CConstaterende datSúdwest-Fryslân
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage - Ontwerpbestemmingsplan incl. beeldkwaliteitsplan

Raadsvergadering 22 juni 2023, gemeente Súdwest-FryslânBij agendapunt: Bestimmingsplan Harinxmaland en byldkwaliteitsplan Harinxmaland 2A25.121 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

De voorwaarden waaraan voldaan moet worden om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Vogelrichtlijn. Verder is het verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen of te verstoren. GS kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen PS vrijstelling verlenen van dit verbod. De gronden voor verlening van ontheffing of vrijstelling zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Habitatrichtlijn. Ten slotte is een verbodsbepaling opgenomen voor overige soorten. Deze soorten zijn opgenomen in de bijlage onder de onderdelen A en B bij de Wnb. De provincie kan ontheffing verlenen van deze verboden. Verder kan bij provinciale verordening vrijstelling worden verleend van de verboden. De noodzaak tot ontheffing of vrijstelling kan hierbij ook verband houden met handelingen in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. Bij de voorbereiding van het bestemmingsplan moet worden onderzocht of de Wet natuurbescherming de uitvoering van het plan niet in de weg staat.

Dit is het geval wanneer de uitvoering tot ingrepen noodzaakt waarvan moet worden aangenomen dat daarvoor geen vergunning of ontheffing ingevolge de wet zal kunnen worden verkregen.

31/906

4.6.2 Gebiedsbescherming Het plangebied vormt geen onderdeel van een natuur- of groengebied met een beschermde status, zoals Natura 2000. Het plangebied maakt ook geen deel uit van het NNN. Uit de kaart van het Natuurbeheerplan blijkt dat in het plangebied of directe omgeving geen beschermde landschapselementen aanwezig zijn. De afstand tot zowel het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied Sneekermeergebied betreft 3,6 km en de afstand tot het dichtstbijzijnde NNN-gebied bedraagt 2,9 km. Het plangebied ligt buiten beschermde natuurgebieden. Directe effecten, zoals areaalverlies en versnippering, kunnen hierdoor worden uitgesloten. Gezien de afstand tot natuurgebieden en de locatie van het plangebied (stedelijke omgeving) kunnen ook verstoring en verandering van de waterhuishouding worden uitgesloten. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied wat stikstofgevoelig is betreft Alde Faenen (15,9 km). Voor de voorgenomen ontwikkeling is een stikstofberekening uitgevoerd (bijlage 5). Op basis van dit onderzoek wordt geconcludeerd dat voor de gebruiksfase geen sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Significant negatieve effecten op beschermde gebieden kunnen derhalve worden uitgesloten. De Wnb en het beleid van de provincie Friesland staan de uitvoering van het plan dan ook niet in de weg.

4.6.3 Soortenbescherming Ten aanzien van de soortenbescherming gelden onder andere algemene verboden tot het verwijderen van groeiplaatsen van beschermde plantensoorten, het beschadigen, vernielen, wegnemen of verstoren van voortplantings- of vaste rustplaatsen of verblijfplaatsen van beschermde diersoorten of het opzettelijk verontrusten van een beschermde diersoort. Voor het planvoornemen is ter plaatse een quikscan flora en fauna uitgevoerd. Hieronder worden de belangrijkste conclusies weergegeven. Het gehele rapport is opgenomen in bijlage 6. Met de voorgenomen ontwikkeling zullen enkele sloten worden gedempt en het terrein bouwrijp worden gemaakt. De nieuwe gedragscode soortbescherming voor gemeenten krachtens 22 april 2020 kan voor veel soorten worden gehanteerd, en biedt in veel gevallen vrijstelling van ontheffingsplicht onder specifieke voorwaarden en werkwijzen. In bijlage 7 is de gedragscode opgenomen. De ontwikkeling zal naar verwachting leiden tot een beperkt verlies van leefgebied van een aantal beschermde soorten waarvoor een provinciale vrijstelling geldt. Het betreft soorten als ree, vos, haas, konijn, marterachtigen en diverse algemene (spits)muis-, amfibieën- en vissensoorten.

De ingreep heeft geen invloed op de gunstige staat van instandhouding van deze soorten omdat er sprake is van een tijdelijke, en plaatselijke verstoring, voldoende leefgebied aanwezig blijft en het relatief algemene soorten betreft. Vleermuizen Verblijfplaatsen van vleermuizen zijn uit te sluiten. Het plangebied vormt in geringe mate geschikt foerageergebied. Essentieel foerageergebied is echter uit te sluiten, temeer gezien de ligging in een groene omgeving. Om eventueel aanwezig foerageergebied functioneel te houden en verstoring te voorkomen, dienen twee maatregelen in acht te worden genomen: werkzaamheden uitsluitend overdag uitvoeren (met name in actieve periode van vleermuizen, april t/m november); aanwezige straatverlichting en eventuele extra verlichting rond bebouwing voorzien van niet uitstralende armaturen (zie kader verlichting).

32/906

Grote modderkruiper Het leefgebied van de grote modderkruiper bestaat uit ondiepe wateren met een dikke modderlaag en een uitbundige waterplantengroei (RAVON). Dergelijk habitat is binnen de sloten binnen het plangebied (deels) aanwezig. Op de bodem van de sloten is veel voedselrijk slib aanwezig, de waterplantengroei is op sommige delen uitbundig waar het op andere plekken nagenoeg volledig ontbreekt. De soort is echter niet uit te sluiten. Nader onderzoek is noodzakelijk om de aanwezigheid van de soort aan te tonen dan wel uit te sluiten. Hieruit zal blijken of het aanvragen van een ontheffing Wnb nodig is. Er geldt geen vrijstelling voor de ontheffingsverplichting vanuit de gedragscode soortenbescherming voor gemeenten. Wel zijn hier voorwaarden en werkwijzen in opgenomen die moeten worden opgevolgd wanneer de soort wordt aangetroffen in het vervolgonderzoek. Vogels met jaarrond beschermde nesten Van een aantal vogelsoorten zijn de nesten het hele jaar door beschermd. Ook de functionele leefomgeving is daarbij beschermd. Bij de aantasting van de nestlocatie en/of de functionele leefomgeving is een ontheffing Wnb noodzakelijk. In het plangebied zelf zijn geen (potentiële) nesten aangetroffen met een jaarrond beschermde functie.

In de directe omgeving kunnen echter nesten van vogels met jaarrond beschermde nesten worden bezet waar in de uitvoering rekening mee dient te worden gehouden. Hierbij dient de verstoringsafstand in acht te worden genomen om verlating van het nest of verstoring van jongen te voorkomen. Broedvogels Voor alle beschermde inheemse (ook algemeen voorkomende) vogelsoorten geldt een verbod op handelingen die opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren vernielen of beschadigen, alsook op het wegnemen van nesten van vogels. Daarnaast is het verboden vogels opzettelijk te storen, tenzij de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. In veel situaties kan dit voorkomen worden door verstorende werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren. 4.6.4 Conclusie Ten behoeve van de ontwikkeling zal dan ook een ontheffing worden aangevraagd voordat de (bouw)werkzaamheden worden uitgevoerd. Voor het overige worden er geen negatieve effecten op de NNN en Natura 2000-gebieden verwacht. Tevens zijn er – behoudens de grote modderkruiper – geen negatieve effecten op beschermde soorten te verwachten. Ten slotte is op basis van de Wnb altijd de algemene zorgplicht van toepassing, die inhoudt dat eenieder voldoende zorg in acht neemt voor alle inheemse dieren en planten en hun directe leefomgeving.

Concreet betekent dit dat bij (ruimtelijke) ingrepen gezorgd moet worden dat dieren niet verstoord of gedood worden en dat planten niet zomaar verplant worden. Ook dient gelet te worden op bijvoorbeeld broedende vogels, de voortplantingsperiode van amfibieën en de zoogperiode van zoogdieren.

33/906

4.7

Archeologie en cultuurhistorie

4.7.1 Toetsingskader en beleid Op 1 juli 2016 is de Erfgoedwet van kracht geworden. De Monumentenwet 1988 is met ingang van 1 juli 2016 dan ook vervallen. De bepalingen uit de Monumentenwet 1988 zijn deels overgegaan naar de Erfgoedwet en – zodra die wet in werking treedt in 2022 – deels naar de Omgevingswet. De bepalingen en vergunningen uit de Monumentenwet 1988 die overgaan naar de Omgevingswet blijven van toepassing tot de datum dat de Omgevingswet in werking treedt. Deze artikelen gelden tot dat moment als overgangsrecht op grond van de Erfgoedwet en tenzij expliciet vermeld, veranderen deze niet van inhoud. Tot die tijd blijft de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) het wettelijke kader voor de omgang met gebouwde en aangelegde rijksmonumenten en de Monumentenwet 1988 voor de omgang met de archeologische rijksmonumenten. Tot cultuurhistorie worden voor dit bestemmingsplan gebouwde monumenten inclusief beschermde stads- en dorpsgezichten, archeologie en cultuurlandschap gerekend. In deze paragraaf wordt een analyse gemaakt van de cultuurhistorische (verwachtings)waarden en het eventueel noodzakelijke beschermingsregime.

Bij deze analyse wordt volgens de gemeentelijke erfgoednota uitgegaan van de Landschapsbiografie Súdwesthoeke, de Cultuur Historisch kaart van de provincie Fryslân (CHK), waar ook de Friese Archeologische Monumentenkaart Extra (FAMKE) deel van uitmaakt. 4.7.2

Archeologie

Algemeen Bij het opstellen en uitvoeren van ruimtelijke plannen wordt rekening gehouden met de bekende en de te verwachten archeologische waarden. Op welke plaatsen archeologisch onderzoek aan de orde is, wordt op grond van het gemeentelijk beleid bepaald. De gemeente volgt hiertoe de provinciale Friese Archeologische Monumentenkaart Extra (FAMKE). Op deze kaart worden voor de perioden steentijd-bronstijd en ijzertijd-middeleeuwen adviezen gegeven over eventueel te verrichten onderzoeken. De archeologisch waardevolle terreinen en de verwachtingszones zijn beschermd via een dubbelbestemming archeologie, afhankelijk van de toegekende waarde. Zoals gezegd wordt gebruiktgemaakt van twee soorten archeologische waarden. Het betreft de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie 1' en 'Waarde - Archeologie 2'. Waarde - Archeologie 1 wordt gehanteerd voor terreinen of gebieden die op de FAMKE het advies 'streven naar behoud' en 'waarderend onderzoek' hebben meegekregen, dus de bekende archeologisch waardevolle terreinen. Waarde - Archeologie 2 wordt gehanteerd voor gebieden die op de FAMKE het advies 'karterend onderzoek' en 'quickscan' hebben gekregen en zijn dan ook gebieden met een archeologische verwachtingswaarde.

Analyse In gebieden met een archeologische waarde (Waarde - Archeologie 1) zijn in principe ingrepen vanaf 50 m² en dieper dan 40 cm vergunningsplichtig en moet een archeologisch onderzoek uitgevoerd worden voorafgaand aan de vergunningverlening. Dit om de archeologische behoudenswaardigheid in voldoende mate te kunnen bepalen. Het vaststellen van de archeologische waarde wordt gedaan aan de hand van één of meerdere archeologisch vooronderzoeken. In eerste instantie moet een bureau- en booronderzoek worden uitgevoerd. Eventueel volgt hierop nog een proefsleuvenonderzoek. Na iedere onderzoeksfase wordt de rapportage van het betreffende onderzoek ter beoordeling aan de gemeente voorgelegd. Het vooronderzoek wordt afgesloten als

34/906

uit de beoordeling van de rapportage blijkt dat de waarde van het te verstoren terrein in voldoende mate is vastgesteld. Vervolgens wordt namelijk besloten of voorwaarden aan de omgevingsvergunning worden verbonden (opgraven, begeleiden en/of planaanpassing) of dat het plangebied archeologisch wordt vrijgegeven ten behoeve van de werkzaamheden. Voor de gebieden in een archeologische verwachtingszone (Waarde - Archeologie 2) zijn de vrijstellingsgrenzen ruimer en speelt mogelijk archeologisch onderzoek bij ingrepen vanaf 500 m². Wanneer sprake is van bodemverstorende ingrepen dieper dan 40 cm, afhankelijk van de omvang van de ingreep, dan is archeologisch onderzoek nodig. In het plangebied is volgens de FAMKE sprake een archeologische verwachting voor zowel de steentijd-bronstijd als de ijzertijd-middeleeuwen. Voor eerstgenoemde periode is bij bodemverstoring vanaf 40 cm vanaf 5.000 m² in principe archeologisch onderzoek noodzakelijk en voor de tweede periode gaat de onderzoeksplicht gelden bij ingrepen vanaf 500 m². In 2005 en 2006 is door het ingenieursbureau RAAP voor het gehele plangebied Harinxmaland een inventariserend en waarderend booronderzoek uitgevoerd. Tijdens het karterende onderzoek zijn een groot aantal (potentieel) waardevolle gebieden aangetroffen.

Ze zijn in het vigerende bestemmingsplan Harinxmaland bestemd als 'Archeologisch waardevolle gebieden' (artikel 13). Voor de gebieden met een verwachtingswaarde is de aanduiding 'Gebieden met archeologische verwachtingswaarde' opgenomen. In het plangebied is volgens het vigerende plan enkel sprake van laatstgenoemde (zie afbeelding 4.2: de zones met stip arcering). Ondertussen is het gebied verder gewaardeerd (Plangebied Harinxmaland. Archeologisch vooronderzoek: een Inventariserend veldonderzoek (waarderend onderzoek), RAAP-rapport 1332, 2006) en van het meest zuidelijke beschermde cluster met RAAP-vindplaatsnummers 56 en 57 is enkel vindplaats 56 behoudenswaardig geacht en de begrenzing is hierop aangepast (zie afbeelding 4.2). De rest van het gebied met aanduiding archeologische verwachtingswaarde in het moederplan komt daarmee te vervallen. Voor vindplaats 18 wordt een aanvullend proefsleuvenonderzoek aanbevolen, mocht de vindplaats verstoord worden door bodemingrepen. De behoudenswaardigheid kon namelijk niet voldoende worden bepaald tijdens het waarderend booronderzoek. Overigens ligt enkel de zuidoostpunt van vindplaats 18 in het plangebied (circa 215 m²).

35/906

Afbeelding 4.2 De vindplaatsen geprojecteerd op de plantekening (groen-blauwe omlijning betreft de woonpercelen met daar binnen in het rode vlak de bebouwing) Vindplaats 56 betreft een overslibde huisplaats uit IJzertijd/Romeinse tijd van circa 0,11 ha groot met een vondstlaag van circa 0,15 m dikte op een diepte van 0,7-1,25 m -Mv, gemiddeld 1 m -Mv. Vindplaats 18 betreft een mogelijke boerderijplaats uit de middeleeuwen/nieuwe tijd van 0,47 ha (waarvan 215 m² in het plangebied), de vondstlaag is gemiddeld 0,3 m dik met een diepte van 0,15-0,9 m -Mv en gemiddeld 0,3 m -Mv. Regeling in dit bestemmingsplan Op de verbeelding hebben vindplaatsen 18 en 56 een dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 1' gekregen. De rest van het plangebied is vrijgegeven. Er vindt namelijk geen significante aantasting plaats van de archeologische waarden, de vindplaatsen kunnen in-situ worden behouden. Er wordt namelijk een ophooglaag van circa één meter opgebracht. Het oorspronkelijke maaiveld ligt op circa - 0,55 m NAP en het te realiseren maaiveld op + 0,6 m NAP. De aan te brengen (nuts)voorzieningen blijven binnen deze ophooglaag. Er is gekozen om binnen de dubbelbestemming de diepte van de vrijstellingsgrens op 1 m te zetten, waarmee rekening is gehouden met een bufferzone van enkele decimeters tot de vindplaatsen.

Vindplaats 18 bevindt zich in de openbare ruimte en wordt geheel beschermd door de ophooglaag. Er geldt hier een vrijstellingsgrens qua oppervlakte van 50 m2. Vindplaats 56 bevindt zich deels onder de uit te geven woonpercelen. Het betreft circa 230 m², oftewel afgerond 20% van de vindplaats, waarvan vervolgens minder dan de helft archeologievriendelijk wordt bebouwd. Zoals

36/906

gezegd wordt de ophooglaag niet doorgegraven, dit met uitzondering van circa zes heipalen met een gezamenlijke oppervlakte van circa 0,4 m² verstoring. Er geldt voor deze vindplaats een vrijstellingsoppervlakte van slechts 5 m2 in afwijking van de gebruikelijke 50 m2. Dit omdat het een relatief kleine vindplaats betreft, een overslibde woonplaats, die zeer hoog is gewaardeerd. Ook kleine ingrepen zorgen op een dergelijke kleine vindplaats voor een groot verlies van wetenschappelijke informatiewaarde. 4.7.3 Cultuurhistorie Algemeen In 2019 heeft de gemeente Súdwest-Fryslân (samen met de gemeente De Fryske Marren, de provincie Fryslân en de stichting Mar en Klif) een Landschapsbiografie van de Friese Súdwesthoeke laten opstellen. Vrijwel heel Súdwest-Fryslân maakt deel uit van het Nationaal Landschap Zuidwest-Friesland. Dit gebied wordt gekenmerkt door een grote verscheidenheid aan landschapstypen, waaronder het stuwwallenlandschap in Gaasterland, de IJsselmeerkust van Makkum tot Lemmer, de kleizone met de wel bekende terpen en het veengebied van de Friese Meren. Ieder landschapstype kent een eigen ontstaansgeschiedenis en cultuurhistorische elementen die van grote waarde zijn voor de beleving van het landschap in de Súdwesthoeke.

De waardevolle cultuurhistorische elementen in het buitengebied en het Nationale Landschap zijn op regionaal niveau geïnventariseerd en in kaart gebracht in de landschapsbiografie. Deze vormt een aanvulling op de reeds bestaande Cultuurhistorische kaart van Fryslân en sluit aan bij de door de provincie Fryslân uitgegeven 'Wordingsgeschiedenis van Fryslân'. Hiermee is de feitelijke basis gelegd voor het ruimtelijk beleid en het 'beter vertellen' van de historie van de Súdwesthoeke. Analyse Het plangebied is gelegen in de veenrandzone die ook wel bekend staat als het klei-op-veenlandschap. De zone strekt zich voornamelijk uit aan de zuidkant van de Marne- en Middelzeeslenk en raakte al bewoond in de Late IJzertijd en de Romeinse tijd. Om wateroverlast tegen te gaan begon men aan het einde van de 12de eeuw met de aanleg van een reeks binnenpolders ten zuiden van de Marne- en de Middelzeepolders. Deze polders worden ook wel de hempolders of hemmen genoemd en liggen in een halve cirkel tussen Schraard en Raerd. Het plangebied is gelegen in de zogenaamde Scherhempolder. De (deels) verdwenen dijken liggen buiten het plangebied. Er is hier sprake van een onregelmatige blokverkaveling. Dit type verkaveling wordt gekenmerkt door percelen met een afwisselende rechthoekige, vierkante of afgeronde vorm, waarbij een duidelijke regelmaat of structuur ontbreekt.

Het verdient zeer de aanbeveling om de kenmerkende verkaveling van het oorspronkelijke kavel van de boerderijplaats van vindplaats 18 direct noordelijk van het plangebied terug te laten komen in de doorontwikkeling van de stedenbouwkundige opzet. Uit de CHK en Landschapsbiografie blijkt verder dat er sprake is van een inmiddels verdwenen boerderijplaats. De indeling van de boerderijplaats wordt duidelijk op de kadastrale kaart uit 1832, waarop zichtbaar is dat de voormalige boerderij zich bevindt vlak buiten het plangebied (zie afbeelding 4.3). Dit betreft vindplaatsnummer 18, die nog nader gewaardeerd moet worden bij daadwerkelijke bodemingrepen. Zoals hierboven beschreven ligt een deel van deze vindplaats in het plangebied (circa 215 m²) en wordt deze beschermd middels een dubbelbestemming Waarde - Archeologie 1.

37/906

Afbeelding

4.3

Uitsnede van de kadastrale kaart van 1832 geprojecteerd op de huidige topografie Er is verder geen sprake van andere cultuurhistorische elementen. 4.7.4 Conclusie Het betreft hier een nadere uitwerking van een moederplan. Aanwezige en verwachte cultuurhistorische en archeologische waarden worden wanneer nodig beschermd door middel van een dubbelbestemming. Het bestemmingsplan is vanuit cultuurhistorisch oogpunt dan ook uitvoerbaar. Nadere onderzoeken zijn niet nodig. In alle gevallen blijft de archeologische meldingsplicht van toevalvondsten van kracht (artikel 5.10, lid 1 Erfgoedwet). Concreet houdt dit in dat wanneer bij graafwerkzaamheden vondsten worden aangetroffen waarvan de vinder redelijkerwijs moet kunnen weten dat het archeologie betreft, dit gemeld moet worden bij het bevoegd gezag, zijnde de gemeente.

4.8

Water

Toetsingskader De initiatiefnemer dient in een vroeg stadium overleg te voeren met de waterbeheerder over een ruimtelijk planvoornemen. Hiermee wordt voorkomen dat ruimtelijke ontwikkelingen in strijd zijn met duurzaam waterbeheer. Het plangebied ligt binnen het beheergebied van het Wetterskip Fryslân, verantwoordelijk voor het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer. Bij het tot stand komen van dit bestemmingsplan wordt overleg gevoerd met de waterbeheerder over de voorgestane ontwikkeling. Beleid duurzaam stedelijk waterbeheer Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, allen met als doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het plangebied relevante nota's, waarbij het beleid van het waterschap en de gemeente Súdwest-Fryslân nader wordt behandeld. Europees: Kaderrichtlijn Water (KRW). Nationaal: Nationaal Waterplan (NW); Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW);

38/906

Waterwet. Provinciaal: Provinciaal Waterplan; Provinciale Structuurvisie; Verordening Ruimte. Waterschapsbeleid Het beleid van Wetterskip Fryslân is verwoord in het Waterbeheerprogramma 2022-2027. In het Waterbeheerprogramm 2022-2027 beschrijft Wetterskip Fryslân de doelen ten aanzien van waterveiligheid, voldoende water, schoon water, integrale uitwerking van de klimaatopgaven en water in de samenleving voor de komende jaren. Daarbij zet het Wetterskip in op het versterken van dijken, de aanleg van waterbergingsgebieden, het langer vasthouden van zoet water en de verbetering van de waterkwaliteit. Ook wordt vooruit gekeken om de effecten van de klimaatverandering op te kunnen vangen, daarom zijn maatregelen en ruimtelijke keuzes onvermijdelijk. Onderzoek Voor het planvoornemen is de watertoets doorlopen. In bijlage 8 is de doorlopen watertoets en reactie vanuit het waterschap toegevoegd. Hieronder is de watertoets nader uitgewerkt. Huidige situatie Algemeen Het plangebied bestaat uit agrarische gronden waarop woningen zullen worden gerealiseerd. In het plangebied is er sprake van grondwatertrap Ib. Dat wil zegen dat de gemiddelde kleinste diepte 31 cm betreft en de gemiddeld grootste diepte 105 cm is. De maaiveldhoogte in het plangebied -0,6 m. Waterkwantiteit In het plangebied is oppervlaktewater aanwezig, zie afbeelding 4.4.

39/906

Afbeelding 4.4 Oppervlaktewater nabij het plangebied (bron: Legger Wetterskip Fryslân) Veiligheid en waterkeringen Het plangebied ligt niet in een kern- of beschermingszone. Afvalwaterketen en riolering Het plangebied is niet aangesloten op een rioolstelsel. Toekomstige situatie Algemeen Waterkwantiteit Door ruimtelijke ontwikkelingen neemt de hoeveelheid verhard oppervlak toe met als gevolg een versnelde afvoer van hemelwater. Het is nodig om deze versnelde afvoer te compenseren om de waterberging in een gebied in stand te houden. De meest voorkomende manier van compenseren is het graven van oppervlaktewater. Uiteraard is het toepassen van alternatieve maatregelen in het plan ook mogelijk. In de waterparagraaf, regels en of verbeelding dient duidelijk aan te worden gegeven wat voor maatregelen er worden genomen om de versnelde afvoer als gevolg van de toename verharding te compenseren. Het is niet toegestaan zonder watervergunning neerslag versneld tot afvoer te laten komen indien daarbij meer dan 200 m² onverharde grond in stedelijk gebied en 1.500 m² in landelijk gebied wordt bebouwd of verhard. Er geldt een vrijstelling van de vergunningsplicht wanneer wordt voldaan aan de compensatieregels genoemd in dit wateradvies. De meest voorkomende manier van compenseren is het graven van extra oppervlaktewater.

Bij het graven van extra oppervlaktewater hanteert het Wetterskip de volgende compensatienorm: boezem 5%, dit heeft alleen betrekking op de Friese boezem; polder 10%. Bij dit project zullen de nieuwe woningen en bijbehorende voorzieningen zorgen voor extra verharding. Ook

40/906

zullen enkele bestaande watergangen worden gedempt. Voor de realisatie van het plangebied fase 2A (toekomstperspectief) en de eerste deelfase 2A1, heeft afstemming plaatsgevonden met het Wetterskip. Compensatie voor de eerste fase wordt gerealiseerd door het aanleggen van extra waterpartij welke wordt aangesloten met een duiker. Ook wordt een verbindingssloot aangelegd. Zie hiervoor afbeelding 4.5, waarop de afspraken met het Wetterskip zijn weergegeven. In bijlage 9 is het bestand opgenomen.

Afbeelding 4.5 Overzicht afspraken watercompensatie De precieze capaciteit/diameter van die duiker wordt nog bepaald door het Wetterskip en bij de gemeente aangegeven. Bij de aanvraag van de watervergunning zal dit definitief worden vastgelegd. In de latere fases wordt meer water aangelegd voor het wonen aan het water, zie hiervoor afbeelding 4.6 waarin het voorlopige ontwerp te zien is van plangebied fase 2A.

41/906

Afbeelding 4.6 Voorlopig ontwerp Harinxmaland Afvalwaterketen en riolering Conform de Leidraad Riolering en vigerend waterschapsbeleid is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden: hemelwater vasthouden voor benutting, (in)filtratie van afstromend hemelwater, afstromend hemelwater afvoeren naar oppervlaktewater, afstromend hemelwater afvoeren naar RWZI. Watersysteemkwaliteit en ecologie Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem is het van belang om duurzame, niet-uitloogbare materialen te gebruiken, zowel gedurende de bouw- als de gebruiksfase. Veiligheid en waterkeringen De ontwikkeling heeft geen invloed op de waterveiligheid in de omgeving. Waterbeheer Voor aanpassingen aan het bestaande watersysteem dient bij het waterschap vergunning te worden

42/906

aangevraagd op grond van de 'Keur'. Dit geldt dus bijvoorbeeld voor het graven van nieuwe watergangen, het aanbrengen van een stuw of het afvoeren van hemelwater naar het oppervlaktewater. In de Keur is ook geregeld dat een beschermingszone voor watergangen en waterkeringen in acht dient te worden genomen. Dit betekent dat binnen de beschermingszone niet zonder ontheffing van het waterschap gebouwd, geplant of opgeslagen mag worden. De genoemde bepaling beoogt te voorkomen dat de stabiliteit, het profiel en/of de veiligheid wordt aangetast, de aan- of afvoer en/of berging van water wordt gehinderd dan wel het onderhoud wordt gehinderd. Voor de onderhavige woningbouw is dan ook een ontheffing noodzakelijk. Ook voor het onderhoud gelden bepalingen uit de 'Keur'. Het onderhoud en de toestand van de (hoofd)watergangen worden tijdens de jaarlijkse schouw gecontroleerd en gehandhaafd. Watervergunningen Ten behoeve van de ontsluiting en wegen van de nieuwe woonwijk zal een aansluiting gemaakt worden op de rotonde waarbij de hoofdwatergang wordt gepasseerd. Daarnaast worden sloten gedempt. Voor de beschreven werkzaamheden zal een watervergunning worden aangevraagd. Conclusie De ontwikkeling heeft geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem ter plaatse.

4.9

Externe veiligheid

Toetsingskader Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk: bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid; vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen. Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, te weten het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. Het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt. Onderzoek Aan de hand van de risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het projectgebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde.

In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. Uit de inventarisatie blijkt dat het projectgebied: zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen dan wel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (PR); zich niet bevindt binnen een gebied waarbinnen een verantwoording van het GR nodig is;

43/906

niet ligt binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen; niet ligt binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4.10 Kabels en leidingen Toetsingskader Rond planologisch relevante leidingen dient rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden (belemmeringenzones). Onderzoek Binnen het plangebied en in de directe omgeving zijn geen planologisch relevante buisleidingen, hoogspanningsverbindingen of straalpaden aanwezig. Conclusie Het aspect kabels en leidingen staat de beoogde ontwikkeling niet in de weg.

4.11 Trillingen Het plangebied ligt op enige afstand van de spoorlijn Sneek - Stavoren (circa 40 meter) . In algemene zin geldt dat door het rijden van treinen over de spoorlijn trillingen kunnen worden opgewekt, die zich voortplanten door de bodem en vervolgens gebouwfunderingen kunnen aanstoten en in trilling kunnen brengen. Deze trillingen planten zich voort in de gebouwconstructie. Eventuele (objectiveerbare) trillinghinder is afhankelijk van de optredende trillingssterkten en de mate van voorkomen (hoe vaak is een trilling voelbaar). In Nederland bestaan op dit moment geen wettelijke regelingen en normen, die duidelijke grenswaarden met een beoordelingssysteem voor trillingen geven. Sinds 1993 is er wel de meet- en beoordelingsrichtlijn van de SBR “Trillingen deel B – Hinder voor personen in gebouwen”, waarin streefwaarden worden gegeven, waarbij redelijkerwijs mag worden aangenomen dat er geen hinder optreedt. De SBR-publicatie is in 2002 geactualiseerd. Vanwege de toenemende aandacht voor trillingen en trillinghinder langs spoorlijnen (met name waar veelvuldig goederentreinen rijden) is er sinds mei 2019 de “Handreiking Nieuwbouw en Spoortrillingen” (Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat). In de Handreiking wordt twee afstandscriteria aangegeven ten aanzien van de beoordeling van het aspect trillingen.

Vindt een plan of project plaats binnen een afstand van 100 meter van een spoorlijn, dan wordt geadviseerd een quickscan trillinghinder uit te voeren op basis van paragraaf 10.1 van de Handreiking. Vindt een plan of project plaats binnen 250 meter afstand van een spoorlijn, dan moet worden beoordeeld in hoeverre klachten, bodemopbouw en/ of het treinbeeld aanleiding geven voor het doen van nader onderzoek. Voor het plangebied is de situatie ten aanzien van spoortrillingen beoordeeld op basis van een quickscan zoals beschreven in paragraaf 10.1 van de Handreiking, waarin tevens is aangegeven dat bij voorkeur ook aandacht wordt besteed aan eventuele ontwikkelingen aan de bron (wijzigingen aan het spoor, wijzigingen in treintypen et cetera). In de Handreiking staan de volgende informatiebronnen genoemd die gebruikt kunnen worden voor een quickscan: bodemgesteldheid en opbouw, ligging waterpartijen, treinbeeld, locatie ES-lassen, wissels en

44/906

overgangsconstructies, locatie bebouwing en type bebouwing en eventuele toekomstige wijzigingen aan het spoor. Wat betreft de bodemgesteldheid geldt dat terplaatse van het plangebied in Sneek sprake is van kleigrond, waarin de overdracht van trillingen minder goed is in vergelijking met veen en zand (gunstig). Wat het treinbeeld betreft: op basis van het Geluidregister Spoor rijden er per etmaal circa 137 rekeneenheden over het spoor, wat neer komt op circa 68 treinen per etmaal (2 rekeneenheden) per trein. Dit is relatief weinig en er rijden geen goederentreinen die langer zijn dan personentreinen en meer trillinghinder veroorzaken. Een toename van het treinverkeer op deze regionale spoorlijn wordt niet verwacht. Hoewel de nieuwe bebouwing/bouwvlakken op korte afstand van het spoor komen te liggen, is het op grond van bovenstaande niet aannemelijk dat hinder vanwege spoortrillingen zal optreden. Ook blijkt uit de RIVM-publicatie “Wonen langs het spoor- Gezondheidseffecten trillingen van treinen” (RIVM rapport 2014-0096) dat het optreden van trillingshinder vooral gerelateerd is aan het rijden van goederentreinen. Op de spoorlijn Sneek-Stavoren rijden geen goederentreinen. Tenslotte dient te worden opgemerkt dat op andere locaties langs de spoorlijn in Sneek bestaande woningen ook op korte afstand zijn gelegen, bijvoorbeeld woningen aan de Evert Egbertsstraat (40 meter).

Deze locatie ligt in oostelijke richting, aan de overzijde van het spoor. Er zijn geen klachten bekend ten aanzien van trillingshinder afkomstig van deze locaties. Gezien de bovengenoemde overeenkomsten kan worden gesteld dat een nader aanvullend onderzoek niet noodzakelijk wordt geacht en dat in het kader van bovengenoemde Handreiking deze quickscan toereikend is voor het aspect trillingen.

45/906

Hoofdstuk 5 5.1

Juridische vormgeving

Het juridische systeem

Het bestemmingsplan voldoet aan alle vereisten die zijn opgenomen in de Wet ruimtelijke ordening (Wro), het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Inherent hieraan is de toepassing van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) 2012. De SVBP maakt het mogelijk om bestemmingsplannen te maken die op vergelijkbare wijze zijn opgebouwd en op een zelfde manier worden verbeeld. De SVBP 2012 is toegespitst op de regels die voorschrijven hoe bestemmingsplannen conform de Wro en het Bro moeten worden gemaakt. De SVBP geeft bindende standaarden voor de opbouw en de verbeelding van het bestemmingsplan, digitaal en analoog. De regels van dit bestemmingsplan zijn opgesteld volgens deze standaarden. Het bestemmingsplan regelt de gebruiks- en bebouwingsmogelijkheden van de gronden in het plangebied. De juridische regeling is vervat in een verbeelding en bijbehorende regels. Op de verbeelding zijn de verschillende bestemmingen vastgelegd, in de regels (per bestemming) de bouw- en gebruiksmogelijkheden.

5.2

Toelichting op de bestemmingen

5.2.1

Wijze van bestemmen

De wijze van bestemmen is afgestemd op de bestemmingsplannen die voor de eerdere fasen van Harinxmaland zijn opgesteld. 5.2.2 Groen Het structuurbepalend groen langs het spoor en de Stradsrandweg is bestemd als 'Groen'. Daarnaast is ook het binnengebied tussen de woningen bestemd als 'Groen'. In de bestemming groen zijn parkeervoorzieningen mogelijk deze zijn voorzien langs het spoor en de Stadsrandweg. Het binnenterrein tussen de woningen heeft een aanduiding 'specifieke vorm van groen - buurtakker' waarmee ter plekke parkeervoorzieningen zijn uitgesloten. Binnen de groenbestemming is het daarnaast mogelijk om ook buurtakkers aan te leggen. Deze buurtakkers zijn bedoeld voor het telen van o.a. groenten en/of fruit op een hobbymatige manier. Ook zijn speelvoorziening toegestaan binnen de bestemming. Gebouwen zijn alleen toegestaan indien deze ten behoeve van voorzieningen van algemeen nut zijn. De bouwhoogte bedraagt maximaal 3 m met een maximale oppervlakte van 15 m². De maximale bouwhoogte van andere bouwwerken bedraagt 5 m. 5.2.3 Verkeer - Verblijf Een deel van het openbaar gebied binnen het woongebied van Harinxmaland is onder de bestemming 'Verkeer Verblijf' gebracht. Hieronder valt voornamelijk de infrastructuur binnen het plangebied.

Op deze gronden zijn wegen, straten en paden met hoofdzakelijk een verblijfsfunctie, voet- en rijwielpaden, parkeervoorzieningen, bermen en beplanting, straatmeubilair, nutsvoorzieningen, groenvoorzieningen en water toegestaan. Gebouwen zijn alleen toegestaan indien deze ten behoeve van voorzieningen van algemeen nut zijn. De bouwhoogte bedraagt maximaal 3 m met een maximale oppervlakte van 15 m². De maximale bouwhoogte van andere bouwwerken bedraagt 5 m, met uitzondering van verkeersregelende voorzieningen en lichtmasten.

46/906

5.2.4 Wonen Op de gronden met de bestemming als omschreven in artikel 5 'Wonen' zijn woonhuizen, al dan niet in combinatie met ruimte voor een aan-huis-verbonden beroep of kleinschalige bedrijfsmatige activiteit(en) toegestaan met een daarbij behorende bed and breakfast in de woning, bijbehorende bouwwerken, tuinen erven en terreinen, parkeervoorzieningen, groenvoorzieningen, water en nutsvoorzieningen. Als hoofdgebouw mogen uitsluitend woonhuizen worden gebouwd. De hoofdvorm van een woonhuis moet binnen een bouwvlak worden gebouwd. Binnen de bouwvlakken is het maximaal aantal wooneenheden opgenomen. Waardoor maximaal 80 woningen gerealiseerd mogen worden. Er geldt een maximale goothoogte van 6 m en een maximale bouwhoogte van 12 m. Waarbij ter plaatse van de aanduiding 'plat dak' ook een plat dak is toegestaan. Overeenkomstig het gemeentelijk afwijkingenbeleid is een regeling opgenomen waarmee onder voorwaarden dakopbouwen kunnen worden gerealiseerd. Doormiddel van de aanduiding 'specifieke vorm van wonen - geluidwering' is de karakteristieke geluidwering per bouwblok bepaald.

De gezamenlijke oppervlakte van bijbehorende bouwwerken en overkappingen bedraagt ten hoogste 90% van de hoofdvorm van het woonhuis (dit is inclusief eventuele aan- en uitbouwen die onderdeel vormen van het woonhuis), met een maximum van 100 m² dan wel ten hoogste de bestaande oppervlakte indien dit meer is, met dien verstande dat ten hoogste 50% van het erf dat buiten het bouwvlak ligt mag worden bebouwd. Verder bedraagt de goothoogte van een aangebouwd bijbehorend bouwwerk of overkapping ten hoogste de bouwhoogte van de vloer van de eerste bouwlaag van de woning vermeerderd met 0,25 m. Ten slotte bedraagt de goothoogte van een vrijstaand bijbehorend bouwwerk of overkapping maximaal 3 m en de bouwhoogte 5,5 m. Voor een aangebouwd bijbehorende bouwwerk geldt een bouwhoogte van maximaal 7 m. Terrein- en erfafscheidingen zijn toegestaan, de maximale hoogte hiervoor is 1 m indien deze voor de naar de weg gekeerde gevel van de woning worden gebouwd. Achter de naar de weg gekeerde gevel en onder voorwaarden in hoeksituaties mogen erf- en terreinafscheidingen tot 2 m hoog worden gebouwd. Daarnaast mogen vlaggenmasten met een maximale hoogte van 8 m worden geplaatst. Tot slot mogen overige andere bouwwerken tot een hoogte van 5,5 m worden gebouwd.

5.2.5 Waarde - Archeologie 1 De bescherming van de in paragraaf 4.7 beschreven archeologische vindplaatsen is beschermd met de bestemming 'Waarde - Archeologie 1'. Ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van Waarde - Archeologie 1 - werkzaamheden uitgesloten' zijn werkzaamheden met een oppervlakte groter dan 5 m² uitgesloten ter behoud van de archeologische waarden. Bepaalde werken en werkzaamheden zijn omgevingsvergunningsplichting.

47/906

Hoofdstuk 6 6.1

Uitvoerbaarheid

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

De bestemmingsplanprocedure geeft inzicht in het draagvlak en daarmee de maatschappelijke uitvoerbaarheid van een plan. Voorafgaand aan deze procedure wordt een inloopbijeenkomst georganiseerd om belanghebbenden kennis te laten maken met de plannen. Het bestemmingsplan doorloopt de volgende procedurestappen. Inspraak en vooroverleg Omdat de gemeente de belanghebbenden wil betrekken bij de planvorming, is op basis van de Inspraakverordening inspraak verleend op het bestemmingsplan. Over het voorontwerp van dit bestemmingsplan heeft tevens het wettelijk vooroverleg met de overlegpartners plaats gevonden. In bijlage 10 is de nota inspraakreacties bestemmingsplan "Sneek - Harinxmaland fase 2A1" opgenomen. Inloopavond Donderdag 29 september 2022 vond een inloopmoment plaats in het kader van het voorontwerp bestemmingsplan. Er was grote belangstelling van potentiële kopers en -huurders. Tijdens de inloop is uitleg gegeven over de verdere verloop van de procedure. Ook is geschetst dat gemeente regie houdt met het bestemmingsplan en het beeldkwaliteitsplan, maar dat voor de realisatie marktpartijen nodig zijn. De betaalbaarheid (zorg van aanwezigen) zal deels afhangen van de grondstoffen. Voor het realiseren van de bereikbare koopwoningen wordt getracht de vrij-op-naam-prijzen ook zo laag mogelijk te houden door daar kritisch naar te kijken bij het verkopen van die grond.

Ontwerpfase bestemmingsplan Het ontwerpbestemmingsplan doorloopt de in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) opgenomen formele bestemmingsplanprocedure. Dit betekent dat het ontwerpbestemmingsplan gedurende zes weken ter inzage wordt gelegd. Een ieder krijgt de gelegenheid voor het indienen van zienswijzen. Vaststellingsfase bestemmingsplan Ten aanzien van eventuele ingekomen zienswijzen wordt een gemeentelijk standpunt bepaald in de zienswijzennota. Het resultaat van de zienswijzennota wordt verwerkt in het vast te stellen bestemmingsplan. De indieners van de zienswijzen worden hiervan op de hoogte gesteld. De gemeenteraad stelt het bestemmingsplan vast. Tot slot is tegen de vaststelling van het bestemmingsplan beroep mogelijk bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.

6.2

Economische uitvoerbaarheid

Voor de uitvoerbaarheid van het plan is het van belang te weten of het economisch uitvoerbaar is. De economische uitvoerbaarheid wordt enerzijds bepaald door de exploitatie van het plan (financiële haalbaarheid) en anderzijds door de wijze van kostenverhaal van de gemeente (grondexploitatie).

48/906

Financiële haalbaarheid Er is in Sneek een grote woningbehoefte. Het project maakt 80 woningen mogelijk, waarvan 42 sociale huurwoningen en 38 woningen in het lagere prijssegment voor starters en sluit daarmee aan op de woningbehoefte. In paragraaf 3.1.2 is aangetoond dat hier behoefte aan is. Grondexploitatie Doel van de in de Wro opgenomen grondexploitatieregeling is het bieden van ruimere mogelijkheden voor het kostenverhaal en het creëren van meer sturingsmogelijkheden. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen de publiekrechtelijke weg via een exploitatieplan en de privaatrechtelijke weg in de vorm van overeenkomsten. In het geval van een exploitatieplan kan de gemeente eisen en regels stellen voor de desbetreffende gronden, (woning)bouwcategorieën en fasering. Bij de privaatrechtelijke weg worden dergelijke afspraken in een (anterieure) overeenkomst vastgelegd. De gronden in het plangebied zijn in eigendom van de gemeente. De gemeente zorgt voor de uitgifte van de bouwkavels. Met deze uitgangspunten is sprake van een sluitende grondexploitatie. Omdat de gronden in het plangebied waar het nieuwe woonmilieu wordt ontwikkeld in eigendom is van de gemeente, is het opstellen van een exploitatieplan niet noodzakelijk en zal hier van worden afgezien.

49/906

50/906

Bijlagen bij de toelichting

51/906

52/906

Bijlage 1

53/906

Beeldkwaliteitsplan Harinxmaland fase 2A

SNEEK - HARINXMALAND FASE 2A BEELDKWALITEITSPLAN

DATUM 31-01-2023

2

15

dyk

rtens

Sint

Ma

20

1 Inleiding

dyk

rtens

Sint

Aanleiding

Ma

22

Aan de noordzijde van Sneek wordt de woningbouwwijk Harnixmaland gefaseerd ontwikkeld. Fase 1 is deels gerealiseerd, fase 1C en 1F zijn momenteel in ontwikkeling. Dit beeldkwaliteitplan heeft betrekking op fase 2A. Binnen fase 2A worden vier deelgebieden onderscheiden, die in verschillende fasen worden gerealiseerd en ook een ander stedenbouwkundig karakter krijgen. Op de luchtfoto is de begrenzing van de verschillende deelgebieden weergegeven. Ivig

e Le

an

e

Ivig

e Le

24

ane

Leeuwarde

Juridisch kader

Om de beoogde ruimtelijke kwaliteit te kunnen waarborgen is behoefte aan een kader waarin eisen zijn opgenomen ten aanzien van de beeldkwaliteit, dit krijgt vorm in dit beeldkwaliteitplan. Dit beeldkwaliteitplan is een aanvulling op de bestaande welstandnota en wordt ook als zodanig vastgesteld. Op basis van dit beeldkwaliteitplan kan de toekomstige welstandsbeoordeling van de bouwplannen in Harinxmaland fase 2A1, 2A2, 2A3 en 2A4 plaatsvinden.

26

Ivig

e Le

an

e

Ivige

1

Leane

Oerdyk Oerdyk

Ivig

Fase 2A3

e Le

an

e Tje

f sho Wopke

34

54

31

i

t nnesstraa

Ydeshof Rintje

wei Noard

37

38

39

40

41

42

43

44

45

46

Gerbe

47

n Na

48

nnesst

raat

ord

Noardwe

i

trjitte

17 2

ulens

15

r fte

in elzw

r Slu fte

r Ke

12 41

5

28

10

Maste

8

r Ke

39 35

ulenst

rjitte

6 4

15 14

13

12

1

21 18

19

9

8

7

6 5

10

4

3

2

1

8

lstrjitte

12 6

20 3

14

16

11 10

23 5

18

26

er s uw

s

13 11

6 4

9 7

14

27

12

jitte

| Beeldkwaliteitplan | Harinxmaland Fase 2 - Sneek | 10-11-2022

20

16 3

22

34

7

18 17

27

25

9

22

29

24

19

Oppewa

Maste

11

41

tersw

22

Kapelaan Jansenstrjitte

13

21 20

Gerben

36

9

19

21

24

ers

31-41

19 17

26

Koeri

26 23

30

28

4 20

10

23

45 43

39

10

12

21

32

24 37

38

N31

27 25

14

e

4-6

33

18

strjitt

rstr Brouwe

em

36

ei

nsen

Dick

re

35

traat

ord

34

22 8

7

40

W es

te

5

dweg-No

16

n Ja

31 5

12 14

27

113

73

34

Egbertss

31

8

47

29

65

82

1

10

Stadsron

25-26

36

29

16

111

63

57

2

28

laa

27 25

35

De beschreven criteria hebben niet het karakter van bestemmingsplanregels. Dat wil zeggen: ze zijn bedoeld als inspirerend kader. Incidenteel kan gemotiveerd van de criteria worden afgeweken, mits er sprake is van een overtuigende kwaliteit en van gevoel voor de omgeving. In dergelijke incidentele gevallen wordt expliciet aan de welstandscommissie voorgelegd of een uitzonderingssituatie vanwege de kwaliteit van het bouwplan gerechtvaardigd is.

3

18

Kape

38 20

27

44

75

81 4

7

29 28

20 40

51 25

49

42

109

30

27

53

18

23

om

10 79

61

stro

3

25 107

59

Vlie

6

8 10

46

83

3

5

rjitte

6

50

9 105

9

Fase 1A

33 6

29

48

103

p

11

32

65

4

52

7

85

81

eg No

21

23

13

30

i

33

63

55

Vog

die

87

6

La

ars

16

17 19

8

12

101

M

14

15

31

sterswe

57 59 61

56

Slu

11

17

32

Koerier

14 15

21

10

99

7

erst

elk

m

9

97

8

m

13

2

8

95

9

Evert

rouw

rte

91

89

rondw

19

80

kB

Sto

38

7

76 77 78 79

10

21

28

83

tero

60 58

1

3

5

13 12

Oos

36

6

32 Evert Egbe

23

11

3

5

93

16

25

29

14

33

18

26

75 27

15

37

9

4

74

16

m

m

iep

Boomkensd

34

73

traat

Evert

38

11 ro

20

12

71 72

Evert Egbertss

Egberts straat

29

te

12

19a

32

70

19

Oos

7

Egberts

straat

69

Fase 1B

39

Stads

10

5 62

Evert

66 67 68

ro te Oos

2

6

65

Dic

30

4

64

17

8-8a

3

eems

3

8

10

63

18

40

9

19

12

62

5

28

Mulier

22 61

24

6

ter Wes

26

2

t

straa

Pim

Noardwei

f straat

59 60

25

17

oo

-N

eg

dw

27

Egberts

11

1

25

24

rtsstraat

1

Fase 1D

23

26

rsmaho Evert

55

oord

3

20 22

28

Hille Hae

traat

52

58

dweg-N

5

32

20

Stadsron

19

21

30

21

4-4c

7

16

Ype Joha

shof Hylcke Pier

orlij

Evert Egbertss

50 49

4

15

17

44

36 34

18

51

44

6

10 46

14

Fase 1C

46

22

sron

Noardwe Bauckes

eek

42

Westereems

Stad

4

6

8

40

45

16

24

64

38

ord

2

35

12

18

1

62

48

Spo

dweg-No

37

e

Fase 2A1 Stadsron

10-10a

rd

39

2

n Sn

Fase 2A4

12-12a

9

41

Fase 1E

52

26

11

60 58 56 54

43

20

43

hof

Lee

Fase 1F

45

50

14

ems

47

De Swett

Dit beeldkwaliteitplan geeft een meer concrete invulling aan de ruimtelijke aspecten voor het plangebied. Het sluit daarbij aan op de mogelijkheden die het bestemmingsplan biedt. Er worden duidelijke criteria gegeven voor de bebouwing en welke ambitie voor de inrichting van de openbare ruimte wordt voorgestaan.

Westere

49

<>

Criteria

Heerk

uwa

28/1-28/2

pke

rden

sstraa

t

e

Fase 2A2

Het kwaliteitsdocument is opgesteld met als doel om: • een aantrekkelijk woonmilieu tot stand te brengen; • de ontwikkelende partijen te inspireren en vooraf informatie te geven over de welstandscriteria; • de welstandscommissie een passend kader te bieden waarbinnen de toetsing van bouwplannen dient plaats te vinden.

rweg N354

30

2 | 23

0

50

100

schaal 1:5.000 / A3

150

200

250m

Ivi

ge

Le

an

e

2 Plangebied Het plangebied Harinxmaland fase 2A ligt aan de noordzijde van de Stadsrondweg Noord, aan de westzijde van de spoorlijn Sneek - Leeuwarden.

Ivige

Lean

Hee

rke

Tjep

kest

raat

Het plangebied wordt aan de noordzijde begrensd en ontsloten vanaf de Ivige Leane. Door middel van een onderdoorgang onder het spoor is Harinxmaland fase 1 aan de oostzijde van het spoor bereikbaar. Aan de zuidzijde wordt het plangebied begrensd door de Stadsrondweg Noord. Het plangebied wordt in de nieuwe situatie ontsloten vanaf de bestaande rotonde. Aan de westzijde grenst het plangebied aan twee bestaande woonpercelen en het Harinxmapark. Aan de zuidzijde van de Stadsrondweg Noord ligt de bebouwde kom van Sneek.

e

Het plangebied bestaat in de huidige situatie graslanden die extensief worden beheerd, gescheiden door meanderende watergangen. Het patroon van de watergangen is terug te vinden op historische kaarten van voor 1900.

Harinxmaland Fase 1

Stads

| Beeldkwaliteitplan | Harinxmaland Fase 2 - Sneek | 10-11-2022

3 | 23

rondw

eg No

Evert

Egber

tstraa

t

Spo

orlij

n Sn

eek

<>

Lee

uwa

rden

Plangebied Harinxmaland Fase 2A

ord

0

20

40

schaal 1:2000 / A3

120

160

200m

PLANGEBIED IN BEELD

Het plangebied gezien vanaf de Rondweg Noord, vanuit de zuidoosthoek, met op de voorgrond de spoorlijn Sneek - Leeuwarden. Rechts op de foto Harinxmaland fase 1B

Het plangebied gezien vanaf de Ivige Leane, vanuit noordwesthoek. Rechts op de foto de bestaande boerderij aan de westzijde van het plangebied. | Beeldkwaliteitplan | Harinxmaland Fase 2 - Sneek | 10-11-2022

4 | 23

26 26

3 Stedenbouwkundig plan

Ivig

eL

ea

ne

30

Ivige

Ivig

eL

Lean

e

ea

Hee rke Tjep kes stra at

ne

Evert

Egberts straat

Pier H

yl

28/1-28/2 28/1-28/2

51 50

52 52 55 55

49 49

Stads

rondw

eg-Noo

rd

46 46 45 45

14

24 24

44 44

25 25

43 43

26 26

12-12a 12-12a

Egber ts

straat

10-10a 10-10a

6

16

4-4c 4-4c

Stads

rondw

40 39 39

eg-Noo

29 29 38 38

Evert

2

rd

37 37

34 34

33 33

8

32 32 Westereems

Evert Eg

bertsst

ro

m

4

3

22 22

5

ste

11

5

Oo

7

9

11 11 15

11

6 9

17 ste We

24 24

8-8a 8-8a

3

ree

2

ms

26 26

10 10

5

28 28

19 12

30 32 32

19a 19a

10 10

8

7

| Beeldkwaliteitplan | Harinxmaland Fase 2 - Sneek | 10-11-2022 62 62

6

5 | 23

9

4 3

11 11 60

11 11

Oo

ste

12

ro

m

Oo

0

ste

rom

20

40

120

160

200m

schaal 1:2000 / A3 Koeri

erste

rs

raat

3 Stedenbouwkundig plan Harinxmaland 2A maakt onderdeel uit van het Moederplan Harinxmaland uit 2006 met een uit te werken woonbestemming. Dit bestemmingsplan is geënt op het Stedenbouwkundig plan “Croonen” en het structuurplan Sneek Wymbritseradeel 2020. Het bestemmingsplan Harinxmaland voorziet in een opgave voor de realisatie van 1340 woningen. Waarbij uit is gegaan van het hoofdaandeel 2^1 kap en vrijstaande grondgebonden woningen. In Harinxmaland fase1 is de start gemaakt met de uitwerking en realisatie hetgeen in 5 fasen (a t/m f) vanaf 2010 tot heden heeft plaatsgevonden. De invulling is gegeven door woningen in de sociale huur en geliberaliseerde huur alsmede starters koopwoningen en woningen in het middensegment. De buitenrand van fase 1 kenmerkt zich vooral door aaneengesloten grondgebonden woningen in bouwblok (carré) opstelling als begeleiding van de stadsrondweg Noord. Daarachter zijn met name vrijstaande en 2^1 kap woningen gerealiseerd waarvan het merendeel aan het water zijn gesitueerd. Binnen het plan zijn op 4 plaatsen speelvoorzieningen en een parkje aangelegd. Het plan kenmerkt zich vooral door waterpartijen met doorzichten en geconcentreerd openbaar groen. Voor fase 2A ligt het accent eveneens op 2 u vormige bouwblokken van 80 aaneengeschakelde grondgebonden woningen voor de sociale huur en -koop.

In het middengebied en de Noordelijke begrenzing van het plan is gekozen voor 40 woningen in het middensegment, waarbij de voorkeur uitgaat naar vrijstaand en 2^1 kap woningen. Daarnaast is in het plan ruimte voor ca. 40 experimentele woningen. Het accent ligt hierbij op innovatie, compact wonen en duurzaamheid. Bij deze woningen wordt veel vrijheid gegeven en weinig restricties opgelegd wat betreft de architectuur en de ruimtelijke inpassing. Wel wordt er een maximaal bebouwingspercentage en een ruimtelijke enveloppe meegegeven om excessen te voorkomen.

In analogie van fase 1 is gekozen om zoveel mogelijk water in het plan in te brengen maar eveneens ook in verhouding veel open ruimte met groen en speelvoorzieningen voor jong en oud. Deze opzet is een logische opvolging van fase 1, maar met een eigen karakter. Dit laatste wordt ook mede bepaald door de inpassing van de archeologische vindplaatsen en de onderliggende kavelstructuur van het plangebied. Een essentieel onderdeel van het plan is de voortzetting van de waterverbinding tussen de Swette en de Frentsjerter Feart. Deze verbinding zal per fase verder in fase 2 tot stand dienen te komen. Hierbij zal met name de vaarweg worden geprojecteerd op de bestaande “opvaarten” die van oudsher in dit gebied aanwezig zijn. Als opvolger van “oude paden nieuwe wegen” nu “oude vaarten nieuwe waterwegen”. Hiermee ontstaat er een goede aanvulling op het waternet rond om Sneek en is de mogelijkheid aanwezig als sloeperoute vanaf de Frentsjerter Feart naar de Swette via de Oudvaart (Aldfeart) bij de Snitsermarre (Sneekermeer) te komen. In het plangebied van fase 2 is meer aandacht voor het fietsverkeer binnen het plan en de daarmee verbonden wandelroute door het plan. Het autoverkeer dient zoveel mogelijk beperkt te blijven tot de rand van het plan. Hiermee wordt de leefbaarheid van de woonstraten aanzienlijk verbeterd.

Door vooral ook veel groen en water in het plan op te nemen is daarmee een positief effect op het tegengaan van hitte-stress. Een stenige omgeving is met het oog op klimaatverandering onverstandig. In Harinxmaland fase 2A wordt daarmee de woningdichtheid 16 woningen per hectare (in fase 1 bedraagt de dichtheid 18 woningen per hectare) en een uitgeefbaarheid van ca. 40%. Daarmee is de leefomgeving in plan 2A nog verder aangepast aan de laatste inzichten op het gebied van klimaat en energieverbruik (koelen kost 2 maal zoveel energie dan verwarmen).

| Beeldkwaliteitplan | Harinxmaland Fase 2 - Sneek | 10-11-2022

6 | 23

In deze fase wordt ook een aanvang gemaakt met “stadslandbouw” een gewild thema binnen het vergroenen van de woonomgeving en het zelf verbouwen van voedsel. In de woonblokken aan de stadsrondweg zijn in het binnen gebied een 40 tal “buurtakkers” opgenomen die ingebed zijn in het openbaar groen. Hiermee kan ervaring worden opgedaan in het zelf telen van groente en fruit e.d. en maakt ook dat weer contact is met de ruimte waarin men woont. Binnen dit bouwblok wordt tevens een royale speelvoorziening gedacht voor jonge kinderen, waarmee tevens de archeologische vindplaats wordt gemarkeerd. Harinxmaland is een woonwijk aan de rand van Sneek waar zowel het buitengebied als ook de stad voelbaar samen komen in een groene waterrijke woonomgeving en komt hier een gevarieerd aanbod aan woningtypes in het huur- en koopsegment.

26 26

4 Beeldkwaliteit: Visie op hoofdlijnen

Ivig

eL

Beschrijving deelgebieden

ea

ne

30

In dit beeldkwaliteitplan worden vier beeldkwaliteitszones onderscheiden, weergegeven op het kaartbeeld hiernaast. De deelgebieden onderscheiden zich zowel door het programma, als door de beoogde beeldkwaliteit. In algemene zin wordt een beeld nagestreefd dat aansluit bij Harinxmaland fase 1, zowel qua bebouwingstypologie als de inrichting van de openbare ruimte, waarbij de nadrukkelijke relatie met het water in de wijk zichtbaar en voelbaar is.

Ivige

Ivig

eL

e

ea

ne

Hee rke Tjep kes stra at

Deelgebied 2A1 is op moment van het opstellen van dit beeldkwaliteitplan al concreet uitgewerkt in een verkavelingsplan voor 80 rijwoningen, met een onderverdeling van 40 sociale huurwoningen en 40 koopwoningen voor starters. Deze rijwoningen zijn georienteerd op de straten rondom en staan in een vaste rooilijn. De zuidelijke rijwoningen vormen de representatieve rand van de wijk aan de Rondweg Noord. Aan de achterzijde van de woningen is er aandacht voor de overgang naar de semi-openbare groenruimte binnen het bouwblok.

Lean

28/1-28/2 28/1-28/2

Deelgebied HL 2A2

Deelgebied 2A2 bestaat uit verschillende woonvelden, gescheiden door groen en water. 2A2 biedt ruimte aan in totaal 40 woningen in het middensegment, een combinatie tussen vrijstaand en tweeondereen kap woningen. De woningen staan niet in een verplichte rooilijn, en zijn zowel georienteerd op de straat, het groen als het water, indien van toepassing. De representatieve zijde is aan de straatzijde. De bebouwing in de deelgebieden 2A1 en 2A2 onderscheiden zich van elkaar, maar behoren tot Deelgebied dezelfde familie. HL 2A4 In deelgebied 2A3 wordt het experiment opgezocht door 40 experimentele woningen mogelijk te maken, bijvoorbeeld in collectief particulier opdrachtgeverschap, kangeroewoningen of tiny houses. Deze zone is welstandsvrij, ook is er geen verplichte oriëntatie, situering, rooilijn of plaatsing op het perceel. Stads

Pier H

yl

Deelgebied HL 2A3

Evert

Egberts straat

Deelgebied HL 2A1

eg-Noo

rd

Deelgebied 2A4 bestaat uit het voorzieningencluster. Binnen dit cluster wordt detailhandel mogelijk gemaakt, in de vorm van een (buurt)supermarkt. Daarnaast is er ruimte om andere wijkvoorzieningen te huisvesten, bijvoorbeeld een kinderopvang of buurthuis. De gebouwen in deze zone zijn alzijdig georiënteerd en van hoogwaardige architectonische kwaliteit. Dit bebouwing in dit deelgebied markeert de hoofdentree van de wijk.

46 46

8

straat Egber ts

Stads

rondw

5

3

22 22

eg-Noo

rd

ro

m

Deelgebied 2A1 - Rijwoningen Verplichte rooilijn en oriëntatie

5

ste

11

11

Deelgebied 2A2 - Vrijstaand en tweekap Wisselende rooilijn, oriëntatie rondom

ste We

8-8a 8-8a

3

ree ms

12

30 32 32

19a 19a

10 10

8

10 10 7

| Beeldkwaliteitplan | Harinxmaland Fase 2 - Sneek | 10-11-2022 62 62

6

7 | 23

9

4 3

Deelgebied 2A3 - Experimentele woonvorm Vormvrije bebouwing en vrije oriëntatie

6

2 19

33 33

bertsst

5

28 28

34 34

4

9

26 26

37 37

32 32

17 24 24

29 29 38 38

Evert Eg

Oo

7

9

40 39 39

Evert

4-4c 4-4c

Westereems

11 11

25 25 26 26

2

15

24 24

44 44 43 43

10-10a 10-10a

6

55 55

45 45

14

16

52 52

49 49

rondw

12-12a 12-12a

51 50

11 11 60

11 11

Oo

ste

12

Deelgebied 2A4 - Voorzieningencluster Wisselende rooilijn, alzijdig georiënteerd

ro

m

Oo

0

ste

rom

20

40

120

160

200m

schaal 1:2000 / A3 Koeri

erste

rs

raat

5 Beeldkwaliteit: Welstandscriteria

Kapvorm en orientatie

plat dak mogelijk

Welstandscriteria Deelgebied HL2A1

plat dak mogelijk

RIJWONINGEN

Verplichte kap

Plaatsing

• • • • •

Er is sprake van rijwoningen. Het bouwblok staat in een verplichte rooilijn. Bouwblokken volgen de straatrichting. De woningen zijn georiënteerd op de straat. De woning op de hoek van het bouwblok heeft een dubbele oriëntatie, de woning is zowel op de straat als de aangrenzende openbare ruimte georiënteerd.

Hoofdvorm

• De woningen worden in twee bouwlagen met een kap in de langsrichting van de aangrenzende straat gerealiseerd. Op een aantal plekken is twee lagen met een plat dak mogelijk, zie hiervoor het kaartbeeld. • Het bouwblok bestaande uit meerdere rijwoningen heeft een éénduidige hoofdvorm, waarbij een dwarskap mogelijk is die de beëindiging van het blok accentueert. • Bij dakkapellen is de ritmiek en verhouding relevant, ze kunnen ingezet worden om de individuele woning te markeren en zijn identiek binnen het dakvlak. • Aan- en uitbouwen/bijgebouwen liggen achter de hoofdvorm en/of zijn ondergeschikt.

Gevelbeeld

• Er is sprake van gerichtheid op de publieke/openbare ruimte. • Alle gevels van een bouwblok zijn uitnodigend en dragen bij aan de relatie met de straat • Er is specifiek aandacht voor kop- en zijgevels. Deze zijn voorzien van openingen in de gevels. • Gebouwdelen binnen de bouwblokken vormen een samenhang in architectuur. • De afzonderlijke woningen binnen het bouwblok zijn afleesbaar door de geleding in het gevelbeeld. • Het creëren van dieptewerking binnen het gevelvlak (plasticiteit) wordt toegepast ter ondersteuning van de geleding.

| Beeldkwaliteitplan | Harinxmaland Fase 2 - Sneek | 10-11-2022

plat dak mogelijk

9 | 23

Verplichte kap

Materiaalgebruik

Welstandscriteria Deelgebied HL2A1

houten achtergevel

houten achtergevel

voorgevel in baksteen houten achtergevel

Materiaalgebruik

• • • •

houten voorgevel

voorgevel in baksteen

RIJWONINGEN • • • •

houten voorgevel

voorgevel in baksteen

Gevels zijn opgetrokken uit metselwerk of hout, zie het schema hiernaast. Het metselwerk wordt uitgevoerd in rode tinten, schakeringen in deze kleur zijn mogelijk. Metselverbanden en het formaat baksteen staat vrij. Houten gevels hebben een natuurlijke uitstraling of als zodanig gebeitst, de oorspronkelijke kleur en de tekening in het hout zijn waarneembaar. De dakbedekking wordt uitgevoerd in dakpannen in antractiet of rood/oranje. Aan- en uitbouwen worden in dezelfde materialisering als het hoofdgebouw uitgevoerd. Bijgebouwen worden uitgevoerd in hout. Er is aandacht voor textuur en reliëf; afwijkende metselverbanden en rollagen dragen bij aan de gelaagdheid van de gevel.

Relatie met de openbare ruimte

• Erfafscheidingen vormen onderdeel van het bouwblok waarbij materiaal, kleur en hoogte zorgvuldig zijn afgestemd op het ontwerp van het bouwwerk. • Op aan de openbare ruimte grenzende perceelsgrenzen zijn uitsluitend groene erfafscheidingen, bijvoorbeeld hagen, toegestaan, dit geldt zowel aan de voorzijde als de achterzijde van het perceel. • Hoge erfafscheidingen, aanbouwen en bijgebouwen worden altijd achter de voorgevelrooilijn gerealiseerd, aan die zijde van het perceel dat niet grenst aan de openbare ruimte.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12790335/1