Bijlage - Ontwerpbestemmingsplan
Tekst van het document
SWF- 8 dorpen oost ontwerp
56
3. Wet basisnet Het basisnet is een landelijk aangewezen netwerk voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Binnen bepaalde grenzen wordt dit vervoer over de weg, binnenwater en spoor gegarandeerd. Het basisnet heeft betrekking op de Rijksinfrastructuur: hoofdwegen (snelwegen), hoofdwaterwegen (binnenwateren) en hoofdspoorwegen (enkele uitzonderingen daargelaten). De wetgeving over het basisnet wordt de Wet basisnet genoemd. 4. Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) Voor ruimtelijke ordening in relatie tot de transportroutes is het Bevt opgesteld. Hierin zijn de regels voor de ruimtelijke ordening rondom het basisnet wettelijk vastgelegd. 5. Activiteitenbesluit milieubeheer (Activiteitenbesluit) Het Activiteitenbesluit en de daarbij behorende regeling is de opvolger van een groot aantal AMvB’s. In het Activiteitenbesluit staan algemene regels voor verschillende milieuaspecten, zoals veiligheidsafstanden waaraan voldaan moet worden. Verantwoordingsplicht In het Bevi, Bevb en Bevt is onder andere een verantwoordingsplicht voor het groepsrisico opgenomen. Deze verantwoording houdt in dat in bepaalde gevallen planologische keuzes moeten worden onderbouwd en verantwoord door het bevoegd gezag. In de volgende paragrafen wordt hierop verder ingegaan. 4.7.2
Risicobronnen
De nu geldende bestemmingsplannen voor de dorpen in het plangebied worden vervangen door dit bestemmingsplan. De contouren van de dorpen zijn de bestaande contouren, die door dit plan niet veranderen. 4.7.2.1
Risiciovolle inrichtingen
In en in de omgeving van het plangebied is geen sprake van risicovolle inrichtingen die mogelijke risico’s kunnen opleveren voor het plangebied. 4.7.2.2 Transportroutes gevaarlijke stoffen In en in de directe omgeving van het plangebied is er geen sprake van risicovolle transportroutes. 4.7.2.3 Gastransportleidingen In en in de directe omgeving van het plangebied is sprake van meerdere gastransportleidingen. Dit zijn leidingen waardoor aardgas onder hoge druk wordt vervoerd. De volgende leidingen liggen in of direct bij het plangebied: Leidingnaam A-546 in leidingenstrook ten zuiden van Tirns en in het noordelijk deel van Scharnegoutum A-652 in leidingenstrook ten zuiden van Tirns en in het noordelijk deel van Scharnegoutum A-545 in leidingenstrook ten zuiden van Tirns en in het noordelijk deel van Scharnegoutum
Werkdruk (bar) 66,2
Diameter (inch) 42
79,9
48
66,2
36
SWF- 8 dorpen oost ontwerp
57
Belemmeringenstrook Voor het onderhoud van een buisleiding geeft het Bevb aan dat in het bestemmingsplan rekening gehouden moet worden met een zogenaamde belemmeringenstrook. De breedte van de belemmeringenstrook is 4 meter bij een leidingdruk tot 40 bar en 5 meter bij een leidingdruk van 40 bar of meer. Deze belemmeringenstrook wordt op de verbeelding van het bestemmingsplan opgenomen als dubbelbestemming “Leiding – Gas”. De belemmeringenstroken rond de andere leidingen liggen niet binnen het plangebied. Plaatsgebonden risicocontouren Rond de verschillende gasleidingen en de leidingenstrook is sprake van een plaatsgebonden risicocontour en een invloedgebied van het groepsrisico. Deze wordt bepaald door de genoemde druk en diameter van de leidingen. Voor de leidingen in het plangebied geldt dat de plaatsgebonden risicocontour binnen de belemmeringenstrook van 4 of 5 meter rondom het hart van een leiding ligt. In dit plan worden binnen deze contouren geen nieuwe (beperkt) kwetsbare objecten mogelijk gemaakt. Dit geeft dan ook geen knelpunt voor het bestemmingsplan. Groepsrisico Bij de beoordeling van het groepsrisico is van belang of het plangebied binnen de 1%letaliteitscontour van de genoemde leidingen ligt.
Wanneer hiervan sprake is, kan op basis van een berekening worden bepaald of: − het groepsrisico lager is dan 10% van de oriëntatiewaarde; − de toename van het groepsrisico ten gevolge van het besluit minder is dan 10% van de oriëntatiewaarde. Wanneer hiervan sprake is, of het plangebied ligt buiten de 100%-letaliteitscontour, dan is een beperkte verantwoording voldoende. Is het groepsrisico hoger, dan is een volledige verantwoording noodzakelijk. De 1%-letaliteitscontour wordt net als het PR bepaald door de druk en de diameter van de betreffende leidingbuis. Voor de leidingen in en in de omgeving van het plangebied gelden daarbij de volgende 1%-letaliteitscontouren (aan weerszijden): Leidingnaam Gasunie A-545 Gasunie A-546 Gasunie A-652
1% letaliteits-zone 430 m 485 m 585 m
Over (beperkt) kwetsbare objecten? Ja, Scharnegoutum en Tirns Ja, Scharnegoutum en Tirns Ja, Scharnegoutum
Ook de 100%-letaliteitscontour wordt bepaald door druk en diameter. Voor de buisleidingen in en rond het plangebied zijn deze contouren (aan weerzijden van de buizen) als volgt: Leidingnaam Gasunie A-546 Gasunie A-652 Gasunie A-545
100%-let.contour 190 m 210 m 180 m
Over (beperkt) kwetsbare objecten? Ja, Scharnegoutum Ja, Scharnegoutum Ja, Scharnegoutum
1%- en 100%-letaliteit Wanneer een plan in het gebied tussen de 100% en 1% letaliteitszone ligt, moet een beperkte verantwoording van het GR plaatsvinden. Bij een beperkte verantwoording worden de volgende elementen betrokken: de personendichtheid van het invloedsgebied, de
SWF- 8 dorpen oost ontwerp
58
hoogte van het GR, de bestrijdbaarheid/beperking van de omvang van een incident en de zelfredzaamheid. Bij een plangebied binnen de 100% letaliteitszone moet een volledige verantwoording van het GR plaatsvinden. Dit houdt in dat, naast bovengenoemde aspecten, ook gekeken wordt naar de maatregelen ter beperking van het GR, andere mogelijkheden voor ruimtelijke ontwikkelingen met een lager GR en de mogelijkheden en de voorgenomen maatregelen tot beperking van het GR in de nabije toekomst. Verantwoording groepsrisico Tirns en Scharnegoutum liggen beide binnen het invloedsgebied van de aardgasbuisleidingen. Hiervoor zijn berekeningen uitgevoerd om de risico’s voor het bestemmingsplangebied te bepalen. Hieronder volgen de conclusies. In bijlage 4 is de berekening terug te vinden. Tirns Uit de berekeningen blijkt dat als gevolg van de afstand van het bestemmingplangebied in combinatie met de lage populatie, er een groepsrisico onder 10% van de oriëntatiewaarde wordt berekend. Daarnaast gaat het hier om een conserverend bestemmingsplan waar geen ruimtelijke ontwikkelingen zijn voorzien, anders dan die al zijn vastgelegd in het huidige bestemmingsplan. Externe veiligheid vormt derhalve geen belemmeringen voor de vaststelling van het bestemmingsplan.
Scharnegoutum Uit de berekeningen blijkt dat als gevolg van de afstand van het bestemmingplangebied in combinatie met de lage populatie, er nihil groepsrisico wordt berekend. Externe veiligheid vormt derhalve geen belemmeringen voor de vaststelling van het bestemmingsplan. Algemene aandachtspunten Met betrekking tot het groepsrisico is van belang dat geen nieuwe kwetsbare objecten (woningen) toegevoegd mogen worden binnen de 100%-letaliteitszone. Nieuwe woonfuncties mogen alleen binnen de 1%-letaliteitszone worden toegestaan, mits de bereikbaarheid van hulpdiensten en voldoende vluchtmogelijkheden (vanaf de risicobron) goed geregeld worden. Dit bestemmingsplan maakt geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk, dus ook geen kwetsbare objecten binnen de 1%- en 100%-letaliteitszone. Voor de bestaande woningen die wel binnen de 100%-letaliteitszone staan zijn voldoende vluchtmogelijkheden aanwezig. Speciale aandacht is daarbij nodig voor de zelfredzaamheid van de bewoners van die woningen. Binnen dit plangebied is geen sprake van bebouwing specifiek voor minder-zelfredzame personen binnen de 100%-letaliteitszone. Bovendien zijn er, bij een incident met de leiding(en), voldoende vluchtmogelijkheden vanuit dit gebied.
4.8
Geluid
De Wet geluidhinder (Wgh) heeft als belangrijkste doel het bestrijden en voorkomen van geluidhinder. Op grond van de Wgh zijn verschillende soorten geluidhinder te onderscheiden die directe raakvlakken hebben met de ruimtelijke ordening. Op grond van de Wgh geldt rond wegen met een maximumsnelheid hoger dan 30 km/uur, spoorwegen en inrichtingen die “in belangrijke mate geluidhinder veroorzaken”, een geluidzone. Bij ontwikkeling van nieuwe geluidsgevoelige objecten binnen dergelijke geluidzones moet
SWF- 8 dorpen oost ontwerp
59
akoestisch onderzoek worden uitgevoerd om aan te tonen dat de ontwikkeling voldoet aan de voorkeursgrenswaarden die in de wet zijn vastgelegd. Indien niet aan de voorkeursgrenswaarde kan worden voldaan, kan het bevoegd gezag - in de meeste gevallen de gemeente - hogere grenswaarden vaststellen. Hiervoor geldt een bepaald maximum, de uiterste grenswaarde genoemd. Bij de vaststelling van hogere grenswaarden moet worden afgewogen of bronmaatregelen of maatregelen in de overdrachtssfeer kunnen worden getroffen. Voor dit bestemmingsplan zijn wegverkeerslawaai, spoorweglawaai en industrielawaai van belang. Op wet- en regelgeving en het onderzoek voor het plangebied is voor deze verschillende geluidsaspecten in navolgende nader ingegaan. Wegverkeerslawaai In de Wet geluidhinder (Wgh) is bepaald dat elke (spoor)weg in principe een zone heeft waar aandacht aan geluidhinder moet worden besteed. De Wgh maakt onderscheid tussen geluidsgevoelige gebouwen/functies en niet-geluidsgevoelige gebouwen. (Bedrijfs)woningen zijn geluidsgevoelige gebouwen. Als geluidsgevoelige gebouwen binnen een zone bij een behorend bij een zoneplichtige (spoor)weg worden geprojecteerd bij een bestemmingsplanprocedure, moet met een akoestisch onderzoek worden aangetoond dat voldaan wordt aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB (voor wegen) of 55 dB (voor spoorwegen).
Wegen waar deze zone in principe niet geldt, zijn: −
Wegen die gelegen zijn binnen een als woonerf aangeduid gebied;
−
Wegen waarvoor een maximumsnelheid geldt van 30 km/uur.
In en direct rond het plangebied zijn wegen aanwezig die een wettelijke geluidzone hebben. Voor de meeste wegen in de kernen geldt echter een 30km-zone, die dus geen zone hebben. Voor de overige wegen geldt dat sprake is en blijft van een feitelijk bestaande situatie die opnieuw vastgelegd wordt in dit bestemmingsplan. Nieuwe ontwikkelingen worden bovendien niet voorzien. De akoestische situatie verandert dus niet en een akoestisch onderzoek is daarom niet nodig. Industrielawaai Bij de bedrijven en bedrijventerreinen binnen het plangebied is geen sprake van een geluidzone als bedoeld in de Wgh. De dorpen liggen bovendien niet binnen een geluidzone van een gezoneerd terrein. Het aspect industrielawaai heeft dan ook geen invloed op dit bestemmingsplan. Spoorweglawaai In het Besluit Geluidhinder van 1 juli 2012 is het wettelijk kader van geluidhinder vanwege spoorwegen opgenomen. Op grond van artikel 1.4a is de zonebreedte van de trajecten in Nederland vastgesteld. Deze zonebreedte is afhankelijk van het vastgestelde geluidproductieplafond (hierna GPP). GPP’s zijn berekende waarden op referentiepunten en stellen een heldere grens over de toelaatbare hoeveelheid geluid en voorkomen een onbelemmerde groei van het geluid door toenemend verkeer. Referentiepunten liggen om de 100 m langs het spoor, op 4 m boven lokaal maaiveld en op een vaste afstand van 50 m aan weerszijden.
Voor spoorweglawaai wordt een waarde van 55 dB voor geluidsgevoelige bebouwing als hoogst toelaatbare geluidsbelasting van de gevel gehanteerd. De spoorlijn van Leeuwarden naar Sneek loopt ter hoogte van Scharnegoutum door een gedeelte van het plangebied. Dit gedeelte is, op basis van de referentiepunten van het spoor ter hoogte van het plangebied, gelegen in de geluidzone van de spoorlijn Sneek‐ Leeuwarden (zonebreedte 100 m). Binnen deze zone worden geen nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen toegestaan.
SWF- 8 dorpen oost ontwerp
60
Bij de vaststelling van dit bestemmingsplan worden geen nieuwe geluidsgevoelige gebouwen/functies mogelijk gemaakt. Dit betekent dat het aspect geluid geen belemmering is voor dit bestemmingsplan.
4.9
Kabels en leidingen
Zoals in paragraaf 4.7 (Externe veiligheid) aangegeven zijn in het plangebied hoofdgastransportleidingen aanwezig waarmee in dit bestemmingsplan rekening wordt gehouden. De manier waarop is in diezelfde paragraaf beschreven. Daarnaast is mogelijk sprake van rioolpers- en hoofdwaterleidingen in het plangebied. Wanneer van toepassing staat hierover het nodige beschreven in paragraaf 4.13. Tot slot kan sprake zijn van hoogspanningsverbindingen (onder- en bovengronds). Hiervan is echter in het plangebied van dit bestemmingsplan geen sprake.
4.10
Lichthinder
In de provincie Fryslân is meer dan de helft van het grondgebied (56%) donker of erg donker. Op 87% van het grondgebied is de Melkweg nog te zien. De provincie Fryslân is één van de donkerste provincies. 15% van Fryslân is donkerder dan ieder ander gebied in Nederland, waar tot nu toe de hemelhelderheid gemeten is. Op het aspect lichthinder is geen wettelijk toetsingskader van toepassing. Ook is hiervoor geen gemeentelijk beleid. Uit het oogpunt van de bescherming van ecologische- en landschapswaarden is het wel wenselijk om lichthinder zoveel mogelijk te voorkomen of in ieder geval zo veel mogelijk te beperken. Dit geldt vooral voor gebieden waar het nog relatief donker wordt. Het gaat dan vooral om het buitengebied. De gemeente SúdwestFryslân wil dan ook graag dat initiatiefnemers van ontwikkelingen aandacht besteden aan het aspect lichthinder, zodat dit tot een minimum beperkt kan worden. In het plangebied vinden geen nieuwe ontwikkelingen plaats. Een toename van lichthinder is dan ook niet aan de orde. Hierdoor is in het plan verder geen aandacht besteed aan het aspect lichthinder.
SWF- 8 dorpen oost ontwerp
61
Figuur 11
4.11
Fragment hemelhelderheidskaart (Bron: Provinsje Fryslân, 2014)
Luchtkwaliteit
Nederland heeft de Europese regels ten aanzien van luchtkwaliteit geïmplementeerd in de Wet milieubeheer. De wet is bedoeld om de negatieve effecten op de volksgezondheid aan te pakken door te hoge niveaus van luchtverontreiniging. De wet heeft ook tot doel mogelijkheden te creëren voor ruimtelijke ontwikkeling, ondanks overschrijdingen van de Europese grenswaarden voor luchtkwaliteit. De Wet milieubeheer voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Luchtkwaliteitseisen vormen onder de Wet milieubeheer geen belemmering voor ruimtelijke ontwikkelingen als: a. Er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; b. Een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt; c. Een project ’niet in betekenende mate’ bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Dit bestemmingsplan geeft alleen een nieuwe juridische regeling aan de huidige situatie. Nieuwe ontwikkelingen die bijdragen aan een verslechtering van de luchtkwaliteit worden niet mogelijk gemaakt. Bovendien zijn binnen de gemeente Súdwest-Fryslân geen knelpunten bekend voor de luchtkwaliteit.
4.12
Verkeer
De verkeersstructuur in en om het plangebied blijft gelijk, omdat het hier gaat om een conserverend bestemmingsplan. De bestaande verkeershoofdstructuur is omschreven in paragraaf 2.2. De beleidsuitgangspunten voor verkeer en parkeren staan in paragraaf 3.3.9.
SWF- 8 dorpen oost ontwerp
62
4.13
Water
Wet- en regelgeving Waterwet Binnen de Waterwet is het beheer van oppervlaktewater en grondwater geregeld en de wet verbetert de samenhang tussen ruimtelijke ordening en waterbeleid. Een watervergunning voor het uitvoeren van werkzaamheden aan een waterstaatswerk zal moeten worden aangevraagd bij de waterbeheerder, Wetterskip Fryslân. Een waterstaatswerk is een oppervlaktewaterlichaam, bergingsgebied, waterkering of ondersteunend kunstwerk. Legger Wetterskip Fryslân Het onderhoud en beheer van waterstaatswerken wordt uitgevoerd door de waterbeheerder; het Wetterskip Fryslân. Het Wetterskip heeft voor het beheer en onderhoud van de waterstaatswerken een Legger opgesteld. In de Legger worden de minimaal benodigde afmetingen van keringen beschreven om aan de veiligheidsnormen te voldoen. In de Legger wordt voor de wateren binnen het Wetterskip haar beheersgebied, de minimale eisen beschreven om een goede aan- en afvoer van water te realiseren. Naast het stellen van eisen aan de waterstaatswerken, vervult de Legger een functie in de handhaving van verbodsbepalingen die staan beschreven in de Keur. Dit betekent dat het zonder toestemming van het waterschap verboden is om gebruik te maken van een waterstaatswerk, inclusief beschermingszones.
Wet ruimtelijke ordening en de Watertoets Op basis van het Bro, moet een paragraaf worden opgenomen waarin wordt beschreven hoe er rekening is gehouden met de waterhuishouding binnen het bestemmingsplan. Voor de schriftelijke onderbouwing van de waterhuishouding binnen het bestemmingsplan, is gebruik gemaakt van de wettelijk verplichte ‘Watertoets’. In de Watertoets wordt door het Wetterskip advies gegeven hoe om te gaan met de waterhuishouding, zodat deze wordt gewaarborgd. Bij ruimtelijke ontwikkelingen is het van belang dat het Wetterskip vroegtijdig betrokken wordt. Watertoets Voor de herziening van het bestemmingsplan is op 3 februari 2020 een watertoets aangevraagd. Het Wetterskip heeft op 26 februari 2020 aangegeven dat voor dit plan een korte procedure van toepassing is. De watertoets is opgenomen in bijlage 5. Het Wetterskip gaat in de reactie verder in op de trits Veilig, Voldoende, Schoon. Voor het bestemmingsplan is daarbij het volgende van belang: Regionale waterkering De regionale waterkering beschermt het achterliggende gebied tegen hoge waterstanden in de Friese boezem. Regionale keringen hebben een kerende werking en hiervoor een bepaalde hoogte. Deze kerende werking mag niet worden aangetast en hierop moet worden gehandhaafd. De regionale keringen worden beschermd door een beschermingszone van 5 meter breed aan beide zijden.
De beschermingszone is nodig voor het beheer en onderhoud aan de waterkering. Aan de waterkering zelf of binnen de beschermingszone mogen geen werkzaamheden worden uitgevoerd. Voor werkzaamheden aan de waterkering of in de beschermingszone moet eerste een watervergunning worden aangevraagd. Hiervoor wordt in dit bestemmingsplan een passende regeling opgenomen. Dit heeft geen invloed op de bestaande bebouwing binnen de zone.
SWF- 8 dorpen oost ontwerp
63
Hoofdwatergang Bij Scharnegoutum ligt het plangebied deels binnen de beschermingszone van een hoofdwater (De Swette). Deze heeft een belangrijke aan-, af- en doorvoer functie. Voor het onderhoud van deze watergangen is aan beide zijden een beschermingszone van 5 meter vanaf de oever noodzakelijk. De hoofdwatergangen moeten in de bestemmingen mogelijk zijn gemaakt. In dit bestemmingsplan hebben de hoofdwatergangen dan ook de bestemming ‘Water’. Voor de beschermingszone wordt geen specifieke regeling opgenomen. In de bestaande situatie zijn de watergangen al goed bereikbaar. Rioolwaterpersleiding In Gauw is sprake van een rioolwaterpersleiding. In een zone van 6 meter, 3 meter vanaf het hart van de leiding, heeft het waterschap een beperkt recht van opstal. Hier gelden beperkingen voor het grondgebruik in relatie tot de bereikbaarheid van de leiding voor onderhoud en in geval van calamiteiten. Deze zone heeft in dit bestemmingsplan de bestemming ‘Leiding – Riool’, waaraan een regeling is gekoppeld die bouwwerken en diepwortelende beplanting in de strook voorkomt. Op die manier is de bereikbaarheid van de onderliggende leiding gegarandeerd. Toename verharding Het is verboden zonder watervergunning neerslag versneld tot afvoer te laten komen indien daarbij meer dan 200 m2 onverharde grond in stedelijk gebied en 1500 m2 in landelijk gebied wordt bebouwd of verhard.
Er geldt een vrijstelling van de vergunningsplicht wanneer wordt voldaan aan de compensatieregels genoemd in dit wateradvies. De meest voorkomende manier van compenseren is het graven van extra oppervlaktewater. Bij het graven van extra oppervlaktewater is onderstaande tabel van toepassing. Uiteraard is het toepassen van alternatieve maatregelen in het plan ook mogelijk. Afhankelijk van de maatregel kunnen andere normen gelden dan vermeld in het onderstaande tabel. Zie de ‘Leidraad watertoets’ voor meer informatie over compenserende maatregelen of neem contact op met Cluster Plannen van Wetterskip Fryslân. Indien er niet wordt gecompenseerd door extra oppervlaktewater te graven waarbij onderstaande percentages worden gehanteerd of indien er geen overeenstemming plaatsvindt in de watertoetsprocedure over alternatieve maatregelen, dan dient een watervergunning bij het waterschap te worden gevraagd. Gebied
Stedelijk (>200 m²)
Landelijk (>1.500 m²)
Boezem
5%
5%
Polder
10%
10%
Vrij afstromend
Maatwerk mogelijk
Maatwerk mogelijk
Toelichting tabel • 5% heeft alleen betrekking op de Friese boezem; • de algemene regels keur zijn in de onderstaande tabel verwerkt; • maatwerk kan bestaan uit bijvoorbeeld infiltratie of berging van het overtollig hemelwater. Compensatie is ook nodig voor het toevoegen van oppervlakteverharding die wel past binnen het bestemmingsplan, maar waarvan de grond al meer dan vijf jaar braak ligt en waar in het verleden niet voor is gecompenseerd.
SWF- 8 dorpen oost ontwerp
64
Nieuwe ontwikkelingen Wanneer sprake is van nieuwe ontwikkelingen in het plangebied, dan wordt hiervoor een nieuw wateradvies aangevraagd.
SWF- 8 dorpen oost ontwerp
65
HOOFDSTUK 5 Juridische toelichting 5.1
Inleiding
Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding (plankaart), planregels en deze plantoelichting. De verbeelding en planregels vormen tezamen het juridische deel van het bestemmingsplan. Deze vormen het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van gronden en bebouwing. In de regels worden de mogelijkheden in artikelen vastgelegd. Op de verbeelding worden de bestemmingen, bouw- en gebruiksmogelijkheden per locatie aangeduid. Het bestemmingsplan is opgesteld in aansluiting op de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012. In dit hoofdstuk wordt de juridische systematiek van het bestemmingsplan toegelicht. Ook wordt een beschrijving per bestemming en een toelichting op de algemene bepalingen en de overgangs- en slotbepalingen gegeven.
5.2
Planregels
In deze paragraaf wordt de algemeen gehanteerde indeling van de bestemmingsregels aan de orde gesteld. Deze ziet er als volgt uit: Hoofdstuk 1: Inleidende regels −
Begrippen
−
Wijze van meten
Hoofdstuk 2: Bestemmingsregels −
Bestemmingen
−
Voorlopige bestemmingen
−
Uit te werken bestemmingen
−
Dubbelbestemmingen
Hoofdstuk 3: Algemene regels −
Antidubbeltelregel
−
Algemene bouwregels
−
Algemene gebruiksregels
−
Algemene aanduidingsregels
−
Algemene afwijkingsregels
−
Algemene wijzigingsregels
−
Verwerkelijking in de naaste toekomst
−
Algemene procedureregels
−
Overige regels
Hoofdstuk 4: Overgangs- en slotregels −
Overgangsrecht
−
Slotregel
SWF- 8 dorpen oost ontwerp
66
5.2.1
Inleidende regels
Dit onderdeel bestaat uit de begrippenlijst en de wijze van meten. In de begripsomschrijving wordt aangegeven wat in de regels onder bepaalde begrippen moet worden verstaan. De gemeente Súdwest-Fryslân heeft een standaardbegrippenlijst waarvan alleen in uitzonderingsgevallen mag worden afgeweken. In het bestemmingsplan worden alleen de begrippen opgenomen die van toepassing zijn op het plan. Ook de wijze van meten wordt in het bestemmingsplan beschreven. Dit geeft aanwijzingen over de manier van meten die gehanteerd wordt bij specifieke onderwerpen. 5.2.2
Bestemmingsregels
Een bestemming is een omschrijving van aan de grond toegekende functies, zoals wonen, bedrijven, groenvoorzieningen, etc. In de bestemmingsregel wordt aangegeven waarvoor en – wanneer nodig - hoe de betreffende gronden mogen worden gebruikt en bebouwd. Voor de bevordering van de leesbaarheid en de raadpleegbaarheid moet een vaste volgorde worden gehanteerd. Voor zover het voor het betrokken bestemmingsplan van toepassing is, geldt dit voor alle soorten bestemmingen, zoals bestemmingen, dubbelbestemmingen, uit te werken bestemmingen en voorlopige bestemmingen. In de bestemmingsplannen van de gemeente Súdwest-Fryslân zijn verschillende bestemmingen te onderscheiden. Aan deze bestemmingen zijn bepaalde regelingen zoals de bestemmingsomschrijving, bouwregels, gebruik, etc. gekoppeld. De volgende indelingen worden bij de gemeente Súdwest-Fryslân gebruikt voor het opstellen van bestemmingsregels. Artikel (nummer) Bestemmingsnaam Bestemmingsomschrijving In de bestemmingsomschrijving wordt een nadere omschrijving gegeven van de aan de gronden toegekende functie(s). De bestemmingsomschrijving is voornamelijk functioneel, maar bevat ook enkele inrichtingsaspecten. Bouwregels In de bouwregels worden de bebouwingsbepalingen voor alle bouwwerken geregeld. Het gaat daarbij onder meer om oppervlakten, hoogten en afstanden ten opzichte van naburige functie(s).
Nadere eisen Wanneer nodig worden nadere eisen gesteld voor bepaalde kwalitatief omschreven criteria, zoals woonsituatie, straat- en bebouwingsbeeld en verkeersveiligheid. De nadere eisen regeling biedt de mogelijkheid om sturend op te treden, wanneer dit nodig is in concrete situaties in het kader van het verlenen van een omgevingsvergunning. De nadere eisen worden meestal gesteld aan de plaats en de afmeting van bebouwing. Om deze reden en omdat het gaat om een aanvulling op een basiseis, volgt dit onderdeel op de bouwregels. Specifieke gebruiksregels
SWF- 8 dorpen oost ontwerp
67
In dit onderdeel wordt aangegeven welke vormen van gebruik in ieder geval strijdig zijn met de bestemming. Niet alle mogelijke strijdige gebruiksvormen worden genoemd, maar vooral die, waarvan het niet meteen duidelijk is of deze in strijd is met de bestemming. Te denken valt aan het verbod op het bewonen van vrijstaande bijgebouwen. Afwijken van de gebruiksregels Hier is aangegeven of en in hoeverre kan worden afgeweken van de gebruiksregels. De voorwaarden hieraan zijn zo veel mogelijk objectief begrensd. Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde of van werkzaamheden Voor het uitvoeren van bepaalde werkzaamheden, zoals graven of planten, vereist de gemeente dat een vergunning wordt verleend, voordat hiermee wordt gestart. Ook kunnen bepaalde werken/werkzaamheden worden verboden. Dit is bedoeld om aanwezige waarden (cultuurhistorie, landschap etc.) te beschermen. In dit onderdeel staat wanneer een vergunning nodig is en welke voorwaarden hieraan zijn gesteld. Omgevingsvergunning voor slopen Volgens artikel 3.3 Wro kan in het bestemmingsplan worden bepaald, dat het verboden is om binnen een bij dat plan aangegeven gebied zonder of in afwijking van een vergunning van burgemeester en wethouders bouwwerken te slopen. In dit onderdeel staat wanneer een vergunning nodig is en welke voorwaarden hieraan kunnen worden gesteld.
Het gaat meestal over gebouwen die niet zijn aangewezen als rijks-, provinciale of gemeentelijke monumenten. Op de verbeelding worden deze panden voorzien van een aanduiding. Wijzigingsbevoegdheid Gaat een wijzigingsbevoegdheid over het veranderen van een functie? Dan wordt opgenomen naar welke bestemming de wijziging kan plaatsvinden. Het is niet noodzakelijk om in de wijziging aan te geven welke regels van toepassing zijn. De regels zijn automatisch gekoppeld aan de bestemming waarin wordt gewijzigd, behalve in het geval van wijziging in een bestemming die nog niet in het plan zit of als een wijziging in meerdere bestemmingen mogelijk is. In het eerste geval kunnen de randvoorwaarden in de wijzigingsbevoegdheid zelf worden opgesomd. Hieraan moet bij wijziging worden voldaan. De wijziging die over meerdere bestemmingen plaatsvindt is vaak aangeduid op de verbeelding en geregeld in de algemene wijzigingsregels. 5.2.3
Algemene regels
Hierin staan de regelingen over de afstemming met andere regelgeving (waaronder een anti-dubbeltelbepaling) en de algemene procedurebepalingen, afwijkingsregels en/of wijzigingsbevoegdheden. De stedenbouwkundige bepalingen (bijvoorbeeld parkeerbepaling) die vroeger waren opgenomen in de Bouwverordening worden in dit hoofdstuk als algemene bouwregels opgenomen. De algemene regels gelden voor alle bestemmingen, tenzij ze gekoppeld zijn aan een specifieke aanduiding, bijvoorbeeld bij een geluidzone rond een industrieterrein. 5.2.4
Overgangs- en slotregel
Voor de overgangsregels wordt verwezen naar het Besluit ruimtelijke ordening. Hierbij wordt per 1 oktober 2010 de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. De formulering
SWF- 8 dorpen oost ontwerp
68
van de overgangs- en slotregels is vastgelegd in de landelijke Standaard voor Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP).
5.3
Procedure
In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) staan de regels voor de bestemmingsplanprocedure. De procedure bestaat uit de volgende onderdelen: Voorbereiding −
− −
−
−
De gemeente bekijkt de bestaande situatie en de mogelijke (ruimtelijke) ontwikkelingen in het gebied waarvoor het bestemmingsplan geldt. Er wordt een nieuw voorontwerpbestemmingsplan gemaakt. Het voorontwerp wordt toegestuurd aan diverse besturen en diensten, zoals het Rijk, de Provincie en het Waterschap. Zij kunnen hun reactie geven op het bestemmingsplan. Het bestemmingsplan wordt eventueel ook voor inspraak ter inzage gelegd. Iedereen kan dan binnen zes weken een reactie geven. Burgemeester en wethouders (B&W)geven een reactie op de overleg- en inspraakreacties.
Ontwerp − −
−
B&W verwerken de overleg- en inspraakreacties in een ontwerpbestemmingsplan. Het ontwerpbestemmingsplan wordt zes weken ter inzage gelegd. Iedereen kan dan een zienswijze indienen. B&W geven een reactie op de ingediende zienswijzen in een zienswijzennota.
Vaststelling De gemeenteraad stelt de zienswijzennota en het ontwerpbestemmingsplan, met of zonder wijzigingen, vast. Dit moet binnen een periode van ten hoogste 12 weken na de termijn van inzage van het ontwerp gebeuren. Beroep −
−
−
−
Na de vaststelling van het bestemmingsplan maakt de gemeenteraad het vaststellingsbesluit bekend en legt het vastgestelde bestemmingsplan zes weken ter inzage. Als de Provincie of het Rijk een zienswijze heeft ingediend die door de gemeenteraad niet volledig is overgenomen, of als de gemeenteraad het bestemmingsplan gewijzigd heeft vastgesteld, moet de bekendmaking en terinzagelegging binnen zes weken na vaststelling gebeuren. Uiterlijk zes weken na bekendmaking van het vaststellingsbesluit kan beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRvS). Wanneer het bestemmingsplan ongewijzigd is vastgesteld en gehoor is gegeven aan zienswijzen van de Provincie en/of het Rijk, wordt het vaststellingsbesluit door de gemeenteraad bekendgemaakt en het bestemmingsplan ter inzage gelegd. Dit moet binnen twee weken gebeuren.
Terinzagelegging
SWF- 8 dorpen oost ontwerp
69
Bij de onderdelen Ontwerp en Beroep moet het plan ter inzage worden gelegd. Voor een voorontwerpbestemmingsplan is dit niet verplicht en kan het dus voorkomen dat deze niet ter inzage wordt gelegd. Voor de bekendmaking van een plan plaatsen B&W een publicatie. Dit gebeurt in het Gemeenteblad en/of de Staatscourant. Hierin staat onder andere vermeld óf en binnen welke periode er gereageerd kan worden en waar deze reactie naartoe gestuurd moet worden. De publicaties staan op de website www.officielebekendmakingen.nl. Op de gemeentelijke website www.gemeentesudwestfryslan.nl staat ook een link naar deze website.
5.4
Toelichting op de bestemmingen
In deze paragraaf wordt een toelichting op de juridische regels van het plan gegeven. Voor de verschillende bestemmingen wordt aangegeven welke doeleinden worden nagestreefd. Ook is aangegeven op welke gronden de verschillende bestemmingen van toepassing zijn. Naast de directe bestemmingen gelden er ook een aantal gebieds- en functieaanduidingen. 5.4.1
Agrarisch
De bestemming 'Agrarisch' is gelegd op agrarische percelen en agrarische bedrijven in het plangebied die nog als zodanig in functie zijn. Dit betekent dan ook dat deze gronden mogen worden gebruikt voor grasland, akkerbouw, tuinbouwgrond en daarbij behorende grondgebonden agrarische bedrijven. Voor de grondgebonden agrarische bedrijven (voor een goede definitie daarvan: zie de begripsbepaling bij de regels) vormt het voortbrengend vermogen van de bij het bedrijf behorende landbouwgronden de basis van het bedrijf. Het kan gaan om akker- of tuinbouwbedrijven of om zogenaamde graasdierbedrijven. Er is bij graasdierbedrijven sprake van grondgebondenheid wanneer het voor het vee benodigde ruwvoer grotendeels afkomstig is van de bij het bedrijf behorende gronden. De (bedrijfs)gebouwen en overkappingen dienen binnen een bouwvlak worden gebouwd. Er is afwijkingsbevoegdheid opgenomen die het mogelijk maakt buiten het bouwvlak te bouwen. Deze afwijkingsregeling maakt een uitbreiding van niet meer dan 20% van de oppervlakte van het bouwvlak per bouwperceel mogelijk tot een maximale omvang van 2 ha. De uitbreiding dient wel via de Nije Pleats methode landschappelijk worden ingepast. Daarnaast dienen, bij een uitbreiding, onredelijke beperkingen van de gebruiksmogelijkheden van gronden in de omgeving van een plangebied te worden voorkomen.
Een uitbreiding van een hinderveroorzakende functie mag niet leiden tot onevenredige nadelige gevolgen voor gevoelige functies in de directe omgeving van een plan. Ook mag een uitbreiding niet tot gevolg hebben dat de verkeersveiligheid verslechterd. Aanverwante functies zijn vaak bij recht toegestaan. Wanneer sprake is van een afwijkende functie, dan is hiervoor een aanduiding opgenomen, zodat deze wel mogelijk worden gemaakt. Agrarische bebouwing is alleen toegestaan wanneer een bouwvlak aanwezig is. Gebouwen en bedrijfswoningen moeten dan ook binnen dat bouwvlak worden gebouwd. In de regels is een omgevingsvergunningenstelsel voor werken en werkzaamheden opgenomen. Dit maakt bepaalde werken en werkzaamheden wel mogelijk, maar alleen na verlening van een vergunning en daarmee een toetsing. 5.4.2
Bedrijf
De bestemming 'Bedrijf' is gelegd op aanwezige individuele bedrijven en kleinere bedrijfsterreinen in het plangebied. Binnen de bestemming 'Bedrijf' mogen bij recht bedrijven in de milieucategorieën 1 en 2 worden gevestigd. Daar waar op de verbeelding de aanduiding
SWF- 8 dorpen oost ontwerp
70
‘bedrijf tot en met categorie x’ of 'specifieke vorm van bedrijventerrein -afwijkende milieucategorie' mogen bedrijven in zwaardere milieucategorieën aanwezig zijn. Deze bedrijven zijn in de huidige situatie als zodanig aanwezig en hebben het planologische recht voor een zwaardere categorie. Aanverwante functies en voorzieningen zijn ook mogelijk, bijvoorbeeld productiegebonden detailhandel. Bedrijfsgebouwen en bedrijfswoningen moeten in het aangegeven bouwvlak worden gebouwd. Bestaande bedrijfswoningen zijn op de verbeelding aangeduid. Op die manier kan de milieusituatie rondom de woningen gehandhaafd blijven en worden (omliggende) bedrijven niet in hun bedrijfsvoering beperkt. 5.4.3
Bedrijf - Nutsvoorziening
De bestemming 'Bedrijf - Nutsvoorziening' is gelegd op de aanwezige gebouwen voor nutsvoorzieningen in het plangebied. Deze bestemming is specifiek bedoeld voor nutsvoorzieningen die gelet op de omvang niet zonder omgevingsvergunning mogen worden gebouwd. De gebouwen moeten binnen het aangegeven bebouwingsvlak worden gebouwd. De afmetingen van de nutsvoorzieningen zijn afgestemd op de bestaande situatie. 5.4.4
Gemengd
In veel dorpen heeft de centrale straat of het centrale gebied een menging aan functies. Daarbij gaat het om woningen, horeca, detailhandel, bedrijfjes, dienstverlening, etc. Deze gebieden hebben in dit bestemmingsplan dan ook de bestemming ‘Gemengd’. Deze bestemming staat meerdere functies toe. Deze functies hebben over het algemeen een lage milieubelasting ten opzichte van elkaar. Wanneer de milieubelasting van een bestaande functie in een gemengd gebied groter is, maar deze functie daar wel wenselijk is, dan is die aangeduid. Denk daarbij aan een supermarkt (grotere parkeerbelasting). De bestemming gemengd komt voor in de Scharnegoutum en Gauw. En komt overeen met de in het vorige bestemmingsplan opgenomen bestemming gemengd. 5.4.5
Groen
Groenstroken die structureel van belang zijn in het kader van het ruimtelijk en/of cultuurhistorische beeld hebben de bestemming 'Groen'. Hierin zijn dan ook groenstroken, plantsoenen en parken al dan niet met daarin aanwezig water mogelijk gemaakt. Naast deze functies is in een enkel geval een andere functie toegestaan, hiervoor is dan een aanduiding opgenomen. Het doel is de bestaande groenstructuur zo veel mogelijk te handhaven, bebouwing is dan ook maar beperkt toegestaan. Gebouwen zijn niet mogelijk, alleen bouwwerken geen gebouwen zijnde en deze dan ook maximaal 3,00 m hoog. 5.4.6
Horeca
De bestemming 'Horeca' is gelegd op de horecavoorziening in Dearsum. Binnen de bestemming 'Horeca' mogen alleen horecabedrijven in de horecacategorieën 1 en 2 worden gevestigd, dit zijn gelegenheden als een broodjeszaak (cat. 1) en een café-restaurant (cat. 2). Het pand kan ook als woning worden gebruikt. De gebouwen moeten in het aangegeven bebouwingsvlak worden gebouwd. De toegestane afmetingen van de bebouwing is per pand heel verschillend en deze is dan ook op de verbeelding aangeduid. De afmetingen zijn gebaseerd op de bestaande (planologische) situatie. 5.4.7 Kantoor
SWF- 8 dorpen oost ontwerp
71
Gebouwen met een nadrukkelijke kantoorfunctie (met en zonder balie) hebben de bestemming ‘Kantoor’. Deze bestemming komt in dit plangebied alleen voor in Raerd. De gebouwen moeten in het aangegeven bouwvlak worden gebouwd. De maatvoering is afgestemd op de bestaande situatie. 5.4.8
Maatschappelijk
De bestemming 'Maatschappelijk' is gelegd op de aanwezige maatschappelijke voorzieningen in het plangebied. Dit zijn bijvoorbeeld kerken en scholen. Aanvullend daarop is een begraafplaats toegestaan ter plaatse van een aanduiding 'begraafplaats'. De gebouwen moeten in het aangegeven bouwvlak worden gebouwd. De afmetingen die daarbij toegestaan zijn, zijn opgenomen op de verbeelding. De bestaande (planologische) situatie is hiervoor de basis. 5.4.9
Natuur
Op de natuurgebieden in het plangebied is de bestemming ‘Natuur’ opgenomen. Het gaat daarbij om beheergebieden buiten de NNN en zijn gelegen ten westen en ten noorden van Scharnegoutum. De bestemming is gericht op het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de cultuurhistorische, natuurlijke en landschappelijke waarden. In de bestemming zijn alleen bouwwerken toegestaan die bijdragen aan het doel van de bestemming. Hiervoor is een algemene regeling in de regels opgenomen. In de bestemming is een omgevingsvergunningstelsel opgenomen voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden. Bij een aanvraag voor de in de regels opgenomen activiteiten wordt getoetst of deze toelaatbaar zijn binnen de cultuurhistorische, natuurlijke en landschappelijke waarden. Hiermee wordt ingezet op een bescherming van deze waarden. 5.4.10 Natuur – waterrecreatief medegebruik Aan de westzijde van Scharnegoutum nabij de Swette is een natuurgebied die naast de bescherming van natuurwaarden ook bestemd is voor waterrecreatief medegebruik. Dit gebied heeft ook als doel om (watergebonden) recreatief gebruik van de gronden mogelijk te maken. 5.4.11
Recreatie
In en bij de dorpen in het plangebied zijn verschillende recreatieve en toeristische voorzieningen aanwezig. In het bestemmingsplan hebben deze, afhankelijk van de recreatieve functie en het doel, een recreatiebestemming gekregen. In het onderstaande schema is het onderscheid tussen de verschillende bestemmingen aangegeven: Bestemming
Functie / Doel
Recreatie
Recreatiewoningen aan de Marsherne 8 in Poppenwier
Recreatie - jachthaven
De jachthaven in Raerd (in eigen beheer van het dorpsbelang).
Recreatie – volkstuinen
Bestaande volkstuinen in Poppenwier
SWF- 8 dorpen oost ontwerp
72
Gebouwen zijn alleen toegestaan wanneer een bouwvlak op de verbeelding is opgenomen. De maatvoering is op de verbeelding aangegeven en gebaseerd op de bestaande (planologische) situatie. 5.4.12
Sport
In de verschillende kernen in het plangebied zijn sportvoorzieningen aanwezig die de bestemming 'Sport' hebben in dit bestemmingsplan. Het gaat daarbij om sportvelden met daarbij horende bebouwing, maar ook om sporthallen. Binnen de bestemming mogen de gebouwen verder alleen in een daarvoor bestemd bouwvlak worden gebouwd. De afmetingen zijn op de verbeelding aangeduid, omdat deze per gebouw verschillen. De specifiek bij sport horende bouwwerken als een ballenvanger zijn bij recht toegestaan en niet gekoppeld aan een bouwvlak of aanduiding. Dit maakt de exacte inrichting van de sportvoorzieningen flexibel. 5.4.13
Tuin
De bestemming "Tuin" is gegeven aan de voortuinen van de woningen in het plangebied. Binnen deze bestemming mogen, in verband met de kwaliteit van het straat- en bebouwingsbeeld, geen gebouwen worden gebouwd. Een uitzondering hierop vormt de bouw van een erker of luifel die bij recht mogelijk zijn. De afmetingen en locatie van deze bouwwerken zijn bepaald in de regels, om te garanderen dat deze bouwdelen ondergeschikt blijven aan het hoofdgebouw. Bouwwerken, als lage hekwerken, zijn ook toegestaan. Daarbij is de hoogte afhankelijk van het type bouwwerk. Dit is opgenomen in de regels. 5.4.14 Verkeer - Railverkeer De bestemming ‘Verkeer – Railverkeer’ geldt voor de spoorlijn Leeuwarden – Sneek – Stavoren die door het plangebied loopt. 5.4.15
Verkeer - Verblijf
De wegen, fiets- en voetpaden en daaraan grenzende parkeerplaatsen zijn geregeld in twee verkeersbestemmingen, namelijk 'Verkeer' en ‘Verkeer - Verblijf’. De bestemmingen maken beide verkeersvoorzieningen mogelijk. De bestemming ‘Verkeer – Verblijf’ is daarbij naast de verkeersfunctie ook nadrukkelijk gericht op de verblijfsfunctie. De bestemming ‘Verkeer’ is vooral gericht op de verkeersdoorstroming en ligt dan ook vooral op hoofdontsluitingsroutes in de dorpen. Bij de wegen horen onder meer ook groenvoorzieningen en water. Daar waar een weg een watergang kruist, is een brug aangeduid. Ook andere specifieke voorzieningen en/of bouwwerken zijn aangeduid om ze mogelijk te maken binnen deze bestemming. Gebouwen zijn alleen toegestaan wanneer ze of van nut zijn voor de hoofdbestemming, of specifiek mogelijk zijn gemaakt via een aanduiding. Bouwwerken ten behoeve van de verkeersfunctie zijn bij recht mogelijk. De afmetingen van alle bouwwerken in de bestemming zijn in de regels opgenomen en gebaseerd op de veel voorkomende afmetingen van deze bouwwerken. 5.4.16
Water
De bestemming "Water" is gegeven aan alle van betekenis zijnde waterlopen en de daarbij horende oeverstroken, bermen, beplanting en groenvoorzieningen. Binnen deze bestemming mogen geen gebouwen worden gebouwd. Een brug en andere specifiek functies en bouwwerken zijn alleen toegestaan wanneer deze specifiek zijn aangeduid. In het plangebied zijn enkele wateren aanwezig die vallen onder de Keur van het Wetterskip Fryslân.
SWF- 8 dorpen oost ontwerp
73
Voor werkzaamheden aan deze watergangen, inclusief de bruggen daarover, is een ontheffing van het Wetterskip nodig. Gebouwen zijn niet toegestaan en bouwwerken alleen wanneer deze ten behoeve van de bestemming of via een aanduiding mogelijk zijn gemaakt. Daarbij is een maximale bouwhoogte ten opzichte van NAP opgenomen. 5.4.17
Wonen
De hoofdfunctie van de dorpen in dit bestemmingsplan is wonen. De woonpercelen hebben in dit bestemmingsplan dan ook de bestemming ‘Wonen’. Naast de hoofdfunctie wonen, is het in een woning onder voorwaarden mogelijk een aantal beroeps- of bedrijfsmatige activiteiten uit te oefenen. Deze activiteiten zijn altijd ondergeschikt aan de woning. In een enkel geval is echter ook sprake van een naast de functie bestaande functie (gelijkwaardig). In die gevallen is een aanduiding opgenomen om deze functie mogelijk te maken. Door middel van de bouwvlakken is de locatie van de hoofdgebouwen vastgelegd. Voor de bouwvlakken is in dit bestemmingsplan zo veel mogelijk een gestandaardiseerde regeling opgenomen. De bouwvlakken liggen (waar mogelijk) op 3 meter van de zijdelingse perceelsgrens en hebben een diepte van 15 meter. Om te voorkomen dat de woningen te groot worden mag de oppervlakte van het hoofdgebouw maximaal 150 m² bedragen. De overige afmetingen van de woningen zijn zo veel mogelijk aangeduid op de verbeelding, omdat deze in het dorpsbeeld variëren. Uitgangspunt is de bestaande (planologische) situatie opnieuw vast te leggen. Naast hoofdgebouwen zijn ook bijbehorende bouwwerken toegestaan. In totaal mogen de bijbehorende bouwwerken maximaal 90% van de oppervlakte van het hoofdgebouw bedragen met een maximum van 100 m².
Het bij de woning behorende erf mag daarbij voor maximaal 50% worden bebouwd. Deze gebouwen zijn over het algemeen ondergeschikt aan de hoofdgebouwen, dit is vertaald in de toegestane afmetingen van de bebouwing. De goot- en bouwhoogte zijn daarbij wel zo veel mogelijk gestandaardiseerd, waarbij rekening is gehouden met de vergunningvrije mogelijkheden en de voorwaarden vanuit het Bouwbesluit. Voor dakopbouwen is een specifieke regeling opgenomen. Deze regeling is gebaseerd op het afwijkingenbeleid van de gemeente. In dit bestemmingsplan is een dakopbouw bij recht mogelijk gemaakt, waardoor veel minder afwijkingen nodig zijn. 5.4.18
Wonen - Woonboerderij
Woonboerderijen zijn, vooral door hun formaat en voormalige functie, een eigen woonbestemming. Hierin is de woonfunctie ook de hoofdfunctie, maar daarnaast worden aan huis verbonden beroepen of kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten ook mogelijk gemaakt. Deze zijn ondergeschikt aan de hoofdfunctie, waarvoor specifieke gebruiksregels zijn opgenomen. In enkele woonboerderijen is sprake van een nevenfunctie, bijvoorbeeld zorgboerderij of recreatieappartement(en). Dergelijke nevenfuncties zijn mogelijk gemaakt via een functieaanduiding. Het gaat daarbij in eerste instantie om de bestaande (planologische) situatie. In tegenstelling tot reguliere woningen, is bij de bouwregels van een woonboerderij geen maximum oppervlakte opgenomen, deze wordt bepaald door het bouwvlak waarin het hoofdgebouw gebouwd moet worden. De overige afmetingen zijn opgenomen op de verbeelding en gebaseerd op de bestaande (planologische) situatie. Naast hoofdgebouwen zijn ook bijbehorende bouwwerken toegestaan. In totaal mogen de bijbehorende bouwwerken maximaal 90% van de oppervlakte van het hoofdgebouw bedragen met een maximum van 100 m². Het bij de woning behorende erf mag daarbij voor
SWF- 8 dorpen oost ontwerp
74
maximaal 50% worden bebouwd. Ook andere bouwwerken zijn toegestaan, waarbij rekening is gehouden met vergunningvrije mogelijkheden en de voorwaarden vanuit het Bouwbesluit. 5.4.19
Leiding - Gas
De dubbelbestemming 'Leiding - Gas' is gegeven aan de in het plangebied aanwezige hogedruk aardgasleidingen en omliggende belemmeringenstroken. Deze zijn gebaseerd op de voorwaarden vanuit de regelgeving die geldt voor risicovolle buisleidingen. Op gronden met deze bestemming mogen alleen na toestemming van de beheerder van de leiding activiteiten plaatsvinden die verenigbaar zijn met het belang van de leiding. Vanwege het belang van de leiding mag op deze gronden alleen ten dienste van de gasleiding worden gebouwd. Hiervoor is een omgevingsvergunningstelsel voor werken en/of werkzaamheden opgenomen. 5.4.20
Leiding - Riool
Grotere rioolleidingen in het plangebied hebben de bestemming ‘Leiding – Riool’. Voor de aanvoer van rioolwater moeten deze leidingen beschermd worden. De bestemming ligt dan ook over een strook van 4 meter aan weerszijden van de leiding, waarin onder meer bouwen en graafwerkzaamheden niet zonder meer mogelijk zijn. Overleg met de leidingbeheerder is nodig wanneer omgevingsvergunningplichtige activiteiten binnen de bestemming nodig zijn. Pas na advies van de leidingbeheerder kan hiervoor vergunning worden verleend. 5.4.21
Waarde - Archeologie 1 en 2
Op de gemeentelijke Friese Archeologische Monumentenkaart Extra (gemeentelijke FAMKE) zijn de gebieden aangegeven met een hoge archeologische waarde (advies op de FAMKE: “streven naar behoud” en “waarderend onderzoek”) en archeologische verwachtingsgebieden (advies op de FAMKE: karterend onderzoek en quickscan) aangegeven. Voor de archeologische verwachtingsgebieden gelden verschillende beleidsadviezen die terug te vinden zijn op de FAMKE. De dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie 1’ wordt gehanteerd voor terreinen of gebieden die op de FAMKE het advies ‘streven naar behoud’ en ‘waarderend onderzoek’ hebben meegekregen, dus de bekende archeologisch waardevolle terreinen. De dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie 2’ wordt gehanteerd voor gebieden die op de FAMKE het advies ‘karterend onderzoek’ en ‘quickscan’ hebben gekregen en derhalve de gebieden met een archeologische verwachtingswaarde. Beide dubbelbestemmingen gelden onvoorwaardelijk voor alle onderliggende gronden. De FAMKE is een dynamische kaart. Het is mogelijk dat er archeologische onderzoeken zijn uitgevoerd op percelen, en die nog niet zijn verwerkt op de gemeentelijke uitsnede van de FAMKE. En dit betekent dat ze ook nog niet zijn verwerkt op de verbeelding. Bij de beoordeling van de ruimtelijke plannen zijn deze onderzoeken echter leidend, en niet de FAMKE. 5.4.22
Waarde - Beschermd gezicht
De dubbelbestemming 'Waarde - Beschermd gezicht' is gegeven aan de in het plangebied aanwezig rijksbeschermde dorpsgezichten van Poppenwier en door de gemeente aangewezen beschermde dorpsgezichten van Scharnegoutum en Goënga. De waardering van deze beschermde dorpsgezichten is opgenomen in het daarbij horende aanwijzingsbesluit voor Poppenwier (bijlage 1), de onderbouwing tot gemeentelijke aanwijzing Goënga (Hoofdstuk 6 uit rapport Goënga, beschermd dorpsgezicht, bijlage 2) en de onderbouwing
SWF- 8 dorpen oost ontwerp
75
tot gemeentelijke aanwijzing Scharnegoutum (Hoofdstuk 7 uit rapport Scharnegoutum, beschermd dorpsgezicht, bijlage 3)
HOOFDSTUK 6 6.1
Uitvoerbaarheid
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Overeenkomstig artikel 3.1.1. van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) moet over een bestemmingsplanprocedure overleg plaatsvinden met verschillende adviespartners en overheden. Het voorontwerpbestemmingsplan is opgestuurd naar een aantal vaste overleg- en adviesinstanties. De reacties zijn voorzien van een gemeentelijk antwoord, waarbij tevens is aangegeven als dit heeft geleidt tot aanpassingen in de toelichting, regels of verbeelding. De Reactienota Overleg is opgenomen als bijlage 6 bij dit bestemmingsplan. Zienswijzen Het ontwerpbestemmingsplan en de bijbehorende stukken hebben met ingang van ..-...... tot en met ..-..-.... ter inzage gelegen. Er zijn geen of (...) zienswijzen binnengekomen. Een aantal zienswijzen heeft aanleiding gegeven het bestemmingsplan aan te passen. Vaststelling Het bestemmingsplan wordt vervolgens, al dan niet gewijzigd, vastgesteld. Het besluit tot vaststelling wordt gepubliceerd en het bestemmingsplan ligt zes weken ter inzage. Tijdens die periode bestaat de mogelijkheid beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in te dienen tegen het besluit en het plan.
6.2
Economische uitvoerbaarheid
Voor de uitvoerbaarheid van het plan is het van belang te weten of het economisch uitvoerbaar is. De economische uitvoerbaarheid wordt enerzijds bepaald door de exploitatie van het plan (financiële haalbaarheid) en anderzijds door de wijze van kostenverhaal van de gemeente (grondexploitatie). Financiële haalbaarheid Het doel van dit bestemmingsplan is het bieden van een actueel juridisch-planologische regeling. In het bestemmingsplan worden dan ook geen ontwikkelingen mogelijk gemaakt waarvoor de financiële haalbaarheid aangetoond moet worden. Er is geen sprake van te maken uitvoeringskosten. De kosten voor het opstellen van een bestemmingsplan komen voor rekening van de gemeente. De raad heeft hiervoor in de begroting een bedrag beschikbaar gesteld. De kosten worden hieruit gedekt. Het plan is daarmee financieel haalbaar. Grondexploitatie Doel van de in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) opgenomen grondexploitatieregeling is het bieden van ruimere mogelijkheden voor het kostenverhaal en het creëren van meer sturingsmogelijkheden. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen de publiekrechtelijke weg via een exploitatieplan en de privaatrechtelijke weg in de vorm van overeenkomsten. In het geval van een exploitatieplan kan de gemeente, naast het kostenverhaal, eisen en regels stellen voor de desbetreffende gronden, (woning)bouwcategorieën en fasering. Bij
SWF- 8 dorpen oost ontwerp
76
de privaatrechtelijke weg worden dergelijke afspraken in een (anterieure) overeenkomst vastgelegd. Dit bestemmingsplan staat geen nieuwe bouwmogelijkheden toe, die zijn opgenomen als een bouwplan in de zin van artikel 6.2.1. van het Bro. Het vaststellen van een exploitatieplan is daarom niet nodig.
SWF- 8 dorpen oost ontwerp
77
Bijlagen bij de toelichting Bijlage 1: Beschermd dorpsgezicht Poppenwier; Bijlage 2: Beschermd dorpsgezicht Goënga; Bijlage 3: Beschermd dorpsgezicht Scharnegoutum; Bijlage 4: Advies externe veiligheid; Bijlage 5: Wateradvies; Bijlage 6: Overlegreacties.
POPPINGAWIER gemeente Boarnsterhim
B E S C H E R M D E S T A D S - EN DORPSGEZICHTEN
B E S C H E R M D E S T A D S - EN DORPSGEZICHTEN INGEVOLGE ARTIKEL 2 0 V A N DE M O N U M E N T E N W E T
POPPINGAWIER
gemeente Boarnsterhim Toelichting bij het besluit tot aanwijzing van Poppingawier als beschermd dorpsgezicht.
Het beschermde dorpsgezicht omvat het op bijgevoegde kaart (Rijksdienst voor de Monumentenzorg, tekeningnummer 252) door een stippellijn omgrensde gebied. Publikatie van de Rijksdienst voor de Monumentenzorg. Juli 1988.
Inleiding Het dorp Poppingawier ligt op ongeveer vijftien kilometer ten zuiden van Leeuwarden en ressorteert onder de gemeente Boarnsterhim. Het dorp kent een geringe omvang en ligt op een kleine lage terp. De structuur van de nederzetting is zeer eenvoudig en kenmerkt zich door een dichtbebouwde kern met een rechthoekige bebouwingsopzet en een lineair hoofdpad. Verder zijn er drie boerderijen binnen de dorpsbebouwing opgenomen. De kleine compacte dorpskern vormt een sterk contrast met de openheid van de uitgestrekte weidegronden die, omdat uitbreidingen van de historische dorpsstructuur slechts in beperkte mate tot stand zijn gekomen, voor een groot deel direct aan de terp grenzen. Dit bijzondere ruimtelijke contrast levert in samenhang met de deels historische dorpsbebouwing een beeld op van een zodanige historischruimtelijke waarde dat de aanwijzing van Poppingawier als beschermd dorpsgezicht gerechtvaardigd is. Ontstaan en ontwikkeling De kust van het zuidoostelijk deel der Noordzee vormt het verspreidingsgebied der terpen, de door de mens opgeworpen woonheuvels uit de periode dat het land nog niet door dijken wordt beschermd. Terpen ontstaan in het laatste deel van een periode die gekenmerkt wordt door een stijging van het zeeniveau.
Het stijgende water slaat ter plaatse van het huidige kustgebied grote delen van het aldaar gevormde veenpakket weg en zet tussen circa 2700 voor Christus en 700 voor Christus op het overgebleven veen of op de pleistocene ondergrond klei en zand af. Op grond van bodemonderzoek veronderstelt men dat de oudste bewoning van het kustgebied plaatsvindt vanaf ongeveer 600 voor Christus. Tijdens perioden van overstromingen, die perioden waarin het kustgebied nagenoeg droog komt te liggen afwisselen, worden terpen gevormd door ophoging van de nederzettingen met kwelderzoden en mest. Op de terpen wordt gewoond, wordt het vee gestald en vindt akkerbouw plaats. De vorming en ophoging van terpen vindt plaats tot de aanleg van een gesloten dijkenstelsel langs de Wadden- en Middelzeekust in de 13de eeuw voltooid is. Na deze tijd is de bewoning van het kustgebied niet meer exclusief aan terpen gebonden en worden geleidelijk ook buiten de terpen boerderijen gebouwd. Op archeologische gronden neemt men aan dat grotere wierden waarop zich dorpen en steden hebben ontwikkeld, gevormd zijn uit een samensmelting van huiswierden.
Over het algemeen volgt verdere ophoging en in enkele gevallen samentrekking of verbinding met andere grotere of kleinere wierden. Door deze veelsoortige incidentele ontwikkelingsvormen is een eenduidige categorisering volgens bepaalde typen moeilijk te geven. Soms benadert een wierde een van de volgende ideaaltypen: de radiaal verkavelde dan wel blokvormig verkavelde wierde, beide met een agrarische hoofdfunctie, of de langgerekte wierde met een handelsfunctie. De nederzettingsstructuur van het Friese kustgebied kenmerkt zich door de aanwezigheid van terpdorpen. In de buurt van de kust is het aantal het grootst, landinwaarts neemt de concentratie sterk af. Poppingawier ligt op een kleine woonheuvel aan de zuidelijke rand van het verspreidingsgebied der terpen. Het gebied rondom het dorp maakt onderdeel uit van de kleigronden ten zuidoosten van de voormalige Middelzee, een binnenzee die in de Middeleeuwen haar grootste omvang bereikt, maar na bedijking in de 13de eeuw geleidelijk wordt ingepolderd. Door de vele incidentele ontwikkelingsvormen zijn terpen vaak moeilijk te dateren. Ook over de ouderdom en de bewoningscontinui'teit van de terp te Poppingawier zijn, mede omdat er nooit archeologisch onderzoek heeft plaatsgevonden, geen gegevens bekend.
Alleen net feit dat de kleine terp in zijn geheel is opgenomen binnen het grove blokvormige verkavelingspatroon van het omringende gebied vormt wellicht een aanwijzing. Een dergelijke structuur duidt, in tegenstelling tot de veelal oudere radiaal verkavelde terpen, over het algemeen op een relatief geringe ouderdom van de nederzetting of op herverkaveling van een bestaande (verlaten) terp. Over de concrete omvang van de dorpsbebouwing is tot het verschijnen van het oudste relevante kaartmateriaal uit het begin van de 1 8de eeuw nauwelijks iets bekend. Op de kaart van Schotanus uit 1718 (fotobijlage, afb. 1) wordt Poppingawier globaal afgebeeld als een nederzetting met een ovaalvormige hoofdstructuur met daarbinnen een kerkje en enkele pandjes, terwiji direct ten zuiden en ten oosten van het dorp enkele boerderijen liggen. Het dorp is via een opvaart die langs de zuidkant van de terp wordt getekend, verbonden met het Poppingawierstermeer en de Oude Sneekervaart, een belangrijke vaarweg in de provincie Friesland. Verbindingen over land ontbreken vrijwel geheel. Door deze gunstige ligging aan genoemde vaarwegen zijn naast agrarische functies ook ambachts- en nijverheidsfuncties tot
ontwikkeling gekomen. Bekend is dat in de 18de eeuw enkele schippers, kuipers, timmerlui, schoenmakers, wevers, slagers en bakkers in het dorp gevestigd zijn. De eerste nauwkeurige weergave van het dorp dateert van ruim een eeuw later. Op het kadastraal minuutplan uit circa 1820 (fotobijlage, afb. 2) is goed te zien dat de dorpsbebouwing sterk is geconcentreerd en dat de kern van de nederzetting slechts een oppervlakte beslaat die vergelijkbaar is met de grootte van een kavel uit het grove blokvormig verkavelde land waarbinnen de nederzettingsstructuur in zijn geheel is opgenomen. De ovale vorm die Schotanus tekent, blijkt niet als zodanig te bestaan. Wel ligt aan de noordkant van het dorp de landweg naar Rauwerd direct langs de dorpsbebouwing. De structuur van het dorp is zeer eenvoudig. Parallel ten noorden van de opvaart, die op de kadastrale minuut niet expliciet wordt aangegeven, ligt een pad waarlangs het grootste deel van de dorpsbebouwing, die lijkt te bestaan uit kleine woonhuizen, is gesitueerd. Een in oorsprong middeleeuws kerkje ligt binnen een kleine vierkante 'kerkring' die aan de zuidkant direct aan het pad en aan de noordkant direct aan de landweg grenst. De bebouwing langs de oostzijde van de kerkring en langs een dwarspad in de oostelijke dorpshelft vormen de enige verdichting binnen de nederzetting.
Opmerkelijk is de situering van een omvangrijke boerderij direct aan de westkant van de kerkring. Deze boerderij en drie direct ten zuiden en ten oosten van de dorpskern gelegen boerderijen, hebben mogelijk de plaats ingenomen van de oorspronkelijk exclusief aan de terpen gebonden agrarische bebouwing. In de 19de en 20ste eeuw vinden met uitzondering van de verbetering van de doorgaande weg, binnen de kern van het dorp geen structurele veranderingen plaats. De rond het midden van de vorige eeuw op korte afstand van de bebouwing aangelegde weg vervangt het op de kadastrale minuut aangegeven pad direct ten noorden van de dorpskern. De dorpsuitbreidingen die bestaan uit enkele kleine woningen daterend van rond de eeuwwisseling en een zestal recent gebouwde vrijstaande woonhuizen, komen aan de oostkant van de dorpskern langs de verbeterde landweg naar Rauwerd tot stand. De terpafgravingen die rond de eeuwwisseling in de meeste andere terpdorpen plaatsvinden, blijven in Poppingawier achterwege omdat de terp geheel bebouwd is. De oude kerk en toren worden in 1860 vervangen door een nieuw kerkgebouw dat, in afwijking van zijn oost-west georienteerde middel-