2021-04-07 e. Regionale Energiestrategie Zeeland - 1.0
Tekst van het document
1.4.4 Participatie in duurzame energieprojecten De energietransitie is niet alleen een technisch en economisch vraagstuk, maar ook een maatschappelijke beweging. Om die beweging te kunnen maken is het belangrijk inwoners, bedrijven en maatschappelijke organisaties te betrekken bij de energietransitie. Daarin maken we onderscheid tussen procesparticipatie en financiële participatie. In Zeeland zijn tientallen burgerorganisaties actief die zich bezighouden met de leefbaarheid en de energietransitie. Die organisaties verschillen in mate van kennisontwikkeling, financiële ontwikkeling en omvang. Burgerparticipatie, in de vorm van zeggenschap en financiering, is in Zeeland al sterker ontwikkeld dan in andere regio’s. Landelijk is het aandeel burgerwind 5,6%, in Zeeland 17%. Dit is een factor 3 boven het landelijk gemiddelde. De Zeeuwse partners spannen zich in om, in de helft van alle wind- en zonprojecten, een vorm van burgerparticipatie te realiseren. Hierbij wordt een belangrijk onderscheid gemaakt in de soort participatie: 1. 2. 3. 4. 5.
Procesparticipatie in het project Mede-eigenaarschap Financiële deelneming Omgevingsfonds Omwonendenregeling
Figuur 4: Verschillende vormen van participatie.
De eerste vorm van participatie verschilt van de andere vier. Bij procesparticipatie in het project vindt namelijk geen economisch verkeer plaats, maar wel maatschappelijk en bestuurlijk. Uiteraard kunnen deze vijf vormen van participatie prima samengaan, zoals bijvoorbeeld is gebeurd bij het burgerwindpark Krammer. 17
Regionale Energiestrategie Zeeland RES 1.0 Om de projecten voor de bouw en exploitatie van ‘hernieuwbaar op land’ te laten slagen, gaan in gebieden met mogelijkheden en ambities voor hernieuwbare opwekking, partijen gelijkwaardig samenwerken in de ontwikkeling, bouw en exploitatie. Dit vertaalt zich in evenwichtige eigendomsverdeling in een gebied. Streven is dan dat de directe omgeving (inwoners en bedrijven) 50% eigenaar zijn van de productie. Dit staat ook zo in het KA. Investeren in een zon– en/of windproject is ondernemerschap. Dat vergt ook mee-investeren en risico lopen. Het streven voor de eigendomsverhouding is een algemeen streven voor 2030. Er is lokaal ruimte om hier, vanwege project-gerelateerde redenen, van af te wijken. Bij de uitvoering van deze RES is het streven om bij wind- en zonprojecten tenminste 50% burgerparticipatie te bereiken. Gemeenten spreken af de vijf vormen van participatie in hun beleidsuitwerking en locatie-invulling te betrekken.
De Zeeuwse invulling van de participatiecoalitie Tempo en draagvlak van de energietransitie is gebaat bij betrokkenheid van burgers en bedrijven. Onder de noemer ‘De Participatiecoalitie’ (dit zijn landelijke afspraken tussen het Rijk en vijf maatschappelijke organisaties1), worden hiervoor in Zeeland activiteiten georganiseerd en gefinancierd. De leden van de lokale afdelingen ondersteunen regio’s en gemeentes actief bij het tot stand brengen van de RES. In Zeeland is dit gedaan door de ZMf en burgercoöperatie Zeeuwind. Zij hebben actief deelgenomen aan de sectortafel Elektriciteit; concrete bijdrages geleverd aan de Zeeuwse RES; en voorbeeldprojecten uitgevoerd. Na het gereedkomen van de RES staan zij ook aan de lat om de Zeeuwse overheden te adviseren over hoe omwonenden te betrekken bij ruimtelijke inrichting, bij lokaal eigenaarschap voor wind- en zon en bij aardgasvrije wijken. Voor ruimtelijke inrichting is dat in 2019 al concreet gebeurd door het concept ‘Zonneladder’ bekend te maken in Zeeland en bij de Zeeuwse gemeentes. Deze zonneladder is ook als leidraad opgenomen in deze RES. De RES-partners spreken af dat de focus van de Participatiecoalitie ligt op het, zo concreet mogelijk, ondersteunen van de stem en het handelingsperspectief van burgerorganisaties.
Naast de officiële partners van de Participatiecoalitie zijn ook andere partijen in Zeeland in staat om de doelen van de coalitie te helpen bereiken. Voorbeelden zijn het Zeeuws Klimaatfonds en verschillende lokale burgercoöperaties. Streven is om ook deze partijen te ondersteunen en in aantal te doen toenemen.
De RES-partners spreken het volgende af:
Marktpartijen, ZMf en Zeeuwind blijven deelnemen aan de relevante sectortafels van de Zeeuwse RES. ZMf organiseert kennisbijeenkomsten om burgers en politiek bewust te maken van ecologische en ruimtelijke aspecten. Marktpartijen worden benaderd om ‘best practices’ te presenteren op het gebied van landschappelijke inpassing en meervoudig landgebruik. Zeeuwind bevordert financiële vormen van burgerparticipatie in wind-, zon- en aardgasvrije projecten. In de Zeeuwse RES wordt de zonneladder van de Natuur- en Milieufederaties toegepast. Overheden voeren beleid om bijdragen en ideeën van burgers en lokale bedrijven, liefst zo vroeg mogelijk, in het proces mee te nemen.
1.4.5 Jongerenparticipatie De maatregelen van de RES hebben invloed op de leefwereld van de huidige en toekomstige Zeeuwse jongeren. Jongeren zijn actief betrokken bij het klimaatvraagstuk en denken graag mee in het RES-proces. Mogelijkheden voor participatie worden in elke fase van de RES afgestemd met o.a. JouwZeeland, de jongerenraden van de gemeenten en de Zeeuwse onderwijsinstellingen. Daarnaast heeft het Koninklijk Zeeuws Genootschap tijdens haar 250-jarig jubileumjaar (2019) een prijsvraag onder de naam Young Energy Society Challenge (YESC) uitgeschreven waarin jongeren worden uitgedaagd met een oplossing voor de Zeeuwse energietransitie te komen. De YESC-ambassadeurs waren betrokken bij het RES-proces en hadden toegang tot de partners die aan de Zeeuwse sectortafels deelnemen.
1.5 Monitoring en communicatie De energietransitie raakt ons allemaal. De maatregelen die in de RES worden vastgelegd zijn straks zichtbaar in de omgeving en merkbaar in ieders dagelijks leven. Maar de RES staat nog ver af van de meeste inwoners. Goede communicatie, monitoring en participatie is cruciaal voor het proces en voor het brede draagvlak van de RES-maatregelen.
1
Vijf maatschappelijke organisaties van, voor en door bewoners: HIER, de Natuur en Milieufederaties, Energie Samen, Buurkracht en LSA bewoners.
18
Regionale Energiestrategie Zeeland RES 1.0
1.5.1 Monitoring Het vertrouwen in de voortgang van de energietransitie is mede afhankelijk van betrouwbare, volledige, actuele, transparante en onafhankelijke data. Het volgen van de uitvoering van de energietransitie is een rol waar we niet alleen zelf uitvoering aan geven, maar ook het PBL. Het PBL doet dit namens het Rijk en houdt zich daarbij aan (inter)nationale bepalingen. Het PBL pakt deze rol in alle 30 regio’s. Hiermee ontstaat enerzijds een totaalbeeld van Nederland maar anderzijds zorgt het ook voor afstemmingsbehoefte met de landelijke monitoringswijze. De manier waarop PBL deze rol in de komende jaren gaat invullen, de aard van de gegevens die daarvoor nodig zijn en ook de frequentie waarmee wij vanuit de regio data delen met het PBL is echter nog niet definitief bepaald. Ongetwijfeld zal ook de uitvoering van de RES nieuwe vragen opwerpen en de behoefte aan gegevens scherper definiëren. In de komende periode zullen we in samenspraak met PBL het monitoringsprogramma verder uitwerken. Daarbij krijgen we ook ondersteuning vanuit het NPRES. Er is al veel data bekend en beschikbaar. We kunnen dus gewoon aan de slag en anticiperen op monitoringsvragen die voor de hand liggen en daarbij per gemeenten onderscheid maken. Vooralsnog volstaat in dit stadium het bijhouden van eenvoudige parameters2:
Realiseerbaar potentieel op basis van beschikbaarheid (kwantitatief). Voor de decentrale elektriciteitsproductie is dat een aandeel in de totale landelijke opgave van 35 terawattuur (TWh) in 2030. Naar verwachting zal in de monitoring vooral naar het geïnstalleerde vermogen (capaciteit) worden gekeken, de eventuele, meer complexe omrekening naar daadwerkelijke productiehoeveelheid elektrische energie, zal in eerste instantie op basis van regionaal toegespitste kentallen gebeuren. Hiervoor zal PBL in de monitoringsystematiek voorstellen ontwikkelen. Voor de TVW zal het gaan over de benutting van duurzame warmtebronnen, uitgedrukt in type en energiehoeveelheden (PJ’s). Eventueel kan aanvullend een eerste vertaling worden gemaakt naar aantallen woningen per jaar die aardgasvrij zullen zijn in (en tot) 2030. Dit laatste is van belang omdat hierover in het Klimaatakkoord ook kwantitatieve en meetbare doelen zijn opgenomen (bijv. de toegroei op landelijk niveau naar een tempo van tenminste 200.000 woningen aardgasvrij per jaar ruim voor 2030). Let wel dat vooralsnog de monitoring van de energieproductie zal verlopen via kengetallen over beschikbaarheid en productieprofielen. Dit omdat realiseren van projecten wel, maar de daadwerkelijke productie bijna niet voor een regio is te sturen.
Voor de daadwerkelijke productie zal naar het zich nu laat aanzien daarom een beroep worden gedaan op de netbeheerders en de CBS-getallen.
1.5.2 Communicatie We maken in de RES-communicatiestrategie duidelijk onderscheid tussen communicatie over het proces om te komen tot een regionale energiestrategie en de inhoudelijke communicatie over energie-gerelateerde onderwerpen en ontwikkelingen in de regio. Ook het communicatieproces is een adaptief proces, waarin we rekening houden met de verschillende fasen van RESontwikkeling, de actualiteit van het nationaal KA, de politiek maar ook met duurzame ontwikkelingen en technologie in de regio en daarbuiten. De RES-communicatieaanpak is een combinatie van publiekscommunicatie en een netwerkaanpak. De basis voor de strategie is dat een energieneutraal Zeeland de nieuwe Zeeuwse norm is, dat we dat alleen met elkaar kunnen realiseren en dat iedereen daar op zijn eigen manier aan bij kan dragen. De aanpak sluit aan bij de fase van het RES-proces.
Publiekscommunicatie Communicatie in de fasen 1 en 2 focuste zich vooral op de, nog relatief kleine, doelgroep van directbetrokkenen en mensen die bovengemiddeld geïnteresseerd zijn in ontwikkelingen rond energie, omgeving, landschap en duurzaamheid. De focus lag vooral op communicatie over het proces, tussen de sectortafels en met de deelnemers aan de sectortafels. Daarnaast is er vanaf het najaar van 2018 een publieke website, worden er maandelijks RES-gerelateerde nieuwsberichten naar buiten gebracht en organiseerde RES op kleine schaal gerichte bijeenkomsten. Communicatie in de fasen 3 en 4 focust meer op het grote publiek. We gaan in Zeeland in een bredere publieksaanpak aansluiten op de landelijke aanpak die officieel van start is gegaan bij de ondertekening van het OKA. Deze koepelcampagne is erop gericht om welwillende inwoners te inspireren, motiveren en daadwerkelijk aan te zetten tot duurzaam gedrag in het dagelijks leven. Thema’s zijn: voedselverspilling, energiemanagement thuis en mobiliteit.
Netwerkaanpak Veel Zeeuwse stakeholders zijn betrokken bij de RES. Daar is bewust voor gekozen. We sluiten zoveel mogelijk aan bij bestaande structuren. Hiermee proberen we versnippering op thema’s als energie besparen, isolatie, duurzaamheid of zonne- en windenergie te voorkomen. De sectortafelaanpak is gekozen omdat we op die manier optimaal gebruik kunnen maken van de aanwezige
2
Handreiking Regionale Energie Strategieën (Versie 20 december 2018), p.63.
19
Regionale Energiestrategie Zeeland RES 1.0 kennis en kunde van Zeeuwse ondernemers, overheden, onderwijsinstellingen, inwoners en maatschappelijke organisaties. Het RES-netwerk dat zo is ontstaan ontmoet elkaar bij Zeeuwse RES-bijeenkomsten, deelt kennis en ervaring, ontvangt regelmatig de RES-nieuwsbrief en wordt betrokken in elke fase van de RES, bij het initiëren van de startprojecten en de uitrol. Zij kennen de ontwikkelingen in de markt, pikken signalen in de samenleving op, vergaren en ontwikkelen kennis en delen die in het netwerk.
Organisatie van communicatie Met de voltooiing van deze RES 1.0 gaat een nieuwe fase in. Om de communicatie te borgen binnen de partners is onderstaande communicatiestructuur opgezet die in de loop van 2020 ingevuld gaat worden.
Figuur 5: Organisatie van de communicatie.
1.6 Governance In de RES-regio Zeeland is een werkstructuur gevormd voor de realisatie van de RES. Hiervoor namen, in eerste instantie, de decentrale overheden samen met de regionale netbeheerder, het bedrijfsleven en een vertegenwoordiging van maatschappelijke organisaties de verantwoordelijkheid. Zie ook Figuur 2: Organisatiestructuur RES Zeeland. De provincie Zeeland en de Zeeuwse gemeenten zetten zich nadrukkelijk in voor het (kwalitatief en kwantitatief) ruimtelijk mogelijk maken van de RES en de verankering van de RES in het omgevingsbeleid.
Formeel Het RES-proces is vanaf de formele start in de RES-regio met een bestuurlijke startnotitie (Plan van Aanpak) vastgelegd. Hierin is de regionale bijdrage aan de nationale doelstelling, de planning en de wijze van democratische en ruimtelijke borging van de RES vastgelegd. Daarnaast is een samenwerkingsovereenkomst opgesteld tussen de partijen die samenwerken aan de RES in de stuurgroep met de samenwerkingsafspraken voor de komende jaren.
Ondersteuning De RES-regio Zeeland wordt ondersteund door het NPRES, waarin het IPO, de UvW, de VNG en de ministeries van Economische Zaken en Klimaat (EZK) en Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) vertegenwoordigd zijn. Zij zijn gezamenlijk verantwoordelijk voor het opzetten, inrichten en uitvoeren van het NPRES. Dit programma faciliteert regio’s en heeft tot doel de regionale uitvoeringskracht te vergroten. Het heeft een signalerende functie en biedt een cross-sectorale regionale samenwerkingsstructuur om landelijk de doelen van het Klimaatakkoord te kunnen halen. In eerste aanleg is het programma gericht op de afstemming tussen de tafels Elektriciteit en Gebouwde omgeving. Deze afstemming en coördinatie over de RESgerelateerde opgaven vindt plaats in de klimaatcommissie, waar ook de voorzitter van het nationale programma deel van
20
Regionale Energiestrategie Zeeland RES 1.0 uitmaakt. Het NPRES faciliteert, monitort (in samenwerking met het PBL), ontwikkelt kennis en schept duidelijkheid aan de regio’s. NPRES is niet verantwoordelijk voor de inhoud en opstellen van de RES’en. Dit is aan Zeeland zelf.3
Vervolg Nadat de RES 1.0 is vastgesteld, zal gestart worden met het verder invulling geven aan de RES. Hiervoor zal, wederom in gezamenlijkheid met alle stakeholders, gekomen worden tot de uitvoeringsagenda. Tevens zal periodiek (in een jaarcyclus) de RES geëvalueerd en ge-update worden. Hierdoor zal naar verloop van tijd het RES 2.0 ontstaan.
1.7 Financiën Zeeland geeft in de RES 1.0 aan hoe de regio invulling wil geven aan de energietransitie. De RES 1.0 is de Zeeuwse vertaling van de afspraken uit Parijs. In de uitvoeringsagenda wordt dit verder uitgewerkt. Zowel binnen de planontwikkeling, als in de uitvoering, is nadrukkelijk aandacht voor de haalbaarheid en betaalbaarheid van de energietransitie. Zowel voor inwoners als voor bedrijven, maatschappelijke organisaties en overheden. Iedere partij heeft hier zijn/haar verantwoordelijkheid te nemen. Zeeland kijkt ook naar de Rijksoverheid en verwacht een sterke faciliterende rol en (financiële) bijstand om partijen in staat te stellen de energietransitie te realiseren. Zowel in de planfase als in de uitvoeringsfase. Zonder de juiste financiële instrumenten en aanvullende financiële ondersteuning kan Zeeland niet actief uitvoering geven aan de doelstellingen van de RES.
Landelijke ondersteuning Wat de daadwerkelijke kosten van de energietransitie zijn is nog niet duidelijk. Wij verwachten dat het onderzoek van de Raad voor het Openbaar Bestuur (ROB) hier helderheid in zal verschaffen. Zoals overeengekomen verwachten wij dat de Rijksoverheid op basis hiervan nadere financiële instrumenten zal ontwikkelen en nieuwe vormen van financiële ondersteuning zal bieden aan de regio, overheden, inwoners, bedrijven et cetera. De regio Zeeland heeft eind 2019 financiële ondersteuning ontvangen voor de ontwikkeling van de RES. Het gaat hier om een totaalbedrag van €374.500 per jaar voor de periode 2019-2021. Deze middelen kunnen bijvoorbeeld worden ingezet voor de inhuur van externe expertise, capaciteit en de ontwikkeling van communicatiemiddelen. Deze middelen zorgen samen met de middelen die de partners beschikbaar stellen het beschikbaar budget waaruit organisatie-, proces- en (in mindere mate) projectkosten kunnen worden gefinancierd.
Regionale inzet Net zoals zij dit in de afgelopen jaren hebben gedaan zullen de partners in het kernteam (de gezamenlijke Zeeuwse gemeenten, de provincie Zeeland, Enduris en het waterschap Scheldestromen) een financiële bijdrage doen voor de ontwikkeling van de RES. Deze bijdrage bedraagt €220.000 per jaar in de periode 2019-2021.Overeenkomstig de landelijke bijdrage worden deze middelen voornamelijk ingezet in proces- en organisatiekosten. Het ambtelijk kernteam stelt jaarlijks een begroting op die ter vaststelling aan het bestuurlijk kernteam wordt aangeboden. Het bestuurlijk kernteam wordt gedurende het jaar regelmatig geïnformeerd over de begroting en stuurt waar wenselijk bij.
Besteding middelen De beschikbare middelen worden in eerste instantie ingezet om de RES te kunnen (door-) ontwikkelen. Het gaat veelal om procesgeld dat wordt besteed aan de inhuur van capaciteit, de ontwikkeling van communicatiemiddelen, de organisatie van bijeenkomsten, het doen van onderzoek et cetera. Omdat wij al wat verder in het proces zijn dan andere regio’s kunnen wij een deel van deze middelen ook inzetten voor uitvoeringsgerichte activiteiten. Bijvoorbeeld voor het opstellen van de uitvoeringsagenda. Waar wenselijk kunnen we de middelen ook inzetten om bepaalde processen te ondersteunen. Zo zal een bijdrage vanuit de regionale middelen worden gedaan om de ontwikkeling van de gemeentelijke TVW gezamenlijk op te kunnen pakken. In sommige gevallen wordt een bijdrage aan de ontwikkeling en uitvoering van collectieve startprojecten gedaan. Uitgangspunt blijft overigens wel dat er binnen uitvoeringsprojecten een eigen projectbegroting wordt opgesteld en projectpartners zelf uitvoeringsgeld beschikbaar stellen. Hier wordt overigens wel ondersteuning bij gegeven. Bijvoorbeeld door slim samenwerken te stimuleren, partijen en initiatieven met elkaar te verbinden, maar ook door nieuwe middelen aan te trekken.
Zo gaan we actief ondersteuning geven aan het aantrekken van (inter-)nationale subsidies, communiceren over financieringsopties naar verschillende doelgroepen, de ontwikkeling van nieuwe financieringsarrangementen ondersteunen et cetera.
3
Ontwerp van het Klimaatakkoord (21 december 2018), p.215.
21
Regionale Energiestrategie Zeeland RES 1.0
Opbrengst Zeeuwse sectortafels
22
Regionale Energiestrategie Zeeland RES 1.0
2.
Warmte in de gebouwde omgeving
De belangrijkste punten uit de RES voor de Gebouwde Omgeving in Zeeland:
Zeeuwse doelstelling is een CO2-besparing van 34% in 2030.
Er is niet één specifieke oplossing voor de verduurzaming van de warmtevraag.
Een warmtenet of een all-electric oplossing is voor een groot deel van het woningbestand op de korte termijn niet haalbaar.
We zijn terughoudend met biomassa als warmtebron, omdat niet alle biomassa duurzaam is en er negatieve effecten op luchtkwaliteit en volksgezondheid kunnen zijn.
De beste oplossing moet lokaal en stapsgewijs, middels onderzoek en pilots, gevonden en gerealiseerd worden.
Iedereen moet de energietransitie mee kunnen maken. We stellen het afkoppelen van het aardgas uit tot we zeker weten dat dit voor die wijk de beste oplossing is en er een betrouwbaar en betaalbaar alternatief is.
We kunnen en moeten wel direct werken aan het terugdringen van de warmtevraag: isolatie en efficiëntere bedrijfsprocessen zijn ‘geen spijt’ maatregelen.
Zeeuwse gemeenten gaan intensief samenwerken aan de Transitievisies Warmte.
Uiterlijk 31 december 2021 moeten alle 13 Zeeuwse gemeenten een Transitievisie Warmte (TVW)4 klaar hebben, met daarin een tijdpad voor de ontwikkeling van een alternatieve energievoorziening en het geleidelijk vervangen van aardgas, zoals overeengekomen in het KA. Deze RES geeft vroegtijdig, op Zeeuws niveau, zicht in de beschikbaarheid van duurzame warmtebronnen, de totale warmtevraag en de bestaande en geplande infrastructuur voor warmte.5 We maken op tijd, op regionaal niveau, afspraken over de verdeling en bruikbaarheid van warmte, ook daar waar die gemeentegrenzen overschrijdt. Zo kunnen we, ondanks de schaarse bronnen, optimaal omgaan met de warmtepotentie in Zeeland. Met de oplossingsrichtingen uit de RES, kunnen gemeenten en andere betrokken partijen, een vergelijkbare aanpak hanteren, waarbij elke gemeente natuurlijk rekening houdt met lokale kenmerken. De uiteindelijke RES voor de gebouwde omgeving biedt de Zeeuwse gemeenten een handvat bij het opstellen van hun TVW. In deze visie staan straks de oplossingen op wijkniveau. Hiervoor moeten inwoners, gemeente, maatschappelijke organisaties en ondernemers de input hebben om samen per wijk de juiste afwegingen te maken. Het uitgangspunt, zoals in het landelijk Klimaatakkoord staat, daarbij is woonlastenneutraliteit.
Daarom kijken we, ook op regionaal niveau, naar mogelijkheden voor daling van de kosten door opschaling via warmteaanbod- en warmtevraagbundeling, terugdringen van warmtevraag, digitalisering en innovatie en gezamenlijke financiering. Samen optrekken is dus de insteek.
2.1 Visie 2050 In 2050 bestaat de gebouwde omgeving uit goed geïsoleerde woningen en gebouwen, die we met duurzame energie verwarmen. We staan aan de vooravond van een grote verbouwing, waarbij we ons woningen- en gebouwenbestand, dat nu nog vaak matig geïsoleerd en vrijwel volledig met aardgas verwarmd is, grondig moeten aanpakken. Om de klimaatverandering te beperken, is in het Klimaatakkoord afgesproken dat we het energieverbruik flink gaan reduceren en dat de energie die we nodig hebben duurzaam opgewekt is. In Zeeland gaan we de huidige 185.000 huizen en 48.000 gebouwen verbouwen tot goed geïsoleerde en duurzaam verwarmde gebouwen. Zo’n verbouwing kan niet in een keer, dat doen we stapsgewijs. Alle nieuwbouw moet duurzaam gerealiseerd worden: optimaal geïsoleerd en aardgasvrij. Voor bestaande gebouwen, kijken we per gebouw wat de beste strategie is volgens de drie oplossingsrichtingen uit de Trias Energetica: vermindering van de warmtevraag, verduurzaming van het warmteaanbod en toepassing van duurzame oplossingen en producten. Dit leidt uiteindelijk tot comfortabelere woningen, met een minder hoog energieverbruik en een gezondere leefomgeving. Ook voor de gebouwde omgeving is de energiestrategie praktisch ingestoken. We zijn ambitieus in het stellen van onze ambities en pragmatisch in de uitvoering.
We sluiten aan bij huidige ontwikkelingen, samenwerkingsverbanden en de specifieke
4 Onder ‘warmte’ in de gebouwde omgeving verstaan we: verwarming/koeling van ruimtes, warm tapwater, et cetera. 5 Wanneer er in de RES gesproken wordt over ‘warmte of verwarmen’, dan valt daar ook het aspect ‘koelen’ onder.
23
Regionale Energiestrategie Zeeland RES 1.0 kenmerken van Zeeland en verdiepen ons in de toepassing van nieuwe, en nog te ontwikkelen technologie. We houden rekening met provinciaal en gemeentelijk beleid, sociale structuren, de financiële mogelijkheden en de landschappelijke waarden.
2.2 Opgave en ambitie 2030 Het landelijke doel is om in 2030 in de gebouwde omgeving 3,4 Mton minder CO2 uit te stoten dan in het referentiescenario. Voor het halen van deze doelstelling moeten landelijk 1,5 miljoen bestaande woningen verduurzaamd worden (goed voor 2,4 Mton) en moet de CO2-uitstoot in de bestaande utiliteitsbouw met 1 Mton worden gereduceerd. Deze landelijke ambitie hebben we vertaald naar de Zeeuwse situatie. In Zeeland is in 2017 het ZEA voor de particuliere woningbouw afgesloten tussen overheden en marktpartijen. Daarin is een hogere ambitie vastgelegd voor energiebesparing en CO2-reductie; waarbij het doel is gesteld om in 2030 een energiebesparing c.q. CO2-reductie van 34% te realiseren. De ambitie die landelijk is bepaald, de 3,4 MTon CO2, houdt een reductie in van 6,7% ten opzichte van 2017. Voor Zeeland zou dit overeenkomen met een besparing van 1,31 PJ aan energie voor de gebouwde omgeving in 2030, een reductie van 8,6% ten opzichte van 2017. Gezien de eerdere afspraken die er in Zeeland zijn gemaakt voor particuliere woningbouw en de hogere eisen voor bestaande en nieuwbouw die reeds van kracht zijn, streven we naar een hogere CO2-reductie, namelijk van minimaal 34% voor de gebouwde omgeving in 2030 ten opzichte van 2017.
Dit sluit aan bij recente regelgeving: de Europese Energie Efficiency Richtlijn (EED) voor grootverbruikers, waarmee 20% energie gereduceerd moet worden in 2020, de eisen die aan kantoren worden gesteld vanaf 2023 en 2030, de BENG-norm die sinds 2019 van kracht is voor nieuwe overheidsgebouwen en vanaf 2021 ook voor overige gebouwen en huizen geldt, en de afspraak dat overheidsgebouwen vanaf 2040 energieneutraal zijn. De Zeeuwse ambitie komt daarmee uit op bijna 400 kton CO2-reductie in 2030. Zeeland
Nederland
Percentage
Woningen
185.264
7.740.984
2,4%
Niet-woningen
48.001
1.128.240
4,3%
Totaal
233.265
8.869.224
2,6%
Tabel 1: Overzicht gebouwen.6
De gebouwde omgeving (woningen en ander vastgoed in de gebouwde omgeving) stoot door het gebruik van warmte CO2 uit. De aantallen voor Zeeland staan in tabel 2. Zeeuwse CO2-uitstoot in tonnen
2017
Ambitie 2030
Woningen
632.342
417.345
Commerciële dienstverlening
372.474
245.832
Publieke dienstverlening
163.214
107.721
Totaal
1.168.030
770.989
Tabel 2: CO2-uitstoot Zeeland in 2017 en ambitie voor 2030.
Uitgangspunten Klimaatakkoord Gebouwde omgeving:
Er wordt ingezet op een overgang van aardgas naar duurzame warmte en schone elektriciteit. Voor het uitfaseren van aardgas is gekozen vanwege de klimaatverandering, maar ook vanwege de problemen die de aardgaswinning in Groningen opleveren voor de omgeving. Gemeenten krijgen een centrale rol. Samen met bewoners en gebouweigenaren bepalen zij per wijk wat de beste oplossing is: warmtenetten, warmtepompen of nog anders. Gemeenten leggen uiterlijk in 2021 de volgorde en het tijdpad vast waarin wijken worden aangepakt. Dat kan elke vijf jaar worden aangepast. In dat plan staat ook hoe bewoners erbij worden betrokken. Woningcorporaties zwengelen de motor van deze grote verbouwing aan. Zij gaan aan de slag om al hun 2,4 miljoen woningen te verduurzamen. Zij hebben beloofd dat de woonlasten van huurders niet stijgen. Door bundeling van de vraag, innovatie, schaalvergroting en standaardisering moeten de kosten flink dalen.
6 CBS Statline 2018.
24
Regionale Energiestrategie Zeeland RES 1.0
Dan kunnen ook particulieren hun woning verduurzamen. De investering verdienen ze terug met een lagere energierekening. Er komen proeftuinen Aardgasvrije Wijken en startmotorprojecten. Die vormen een opstap naar standaardisering van gebouwtypes en aanpak. Dat leidt tot lagere kosten. Er zijn afspraken dat er meer duurzame warmte en groen gas komt. Nieuwbouw krijgt geen gasaansluiting meer. Er komt een breed palet aan aantrekkelijke financieringsmogelijkheden voor alle doelgroepen, zoals besparingsfondsen, leningen voor energiebesparing en subsidies. Er komt ook een gebouwgebonden financiering. Bij verkoop van de woning kan die lening worden overgedragen aan de nieuwe eigenaar die het huis koopt met de lagere energierekening. De energiebelasting op gas gaat omhoog, die op elektriciteit omlaag. Zowel burgers als gemeenten worden zoveel mogelijk ‘ontzorgd’. Op diverse manieren wordt het makkelijk gemaakt in één keer het juiste overzicht te hebben hoe je kan verduurzamen en wat het kost en oplevert.
2.3 Aanpak Onze aanpak resulteert voor Zeeland in:
Overzichten van de totale warmtevraag, van alle beschikbare warmtebronnen en van de bestaande en geprojecteerde infrastructuur voor warmte; Beschrijvingen van wat realistisch gezien de in te zetten warmtebronnen zijn in relatie tot de warmtevraag, en van proces, stakeholders en route; Procesvoorstel voor logische, efficiënte en betaalbare koppeling van bronnen, vraag en infrastructuur.
Kwantitatief en kwalitatief Om tot oplossingsrichtingen te komen is gekozen voor een kwantitatieve en kwalitatieve werkwijze. Op basis van een veelheid van bestaande en ontwikkelde data heeft onderzoeksbureau Over Morgen een ‘Energie Transitie Atlas’ voor Zeeland ontwikkeld. In de atlas is relevante data opgenomen die hulp biedt bij het maken van verantwoorde keuzes bij het verduurzamen van de gebouwde omgeving. Voor een reële inschatting, op basis van sectorspecifieke overwegingen, van de daadwerkelijke mogelijkheden die zich op basis van de harde data presenteren is daarbij gekozen voor een zo breed mogelijke dialoogstructuur. Hiervoor zijn, binnen de gebouwde omgeving, meerdere sub-sectortafels ingericht en werden belanghebbenden op meerdere momenten uitgenodigd mee te denken over de oplossingsrichtingen die in dit hoofdstuk worden voorgesteld. De oplossingsrichtingen vormen samen met de Zeeuwse infrastructuur de regionale structuur warmte.
Gefaseerde aanpak In navolging van het landelijk Klimaatakkoord stellen we in Zeeland een gefaseerde aanpak voor, waarbij zowel gewerkt wordt aan een snelle start, als aan de voorwaarden voor latere opschaling en uitrol. We vinden het belangrijk om snel, via pilotprojecten, ervaring op te doen met het efficiënt verduurzamen van de gebouwde omgeving, maar vooral ook om in te zetten op vermindering van het energiegebruik. We benaderen de CO2-opgave vanuit het perspectief van het gehele energiesysteem: de gebouwen, de energie-infrastructuur en de energiebronnen. Vraag, aanbod en infrastructuur kennen elk een eigen status quo, dynamiek en technologische ontwikkeling. De meest reële keuze voor warmtevoorziening kan dus alleen gemaakt worden door de samenhang en dynamiek tussen deze drie voortdurend te monitoren en te onderzoeken. In het denken over oplossingsrichtingen stellen we steeds de vraag: “Op welke manier kan er in de warmtevraag worden voorzien zodat er zo snel mogelijk, tegen zo laag mogelijke kosten voor gebruiker en maatschappij, zo veel mogelijk CO2-reductie wordt behaald, met als uiteindelijk doel dat de warmtevoorziening in de gebouwde omgeving volledig CO2 arm is?”. Maar ook andere aspecten zijn van belang bij de keuze voor de warmtevoorziening in een wijk.
De beste economische of technologisch oplossing is niet altijd automatisch de beste keuze voor een wijk wanneer er ook andere sociale, maatschappelijke, historische of landschappelijke belangen spelen. Deze aspecten zullen bij het maken van de gemeentelijke TVW in kaart worden gebracht.
Drie knoppen voor CO2-reductie Om de CO2-reductie te realiseren bestaan er drie opties; er kan aan drie verschillende knoppen worden gedraaid. Dit zijn: vermindering van de energievraag, verduurzaming van het energie-aanbod en toepassing van duurzame oplossingen en producten.
25
Regionale Energiestrategie Zeeland RES 1.0
Figuur 6: Knoppen voor CO2-reductie.
Knop 1: Energievraag verminderen Voor het verminderen van de energievraag zijn diverse maatregelen mogelijk. Een eerste no-regret maatregel is isolatie, mits op de juiste wijze toegepast. Daarbij houden we rekening met verschillende typen gebouwen, leeftijden en functionele, technische en economische veroudering. Een tweede no-regret maatregel is het sturen op energiezuinig-gedrag. Dit kan met energiemanagementsystemen, al dan niet in combinatie met gedragsbeïnvloeding. Laaghangend fruit als het gaat om het verminderen van de vraag is het installeren van energiezuinige apparaten en het optimaal inregelen van bestaande installaties. Volgens installateurs is met deze maatregel 10-20% gasverbruik te verminderen, met uitschieters tot 40% (bijvoorbeeld in kerken). De RES geeft al op hoofdlijnen mogelijkheden aan, die gemeenten straks in TVW’s tot op wijk-, buurt- en gebouwniveau uitwerken.
Knop 2: Energieaanbod verduurzamen De aanwezigheid en potentie van duurzame warmtebronnen in Zeeland is voor de gebouwde omgeving onderzocht. Een eerste inventarisatie en beoordeling van mogelijkheden is te vinden in dit hoofdstuk.
Knop 3: Toepassen duurzame installaties en producten Technologische ontwikkelingen zijn bepalend voor oplossingen en snelheid van de energietransitie. Sommige ontwikkelingen op het gebied van (hybride) warmtepompen en opslag in de vorm van een (warmte)batterij lijken nu misschien nog onhaalbaar, maar zijn straks wellicht dé oplossing. Daarom is regelmatige herijking van de RES en de gemeentelijke TVW’s noodzakelijk. Flexibiliteit, en de eerder genoemde gefaseerde aanpak met no-regret maatregelen, zijn nodig om nieuwe kansen te benutten en een verdere CO2-reductie te realiseren.
2.4 De Zeeuwse gebouwde omgeving De gebouwde omgeving bestaat uit vier stedelijke gebieden en honderd dorpen. Typisch voor Zeeland is:
de diversiteit qua leeftijd, gebruik en type van woningen en gebouwen zowel in dorpen als in steden; de uitgestrektheid van de dorpen, woningen liggen lang niet altijd dicht bij elkaar; weinig hoogbouw (flats of appartementencomplexen); groot aantal (woonhuis)monumenten en jaren 30-woningen met bijbehorende regelgeving en complexiteit qua verduurzaming; veel woningen die in 1944 (Walcheren) of 1953 zijn aangetast door zout water.
Voor dit hoofdstuk houden we rekening met de specifieke kenmerken van onze gebouwde omgeving, de trends waarvan we verwachten dat ze van invloed gaan zijn op de gebouwde omgeving, de verschillende belangen van vele betrokken stakeholders en, waar mogelijk en bekend, de strategieën van de aangrenzende RES-regio’s. Daarnaast maakt de strategie van de gebouwde omgeving straks integraal onderdeel uit van de RES Zeeland, waarbij de oplossingsrichtingen van de sectortafels Elektriciteit, Mobiliteit en Gebouwde Omgeving optimaal op elkaar zijn afgestemd.
Trends in de gebouwde omgeving De wereld staat niet stil. Naast allerhande technische ontwikkelingen en mogelijkheden, is ook een aantal andere trends van invloed op de gebouwde omgeving. Om een goede inschatting van het verwachte energieverbruik te maken, zijn deze, waar bekend, in de RES-overwegingen meegenomen. Bijvoorbeeld:
26
Regionale Energiestrategie Zeeland RES 1.0
Toename aantal huishoudens ondanks krimp en vergrijzing De Zeeuwse bevolking zal, volgens de prognose7, nog licht stijgen van 383.073 in 2019 naar 396.000 in 2040. De bevolking vergrijst: het aantal mensen tussen de 60 en 80 neemt toe, het aantal 80-plussers gaat zelfs verdubbelen. De verwachting is dat de woningbehoefte toch toeneemt met een aantal van 8.961 tot 2030. Deze groei komt doordat er meer (oudere) eenpersoonshuishoudens bijkomen door de toenemende individualisering en het langer zelfstandig wonen van ouderen. De jaarlijkse groei van het aantal huishoudens neemt wel geleidelijk af. De woningvoorraad zal tot ongeveer 2035 moeten groeien met zo'n 10.000 extra woningen, met name in de Zeeuwse steden en centrumkernen.
Nieuwbouw: inhaalslag De toename van het aantal eenpersoonshuishoudens heeft natuurlijk direct invloed op de nieuwbouw. Deze bleef de afgelopen crisisperiode achterlopen ten opzichte van de prognose, de bouwachterstand is in 2018 al deels ingelopen. Daarnaast hebben we bij de vaststelling van de energiestrategie zoveel mogelijk al rekening gehouden met andere trends die van invloed gaan zijn op de gebouwde omgeving, zoals: Nieuwbouw is op korte termijn (bijna) energieneutraal. Aansluitplicht op gas wordt vervangen door warmterecht. De elektriciteitsvraag van huishoudens neemt toe. We bekijken de gebouwde omgeving vanuit vijf sub-sectoren: sociale woningbouw, particulier, commercieel, publiek en recreatief. Per sub-sector benoemen we: de huidige situatie, de specifieke kenmerken van de sector en de geldende wet- en regelgeving, de mogelijke oplossingsrichtingen voor vermindering van de vraag, verduurzaming van het aanbod en de inzet van innovatieve oplossingen, de maatregelen waar we nu mee aan de slag kunnen, en inventariseren we startprojecten.
Transitievisie Warmte (TVW) Elke gemeente moet eind 2021 een TVW gereed hebben. Binnen de RES Gebouwde omgeving is voor de zomer van 2019 hiervoor een nieuwe subtafel ingericht: de tafel TVW. De Zeeuwse gemeenten hebben daarin afgesproken om gezamenlijk op te trekken bij het opstellen van die visie. Dit is een unieke samenwerking in Nederland. De gemeenten werken de eerste stappen voor het opstellen van de TVW gezamenlijk uit, met een externe adviseur. Vervolgens zal er op lokaal niveau per wijk moeten worden aangegeven of de wijk voor of na 2030 van het aardgas af zal gaan. Voor de wijken die vóór 2030 aan de beurt zijn, moet aangegeven worden welk alternatief er voor de verwarming is gekozen, dat kan een collectieve of individuele oplossing zijn. Er is grote behoefte aan duidelijkheid bij de bevolking en bedrijven en instellingen over de plannen van de gemeenten met betrekking tot het aardgasvrij maken van de gebouwde omgeving. Die duidelijkheid zal in de eerste versie van de TVW nog slechts voor een beperkt aantal wijken gegeven kunnen worden. In deze RES wordt in de volgende hoofdstukken uiteen gezet wat daarvan de reden is.
Plan van aanpak In het plan van aanpak dat begin 2020 door de gemeenten uitgevoerd zal worden om een TVW op te stellen, staan de uitgangspunten, het tijdspad, de manier van communicatie met inwoners en de betrokkenheid van het lokaal bestuur. En een lijst met de belangrijkste betrokkenen. Het netwerkbedrijf is een van de belangrijkste belanghebbenden, maar ook voor de corporaties zal de TVW bepalend zijn voor hun strategie bij het verduurzamen van hun vastgoed. Aan de tafel TVW zitten zowel afgevaardigden van het netwerkbedrijf als van de Zeeuwse woningbouwcorporaties. Zij worden lokaal betrokken bij de plannen. In 2020 start de communicatie met inwoners en worden aparte uitgewerkte communicatie/participatieplannen opgesteld voor die wijken waar de gemeente het eerst aan de slag gaat. De participatiecoalitie die zowel landelijk als regionaal is georganiseerd, kan gemeenten helpen bij het betrekken van bewoners. Deze coalitie bestaat uit maatschappelijke organisaties die veel ervaring hebben met (burger) participatie. De gemeenteraden worden in dit gehele proces nauwgezet geïnformeerd en op belangrijke momenten om goedkeuring van de plannen gevraagd. Voor het opstellen en de uitvoering van de TVW heeft de Rijksoverheid in de decembercirculaire van 2019 per gemeente budget beschikbaar gesteld.
Gezamenlijke aanpak De gezamenlijke aanpak voor de WTVs levert de gemeenten kostenbesparing op, zowel voor het inhuren van experts als voor de inzet van eigen personeel. Wat kan wordt collectief uitgewerkt, zodat niet elke gemeente dat apart hoeft te doen. Door gemeenschappelijke software te gebruiken kunnen Enduris, Evides, waterschap, gemeente en woningbouwcorporaties hun ondergrondse werkzaamheden zoveel mogelijk op elkaar afstemmen. Er is een instrument ontwikkeld waarmee zij hun plannen geografisch inzichtelijk kunnen maken. Zo is inzichtelijk waar en wanneer er gewerkt wordt en of combinaties mogelijk zijn. Dit
7 Bevolkings- en huishoudenprognose 2019 – Provincie Zeeland.
27
Regionale Energiestrategie Zeeland RES 1.0 leidt tot kostenbesparing, minder overlast, maar belangrijker nog: tot versnelling van de verduurzaming van wijken. Daarnaast is dit een belangrijke parameter in de wijkprioritering binnen de TVW. In het afgelopen jaar experimenteerden enkele gemeenten al met dit systeem en de resultaten zijn positief. Voor de opgave van de TVW, wil de tafel Gebouwde omgeving dat dit instrument breed toegepast gaat worden door de betrokken partijen, omdat afstemming van werkzaamheden duidelijk toegevoegde waarde biedt.
2.4.1
Sociale woningbouw
We hebben negen sociale woningcorporaties: L’Escaut woonservice, R&B Wonen, RWS partner in wonen, Stichting Clavis, WBV Arnemuiden, Woongoed Middelburg, Woongoed Zeeuws-Vlaanderen, Stadlander, Woonstichting Hulst en Zeeuwland. In totaal bezitten zij 43.000 woningen en gebouwen. Kenmerkend is:
het gespikkelde bezit (d.w.z. geen blokken huizen in eigendom, maar met tussenliggende particuliere woningen); veel kleine clusters van woningen; weinig hoogbouw.
Afspraken De totale woningvoorraad moet in 2050 CO2-neutraal zijn. In sommige gemeenten is dat doel al naar voren gehaald. Het Nationale Klimaatakkoord stelt voor dat de corporaties een aanjaagfunctie in duurzaamheid hebben. Voor een stevig begin van de verduurzaming hebben Aedes, VNG, IVBN, VastgoedBelang, Bouwend Nederland, Techniek Nederland, Netbeheer Nederland, EnergieNL, OnderhoudNL en de warmtebedrijven de ambitie vastgelegd om 100.000 woningen aardgasvrij of aardgasvrij-ready te maken tussen 2019 en 2022. Het kabinet zegde als bijdrage 500 miljoen toe in de vorm van subsidies en belastingvoordelen. Aedes kwam met de betrokkenen overeen dat er in 2019 een onderzoek komt naar de financiële mogelijkheden van de woningcorporaties, in relatie tot hun maatschappelijke opgaven, waaronder verduurzaming.8 Iedere corporatie stelt een plan vast voor een CO2-neutraalwoningbezit in 2050. Elke corporatie vult dit einddoel via verschillende scenario’s in, afhankelijk van lokale mogelijkheden en afspraken. Door deze verduurzamingsoperatie kan de betaalbaarheid worden verbeterd (dalende of in elk geval gelijkblijvende woonlasten). De scenario’s komen ook terug in afspraken die corporaties met gemeenten maken over de energietransitie per wijk. Corporaties komen in 2021 door een inhaalslag uit op gemiddeld label-B op sectorniveau (extra besparing van 5 PJ) voor hun woningen.
Investeringen in zonnepanelen, warmtenetaansluitingen en woningisolatie worden versneld om de doelstellingen uit het Energieakkoord te halen. Corporaties zullen met gemeenten samenwerken in de totstandkoming van regionale energiestrategieën. Ook andere partijen (in de vrije huur- en koopsector) worden uitgedaagd om op hetzelfde niveau van energiebesparing te komen. Er komt een landelijke monitor die de energiebesparing(prestaties) van alle woningen inzichtelijk maakt.9
Wetgeving De Woningwet is de basis van het wettelijk kader voor woningcorporaties. Uit die wet komt gedetailleerde regelgeving voort. In hun jaarlijkse bod aan de gemeenten geven de corporaties aan welke activiteiten zij ontplooien om hun bijdrage te leveren aan de gemeentelijke Woonvisie op het gebied van duurzaamheid.
Huidige stand van zaken Gezien de Zeeuwse kernmerken is het lastig om massa te maken bij het renoveren van huurwoningen. In Zeeland zien we een toename van huishoudens waarbij minder mensen op een groter oppervlakte gaan wonen. Er komen meer ouderen en meer 1- of 2-persoonshuishoudens. De vraag naar eengezinswoningen neemt af. Die trend lijkt in Zeeland sterker dan elders. Daarom wijzen steeds meer Zeeuwse gemeenten krimpkernen aan (vooral op Schouwen-Duiveland en in Zeeuws-Vlaanderen). Gemeenten berekenen voor die kernen het overschot aan woningen en verwachten van de corporatie dat die dat aantal woningen uit faseert en op termijn sloopt. Het investeren in dit soort woningen in krimpkernen, is dus niet realistisch.
Oplossingsrichtingen De Zeeuwse corporaties spraken landelijk in de Woonagenda10 af dat iedere corporatie in 2018 een eigen plan van aanpak maakt voor een CO2-neutraal woningbezit in 2050. Nog niet alle corporaties zijn zover, maar in Zeeland hebben de meesten dit gedaan.
8 Aedes. 9 Woonagenda 2017, Aedes. 10 Aedes Woonagenda 2017-2021: ‘Aan de slag in buurten, wijken, dorpen en steden’.
28
Regionale Energiestrategie Zeeland RES 1.0 Daarvoor is de routekaart 3.0 van de branchevereniging Aedes ingevuld, om de opgave in beeld te brengen. De gegevens uit de ingevulde routekaarten helpen de sector om samen met elkaar, en met gemeenten, in gesprek te gaan over de duurzaamheidsopgave. De naam routekaart suggereert dat de corporaties hiermee ook in beeld hebben hoe zij hun bezit gaan verduurzamen, maar dit is de volgende stap die zij, zoveel mogelijk gezamenlijk, gaan nemen. De Zeeuwse corporaties zijn een lerend netwerk dat collectieve kennis- en ervaringssessies organiseert. De TVWs die de Zeeuwse gemeenten in 2021 moeten opstellen, zijn cruciaal voor de strategie van de corporaties op hun woningenbestand. Op uitnodiging van de tafel Gebouwde omgeving, neemt een vertegenwoordiger namens de corporaties zitting in de subtafel TVW. Op basis van deze visie, kunnen de corporaties hun strategie voor het verduurzamen van hun vastgoed gaan bepalen. De Routekaart van Aedes beschrijft scenario’s (zie onderstaande figuur). De Zeeuwse corporaties nemen deze niet zonder meer over als handleiding, want maatwerk is noodzakelijk en de strategie hangt sterk af van hoelang de woningen nog in exploitatie blijven. De routekaart bestaat uit vier scenario’s die uiteindelijk leiden tot CO2-neutrale woningen. Bij drie routes zijn daar externe bronnen voor nodig.
Scenario A: Maximaal isoleren binnen bestaande schil. Scenario B: Extra isoleren bovenop mogelijkheden bestaande schil. Scenario C: Dit scenario omvat de maatregelen uit scenario A en voegt hier installatietechnische maatregelen voor opwek van elektra en warmte aan toe. Dit zijn in ieder geval zonnepanelen. Daarnaast past bijvoorbeeld ook een lage temperatuurverwarming in dit scenario. Scenario D: Dit scenario gaat uit van scenario B en voegt hier het opwekken van de resterende energiebehoefte aan toe. Hierdoor ontstaat een nul-op-de-meter woning.11
Maatregelen
verduurzaming van de bestaande woningvoorraad door investeringen in levensduurverlenging, isolatie en installaties. Al van start: van gemiddeld energielabel-C naar energielabel-B in 2021;12 onderzoek naar mogelijke consequenties van het overgaan op alternatieve aanbieders van warmte, koude en elektriciteit; zoveel mogelijk toepassen van circulaire concepten in projectontwikkeling, o.a. hergebruik van materialen; gemeentelijke prestatieafspraken met de corporaties over de verduurzaming van het vastgoed; samenwerking met gemeenten om te komen tot de warmtevisie (o.a. via overleg binnen RES en door deelname aan de subtafel TVW).
Startprojecten
opleiden van energie-coaches voor huurders (in uitvoering); proeftuin Dauwendaele voor het aardgasvrij maken woningen d.m.v. gebruik van restwarmte industrie (in uitvoering); pilot all-electric met Zeeuwse corporaties (in uitvoering); circulaire woningbouw; meerdere projecten (in uitvoering); gezamenlijke aanpak van Zeeuwse corporaties voor productontwikkeling voor nieuwbouw en renovatie in combinatie met energietransitie (in ontwikkeling).
Aanbeveling landelijke tafel Woningcorporaties betalen sinds 2013 een belasting over hun sociale huurwoningen, de verhuurderheffing. De VNG is met Aedes en de Woonbond een onderzoek aan het doen naar de impact van de verhuurderheffing op de corporaties. Zij verwacht dit voorjaar de onderzoeksresultaten te kunnen presenteren. Naar aanleiding hiervan zal de VNG het ministerie mogelijk adviseren de verhuurdersheffing te verlagen, af te schaffen of deze in te zetten gunste van investeringen in de sociale huursector, waaronder mogelijk verduurzamingsmaatregelen. RES Zeeland sluit zich aan bij het standpunten van de VNG hieromtrent.
2.4.2
Particuliere woningbouw
Zeeland kent vier grote steden en veel dorpen met zo’n 119.000 eigen woningen. De particuliere vastgoedmarkt kenmerkt zich door:
11
relatief grote geografische spreiding over de eilanden; hoger energieverbruik dan landelijke gemiddelde, door het relatief grote aantal vrijstaande woningen;
Handleiding Routekaart CO2-neutraal 2050 3.0 Aedes, 9 februari 2018.
12 Energieconvenant.
29
Regionale Energiestrategie Zeeland RES 1.0 75% woningen energielabel-C of lager (doorgaans dus niet geschikt voor verwarming met warmtepomp); redelijk veel VvE’s die vertegenwoordigd worden door in totaal 3 à 4 VvE-beheerders; in landelijk gebied zijn niet alle woningen op het gasnet aangesloten; zo’n 40% bouwjaar van voor 1966, en dus hoge kosten voor verduurzamen/isoleren.
Afspraken In het landelijke Klimaatakkoord staat een aantal relevante afspraken: In 2020 worden standaard- en streefwaarden opgesteld voor isolatie en benodigde ventilatie in bestaande woningen. De standaard voor de gehele woning is leidend, de streefwaarden voor bouwdelen dragen daaraan bij. Deze standaard voor bestaande bouw wordt voor eigenaar-bewoners vooralsnog niet verplichtend, maar geeft duiding over de gewenste energieprestaties. Daarna kan de standaard zo nodig worden aangescherpt, beter worden ondersteund of kan een meer verplichtend karakter krijgen. Om woningeigenaren optimaal te informeren en te ontzorgen bij de verduurzaming van de eigen woning wordt er per 1 januari 2020 op ‘energiebesparendoejenu.nl’ voor alle bewoners en investeringsprofielen gevalideerde informatie verschaft over verduurzamingsmaatregelen en de bijbehorende indicatieve energiebesparing. Dit wordt gekoppeld aan financieringsen subsidiemogelijkheden. De Rijksoverheid en de grotere verhuurders gaan met elkaar in gesprek over het maken van tussendoelen voor grotere verhuurders (niet zijnde corporaties) in 2030. Deze resultaten worden afgestemd met de Woonbond.
Voor de financiering van verduurzamingsmaatregelen worden voorstellen ontwikkeld over Gebouwgebonden financiering, het aanpassen van de krediettoets voor verduurzaming, het ontwikkelen van een methodiek voor woonlastenneutraliteit die leidend kan zijn bij het verstrekken van krediet voor verduurzaming. Ook zullen experimenten worden opgezet om verschillende vormen van gebouwgebonden financiering te testen. Met o.a. makelaars en taxateurs wordt verkend hoe deze kopers en woningeigenaren in een zo vroeg mogelijk stadium zijn te stimuleren om tot verduurzaming over te gaan.
Zeeuwse afspraak 25 partijen tekenden in 2017 een Zeeuws Energie Akkoord (ZEA) om samen te werken aan energiebesparing en renovatie in de particuliere woningbouw. Zij spraken af: In 2045 de hele particuliere woningvoorraad energieneutraal, met tussenliggende doelen verlaging van het netto energieverbruik met:
5% in 2020 19% in 2025 34% in 2030 74% in 2040
In het akkoord is energiebesparing gelijkgesteld aan CO2-reductie.
Aanpak Om dit te bereiken kiezen we voor een aanpak gericht op ontzorgen van de particulier: duurzame keuzes zo makkelijk en aantrekkelijk mogelijk maken. Snel duidelijkheid geven over de oplossingsrichtingen in elke wijk, en scenario’s uitwerken om snel en makkelijk duurzame keuzes mogelijk te maken, die haalbaar zijn in de omgeving en met de beschikbare technologie.
Monumenten vragen aparte aanpak Een groot aantal panden in de steden en dorpen is monumentaal of beeldbepalend en in het bezit van particulieren. Daarom is in Zeeland een specifieke methode ontwikkeld voor de verduurzaming van monumenten. Hierin zitten de volgende elementen: een Monumentenpaspoort, informatiebijeenkomsten, warmtefoto’s, flitsvergunningen, de duurzame monumentencoach en postcodestroomprojecten. Alles met als doel om particuliere monumenteneigenaren te helpen bij het optimaal verduurzamen van hun pand zonder dat het monumentale karakter van het huis geweld wordt aangedaan. Verduurzaming van monumenten vergt maatwerk en is relatief kostbaar. Nu wordt het tempo vooral bepaald door de natuurlijke momenten (onderhoud, verhuizing), dus dit gaat erg traag.
Nieuwbouw Ook voor nieuwbouw zijn (landelijke) afspraken gemaakt:
Sinds 1 juli 2018 krijgen nieuwe gebouwen geen gasaansluiting meer.
30
Regionale Energiestrategie Zeeland RES 1.0
Projectontwikkelaars, bouwbedrijven, corporaties, netbeheerders en warmtebedrijven stellen een pool van medewerkers beschikbaar voor een switchteam. Dit team ondersteunt partijen die plannen voor nieuwbouwprojecten willen wijzigen om te kunnen switchen van aardgas naar een alternatieve warmtevoorziening. Het Nationaal Energiebesparingsfonds heeft een leenfaciliteit voor eigenaren van woningen of aan Verenigingen van Eigenaren (VvE’s) die hun woning energiezuiniger willen maken.
Wetgeving De belangrijkste richtlijnen zijn vastgelegd in: Wet Voortgang Energietransitie (VET) (nieuwbouw) Bouwbesluit Lokale wet- en regelgeving op het gebied van monumentenzorg, beeldkwaliteit e.d. Bijna energieneutrale gebouwen (BENG), per 1 januari 2021 de vervanger voor het energieprestatiecertificaat (EPC)
Wanneer particulieren kiezen voor Warmte en koude opslag (WKO) systemen; open en gesloten verticale bodemwisselaars (aardwarmte warmtepomp), dan geldt daar specifieke regelgeving voor: Waterwet Wet Milieubeheer Wet Bodembescherming Besluit bodemkwaliteit Besluit lozen buiten inrichtingen, en de daaraan gekoppelde provinciale verordeningen Wijzigingsbesluit bodemenergiesystemen
Huidige stand van zaken Het ZEA begon al in 2017, en dus loopt er al een aantal duurzame projecten in Zeeland. Er zijn actieve dorpen, burgerinitiatieven (coöperaties) en projecten. Zo is er de pilot Energiek Zeeland, een platform voor particulieren en lopen er diverse postcoderoosprojecten. In Middelburg kunnen particulieren via het Nul op de Meter team gebruik maken van maximaal €10.000 voor duurzame renovatie. Ook in de particuliere sector zien we de gevolgen van krimp en vergrijzing, en de groeiende vraag naar een- of tweepersoonswoningen en de afnemende vraag naar eengezinswoningen. En we zien in Zeeland een groeiende vraag naar woningen in het stedelijk gebied.
Oplossingsrichtingen We moeten naar een aanpak die op grote schaal kan worden doorgevoerd en impact oplevert. Bijvoorbeeld met een grote uitrol via Bouwend Zeeland en Techniek Nederland waarbij woningeigenaren aanbiedingen krijgen voor gezamenlijke acties voor ‘geenspijt maatregelen’. Mogelijk dus met actieve bijdragen van enthousiasmerende ‘tussenschakels’, zoals genoemd in het idee voor de Sociale Warmte Atlas Zeeland. Kansen liggen in het ontwikkelen van:
een goed onafhankelijk woningadvies voor woningeigenaren (momenteel vervult het Duurzaam Bouwloket hierin een rol en in de loop van 2020 ook Platform Energiek Zeeland); het opleiden van aannemers en installateurs in duurzame oplossingen en werkwijzen en het stimuleren van samenwerking tussen deze partijen op het vlak van energietransitie; doorontwikkeling van het project voor woonhuismonumenten en initiatieven rondom VvE’s; vorming van nieuwe kansen/uitdagingen o.b.v. de TVWs per gemeente. Ook de Sociale Warmte Atlas Zeeland kan versterking bieden, om technische, economische en sociale haalbaarheid en innovatie gelijkwaardig te wegen; optimaliseren van de verwarmingsinstallaties. Dit is een vrij eenvoudige oplossing, om volgens installateurs 10 tot 20% gas te besparen. Hiervoor zullen installateurs wel opgeleid moeten worden, het is nu een specialisme die nog weinig partijen beheersen. Dit geldt niet alleen voor woningbouw, maar voor alle verwarmingsinstallaties in gebouwen; bewustwordingsprojecten kunnen ook veel opleveren. Particulieren die inzicht krijgen in hun verbruik, gaan zelf op zoek naar verbetermogelijkheden. Hier liggen kansen voor gemeenten en maatschappelijke organisaties, die hier een rol in kunnen vervullen, maar mogelijk ook via het onderwijs.
Zie ook het idee voor de Sociale Warmte Atlas Zeeland: heel veel partijen kunnen bijdragen aan bewustwording en versnelling van het energietransitieproces.
Maatregelen
uiterlijk in 2021 aangeven wanneer wijken aardgasvrij worden en welke als eerste aan de beurt zijn (m.n. nieuwbouw); breed inzetten op geen-spijt maatregelen; gemeenten subsidiëren isolerende maatregelen volgens geen spijt-principes en landelijke nieuwe normen;
31
Regionale Energiestrategie Zeeland RES 1.0
standaard in laten regelen van verwarmingsinstallatie bij onderhoud, afspraken maken met branche; promoten van landelijk advies met betrekking tot isolatienormen; promoten van Energiek Zeeland ; uitvoering van acties van de partners van het ZEA particuliere woningbouw (zie bollenschema in bijlage 2); gezamenlijk met partners van het ZEA particuliere woningbouw een plan van aanpak voor de komende jaren opzetten dat leidt tot 34% energiebesparing in 2030 in particuliere woningbouw.
Startprojecten
Energiek Zeeland, een adviessysteem voor woningeigenaren door Zeeuwse bedrijven (in uitvoering januari 2020); opleiden aannemers en installateurs voor geen-spijt maatregelen (in uitvoering 2019/2020); duurzame monumentenproject uitrollen; begeleiden van monumenteneigenaren bij het terugbrengen van de warmtevraag (in uitvoering april 2019); Rhedcoop; energiebesparing en collectieve energieopwekking (in uitvoering 2019-2022); demoproject inregelen verwarmingsinstallaties (in uitvoering januari 2020); twee à drie haalbaarheidsonderzoeken voor toepassing van aquathermie (in ontwikkeling januari 2020); brede informatieverstrekking over standaard isolatienormen voor bestaande woningen voor de meest gangbare woningtypes, zowel aan woningeigenaren als aan de bouw- en installatiesector, makelaars, lokale overheden (in ontwikkeling januari 2020); uitvoering van de subsidieregeling Regeling Reductie energiegebruik.
Aanbeveling landelijke tafel
Ondersteun monumenteneigenaren bij verduurzaming van de woning door het wegnemen van barrières (regelgeving).
2.4.3 Publiek vastgoed De publieke vastgoedmarkt kenmerkt zich door:
een deel van de vaak oudere, monumentale panden ligt in dorpskernen; door krimp vaker leegstand van school-, kerk- of andere gemeenschapsgebouwen; veel kleine sportverenigingsgebouwen, waarvan energieverbruik weliswaar niet hoog, maar energetische kwaliteit beperkt; groot aantal zorggebouwen, deels geografisch geconcentreerd, met hoog energieverbruik; het ontbreekt overheden soms aan menskracht om duurzaamheid op te pakken; door veelheid aan belangen verloopt besluitvorming soms traag en duurzaamheid maakt nog niet altijd automatisch onderdeel uit van de begroting.
Afspraken De Zeeuwse gemeenten willen met het publieke vastgoed het goede voorbeeld geven en in 2040 energieneutraal zijn. Om de overheden hierbij te ondersteunen, zijn er routekaarten opgesteld, aan de hand waarvan elke overheid of instelling voor het vastgoed een planning kan maken voor het stapsgewijs toewerken naar energieneutraliteit. De provincie heeft de routekaart op 1 mei 2019 ingevuld, de gemeenten gaan dit het komend jaar ook doen. Dit is gebaseerd op de afspraken van het Interbestuurlijke programma. In februari 2019 legden overheden de volgende uitgangspunten vast:
Nieuwbouw met grootverbruik in opdracht van overheden wordt in principe aardgasvrij gebouwd en anders vanaf 2020 zo opgeleverd dat afkoppeling van aardgas mogelijk is. Verduurzaming van overheidsvastgoed gaat in tranches met als doel energie-neutrale voorraad in 2040.
Deze ambities zijn het uitgangspunt van de routekaart van de VNG voor verduurzaming van gemeentelijk vastgoed. Dit is de basis voor verdere uitwerking en besluitvorming door de leden. Ook maakt het onderdeel uit van de afspraken in het Klimaatakkoord over maatschappelijk vastgoed.
Wetgeving
Wet Milieubeheer: een eigenaar van publiek vastgoed wordt in sommige gevallen ook als ondernemer of inrichtingshouder gezien, zo ook bijvoorbeeld bij een deel van de scholen . In de Wet Milieubeheer (WM) zijn wettelijke eisen opgenomen over energiebesparing. Zie bijvoorbeeld art. 2.15 WM, de EED, Meerjarenafspraak (MJA), MEE e.d. Daarnaast is per 1 juli 2019 de Informatieplicht Energiebesparing in werking getreden waaronder ook alle 32
Regionale Energiestrategie Zeeland RES 1.0
schoolgebouwen vallen met een jaarlijks elektriciteitsverbruik van minstens 50.000 kilowattuur (kWh) of een jaarlijks verbruik van minstens 25.000 m3 gas (per aansluiting). Verplichting dat in 2023 alle panden label C moeten hebben (zowel kantoren als overheidsgebouwen). Toekomstige verscherping van de eisen aan de energieprestatie van gebouwen. EPC is vervangen door BENG. Met ingang van 1 januari 2019 (voor overheidsgebouwen) respectievelijk 1 januari 2021 (voor overige gebouwen) moeten nieuwe woningen en utiliteitsgebouwen BENG zijn. Dit is sinds 12 november 2015 opgenomen in het Bouwbesluit.