nemen en de warmte af te geven aan of op te nemen uit de bodem. De koelte of warmte kan door middel van warmtewisselaars en een warmtepomp direct worden benut voor verwarming of koeling van het gebouw. Voor gesloten systemen met een 42
Regionale Energiestrategie Zeeland RES 1.0 bodemzijdig vermogen groter dan 70 kW en systemen die in een interferentiegebied (een gebied waar meerdere bodemenergiesystemen in een ongecontroleerde situatie elkaar kunnen gaan beïnvloeden) worden geïnstalleerd, moet een Omgevingsvergunning Beperkte Milieutoets (OBM) worden aangevraagd. Gemeentes zijn bevoegd gezag voor gesloten systemen. De diepteligging van bronnen voor bodemenergiesystemen varieert meestal tussen de 20 en 300 meter onder het maaiveld. Energie die gewonnen wordt uit de diepe ondergrond (> 500 m diepte) wordt ‘geothermie’ genoemd. Hierbij wordt geen warmte gebufferd maar wordt natuurlijke aardwarmte gewonnen. Dit wordt gezien als een mijnbouw activiteit. Voor deze vorm van energiewinning geldt dan ook andere wet- en regelgeving. Bodemenergie is een duurzame techniek en biedt voor woningen de luxe om naast verwarming ook te kunnen koelen. In de bovengrond kan ruimte worden bespaard, maar direct onder het maaiveld moet ruimte zijn voor de leidingen en in de diepere ondergrond is afstemming met andere grondwaterbelangen noodzakelijk. Het gebruiken van een bodemenergiesysteem is niet geheel zonder risico’s voor het milieu. Het kan namelijk negatieve gevolgen hebben voor de bodem en het grondwater.
Bij boringen door kleilagen tussen watervoerende pakketten in de bodem, kunnen verontreinigingen doordringen wanneer de boorgaten niet goed worden afgedicht. Vooral bij open systemen kan eventuele vervuiling verder worden verspreid, omdat bij dit systeem grondwater in beweging wordt gebracht. Open systemen kunnen ook leiden tot veranderingen van de grondwaterstand en -stroming, wat mogelijk gevolgen kan hebben op het aantrekken van verontreinigingen, bodemdaling of het grondwaterpeil. Ook bestaat de mogelijkheid dat grondwater met verschillende samenstelling (denk aan zoutgehalte) uit verschillende lagen met elkaar vermengt. Bij gesloten systemen kunnen er lekkages van de circulatievloeistof ontstaan, waardoor er milieuvreemde stoffen in de bodem terechtkomen. Bovendien is het aantal boringen bij het installeren van een dergelijk systeem groter dan bij open systemen waardoor de kans op verstorende effecten toeneemt. Wanneer de temperatuur van het grondwater in de bodem verandert door het gebruik van bodemenergiesystemen, kan ook de kwaliteit van het grondwater verslechteren door oplossing van stoffen en bacteriegroei. Als er meerdere bodemenergie-installaties in een gebied aanwezig zijn, zouden deze elkaar kunnen beïnvloeden. Zo’n interferentie van systemen is niet wenselijk. Ook is het belangrijk dat de warmte en koude balans in evenwicht blijven.
Wanneer dit niet het geval is zal het rendement van het systeem verminderen. Vanwege bovengenoemde risico’s is het van belang dat er voldoende kennis bestaat over de bodemopbouw zodat hier in voldoende mate rekening mee gehouden kan worden bij zowel het ontwerp, het installeren en het gebruik van het bodemenergiesysteem.
Bodemgeschiktheid WKO WKO is geen bron op zichzelf maar een bodemenergiesysteem waarmee energie in de vorm van warmte of koude wordt opgeslagen in de bodem, zoals hierboven is beschreven. De geschiktheid van de Zeeuwse bodem voor open WKO-systemen varieert van niet geschikt (Zeeuws-Vlaanderen), naar matig geschikt in de Bevelanden, tot goed geschikt in het noordelijk deel van Zeeland (zie figuur 2.1). Een voorbeeld van een open WKO-systeem in Zeeland is de wijk Ouverture in Goes waar in 2002 een collectief systeem is aangelegd. Met de ervaringen die hier zijn opgedaan zijn scenario’s uitgewerkt om het WKO-systeem te verbeteren. Anders dan bij open WKO-systemen is de Zeeuwse bodem overal geschikt voor de toepassing van gesloten WKO-systemen, waarbij het noorden van Zeeland zeer geschikt is en het midden en zuiden geschikt zijn (figuur 2.2). Een gesloten systeem bestaat uit in de bodem aangebrachte warmtewisselaars waarmee energie aan de bodem kan worden onttrokken of kan worden opgeslagen. Het hart van een gesloten systeem is de warmtepomp die de woning kan voorzien van verwarming, koeling en warm water, net als een CV of zonneboiler.
43
Regionale Energiestrategie Zeeland RES 1.0
Kaart 2: Bodemgeschiktheid Zeeland open WKO-systemen.
Kaart 3: Bodemgeschiktheid Zeeland gesloten WKO-systemen.
44
Regionale Energiestrategie Zeeland RES 1.0
Kaart 4: Kansen geothermie Zeeland.23
2.5.3 Geothermie Geothermie is thermische energie, warmte uit de aarde. Deze energie kan worden gewonnen door gebruik te maken van het temperatuurverschil tussen het aardoppervlak en diep in de aarde gelegen warmtereservoirs. Deze aardwarmte kan ingezet worden voor de winning van energie.
Potentie geothermie Het gebruik van warmte uit de aarde (diepe en ondiepe geothermie) kan een duurzaam alternatief zijn met weinig effect op de ruimtelijke omgeving. Maar de mogelijkheden lijken in Zeeland beperkt en nader onderzoek is nodig om te zien of geothermie echt kansen biedt voor de regio. Er zijn zeker voordelen: geothermie is niet weersafhankelijk en geeft een gelijkmatige en voorspelbare opbrengst. Er wordt onderscheid gemaakt tussen twee typen: ondiepe geothermie (tussen de 0 – 300 meter) en diepe geothermie (tot wel 2500 meter in de bodem).
Belemmeringen Voorwaarden zijn dan wel dat er voldoende potentie in de aarde zit en de afstand tussen opwek en gebruik van de warmte niet te groot is. Op dit moment is de geologische opbouw van Zeeland (nog) niet goed in kaart, maar op basis van de afwijkende geologische opbouw van Zeeland ten opzichte van de rest van Nederland, wordt de potentie van Zeeland voor conventionele geothermie laag ingeschat. Bijkomend probleem is dat de potentie vooral in Schouwen-Duiveland lijkt te zitten, waar de warmtevraag relatief laag is en de gebouwde omgeving een verspreide ligging heeft. Geothermie (diep) wordt haalbaar wanneer er voldoende vraag is vanuit de industrie, glastuinbouw en/of de gebouwde omgeving wanneer er in totaal sprake is van minimaal 3000-5000 woningequivalenten (weq). Daarnaast doorsnijden geothermische putten diverse grondlagen waaronder de, voor de Zeeuwse watervoorziening, kostbare zoetwatervoorraden. Bescherming van deze lagen en milieuaspecten zijn dus zeer relevant.
Volgende stappen:
in 2021 volgt een onderzoek van EBN (in opdracht van EZK) naar de potentie van diepe en ondiepe geothermie in Zeeland.
2.5.4 Restwarmte Restwarmte en –koude uit de industrie of uit datacenters kan een belangrijke rol spelen in de verduurzaming van de gebouwde omgeving. Restwarmte is de energie, die overblijft als onderdeel van een proces (energieomzetting).
Potentie restwarmte Een aantal grote Zeeuwse bedrijven heeft veel restwarmte over. Het gaat dan om temperaturen variërend van ongeveer 40 tot 70 graden en ook tot boven de 100 graden. De potentie is enorm, er zouden mogelijk wel 100.000 huishoudens mee verwarmd kunnen worden.
23
Over Morgen WTM 1.7.1 Zeeland.
45
Regionale Energiestrategie Zeeland RES 1.0
Belemmeringen Op dit moment kan die potentie (nog) niet worden benut. Voor daadwerkelijke realisatie is nader onderzoek nodig naar de financiële en technische haalbaarheid. Ook de geschiktheid van de Zeeuwse gebouwde omgeving speelt hierbij een rol. Er is tijd nodig en het vergt de nodige investeringen om de infrastructuur aan te leggen en maatschappelijk draagvlak te creëren. Wat het voor de regio moeilijk maakt om de potentie te gebruiken is o.a.:
De drie grootste bedrijven met restwarmte liggen in de Kanaalzone en het Sloegebied. De afstand tot de gebouwde omgeving kan een belemmering vormen voor de business cases. De gebouwde omgeving kenmerkt zich door een lage dichtheid, behalve in de steden, dit kan een belemmering zijn voor de business cases. Restwarmte heeft een back-up nodig vanuit een andere warmtebron in verband met de onzekerheid over de beschikbaarheid. Deze andere warmtebronnen zijn op dit moment nog niet voldoende in beeld gebracht. De aanleg van een warmtenet in de bestaande gebouwde omgeving is complex. Maatschappelijke weerstand: restwarmte is nu nog gebaseerd op fossiele brandstoffen. Het benutten van dit soort restwarmte moet echt als tussenstap worden gezien, waarbij de infrastructuur nu wordt aangelegd. Op termijn zal de bron dan duurzamer worden of er moet een alternatieve bron komen voor het warmtenet. Warmtenetten zijn lastig realiseerbaar door veel versnipperd (particulier) bezit. Het aanleggen van een gezamenlijke warmtevoorziening is moeilijk wanneer veel particulieren voor een eigen oplossing kiezen.
Kansen restwarmte Gemeenten en woningcorporaties spelen een belangrijke rol bij het aanjagen van restwarmte projecten omdat zij op korte termijn warmtevisies en wijkaanpakken ontwikkelen. Met de juiste stimulering en voorfinanciering kan vooruitgang geboekt worden want: er is veel restwarmte, er is bereidheid bij de bedrijven, het aantal spelers is beperkt, er is relatief eenvoudig ruimte te krijgen voor infrastructuur, bestaande huizen kunnen optimaal geïsoleerd worden maar hoeven niet volledig energieneutraal gemaakt te worden en dat scheelt weer in de totale kosten. De kansen en bovengenoemde knelpunten voor warmtenetten zullen dus goed onderzocht en afgewogen moeten worden.
Volgende stappen:
nader onderzoek naar beschikbaarheid van restwarmte is in uitvoering in de Kanaalzone, het Sloegebied en in Middelburg; nader onderzoek naar haalbaarheid van het inzetten van restwarmte in combinatie met één of meerdere back-up bronnen; hiervan lopen momenteel twee onderzoeken; verkenning Lange termijn (voor) financiering door overheden van infrastructuur voor restwarmte; verkennende rol van overheden en woningcorporaties voor de aanleg van warmtenetten op basis van restwarmte bij haalbare businesscase; in gang zetten van besparingsaanpak, die past bij het soort vastgoed en de gekozen warmtevoorziening; verkenning van de mogelijkheden van zowel hoge, als lage temperatuur restwarmte; de hoofdtafel Gebouwde omgeving gaat in overleg met omliggende regio’s over de beschikbaarheid van restwarmte en de vraag naar warmte in de gebouwde omgeving in die regio’s.
2.5.5 Zonnewarmte Potentie zonnewarmte Zeeland heeft relatief veel zonne-uren ten opzichte van de rest van Nederland. Voor de gebouwde omgeving zijn er dan ook mogelijkheden om deze zonne-energie in te zetten voor het verwarmen van de gebouwde omgeving. Bijvoorbeeld door het plaatsen van zonnecollectoren en zonneboilers, met name ook in de recreatiesector. Zeker omdat de zomerperiode, waarin veel energie te ‘oogsten’ is, samenvalt met het toeristenseizoen is dit voor Zeeland een goede optie, zowel voor de particuliere (bijvoorbeeld in het buitengebied) als voor de recreatieve vastgoedsector. De mogelijkheden voor opslag van de warmte en het voorzien in een back-up (WKO), zijn hierbij wel belangrijke aandachtspunten.
Belemmeringen Zonnewarmte is in de zomer volop beschikbaar. Echter, in het voorjaar en de herfst en met name in de winter is het aanbod een stuk geringer. Dit betekent dat er voor die perioden een back-up benodigd is om te kunnen voorzien in de resterende warmtevraag. Ook zijn er ten aanzien van het installeren van zonnecollectoren diverse belemmeringen. Het dak van het gebouw dient geschikt te zijn. Zo dient er voldoende dakoppervlakte beschikbaar te zijn en spelen factoren zoals hellingsgraad en
46
Regionale Energiestrategie Zeeland RES 1.0 oriëntatie een rol bij het rendement van de installatie. Voor het opslaan van warmte is bovendien een (boiler)vat benodigd dat de nodige ruimte inneemt. Deze ruimte dient beschikbaar te zijn in het gebouw. Andere belemmeringen zijn de aankoopprijs, visuele uitstraling en aanpassingen in het gebouw welke mogelijk tot overlast zorgen.
Kansen Het rendement van een zonnecollector is hoger dan van zonnepanelen waardoor er minder dakoppervlakte benodigd is om dezelfde hoeveelheid warmte te verkrijgen. Ook kan de warmte op een relatief goedkope manier worden opgeslagen in een (boiler)vat om die vervolgens te gebruiken op het gewenste moment. Daarnaast kan een zonnecollector met tal van andere warmtebronnen worden gecombineerd om in warm tapwater en/ of ruimteverwarming te voorzien. Momenteel stimuleert de overheid het toepassen van zonneboilers voor zowel particulieren als zakelijke gebruikers via o.a. de Investeringssubsidie Duurzame Energie (ISDE). De belemmering van de hoge aankoopprijs wordt hiermee deels weggenomen.
Volgende stappen:
nader onderzoek naar mogelijkheden (compacte) seizoensopslag en kwantificeren van dit potentieel; mogelijkheden onderzoeken voor verlenging seizoen voor verwarming; plan van aanpak op basis van uitkomsten verkenning.
2.5.6 Biomassa Biomassa is een verzameling van biologisch of organisch afval zoals hout, groente- en fruitresten of speciale gewassen. Energie opwekken uit organisch materiaal werkt vrij eenvoudig. Bij de verbranding en vergisting van biomassa komt warmte vrij.
Potentie biomassa Biomassa24 zorgt in Nederland (2015) voor ruim zestig procent van de productie van duurzame energie. Energie uit biomassa komt vrij in de vorm van warmte en wordt opgewekt door verbranding. In Zeeland is biomassa afkomstig van wegbermen, uit sloten, uit houtige vegetaties (heggen, bomen en struiken), uit hooibeheer door natuurbeheerders en van de landbouw. Er zijn veel agrofood bedrijven in Zeeland die biomassa hebben. De samenstelling van de biomassa is maaisel, agrarische restanten, snoeiafval en houtsnippers.
Kaart 5: Kansen biomassa Zeeland.25
Belemmeringen Het inzetten van biomassa in de energietransitie is een precair onderwerp. Velen zijn van mening dat bomen niet bedoeld zijn voor biomassa bijstook in elektriciteitscentrales of kachels, behalve snoeihout en afval uit houtindustrie uit de regio, maar import van houtige biomassa (o.a. pellets) uit buitenland is niet wenselijk. Niet alle biomassa is per definitie duurzaam. De productie van bioenergie kan soms zo energie-intensief zijn dat het geen CO2-voordeel oplevert ten opzichte van fossiele brandstoffen. Daarnaast concurreren energiegewassen met voedselproductie, en is het risico groot dat bossen en biodiversiteit verdwijnen door de
24
https://www.milieucentraal.nl/klimaat-en-aarde/energiebronnen/biomassa/.
25
Over Morgen WTM 1.7.1 Zeeland.
47
Regionale Energiestrategie Zeeland RES 1.0 houtkap. Verbranding van biomassa voor warmteopwekking in kachels en ketels vertegenwoordigt bijna een kwart van de huidige duurzame energieopwekking in Nederland. De warmteproductie uit kachels neemt in absolute zin steeds verder toe. Er is echter ook bezorgdheid en maatschappelijke onrust rondom verschillende duurzaamheidsaspecten. De uitstoot van fijnstof en schadelijke stoffen veroorzaken overlast en zijn aantoonbaar slecht voor de gezondheid van mensen en voor de natuurlijke ecosystemen. Met name de uitstoot van NOx en SO2 veroorzaken verzuring en vermesting. Belangrijke trends bij de particuliere houtstook26 zijn de sanering van open haarden en oudere toestellen en de plaatsing van modernere en schonere houtkachels en pelletkachels. Hierdoor daalt de uitstoot aan fijnstof ondanks een toenemende warmteproductie. Echter, omdat de uitstoot van fijnstof uit andere landelijke bronnen (verkeer, industrie e.d.) sneller afneemt dan dat van particuliere houtstook, komt deze sector toch steeds meer in beeld als een significante bron van fijnstof. In onderstaande tabel staat het aantal TJ hernieuwbare warmte van houtkachels in Zeeland ten opzichte van het totaal in Nederland. Houtkachels woningen hernieuwbare warmte in TJ Jaar
Zeeland
Nederland
2008
518
16659
2009
520
16742
2010
526
16859
2011
529
17008
2012
528
17189
2013
530
17640
2014
546
18111
2015
547
18368
2016
563
18766
2017
575
19195
Tabel 8: Houtkachels woningen hernieuwbare warmte in TJ.26
Kansen We zien voor de midden- en lange termijn zeer beperkte kansen voor de inzet van houtachtige biomassa als energiebron in de gebouwde omgeving omdat er hoogwaardigere toepassingen beschikbaar zijn. In de gebouwde omgeving kan biomassa ook worden ingezet als bouwmateriaal, bijvoorbeeld hout voor constructie of vezels voor isolatie.
Volgende stappen:
ervoor zorgen dat we meer weten over de houtstook in Zeeland voor een gericht strategie; verkennen en onderzoeken van houtstook in Zeeland bij particulieren; nagaan of het zinvol is om filters op schoorstenen van houtkachels en open haarden te verplichten voor het aanpakken van de schadelijke stoffen die vrijkomen bij verbranding (aanbeveling aan de landelijke tafel).
2.5.7 Power to heat Power to heat is het proces om met duurzaam opgewekte elektriciteit warmte te produceren voor ruimteverwarming en warm tapwater. De belangrijkste technieken hiervoor zijn gebruik maken van lucht-warmte of waterwarmte, eventueel hybride warmtepompen, weerstandsverwarming en infraroodverwarming.
Potentie power to heat Nieuwbouwwoningen worden sinds juli 2018 niet meer op het gasnet aangesloten. De all-electric warmtepomp is voor nieuwbouw één van de beste opties. Jaarlijks worden er in Zeeland rond de 1.100 nieuwbouwwoningen en 800 niet-woningen opgeleverd. Daarnaast kunnen de gebouwen met een energielabel-B of hoger ook worden voorzien van een all-electric warmtepomp. De potentie van hybride warmtepompen in Zeeland wordt vooralsnog hoog tot zeer hoog ingeschat. Dit komt doordat hybride warmtepompen ook in goed geïsoleerde gebouwen kunnen worden toegepast (hoeft niet optimaal geïsoleerd te zijn). Het merendeel van de gebouwenvoorraad in Zeeland stamt uit de jaren 1965 t/m 1995 waarvan een groot deel in aanmerking komt voor een hybride warmtepomp. Bestaande cv-ketels zijn veelal geschikt om een hybride warmtepomp op aan te sluiten wat de implementatiesnelheid positief kan beïnvloeden.
26
Kennisdocument Houtstook in Nederland, Ir. J. Koppejan en Ir. F. de Bree iov RVO, september 2018.
48
Regionale Energiestrategie Zeeland RES 1.0 Elektrisch verwarmen kan met weerstandsverwarming (zoals E-radiatoren, elektrische vloerverwarming en infraroodpanelen). Weerstandsverwarming is doorgaans minder efficiënt.