Bijlage - Ontwerpbestemmingsplan
Tekst van het document
Voor antenne-installaties hoger dan 5 meter is een omgevingsvergunning nodig (dit geldt niet voor de installaties voor het communicatiesysteem C2000). Ook voor het bouwen van antenne-installaties kleiner dan 5 meter op gemeentelijke-, provinciale- en rijksmonumenten of in beschermde stads- of dorpsgezichten is voor de activiteit bouwen van een bouwwerk een omgevingsvergunning vereist.
SWF- 8 dorpen oost ontwerp
26
3.3.6
Bomenbeleidsplan (2012)
Op 13 december 2012 heeft de gemeenteraad het bomenbeleidsplan vastgesteld, het beleidsplan is van kracht gegaan op 1 januari 2013 voor de gehele gemeente. In het beleidsplan is het kapbeleid van de gemeente vereenvoudigd, zonder dat dit te koste gaat van waardevolle boomstructuren, groenclusters en aangewezen bomen. De aanleiding voor een bomenbeleidsplan waren de verschillende kapregelgevingen van de voormalige fusiegemeenten en de wens om de kapregelgeving te dereguleren. Voor het kappen van bomen, zowel particulier als gemeentelijk bomen, moest voorheen een omgevingsvergunning worden aangevraagd. Door de kapregelgeving te dereguleren, hoeft men voortaan alleen een vergunning aan te vragen voor het kappen van waardevolle bomen, boomstructuren en groenclusters. Om individuele waardevolle bomen te kunnen beschermen is er door de gemeente een bomenregister opgesteld. Het bomen register is een dynamische lijst waaraan bomen kunnen worden toegevoegd of verwijderd. Om een boom aan te melden voor het register zal deze moeten voldoen aan één of meer van de opgestelde beoordelingscriteria. De aanmelding kan worden gedaan door zowel particulieren als de gemeente. De bomen op het bomenregister mogen niet worden gekapt tenzij er een algemeen maatschappelijk belang (overlast, onveiligheid, etc.) tegenop weegt. Het meest actuele bomenregister is raadpleegbaar op de gemeentelijk website.
Voor de bomen hoeft in dit bestemmingsplan geen specifieke regeling opgenomen te worden, omdat het beleid hiervoor voldoende bescherming biedt. 3.3.7
Detailhandelsstructuurvisie
Een goed gemeente dekkend beleidskader voor detailhandel in de gemeente wordt door de raad en het college als noodzaak ervaren. De lastige economische omstandigheden en de vele snelle ontwikkelingen als internet, schaalvergroting en leegstand vragen om een duidelijke visie en uitvoering van de gemeente en andere partijen. Daarnaast is het gewenst dat nieuwe concrete plannen op integrale manier en in samenhang kunnen worden beoordeeld. Daarom is de “Detailhandelsstructuurvisie Súdwest-Fryslân” vastgesteld. De detailhandelsstructuurvisie heeft een aanjaagfunctie en biedt een toetsingskader voor nieuwe ontwikkelingen. In het beleid staat de toegankelijkheid van voorzieningen voorop. Hoofddoelstelling is dat inwoners van alle kleine kernen op aanvaardbare afstand (< 5 km) detailhandels-voorzieningen beschikbaar hebben en dat deze ook goed toegankelijk voor hen zijn. In de praktijk ligt hier dus een rechtstreekse koppeling met het streven naar een volwaardig pakket aan voorzieningen in de steden Sneek, Bolsward, en de regionale kernen. Bij de toegankelijkheid horen ook zeker concepten als thuisbezorgen van boodschappen door supermarkten. Bij toegankelijkheid wordt ook nadruk gelegd op een goede digitale toegankelijkheid die steeds belangrijker wordt. De gemeente zet hier vol op in en legt de relatie met krimp- en leefbaarheidsdossier en het kernenbeleid.
Hierdoor is ook vanuit het rijk en provincie volop aandacht en komen naar verwachting ook middelen beschikbaar. Súdwest-Fryslân kent vele kernen zonder enige detailhandel of met een zeer minimaal detailhandelsaanbod. Van de 8 kernen in dit bestemmingsplan heeft alleen Scharnegoutum een dorpssupermarkt. In de andere kernen is geen detailhandel (meer) aanwezig. Behoud van voorzieningen in kleine kernen zal in onze beleving vooral moeten worden gezocht in de slimme combinatie van functies. In tegenstelling tot grotere winkelkernen is
SWF- 8 dorpen oost ontwerp
27
de detailhandelsstructuur in kleine kernen veel minder relevant. Bij mogelijke ontwikkelingen, bijvoorbeeld de vestiging van een winkel die ruimtelijk inpasbaar is, biedt de gemeente in faciliterende zin mogelijkheden. Hiermee willen we nadrukkelijk ook zoveel mogelijk aanknopingspunten bieden voor het tegengaan van leegstand van winkelpanden. 3.3.8
Erfgoednota
Met het vaststellen van de 'Erfgoednota 2021-2026 Cultureel Erfgoed is geen keus' (april 2021) heeft de gemeente haar visie en missie op behoud en ontwikkeling van het erfgoed vastgesteld. De gemeente SWF zorgt samen met de mienskip dat cultureel erfgoed duurzaam behouden en ontsloten wordt en zichtbaar en beleefbaar is. Dit doen wij door erfgoed te waarderen en te beschermen, bewustwording en samenwerking te stimuleren en daardoor erfgoed te versterken en levend te houden. De mienskip heeft tijdens het ‘Rondje Súdwest’ in 2019 in het kader van de Omgevingsvisie 1.0 ‘Oars tinke yn Súdwest’ (2021) cultureel erfgoed benoemt als wezenlijk onderdeel van thema 2 van de 5 thema’s in de Omgevingsvisie 1.0: sterke kernwaarden: cultureel erfgoed, natuur, weids en waterrijk landschap. Ook het weidse en waterrijke landschap is eigenlijk erfgoed. Immers de meren, kanalen en sloten en weide- en akkergronden zijn allemaal onder menselijke invloed ontstaan en verder vormgegeven, oftewel cultuurlandschap. In die zin geldt hetzelfde voor thema 4: vitaal en aantrekkelijk landschap. Ook in thema 3: veerkrachtige en leefbare wijken, dorpen en steden en thema 5: duurzaam, energieneutraal en klimaatadaptief heeft cultureel erfgoed een rol als wezenlijk onderdeel van de bijzondere woonkwaliteiten.
Een zorgvuldige afweging van de cultuurhistorische waarden om de omgevingskwaliteit te kunnen waarborgen en te versterken is dus essentieel. Het is een gemeentelijke wettelijke taak om te komen tot een zorgvuldige planbehandeling en besluitvorming voor wat betreft cultuurhistorie. Als gevolg van het beleid Modernisering Monumentenzorg is per 1 januari 2012 in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.6.1) bepaald dat gemeenten verplicht zijn cultuurhistorie mee te wegen bij het opstellen van het bestemmingsplan. Niet alleen de cultuurhistorische waarden in de grond (archeologie) maar ook boven de grond moeten meegenomen worden. Zo stelt de gemeente bij bestemmingsplannen cultuurhistorische analyses op en gaat de gemeente bij de bescherming van archeologische (verwachtings)waarden in bestemmingsplannen formeel uit van de gemeentelijke FAMKE (Friese Archeologische Monumentenkaart Extra), een uitsnede van de provinciale FAMKE. Voor de bekende en de te verwachten cultuurhistorische waarden gaat de gemeente uit van de Cultuur Historische kaart van de provincie Fryslân (CHK) en de Landschapsbiografie Súdwesthoeke. Deze kaarten zijn daarmee onderlegger voor het in de Erfgoednota geformuleerde beleid. Niet alle op deze kaarten aangegeven waarden kunnen echter behouden blijven, hier komt een gemeentelijke afweging aan te pas.
In de toelichting van het bestemmingsplan moet beschreven worden hoe het bestemmingsplan met deze waarden omgaat. Op de plankaart kunnen cultuurhistorische waarden aangeduid worden met dubbelbestemmingen en/of aanduidingen. In de regels bij het bestemmingsplan moet worden omschreven welke voorschriften er aan die bestemming zijn gekoppeld. Met de komst van de Omgevingswet worden deze op een gegeven moment doorvertaald naar het omgevingsplan.
SWF- 8 dorpen oost ontwerp
28
3.3.9
Geurverordening
Op 12 november 2015 heeft de raad van de gemeente Súdwest-Fryslân de ‘Geurverordening gemeente Súdwest-Fryslân’ vastgesteld. Dit op basis van de Wet geurhinder en veehouderij. Op basis van een geurverordening mogen verschillende agrarische bedrijven afwijken van de vaste afstanden uit de Wet geurhinder en veehouderij. Ten opzichte van geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom geldt een afstand van 50 meter. Buiten de bebouwde kom geldt een afstand van 25 meter. De geurverordening gaat vergezeld van een inventarisatielijst met adressen, waarop de genoemde afstanden van toepassing zijn. 3.3.9
Ontwikkelvisie 2011-2021
De “Ontwikkelvisie 2011–2021 gemeente Súdwest-Fryslân” is op 22 maart 2012 vastgesteld. In deze visie staan de gemeentelijke ambities betreffende sociale, ruimtelijke en economische ontwikkelingen beschreven. De visie vormt een belangrijke basis voor nieuw beleid en ruimtelijke plannen. De visie maakt duidelijk hoe de gemeente zich naar de toekomst toe wil positioneren, wat de belangrijkste speerpunten zijn en op welke aandachtsgebieden wordt ingezet. De ontwikkelvisie beslaat een periode van tien jaar. In de gemeente worden vijf landelijke clusters en één stedelijk cluster rondom Bolsward en Sneek onderscheiden. De ontwikkelvisie rust op zes pijlers waar een visie op is geformuleerd en waar een koers per landelijk of stedelijke cluster voor is uitgezet. De pijlers met bijbehorende visie betreffen: a. Verscheidenheid in kernen: Gebiedsgerichte aanpak via clusters, met oog voor samenhang. Aandacht voor unieke ruimtelijke structuur, sociaaleconomische kenmerken en toekomstvisies van de kernen. Extra aandacht voor plattelandskernen en stadswijken waar de leefbaarheid onder druk staat. b. Weidsheid van het landschap: Zorgvuldig met weidsheid omgaan, maar ruimte bieden voor nieuwe ontwikkelingen naar aard/schaal. Er worden hoge eisen aan ruimtelijke kwaliteit gesteld. c.
Economische verscheidenheid: Gebiedsgerichte aanpak om te zorgen dat de gemeente zich in totaliteit sterk ontwikkelt. Ruimtelijke keuzes maken ten aanzien van economische ontwikkeling. Extra aandacht voor sterke sectoren vanwege hun groeipotentie en innovatief vermogen. Bijeenbrengen onderwijs en arbeidsmarkt, zodat vraag en aanbod beter aansluiten. d. Grote sociale verbondenheid: Iedereen kan (naar vermogen) meedoen. De huidige sociale infrastructuur wordt optimaal benut. Betere samenwerking en afstemming tussen partijen. Betere afstemming aanbod. Uitgangspunten zijn eigen verantwoordelijkheid, eigen kracht en zelfredzaamheid. Kwetsbare groepen actief opsporen. e. Grote rijkdom aan cultuur en erfgoed: Cultuur en cultureel erfgoed hebben verbindende werking op de samenleving en grote aantrekkingskracht op toeristen. Daarom wordt gezorgd voor een divers cultureel aanbod en voor bescherming, behoud en ontsluiting van cultureel erfgoed. f. Sterke aantrekkingskracht voor toeristen: Toerisme en recreatie als verbinding tussen stad/platteland, cultuur, natuur, sport, zorg, land- en tuinbouw. Verdiepen van bestaand aanbod, kwaliteitsverbetering en slim combineren van aanbod. Watertoerisme versterken door samenwerking met andere vaargebieden.
SWF- 8 dorpen oost ontwerp
29
In het plangebied worden geen ontwikkelingen voorzien, die niet al eerder afgewogen zijn. Het bestemmingsplan heeft een conserverend karakter, waarmee het past in het beleid van de Ontwikkelvisie. 3.3.10
Ruimte voor de zon
Op 10 november 2016 heeft de raad van de gemeente Súdwest-Fryslân de notitie ‘Ruimte voor de Zon’ vastgesteld. Uitgangspunt bij realisatie van een zonneweide is dat de kwaliteit van het landschap behouden blijft en dat de bewoners niet alleen de lasten maar ook de lusten ervaren. In deze notitie wordt voorgesteld zonneweides te creëren tegen kernen met >500 inwoners, met draagvlak, met participatie en financieel haalbaar. Voorgesteld wordt 3 pilots, wet- en regelvrij, te realiseren en daarnaast is er ruimte voor andere initiatieven die moeten voldoen aan de kaders die in de notitie zijn gesteld. Deze notitie heeft geen directe gevolgen voor het bestemmingsplan, omdat hierin geen initiatieven voor nieuwe zonnevelden zijn opgenomen. Particulieren kunnen onder voorwaarden zonnepanelen bij of op hun woning plaatsen. Wanneer ze daarbij voldoen aan de landelijk vastgelegde voorwaarden kan dit vaak vergunningvrij. 3.3.11
Verkeersbeleid
3.3.11.1
Verkeer- en vervoerplan (2013)
De gemeente Súdwest-Fryslân vindt het belangrijk dat inwoners in een verkeersveilige en prettige woonomgeving wonen en dat iedereen zich veilig en vlot kan verplaatsen. In het op 16 mei 2013 door de gemeenteraad vastgestelde “Gemeentelijk Verkeer- en Vervoerplan” (GVVP) staat hoe de gemeente dit wil bereiken. Het GVVP beschrijft de gemeentelijke visie op het gebied van verkeer en vervoer met als belangrijkste uitgangspunt om de verkeersveiligheid in de gemeente te waarborgen en te verbeteren. Daarnaast worden goede bereikbaarheid en het vergroten van de leefbaarheid als doelen gesteld. Om de visie vorm te geven is een groot aantal maatregelen opgesteld. De maatregelen zijn divers; infrastructurele aanpassingen, nader onderzoek naar specifieke onderwerpen, veiliger maken van fietsroutes, verbetering van schoolomgevingen, maar ook verkeerseducatieprojecten op scholen en voorlichtingscampagnes. De uitvoering hiervan wordt zoveel mogelijk gedaan in combinatie onderhoudswerkzaamheden. Wanneer onderhoud gepland is aan een weg of een gebied wordt gekeken of de maatregelen uit het GVVP hierin meegenomen kunnen worden. Dit betekent dat in het GVVP niet concreet wordt aangegeven wanneer welke maatregelen worden uitgevoerd. Ieder jaar wordt daarom een uitvoeringsprogramma opgesteld die door de gemeenteraad wordt goedgekeurd.
Voordat gestart wordt met de uitvoering van bepaalde maatregelen worden deze dan ook aan direct belanghebbenden voorgelegd. De gevolgen vanuit het GVVP voor het bestemmingsplan zijn gericht op de wegcategorisering. Voor het plangebied is deze beschreven in paragraaf 2.2.1. 3.3.11.2
Parkeren
Op basis van het parkeerbeleid van de gemeente kan berekend worden hoeveel parkeerplaatsen er benodigd zijn. Vervolgens moet aangetoond worden dat er voldoende parkeergelegenheid aanwezig is of gerealiseerd kan worden. De gemeente Súdwest-Fryslân heeft de “Parkeernormennota Súdwest-Fryslân 2018” vastgesteld waarin de inhoud van het begrip ‘voldoende parkeergelegenheid’ is uitgewerkt. Aan de hand hiervan kan de parkeerbehoefte voor verschillende functies worden bepaald. Vervolgens moet aangetoond worden dat er voldoende parkeergelegenheid aanwezig is of gerealiseerd kan worden. Het parkeerbeleid is verwerkt in dit bestemmingsplan.
SWF- 8 dorpen oost ontwerp
30
3.3.12
Visie Recreatie en Toerisme
Súdwest-Fryslân staat bekend als een kwalitatief hoogwaardig gebied voor (actieve vormen van) toerisme en recreatie met een zeer gevarieerd en levendig aanbod. Deze variatie en levendigheid is gerealiseerd door een gezamenlijke inzet met de sector op betere verbindingen tussen toeristisch aanbod op het gebied van land en water, kunst en cultuur. De ontwikkelingsstrategieën uit de visie zijn gericht op het creëren van meer (afwisseling in) belevenissen door verbindingen te leggen tussen het bestaande aanbod en door verbindingen te leggen tussen alle partijen die daarbij betrokken zijn: −
Geef de bezoeker een gevoel van ‘thuiskomen’en ‘zichzelf kunnen zijn’;
−
Benut de rijkdom van het ‘water’, het landschap en de steden;
−
Organiseer avontuurlijker actieve vormen van recreatie;
−
Gebruik verhaallijnen om de gast nieuwe ervaringen te laten beleven.
Actie, Gastheerschap en Samenwerking zijn de kernwoorden van de strategieën: De samenhang wordt gerealiseerd door te kiezen voor de kracht van het lokale verhaal, te investeren in aantrekkingskracht en door één sterk toeristisch samenwerkingsverband neer te zetten voor de regio. Er wordt koers gezet op Gastheerschap vanuit de invalshoeken: −
meer aansprekende watersportactiviteiten voor de jeugd en sportstimulering;
−
het bevorderen van elektrisch varen en fietsen;
−
verleiding tot gezelligheid en vermaak in de kernen;
−
jaarlijks terugkerende sportieve en culturele events.
Er wordt gekoerst op meer beleving van het weidse landschap en de bijzondere natuur door: −
op de kop van Afsluitdijk een ‘uitzichtpunt’ van formaat te realiseren;
−
het creëren van belevenissen binnen de kwalificatie Nationaal Landschap;
−
de optimalisatie van de bestaande routenetwerken.
In het plangebied is op meerdere plaatsen sprake van recreatieve en toeristisch functies en voorzieningen. Wanneer sprake is van ontwikkelingen bij deze voorzieningen, wordt rekening gehouden met het geformuleerde beleid. 3.3.13
Visie Ruimtelijke Kwaliteit (2013)
De in het kader van het Nationaal Landschap Zuidwest-Fryslân opgestelde ‘Landschapsontwikkelingsvisie’ (2009) heeft als basis gediend voor de “Visie Ruimtelijke Kwaliteit Gemeente Súdwest-Fryslân” die op 23 juni 2013 is vastgesteld. De visie hanteert als uitgangspunt dat het landschap het product is van de ontwikkelingen in de landbouw, de natuur, de economie en de samenleving door de eeuwen heen; en dat dit ook in de toekomst zo zal zijn. Die veranderingen kunnen in beginsel bijdragen aan de landschappelijke kwaliteit, mits ze goed op elkaar worden afgestemd. Met het gekozen abstractieniveau vormt de visie een basis voor andere sectorale beleidsvisies en andere ruimtelijke plannen, zoals gebiedsvisies, bestemmingsplannen, maar ook
SWF- 8 dorpen oost ontwerp
31
bijvoorbeeld de welstandsnota of beheer- en onderhoudsplannen. De visie dient als één van de toetsingskaders bij concrete initiatieven. Hoofduitgangspunt is dat bij alle ruimtelijke ontwikkelingen de kernkwaliteiten van de verschillende landschapstypen leidend zijn. De omschrijving hiervan is in paragraaf 2.3 van dit bestemmingsplan overgenomen. Daarnaast worden ontwikkelingen gestuurd met specifieke aandacht voor de volgende uitgangspunten: −
Versterken van de grootse openheid van het klei- en veengebied en de meren.
−
Aandacht voor detail binnen het grootschalig landschap.
−
Versterken van het contrast tussen binnendijks en buitendijks gebied.
−
Behoud van authenticiteit en eenvoud.
−
Ruimte voor dynamiek, experiment en contrast.
In het plangebied worden geen ontwikkelingen voorzien, die niet al eerder afgewogen zijn. Het bestemmingsplan heeft een conserverend karakter, waarmee het past in het beleid van de Visie Ruimtelijke Kwaliteit. 3.3.14
Woonvisie 2017 - 2022
De gemeente vindt het belangrijk dat alle inwoners van de gemeente goed kunnen wonen. Daarom heeft de gemeenteraad in juli 2017 een Woonvisie vastgesteld waarin de gemeentelijke ambities voor een rechtvaardige en evenwichtige woonruimteverdeling zijn vastgelegd voor de sociale huurvoorraad en de particuliere woningvoorraad. In de Woonvisie is vastgelegd hoe de gemeente zorgt voor een optimaal functioneren van de woningmarkt. Hierbij is bijzondere aandacht voor de volgende thema’s: −
Beschikbaarheid en betaalbaarheid van woningen voor alle doelgroepen,
−
Wonen, zorg en participatie,
−
Kwaliteit en duurzaamheid.
De Woonvisie vormt de basis voor het maken van prestatieafspraken tussen woningbouwcorporaties, huurdersverenigingen en gemeente. De visie geeft geen uitgangspunten voor de regeling van dit bestemmingsplan. Bij ontwikkelingen in het huidige woningbestand of bij een combinatie van wonen en zorg vormt de woonvisie wel een toetsingskader. 3.3.15 Kleinschalige windturbines Om kleine windturbines bij bestaande agrarische bedrijven toe te kunnen staan is er een algemene regeling opgesteld. Dit is juridisch geregeld met het paraplubestemmingsplan ‘Súdwest-Fryslân – kleine windturbines’. Omdat de realisatie van kleinschalige windturbines nog niet mogelijk was volgens de nu geldende bestemmingsplannen en omdat de gemeente door middel van een vergunningstelsel zicht wil houden op de bouw van kleine windturbines, is dit beleid opgesteld. Ook zijn een aantal voorwaarden gekoppeld aan de bouw van de windturbines. Deze voorwaarden zijn opgenomen in de ‘Beleidsregel toetsingskader kleine windturbines Súdwest-Fryslân’ (bijlage bij de regels). De integratie van deze regels maakt dus planologisch mogelijk om kleine windturbines in de gemeente Súdwest-Fryslân toe te staan met een omgevingsvergunning. In dit bestemmingsplan wordt de eerder vastgestelde paraplu-regeling gecontinueerd als gemeentelijk beleid.
SWF- 8 dorpen oost ontwerp
32
HOOFDSTUK 4 Omgevingsaspecten 4.1
Vormvrije mer-beoordeling
In het Besluit milieueffectrapportage (m.e.r.) is aangegeven welke activiteiten in het kader van het bestemmingsplan planmer-plichtig, projectmer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Ook wanneer de drempelwaarden niet worden overschreden moet het bevoegd gezag bij de betreffende activiteiten nagaan of mogelijk sprake is van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, die aanleiding geven om een milieueffectrapport (MER) op te stellen. Daarbij moet worden gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEGrichtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen: • de kenmerken van het project; • de plaats van het project; • de kenmerken van de potentiële effecten. In bijlage C en D van het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van het bestemmingsplan planmerplichtig(bijlage C en D), projectmer-plichtig (bijlage C) of mer- beoordelingsplichtig (bijlage D) zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. In bijlage D van het Besluit m.e.r. (D11.2) is de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject opgenomen. Ten aanzien van woningen ligt de drempelwaarde op een aaneengesloten gebied met 2.000 of meer woningen. Sinds 7 juli 2019 is een aanpassing van het Besluit m.e.r. in werking getreden.
Hierin is geregeld dat ook voor projecten die zijn opgenomen in bijlage D, maar beneden de drempelwaarden vallen, een besluit moet worden genomen of een MER nodig is. In dat kader wordt afgewogen of het plan – ondanks dat het ruim onder de drempelwaarde blijft mogelijk toch belangrijke negatieve milieueffecten heeft, op basis van de eerder genoemde omstandigheden. Dit is een “vormvrije” mer-beoordeling. Dit bestemmingsplan betreft het actualiseren van de geldende bestemmingsplannen in het plangebied. Daarbij zijn bestaande bouwrechten uit de geldende bestemmingsplannen overgenomen. Daarnaast maakt het plan geen deel uit van Natura 2000-gebieden, waarop kleinschalige ontwikkelingen invloed kunnen hebben. Voor dit bestemmingsplan is dan ook geen vormvrije m.e.r.-beoordeling of milieueffectrapport nodig.
4.2
Milieuzonering
Milieuzonering zorgt ervoor dat milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen op een verantwoorde afstand van elkaar worden gesitueerd. Op deze wijze wordt gevaar en hinder voor de milieugevoelige functies voorkomen danwel zoveel mogelijk beperkt en omgekeerd wordt voldoende zekerheid aan milieubelastende activiteiten geboden dat deze activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden uitgeoefend kunnen worden. Bij dit bestemmingsplan hoort een Staat van Bedrijfsactiviteiten. Deze is gebaseerd op de categorale indeling van bedrijfstypen uit de publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ (2009)
SWF- 8 dorpen oost ontwerp
33
van de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG). Bij deze indeling is de Standaard Bedrijfsindeling (SBI) van het Centraal Bureau voor de Statistiek gevolgd. Elk bedrijfstype heeft een eigen code. Naast een omschrijving van de bedrijfstypen is per type aangegeven welke richtafstanden gelden voor de aspecten geur, stof, geluid en gevaar. Dit is een indicatie van de minimale afstand die in beginsel, vanuit een bedrijf tot een rustige woonwijk, aangehouden moet worden. De grootste afstand is bepalend voor de indeling van een bedrijfstype in een milieucategorie. Milieucategorie
Richtafstanden rustige woonwijk
Richtafstanden gemengd gebied
1
10 m
0m
2
30 m
10 m
3.1
50 m
30 m
3.2
100 m
50 m
4.1
200 m
100 m
4.2
300 m
200 m
5.1
500 m
300 m
Binnen de bestemmingen waar bedrijven zijn toegestaan, is in de regels bepaald welke milieucategorieën waar zijn toegestaan. De bestaande situatie is daarbij het uitgangspunt.
4.3
Bodem
Het uitgangspunt is dat de kwaliteit van de bodem in het plangebied zodanig moet zijn dat er geen risico’s zijn voor de volksgezondheid bij het gebruik van het plangebied voor wonen of een andere functie voor het verblijf van mensen. Op 13 december 2012 heeft de gemeenteraad van Súdwest-Fryslân de Nota bodembeheer en de bodemkwaliteitskaart Zuidwest Fryslân vastgesteld. De bodemkwaliteitskaart is een kaart waarop de kwaliteit van de bodem is aangegeven per deelgebied. De Nota bodembeheer beschrijft het beleid voor hergebruik of toepassen van grond als bodem. Het Besluit Bodemkwaliteit is hierin leidend. In de nota is ook een vrijstellingenbeleid opgenomen voor het uitvoeren van bodemonderzoek bij een omgevingsvergunning met de activiteiten bouw. Op basis hiervan kan de gemeente vrijstelling verlenen voor het uitvoeren van bodemonderzoek. Hier volgen een aantal uitzonderingen waarbij géén vrijstelling kan worden verleend: −
locaties met een bekende verontreiniging, of locaties gelegen nabij (binnen een straal van 25 meter) een puntbron van bodemverontreiniging;
SWF- 8 dorpen oost ontwerp
34
−
−
verdachte locaties of locaties binnen een straal van 25 meter van verdachte locaties, waarvan een vermoeden bestaat van bodemverontreiniging, tenzij door een historisch onderzoek (uitgevoerd volgens NVN 5725) wordt aangetoond dat de locatie onverdacht is; de bodemkwaliteit van het plangebied geeft aanleiding om een risico te verwachten bij het geplande gebruik.
In dit bestemmingsplan worden geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt. De bestaande situatie wordt slechts voorzien van een actuele regeling. In het plangebied zijn geen nieuwe ontwikkelingen voorzien. Bij nieuwe ontwikkelingen moet – wanneer deze niet in dit bestemmingsplan passen – een overweging van de gevolgen voor de bodem worden opgenomen. Dit heeft geen gevolgen voor het bestemmingsplan.
SWF- 8 dorpen oost ontwerp
35
4.4
Cultuurhistorie inclusief archeologie
4.4.1
Toetsingskader en beleid
Op 1 juli 2016 is de Erfgoedwet van kracht geworden. De Monumentenwet 1988 is met ingang van 1 juli 2016 dan ook vervallen. De bepalingen uit de Monumentenwet 1988 zijn deels overgegaan naar de Erfgoedwet en – zodra die wet in werking treedt in 2022– deels naar de Omgevingswet. De bepalingen en vergunningen uit de Monumentenwet 1988 die overgaan naar de Omgevingswet blijven van toepassing tot de datum dat de Omgevingswet in werking treedt. Deze artikelen gelden tot dat moment als overgangsrecht op grond van de Erfgoedwet en tenzij expliciet vermeld, veranderen deze niet van inhoud. Tot die tijd blijft de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) het wettelijke kader voor de omgang met gebouwde en aangelegde rijksmonumenten en de Monumentenwet 1988 voor de omgang met de archeologische rijksmonumenten. Tot cultuurhistorie worden voor dit bestemmingsplan gebouwde monumenten inclusief beschermde stads- en dorpsgezichten, archeologie en cultuurlandschap gerekend. In deze paragraaf wordt een analyse gemaakt van de cultuurhistorische (verwachtings)waarden en het eventueel noodzakelijke beschermingsregime. Bij deze analyse wordt volgens de gemeentelijke erfgoednota uitgegaan van de Landschapsbiografie Súdwesthoeke, de Cultuur Historisch kaart van de provincie Fryslân (CHK), waar ook de Friese Archeologische Monumentenkaart Extra (FAMKE) deel van uit maakt.
Daarnaast is gebruik gemaakt van de thematische structuurvisie ‘Grutsk op ‘e Romte’ waarin de kernkwaliteiten van het cultuurhistorisch erfgoed en het landschap in Fryslân beschreven staan. 4.4.2
Archeologie
Algemeen Bij het opstellen en uitvoeren van ruimtelijke plannen wordt rekening gehouden met de bekende en de te verwachten archeologische waarden. Op welke plaatsen archeologisch onderzoek aan de orde is, wordt op grond van het gemeentelijk beleid bepaald. De gemeente volgt hiertoe de provinciale Friese Archeologische Monumentenkaart Extra (FAMKE). Op deze kaart worden voor de perioden Steentijd - Bronstijd en IJzertijd - Middeleeuwen adviezen gegeven over eventueel te verrichten onderzoeken. Uit de gemeentelijke uitsnede van de FAMKE blijkt dat in het plangebied diverse terreinen met bekende archeologische waarden aanwezig zijn, de zogenaamde ‘streven naar behoud’ en ‘waarderend onderzoek’ terreinen (paars en rood op de onderstaande figuren). Dit betreft vooral terpen uit de periode ijzertijd-middeleeuwen, met name de dorpskernen, en een stins/stateterrein bij Raerd. Voor de rest van het plangebied is sprake van zogenaamde verwachtingszones voor de ijzertijd-middeleeuwen. Er is voor de steentijd-bronstijd geen sprake van terreinen met bekende archeologische waarden. Enkel Scharnegoutum, Tirns en Raerd kennen (deels) een archeologische verwachting voor deze periode. voor Gauw, Goënga, Dearsum en Poppenwier geldt voor de periode steentijd-bronstijd geen archeologische verwachting (meer).
SWF- 8 dorpen oost ontwerp
36
Figuur 5
Uitsnede van de FAMKE steentijd-bronstijd
Figuur 6
Uitsnede van de FAMKE steentijd-bronstijd
SWF- 8 dorpen oost ontwerp
37
Figuur 7
Uitsnede van de FAMKE ijzertijd-middeleeuwen
Dorpen plangebied
Figuur 8
Uitsnede van de FAMKE ijzertijd-middeleeuwen
De archeologische waardevolle terreinen en de verwachtingszones zijn beschermd via een dubbelbestemming archeologie, afhankelijk van de toegekende waarde. Zoals gezegd
SWF- 8 dorpen oost ontwerp
38
wordt gebruikt gemaakt van twee soorten archeologische waarden. Het betreft de dubbelbestemmingen “Waarde - Archeologie 1” en “Waarde - Archeologie 2”. Waarde - Archeologie 1 wordt gehanteerd voor terreinen of gebieden die op de FAMKE het advies ‘streven naar behoud’ en ‘waarderend onderzoek’ hebben meegekregen, dus de bekende archeologisch waardevolle terreinen. Waarde - Archeologie 2 wordt gehanteerd voor gebieden die op de FAMKE het advies ‘karterend onderzoek’ en ‘quickscan’ hebben gekregen en zijn dan ook gebieden met een archeologische verwachtingswaarde. Analyse In gebieden met een archeologische waarde (Waarde - Archeologie 1) zijn in principe ingrepen vanaf 50 m2 en dieper dan 40 cm vergunningsplichtig en moet een archeologisch onderzoek uitgevoerd worden voorafgaand aan de vergunningverlening. Dit om de archeologische behoudenswaardigheid in voldoende mate te kunnen bepalen. Het vaststellen van de archeologische waarde wordt gedaan aan de hand van één of meerdere archeologisch vooronderzoeken. In eerste instantie moet een bureau- en booronderzoek worden uitgevoerd. Eventueel volgt hierop nog een proefsleuvenonderzoek. Na iedere onderzoeksfase wordt de rapportage van het betreffende onderzoek ter beoordeling aan de gemeente voorgelegd.
Het vooronderzoek wordt afgesloten als uit de beoordeling van de rapportage blijkt dat de waarde van het te verstoren terrein in voldoende mate is vastgesteld. Vervolgens wordt namelijk besloten of voorwaarden aan de omgevingsvergunning worden verbonden (opgraven, begeleiden en/of planaanpassing) of dat het plangebied archeologisch wordt vrijgegeven ten behoeve van de werkzaamheden. Voor de gebieden in een archeologische verwachtingszone (Waarde - Archeologie 2) zijn de vrijstellingsgrenzen ruimer en speelt mogelijk archeologisch onderzoek bij ingrepen vanaf 500 m2. Wanneer sprake is van bodemverstorende ingrepen dieper dan 40 cm, afhankelijk van de omvang van de ingreep, dan is archeologisch onderzoek nodig: Voor zover het plangebied op de hiernavolgende figuren is aangegeven als ‘karterend onderzoek 1’ dan moet een karterend onderzoek worden uitgevoerd indien er ingrepen zijn voorzien van een oppervlak van meer dan 500 m². Voor zover het plangebied op de hiernavolgende figuren is aangegeven als ‘karterend onderzoek 2’ dan moet een karterend onderzoek worden uitgevoerd indien er ingrepen zijn voorzien van een oppervlak van meer dan 2.500 m². Voor zover het plangebied op de hiernavolgende figuren is aangegeven als ‘karterend onderzoek 3’ dan moet een karterend onderzoek worden uitgevoerd indien er ingrepen zijn voorzien van een oppervlak van meer dan 5.000 m².
Uitgevoerd archeologisch onderzoek Een aantal gebieden binnen het bestemmingsplangebied zijn in het verleden al archeologisch onderzocht. Alleen de gebieden waarbij een volledige vrijstelling geldt, oftewel geen archeologische waarde meer, zijn op de plankaart niet meer voorzien van een archeologische dubbelbestemming (figuur 9).
SWF- 8 dorpen oost ontwerp
39
Figuur 9 Vrijgegeven archeologische onderzoeksgebieden (paars).
Voor dit bestemmingsplan is archeologisch onderzoek verder niet nodig, omdat het een conserverend bestemmingsplan betreft. Dit is een samenvoeging van bestaande ruimtelijke plannen, waarmee niet direct nieuwe ontwikkelingen mogelijk worden gemaakt. Bij nieuwe ontwikkelingen is een toetsing aan het aspect archeologie (archeologisch onderzoek) nodig wanneer de ontwikkeling plaatsvindt in een gebied met een dubbelbestemming “Waarde – Archeologie” en groter is dan de daarbij voorgeschreven onderzoeksvereisten. 4.4.3
Cultuurhistorie
Algemeen In 2019 heeft de gemeente Súdwest-Fryslân (samen met de gemeente De Fryske Marren, provincie Fryslân en de stichting Mar en Klif) in 2019 een Landschapsbiografie van de Friese Súdwesthoeke laten opstellen. Vrijwel heel Súdwest-Fryslân maakt deel uit van het Nationaal Landschap Zuidwest-Friesland. Dit gebied wordt gekenmerkt door een grote verscheidenheid aan landschapstypen, waaronder het stuwwallenlandschap in Gaasterland, de IJsselmeerkust van Makkum tot Lemmer, de kleizone met de wel bekende terpen en het veengebied van de Friese Meren. Ieder landschapstype kent een eigen ontstaansgeschiedenis en cultuurhistorische elementen die van grote waarde zijn voor de beleving van het landschap in de Súdwesthoeke. De waardevolle cultuurhistorische elementen in het buitengebied en het Nationale Landschap zijn op regionaal niveau geïnventariseerd en in kaart gebracht in de landschapsbiografie. Deze vormt een aanvulling op de reeds bestaande Cultuurhistorische kaart van Fryslân en sluit aan bij de door de provincie Fryslân uitgegeven “Wordingsgeschiedenis van Fryslân” en Grutsk op ‘e Romte. Hiermee is de
SWF- 8 dorpen oost ontwerp
40
feitelijke basis gelegd voor het ruimtelijk beleid en het “beter vertellen” van de historie van de Súdwesthoeke. Voor wat betreft met name het gebouwde erfgoed: in het hoofdlijnenakkoord 2018-2022 is aangegeven dat er gekozen is om een inventarisatie van het cultureel erfgoed in de kernen en het buitengebied per deelgebied uit te laten voeren. Op basis van deze inventarisatie kunnen in het bestemmingsplan karakteristieke panden en andersoortige objecten worden aangewezen. Analyse De historische kernen van de dorpen zijn rijk aan cultuurhistorische waarden. Hierbij gaat het onder andere om een groot aantal panden. Een deel is rijksmonument en zo beschermd via de wetgeving. Ter signalering van deze panden is op de verbeelding per rijksmonument een specifieke bouwaanduiding rijksmonument opgenomen. Daarnaast zijn in het plangebied karakteristieke panden aanwezig. Op basis van de bekende informatie en geldende regeling hebben deze een aanduiding 'karakteristiek' gekregen op de verbeelding. In de planregels is hiervoor een vergunningstelsel voor werken en/of werkzaamheden aan gekoppeld. In bijlage 3 bij de regels is een overzicht van karakteristieke panden opgenomen. Naast gebouwd erfgoed zijn ook andere cultuurhistorische waarden terug te vinden in het plangebied.
Op basis van de Cultuurhistorische kaart en de Landschapsbiografie zijn ook nog andere waarden vast te stellen in de plangebieden. In hoofdstuk 2.3 is de stedenbouwkundige opzet per kern inclusief een deel van de belangrijke cultuurhistorische elementen al beschreven. Hieronder volgt een analyse per categorie van de relevante cultuurhistorische elementen in het plangebied. Deze worden wanneer nodig via de verbeelding beschermd en in de planregels is een omgevingsvergunningenstelsel opgenomen. Geomorfologie en ontstaansgeschiedenis – Het plangebied ligt voor het grootste gedeelte in het uitgestrekte kleiterpengebied van het kleigebied Westergo en voor een klein deel in het Middelzeegebied (figuur 10). In het kleigebied Westergo bepalen de vele voormalige kreken, vaarten, oeverwallen en verspreid liggende terpdorpen en het grasland het karakter.
SWF- 8 dorpen oost ontwerp
41
Figuur 10 Geomorfologische kaart (bron: CHK Fryslân)
Toen de zee achter de dijken bedwongen was, kwamen meer verspreide bewoning van losse boerderijen en meer lineaire buurtjes en linten van min of meer aaneengesloten bebouwing tot ontwikkeling, langs of naast een dijk, waterloop en/of weg. Het waterwegennet was voor Westergo van groot belang voor de ontwikkeling van de regio. De belangrijke waterverbindingen volgden deels natuurlijke waterlopen. Vroeger was het waterwegennet van opvaarten heel belangrijk. Het vormde veelal de enige ontsluiting voor boerderijen en dorpen: vele dorpen en boerderijen liggen nog steeds aan de oude opvaarten. Op de kwelderwallen, opgebouwd uit kalkrijke zandige zeeklei, is sprake van onregelmatige blokverkaveling. Dit type verkaveling is vaak zeer oud. De basis ervan stamt vaak uit de periode voor de bedijkingen, die rond de 11 eeuw begonnen. Er is sprake van
SWF- 8 dorpen oost ontwerp
42
voornamelijk lineaire en blokvormige terpnederzettingen (zonder kerk) en terpdorpen (met kerk). Op de kwelderwal Rauwerd-Sneek liggen de terpdorpen Goënga, Dearsum en deels Scharnegoutum, Poppenwier en Raerd. Van Stavoren (grofweg) diagonaal over Fryslân heen tot aan Rinsumageast in het noorden ligt een overgangsstrook tussen de klei en het laagveen: het zogenaamde ‘klei-op-veengebied’ waar zich dus een dun kleidek op laagveen bevindt. Dit klei-op-veengebied kenmerkt zich door de lage ligging, het open landschap met grasland, de klei-op-veen terpen en de klei-op-veen terpdorpen, zoals Gauw, Offingawier en deels Poppenwier, Raerd, Tirns en Scharnegoutum. Veel van de kleinere (veen-)terpen zijn onzichtbaar omdat zij overslibd zijn. De opstrekkende verkaveling, kwam in hoofdzaak tot stand vanaf ca. de 10de eeuw na Chr., al kan deze hier en daar oudere wortels hebben. Het Middelzeegebied omvat het gebied van de voormalige Middelzee binnen de eerste dijken. De Middelzee was een zeearm gelegen tussen de gewesten Westergo en Oostergo. In de voormalige Middelzee tussen deze gewesten loopt de Swette. De Middelzee liep ver landinwaarts en eindigde tussen Sneek en Bolsward. Tirns en Scharnegoutum liggen deels in en aan de rand van de voormalige Middelzee, Dearsum bevindt zich aan de rand.
Het gebied is, binnen de eerste zeedijken, gefaseerd aangeslibd en vervolgens ingepolderd en ingedijkt: de zee zette klei af, wanneer een buitendijks stuk land groot genoeg en hoog genoeg was, sloot men het van de zee af met de aanleg van een zeepolderdijk -die de aangeslibde gebieden verder tegen de zee beschermde. De dijken langs en in de Middelzee zijn, van zuid naar noord, tussen de 10de en 11de eeuw en het begin van de 18de eeuw aangelegd. De oude zeepolders liggen laag ten opzichte van het aangrenzende terpengebied en kennen een relatief regelmatige blokverkaveling, opstrekkend vanuit de kwelderwallen. De bodem bestaat uit zware en zavelige kleigronden. Verkaveling – Rondom de kernen is sprake van verschillende verkavelingstypen: onregelmatige blokverkaveling (Scharnegoutum en Tirns, regelmatige blokverkaveling (Scharnegoutum en Tirns, Raerd), opstrekkende verkaveling (Offingawier en Gauw) en overgangszone opstrekkende en blokverkaveling (Goënga, Dearsum, Poppenwier en Raerd) (figuur 11). In een aantal kernen, behalve in Tirns en Goënga, bevinden zich enkele percelen met een agrarische bestemming; deze zijn voorzien van een dubbelbestemming Waarde-Landschap verkaveling. Deze dubbelbestemming is gebaseerd op een hoge waardering van het betreffende verkavelingstype in een recent uitgevoerd onderzoek (Historische verkaveling in de gemeente Súdwest-Fryslân.
Cultuurhistorische waardering, 2021,Projectnummer: CA2118, Cultuurland Advies).
SWF- 8 dorpen oost ontwerp
43
Figuur 11 Verkavelingskaart ( bron: Cultuurland Advies)
Dijken- Oorspronkelijk liepen zee(polder)dijken door en/of direct langs Tirns, Scharnegoutum, Dearsum en Raerd (figuur 12). De dijken bij Dearsum en Raerd zijn inmiddels verdwenen. Tirns en Scharnegoutum, worden nog steeds gedeeltelijk ontsloten via en doorkruist door zee(polder)dijken, welke in gebruik zijn als openbare weg. De dijken in de bebouwde kom van Tirns en Scharnegoutum zijn niet gewaardeerd. Daar waar ze in gebruik zijn als openbare weg kennen ze een “enkelbestemming: Verkeer-Verblijf” en doorgaans ook een dubbelbestemming Waarde-Cultuurhistorisch waardevolle lijnen en zijn daarmee voldoende beschermd.
SWF- 8 dorpen oost ontwerp
44
Figuur 12 Overzichtskaart dijken (bron: Landschapsbiografie)
Paden en Wegen – Verkeer over land heeft zich tot halverwege de 19de eeuw beperkt tot wegen over dijken, de hoger gelegen kwelderwallen en jaagpaden. De wegen gelegen op het oorspronkelijke maaiveld waren grote delen van het jaar onbegaanbaar omdat het te drassig was. Halverwege de 19de eeuw werd echter de kwaliteit van de bestaande landwegen sterk verbeterd en nieuwe verharde wegen aangelegd. In het plangebied waren vele kerk- en kloosterpaden, jaagpaden en wegen voor zwaarder verkeer aanwezig. Deze zijn deels verdwenen door de jaren heen. Een aantal van deze paden en wegen functioneren thans als openbare weg en hebben in dit bestemmingsplan de enkelbestemming: Verkeer-Verblijf gekregen. Dit met uitzondering van het jaagpad (deel van Swettepaad) langs De Swette in Scharnegoutum. Historische paden en wegen die nog aanwezig zijn en hoog of zeer hoog zijn gewaardeerd op basis van recent cultuurhistorisch onderzoek hebben daarnaast de dubbelbestemming Waarde-Cultuurhistorisch waardevolle lijnen gekregen (figuur 13) (Historische paden en wegen in de gemeente Súdwest-Fryslân. Cultuurhistorische inventarisatie en waardering, 2021,Projectnummer: CA2115, Cultuurland Advies).
SWF- 8 dorpen oost ontwerp
45
Figuur 13 Overzichtskaart historische paden en wegen in de gemeente Súdwest-Fryslân (bron: Cultuurland Advies)
Vaarwegen – Tot ver in de 19de eeuw vormden waterwegen de belangrijkste transportroutes op het grondgebied van de gemeente Súdwest-Fryslân. Het land beschikte van nature al over een dicht netwerk van geulen, prielen en kreken. Naast een strijd tegen het zeewater heeft men in Westergo voortdurend geworsteld met de binnenwaterhuishouding. In de periode van vóór de bedijkingen was er sprake van een goede natuurlijke afwatering. Om de afwatering te verbeteren werden talloze vaarten gegraven en natuurlijke waterlopen aangepast. Deze oudste vaarten waren gebaseerd op de bochtige kreken en geulen, heel anders dan de rechte vaarten die in een latere periode werden aangelegd. Veel van de vaarten in het plangebied zijn bewaard gebleven en degene met een hoge of zeer hoge
SWF- 8 dorpen oost ontwerp
46
waardering in de Landschapsbiografie hebben een dubbelbestemming Waarde-Cultuurhistorisch waardevolle lijnen gekregen, naast de enkelbestemming-Water. Het gaat hier voornamelijk om dorpsvaarten en daarnaast om opvaarten en een trekvaart (De Swette) (figuur 14).
Figuur 14 Overzichtskaart vaarwegen (bron: Landschapsbiografie)
Beschermde gezichten - De meeste dorpen binnen het plangebied hebben een middeleeuwse oorsprong. Een aantal worden zodanig van waarde geacht dat deze middels dit bestemmingsplan een bescherming hebben gekregen.
SWF- 8 dorpen oost ontwerp
47
Van Poppenwier is een deel van het dorp in 1991 door het rijk aangewezen als rijksbeschermd dorpsgezicht. De voormalige gemeente Wymbritseradiel heeft ook delen van de kernen Scharnegoutum en Goënga aangewezen als gemeentelijk beschermd dorpsgezicht. Voor de in het plangebied liggende rijks en gemeentelijke beschermde dorpsgezichten zijn aanwijzingsbesluiten genomen, deze zijn opgenomen in bijlage 1 t/m 3 bij deze toelichting. De waarde van de dorpen zit in een ruimtelijke structuur, die in het verleden is ontstaan en nog duidelijk herkenbaar is. De kernen hebben een herkenbaar bebouwingsbeeld, waarin de bouwvorm, detaillering en het materiaalgebruik veelal nog oorspronkelijk is. Voor deze rijksbeschermde- en gemeentelijk dorpsgezichten is in het bestemmingsplan de bestemming ‘Waarde- Beschermd Dorpsgezicht’ opgenomen. Kerken – centraal in elk dorp binnen het plangebied staat het kerkgebouw. Alle dorpskerken zijn beschermd als rijksmonument. Daarnaast is in Poppenwier de gereformeerde kerk opgenomen in dit bestemmingsplan als karakteristiek bouwwerk. Hiervan was het orgel reeds beschermd als rijksmonument. Ook de voormalige gereformeerde kerken in Gauw en Scharnegoutum zijn de opgenomen als karakteristiek pand. Monumentale en karakteristieke bebouwing – Zoals hierboven al beschreven zijn de meeste kerken binnen het plangebied beschermd als rijksmonument.
Daarnaast een poortgebouw en een pakhuis. Binnen het plangebied is één boerderij beschermd als rijksmonument en vijftien woonhuizen. Al deze rijksmonumenten zijn ter signalering op de verbeelding opgenomen als ‘Monument’ en in de planregels zijn hier summiere regels aan gekoppeld, omdat deze op een andere wijze ook al beschermd zijn. In de kernen zijn geen gemeentelijke monumenten aanwezig. Daarnaast zijn een kleine vijftig bouwwerken opgenomen in dit bestemmingsplan als ‘karakteristiek bouwwerk’. Hierbij is een onderscheid aangebracht in: - Bouwwerken met de omschrijving K1 die een zodanige monumentale waarde vertegenwoordigen, dat behoud van bouwwerk gewenst is. Hierbij valt te denken aan het behoud van een bepaalde geleding in de bouwmassa, een specifieke dakvorm en geveltype. Voor het slopen is een omgevingsvergunning verreist omdat behoud van het historisch materiaal gewenst is. - Bouwwerken met de omschrijving K2. Deze zijn tijdens het onderzoek naar karakteristieke bouwwerken beoordeeld als waardevol. Deze bouwwerken vertegenwoordigen een zodanige waarde, dat het van belang is om de hoofdvorm van het bouwwerk in hoofdzaak in stand te houden. Hierbij valt te denken aan het behoud van een bepaalde geleding in de bouwmassa, een specifieke dakvorm en geveltype.
Van de circa 50 bouwwerken, zijn er circa 7 bouwwerken gebouwd als boerderij; circa 25 als woonhuis en circa 4 (voormalige) schoolgebouwen. Ook een aantal transformatorgebouwtjes zijn opgenomen in dit bestemmingsplan als karakteristiek. Daarnaast zijn nog een aantal begraafplaatsen en grafmonumenten opgenomen op de lijst. Ook een aantal pastorieën en een opgenomen op de verbeelding als karakteristiek. Een overzicht van rijksmonumenten en karakteristieke bouwwerken is als bijlage toegevoegd aan dit bestemmingsplan. Zuivelfabrieken - Ook als karakteristiek bouwwerk opgenomen in dit bestemmingsplan is de (voormalige) zuivelfabriek met directeurswoning te Scharnegoutum. In 1897 werd een Hinderwetvergunning aangevraagd door de zuivelfabriek te Scharnegoutum. De
SWF- 8 dorpen oost ontwerp
48
fabriek wordt opgericht op het terrein gelegen tussen de opvaart langs de grindweg en de Trekvaart. die tot 1965 dienst heeft gedaan. Daarna zijn delen van de zuivelfabriek herbestemd en hebben een nieuwe functie gekregen. Delfts rood – In Scharnegoutum zijn na de oorlog woonhuizen gebouwd die aangemerkt kunnen worden als ‘Delfts rood’. Op pandniveau vertegenwoordigen deze echter niet een zodanige waarde dat deze aanvullende bescherming verdienen middels dit bestemmingsplan. Wederopbouwwijken – Rondom de Tweede Wereldoorlog zijn er in meerdere periodes woningen gebouwd binnen het plangebied. Op pandniveau vertegenwoordigen deze echter niet een zodanige waarde dat deze aanvullende bescherming verdienen middels dit bestemmingsplan. Stinzen, states en buitenplaatsen - Het Friese woord stins betekent steenhuis. Vanaf halverwege de 12de eeuw werden stinzen gebouwd, torenvormige gebouwen die verdedigd konden worden. De stinsterreinen bestonden vaak uit twee, door een brug met elkaar verbonden, omgrachte percelen, één met de stinstoren op de kunstmatige verhoging en één met een woning, doorgaans een boerderij. Er kwamen in de tweede helft van de 16de en het begin van de 17de eeuw in het plangebied vele states tot stand, van states met het karakter van een kasteel tot states die op deftige boerderijen leken, want vaak was een state gecombineerd met een boerenbedrijf.
De latere opvolgers worden buitenplaatsen, landgoederen, genoemd. In de 18de en 19de eeuw zijn de meeste states ‘op afbraak verkocht’. Een nieuw stelsel van vererving belette de eigenaars om de kostbare gebouwen blijvend te kunnen onderhouden. Op de meeste, meestal omgrachte, terreinen werden boerderijen gesticht die meestal de naam van de state behielden. De meeste stinzen en states zijn dus verdwenen. Van de Jongemastate te Raerd zijn het poortgebouw uit 1603 (rijksmonument) en de grachten wel bewaard gebleven
Afb. 15 Een foto van de na 1912 gesloopte Jongemastate met het thans nog aanwezige poortgebouw, genomen rond 1900 (bron: ADC Archeoprojecten)
Bij archeologisch onderzoek in 2005 zijn fundamenten van de state in de bodem aangetroffen.
SWF- 8 dorpen oost ontwerp
49
In het plangebied bevinden zich meerdere states en stinzen, waarvan de locaties vastgesteld zijn aan de hand van de Cultuurhistorische Kaart Fryslân en de Landschapsbiografie (figuur 16). Ook waar later geen boerderij tot stand is gekomen, zijn de terreinen soms nog in het landschap zichtbaar en herkenbaar. Het gaat naast de Jongemastate te Raerd om nog drie terreinen: in Raerd de stinswier van Inhemren, in Poppenwier om de stins en/of state Sytthiema en in Gauw om de Oedsma state. Ze zijn beschermd middels een dubbelbestemming Waarde – Cultuurhistorie-Stinzen, States, Buitenplaatsen en Kloosters.
Afb. 16 Overzichtskaart Stinzen en states (bron: CHK Fryslân)
Boerderijplaatsen-In het plangebied bevinden zich diverse historische boerderijplaatsen (figuur 17). Deze zijn opgenomen op de cultuurhistorische kaart. Boerderijplaatsen verschaffen ons, omdat zij de kern vormden van de toenmalige agrarische samenleving, kennis over de bewoningsgeschiedenis en over de ontwikkeling van het cultuurlandschap op lokaal, regionaal en provinciaal niveau. Boerderijplaatsen zijn zeer kenmerkend voor het landschapsbeeld van de provincie. Een deel hiervan met nog bestaande bebouwing is beschermd middels een aanduiding monument of karakteristiek. De ondergrond kent doorgaans bescherming middels een archeologische dubbelbestemming op grond van de FAMKE.
SWF- 8 dorpen oost ontwerp
50
Afb. 17 Overzichtskaart boerderijplaatsen (bron: CHK Fryslân)
4.4.4
Conclusie
Het betreft hier een herziening van de bestaande conserverende bestemmingsplannen. Aanwezige en verwachte cultuurhistorische en archeologische waarden worden wanneer nodig beschermd door middel van een dubbelbestemming en/of een aanduiding. Het bestemmingsplan is vanuit cultuurhistorisch oogpunt dan ook uitvoerbaar. Nadere onderzoeken zijn niet nodig. In alle gevallen blijft de archeologische meldingsplicht van toevalvondsten van kracht (artikel 5.10, lid 1 Erfgoedwet). Concreet houdt dit in dat wanneer bij graafwerkzaamheden vondsten worden aangetroffen waarvan de vinder redelijkerwijs moet kunnen weten dat het archeologie betreft, dit gemeld moet worden bij het bevoegd gezag, zijnde de gemeente.
SWF- 8 dorpen oost ontwerp
51
4.5
Duurzame verstedelijking
In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) is 'de ladder voor duurzame verstedelijking' geïntroduceerd. De ladder is per 1 oktober 2012 ook als procesvereiste opgenomen in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). In de Ladder voor duurzame verstedelijking is opgenomen dat de toelichting van een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, een beschrijving bevat van de behoefte aan de voorgenomen stedelijke ontwikkeling. Indien blijkt dat de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stedelijk gebied mogelijk is, bevat de toelichting een motivering daarvan en een beschrijving van de mogelijkheid om in die behoefte te voorzien op de gekozen locatie buiten het bestaand stedelijk gebied. Met dit bestemmingsplan wordt niet voorzien in nieuwe ontwikkelingen. De ladder voor duurzame verstedelijking is dan ook niet van toepassing op dit plangebied. Wanneer nieuwe ontwikkelingen binnen het plangebied later plaatsvinden, vindt daarvoor specifiek een toetsing aan de ladder plaats.
4.6
Ecologie
4.6.1
Wet- en regelgeving
Bij elk ruimtelijk plan moet er rekening worden gehouden met beschermingswaardige natuurwaarden. Hiertoe is er regelgeving op het gebied van gebiedsbescherming en soortenbescherming opgenomen in de Wet natuurbescherming. Gebiedsbescherming De gebiedsbescherming is vastgelegd in hoofdstuk 2 van de Wet natuurbescherming. De wet bundelt de gebiedsbescherming van nationaal begrensde natuurgebieden met de Europese Vogel- en habitatrichtlijn. Er zijn een tweetal type natuurgebieden die door de Wet natuurbescherming worden beschermd. Dit zijn de Wetlands en de Natura 2000-gebieden. Verder vormt de Wet natuurbescherming de basis voor het nationale Natuurbeleidsplan waarin het Natuurnetwerk Nederland in is verwerkt. Het Natuurnetwerk Nederland is een samenhangend netwerk van bestaande en nog te ontwikkelen belangrijke natuurgebieden in Nederland. Voorheen stond het Natuurnetwerk Nederland bekend als de Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Het Natuurnetwerk Nederland is als beleidsdoel opgenomen in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) en is uitgewerkt in het Streekplan Fryslân. Soortenbescherming De bescherming van soorten is geregeld in de Wet natuurbescherming. De wet is gericht op de bescherming, instandhouding en het behoud van plant- en diersoorten in het wild en hun directe leefomgeving.
Het uitgangspunt is dat schadelijke activiteiten in beginsel niet zijn toegestaan, tenzij er een uitzondering voor is gemaakt. Dat is het zogenaamde “Nee, tenzij-principe” en is in de wet opgenomen als een algemeen verbod op schadelijke effecten voor plant- en diersoorten, de zorgplicht. De zorgplicht geldt voor iedere beschermde soort die is opgenomen in de Vogel- en Habitatrichtlijn of opgenomen in de lijst van Nationale Soorten (onderdeel A en B, bijlage Wet natuurbescherming). Om een ontheffing te krijgen van de zorgplicht, moet er worden aangetoond dat er geen afbreuk wordt gedaan aan de goede staat van instandhouding van de soort. De voorwaarden voor het verkrijgen van een ontheffing zijn daarnaast afhankelijk van het beschermingsregime van de soort.
SWF- 8 dorpen oost ontwerp
52
In de Wet natuurbescherming is er een driedeling gemaakt in het beschermingsregime voor soorten. Het gaat om de volgende beschermingsregimes: 1
Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn (artikel 3.1 Wet natuurbescherming). Alle van nature in Nederland in het wild levende vogels, zoals opgenomen in artikel 1 van de Vogelrichtlijn.
2
Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn (artikel 3.5 Wet natuurbescherming). Het gaat om de soorten genoemd in Bijlage IV, onderdeel a van de Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het Verdrag van Bern en Bijlage I van het Verdrag van Bonn. In de bijlagen van de verdragen van Bern en Bonn worden ook vogelsoorten genoemd.
3
Beschermingsregime Andere Soorten (artikel 3.10 Wet natuurbescherming). Alle soorten genoemd in onderdelen A en B van de bijlage van de Wet natuurbescherming.
De soorten genoemd onder punt 3 vallen onder een lager beschermingsregime dan een soorten genoemd onder punt 1 en 2. In principe geldt voor alle beschermde soorten een ontheffingsplicht, ook voor de algemenere Andere Soorten. De Wet natuurbescherming biedt provincies de mogelijkheid om een vrijstellingsbesluit op te stellen. In dit besluit staat onder andere voor welke soorten een vrijstelling geldt van de verbodsbepalingen in artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming. Voor vogels geldt een aanvullend beschermingsregime, waarbij extra regels kunnen worden gesteld voor bijvoorbeeld jaarrond beschermde nesten. Naar verwachting blijft de bescherming van vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten gelijk onder de Wet natuurbescherming. Voor het verstoren van vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten geldt dat er meestal geen ontheffing wordt verleend. 4.6.2
Gebiedsbescherming
In de nabijheid van Offingawier bevindt zich het Sneekermeer. Dit gebied is onderdeel van de Natuurnetwerk Nederland en zijn Natura 2000-gebieden. Overige Natura 2000 gebieden bevinden zich op een dusdanige afstand van het plangebied (>3 km) dat effecten op deze gebieden zijn uit te sluiten. Rondom en in het plangebied zijn ook meerdere natuurgebieden (EHS, overige natuur en natuur buiten de EHS) aanwezig. In paragraaf 3.2.3 (Verordening Romte) staat het beleid ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland, de ganzenfoerageergebieden en de weidevogelkansgebieden opgenomen. In de volgende figuren staan de contouren van de Natura 2000-gebieden, het Natuurnetwerk Nederland (voorheen EHS) en de ganzenfoerageer en weidevogelkansgebieden weergeven.
SWF- 8 dorpen oost ontwerp
53
Figuur 7
Contouren Natura 2000-gebieden rondom het plangebied (bron: Alterra)
Figuur 8
Ecologische Hoofdstructuur en natuur buiten EHS (bron: Provincie Fryslân)
SWF- 8 dorpen oost ontwerp
54
Figuur 9
Ganzenfoerageer- en weidevogelkansgebieden (bron: Provincie Fryslân)
Effecten
Het bestemmingsplan betreft een plan dat vooral een nieuwe actuele regeling biedt voor bestaande gebieden waarin geen ontwikkelingen plaatsvinden. Effecten op de Natura 2000-gebieden rondom het plangebied zijn dan ook uit te sluiten. Conclusie Vanwege het bovenstaande en het feit dat er geen nieuwe of ingrijpende ontwikkelingen worden uitgevoerd binnen of rondom een natuurgebied, wordt verwacht dat vanuit de regeling van het bestemmingsplan geen negatieve effecten plaatsvinden op de aangeduide gebieden. Nieuwe projecten of activiteiten, waarbij een mogelijk negatief effect op de natuurgebieden is, moeten worden getoetst aan de Wet natuurbescherming. 4.6.3
Soortenbescherming
In het plangebied kunnen op verschillende plaatsen beschermde soorten (waaronder vleermuizen en vogels) voorkomen. Wanneer hier sprake van is, dan vindt bescherming plaats via de Wet natuurbescherming. Ontwikkelingen leiden mogelijk tot schade aan bijvoorbeeld de verblijfplaatsen of foerageergebieden van beschermde soorten, wat leidt tot overtreding van de verbodsbepalingen van de genoemde wet. Bij toekomstige initiatieven is een onderzoek dan ook vaak noodzakelijk, afhankelijk van de werkzaamheden die hiervoor verricht worden. Effecten In het bestemmingsplan worden geen nieuwe of ingrijpende planologische ontwikkelingen mogelijk worden gemaakt. Het betreft immers een conserverend bestemmingsplan. Voor de mogelijk aanwezige beschermde soorten in - en in de nabijheid van - het plangebied bestaan bovendien voldoende mogelijkheden om effecten op beschermde soorten te
SWF- 8 dorpen oost ontwerp
55
voorkomen of te mitigeren. Hierbij moet men denken aan het werken buiten kwetsbare perioden en het waarborgen van het functionele leefgebied van de soort. Vanwege de ruime mogelijkheden om effecten op mogelijk aanwezige beschermde soorten te voorkomen of mitigeren en het slechts lokale karakter van mogelijk toekomstige ontwikkelingen, worden negatieve effecten worden. Conclusie De herziening van het bestemmingsplan wordt niet belemmerd op basis van ecologie. Mocht sprake zijn van ontwikkelingen, dan moet per ontwikkeling en de daaraan gekoppelde werkzaamheden bepaald worden in hoeverre een ecologisch onderzoek nodig is. Dat heeft geen gevolgen voor dit bestemmingsplan.
4.7
Externe veiligheid
4.7.1
Algemeen toetsingskader
Externe veiligheid gaat om het beperken van de kans op en het effect van een ernstig ongeval voor de omgeving door de volgende risicobronnen: − −
−
het gebruik, de opslag en de productie van gevaarlijke stoffen (in inrichtingen); het transport van gevaarlijke stoffen (over wegen, waterwegen en spoorwegen en door buisleidingen); het gebruik van luchthavens, maar dat speelt in de gemeente Súdwest-Fryslân niet.
Het externe veiligheidsbeleid richt zich op het beperken van de risico’s voor mensen die wonen of verblijven in de omgeving waar deze activiteiten plaatsvinden. Het externe veiligheidsbeleid is verankerd in wet- en regelgeving. Voor het bestemmingsplan zijn de volgende besluiten relevant waaraan getoetst moet worden: Plaatsgebonden risico (PR) Het PR is de berekende kans per jaar, dat een persoon overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval bij een risicobron, aangenomen dat hij op die plaats permanent en onbeschermd verblijft. Groepsrisico (GR) Dit is de kans dat een groep mensen overlijdt door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het GR moet worden gezien als een maat voor maatschappelijke ontwrichting. Het externe veiligheidsbeleid is verankerd in diverse wet- en regelgeving. De volgende besluiten zijn relevant: 1. Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) Met het Bevi zijn risiconormen voor externe veiligheid met betrekking tot bedrijven met gevaarlijke stoffen wettelijk vastgelegd. 2. Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) Op basis van het Bevb dienen plannen, vergelijkbaar met het Bevi, te worden getoetst aan de grens- en richtwaarde voor het PR en de oriëntatiewaarde voor het GR.