CConstaterende datSúdwest-Fryslân
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage - Ontwerpbestemmingsplan incl. beeldkwaliteitsplan

Raadsvergadering 22 juni 2023, gemeente Súdwest-FryslânBij agendapunt: Bestimmingsplan Harinxmaland en byldkwaliteitsplan Harinxmaland 2A25.121 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

bestemmingsplan

Sneek - Harinxmaland fase 2A1 Súdwest-Fryslân

DATUM IMRO IDN

30-01-2023 NL.IMRO.1900.2022BPSneekHL2A1-ontw

PROJECT PROJECTLEIDER

Bestemmingsplan E. Oude Wesselink

OPDRACHTGEVER PROJECTNUMMER

Gemeente Súdwest-Fryslân 20211164

AUTEUR STATUS

M. van Putten ontwerp

Inhoudsopgave

Toelichting

6

Hoofdstuk 1

Inleiding

7

1.1

Aanleiding

7

1.2

Plangebied

7

1.3

Planologische regeling

8

1.4

Leeswijzer

10

Uitgangspunten en planbeschrijving

11

2.1

Ontstaan en ontwikkeling

11

2.2

Huidige ruimtelijk-functionele structuur

11

2.3

Stedenbouwkundige opzet Harinxmaland fase 2A

12

2.4

Beeldkwaliteitsplan Harinxmaland fase 2A

14

2.5

Planbeschrijving Harinxmaland fase 2A1

14

2.6

Verkeer en parkeren

15

Hoofdstuk 3

Beleidskader

16

3.1

Rijksbeleid

16

3.2

Provinciaal beleid

19

3.3

Gemeentelijk beleid

20

Hoofdstuk 4

Omgevingsaspecten

25

4.1

Mer-beoordeling

25

4.2

Geluid

25

4.3

Milieuzonering

28

4.4

Bodem

28

4.5

Luchtkwaliteit

29

4.6

Ecologie

30

4.7

Archeologie en cultuurhistorie

34

4.8

Water

38

4.9

Externe veiligheid

43

4.10

Kabels en leidingen

44

4.11

Trillingen

44

Hoofdstuk 5

Juridische vormgeving

46

5.1

Het juridische systeem

46

Hoofdstuk 2

3/906

5.2

Toelichting op de bestemmingen

46

Uitvoerbaarheid

48

6.1

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

48

6.2

Economische uitvoerbaarheid

48

Hoofdstuk 6

Bijlagen bij de toelichting

51

Bijlage 1

Beeldkwaliteitsplan Harinxmaland fase 2A

53

Bijlage 2

Vormvrije m.e.r.-beoordeling

77

Bijlage 3

Akoestisch onderzoek

391

Bijlage 4

Verkennend (Water) bodemonderzoek

443

Bijlage 5

Memo stikstofonderzoek

639

Bijlage 6

Quickscan flora en fauna

653

Bijlage 7

Gedragscode gemeente soortenbescherming

691

Bijlage 8

Watertoets

855

Bijlage 9

Watercompensatie

867

Bijlage 10

Nota inspraakreacties

869

Regels Hoofdstuk 1

875 Inleidende regels

876

Artikel 1

Begrippen

876

Artikel 2

Wijze van meten

883

Bestemmingsregels

884

Artikel 3

Groen

884

Artikel 4

Verkeer - Verblijf

886

Artikel 5

Wonen

887

Artikel 6

Waarde - Archeologie 1

891

Hoofdstuk 3

Algemene regels

894

Artikel 7

Anti-dubbeltelregel

894

Artikel 8

Algemene gebruiksregels

895

Artikel 9

Algemene afwijkingsregels

896

Artikel 10

Overige regels

897

Hoofdstuk 2

4/906

Hoofdstuk 4

Overgangs- en slotregels

898

Artikel 11

Overgangsrecht

898

Artikel 12

Slotregel

899

Bijlage bij de regels Bijlage 1 Verbeelding

5/906

901 Lijst met bij woningen toegestane beroepen en bedrijven

903 905

Toelichting

6/906

Hoofdstuk 1 1.1

Inleiding

Aanleiding

Aan de noordzijde van Sneek wordt de volgende woonwijk van Harinxmaland ontwikkeld. De basis voor deze wijk is de 'Structuurvisie 2020 Sneek en Wymbritseradiel Noord', waarin een voorbeeld van een mogelijk ontwerp is gegeven en een Nota van Uitgangspunten die in 2005 door de gemeenteraad is vastgesteld en waarin op hoofdlijnen een aanzet is gegeven voor de aanpak van het gebied. Deze documenten zijn vertaald naar het bestemmingsplan Harinxmaland dat in 2006 is vastgesteld en waarin het grootste deel van het gebied buiten de Stadsrondweg Noord, van de Swette tot aan de Frjentsjerter Feart een uit te werken woonbestemming heeft gekregen. Het nieuwe woongebied Harinxmaland wordt gefaseerd ontwikkeld. De volgende fase omvat het gebied ten westen van de spoorlijn Leeuwarden-Sneek. De volgende fase wordt wederom in meerdere delen ontwikkeld, waarbij met de voorliggende ontwikkeling het eerste deel van Fase 2A wordt ontwikkeld. Door de aanhoudende vraag naar woningen in Sneek is gekozen om de nieuwe fase te ontwikkelen. De fase bestaat uit 80 woningen waarvan 42 sociale huurwoningen en 38 woningen in het lagere prijssegment voor starters. Deze worden in opdracht van de gemeente Súdwest-Fryslân ontwikkeld. Voor het realiseren van de plannen is het opstellen van een nieuw juridisch-planologisch kader noodzakelijk. Dit bestemmingsplan voorziet hierin.

1.2

Plangebied

Het plangebied ligt ten oosten van de spoorlijn Leeuwarden-Sneek. Tussen de Stadsrondweg Noord en de Ivige Leane. De ligging en begrenzing van het plangebied is weergegeven in afbeelding 1.1.

7/906

Afbeelding 1.1 Ligging plangebied

1.3

Planologische regeling

Het plangebied is momenteel geregeld in het bestemmingsplan Harinxmaland, dat door de raad is vastgesteld op 28 februari 2006 en door Gedeputeerde Staten is goedgekeurd op 20 juni 2006. In dit bestemmingsplan zijn globaal de planologische en juridische kaders voor de woonuitbreiding aangegeven. Het heeft hierin de bestemming 'Woondoeleinden - Uit te werken woondoeleinden'. De gronden met deze bestemming zijn onder andere bestemd voor woondoeleinden, bepaalde soorten bedrijvigheid en voorzieningen. Hiervoor is een uitwerkingsplicht opgenomen.

8/906

Afbeelding 1.2 Ligging plangebied met geldend bestemmingsplan Harinxmaland

9/906

Afbeelding 1.3 Ligging plangebied met de omliggende geldende plannen

1.4

Leeswijzer

De juridisch-planologische regeling van dit bestemmingsplan wordt in de volgende hoofdstukken nader toegelicht en gemotiveerd. Na deze inleiding wordt in hoofdstuk 2 een korte toelichting gegeven op het plangebied en komt het plan aan de orde. In dit hoofdstuk zijn tevens de uitgangspunten vanuit het bestemmingsplan Harinxmaland opgenomen. Daarna volgt in hoofdstuk 3 een uiteenzetting van het relevante beleid. Vervolgens worden in hoofdstuk 4 de voor het plangebied relevante milieu- en omgevingsaspecten besproken. Hoofdstuk 5 beschrijft de juridische aspecten van het bestemmingsplan en in hoofdstuk 6 wordt tot slot een weergave gegeven van de uitvoerbaarheid.

10/906

Hoofdstuk 2 2.1

Uitgangspunten en planbeschrijving

Ontstaan en ontwikkeling

Sneek is gelegen aan de zuidzijde van het oude Middelzeegebied, waardoor op de verspreid liggende gebiedstyperende terpen verschillende dorpen zijn ontstaan. Ten noorden van de stad waren vruchtbare kleigronden gelegen, afgezet langs de oevers van de voormalige Middelzee. Aan de zuidkant strekte zich een moerasvlakte uit met talloze plassen, poelen en meren. De vruchtbare kleigronden in het noorden werden door de Hemdijk beschermd tegen het water uit het zuiden. Sneek zelf is ontstaan op een landtong in de oude Middelzee waar de vaarweg naar het noorden de zuidelijke dijk van de Hempolder Scherhem kruist. Deze vaarweg naar het noorden werd noodzakelijk, omdat transport over de Middelzee door dichtslibbing onmogelijk was geworden. Een exacte datering van het ontstaan van Sneek is niet bekend, maar wel is bekend dat de stad in de 11de eeuw al bestond. Vanaf de 13de eeuw verkreeg Sneek diverse stadsrechten, die in 1456 officieel werden bestendigd, waarmee Sneek één van de Friese elf steden werd. Als handelsstad was dit tevens het begin van een bloeiperiode die tot circa 1550 zou duren. In 1492 werd begonnen met de aanleg van een grachtengordel en stadsmuur, waardoor Sneek vanaf die tijd de enige ommuurde stad van Friesland was. Van deze historische vestingwerken resteren thans nog het Bolwerk en de Waterpoort.

De stad zelf heeft een historische kern met een radiale structuur, die is ontstaan vanuit de toegangswegen en de zes waterelementen, waaronder de Frjentsjerter Feart. Uitbreidingen hebben zich rondom deze basisstructuur voortgezet. Tot het eind van de 19de eeuw werd de stad binnen de stadsgrachten steeds voller gebouwd. Hierna verrezen aan de overzijden van de stadsgrachten de eerste woningen en vervolgens werd in een hoger wordend tempo de verschillende wijken aangelegd. In de loop van de tijd heeft Sneek zich hierdoor ontwikkeld tot een compacte stad binnen de rondweg, waarbij in de laatste decennia ook de rondweg is overgestoken, zoals in het zuiden van de stad de wijk Tinga en Duinterpen. De wijk Harinxmaland is de eerste woonuitbreiding aan de noordzijde van de stad buiten de huidige stedelijke rondweg.

2.2

Huidige ruimtelijk-functionele structuur

Harinxmaland is een woonwijk waarin een gedifferentieerd programma van woningen wordt aangeboden. Centraal door het plan is een brede watergang aangelegd, die een deel van de woningen via het water ontsluit. De watergang sluit aan op De Swette. Dit is een belangrijke historische vaarwatergang, die deel uitmaakt van de Elfstedenroute. De wijk wordt in verschillende fasen ontwikkeld, waarbij de ontwikkelingsrichting van oost (met De Swette als begrenzing) naar west is. Het deel ten oosten van de spoorlijn Sneek-Leeuwarden hoort bij de eerste ontwikkelingsfase van Harinxmaland. Dit gebied is gefaseerd tot ontwikkeling gebracht. Nu worden verder naar het oosten, aan de andere kant van de spoorlijn, de volgende fasen van Harinxmaland gerealiseerd. De zuidkant van nieuwe fase ligt aan de Stadsrondweg. De gronden zijn nog grotendeels ingericht als grasland met extensief agrarisch gebruik. Een luchtfoto van het plangebied is weergegeven in afbeelding 2.1.

11/906

Afbeelding 2.1 Luchtfoto plangebied (2020)

2.3

Stedenbouwkundige opzet Harinxmaland fase 2A

Harinxmaland fase 2A maakt onderdeel uit van het moederplan Harinxmaland uit 2006 met een uit te werken woonbestemming. Dit bestemmingsplan is geënt op het Stedenbouwkundig plan "Croonen" en het structuurplan Sneek Wymbritseradeel 2020. Het bestemmingsplan Harinxmaland voorziet in een opgave voor de realisatie van 1.340 woningen. Waarbij uit is gegaan van het hoofdaandeel 2^1 kap en vrijstaande grondgebonden woningen. Stedenbouwkundige opzet Harinxmaland fase 1 A t/m F (periode 2010 tot heden) In Harinxmaland fase 1 is de start gemaakt met de uitwerking en realisatie hetgeen in 5 fasen (a t/m f) vanaf 2010 tot heden heeft plaatsgevonden. De invulling is gegeven door woningen in de sociale huur en geliberaliseerde huur alsmede starters koopwoningen en woningen in het middensegment. De buitenrand van fase 1 kenmerkt zich vooral door aaneengesloten grondgebonden woningen in bouwblok (carré) opstelling als begeleiding van de stadsrondweg Noord. Daarachter zijn met name vrijstaande en 2^1 kap woningen gerealiseerd waarvan het merendeel aan het water zijn gesitueerd. Binnen het plan zijn op 4 plaatsen speelvoorzieningen en een parkje aangelegd. Het plan kenmerkt zich vooral door waterpartijen met doorzichten en geconcentreerd openbaar

12/906

groen. Stedenbouwkundige opzet Harinxmaland fase 2A (vanaf heden) Voor fase 2A1 ligt het accent eveneens op twee u vormige bouwblokken van 80 aaneengeschakelde grondgebonden woningen voor de sociale huur en -koop. In het middengebied en de Noordelijke begrenzing van het plan is gekozen voor 40 woningen in het middensegment, waarbij de voorkeur uitgaat naar vrijstaand en 2^1 kap woningen. Daarnaast is in het plan ruimte voor ca. 40 experimentele woningen. Het accent ligt hierbij op innovatie, compact wonen en duurzaamheid. Bij deze woningen wordt veel vrijheid gegeven en weinig restricties opgelegd wat betreft de architectuur en de ruimtelijke inpassing. Wel wordt er een maximaal bebouwingspercentage en een ruimtelijke enveloppe meegegeven om excessen te voorkomen. In analogie van fase 1 is gekozen om zoveel mogelijk water in het plan in te brengen maar eveneens ook in verhouding veel open ruimte met groen en speelvoorzieningen voor jong en oud. Deze opzet is een logische opvolging van fase 1, maar met een eigen karakter. Dit laatste wordt ook mede bepaald door de inpassing van de archeologische vindplaatsen en de onderliggende kavelstructuur van het plangebied. Een essentieel onderdeel van het plan is de voortzetting van de waterverbinding tussen de Swette en de Frentsjerter Feart. Deze verbinding zal per fase verder in fase 2 tot stand dienen te komen.

Hierbij zal met name de vaarweg worden geprojecteerd op de bestaande "opvaarten" die van oudsher in dit gebied aanwezig zijn. Als opvolger van "oude paden nieuwe wegen" nu "oude vaarten nieuwe waterwegen". Hiermee ontstaat er een goede aanvulling op het waternet rond om Sneek en is de mogelijkheid aanwezig als sloepe-route vanaf de Frentsjerter Feart naar de Swette via de Oudvaart (Aldfeart) bij de Snitsermarre (Sneekermeer) te komen. In het plangebied van fase 2A is meer aandacht voor het fietsverkeer binnen het plan en de daarmee verbonden wandelroute door het plan. Het autoverkeer dient zoveel mogelijk beperkt te blijven tot de rand van het plan. Hiermee wordt de leefbaarheid van de woonstraten aanzienlijk verbeterd. Door vooral ook veel groen en water in het plan op te nemen is daarmee een positief effect op het tegengaan van hitte-stress. Een stenige omgeving is met het oog op klimaatverandering onverstandig. In Harinxmaland fase 2A wordt daarmee de woningdichtheid 16 woningen per hectare (in fase 1 bedraagt de dichtheid 18 woningen per hectare) en een uitgeefbaarheid van ca. 40%. Daarmee is de leefomgeving in plan 2A nog verder aangepast aan de laatste inzichten op het gebied van klimaat en energieverbruik (koelen kost tweemaal zoveel energie dan verwarmen).

In deze fase wordt ook een aanvang gemaakt met "stads-landbouw" een gewild thema binnen het vergroenen van de woonomgeving en het zelf verbouwen van voedsel. In de woonblokken aan de stadsrondweg zijn in het binnen gebied een 40 tal "buurtakkers" opgenomen die ingebed zijn in het openbaar groen. Hiermee kan ervaring worden opgedaan in het zelf telen van groente en fruit e.d. en maakt ook dat weer contact is met de ruimte waarin men woont. Binnen dit bouwblok wordt tevens een royale speelvoorziening gedacht voor jonge kinderen, waarmee tevens de archeologische vindplaats wordt gemarkeerd. Harinxmaland is een woonwijk aan de rand van Sneek waar zowel het buitengebied als ook de stad voelbaar samen komen in een groene waterrijke woonomgeving en komt hier een gevarieerd aanbod aan woningtypes in het huur- en koopsegment.

13/906

2.4

Beeldkwaliteitsplan Harinxmaland fase 2A

Voor de realisatie van fase 2A van de woonwijk Harinxmaland is een beeldkwaliteitsplan opgesteld. Daarbij is fase 2A is opgedeeld in verschillende deelfasen (2A1 tot en met 2A4) welke samen fase 2A vormen. Dit is nader beschreven in het beeldkwaliteitsplan, dat is opgenomen in Bijlage 1. Hieronder worden de verschillende deelfasen nader toegelicht en beschreven. Waarbij voor het gehele plangebied geldt dat het wordt opgehoogd tot een hoogte van 0,5 m NAP. Zodat waterrobuust wordt gebouwd. 2.4.1 Harinxmaland fase 2A1 Fase 2A1 bestaat uit een woningbouwprogramma van 80 woningen waarvan 42 sociale huurwoningen en 38 woningen in het lagere prijssegment voor starters. Deze rijwoningen zijn georiënteerd op de straten rondom en staan in een vaste rooilijn. De zuidelijke rijwoningen vormt de representatieve rand van de wijk aan de Rondweg Noord. Aan de achterzijde van de woningen is er aandacht voor de overgang naar de semi-openbare groenruimte binnen het bouwblok. Het doel is om een groen- en waterrijk nieuw woongebied te realiseren. In de voorliggende fase 2A1 zijn dan ook veel groene openbare ruimtes voorzien. De randen langs wegen worden groen ingekleed en het midden van het semi-openbare gebied tussen de woningen wordt groen ingericht. Ook wordt in het centrale middengedeelte een speelplek ingericht. Hiervan vindt in een latere stadium een nadere uitwerking van plaats. 2.4.2

Harinxmaland fase 2A2

Deelgebied 2A2 bestaat uit verschillende woonvelden, gescheiden door groen en water. 2A2 biedt ruimte aan in totaal 40 woningen in het middensegment, een combinatie tussen vrijstaand en twee-onder-een kap woningen. De woningen staan niet in een verplichte rooilijn, en zijn zowel georienteerd op de straat, het groen als het water, indien van toepassing. De representatieve zijde is aan de straatzijde. De bebouwing in de deelgebieden 2A1 en 2A2 onderscheiden zich van elkaar, maar behoren tot dezelfde bouwstijl. 2.4.3 Harinxmaland fase 2A3 In deelgebied 2A3 wordt het experiment opgezocht door 40 experimentele woningen mogelijk te maken, bijvoorbeeld in collectief particulier opdrachtgeverschap, kangeroewoningen of tiny houses. Deze zone is welstandsvrij, ook is er geen verplichte oriëntatie, situering, rooilijn of plaatsing op het perceel. 2.4.4 Harinxmaland fase 2A4 Deelgebied 2A4 bestaat uit het voorzieningencluster. Binnen dit cluster wordt detailhandel mogelijk gemaakt, in de vorm van een (buurt)supermarkt. Daarnaast is er ruimte om andere wijkvoorzieningen te huisvesten, bijvoorbeeld een kinderopvang of buurthuis. De gebouwen in deze zone zijn alzijdig georiënteerd en van hoogwaardige architectonische kwaliteit. Dit bebouwing in dit deelgebied markeert de hoofdentree van de wijk.

2.5

Planbeschrijving Harinxmaland fase 2A1

Het voorliggend plan betreft fase 2A1 van de stedenbouwkundige opzet en het beeldkwaliteitsplan. Het woningbouwprogramma voor het gebied betreft in totaal 80 woningen waarvan 42 sociale huurwoningen en 38 woningen in het lagere prijssegment voor starters. Een nadere toelichting is in paragraaf 2.4.1 op het voornemen gegeven.

14/906

2.6

Verkeer en parkeren

Bij het opstellen van een bestemmingsplan, waarin een nieuwe ontwikkeling wordt mogelijk gemaakt, moet in het kader van een goede ruimtelijke ordening aandacht worden besteed aan de parkeerbehoefte en de verkeersafwikkeling. Verkeersafwikkeling De ontsluiting van de wijk vindt plaats op de Stadsrondweg Noord. Bij het ontwerpen van de infrastructuur van de wijk is rekening gehouden met de invulling van het plangebied. De ontsluitende wegen hebben voldoende capaciteit voor de afwikkeling van het verkeer vanuit de wijk. Parkeren Voor de leefbaarheid in de wijk is het verder van belang dat er voldoende parkeergelegenheid is. Dit is onder andere vastgelegd in het Gemeentelijke Verkeer- en Vervoerplan (GVVP). Er wordt in het GVVP niet ingegaan op normen en aantallen. Hiervoor heeft de gemeente de 'Parkeernormennota Súdwest-Fryslân 2018' vastgesteld. Voor woningen in het goedkope/sociale segment (< € 150.000 of woonoppervlak < 100 m2) geldt een parkeernorm van 1,5 parkeerplaatsen per woning. De parkeernorm is inclusief bezoek, alleen bij de ontwikkeling van nieuwbouwwijken kan er 0,3 parkeerplaats per woning worden geëist als de parkeernorm door middel van alleen opritten op eigen terrein opgevangen wordt. De genoemde parkeernorm is als uitgangspunt gehanteerd voor de invulling van het plangebied en is gewaarborgd in de regels van dit bestemmingsplan.

Het uitgangspunt is dat langs de woonstraten langsparkeerplaatsen worden aangelegd voor de bewoners en bezoekers.

15/906

Hoofdstuk 3

Beleidskader

Dit hoofdstuk beschrijft het van belang zijnde Rijks-, provinciale, regionale en gemeentelijke beleid. Daarbij worden, waar nodig, uitgangspunten voor dit bestemmingsplan geformuleerd.

3.1

Rijksbeleid

3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (hierna: NOVI) vastgesteld. De NOVI is de langetermijnvisie van het Rijk op de toekomstige inrichting en ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De NOVI geeft richting en helpt om keuzes te maken, te kiezen voor slimme combinaties van functies en uit te gaan van de specifieke kenmerken en kwaliteiten van gebieden. En er nu mee aan de slag te gaan en beslissingen niet uit te stellen of door te schuiven. Het versterken van de omgevingskwaliteit staat in de NOVI centraal. Dat wil zeggen dat alle plannen met oog voor de natuur, gezondheid, milieu en duurzaamheid gemaakt moeten worden. Bij de NOVI hoort een Uitvoeringsagenda. Hierin staat hoe uitvoering wordt gegeven aan de NOVI. Binnen de NOVI zijn 8 voorlopige aandachtsgebieden geformuleerd als zogeheten NOVI-gebied. In een NOVI-gebied krijgt een aantal concrete vraagstukken extra prioriteit. Dit helpt om grote veranderingen en ruimtelijke opgaven in een regio beter te realiseren. Opgaven Er is in Nederland sprake van een aantal dringende maatschappelijke opgaven. Deze opgaven kunnen niet apart van elkaar worden opgelost. Ze moeten in samenhang bekeken worden. Ze grijpen in elkaar en vragen meer ruimte dan beschikbaar is in Nederland. Niet alles kan, niet alles kan overal.

Op het niveau van nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven aan de omgeving in Nederland, verwoord in vier opgaven: 1. ruimte maken voor klimaatverandering en energietransitie; 2. de economie van Nederland verduurzamen en het groeipotentieel behouden; 3. steden en regio's sterker en leefbaarder maken; 4. het landelijk gebied toekomstbestendig ontwikkelen. Realiseren opgaven In de NOVI is een tweetal instrumenten opgenomen om de opgaven te realiseren. 1. De Omgevingsagenda Momenteel wordt voor Noord-Nederland gewerkt aan een omgevingsagenda. Als voorloper is er gewerkt aan een Contour Omgevingsagenda waarin acht omgevingsopgaven zijn benoemd: druk op de ruimte in het landelijk gebied vraagt om gezamenlijke keuzes; benutten van de brede effecten van de energietransitie; economisch perspectief ten aanzien van kringlooplandbouw en natuurinclusieve landbouw; toekomstgerichte bereikbaarheid van Noord-Nederland; versterken Stedelijk Netwerk Noord-Nederland; toekomstkracht voor gebieden met bevolkingsdaling en sociaaleconomische achterstand; water als verbindende schakel in klimaatadaptieve maatregelen;

16/906

waarborgen van de omgevingskwaliteit. 2. De NOVI-gebieden Een NOVI-gebied is een instrument waarbij Rijk en regio meerdere jaren verbonden zijn aan de gezamenlijke uitwerking van de verschillende opgaven in het ruimtelijke domein. Vaak wordt voortgebouwd op bestaande samenwerkingstrajecten. Denk aan een Regio Deal en een verstedelijkingsstrategie. Conclusie In het voorliggend geval wordt met de ontwikkeling gewerkt aan de opgave om steden en regio's sterker en leefbaarder te maken. Gelet op het voornemen en de opgave uit de NOVI kan de conclusie worden getrokken dat het voornemen aansluit bij de rijksbelangen zoals opgenomen in de NOVI. 3.1.2 Ladder voor duurzame verstedelijking Ieder plan dat nieuwe stedelijke ontwikkelingen mogelijk maakt, moet een verantwoording bevatten van de ladder voor duurzame verstedelijking (art. 3.1.6 lid 2 Bro). De ladder voor duurzame verstedelijking is een instrument voor efficiënt ruimtegebruik. Voor projecten binnen bestaand stedelijk gebied moet de behoefte worden beschreven. De ladder is van toepassing als een plan wordt aangemerkt als 'nieuwe stedelijke ontwikkeling'. Of er sprake is van een 'stedelijke ontwikkeling' wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling in relatie tot de omgeving.

Volgens jurisprudentie is in beginsel pas sprake van een stedelijke ontwikkeling bij plannen voor meer dan 11 woningen of andere stedelijke functies met een ruimtebeslag van meer dan 500 m². Het gebied waarop de plannen voor de uitbreiding van toepassing zijn, is geen onderdeel van het bestaand stedelijk gebied volgens de begripsbepaling artikel 1.1.1 onder h: 'bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur'. Het geldende bestemmingsplan 'Harinxmaland' uit 2006 voorziet (met een uitwerking zonder ruime uitwerkingsmogelijkheden) wel al in het bouwen van 1.300 woningen, maar van deze uitwerkingsplicht wordt geen gebruikgemaakt. Het gebied is in de Verordening Romte van de provincie Fryslân 2014 wel aangemerkt als bestaand stads- en dorpsgebied (hierop wordt verder ingegaan in paragraaf 3.2.2). Omdat een nieuw bestemmingsplan is opgesteld en er meer dan 11 woningen mogelijk worden gemaakt, is hierna de behoefte beschreven en de locatiekeuze gemotiveerd. Beschrijving behoefte Het ruimtelijk verzorgingsgebied van de stedelijke ontwikkeling bepaalt tot welk gebied de beschrijving van de behoefte zich moet uitstrekken.

De begrenzing van de regio is dus afhankelijk van de aard en omvang het programmaonderdeel dat als stedelijke ontwikkeling wordt gezien. Voor wonen is dat de gemeente Súdwest-Fryslân binnen de regio Zuidwest-Friesland. Waarbij specifiek voor de plaats Sneek de woningbehoefte is bepaald. Strategie woningbouw 2020-2030 In maart 2021 zijn afspraken gemaakt over de woningbouwplanning (Woningbouwafspraken 2020-2030). Met de nieuwe woningbouwafspraken is er ruimte ontstaan om plannen aan het woningbouwprogramma toe te voegen. Dit komt doordat er in de kernen Sneek, Bolsward, Workum en Makkum binnenstedelijk vrij geprogrammeerd mag worden en omdat er voor een percentage van 30% overgeprogrammeerd mag worden.

17/906

Het (nieuwe) woningbouwprogramma 2020-2030 kent een totale plancapaciteit van 1.968 wooneenheden. Daartegenover staat een opgave conform de huishoudensprognose van 1.500 woningen. Wanneer de binnenstedelijke vrije capaciteit conform de woningbouwafspraken buiten beschouwing wordt gelaten en rekening wordt gehouden met 30% overprogrammering in verband met voorzienbare planuitval, dan kunnen er in de periode 2020-2030 circa 1.000 wooneenheden aan het woningbouwprogramma worden toegevoegd. De woonregio Zuidwest en de provincie onderkennen dat de vraagdruk in Sneek niet verklaard kan worden door de huishoudensprognose en dat daarom de binnenstedelijke plancapaciteit in Sneek (maar ook in Bolsward, Workum en Makkum) buiten beschouwing wordt gelaten. Hierdoor ontstaat er een grotere bandbreedte waarbinnen woningbouwplannen geprogrammeerd kunnen worden. Marktindicatoren geven ook aan dat er ook in de deelgebieden buiten de deelgebieden waarin de groeikernen Sneek en Bolsward liggen sprake is van oplopende vraagdruk (afnemende beschikbaarheid, stijgende prijzen). In de strategie is vastgelegd dat Harinxmaland fase II per direct in ontwikkeling zal worden genomen. Woononderzoek 2018 De woningbehoefte voor de gemeente Súdwest-Fryslân is in het Woononderzoek 2018 onderzocht.

In het woononderzoek is beschreven dat volgens de provinciale prognose de komende jaren het aantal inwoners daalt in de gemeente Súdwest-Fryslân. Als gevolg van de gezinsverdunning groeit tot circa 2030 het aantal huishoudens – en daarmee de woningbehoefte – nog wel. Tot 2028 is de behoeftegroei ongeveer 1.300 woningen in de gemeente Súdwest-Fryslân. Voor het deelgebied Sneek en buitengebied is een woningbehoefte van 530 tot 590 geraamd. Dit betekent dat gemiddeld 75 woningen per jaar dienen te worden gerealiseerd in het deelgebied Sneek en buitengebied.

Woonvisie Súdwest-Fryslân 2017-2022 en Afwegingskader Woningbouw De kwalitatieve woningbehoefte is in de gemeentelijke woonvisie en het afwegingskader woningbouw beschreven. Hier wordt in paragraaf 3.3.2 op ingegaan. Voor de plaats Sneek wordt ingezet op 210-240 sociale huurwoningen en 70-80 middenhuur woningen. Deze ontwikkeling levert een bijdrage aan het meerjarenprogramma woningbouw om voldoende woningen te realiseren in de sociale woningbouw en de middenhuur. Woningbouwprogramma 2020-2030 De ontwikkeling is opgenomen in het gemeentelijke woningbouwprogramma (Harinxmaland fase 2). Motivering locatiekeuze (waarom niet binnenstedelijk) Het is niet mogelijk om de volledige woningbehoefte binnenstedelijk te realiseren. Al in 2006 is gekozen voor

18/906

uitbreiding op deze locatie. Conclusie Er is in Sneek een grote woningbehoefte. Het project geeft invulling aan 80 woningen waarvan 42 sociale huurwoningen en 38 woningen in het lagere prijssegment voor starters en sluit daarmee aan op de woningbehoefte.

3.2

Provinciaal beleid

3.2.1 Omgevingsvisie Fryslân-De romte diele Op 23 september 2020 is de omgevingsvisie Fryslân-De romte diele vastgesteld waarin de ambitie voor de provincie voor 2030-2050 zijn uitgesproken. Hierbij wordt gewerkt met 9 principes die richting geven bij het maken van keuzes. Enerzijds zijn de principes inhoudelijk van aard, zoals zuinig ruimtegebruik, omgevingskwaliteit als ontwerpbasis, koppelen van ambities, gezondheid en veilig. Anderzijds zijn er samenwerkingsprincipes, zoals rolbewust, decentraal wat kan, het ja, mits principe, aansluiting zoeken en sturen op proces, ruimer op inhoud. De insteek om de ambities te realiseren is niet door verandering tegen te houden, maar door de gewenste nieuwe ontwikkelingen te laten aansluiten bij bestaande kwaliteiten. Toetsing aan de Omgevingsvisie Fryslân-De romte diele De voorgenomen ontwikkeling is een volgende fase van de nieuwbouwwijk Harinxmaland. Met de ontwikkeling worden 80 woningen gerealiseerd. In de binnenruimtes wordt daarnaast een buurtakker aangelegd waar de bewoners gewassen kunnen laten groeien. Daarnaast wordt voor het plan een beeldkwaliteitsplan opgesteld (zie paragraaf 2.4). De ontwikkeling vindt plaats binnen bestaand stedelijkgebied (zie ook paragraaf 3.2.2). Hiermee wordt aangesloten op de negen principes zodat er zuinig omgegaan wordt met de ruimte en de gezondheid optimaal wordt ondersteund.

Gelet op het vorenstaande wordt geconcludeerd dat de voorgenomen ontwikkeling passend is binnen de Omgevingsvisie Fryslân-De romte diele. 3.2.2 Verordening Romte Fryslân Op 25 juni 2014 hebben Provinciale Staten de Verordening Romte Fryslân 2014 vastgesteld. Deze verordening behelst een aanpassing van de op 15 juni 2011 vastgestelde verordening en is op 16 augustus 2014 in werking getreden en in 2018 partieel herzien. In deze verordening is het beleid van de provincie vertaald naar regels voor ruimtelijke plannen. In artikel 1 van de verordening worden regels gegeven gericht op het bundelen van stedelijke functies in stedelijk gebied. Indien dit niet mogelijk is, kan aansluitend op bestaand stedelijk gebied een uitbreidingslocatie worden toegestaan. Tot het bestaand stedelijk gebied van een kern rekent de provincie het (aaneengesloten) gebied met stedelijke functies (woonbebouwing, bedrijfsbebouwing in brede zin en maatschappelijke functies), waaronder mede begrepen de daarbij behorende voorzieningen (inclusief groenvoorzieningen) en verkeersinfrastructuur. Volgens de verordening valt de locatie binnen het bestaand stedelijk gebied. Hier kunnen stedelijke functies, zoals wonen, toegevoegd worden. In artikel 3 is bepaald dat een ruimtelijk plan voor woningbouw in overeenstemming moet zijn met een woonplan, dat de schriftelijk instemming van Gedeputeerde Staten heeft.

Hiervan mag afgeweken worden indien het woningbouwproject niet meer dan 11 woningen bevat en gelegen is binnen bestaand stedelijk

19/906

gebied. Volgens de begrenzing tussen het buitengebied en het bestaand bebouwd gebied ligt het plangebied binnen het bestaand bebouwd gebied (zie afbeelding 3.1). Hier wordt ruimte geboden voor het ontwikkelen van stedelijke functies voor zover deze naar aard en omvang passen bij de kern. Op grond van de toelichting op de begrenzing van bestaand stedelijk gebied wordt de locatie desondanks aangemerkt als uitbreiding, omdat het een bestemmingsplan voor een stedelijke woonuitbreiding betreft. Daarmee valt het plan bijvoorbeeld niet onder de afspraken voor plafondloos bouwen en moet het als een uitbreidingsplan worden getoetst aan het woningbouwprogramma.

Afbeelding 3.1 Begrenzing bestaand bebouwd gebied (PVR2014) De geplande aantallen woningen zijn in overeenstemming met de woningbouwafspraken 2020-2030 voor de Regio Zuidwest Friesland en provincie Fryslân. Het plan is daarmee in overeenstemming met de regels uit de verordening. Toetsing aan de Verordening Romte Fryslân Het voorliggend plan is gelegen binnen bestaand stedelijk gebied en sluit daarmee aan op de ambitie van de provincie om binnen stedelijk gebied eerst te bouwen. Het plan betreft in totaal 80 woningen. Deze woningen zijn reeds meegenomen in het woningbouwprogramma. In paragraaf 3.1.2 is de woningbehoefte aangetoond. Gelet hierop is het voorliggende plan passend binnen de Vordening Romte Fryslân.

3.3

Gemeentelijk beleid

3.3.1 Omgevingsvisie 1.0 'Oars tinke yn Súdwest' (2021) De gemeenteraad heeft op 29 april 2021 de Omgevingsvisie 1.0 'Oars tinke yn Súdwest': samenwerken aan een gezonde leefomgeving' vastgesteld. De Omgevingsvisie 1.0 voldoet aan de artikelen 4.9 en 4.10 van de Invoeringswet Omgevingswet. In de overgangswetgeving Omgevingswet krijgt een structuurvisie op basis van de Wro automatisch de status van een Omgevingsvisie op basis van de Omgevingswet wanneer deze van kracht wordt. Deze visie is tot stand gekomen met de inwoners en ketenpartners van Súdwest Fryslân. De Omgevingsvisie 1.0 schetst de hoofdlijnen van de ontwikkelingsrichting voor de woon- werk- en leefomgeving op de langere termijn. De Omgevingsvisie helpt om keuzes te maken bij ontwikkelingen die de

20/906

fysieke leefomgeving beïnvloeden en nodigt uit tot ontwikkelingen. Met deze Omgevingsvisie kan de gemeente beoordelen of ontwikkelingen en projecten bij Súdwest-Fryslân passen. De Omgevingsvisie 1.0 bestaat uit vijf thema's: 1. gezonde vitale mensen in een gezonde en veilige omgeving; 2. sterke kernwaarden: cultureel erfgoed, natuur, weids en waterrijk landschap; 3. veerkrachtige en leefbare wijken, dorpen en steden; 4. vitaal en aantrekkelijk landschap; 5. duurzaam, energieneutraal en klimaatadaptief. In de Omgevingsvisie 1.0 is een koppeling gelegd met de 17 duurzame ontwikkeldoelen (Sustainable Development Goals) zoals die wereldwijd worden gehanteerd. De gemeenteraad heeft in de Omgevingsvisie 1.0 de kaders op hoofdlijnen voor toekomstige ontwikkelingen vastgesteld. De maatregelen om de vastgestelde thema's uit te kunnen werken worden beschreven in, samen met de ketenpartners, op te stellen omgevingsprogramma's. Dit om de ambities uit de Omgevingsvisie 1.0 dichterbij te brengen. Het college van B&W stelt de omgevingsprogramma's vast. Zoals in de thema-onderdelen van de Omgevingsvisie benoemd, worden de volgende omgevingsprogramma's opgesteld: Gezond Wonen; Omgevingskwaliteit; Vitaal landschap; Klimaatmitigatie; Klimaatadaptatie. Toetsing aan de Omgevingsvisie Het voorliggende plan voorziet in de bouw van 80 nieuwe woningen. De woningen zullen gasloos worden gerealiseerd.

De wijk wordt groen opgezet om een gezonde en leefbare wijk te creëren, zie ook paragraaf 2.4. Gelet hierop past de ontwikkeling dan ook binnen de Omgevingsvisie Súdwest-Fryslân. 3.3.2 Woonvisie 2017, Ambitiedocument 2019 en Woonstrategie 2020-2030 Op 20 juli 2017 is de Woonvisie vastgesteld door de gemeenteraad. Deze visie vormt het uitgangspunt voor het woonbeleid. In 2019 is door de gemeenteraad een ambitiedocument met een visie op de woningbouwvraagstuk vastgesteld. Het ambitiedocument is een aanscherping op de woonvisie in verband met de marktomstandigheden. De onderstaande uitgangspunten zijn leidend als het gaat om woningbouw: zuinig ruimtegebruik; herbestemmen en transformeren gaat voor nieuwbouw; inbreiding (bouwen binnen bestaande bebouwing) gaat voor uitbreiding; de gemeente is geen uniforme woningmarkt, we onderscheiden zes deelgebieden met hun eigen woningmarktdynamiek; in alle kernen blijft woningbouw mogelijk, we ondersteunen plaatselijke initiatieven actief; toevoeging van woningen moet een maatschappelijke meerwaarde hebben. Specifiek voor Sneek bedraagt tot 2028 de extra vraag 530 tot 590 woningen. In Sneek zal naar verwachting tot ruim na 2028 huishoudensgroei plaatsvinden. Sneek en Bolsward zijn groeikernen. Hierbij zet de gemeente in op transformatie/herbestemmen en nieuwbouw op inbreidingslocaties.

Hierbij staat de gemeente positief tegenover initiatieven van inwoners die gezamenlijk een bijzonder project willen realiseren, zoals een knarrenhofje of een eco-wijk. Daarnaast kennen de grotere kernen de meeste herstructureringslocaties die

21/906

geschikt zijn voor tijdelijke woonconcepten. Om in de behoefte te voorzien, is in Sneek en Bolsward ook ruimte voor projectmatige nieuwbouw. In de woonstrategie 2020-2030 is aangegeven dat Harnixmaland fase II per direct in ontwikkeling zal worden genomen door de gemeente. Voor de plaats Sneek wordt ingezet op 210-240 sociale huurwoningen en 70-80 middenhuur woningen (zie onderstaande tabel). Tabel 3.1. Overzicht Súdwest-Fryslân)

kwalitatieve

woningbehoefte

(bron:

Afwegingskader

woningbouw

gemeente

Toetsing aan de Woonvisie, ambitiedocument en Woningbouwprogramma Het voorliggend plan betreft de realisatie van 80 huurwoningen binnen bestaand stedelijk gebied. Hiermee sluit de ontwikkeling aan op de woonvisie, het ambitiedocument en de woonstrategie. 3.3.3 Bomenbeleidsplan De gemeente Súdwest-Fryslân heeft een bomenbeleid. Aan de hand van zeven beleidskaders is het bomenbeleid in Súdwest-Fryslân vormgegeven. De beleidskaders zijn: voor (her)inrichten met behulp van bomen maken we gebruik van het 'Kwaliteitshandboek inrichting openbaar groen Súdwest-Fryslân'; we hanteren vuistregels om te komen tot een gevarieerd (zowel in soort als in leeftijd) gezond bomenbestand, wat afgestemd is op het landschapstype of de woonkern in Súdwest-Fryslân; veiligheid gaat voor alles; we beheren de bomen op een goed niveau voor een duurzaam bomenbestand; we hanteren vuistregels om overlast situaties te beheersen of te voorkomen; we hanteren vuistregels om ziekten en plagen te beheersen of te voorkomen; we beschermen beeldbepalende, bijzondere en monumentale bomen en lanen. Toetsing aan het bomenbeleidsplan De voorliggende ontwikkeling betreft een nieuwe woonwijk die groen ingericht wordt. Bij een nadere uitwerking van de inrichting van de openbare ruimte zal rekening worden gehouden met het handboek 'Kwaliteitshandboek inrichting openbaar groen Súdwest-Fryslân'.

Hiermee dient invulling gegeven te worden aan de uitgangspunt die in het bomenbeleidsplan zijn genomen.

22/906

3.3.4 Welstandsnota Súdwest-Fryslân De gemeente Súdwest-Fryslân heeft voor de toetsing van bouwwerken de welstandsnota Súdwest-Fryslân opgesteld. Hierin zijn welstandscriteria opgenomen waaraan nieuwe ontwikkelingen getoetst moeten worden. Een belangrijke pijler van de welstandsnota is het gebiedsgerichte welstandsbeleid. De gebiedsgerichte welstandscriteria worden gebruikt voor de kleine en middelgrote bouwplannen die zich voegen binnen de bestaande ruimtelijke structuur van Súdwest-Fryslân. Deze criteria zijn gebaseerd op de plaatselijke identiteit en het architectonisch vakmanschap en de ruimtelijke kwaliteit zoals die in de bestaande situatie worden gebruikt. Voor nieuw te ontwikkelen gebieden of gebieden die ingrijpend worden veranderd, zijn of worden specifieke welstandscriteria opgesteld. Dat kan in de vorm van een door de gemeenteraad vast te stellen beeldkwaliteitsplan. Toetsing aan de welstandsnota Het voorliggende planvoornemen voorziet in een nieuwe woonwijk. Voor de stedenbouwkundige structuur wordt voor de ontwikkeling een apart beeldkwaliteitsplan opgesteld. In bijlage 1 is het beeldkwaliteitsplan opgenomen. Bij de beoordeling van de bouwplannen zal dit beeldkwaliteitsplan als toetsingskader gelden.

3.3.5 Erfgoednota 2021-2026 Cultureel Erfgoed is geen keus Met het vaststellen van de 'Erfgoednota 2021-2026 Cultureel Erfgoed is geen keus' (april 2021) heeft de gemeente haar visie en missie op behoud en ontwikkeling van het erfgoed vastgesteld. De gemeente SWF zorgt samen met de mienskip dat cultureel erfgoed duurzaam behouden en ontsloten wordt en zichtbaar en beleefbaar is. Dit doen wij door erfgoed te waarderen en te beschermen, bewustwording en samenwerking te stimuleren en daardoor erfgoed te versterken en levend te houden. De mienskip heeft tijdens het 'Rondje Súdwest' in 2019 in het kader van de Omgevingsvisie 1.0 'Oars tinke yn Súdwest' (2021) cultureel erfgoed benoemt als wezenlijk onderdeel van thema 2 van de 5 thema's in de Omgevingsvisie 1.0: sterke kernwaarden: cultureel erfgoed, natuur, weids en waterrijk landschap. Ook het weidse en waterrijke landschap is eigenlijk erfgoed. Immers de meren, kanalen en sloten en weide- en akkergronden zijn allemaal onder menselijke invloed ontstaan en verder vormgegeven, oftewel cultuurlandschap. In die zin geldt hetzelfde voor thema 4: vitaal en aantrekkelijk landschap. Ook in thema 3: veerkrachtige en leefbare wijken, dorpen en steden en thema 5: duurzaam, energieneutraal en klimaatadaptief heeft cultureel erfgoed een rol als wezenlijk onderdeel van de bijzondere woonkwaliteiten.

Een zorgvuldige afweging van de cultuurhistorische waarden om de omgevingskwaliteit te kunnen waarborgen en te versterken is dus essentieel. Het is een gemeentelijke wettelijke taak om te komen tot een zorgvuldige planbehandeling en besluitvorming voor wat betreft cultuurhistorie. Als gevolg van het beleid Modernisering Monumentenzorg is per 1 januari 2012 in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.6.1) bepaald dat gemeenten verplicht zijn cultuurhistorie mee te wegen bij het opstellen van het bestemmingsplan. Niet alleen de cultuurhistorische waarden in de grond (archeologie) maar ook boven de grond moeten meegenomen worden. Zo stelt de gemeente bij bestemmingsplannen cultuurhistorische analyses op en gaat de gemeente bij de bescherming van archeologische (verwachtings)waarden in bestemmingsplannen formeel uit van de gemeentelijke FAMKE (Friese Archeologische Monumentenkaart Extra), een uitsnede van de provinciale FAMKE. Voor de bekende en de te verwachten cultuurhistorische waarden gaat de gemeente uit van de Cultuur Historische kaart van de provincie Fryslân (CHK) en de Landschapsbiografie Súdwesthoeke. Deze kaarten zijn daarmee onderlegger voor het in de Erfgoednota geformuleerde beleid. Niet alle op deze kaarten aangegeven

23/906

waarden kunnen echter behouden blijven, hier komt een gemeentelijke afweging aan te pas. In de toelichting van het bestemmingsplan moet beschreven worden hoe het bestemmingsplan met deze waarden omgaat. Op de plankaart kunnen cultuurhistorische waarden aangeduid worden met dubbelbestemmingen en/of aanduidingen. In de regels bij het bestemmingsplan moet worden omschreven welke voorschriften er aan die bestemming zijn gekoppeld. Met de komst van de Omgevingswet worden deze op een gegeven moment doorvertaald naar het omgevingsplan. 3.3.6 Duurzaamheidsvisie 'Op-stap nei duorsumens' De duurzaamheidsvisie geeft richting aan de missie van de gemeente om een duurzame toekomstbestendige gemeente te worden. De gemeente wil duurzaamheid voor iedereen in Súdwest-Fryslân praktisch en toepasbaar maken. De gemeente wil samen met burgers en bedrijven werken aan een duurzame samenleving. Hiertoe gelden een aantal spelregels, namelijk dat ten opzichte van nu meer in de menselijke basisbehoeften moet worden voorzien, de bodem minder moet worden uitgeput, minder schadelijke chemische stoffen worden gebruikt en de natuur minder wordt aantast. In de visie stelt de gemeente zichzelf een aantal strategische doelen. Eén van deze doelen is het op aardgas aangewezen woningbestand niet verder uit te breiden. Per 1 juli 2018 dient reeds alles gasloos te worden gebouwd.

Een ander doel is om te bouwen met materialen die uit en/of terug keren in gezonde gesloten kringlopen. Waar mogelijk wordt gewerkt met herbruikbare materialen zoals hout.

24/906

Hoofdstuk 4 4.1

Omgevingsaspecten

Mer-beoordeling

Beleid en normstelling In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van het omgevingsvergunning plan-m.e.r.-plichtig, project-m.e.r.-plichtig of m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Indien een activiteit onder de drempelwaarden blijft, dient alsnog een vormvrije m.e.r.-beoordeling uitgevoerd te worden, waarbij onderzocht dient te worden of de activiteit belangrijke nadelige gevolgen heeft voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële (milieu)effecten. Per 16 mei 2017 is de regelgeving voor de MER en m.e.r.-beoordeling gewijzigd met daarin een nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Voor de ontwerpbestemmingsplanfase moet een m.e.r-beoordelingsbeslissing worden genomen, waarin wordt aangegeven of wel of geen MER nodig is, gelet op de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële (milieu)effecten en mogelijke mitigerende maatregelen. Deze beslissing wordt als bijlage bij het bestemmingsplan opgenomen.

Voor elke aanvraag waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde komt moet de initiatiefnemer een aanmeldingsnotitie opstellen, waarbij ook mitigerende maatregelen mogen worden meegenomen. Het bevoegd gezag dient binnen zes weken na indienen een m.e.r.-beoordelingsbesluit af te geven. Een vormvrije m.e.r.-beoordelingsbeslissing hoeft echter niet gepubliceerd te worden. Onderzoek In het Besluit milieueffectrapportage is opgenomen dat de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject m.e.r.-beoordelingsplichtig is in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 100 ha of meer of een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat (Besluit milieueffectrapportage, Bijlage onderdeel D11.2). De beoogde ontwikkeling bestaat uit de realisatie van 80 woningen. Conclusie De beoogde ontwikkeling blijft ruim onder de drempelwaarde. Dit betekent wel dat een zogenaamde 'vormvrije m.e.r.-beoordeling' noodzakelijk is. In bijlage 2 is de vormvrije m.e.r.-beoordeling toegevoegd aan het bestemmingsplan. Op basis van deze beoordeling blijkt dat het plangebied niet gelegen is in een kwetsbaar gebied en/of gebied met een beschermde status. De aard en beperkte omvang van het plan leiden niet tot belangrijke nadelige milieugevolgen mits de genoemde mitigerende maatregelen worden uitgevoerd.

Met inachtneming van deze maatregelen is het doorlopen van een volledige m.e.r.-procedure niet noodzakelijk.

4.2

Geluid

Toetsingskader Weg geluidhinder

25/906

Wettelijke geluidszone wegen Woningen worden door de Wet geluidhinder (hierna: Wgh) als geluidsgevoelig aangemerkt. Indien nieuwe woningne of andere geluidsgevoelige gebouwen mogelijk worden gemaakt, dan is volgens de Wgh akoestisch onderzoek verplicht indien deze worden geprojecteerd binnen de geluidszone van een weg (of spoorweg). Daarnaast dient op basis van jurisprudentie in het kader van een goede ruimtelijke ordening aannemelijk te worden gemaakt dat ook sprake is van een aanvaardbaar geluidsniveau wanneer de ontwikkeling is gesitueerd nabij niet gezoneerde wegen (30 km-wegen). Langs alle wegen – met uitzondering van 30 km-wegen en woonerven – bevinden zich op grond van de Wet geluidhinder (Wgh) geluidszones waarbinnen de geluidshinder vanwege de weg moet worden getoetst. De breedte van de geluidszone is afhankelijk van het aantal rijstroken en van binnen- of buitenstedelijke ligging. De geluidshinder wordt berekend aan de hand van de Europese dosismaat Lden (L day-evening-night). Deze dosismaat wordt weergegeven in dB. Deze waarde vertegenwoordigt het gemiddelde geluidsniveau over een etmaal. Nieuwe situaties Voor de geluidsbelasting aan de buitengevels van woningen binnen de wettelijke geluidszone van een weg geldt een voorkeursgrenswaarde van 48 dB. In bepaalde gevallen is vaststelling van een hogere waarde mogelijk.

Hogere grenswaarden kunnen alleen worden verleend nadat is onderbouwd dat maatregelen om de geluidsbelasting aan de gevel van geluidsgevoelige bestemmingen terug te dringen onvoldoende doeltreffend zijn, dan wel overwegende bezwaren ontmoeten van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of financiële aard. Deze hogere grenswaarde mag de uiterste grenswaarde niet te boven gaan. De uiterste grenswaarde is op grond van artikel 83 Wgh afhankelijk van de ligging van de woningen (binnen- of buitenstedelijk). Voor de beoogde binnenstedelijke ontwikkeling geldt een maximaal toelaatbare hogere waarde van 63 dB voor wegverkeerslawaai. Railverkeerslawaai Het plangebied is, op basis van de referentiepunten van het spoor ter hoogte van het plangebied, gelegen in de geluidzone van de spoorlijn Leeuwarden-Stavoren (zonebreedte 100 m). Akoestisch onderzoek naar aanleiding van spoorweglawaai is daardoor noodzakelijk. De voorkeursgrenswaarde bedraagt Lden = 55 dB voor woningen en de maximale grenswaarde Lden = 68 dB. Onderzoek Het plangebied ligt binnen de wettelijke geluidszones (Wet geluidhinder) van de spoorlijn Leeuwarden-Stavoren en de provinciale weg N354 (Stadsrondweg Noord). Om die reden is een akoestisch onderzoek uitgevoerd (bijlage 3) naar de geluidsbelasting vanwege (spoor)wegverkeerslawaai.

Uit de wegverkeerslawaaiberekeningen blijkt dat de geluidbelasting vanwege de Stadsrondweg Noord hoger is dan de voorkeursgrenswaarde van Lden = 48 dB (zie figuur 5.1). De hoogste berekende waarde bedraagt Lden = 58 dB op de aan de Stadsrondweg Noord gelegen bouwblokken. De maximale ontheffingswaarde van Lden = 63 dB wordt niet overschreden, zodat het plan zonder meer kan worden gerealiseerd binnen de randvoorwaarden van de Wgh. Wel is het vaststellen van hogere waarden nodig.

26/906

Hogere grenswaarden kunnen alleen worden verleend, nadat is onderbouwd dat maatregelen om de geluidbelasting op de gevel van geluidgevoelige bestemmingen terug te dringen onvoldoende doeltreffend zijn, dan wel overwegende bezwaren ontmoeten van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of financiële aard. In het onderhavige geval zijn geluidschermen vanwege stedenbouwkundige overwegingen niet wenselijk en het aanbrengen van geluidreducerend asfalt wordt niet als kosteneffectief gezien, ook vanwege de hogere onderhoudskosten na aanleg. Om die reden kunnen hogere waarde worden verleend. De geluidsbelasting vanwege railverkeerslawaai bedraagt ten hoogste Lden = 55dB op de oostzijde van het plan, waarmee de voorkeursgrenswaarde voor railverkeerslawaai van Lden = 55 dB (woningen) niet wordt overschreden. Een hogere waarde procedure is dan niet noodzakelijk. De gecumuleerde waarde Lcum kan worden berekend door energetische sommatie van de L*-waarden. De hoogst bereikende waarde voor Lcum (niet nader gepresenteerd) bedraagt Lden = 60 dB ter plaatse van het bouwblok aan de Stadsrondweg Noord en het spoor. Het geluid vanwege wegverkeer is bepalend. Cumulatie speelt een geringe rol omdat railverkeerslawaai een geluidsbelasting geeft aan de oostzijde en wegverkeerslawaai met name aan de zuidzijde.

Op basis van de berekende cumulatieve geluidbelasting en een binnenwaarde van 33 dB (Bouwbesluit 2012) wordt in het bestemmingsplan de benodigde geluidwering van de geluidbelaste gevels via artikel 5.2.5 uit de planregels vastgelegd. Hierbij is voor woonblok A een geluidwering gevel van 26 dB vastgelegd en voor de woonblokken C, D, E, F en G een geluidwering gevel van 27 dB vastgelegd. In afbeelding 4.1 zijn de verschillende woonblokken weergegeven.

Afbeelding 4.1 Weergave van de vast te stellen hogere waarde per woonblok Geluid warmtepompen Warmtepompen, en dan met name lucht-/water warmtepompen, kunnen geluid produceren. In artikel 3.8, lid 2 van het Bouwbesluit 2012 worden eisen gesteld aan buiten opgestelde installaties voor warmte- of koudeopwekking (dus ook Airco's). Op de perceelsgrens mag het geluidniveau niet meer bedragen dan 40 dB(A),

27/906

bepaald volgens de Handleiding Meten en Rekenen Industrielawaai en het gestelde in bijlage VIII bij de Regeling Bouwbesluit 2012. Op basis daarvan geldt dat indien een installatie een afzonderlijke instelling heeft voor de avond- en nachtperiode (19:00 - 7:00 uur), wordt het gemeten geluidsniveau in de dagperiode (7:00 - 19:00 uur) gecorrigeerd met -5 dB, wat betekent dat 45 dB(A) is toegestaan. In of rond een nieuwe woonwijk kan een cumulatief effect ontstaan vanwege alle individuele warmtepompen. Dit effect is locatiespecifiek en afhankelijk van de per woning te installeren installatie en daarmee op voorhand niet te kwantificeren. Gezien de eisen op de perceelsgrens wordt er geen relevant cumulatief effect verwacht. Een toetsing van dit aspect kan niet eerder plaatsvinden dan ten tijde van de aanvraag van een Omgevingsvergunning. Conclusie weg- en railverkeerslawaai Samenvattend kan worden gesteld dat de woningen kunnen worden gerealiseerd binnen de randvoorwaarden van de Wgh. Een hogere waarde procedure dient te worden doorlopen. Voorgesteld wordt een generieke hogere waarde van Lden = 58 dB vanwege de Stadsrondweg Noord. Hiervoor wordt een separate procedure naast het bestemmingsplan voor doorlopen.

4.3

Milieuzonering

Tussen bedrijfsactiviteiten en hindergevoelige functies (waaronder wonen) is een goede afstemming nodig. Het doel daarbij is het voorkomen van onacceptabele hinder ter plaatse van woningen, maar ook om te zorgen dat bedrijven niet worden beperkt in de bedrijfsvoering en ontwikkelingsmogelijkheden. Bij de afstemming wordt gebruikgemaakt van de richtafstanden uit de VNG-brochure 'Bedrijven en milieuzonering'. Een richtafstand wordt beschouwd als de afstand waarbij onaanvaardbare milieuhinder redelijkerwijs is uitgesloten. Deze afstand wordt gemeten tussen de bestemmingen van bedrijven en de gevels van geluidsgevoelige objecten. Bedrijfsactiviteiten zijn daarvoor ingedeeld in een aantal milieucategorieën. Binnen het plangebied is geen bedrijvigheid gevestigd. In de directe omgeving van het plangebied zijn ook geen vormen van bedrijvigheid aanwezig die een belemmering kunnen vormen voor de ontwikkeling van het gebied. Vanuit het omgevingsaspect milieuzonering zijn er geen belemmeringen om de woningbouw te realiseren.

4.4

Bodem

Toetsingskader Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening gehouden te worden met de bodemgesteldheid in het projectgebied. Bij functiewijziging dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. Ten behoeve van ruimtelijke plannen dient ten minste het eerste deel van het verkennend bodemonderzoek, het historisch onderzoek, te worden verricht. Indien uit het historisch onderzoek wordt geconcludeerd dat op de betreffende locatie sprake is geweest van activiteiten met een verhoogd risico op verontreiniging dient een volledig verkennend bodemonderzoek te worden uitgevoerd.

28/906

Onderzoek Om hierin inzicht te krijgen is onder andere voor het plangebied verkennend (water)bodemonderzoek uitgevoerd. Het volledig onderzoek is opgenomen in bijlage 4. Op grond van het uitgevoerde onderzoek kan worden geconcludeerd dat er geen sprake is van een bodemverontreiniging van betekenis en de onderzoeksresultaten geven geen aanleiding tot het uitvoeren van een nader bodemonderzoek en/of sanerende maatregelen. Wel gelden er wettelijke beperkingen bij het verplaatsen en elders toepassen van grond. Derhalve wordt aanbevolen bij grondverzet zoveel mogelijk grond op de locatie te hergebruiken. Indien bij eventuele graafwerkzaamheden op deze locatie grond vrijkomt, die elders zal worden hergebruikt, is het Besluit bodemkwaliteit van toepassing. Conclusie Vanuit het aspect bodem zijn er geen belemmeringen voor het bestemmingsplan.

4.5

Luchtkwaliteit

Toetsingskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in tabel 4.1 weergegeven. Tabel 4.1 Grenswaarden maatgevende stoffen Wm stof toetsing van grenswaarde stikstofdioxide (NO2) jaargemiddelde concentratie 40 µg/m³ fijn stof (PM10) jaargemiddelde concentratie 40 µg/m³ 24-uurgemiddelde concentratie max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg /m³ fijn stof (PM2,5) jaargemiddelde concentratie 25 µg/m³ Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit onder andere uitoefenen indien de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden of de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht.

Besluit niet in betekenende mate In dit Besluit niet in betekenende mate is bepaald in welke gevallen een plan vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden: een plan heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10 (= 1,2 µg/m³); een plan valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg en

29/906

3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen, kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlak van niet meer dan 100.000 m² bij één ontsluitingsweg en 200.000 m² bij twee ontsluitingswegen. Onderzoek Het bestemmingsplan maakt de realisatie van 80 woningen mogelijk. Dit aantal valt ruim onder de grens van 1.500 woningen, die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit. Het plan draagt dan ook niet in betekenende mate bij aan de toename van de hoeveelheid stikstofdioxide en fijn stof in de lucht. Er wordt dan ook voldaan aan de luchtkwaliteitswetgeving en nader onderzoek is niet noodzakelijk. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied gegeven. Dit is gedaan aan de hand van de NSL-monitoringstool 2020 (http://www.nsl-monitoring.nl/viewer/) die bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit hoort. De dichtstbijzijnde maatgevende weg betreft de Stadsrondweg Oost, direct ten oosten van het plangebied. Uit de NSL-monitoringstool blijkt dat in 2020 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijnstof langs deze weg ruimschoots onder de grenswaarden lagen. De concentraties luchtverontreinigende stoffen bedroegen in 2020; 10,3 µg/m³ voor NO2, 13,6 µg/m³ voor PM10 en 6,5 µg/m³ voor PM2,5. Het aantal overschrijdingsdagen van de 24-uur gemiddelde concentratie PM10 bedroeg 6 dagen.

Hierdoor is er ter plaatste van het plangebied sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling in het plangebied. Ter plaatse van het plangebied is er sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

4.6

Ecologie

4.6.1 Toetsingskader Wet natuurbescherming Met de Wet natuurbescherming (Wnb) zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier- en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving. Gebiedsbescherming De Wnb kent diverse soorten natuurgebieden, te weten: Natura 2000-gebieden; Natuurnetwerk Nederland (NNN). Natura 2000-gebieden Een bestemmingsplan dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, kan uitsluitend vastgesteld worden indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan, onderscheidenlijk het project, de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden: alternatieve oplossingen zijn niet voor handen; het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale

30/906

of economische aard; en de nodige compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. De bescherming van deze gebieden heeft externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden aangewezen in de provinciale verordening. Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij' principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden. Soortenbescherming In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen: soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn; soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn; overige soorten. De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, eieren en rustplaatsen van vogels als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Gedeputeerde Staten (hierna: GS) kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen Provinciale Staten (hierna: PS) vrijstelling verlenen van dit verbod.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12790335/1