CConstaterende datSudwest Fryslan
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage Ia - Ontwerpbestemmingsplan

Raadsvergadering 31 maart 2021, gemeente Sudwest FryslanBij agendapunt: Bestimmingsplan SWF – 8 doarpen Noard en bedriuwenterrein Wommels25.730 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

28

In de wet zijn archeologische resten beschermd. Wanneer de bodem wordt verstoord moeten archeologische resten intact blijven. Als dit niet mogelijk is, is opgraving een optie. Om inzicht te krijgen in de kans op het aantreffen van archeologische resten in bepaalde gebieden zijn op basis van historisch onderzoek archeologische verwachtingskaarten opgesteld. Volgens de gemeentelijke erfgoedvisie en –nota wordt uitgegaan van de Cultuur Historisch kaart van de provincie Fryslân (CHK), waar ook de Friese Archeologische Monumentenkaart Extra (FAMKE) deel van uit maakt. Op deze kaarten is informatie opgenomen over archeologische en cultuurhistorische waarden. Daarnaast is gebruik gemaakt van de thematische structuurvisie ‘Grutsk op ‘e Romte’ waarin de kernkwaliteiten van het cultuurhistorisch erfgoed en het landschap in Fryslân beschreven staan. 4.4.2 Archeologie Algemeen Bij het opstellen en uitvoeren van ruimtelijke plannen wordt rekening gehouden met de bekende en de te verwachten archeologische waarden. Op welke plaatsen archeologisch onderzoek aan de orde is, wordt op grond van het gemeentelijk beleid bepaald. De gemeente volgt hiertoe de provinciale Friese Archeologische Monumentenkaart Extra (FAMKE). Op deze kaart worden voor de perioden Steentijd - Bronstijd en IJzertijd Middeleeuwen adviezen gegeven over eventueel te verrichten onderzoeken.

Uit de gemeentelijke uitsnede van de FAMKE (zie figuren. 7 en 8) blijkt dat in het plangebied diverse terreinen met bekende archeologische waarden aanwezig zijn, de zogenaamde ‘streven naar behoud’ en ‘waarderend onderzoek’ terreinen. Dit betreft voor de periode steentijd-bronstijd vooral vuursteenvindplaatsen en voor de periode ijzertijdmiddeleeuwen vooral terpen. Voor de rest van het plangebied is sprake van zogenaamde verwachtingszones, waarbij voor een deel van het plangebied geen archeologische verwachting (meer) geldt. Vooral voor de periode steentijd-bronstijd geldt er voor een groot gedeelte van het plangebied geen archeologische verwachting (meer).

Figuur 8: Fragment FAMKE Advies steentijd-bronstijd (Bron: Provinsje Fryslân)

29

Figuur 9: Fragment FAMKE Advies ijzertijd-middeleeuwen (Bron: Provinsje Fryslân)

De archeologische waardevolle terreinen en de verwachtingszones zijn beschermd via een dubbelbestemming archeologie, afhankelijk van de toegekende waarde. Zoals gezegd wordt gebruikt gemaakt van twee soorten archeologische waarden. Het betreft de dubbelbestemmingen “Waarde - Archeologie 1” en “Waarde - Archeologie 2”. Waarde - Archeologie 1 wordt gehanteerd voor terreinen of gebieden die op de FAMKE het advies ‘streven naar behoud’ en ‘waarderend onderzoek’ hebben meegekregen, dus de bekende archeologisch waardevolle terreinen. Waarde - Archeologie 2 wordt gehanteerd voor gebieden die op de FAMKE het advies ‘karterend onderzoek’ en ‘quickscan’ hebben gekregen en zijn dan ook gebieden met een archeologische verwachtingswaarde. In gebieden met een archeologische waarde (Waarde - Archeologie 1) zijn in principe ingrepen vanaf 50 m2 en dieper dan 40 cm vergunningsplichtig en een archeologisch onderzoek uitgevoerd worden voorafgaand aan de vergunningverlening. Dit om de archeologische behoudenswaardigheid in voldoende mate te kunnen bepalen. Het vaststellen van de archeologische waarde wordt gedaan aan de hand van één of meerdere archeologisch vooronderzoeken. In eerste instantie moet een bureau- en booronderzoek worden uitgevoerd. Eventueel volgt hierop nog een proefsleuvenonderzoek.

Na iedere onderzoeksfase wordt de rapportage van het betreffende onderzoek ter beoordeling aan de gemeente voorgelegd. Het vooronderzoek wordt afgesloten als uit de beoordeling van de rapportage blijkt dat de waarde van het te verstoren terrein in voldoende mate is vastgesteld. Vervolgens wordt namelijk besloten of voorwaarden aan de omgevingsvergunning worden verbonden (opgraven, begeleiden en/of planaanpassing) of dat het plangebied archeologisch wordt vrijgegeven ten behoeve van de werkzaamheden. Voor de gebieden in een archeologische verwachtingszone (Waarde - Archeologie 2) zijn de vrijstellingsgrenzen ruimer en speelt mogelijk archeologisch onderzoek bij ingrepen vanaf 500 m2. Wanneer sprake is van bodemverstorende ingrepen dieper dan 40 cm, afhankelijk van de omvang van de ingreep, dan is archeologisch onderzoek nodig: − Voor zover het plangebied op de FAMKE is aangegeven als ‘karterend onderzoek 1’ dan moet een karterend onderzoek worden uitgevoerd indien er ingrepen zijn voorzien van een oppervlak van meer dan 500 m².

30

Voor zover het plangebied op de FAMKE is aangegeven als ‘karterend onderzoek 2’ dan moet een karterend onderzoek worden uitgevoerd indien er ingrepen zijn voorzien van een oppervlak van meer dan 2.500 m². − Voor zover het plangebied op de FAMKE is aangegeven als ‘karterend onderzoek 3’ dan moet een karterend onderzoek worden uitgevoerd indien er ingrepen zijn voorzien van een oppervlak van meer dan 5.000 m². Binnen het plangebied komt zowel gebieden met Waarde - Archeologie 1 als Waarde Archeologie 2 voor. In dit bestemmingsplan worden geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt. De bestaande situatie wordt slechts voorzien van een actuele regeling, waardoor op voorhand archeologisch onderzoek niet noodzakelijk is. Bij toekomstige bodemingrepen (bijv. bij bouwen of graven) binnen de dubbelbestemmingen zal worden getoetst aan de drempelwaarden en wordt zonodig archeologisch onderzoek uitgevoerd. Uitgevoerd Archeologisch onderzoek Een aantal gebieden binnen het bestemmingsplan zijn in het verleden al archeologisch onderzocht. De gebieden waarbij een volledige vrijstelling geldt, oftewel gebieden die geen archeologische (verwachtings-) waarde meer hebben, zijn niet meer voorzien van de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 1 of 2’. Het gaat in totaal om zes terreinen (één in Wiuwert, één in Hidaard, twee in Itens en twee in Wommels). −

Figuur 10:

Uitgevoerde archeologische onderzoeken

31

4.4.3 Cultuurhistorie Geomorfologie – De dorpen binnen dit bestemmingsplan liggen in het kleigebied van Westergo. Westergo is een streek in Friesland. Na de laatste ijstijd steeg de zeespiegel en kreeg de zee meer vat op het toenmalige dekzandlandschap van het huidige Fryslân. De Friese kust verschoof en achter de huidige Waddeneilanden ontstond een wadden- en kweldergebied. Het kweldergebied bestond uit kwelderwallen met daartussen kweldervlaktes die doorsneden werden door prielen en geulen. De laatste grootste getijdengeul die zich in dit gebied ontwikkelde was de Middelzee. Vanaf de 12de eeuw slipte de Middelzee dicht en werd stapsgewijs ingepolderd. Nederzettingstypologie - Om zich tegen het water te beschermen wierp men vanaf ongeveer 500 v. Chr. terpen op. Door overstromingen werden deze deels weer verlaten, maar circa 600 n. Chr. werd het gebied opnieuw in gebruik genomen en werden overal langs het Friese kustgebied terpen aangelegd. De meeste dorpen in dit bestemmingsplan zijn van oorsprong terpdorpen. In de Middeleeuwen ontstonden van hieruit de wat grotere dorpen. Regelmatig werd een terp op een al reeds bestaande hoogte in het landschap aangelegd, zoals op een oever- of kwelderwal. Bij een terpdorp was alle bebouwing zoveel mogelijk geconcentreerd op de kunstmatig aangelegde woonheuvel.

Nadat in de Late Middeleeuwen het gehele gebied bedijkt werd, kon de bebouwing zich ook buiten de terp uitbreiden langs een vaart of dijk. Rien en Reahûs hebben een andere ontstaansgeschiedenis zoals in paragraaf 2.3.1 is beschreven. Samen met een deel van Itens hebben deze dorpen zich in latere tijden deels langs dijken ontwikkeld. Landschapstypen en verkaveling – Om het gebied geschikt te maken voor agrarisch gebruik werd het gebied in ontginning gebracht. Eerst op voorzichtige wijze in de IJzertijd en later op grootschalige wijze in de Middeleeuwen. De geomorfologie van de ondergrond is bepalend geweest voor de verkaveling. De blokvormige verkaveling van de kweldervlaktes is veelal onregelmatig, omdat de grillige gevormde prielen en geulen in dit gebied de basis vormden voor de afwatering. De dorpen Reahûs, Rien en Itens zijn deels gebouwd in een gebied waar er polderverkaveling aanwezig is, op locaties waar voorheen de Middelzee stroomde. In dit bestemmingsplan hebben de waardevolle verkavelingssloten de aanduiding ‘Water’ gekregen, waarbij er bij wijzigingen ook getoetst wordt op het aspect cultuurhistorie. Dijken – Vanaf de 11de - 12de eeuw ging men over tot het aanleggen van dijken ter bescherming tegen het water. Om zich te beschermen tegen het water van de Middelzee werd onder andere de Sânleansterdyk en De Hoep aangelegd. Reahûs, Rien en Itens liggen aan deze dijken.

Voor zover er nog waardevolle restanten aanwezig zijn van deze dijken binnen deze 3 dorpen, zijn deze opgenomen op de verbeelding met de “Gebiedsaanduiding: overige zone – dijken”. In de planregels zijn er regels aan gekoppeld met de bedoeling het profiel van deze historische dijklichamen zoveel mogelijk intact te laten. Paden en wegen – In het gebied waren vele voetpaden en andere wegen aanwezig. Een aantal van deze paden en wegen functioneren nu ook nog als openbare weg. Daarnaast zijn er van een groot aantal met name voetpaden geen zichtbare restanten meer aanwezig. Paden en wegen die nog wel aanwezig zijn hebben in dit bestemmingsplan de enkelbestemming “Verkeer” of “Verkeer-Verblijf” gekregen. Vaarwegen – een groot deel van het goederentransport ging voorheen via het water. Elk dorp is dan ook gelegen aan een dorpsvaart of opvaart, die bijna allemaal de naam van het dorp hebben gekregen. De vaarten hebben in dit bestemmingsplan de bestemming “Water” gekregen. In de planregels is het aspect cultuurhistorie als toetsingscriterium toegevoegd op het moment als er wijzigingen plaats vinden. De cultuurhistorische waarden zijn daarmee voldoende beschermd.

32

Beschermde gezichten – Bij besluit van 28 maart 1991, nr. 189017, is een deel van de kern Rien door de ministers van WVC en VROM aangewezen als beschermd dorpsgezicht in de zin van de Monumentenwet 1988 (tegenwoordig Erfgoedwet). In het besluit wordt Rien als volgt getypeerd: “De beschreven kenmerken van de historisch gegroeide ruimtelijke structuur van Rien, het huidige dorpsbeeld en de daarin herkenbare historische ontwikkeling rechtvaardigen een aanwijzing als beschermd dorpsgezicht ingevolge artikel 20 van de Monumentenwet. Tot het aangewezen dorpsgezicht behoren de samenhangende onderdelen van de ruimtelijke structuur, waaruit de historische ontwikkeling is af te lezen. De samenhangende structuur is opgebouwd uit de brug, de vaart en de weg met de daaraan gerelateerde concentraties van bebouwing. Hoewel het omringende landschap door zijn openheid en de visuele relatie met het zuidelijker gelegen Lutkewierum mede van belang is voor de historisch-ruimtelijke karakteristiek van Rien, is dit vanuit praktische overwegingen niet binnen de begrenzing opgenomen.” Een uitgebreidere toelichting op dit besluit is opgenomen in het aanwijzingsbesluit (zie bijlage 3 bij de planregels). Er zijn geen dorpen binnen dit bestemmingsplan die zijn aangewezen als gemeentelijk beschermd dorpsgezicht. In figuur 11 is de begrenzing van het beschermd dorpsgezicht weergegeven.

Figuur 11: Fragment Beschermd dorpsgezicht (Bron: BJZ.nu)

Kerken – In alle dorpen staan kerkgebouwen. Veel hiervan zijn beschermd als rijksmonument of als karakteristiek bouwwerk. Zie bijlage 3 bij de regels voor het overzicht van beschermde kerkgebouwen.

33

Staten en stinzen – Bij 3 dorpen hebben vroeger wieren (terpen) met stinzen gelegen: bij Britswert, Rien en Wiuwert. Eventuele cultuurhistorische waarden die nog aanwezig zijn worden beschermd middels de archeologische bescherming die op deze terreinen rust. Monumentale en karakteristieke bebouwing – Binnen het plangebied zijn 16 bouwwerken beschermd als rijksmonument waarvan 7 woonhuizen zijn, 6 kerken of kerkonderdelen, 2 boerderijen en 1 kaaspakhuis. Al deze rijksmonumenten zijn ter signalering op de verbeelding opgenomen als ‘Monument’ en in de planregels zijn hier summiere regels aan gekoppeld, omdat deze op een andere wijze ook al beschermd zijn. In de kernen zijn geen gemeentelijke monumenten aanwezig. Daarnaast zijn 19 bouwwerken opgenomen in dit bestemmingsplan als ‘karakteristiek bouwwerk’. Hierbij is een onderscheid aangebracht in: − Bouwwerken met de omschrijving K1 die een zodanige monumentale waarde vertegenwoordigen, dat behoud van bouwwerk gewenst is. Hierbij valt te denken aan het behoud van een bepaalde geleding in de bouwmassa, een specifieke dakvorm en geveltype. Voor het slopen is een omgevingsvergunning vereist omdat behoud van het historisch materiaal gewenst is. − Bouwwerken met de omschrijving K2. Deze zijn tijdens het onderzoek naar karakteristieke bouwwerken beoordeeld als waardevol.

Deze bouwwerken vertegenwoordigen een zodanige waarde, dat het van belang is om de hoofdvorm van het bouwwerk in hoofdzaak in stand te houden. Hierbij valt te denken aan het behoud van een bepaalde geleding in de bouwmassa, een specifieke dakvorm en geveltype. Een overzicht van rijksmonumenten en karakteristieke bouwwerken is opgenomen in bijlage 3 bij de regels van dit bestemmingsplan. Delfts rood en wederopbouwwijken – In het plangebied zijn meerdere panden gebouwd in de stijl van het Delfts rood of uit de wederopbouwperiode stammen. Op pandniveau vertegenwoordigen deze echter niet een zodanige waarde dat deze aanvullende bescherming verdienen middels dit bestemmingsplan. 4.4.4 Conclusie Het betreft hier een herziening van de bestaande conserverende bestemmingsplannen. Aanwezige en verwachte cultuurhistorische en archeologische waarden worden wanneer nodig beschermd door middel van een dubbelbestemming of een aanduiding. Het bestemmingsplan is vanuit cultuurhistorisch oogpunt dan ook uitvoerbaar. Nadere onderzoeken zijn niet nodig.

4.5

Duurzame verstedelijking

In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) is 'de ladder voor duurzame verstedelijking' geïntroduceerd. De ladder is per 1 oktober 2012 ook als procesvereiste opgenomen in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). In de Ladder voor duurzame verstedelijking is opgenomen dat de toelichting van een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, een beschrijving bevat van de behoefte aan de voorgenomen stedelijke ontwikkeling. Wanneer blijkt dat de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stedelijk gebied mogelijk is, bevat de toelichting een motivering daarvan en een beschrijving van de mogelijkheid om in die behoefte te voorzien op de gekozen locatie buiten het bestaand stedelijk gebied. Met dit bestemmingsplan wordt niet voorzien in nieuwe ontwikkelingen. De ladder voor duurzame verstedelijking is dan ook niet van toepassing op dit plangebied. Voor een nadere toelichting hierop wordt verwezen naar paragraaf 3.1.2. Wanneer nieuwe

34

ontwikkelingen binnen het plangebied later plaatsvinden, vindt daarvoor specifiek een toetsing aan de ladder plaats.

4.6

Ecologie

4.6.1 Wet- en regelgeving Bij elk ruimtelijk plan moet er rekening worden gehouden met beschermingswaardige natuurwaarden. Hiertoe is er regelgeving op het gebied van gebiedsbescherming en soortenbescherming opgenomen in de Wet natuurbescherming. Gebiedsbescherming De gebiedsbescherming is vastgelegd in hoofdstuk 2 van de Wet natuurbescherming. De wet bundelt de gebiedsbescherming van nationaal begrensde natuurgebieden met de Europese Vogel- en habitatrichtlijn. Er zijn een tweetal type natuurgebieden die door de Wet natuurbescherming worden beschermd. Dit zijn de Wetlands en de Natura 2000gebieden. Verder vormt de Wet natuurbescherming de basis voor het nationale Natuurbeleidsplan waarin het Natuurnetwerk Nederland in is verwerkt. Het Natuurnetwerk Nederland is een samenhangend netwerk van bestaande en nog te ontwikkelen belangrijke natuurgebieden in Nederland. Voorheen stond het Natuurnetwerk Nederland bekend als de Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Het Natuurnetwerk Nederland is als beleidsdoel opgenomen in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) en is uitgewerkt in het Streekplan Fryslân 2007. Soortenbescherming De bescherming van soorten is geregeld hoofdstuk 3 van de Wet natuurbescherming. De wet is gericht op de bescherming, instandhouding en het behoud van plant- en diersoorten in het wild en hun directe leefomgeving.

Het uitgangspunt is dat schadelijke activiteiten in beginsel niet zijn toegestaan, tenzij er een uitzondering voor is gemaakt. Dat is het zogenaamde “Nee, tenzij-principe” en is in de wet opgenomen als een algemeen verbod op schadelijke effecten voor plant- en diersoorten, de zorgplicht. De zorgplicht geldt voor iedere beschermde soort die is opgenomen in de Vogel- en Habitatrichtlijn of opgenomen in de lijst van Nationale Soorten (onderdeel A en B, bijlage Wet natuurbescherming). Om een ontheffing te krijgen van de zorgplicht, moet er worden aangetoond dat er geen afbreuk wordt gedaan aan de goede staat van instandhouding van de soort. De voorwaarden voor het verkrijgen van een ontheffing zijn daarnaast afhankelijk van het beschermingsregime van de soort. In de Wet natuurbescherming is er een driedeling gemaakt in het beschermingsregime voor soorten. Het gaat om de volgende beschermingsregimes: 1. Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn (artikel 3.1 Wet natuurbescherming). Alle van nature in Nederland in het wild levende vogels, zoals opgenomen in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. 2. Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn (artikel 3.5 Wet natuurbescherming). Het gaat om de soorten genoemd in Bijlage IV, onderdeel a van de Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het Verdrag van Bern en Bijlage I van het Verdrag van Bonn.

In de bijlagen van de verdragen van Bern en Bonn worden ook vogelsoorten genoemd. 3. Beschermingsregime Andere Soorten (artikel 3.10 Wet natuurbescherming). Alle soorten genoemd in onderdelen A en B van de bijlage van de Wet natuurbescherming. De soorten genoemd onder punt 3 vallen onder een lager beschermingsregime dan een soorten genoemd onder punt 1 en 2. In principe geldt voor alle beschermde soorten een ontheffingsplicht, ook voor de algemenere Andere Soorten. De Wet natuurbescherming

35

biedt provincies de mogelijkheid om een vrijstellingsbesluit op te stellen. In dit besluit staat onder andere voor welke soorten een vrijstelling geldt van de verbodsbepalingen in artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming. Voor vogels geldt een aanvullend beschermingsregime, waarbij er extra regels kunnen worden gesteld voor bijvoorbeeld jaarrond beschermde nesten. Voor het verstoren van vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten geldt dat er meestal geen ontheffing wordt verleend. 4.6.2 Gebiedsbescherming In de directe nabijheid van het plangebied bevinden zich geen Natura 2000-gebieden of gebieden onderdeel uitmakend van het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen EHS). In figuur 10 is een uitsnede van de hiervoor genoemde gebieden opgenomen. Wel zijn diverse delen van het plangebied gelegen in een weidevogelgebied. Dit is waarneembaar in figuur 11.

Figuur 12: Fragment N2000/NNN (Bron: Provinsje Fryslân)

36

Figuur 13: Fragment weidevogelgebieden (Bron: Provinsje Fryslân)

Effecten Het bestemmingsplan betreft een plan dat vooral een nieuwe actuele regeling biedt voor bestaande gebieden waarin geen ontwikkelingen plaatsvinden. Effecten op de Natura 2000-, NNN- en weidevogelgebieden zijn dan ook uit te sluiten. Ook zijn effecten op de natuurgebieden buiten NNN uit te sluiten, omdat het bestemmingsplan in en in de directe omgeving geen ontwikkelingen mogelijk maakt. Conclusie Vanwege het bovenstaande en het feit dat er geen nieuwe of ingrijpende ontwikkelingen worden uitgevoerd binnen of rondom een natuurgebied, worden negatieve effecten vanuit het bestemmingsplan niet verwacht. Nieuwe projecten of activiteiten, waarbij een mogelijk negatief effect op de natuurgebieden is, moeten altijd worden getoetst aan de Wet natuurbescherming. 4.6.3 Soortenbescherming In het plangebied kunnen op verschillende plaatsen beschermde soorten (waaronder vleermuizen en vogels) voorkomen. Wanneer hier sprake van is, dan vindt bescherming plaats via de Wet natuurbescherming. Ontwikkelingen leiden mogelijk tot schade aan bijvoorbeeld de verblijfplaatsen of foerageergebieden van beschermde soorten, wat leidt tot overtreding van de verbodsbepalingen van de genoemde wet. Bij toekomstige initiatieven is een onderzoek dan ook vaak noodzakelijk, afhankelijk van de werkzaamheden die hiervoor verricht worden.

37

Effecten In het bestemmingsplan worden geen nieuwe of ingrijpende planologische ontwikkelingen mogelijk worden gemaakt. Het betreft immers een conserverend bestemmingsplan. Voor de mogelijk aanwezige beschermde soorten in en in nabijheid van het plangebied bestaan bovendien voldoende mogelijkheden om effecten op beschermde soorten te voorkomen of te mitigeren. Hierbij moet men denken aan het werken buiten kwetsbare perioden en het waarborgen van het functionele leefgebied van de soort. Conclusie De herziening van het bestemmingsplan wordt niet belemmerd op basis van ecologie. Mocht sprake zijn van ontwikkelingen, dan moet per ontwikkeling en de daaraan gekoppelde werkzaamheden bepaald worden in hoeverre een ecologisch onderzoek nodig is. Dat heeft geen gevolgen voor dit bestemmingsplan.

4.7

Externe veiligheid

4.7.1 Algemeen toetsingskader Externe veiligheid gaat om het beperken van de kans op en het effect van een ernstig ongeval voor de omgeving door de volgende risicobronnen: − het gebruik, de opslag en de productie van gevaarlijke stoffen (in inrichtingen); − het transport van gevaarlijke stoffen (buisleidingen, wegen, waterwegen en spoorwegen); − het gebruik van luchthavens. Het externe veiligheidsbeleid richt zich op het beperken van de risico’s voor de burger door deze activiteiten. Hiertoe zijn risico’s gekwantificeerd, namelijk het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Hierbij is het PR de berekende kans per jaar, dat iemand overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval bij een risicobron, aangenomen dat deze persoon op die plaats permanent en onbeschermd verblijft. Het GR is de kans dat een groep mensen overlijdt door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het GR moet worden gezien als een maat voor maatschappelijke ontwrichting. Het externe veiligheidsbeleid is opgenomen in wet- en regelgeving. De volgende besluiten zijn hierbij relevant: Het externe veiligheidsbeleid is verankerd in diverse wet- en regelgeving. De volgende besluiten zijn relevant: 1. Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) Met het Bevi zijn risiconormen voor externe veiligheid met betrekking tot bedrijven met gevaarlijke stoffen wettelijk vastgelegd. 2.

Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) Op basis van het Bevb dienen plannen, vergelijkbaar met het Bevi, te worden getoetst aan de grens- en richtwaarde voor het PR en de oriëntatiewaarde voor het GR. 3. Wet basisnet Het basisnet is een landelijk aangewezen netwerk voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Binnen bepaalde grenzen wordt dit vervoer over de weg, binnenwater en spoor gegarandeerd. Het basisnet heeft betrekking op de Rijksinfrastructuur: hoofdwegen (snelwegen), hoofdwaterwegen (binnenwateren) en hoofdspoorwegen (enkele uitzonderingen daargelaten). De wetgeving over het basisnet wordt de Wet basisnet genoemd.

38

4. Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) Voor ruimtelijke ordening in relatie tot de transportroutes is het Bevt opgesteld. Hierin zijn de regels voor de ruimtelijke ordening rondom het basisnet wettelijk vastgelegd. 5. Activiteitenbesluit milieubeheer (Activiteitenbesluit) Het Activiteitenbesluit en de daarbij behorende regeling is de opvolger van een groot aantal AMvB’s. In het Activiteitenbesluit staan algemene regels voor verschillende milieuaspecten, zoals veiligheidsafstanden waaraan voldaan moet worden. Verantwoordingsplicht In het Bevi, Bevb en Bevt is onder meer een verantwoordingsplicht van het groepsrisico opgenomen. Deze verantwoording houdt in dat als in of in de nabijheid van het plangebied risicobronnen aanwezig zijn, in combinatie met de aanwezigheid van beperkt kwetsbare of kwetsbare objecten zoals woningen, de planologische keuzes moeten worden onderbouwd en verantwoord door het bevoegd gezag. 4.7.2 Risicobronnen Over dit plan heeft de Omgevingsdienst Fryslân geadviseerd (7 mei 2020, 2019-FUMO0034616). Hierna volgt een samenvatting van dit advies. Het volledige adviesrapport is als bijlage 1 opgenomen bij dit bestemmingsplan. Voor het bestemmingsplan 8 Dorpen noord en bedrijventerrein Wommels zijn de risico’s per dorpskern en bedrijventerrein beoordeeld.

Bij Bedrijventerrein Wommels zijn de volgende potentiële risicobronnen aanwezig: • Inrichting met gevaarlijke stoffen (LPG-tankstation) • Transport van gevaarlijke stoffen over de weg (N359) Bij de dorpen Reahûs, Britswert en Wiuwert zijn bij ieder de volgende potentiële risicobronnen aanwezig: • Windturbine Bij de dorpen Waaksens, Kubaard, Hidaard, Itens en Rien zijn geen relevante risicobronnen aanwezig. De overige in de omgeving liggende risicobronnen zijn voor het bestemmingsplan niet relevant, omdat het plangebied buiten het invloedsgebied van die bronnen ligt. De geïdentificeerde risicobronnen en toetsing worden hierna globaal uitgewerkt. Windturbines Uit de toetsing is naar voren gekomen dat de windturbines nabij de dorpen Reahus, Britswert en Wiuwert, een potentieel externe veiligheidsrisico opleveren. De beoordeling van de risico’s van windturbines is uitgevoerd conform het Handboek risicozonering windturbines. Net als in het Bevi, dient het Plaatsgebonden Risico en het Groepsrisico beoordeeld te worden. Plaatsgebonden Risico Op basis van de generieke afstanden in het Handboek, wordt voor alle drie de dorpen en windturbines geconcludeerd dat de PR afstand niet over het plangebied reikt en dus geen knelpunt vormt.

Groepsrisico Voor alle drie de dorpen en windturbines geldt dat het invloedsgebied in het kader van het GR, (die is voor een windturbine gelijk aan de maximale werpafstand bij overtoeren) wél over de plangebieden reikt. Echter, gezien de zeer lage trefkansen (circa 1×109/jaar) buiten de 150 meter (conform figuur 7 van bijlage B van het Handboek), gecombineerd met de lage personendichtheid in het plangebied én het gegeven dat geen

39

objecten met gevaarlijke stoffen in de nabijheid zijn, vormt het groepsrisico geen aandachtspunt. Conclusie Windturbines De windturbines vormen geen knelpunt voor de voorgenomen vaststelling van het bestemmingsplan Inrichting met gevaarlijke stoffen (LPG-tankstation) op bedrijventerrein Wommels LPG-tankstation Op het bedrijventerrein Wommels is een LPG-tankstation gevestigd aan De Lange Baan 2. Een LPG-tankstation dient bij de vaststelling van een bestemmingsplan conform het Bevi beoordeeld te worden op het Plaatsgebonden Risico en het Groepsrisico. Plaatsgebonden Risico De omvang van de PR-contouren is opgenomen in tabel 1 van bijlage 1 van de Revi. De contouren bedragen 35 meter vanaf het Vulpunt, 25 meter van het reservoir en 15 meter vanaf de afleverzuil. Binnen deze contouren zijn geen kwetsbare objecten gelegen, waardoor voldaan wordt aan de normen uit het Bevi met betrekking tot het PR. Wel zijn twee beperkt kwetsbare objecten gelegen binnen de contouren. Er is daarmee sprake van een afwijking van de richtwaarde van het PR. Aangezien het reeds bestaande en vergunde objecten zijn, is de situatie acceptabel. Groepsrisico Volgens het Bevi moet het groepsrisico verantwoord worden, aangezien er (beperkt) kwetsbare objecten binnen het invloedsgebied liggen. Het invloedsgebied conform de Revi bedraagt 150 meter, gemeten vanaf het vulpunt en het reservoir.

Als onderdeel van de verantwoording is het GR berekend (Antea Group BV, 16 maart 2020, projectnummer 0460871.100). Dit rapport is als bijlage 2 bij dit bestemmingsplan opgenomen. Hieruit blijkt dat het groepsrisico een factor 0.54 van de oriëntatiewaarde bedraagt. Het plan voorziet niet in een toename van populatie en daarmee ook niet in een verandering van de hoogte van het GR. Conclusie LPG-tankstation Het LPG-tankstation vormt een aandachtspunt voor het Bestemmingsplan. In het kader van het PR wordt voldaan aan de normwaarde voor kwetsbare objecten, maar wordt afgeweken van de richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Aangezien het een reeds bestaande situatie is, die niet wijzigt als gevolg van de vaststelling van het bestemmingsplan, betreft het echter een acceptabele situatie. Het LPG-tankstation veroorzaakt een Groepsrisico. De hoogte van het GR ligt beneden de oriëntatiewaarde. Aangezien de situatie niet verandert, betreft het een acceptabel GR. Hierbij wordt moet conform het advies van Brandweer Fryslân wel aandacht besteed worden aan de aspecten zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Transport van gevaarlijke stoffen over de weg (N359) De provinciale weg N359 ligt op minder dan 200 meter van het Bedrijventerrein Wommels. Over deze weg vindt incidenteel transport van gevaarlijke stoffen plaats met een risico voor de omgeving.

Volgens het Besluit externe veiligheid transportroutes moet het PR en het GR van deze weg beoordeeld worden. Plaatsgebonden risico Voor de N359 zijn de stofcategorieën en aantal transporten geïnventariseerd in het rapport Fryslân vervoer gevaarlijke stoffen Actualisatierapport. Hieruit blijkt dat er voor

40

wat betreft gevaarlijke stoffen alleen stoffen van de categorieën LF1 en LF2 worden vervoerd. Volgens de Handleiding risicoanalyse Transport, bedraagt het invloedsgebied door deze stoffen maximaal 45 meter. Aangezien het plangebied op een grotere afstand dan 45 meter van de N359 ligt, ondervind het plangebied hierdoor geen extern veiligheidsrisico. Groepsrisico Gelijk aan de beoordeling van het PR, is ook het GR geen aandachtspunt. Conclusie transport over de N359 Op basis van het vervoerde gevaarlijke stoffen over de N359, vormt deze weg geen externe veiligheidsrisico voor het plangebied. Advies Brandweer Fryslân Brandweer Fryslân heeft op 26 februari 2020 een advies uitgebracht over dit bestemmingsplan. De brandweer constateert in haar advies dat er geen knelpunten zijn met betrekking tot zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Ze adviseert wel om te borgen dat er geen nieuwe verminderd zelfredzame functies mogelijk worden gemaakt binnen de invloedsgebieden van de risicobronnen. Met het conserverende karakter van het bestemmingsplan wordt hier aan voldaan. Het volledige advies van de brandweer is opgenomen in bijlage 3 bij deze toelichting. 4.7.3 Conclusie Externe veiligheid levert geen belemmeringen op om het bestemmingsplan 8 dorpen Noord en bedrijventerrein Wommels te actualiseren.

De afwijking van de richtwaarde voor kwetsbare objecten door het LPG-tankstation en de hoogte van het groepsrisico dat berekend is, wordt voor dit bestemmingsplan verantwoord geacht. Brandweer Fryslân verlangt geen verdere maatregelen in het kader van zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid.

4.8

Geluid

Wegverkeerslawaai In de Wet geluidhinder (Wgh) is bepaald dat elke weg in principe een zone heeft waar aandacht aan geluidhinder moet worden besteed. De Wgh maakt onderscheid tussen geluidsgevoelige gebouwen/functies en niet-geluidsgevoelige gebouwen. Onder meer (bedrijfs)woningen zijn geluidsgevoelige gebouwen. Als geluidsgevoelige gebouwen binnen een zone bij een behorend bij een zoneplichtige weg worden geprojecteerd bij een bestemmingsplanprocedure, moet met een akoestisch onderzoek worden aangetoond dat voldaan wordt aan de voorkeurswaarde van 48 dB voor wegen. Wegen waar deze zone in principe niet geldt, zijn: − Wegen die gelegen zijn binnen een als woonerf aangeduid gebied; − Wegen waarvoor een maximumsnelheid geldt van 30 km/uur. De wegen binnen het plangebied kennen geen wettelijke geluidszone, met uitzondering van de wegen op bedrijventerrein Wommels en de Froonackerdyk (Wiuwert). Ten aanzien van het aspect wegverkeerslawaai wordt opgemerkt dat dit bestemmingsplan conserverend van aard is en uitsluitend de bestaande (planologische) situatie opnieuw vastlegt. In hoeverre binnen het plangebied voldaan wordt aan de voorkeurswaarde of welke maatregelen genomen moeten worden om aan de voorkeurswaarde voor wegverkeerslawaai te kunnen voldoen, is in het kader van dit conserverende plan niet van belang. Er worden immers geen nieuwe geluidsgevoelige objecten of nieuwe

41

geluidsbronnen mogelijk gemaakt die nog niet aanwezig zijn, of te realiseren zijn op basis van geldende bestemmingsplannen en/of verleende vergunningen. Industrielawaai Rond bedrijven kan ook sprake zijn van lawaai. Hiervoor is de Wgh óf het Activiteitenbesluit van toepassing. Dit is afhankelijk van of sprake is van een geluidgezoneerd industrieterrein / bedrijventerrein, een regulier bedrijventerrein of individuele bedrijven. In het kader van voorliggend bestemmingsplan zijn uitsluitend bedrijventerrein Wommels, de bedrijven in Wiuwert en het bouwbedrijf in Kûbaard relevant. De hiervoor genoemde terreinen/bedrijven zijn niet geluidszoneerd, waardoor voor de aanwezige bedrijven het Activiteitenbesluit geldt. Daarnaast is bedrijventerrein Wommels inwaarts gezoneerd, inhoudende dat de maximale milieucategorie is bepaald aan de hand van de afstand tot de dichtstbijzijnde woning. In paragraaf 4.2 (milieuzonering) is dit nader toegelicht. Het plan voorziet niet in ontwikkelingen en leidt dan ook niet tot aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden. Andersom mag ervan worden uitgegaan dat de bestaande geluidsgevoelige objecten op voldoende afstand van bestaande bedrijvigheid zijn gesitueerd en daarmee geen extra belemmering vormen. Spoorweglawaai De Wgh is ook voor spoorwegen van toepassing. De voorkeurswaarde bedraagt daarbij 55 dB.

Nabij de kern Wiuwert is de spoorlijnverbinding Sneek-Leeuwarden gelegen. In artikel 1.4a van het Besluit geluidhinder is aangegeven dat een spoorweg die is aangegeven op de geluidplafondkaart een zone heeft die zich uitstrekt vanaf de as van de spoorweg tot de breedte naast de spoorweg, gemeten vanuit de buitenste spoorstaaf. Nabij de kern Wiuwert bedraagt de hoogste geluidsproductieplafond 53,7 dB. Voor spoorlijnen met een geluidsproductieplafond lager dan 56 dB geldt een wettelijke geluidszone van 100 meter aan weerszijden van het spoor. In voorliggend geval bedraagt de afstand tussen de spoorlijn en het plangebied meer dan 100 meter. Akoestisch onderzoek is niet noodzakelijk, temeer dit bestemmingsplan geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt.

4.9

Geur

Agrarische bedrijvigheid komt uitsluitend binnen de kernen van Waaksens, Rien, Itens en Hidaard voor. Daarnaast zijn diverse agrarische bedrijven nabij het plangebied aanwezig. Deze bedrijven zijn op voldoende afstand gesitueerd van geurgevoelige objecten gesitueerd. Daarbij legt het voorliggende bestemmingsplan uitsluitend de bestaande planologische situatie opnieuw vast. Dit leidt niet tot extra beperkingen voor omliggende agrarische bedrijven of een verslechtering van het woon- en leefklimaat ter plaatse van bestaande geurgevoelige objecten. Op 23 januari 2009 is de ‘Verordening geurhinder en veehouderij gemeente Littenseradiel 2008’ in werking getreden. Deze verordening is van rechtswege per 1 januari 2020 komen te vervallen. Op basis van een geurverordening mogen verschillende agrarische bedrijven afwijken van de vaste afstanden uit de Wet geurhinder en veehouderij. Ten opzichte van geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom geldt een afstand van 50 meter. Buiten de bebouwde kom geldt een afstand van 25 meter. De geurverordening gaat vergezeld van een inventarisatielijst met adressen, waarop de genoemde afstanden van toepassing zijn. Dit betreft onder meer de agrarische bedrijven Buorren 4 en 8a te Hidaard en Buorren 1 te Waaksens.

42

Een aanpassing van de gemeentelijke geurverordening, waarin ook bedrijven uit de voormalige gemeente Littenseradiel worden opgenomen, is in voorbereiding.

4.10

Kabels en leidingen

In het plangebied zijn geen relevante hoog- en laagspanningskabels aanwezig waarmee rekening gehouden moet worden. Uitsluitend bevinden zich binnen het plangebied een relevante hoofdwater- en rioolleiding. Deze zijn voorzien van de dubbelbestemmingen 'Leiding – Riool’ en 'Leiding - Water' ter bescherming van de belangen behorende bij deze leidingen. De bij deze leidingen behorende belemmeringenstrook bedraagt 3 meter aan weerszijden van de leiding.

4.11

Lichthinder

In de provincie Fryslân is meer dan de helft van het grondgebied (56%) donker of erg donker. Op 87% van het grondgebied is de Melkweg nog te zien. De provincie Fryslân is één van de donkerste provincies. 15% van Fryslân is donkerder dan ieder ander gebied in Nederland, waar tot nu toe de hemelhelderheid gemeten is. Op het aspect lichthinder is geen wettelijk toetsingskader van toepassing. Ook is er geen gemeentelijk beleid. Uit het oogpunt van de bescherming van ecologische- en landschapswaarden is het echter wenselijk om lichthinder zoveel mogelijk te voorkomen of in ieder geval zo veel mogelijk te beperken. Dit geldt met name voor gebieden waar het nog relatief donker wordt. Het gaat dan vooral om het buitengebied. De gemeente Súdwest-Fryslân wil dan ook graag dat initiatiefnemers aandacht besteden aan het aspect lichthinder zodat dit tot een minimum beperkt kan worden.

Figuur 14: Fragment hemelhelderheidskaart (Bron: Provinsje Fryslân, 2014)

In het plangebied vinden geen nieuwe ontwikkelingen plaats. Een toename van lichthinder is dan ook niet aan de orde. Hierdoor is in het plan verder geen aandacht besteed aan het aspect lichthinder.

43

4.12

Luchtkwaliteit

Nederland heeft de Europese regels ten aanzien van luchtkwaliteit geïmplementeerd in de Wet milieubeheer. De wet is bedoeld om de negatieve effecten op de volksgezondheid aan te pakken door te hoge niveaus van luchtverontreiniging. De wet heeft ook tot doel mogelijkheden te creëren voor ruimtelijke ontwikkeling, ondanks overschrijdingen van de Europese grenswaarden voor luchtkwaliteit. De Wet milieubeheer voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Luchtkwaliteitseisen vormen onder de Wet milieubeheer geen belemmering voor ruimtelijke ontwikkelingen als: a. er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; b. een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt; c. een project ’niet in betekenende mate’ bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Dit bestemmingsplan geeft alleen een nieuwe juridische regeling aan de huidige situatie. Nieuwe ontwikkelingen die bijdragen aan een verslechtering van de luchtkwaliteit worden niet mogelijk gemaakt. Bovendien zijn binnen de gemeente Súdwest-Fryslân geen knelpunten bekend voor de luchtkwaliteit.

4.13

Verkeer en parkeren

Dit bestemmingsplan voorziet uitsluitend in een actueel juridisch-planologisch kader voor de bestaande (planologische) situatie in het plangebied. In dit plan worden geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt die nog niet vervat zijn in een onherroepelijk bestemmingsplan of waarvoor anderszins een planologische procedure is afgerond of een vergunning is verleend. De in het plan opgenomen afwijkingsbevoegdheden en wijzigingsbevoegdheden zullen niet leiden tot een onevenredige aantasting van de verkeer- of parkeersituatie. Vaststelling van dit bestemmingsplan leidt dan ook niet tot een verslechtering van de verkeer- of parkeersituatie in het plangebied.

4.14

Water

Waterwet Binnen de Waterwet is het beheer van oppervlaktewater en grondwater geregeld en de wet verbetert de samenhang tussen ruimtelijke ordening en waterbeleid. Een watervergunning voor het uitvoeren van werkzaamheden aan een waterstaatswerk zal moeten worden aangevraagd bij de waterbeheerder, Wetterskip Fryslân. Een waterstaatswerk is een oppervlaktewaterlichaam, bergingsgebied, waterkering of ondersteunend kunstwerk. Legger Wetterskip Fryslân Het onderhoud en beheer van waterstaatswerken wordt uitgevoerd door de waterbeheerder; het Wetterskip Fryslân. Het Wetterskip heeft voor het beheer en onderhoud van de waterstaatswerken een Legger opgesteld. In de Legger worden de minimaal benodigde afmetingen van keringen beschreven om aan de veiligheidsnormen te voldoen. In de Legger wordt voor de wateren binnen het Wetterskip haar beheersgebied, de minimale eisen beschreven om een goede aan- en afvoer van water te realiseren. Naast het stellen van eisen aan de waterstaatswerken, vervult de Legger

44

een functie in de handhaving van verbodsbepalingen die staan beschreven in de Keur. Dit betekent dat het zonder toestemming van het waterschap verboden is om gebruik te maken van een waterstaatswerk, inclusief beschermingszones. Wet ruimtelijke ordening en de Watertoets Op basis van het Bro, moet een paragraaf worden opgenomen waarin wordt beschreven hoe er rekening is gehouden met de waterhuishouding binnen het bestemmingsplan. Voor de schriftelijke onderbouwing van de waterhuishouding binnen het bestemmingsplan, is gebruik gemaakt van de wettelijk verplichte ‘Watertoets’. In de Watertoets wordt door het Wetterskip advies gegeven hoe om te gaan met de waterhuishouding, zodat deze wordt gewaarborgd. Bij ruimtelijke ontwikkelingen is het van belang dat het Wetterskip vroegtijdig betrokken wordt. Watertoets Voor dit bestemmingsplan is op 26 juli 2019 een watertoets aangevraagd via www.dewatertoets.nl. Hieruit blijkt dat voor dit bestemmingsplan de ‘procedure geen waterschapsbelang’ van toepassing is. De samenvatting van de watertoets is als bijlage 4 bij de toelichting opgenomen. Bij het opstellen van de Watertoets is het Wetterskip van de geldende bestemmingsplannen en de huidige situatie uitgegaan. Hierbij is aangenomen dat geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk worden gemaakt, het plan betreft immers een actualisatie van de oude plannen.

Wanneer sprake is van nieuwe ontwikkelingen in het plangebied, dan wordt hiervoor een nieuw wateradvies aangevraagd. Toename verharding Door ruimtelijke ontwikkelingen neemt de hoeveelheid verhard oppervlak toe met als gevolg een versnelde afvoer van hemelwater. Het is nodig om deze versnelde afvoer te compenseren om de waterberging in een gebied in stand te houden. Dit geldt ook voor toevoegen van oppervlakteverharding die wel past binnen het bestemmingsplan, maar waarvan de grond al meer dan vijf jaar braak ligt en waar in het verleden niet voor gecompenseerd is. Het is verboden zonder watervergunning neerslag versneld tot afvoer te laten komen indien daarbij meer dan 200 m2 onverharde grond in stedelijk gebied en 1500 m2 in landelijk gebied wordt bebouwd of verhard. Er geldt een vrijstelling van de vergunningsplicht wanneer wordt voldaan aan de compensatieregels. De meest voorkomende manier van compenseren is het graven van extra oppervlaktewater. Bij het graven van extra oppervlaktewater is onderstaande tabel van toepassing. Uiteraard is het toepassen van alternatieve maatregelen in het plan ook mogelijk. Afhankelijk van de maatregel kunnen andere normen gelden dan vermeld in het onderstaande tabel.

45

Indien er niet wordt gecompenseerd door extra oppervlaktewater te graven waarbij onderstaande percentages worden gehanteerd of indien er geen overeenstemming plaatsvindt in de watertoetsprocedure over alternatieve maatregelen dan dient een watervergunning bij het waterschap te worden gevraagd. Ruimtelijke adaptatie Om ook in de toekomst prettig te kunnen wonen, werken en recreëren moeten steden en dorpen ingericht worden met het oog op de toekomst. Het is belangrijk kansen te benutten om het gebied klimaat robuust in te richten. Zo is het mogelijk om het bebouwd gebied beter bestand te maken tegen hevige regenbuien, periodes van droogte en hitte en de gevolgen van een mogelijke overstroming. Voor veel maatregelen geldt bovendien dat ze kosteneffectief zijn, als ze maar in een vroeg stadium in het planvormingsproces worden meegenomen. Meer informatie hierover is te vinden op De Friese klimaatatlas: www.frieseklimaatatlas.nl. Conclusie Het Wetterskip Fryslân is akkoord met de inhoud van voorliggend bestemmingsplan. Voor het aspect water zijn geen belemmeringen binnen het bestemmingsplan. Bij nieuwe ontwikkelingen binnen het plangebied moet opnieuw een watertoets uitgevoerd en/of een wateradvies aangevraagd worden.

46

HOOFDSTUK 5 Juridische toelichting 5.1

Inleiding

Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding (plankaart), planregels en deze plantoelichting. De verbeelding en planregels vormen samen het juridische deel van het bestemmingsplan. Deze vormen het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van gronden en bebouwing. In de regels worden de mogelijkheden in artikelen vastgelegd. Op de verbeelding worden de bestemmingen, bouwen gebruiksmogelijkheden per locatie aangeduid. Het bestemmingsplan is opgesteld in aansluiting op de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012. In dit hoofdstuk wordt de juridische systematiek van het bestemmingsplan toegelicht. Ook wordt een beschrijving per bestemming en een toelichting op de algemene bepalingen en de overgangs- en slotbepalingen gegeven.

5.2

Planregels

In deze paragraaf wordt de algemeen gehanteerde indeling van de bestemmingsregels aan de orde gesteld. Deze ziet er als volgt uit: Hoofdstuk 1: Inleidende regels − Begrippen − Wijze van meten Hoofdstuk 2: Bestemmingsregels − Bestemmingen − Dubbelbestemmingen Hoofdstuk 3: Algemene regels − Antidubbeltelregel − Algemene bouwregels − − − − −

Algemene gebruiksregels Algemene aanduidingsregels Algemene afwijkingsregels Algemene wijzigingsregels Overige regels

Hoofdstuk 4: Overgangs- en slotregels − Overgangsrecht − Slotregel

47

5.2.1 Inleidende regels Dit onderdeel bestaat uit de begrippen en de wijze van meten. In de begripsomschrijving wordt aangegeven wat in de regels onder bepaalde begrippen moet worden verstaan. De gemeente Súdwest-Fryslan heeft een standaardbegrippenlijst waarvan alleen in uitzonderingsgevallen mag worden afgeweken. In het bestemmingsplan worden alleen de begrippen opgenomen die van toepassing zijn op het plan. Ook de wijze van meten zal in het bestemmingsplan worden beschreven. 5.2.2 Bestemmingsregels Een bestemming is een omschrijving van aan de grond toegekende functies, zoals wonen, bedrijven, groenvoorzieningen, etc. In de bestemmingsregel wordt aangegeven waarvoor en – wanneer nodig - hoe de betreffende gronden mogen worden gebruikt en bebouwd. Voor de bevordering van de leesbaarheid en de raadpleegbaarheid moet een vaste volgorde worden gehanteerd. Voor zover het voor het betrokken bestemmingsplan van toepassing is, geldt dit voor alle soorten bestemmingen, zoals bestemmingen, dubbelbestemmingen, uit te werken bestemmingen en voorlopige bestemmingen. In de bestemmingsplan van de gemeente Súdwest-Fryslan zijn verschillende bestemmingen te onderscheiden. Aan deze bestemmingen zijn bepaalde regelingen gekoppeld, zoals de bestemmingsomschrijving, bouwregels, gebruik, etc. .

De volgende indelingen worden bij de gemeente Súdwest-Fryslân gebruikt voor het opstellen van bestemmingsregels. Artikel (nummer) Bestemmingsnaam Bestemmingsomschrijving In de bestemmingsomschrijving wordt een nadere omschrijving gegeven van de aan de gronden toegekende functie(s). De bestemmingsomschrijving is voornamelijk functioneel, maar bevat ook enkele inrichtingsaspecten. Bouwregels In de bouwregels worden de bebouwingsbepalingen voor alle bouwwerken geregeld. Het gaat daarbij onder meer om oppervlakten, hoogten en afstanden ten opzichte van naburige functie(s). Nadere eisen Wanneer nodig worden nadere eisen gesteld voor bepaalde kwalitatief omschreven criteria, zoals woonsituatie, straat- en bebouwingsbeeld en verkeersveiligheid. De nadere eisen bieden de mogelijk om sturend op te treden wanneer dit nodig is in concrete situaties in het kader van het verlenen van een omgevingsvergunning. De nadere eisen worden meestal gesteld aan de plaats en de afmeting van bebouwing. Om deze reden en omdat het gaat om een aanvulling op een basiseis, volgt dit onderdeel op de bouwregels. Specifieke gebruiksregels In dit onderdeel wordt aangegeven welke vormen van gebruik in ieder geval strijdig zijn met de bestemming. Niet alle mogelijke strijdige gebruiksvormen worden genoemd, maar vooral die, waarvan het niet meteen duidelijk is of deze in strijd is met de bestemming.

48

Afwijken van de gebruiksregels Hier is aangegeven of en in hoeverre kan worden afgeweken van de gebruiksregels. De voorwaarden moeten objectief begrensd zijn. Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde of van werkzaamheden Voor het uitvoeren van bepaalde werken en/of werkzaamheden, zoals graven of planten, vereist de gemeente hierin dat een vergunning wordt verleend, voordat hiermee wordt gestart. Ook kunnen deze werken/werkzaamheden worden verboden. Dit is bedoeld om aanwezige waarden (cultuurhistorie, landschap etc.) te beschermen. In dit onderdeel staat wanneer een vergunning nodig is en welke voorwaarden hieraan zijn gesteld. Omgevingsvergunning voor slopen Volgens artikel 3.3 Wro kan in het bestemmingsplan worden bepaald, dat het verboden is om binnen een bij dat plan aangegeven gebied zonder of in afwijking van een vergunning van burgemeester en wethouders bouwwerken te slopen. In dit onderdeel staat wanneer een vergunning nodig is en welke voorwaarden hieraan kunnen worden gesteld. Het gaat meestal over gebouwen die niet zijn aangewezen als rijks-, provinciale of gemeentelijke monumenten. Op de verbeelding zijn deze panden voorzien van een aanduiding. Wijzigingsbevoegdheid Wijzigingsbevoegdheden kunnen gaan over het wijzigen van een functie of van bebouwing.

Bij een wijziging van de functie wordt opgenomen naar welke bestemming de wijziging kan plaatsvinden. Het is niet noodzakelijk om in de wijziging aan te geven welke regels van toepassing zijn. De regels zijn automatisch gekoppeld aan de bestemming waarin wordt gewijzigd, behalve in het geval van wijziging in een bestemming die nog niet in het plan zit of als een wijziging in meerdere bestemmingen mogelijk is. In het eerste geval kunnen de randvoorwaarden in de wijzigingsbevoegdheid zelf worden opgesomd. Hieraan moet bij wijziging worden voldaan. De wijziging die over meerdere bestemmingen plaatsvindt is vaak aangeduid op de verbeelding en geregeld in de algemene wijzigingsregels. 5.2.3 Algemene regels Hierin staan de regelingen over de afstemming met andere regelgeving (waaronder een anti-dubbeltelbepaling) en de afwijkingsregels en/of wijzigingsbevoegheden. De stedenbouwkundige bepalingen (bijvoorbeeld parkeerbepaling) die vroeger waren opgenomen in de Bouwverordening worden in dit hoofdstuk als algemene bouwregels opgenomen. De algemene regels gelden voor alle bestemmingen, tenzij ze gekoppeld zijn aan een specifieke aanduiding, bijvoorbeeld bij een geluidzone rond een industrieterrein. 5.2.4 Overgangs- en slotregel Voor de overgangsregels wordt verwezen naar het Besluit ruimtelijke ordening.

Hierbij wordt per 1 oktober 2010 de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in acht te genomen. De formulering van de overgangs- en slotregels is vastgelegd in de landelijke Standaard voor Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP).

49

5.3

Procedure

In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) staan de regels voor de bestemmingsplanprocedure. De procedure bestaat uit de volgende onderdelen: Voorbereiding − De gemeente bekijkt de bestaande situatie en de mogelijke (ruimtelijke) ontwikkelingen in het gebied waarvoor het bestemmingsplan geldt. − Er wordt een nieuw voorontwerpbestemmingsplan gemaakt. − Het voorontwerp wordt toegestuurd aan diverse besturen en diensten, zoals het Rijk, de Provincie en het Waterschap. Zij kunnen hun reactie geven op het bestemmingsplan. − Het bestemmingsplan wordt eventueel ook voor inspraak ter inzage gelegd. Iedereen kan dan binnen zes weken een reactie geven. − Burgemeester en wethouders (B&W)geven een reactie op de overleg- en inspraakreacties. Ontwerp − B&W verwerken de overleg- en inspraakreacties in een ontwerpbestemmingsplan. − Het ontwerpbestemmingsplan wordt zes weken ter inzage gelegd. Iedereen kan dan een zienswijze indienen. − B&W geven een reactie op de ingediende zienswijzen in een zienswijzennota. Vaststelling De gemeenteraad stelt de zienswijzennota en het ontwerpbestemmingsplan, met of zonder wijzigingen, vast. Dit moet binnen een periode van ten hoogste 12 weken na de termijn van inzage van het ontwerp gebeuren.

Beroep − Na de vaststelling van het bestemmingsplan maakt de gemeenteraad het vaststellingsbesluit bekend en legt het vastgestelde bestemmingsplan zes weken ter inzage. − Als de Provincie of het Rijk een zienswijze hebben ingediend die door de gemeenteraad niet volledig is overgenomen of als de gemeenteraad het bestemmingsplan gewijzigd heeft vastgesteld, moet de bekendmaking en terinzagelegging binnen zes weken na vaststelling gebeuren. − Uiterlijk zes weken na bekendmaking van het vaststellingsbesluit kan er beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRvS). − Indien het bestemmingsplan ongewijzigd is vastgesteld en er gehoor is gegeven aan zienswijzen van de Provincie en het Rijk wordt het vaststellingsbesluit door de gemeenteraad bekendgemaakt en het bestemmingsplan ter inzage gelegd. Dit moet binnen twee weken gebeuren.

50

Terinzagelegging Bij de onderdelen Ontwerp en Beroep moet het plan ter inzage worden gelegd. Voor een voorontwerpbestemmingsplan is dit niet verplicht en kan het dus voorkomen dat deze niet ter inzage wordt gelegd. Voor de bekendmaking van een plan plaatsen B&W een publicatie. Dit gebeurt in het Gemeenteblad en/of de Staatscourant. Hierin staat onder andere vermeld óf en binnen welke periode er gereageerd kan worden en waar deze reactie naartoe gestuurd moet worden. De publicaties staan de op de website www.officielebekendmakingen.nl. Op de gemeentelijke website www.gemeentesudwestfryslan.nl staat ook een link naar deze website.

5.4

Toelichting op de bestemmingen

In deze paragraaf wordt een toelichting op de juridische regels van het plan gegeven. Voor de verschillende bestemmingen wordt aangegeven welke doeleinden worden nagestreefd. Ook is aangegeven op welke gronden de verschillende bestemmingen van toepassing zijn. Naast de directe bestemmingen gelden er ook een aantal gebieds- en functieaanduidingen. 5.4.1 Agrarisch De bestemming 'Agrarisch' is gelegd op agrarische percelen en agrarische bedrijven in het plangebied. Dit houdt in dat deze gronden mogen worden gebruikt voor grasland akkerbouw, tuinbouwgrond en daarbij behorende grondgebonden agrarische bedrijven. Gebouwen en bedrijfswoningen moeten binnen het bouwvlak worden gebouwd. 5.4.2 Bedrijf De bestemming 'Bedrijf' is gelegd op aanwezige individuele bedrijven en kleinere bedrijfsterreinen in het plangebied. Binnen de bestemming 'Bedrijf' mogen alleen bedrijven in de milieucategorieën 1 en 2 worden gevestigd. Daar waar op de verbeelding een functie specifiek is aangeduid zijn bedrijven in zwaardere milieucategorieën toegestaan. Bedrijfsgebouwen moeten in het aangegeven bouwvlak worden gebouwd. Bestaande bedrijfswoningen zijn op de verbeelding aangeduid en alleen daar toegestaan. Op die manier kan de milieusituatie rondom de woningen gehandhaafd blijven en worden (omliggende) bedrijven niet in hun bedrijfsvoering beperkt.

5.4.3 Bedrijf - Nutsvoorziening De bestemming 'Bedrijf - Nutsvoorziening' is gelegd op de aanwezige nutsvoorzieningen in het plangebied. Deze bestemming is specifiek bedoeld voor nutsvoorzieningen die gelet op de omvang niet zonder omgevingsvergunning mogen worden gebouwd. De gebouwen moeten binnen het aangegeven bebouwingsvlak worden gebouwd. De afmetingen van de nutsvoorzieningen zijn afgestemd op de bestaande situatie. 5.4.4 Bedrijventerrein De bestemming 'Bedrijventerrein' is gelegd op het aanwezige bedrijventerrein in Wommels. Binnen de bestemming 'Bedrijventerrein' mogen bedrijven in de milieucategorieën 1 en 2 worden gevestigd. Ter plaatse van de aanduiding 'bedrijven milieucategorie 1 t/m [x]' mogen bedrijven tot en met categorie [x] worden gevestigd. Daar waar op de verbeelding de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijventerrein

51

afwijkende milieucategorie' staat, zijn bedrijven in zwaardere milieucategorieën toegestaan. Tot slot zijn bestaande bedrijven in de bestaande milieucategorieën toegestaan. Dit zijn vaak specifieke bedrijven die niet passen in de opgenomen bedrijvenlijst, maar wel aanvaardbaar zijn op het bedrijventerrein. Het gaat onder meer om een woonwinkel, een dierenarts en een sportschool. Bedrijfsgebouwen moeten in het aangegeven bouwvlak worden gebouwd. Bestaande bedrijfswoningen zijn op de verbeelding aangeduid en alleen daar toegestaan. Op die manier kan de milieusituatie rondom de woningen gehandhaafd blijven en worden (omliggende) bedrijven niet in hun bedrijfsvoering beperkt. 5.4.5 Groen De bestemming 'Groen' is gelegd op de aanwezige groenstroken, plantsoenen en parken al dan niet met daarin aanwezig water in het plangebied. Op of in deze gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd. De hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag maximaal 3,00 m bedragen, met uitzondering van straatmeubilair dat ten hoogste 9,00 m hoog mag zijn. 5.4.6 Horeca De bestemming 'Horeca' is gelegd op aanwezige horecavoorzieningen in het plangebied. Binnen de bestemming 'Horeca' mogen alleen horecabedrijven in de horecacategorie 2 worden gevestigd. De gebouwen moeten in het aangegeven bebouwingsvlak worden gebouwd.

5.4.7 Kantoor De bestemming ‘Kantoor’ is gelegd op het aanwezige kantoor aan de Labadistendyk 2 in Wiuwert. Binnen de bestemming ‘Kantoor’ mogen alleen kantoren, al dan niet in combinatie met aan de kantoorfunctie ondergeschikte dienstverlening, worden gevestigd. De gebouwen moeten in het aangegeven bebouwingsvlak worden gebouwd. 5.4.8 Maatschappelijk De bestemming 'Maatschappelijk' is gelegd op de aanwezige maatschappelijke voorzieningen in het plangebied. Binnen de bestemming 'Maatschappelijk' mogen alleen maatschappelijke voorzieningen worden gevestigd. Daar waar op de verbeelding een aanduiding 'begraafplaats' is aangegeven, is de aanwezigheid van een begraafplaats toegestaan. De gebouwen moeten in het aangegeven bouwvlak worden gebouwd. 5.4.9 Recreatie en Recreatie - Kampeerterrein In en bij de dorpen in het plangebied zijn verschillende recreatieve en toeristische voorzieningen aanwezig. In het bestemmingsplan hebben deze, afhankelijk van de recreatieve functie en het doel, een recreatiebestemming gekregen. In het onderstaande schema is het onderscheid tussen de verschillende bestemmingen aangegeven: Bestemming

Functie / Doel

Recreatie

Een ijsbaan in Wommels met bijbehorende voorzieningen.

Recreatie – Kampeerterrein

Een kampeerterrein, het uitoefenen van een grondgebonden agrarische bedrijfsvoering en dagrecreatieve

52

voorzieningen met de daarbij behorende gebouwen en voorzieningen in Reahûs Gebouwen zijn uitsluitend toegestaan wanneer een bouwvlak op de verbeelding is opgenomen, met dien verstande dat er mogelijkheden zijn voor het bouwen van gebouwen van beperkte omvang buiten het bouwvlak. De maatvoering is op de verbeelding aangegeven en gebaseerd op de bestaande (planologische) situatie. 5.4.10 Sport De bestemming 'Sport' is gelegd op de aanwezige sportvoorzieningen in het plangebied. Binnen de bestemming 'Sport' zijn alleen sport- en speelterreinen toegestaan, waarbij het kan gaan om veldsport en gebouwen voor sport (bijvoorbeeld een sportzaal). De bij de sportvoorziening horende andere functies zijn ondergeschikt mogelijk. De gebouwen moeten in het aangegeven bouwvlak worden gebouwd. De afmetingen zijn op de verbeelding aangeduid, omdat deze per gebouw verschillen. De specifiek bij sport horende bouwwerken als een ballenvanger zijn bij recht toegestaan en niet gekoppeld aan een bouwvlak of aanduiding. Dit maakt de exacte inrichting van de sportvoorzieningen flexibel. 5.4.11 Tuin De bestemming 'Tuin' is gegeven aan de voortuinen van de woningen in het plangebied. Binnen deze bestemming mogen, in verband met de kwaliteit van het straat- en bebouwingsbeeld, geen gebouwen of overkappingen worden gebouwd.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/9843522/1