Bijlage I - Vast te stellen bestemmingsplan
Tekst van het document
Uitgangspunten zijn eigen verantwoordelijkheid, eigen kracht en zelfredzaamheid. Kwetsbare groepen actief opsporen. e. Grote rijkdom aan cultuur en erfgoed: Cultuur en cultureel erfgoed hebben verbindende werking op de samenleving en grote aantrekkingskracht op toeristen. Daarom wordt gezorgd voor een divers cultureel aanbod en voor bescherming, behoud en ontsluiting van cultureel erfgoed. f. Sterke aantrekkingskracht voor toeristen: Toerisme en recreatie als verbinding tussen stad/platteland, cultuur, natuur, sport, zorg, land- en tuinbouw. Verdiepen van
Dorpen Noord / West 2 vastgesteld
26
bestaand aanbod, kwaliteitsverbetering en slim combineren van aanbod. Watertoerisme versterken door samenwerking met andere vaargebieden. In het plangebied worden geen ontwikkelingen voorzien, die niet al eerder afgewogen zijn. Het bestemmingsplan heeft een conserverend karakter, waarmee het past in het beleid van de Ontwikkelvisie. 3.3.9 Ruimte voor de zon Op 10 november 2016 heeft de raad van de gemeente Súdwest-Fryslân de notitie ‘Ruimte voor de Zon’ vastgesteld. Uitgangspunt bij realisatie van een zonneweide is dat de kwaliteit van het landschap behouden blijft en dat de bewoners niet alleen de lasten maar ook de lusten ervaren. In deze notitie wordt voorgesteld zonneweides te creëren bij kernen met niet meer dan 500 inwoners, met draagvlak, met participatie en financieel haalbaar. Voorgesteld wordt 3 pilots, wet- en regelvrij, te realiseren en daarnaast is er ruimte voor andere initiatieven die moeten voldoen aan de kaders die in de notitie zijn gesteld. Deze notitie heeft geen directe gevolgen voor het bestemmingsplan, omdat hierin geen initiatieven voor nieuwe zonnevelden zijn opgenomen. Particulieren kunnen onder voorwaarden zonnepanelen bij of op hun woning plaatsen. Wanneer ze daarbij voldoen aan de landelijk vastgelegde voorwaarden kan dit vaak vergunningvrij. 3.3.10
Verkeersbeleid
3.3.10.1 Verkeer- en vervoerplan (2013) De gemeente Súdwest-Fryslân vindt het belangrijk dat inwoners in een verkeersveilige en prettige woonomgeving wonen en dat iedereen zich veilig en vlot kan verplaatsen. In het op 16 mei 2013 door de gemeenteraad vastgestelde “Gemeentelijk Verkeer- en Vervoerplan” (GVVP) staat hoe de gemeente dit wil bereiken. Het GVVP beschrijft de gemeentelijke visie op het gebied van verkeer en vervoer met als belangrijkste uitgangspunt om de verkeersveiligheid in de gemeente te waarborgen en te verbeteren. Daarnaast worden goede bereikbaarheid en het vergroten van de leefbaarheid als doelen gesteld. In 2019 is het GVVP uit 2013 geëvalueerd. De conclusie is dat de visie nog actueel is, vooral omdat het GVVP een visie op hoofdlijnen is en algemeen van aard. Om de visie vorm te geven is een groot aantal maatregelen opgesteld. De maatregelen zijn divers; infrastructurele aanpassingen, nader onderzoek naar specifieke onderwerpen, veiliger maken van fietsroutes, verbetering van schoolomgevingen, maar ook verkeerseducatieprojecten op scholen en voorlichtingscampagnes. De uitvoering hiervan wordt zoveel mogelijk gedaan in combinatie onderhoudswerkzaamheden. Wanneer onderhoud gepland is aan een weg of een gebied wordt gekeken of de maatregelen uit het GVVP hierin meegenomen kunnen worden.
Dit betekent dat in het GVVP niet concreet wordt aangegeven wanneer welke maatregelen worden uitgevoerd. Ieder jaar wordt daarom een uitvoeringsprogramma opgesteld die door de gemeenteraad wordt goedgekeurd. Voordat gestart wordt met de uitvoering van bepaalde maatregelen worden deze dan ook aan direct belanghebbenden voorgelegd. De gevolgen vanuit het GVVP voor het bestemmingsplan zijn gericht op de wegcategorisering. Voor het plangebied is deze al beschreven in paragraaf 2.2.1. 3.3.10.2 Parkeren
Dorpen Noord / West 2 vastgesteld
27
Op basis van het parkeerbeleid van de gemeente kan berekend worden hoeveel parkeerplaatsen er benodigd zijn. Vervolgens moet aangetoond worden dat er voldoende parkeergelegenheid aanwezig is of gerealiseerd kan worden. De gemeente Súdwest-Fryslân heeft de “Parkeernormennota Súdwest-Fryslân 2018” vastgesteld waarin de inhoud van het begrip ‘voldoende parkeergelegenheid’ is uitgewerkt. Aan de hand hiervan kan de parkeerbehoefte voor verschillende functies worden bepaald. Vervolgens moet aangetoond worden dat er voldoende parkeergelegenheid aanwezig is of gerealiseerd kan worden. 3.3.11 Visie Recreatie en Toerisme Súdwest-Fryslân staat bekend als een kwalitatief hoogwaardig gebied voor (actieve vormen van) toerisme en recreatie met een zeer gevarieerd en levendig aanbod. Deze variatie en levendigheid is gerealiseerd door een gezamenlijke inzet met de sector op betere verbindingen tussen toeristisch aanbod op het gebied van land en water, kunst en cultuur.
De ontwikkelingsstrategieën uit de visie zijn gericht op het creëren van meer (afwisseling in) belevenissen door verbindingen te leggen tussen het bestaande aanbod en door verbindingen te leggen tussen alle partijen die daarbij betrokken zijn: <0000> Geef de bezoeker een gevoel van ‘thuiskomen’ en ‘zichzelf kunnen zijn’; <0000> Benut de rijkdom van het ‘water’, het landschap en de steden; <0000> Organiseer avontuurlijker actieve vormen van recreatie; <0000> Gebruik verhaallijnen om de gast nieuwe ervaringen te laten beleven. Actie, Gastheerschap en Samenwerking zijn de kernwoorden van de strategieën: De samenhang wordt gerealiseerd door te kiezen voor de kracht van het lokale verhaal, te investeren in aantrekkingskracht en door één sterk toeristisch samenwerkingsverband neer te zetten voor de regio. Er wordt koers gezet op Gastheerschap vanuit de invalshoeken: <0000> meer aansprekende watersportactiviteiten voor de jeugd en sportstimulering; <0000> het bevorderen van elektrisch varen en fietsen; <0000> verleiding tot gezelligheid en vermaak in de kernen; <0000> jaarlijks terugkerende sportieve en culturele events.
Er wordt gekoerst op meer beleving van het weidse landschap en de bijzondere natuur door: <0000> op de kop van Afsluitdijk een ‘uitzichtpunt’ van formaat te realiseren; <0000> het creëren van belevenissen binnen de kwalificatie Nationaal Landschap; <0000> de optimalisatie van de bestaande routenetwerken. In het plangebied is op meerdere plaatsen sprake van recreatieve en toeristisch functies en voorzieningen. Wanneer sprake is van ontwikkelingen bij deze voorzieningen, wordt rekening gehouden met het geformuleerde beleid. 3.3.12 Visie Ruimtelijke Kwaliteit (2013) De in het kader van het Nationaal Landschap Zuidwest-Fryslân opgestelde ‘Landschapsontwikkelingsvisie’ (2009) heeft als basis gediend voor de “Visie Ruimtelijke
Dorpen Noord / West 2 vastgesteld
28
Kwaliteit Gemeente Súdwest-Fryslân” die op 23 juni 2013 is vastgesteld. De visie hanteert als uitgangspunt dat het landschap het product is van de ontwikkelingen in de landbouw, de natuur, de economie en de samenleving door de eeuwen heen; en dat dit ook in de toekomst zo zal zijn. Die veranderingen kunnen in beginsel bijdragen aan de landschappelijke kwaliteit, mits ze goed op elkaar worden afgestemd. Met het gekozen abstractieniveau vormt de visie een basis voor andere sectorale beleidsvisies en andere ruimtelijke plannen, zoals gebiedsvisies, bestemmingsplannen, maar ook bijvoorbeeld de welstandsnota of beheer- en onderhoudsplannen. De visie dient als één van de toetsingskaders bij concrete initiatieven. Hoofduitgangspunt is dat bij alle ruimtelijke ontwikkelingen de kernkwaliteiten van de verschillende landschapstypen leidend zijn. De omschrijving hiervan is in paragraaf 2.3 van dit bestemmingsplan overgenomen. Daarnaast worden ontwikkelingen gestuurd met specifieke aandacht voor de volgende uitgangspunten: <0000> Versterken van de grootse openheid van het klei- en veengebied en de meren. <0000> Aandacht voor detail binnen het grootschalig landschap. <0000> Versterken van het contrast tussen binnendijks en buitendijks gebied. <0000> Behoud van authenticiteit en eenvoud. <0000> Ruimte voor dynamiek, experiment en contrast.
In het plangebied worden geen ontwikkelingen voorzien, die niet al eerder afgewogen zijn. Het bestemmingsplan heeft een conserverend karakter, waarmee het past in het beleid van de Visie Ruimtelijke Kwaliteit. 3.3.13 Woonvisie 2017 - 2022 De gemeente vindt het belangrijk dat alle inwoners van de gemeente goed kunnen wonen. Daarom heeft de gemeenteraad in juli 2017 een Woonvisie vastgesteld waarin de gemeentelijke ambities voor een rechtvaardige en evenwichtige woonruimteverdeling zijn vastgelegd voor de sociale huurvoorraad en de particuliere woningvoorraad. In de Woonvisie is vastgelegd hoe de gemeente zorgt voor een optimaal functioneren van de woningmarkt. Hierbij is bijzondere aandacht voor de volgende thema’s: <0000> Beschikbaarheid en betaalbaarheid van woningen voor alle doelgroepen, <0000> Wonen, zorg en participatie, <0000> Kwaliteit en duurzaamheid. De Woonvisie vormt de basis voor het maken van prestatieafspraken tussen woningbouwcorporaties, huurdersverenigingen en gemeente. De visie geeft geen uitgangspunten voor de regeling van dit bestemmingsplan. Bij ontwikkelingen in het huidige woningbestand of bij een combinatie van wonen en zorg vormt de woonvisie wel een toetsingskader. 3.3.14 Woonschepenverordening 2012 Op 15 november 2012 heeft de raad van de gemeente Súdwest-Fryslân de “Woonschepenverordening Súdwest-Fryslân 2012” vastgesteld.
De woonschepen verordening kent een actuele regeling voor woonschepen in de gemeente, zowel voor permanent als voor recreatief gebruik. De verordening is op 3 december 2012 in werking getreden.
Dorpen Noord / West 2 vastgesteld
29
In de nieuwe woonschepenverordening is geregeld dat de plaatsen waar woonschepen ligplaats mogen hebben, zijn aangewezen op de ligplaatsenkaart met toelichting, die als bijlage bij de verordening is opgenomen. Op de kaart met toelichting is de locatie inclusief het toegestane gebruik (permanente of recreatieve bewoning) en het maximaal op de locatie aanwezige aantal woonschepen aangegeven. In het plangebied zijn geen woonschepen.
Dorpen Noord / West 2 vastgesteld
30
HOOFDSTUK 4 Omgevingsaspecten 4.1
Vormvrije mer-beoordeling
In bijlage C en D van het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van het bestemmingsplan planmerplichtig(bijlage C en D), projectmer-plichtig (bijlage C) of mer- beoordelingsplichtig (bijlage D) zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. In bijlage D van het Besluit m.e.r. (D11.2) is de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject opgenomen. Ten aanzien van woningen ligt de drempelwaarde op een aaneengesloten gebied met 2.000 of meer woningen. Sinds 7 juli 2017 is een aanpassing van het Besluit m.e.r. in werking getreden. Hierin is geregeld dat ook voor projecten die zijn opgenomen in bijlage D, maar beneden de drempelwaarden vallen, een besluit moet worden genomen of een MER nodig is. In dat kader wordt afgewogen of het plan, ondanks dat het ruim onder de drempelwaarde blijft, mogelijk toch belangrijke negatieve milieueffecten heeft, op basis van de eerder genoemde omstandigheden. Dit is een “vormvrije” mer-beoordeling. Dit bestemmingsplan betreft het actualiseren van de geldende bestemmingsplannen in het plangebied. Daarbij zijn bestaande bouwrechten uit de geldende bestemmingsplannen overgenomen. In het dorp Witmarsum kunnen nog 4 woningen worden gebouwd. Dit aantal ligt ruim onder de drempelwaarde.
Het plangebied geen deel uit van Natura 2000-gebieden, waarop kleinschalige ontwikkelingen invloed kunnen hebben. Voor dit bestemmingsplan is dan ook geen vormvrije m.e.r.-beoordeling of milieueffectrapport nodig.
4.2
Milieuzonering
Milieuzonering zorgt ervoor dat milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen op een verantwoorde afstand van elkaar worden gesitueerd. Zo wordt gevaar en hinder voor de milieugevoelige functies voorkomen en/of zoveel mogelijk beperkt. Omgekeerd wordt voldoende zekerheid aan milieubelastende activiteiten geboden waardoor deze activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden uitgeoefend kunnen worden. Bij dit bestemmingsplan hoort een Staat van Bedrijfsactiviteiten. Deze is gebaseerd op de categorale indeling van bedrijfstypen uit de publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ (2009) van de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG). Bij deze indeling is de Standaard Bedrijfsindeling (SBI) van het Centraal Bureau voor de Statistiek gevolgd. Elk bedrijfstype heeft een eigen code. Naast een omschrijving van de bedrijfstypen is per type aangegeven welke richtafstanden gelden voor de aspecten geur, stof, geluid en gevaar. Dit is een indicatie van de minimale afstand die in beginsel, vanuit een bedrijf tot een rustige woonwijk, aangehouden moet worden. De grootste afstand is bepalend voor de indeling van een bedrijfstype in een milieucategorie.
Dorpen Noord / West 2 vastgesteld
31
Milieucategorie
Aan te houden afstand tot woonwijken (zone)
1
0 tot 10 meter
2
30 meter
3.1
50 meter
3.2
100 meter
4.1
200 meter
4.2
300 meter
5.1
500 meter
5.2
700 meter
5.3
1000 meter
6
1500 meter
Voor dit plangebied zijn alleen de milieucategorieën 1, 2, 3.1 en 3.2 van belang. Bedrijven in milieucategorie 3.2 zijn een aantal agrarische bedrijven (fokken en houden van rundvee) in de verschillende dorpen, een aantal bedrijven op het bedrijventerrein aan de Arumerweg in Witmarsum en enkele individuele bedrijven. De individuele bedrijven tussen woningen en in de gemengde gebieden van de kernen hebben over het algemeen maximaal een milieucategorie 2 en zijn goed verenigbaar met een woonomgeving. Binnen de bestemmingen waar bedrijven zijn toegestaan, is in de regels bepaald welke milieucategorieën waar zijn toegestaan. De bestaande situatie is daarbij het uitgangspunt.
4.3
Bodem
Het uitgangspunt is dat de kwaliteit van de bodem in het plangebied zodanig moet zijn dat er geen risico’s zijn voor de volksgezondheid bij het gebruik van het plangebied voor wonen of een andere functie voor het verblijf van mensen. Op 13 december 2012 heeft de gemeenteraad van Súdwest-Fryslân de Nota bodembeheer en de bodemkwaliteitskaart Zuidwest Fryslân vastgesteld. De bodemkwaliteitskaart is een kaart waarop de kwaliteit van de bodem is aangegeven per deelgebied. De Nota bodembeheer beschrijft het beleid voor hergebruik of toepassen van grond als bodem. Het Besluit Bodemkwaliteit is hierin leidend. In de nota is ook een vrijstellingenbeleid opgenomen voor het uitvoeren van bodemonderzoek bij een omgevingsvergunning met de activiteiten bouw. Op basis hiervan kan de gemeente vrijstelling verlenen voor het uitvoeren van bodemonderzoek. Hier volgen een aantal uitzonderingen waarbij géén vrijstelling kan worden verleend:
Dorpen Noord / West 2 vastgesteld
32
<0000>
<0000>
<0000>
locaties met een bekende verontreiniging, of locaties gelegen nabij (binnen een straal van 25 meter) een puntbron van bodemverontreiniging; verdachte locaties of locaties binnen een straal van 25 meter van verdachte locaties, waarvan een vermoeden bestaat van bodemverontreiniging, tenzij door een historisch onderzoek (uitgevoerd volgens NEN 5725) wordt aangetoond dat de locatie onverdacht is; de bodemkwaliteit van het plangebied geeft aanleiding om een risico te verwachten bij het geplande gebruik.
In dit bestemmingsplan worden geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt. De bestaande situatie wordt slechts voorzien van een actuele regeling. In het plangebied zijn geen nieuwe ontwikkelingen voorzien. Bij nieuwe ontwikkelingen moet – wanneer deze niet in dit bestemmingsplan passen – een overweging van de gevolgen voor de bodem worden opgenomen. Dit heeft geen gevolgen voor het bestemmingsplan.
4.4
Cultuurhistorie inclusief archeologie
4.4.1 Toetsingskader en beleid Op 1 juli 2016 is de Erfgoedwet van kracht geworden. De Monumentenwet 1988 is met ingang van 1 juli 2016 dan ook vervallen. De bepalingen uit de Monumentenwet 1988 zijn deels overgegaan naar de Erfgoedwet en – zodra die wet in werking treedt – deels naar de Omgevingswet. De bepalingen en vergunningen uit de Monumentenwet 1988 die overgaan naar de Omgevingswet blijven van toepassing tot de datum dat de Omgevingswet in werking treedt. Deze artikelen gelden tot dat moment als overgangsrecht op grond van de Erfgoedwet en tenzij expliciet vermeld, veranderen deze niet van inhoud. Tot die tijd blijft de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) het wettelijke kader voor de omgang met gebouwde en aangelegde rijksmonumenten en de Monumentenwet 1988 voor de omgang met de archeologische rijksmonumenten. In de wet zijn archeologische resten beschermd. Wanneer de bodem wordt verstoord moeten archeologische resten intact blijven. Als dit niet mogelijk is, is opgraving een optie. Om inzicht te krijgen in de kans op het aantreffen van archeologische resten in bepaalde gebieden zijn op basis van historisch onderzoek archeologische verwachtingskaarten opgesteld.
Volgens de gemeentelijke erfgoedvisie en –nota wordt uitgegaan van de Cultuurhistorisch kaart van de provincie Fryslân (CHK), waar ook de Friese Archeologische Monumentenkaart Extra (FAMKE) deel van uit maakt. Op deze kaarten is informatie opgenomen over archeologische en cultuurhistorische waarden. Daarnaast is gebruik gemaakt van de thematische structuurvisie ‘Grutsk op ‘e Romte’ waarin de kernkwaliteiten van het cultuurhistorisch erfgoed en het landschap in Friesland beschreven staan. 4.4.2 Archeologie Bij het opstellen en uitvoeren van ruimtelijke plannen wordt rekening gehouden met de bekende en de te verwachten archeologische waarden. Op welke plaatsen archeologisch onderzoek aan de orde is, wordt op grond van het gemeentelijk beleid bepaald. De gemeente volgt hiertoe de provinciale Friese Archeologische Monumentenkaart Extra (FAMKE). Op deze kaart worden voor de perioden Steentijd - Bronstijd en IJzertijd -
Dorpen Noord / West 2 vastgesteld
33
Middeleeuwen adviezen gegeven over eventueel te verrichten onderzoeken (zie volgende figuren). Uit de gemeentelijke uitsnede van de FAMKE blijkt dat in het plangebied diverse terreinen met bekende archeologische waarden aanwezig zijn, de zogenaamde ‘streven naar behoud’ en ‘waarderend onderzoek’ terreinen (paars en rood op volgende figuren). Dit betreft voor de periode steentijd-bronstijd vooral vuursteenvindplaatsen en voor de periode ijzertijd-middeleeuwen vooral terpen. Voor de rest van het plangebied is sprake van zogenaamde verwachtingszones, waarbij voor een deel van het plangebied geen archeologische verwachting (meer) geldt. Vooral voor de periode steentijd-bronstijd geldt er voor een groot gedeelte van het plangebied geen archeologische verwachting (meer). De FAMKE is een dynamische kaart. Het is mogelijk dat er archeologische onderzoeken zijn uitgevoerd op percelen, en die nog niet zijn verwerkt op de gemeentelijke uitsnede van de FAMKE. En dit betekent dat ze ook nog niet zijn verwerkt op de verbeelding. Bij de beoordeling van de ruimtelijke plannen zijn deze onderzoeken echter leidend, en niet de FAMKE. De archeologische waardevolle terreinen en de verwachtingszones zijn beschermd via een dubbelbestemming archeologie, afhankelijk van de toegekende waarde. Zoals gezegd wordt gebruikt gemaakt van twee soorten archeologische waarden.
Het betreft de dubbelbestemmingen “Waarde - Archeologie 1” en “Waarde - Archeologie 2”. Waarde Archeologie 1 wordt gehanteerd voor terreinen of gebieden die op de FAMKE het advies ‘streven naar behoud’ en ‘waarderend onderzoek’ hebben meegekregen, dus de bekende archeologisch waardevolle terreinen. Waarde - Archeologie 2 wordt gehanteerd voor gebieden die op de FAMKE het advies ‘karterend onderzoek’ en ‘quickscan’ hebben gekregen en zijn dan ook gebieden met een archeologische verwachtingswaarde.
Dorpen Noord / West 2 vastgesteld
34
Figuur 5: Uitsnede van de gemeentelijke FAMKE steentijd-bronstijd
Figuur 6: Uitsnede van de gemeentelijke FAMKE IJzertijd-middeleeuwen
Dorpen Noord / West 2 vastgesteld
35
4.4.3 Cultuurhistorie De historische kernen van de dorpen zijn rijk aan cultuurhistorische waarden. Hierbij gaat het onder andere om een groot aantal panden. Een deel is rijksmonument en zo beschermd via de wetgeving. Ter signalering van deze panden is op de verbeelding per rijksmonument een specifieke bouwaanduiding rijksmonument opgenomen. In elk dorp binnen het plangebied liggen rijksmonumenten. Ook zijn in elk dorp karakteristieke panden, deze hebben op basis van de geldende regeling een aanduiding 'karakteristiek' gekregen op de verbeelding. In de planregels is hiervoor een vergunningstelsel voor werken en/of werkzaamheden aan gekoppeld. In bijlage 3 bij de regels is een overzicht van karakteristieke panden opgenomen. De motie “Monumenten en beeldbepalende panden in onze huidige gemeente”, die door de raad werd aangenomen op 14 november 2017, leidde tot een uitvoerig onderzoek. Het onderzoek naar karakteristieke objecten wordt verwerkt in de bestemmingsplannen, op grond waarvan de waarden kunnen worden beschermd. Deze werkwijze is vastgelegd in de Erfgoednota, die op 29 april 2021 werd vastgesteld. Tot de zomer 2021 is gewerkt aan de herinventarisatie van karakteristieke objecten in het plangebied van het bestemmingsplan Dorpen Noord West 2. Deze inventarisatie is nu afgerond en leidt tot een aanpassing ten opzichte van het ontwerpbestemmingsplan.
Uit de herinventarisatie blijkt dat een aantal objecten niet (meer) voldoet aan de criteria voor karakteristieke objecten, terwijl ook objecten juist wel als karakteristiek aangemerkt moeten worden. Op de verbeelding zijn de juiste objecten van een aanduiding “karakteristiek” voorzien. In de bijlage 3 - Lijst met karakteristieke panden en monumenten bij de regels is de bijbehorende lijst met karakteristieke objecten en monumenten opgenomen. (Er heeft geen aanpassing plaatsgevonden van de lijst met monumenten.) De aanduiding “karakteristiek” heeft zowel betrekking op gebouwen als op bouwwerken, geen gebouwen zijnde (bruggen). Rijksbeschermd dorpsgezicht Cornwerd, Piaam, Pingjum en Schraard De dorpen Cornwerd, Piaam, Pingjum en Schraard, of delen ervan, zijn aangewezen als beschermd dorpsgezicht. Voor alle dorpen geldt daarbij dat de waardering gebaseerd is op de gave ruimtelijke structuur, de onderlinge functionele en ruimtelijke samenhang in de kern en de samenhang van het dorp met de omgeving. De historische ontwikkeling is in de kernen nog herkenbaar. Dit uit zich in de bebouwing (ouderdom) en in het stratenpatroon. Niet alleen in de bebouwing, maar ook in het stratenpatroon. De dorpen kennen ieder ook meer specifieke waarden. Deze zijn uitgebreid toegelicht in de aanwijzingsbesluiten (zie bijlage 1 bij de toelichting).
Voor de dorpen Cornwerd, Piaam, Pingjum en Schraard worden met dit bestemmingsplan de cultuurhistorische waarden beschermd. 4.4.4 Conclusie Het betreft hier een herziening van de bestaande conserverende bestemmingsplannen. Aanwezige en verwachte cultuurhistorische en archeologische waarden worden wanneer nodig beschermd door middel van een dubbelbestemming. Het bestemmingsplan is vanuit cultuurhistorische oogpunt dan ook uitvoerbaar. Nadere onderzoeken zijn niet nodig. In alle gevallen blijft de archeologische meldingsplicht van toevalvondsten van kracht (artikel 5.10, lid 1 Erfgoedwet). Concreet houdt dit in dat wanneer bij graafwerkzaamheden vondsten worden aangetroffen waarvan de vinder redelijkerwijs moet kunnen weten dat het archeologie betreft, dit gemeld moet worden bij het bevoegd gezag, zijnde de gemeente.
Dorpen Noord / West 2 vastgesteld
36
4.5
Duurzame verstedelijking
In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) is 'de ladder voor duurzame verstedelijking' geïntroduceerd. De ladder is per 1 oktober 2012 ook als procesvereiste opgenomen in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Op 1 juli 2017 is het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gewijzigd, waarbij een nieuwe Laddersystematiek geldt. In de Ladder voor duurzame verstedelijking is opgenomen dat de toelichting van een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, een beschrijving bevat van de behoefte aan de voorgenomen stedelijke ontwikkeling. Indien blijkt dat de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stedelijk gebied mogelijk is, bevat de toelichting een motivering daarvan en een beschrijving van de mogelijkheid om in die behoefte te voorzien op de gekozen locatie buiten het bestaand stedelijk gebied. Met dit bestemmingsplan wordt niet voorzien in nieuwe ontwikkelingen. De ladder voor duurzame verstedelijking is dan ook niet van toepassing op dit plangebied. Wanneer nieuwe ontwikkelingen binnen het plangebied later plaatsvinden, vindt daarvoor specifiek een toetsing aan de ladder plaats.
4.6
Ecologie
4.6.1 Wet- en regelgeving Bij elk ruimtelijk plan moet er rekening worden gehouden met beschermingswaardige natuurwaarden. Hiertoe is er regelgeving op het gebied van gebiedsbescherming en soortenbescherming opgenomen in de Wet natuurbescherming. Gebiedsbescherming De gebiedsbescherming is vastgelegd in hoofdstuk 2 van de Wet natuurbescherming. De wet bundelt de gebiedsbescherming van nationaal begrensde natuurgebieden met de Europese Vogel- en habitatrichtlijn. Er zijn een tweetal type natuurgebieden die door de Wet natuurbescherming worden beschermd. Dit zijn de Wetlands en de Natura 2000-gebieden. Verder vormt de Wet natuurbescherming de basis voor het nationale Natuurbeleidsplan waarin het Natuurnetwerk Nederland in is verwerkt. Het Natuurnetwerk Nederland is een samenhangend netwerk van bestaande en nog te ontwikkelen belangrijke natuurgebieden in Nederland. Voorheen stond het Natuurnetwerk Nederland bekend als de Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Het Natuurnetwerk Nederland is als beleidsdoel opgenomen in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) en is uitgewerkt in het Streekplan Fryslân. Soortenbescherming De bescherming van soorten is geregeld in de Wet natuurbescherming. De wet is gericht op de bescherming, instandhouding en het behoud van plant- en diersoorten in het wild en hun directe leefomgeving.
Het uitgangspunt is dat schadelijke activiteiten in beginsel niet zijn toegestaan, tenzij er een uitzondering voor is gemaakt. Dat is het zogenaamde “Nee, tenzij-principe” en is in de wet opgenomen als een algemeen verbod op schadelijke effecten voor plant- en diersoorten, de zorgplicht. De zorgplicht geldt voor iedere beschermde soort die is opgenomen in de Vogel- en Habitatrichtlijn of opgenomen in de lijst van Nationale Soorten (onderdeel A en B, bijlage Wet natuurbescherming). Om een ontheffing te krijgen van de zorgplicht, moet er worden aangetoond dat er geen afbreuk
Dorpen Noord / West 2 vastgesteld
37
wordt gedaan aan de goede staat van instandhouding van de soort. De voorwaarden voor het verkrijgen van een ontheffing zijn daarnaast afhankelijk van het beschermingsregime van de soort. In de Wet natuurbescherming is er een driedeling gemaakt in het beschermingsregime voor soorten. Het gaat om de volgende beschermingsregimes: 1 Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn (artikel 3.1 Wet natuurbescherming). Alle van nature in Nederland in het wild levende vogels, zoals opgenomen in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. 2 Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn (artikel 3.5 Wet natuurbescherming). Het gaat om de soorten genoemd in Bijlage IV, onderdeel a van de Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het Verdrag van Bern en Bijlage I van het Verdrag van Bonn. In de bijlagen van de verdragen van Bern en Bonn worden ook vogelsoorten genoemd. 3 Beschermingsregime Andere Soorten (artikel 3.10 Wet natuurbescherming). Alle soorten genoemd in onderdelen A en B van de bijlage van de Wet natuurbescherming. De soorten genoemd onder punt 3 vallen onder een lager beschermingsregime dan een soorten genoemd onder punt 1 en 2. In principe geldt voor alle beschermde soorten een ontheffingsplicht, ook voor de algemenere Andere Soorten. De Wet natuurbescherming biedt provincies de mogelijkheid om een vrijstellingsbesluit op te stellen.
In dit besluit staat onder andere voor welke soorten een vrijstelling geldt van de verbodsbepalingen in artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming. Voor vogels geldt een aanvullend beschermingsregime, waarbij extra regels kunnen worden gesteld voor bijvoorbeeld jaarrond beschermde nesten. Naar verwachting blijft de bescherming van vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten gelijk onder de Wet natuurbescherming. Voor het verstoren van vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten geldt dat er meestal geen ontheffing wordt verleend. 4.6.2 Gebiedsbescherming Binnen een straal van drie kilometer van de dorpen in dit plangebied bevinden zich de gebieden IJsselmeer en Waddenzee. Deze gebieden zijn onderdeel van de Natuurnetwerk Nederland en zijn Natura 2000-gebieden. Overige Natura 2000 gebieden bevinden zich op een dusdanige afstand van het plangebied (>3 km) dat effecten op deze gebieden zijn uit te sluiten. Rondom en in het plangebied zijn ook meerdere natuurgebieden (EHS, overige natuur en natuur buiten de EHS) aanwezig. In paragraaf 3.2.3 (Verordening Romte) is het beleid ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland, de ganzenfoerageergebieden en de weidevogelleefgebieden opgenomen. In de volgende figuren staan de contouren van de Natura 2000-gebieden, het Natuurnetwerk Nederland (voorheen EHS) en de ganzenfoerageergebieden weergeven.
Dorpen Noord / West 2 vastgesteld
38
Figuur 7
Contouren Natura 2000-gebieden rondom het plangebied (bron: Alterra)
Figuur 8
Ecologische Hoofdstructuur en natuur buiten EHS (bron: Provincie Fryslân)
Dorpen Noord / West 2 vastgesteld
39
Figuur 9
Ganzenfoerageergebied en weidevogelleefgebied (bron: Provincie Fryslân)
Figuur 10: Weidevogelgebied (bron: Verordening Romte Fryslân 2014) Effecten
Dorpen Noord / West 2 vastgesteld
40
Het bestemmingsplan betreft een plan dat vooral een nieuwe actuele regeling biedt voor bestaande gebieden waarin geen ontwikkelingen plaatsvinden. Effecten op de Natura 2000- en NNN-gebieden rondom het plangebied zijn dan ook uit te sluiten. Ook zijn effecten op de natuurgebieden buiten EHS uit te sluiten, omdat het bestemmingsplan in en in de directe omgeving geen ontwikkelingen mogelijk maakt. Voor de in het plangebied aanwezige natuurgebieden wordt waar nodig een beschermende regeling opgenomen. Door de ruime afstand worden effecten op het ganzenfoerageergebied niet voorzien. Stikstofdepositie Natura 2000-gebieden Het bestemmingsplan biedt bouwmogelijkheden die ook al waren voorzien in de geldende bestemmingsplannen. In het kader van de verlening van omgevingsvergunningen wordt beoordeeld of deze ontwikkelingen in de aanleg- en gebruiksfase ook leiden tot een toename van de stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitats. Op voorhand wordt dit niet verwacht. Zo nodig zal een vergunning op grond van de Wet natuurbescherming worden aangevraagd. Conclusie Vanwege het bovenstaande en het feit dat er geen nieuwe of ingrijpende ontwikkelingen worden uitgevoerd binnen of rondom een natuurgebied, wordt verwacht dat vanuit de regeling van het bestemmingsplan geen negatieve effecten plaatsvinden op de aangeduide gebieden.
Nieuwe projecten of activiteiten, waarbij een mogelijk negatief effect op de natuurgebieden is, moeten worden getoetst aan de Wet natuurbescherming. 4.6.3 Soortenbescherming In het plangebied kunnen op verschillende plaatsen beschermde soorten (waaronder vleermuizen en vogels) voorkomen. Wanneer hier sprake van is, dan vindt bescherming plaats via de Wet natuurbescherming. Ontwikkelingen leiden mogelijk tot schade aan bijvoorbeeld de verblijfplaatsen of foerageergebieden van beschermde soorten, wat leidt tot overtreding van de verbodsbepalingen van de genoemde wet. Bij toekomstige initiatieven is een onderzoek dan ook vaak noodzakelijk, afhankelijk van de werkzaamheden die hiervoor verricht worden. Effecten In het bestemmingsplan worden geen nieuwe of ingrijpende planologische ontwikkelingen mogelijk gemaakt. Het betreft een conserverend bestemmingsplan. Voor de mogelijk aanwezige beschermde soorten in en in nabijheid van het plangebied bestaan bovendien voldoende mogelijkheden om effecten op beschermde soorten te voorkomen of te mitigeren. Hierbij moet men denken aan het werken buiten kwetsbare perioden en het waarborgen van het functionele leefgebied van de soort.
Vanwege de ruime mogelijkheden om effecten op mogelijk aanwezige beschermde soorten te voorkomen of mitigeren en het slechts lokale karakter van mogelijk toekomstige ontwikkelingen, worden negatieve effecten worden. Conclusie De herziening van het bestemmingsplan wordt niet belemmerd op basis van ecologie. Mocht sprake zijn van ontwikkelingen, dan moet per ontwikkeling en de daaraan gekoppelde werkzaamheden bepaald worden in hoeverre een ecologisch onderzoek nodig is. Dat heeft geen gevolgen voor dit bestemmingsplan.
Dorpen Noord / West 2 vastgesteld
41
4.7
Externe veiligheid
4.7.1 Algemeen toetsingskader Externe veiligheid gaat om het beperken van de kans op en het effect van een ernstig ongeval voor de omgeving door de volgende risicobronnen: <0000> <0000>
<0000>
het gebruik, de opslag en de productie van gevaarlijke stoffen (in inrichtingen); het transport van gevaarlijke stoffen (over wegen, waterwegen en spoorwegen en door buisleidingen); het gebruik van luchthavens (speelt niet in de gemeente Súdwest-Fryslân).
Het externe veiligheidsbeleid richt zich op het beperken van de risico’s voor mensen die wonen of verblijven in de omgeving waar deze activiteiten plaatsvinden. Hiervoor zijn de volgende risico’s gekwantificeerd: Plaatsgebonden risico (PR) Het PR is de berekende kans per jaar, dat een persoon overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval bij een risicobron, aangenomen dat hij op die plaats permanent en onbeschermd verblijft. Groepsrisico (GR) Dit is de kans dat een groep mensen overlijdt door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het GR moet worden gezien als een maat voor maatschappelijke ontwrichting. Het externe veiligheidsbeleid is verankerd in wet- en regelgeving. De volgende besluiten zijn relevant: 1. Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) Met het Bevi zijn risiconormen voor externe veiligheid met betrekking tot bedrijven met gevaarlijke stoffen wettelijk vastgelegd. 2. Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) Op basis van het Bevb dienen plannen, vergelijkbaar met het Bevi, te worden getoetst aan de grens- en richtwaarde voor het PR en de oriëntatiewaarde voor het GR. 3. Basisnet Het basisnet is sinds 2015 een landelijk aangewezen netwerk voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Het basisnet is toetsingskader bij beoordeling van risico’s van vervoer van gevaarlijke stoffen bij ruimtelijke ordeningsbesluiten.
De regels hieromtrent zijn vastgelegd in het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). In de Regeling basisnet (Rbn) is aangegeven waar risicoplafonds langs transportroutes liggen en welke regels er gelden voor ruimtelijke ontwikkeling. Binnen bepaalde grenzen wordt dit vervoer over de weg, binnenwater en spoor gegarandeerd. Het basisnet heeft betrekking op de Rijksinfrastructuur: hoofdwegen (snelwegen), hoofdwaterwegen (binnenwateren) en hoofdspoorwegen (behalve enkele uitzonderingen). Het basisnet is onder meer vastgelegd in de Wet vervoer gevaarlijke stoffen.
Dorpen Noord / West 2 vastgesteld
42
4. Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) Voor ruimtelijke ordening in relatie tot de transportroutes is het Bevt opgesteld. Hierin zijn de regels voor de ruimtelijke ordening rondom het basisnet wettelijk vastgelegd. 5. Activiteitenbesluit milieubeheer (Activiteitenbesluit) Het Activiteitenbesluit en de daarbij behorende regeling is de opvolger van een groot aantal AMvB’s. In het Activiteitenbesluit staan algemene regels voor verschillende milieuaspecten, zoals veiligheidsafstanden waaraan voldaan moet worden. Verantwoordingsplicht In het Bevi, Bevb en Bevt is onder andere een verantwoordingsplicht voor het groepsrisico opgenomen. Deze verantwoording houdt in dat in bepaalde gevallen planologische keuzes moeten worden onderbouwd en verantwoord door het bevoegd gezag. Voor dit bestemmingsplan geldt een beperkte verantwoordingsplicht. Het bestemmingsplan betreft een actualisatie van bestaande bestemmingsplannen van tien dorpen, vooruitlopend op de komende Omgevingswet waarbij er uiteindelijk één omgevingsplan voor de gehele gemeente zal zijn. Het betreft de dorpen Pingjum, Witmarsum, Cornwerd, Wons, Schraard, Schettens, Exmorra, Piaam en Parrega. De situatie die nu planologisch wordt vastgelegd, verschilt niet van de huidige situatie. Over dit bestemmingsplan heeft de Fryske Utfieringstsjinst Miljeu en Omjouwing (FUMO) geadviseerd.
In dit advies is onder meer het groepsrisico inzichtelijk gemaakt. Het complete advies (23 oktober 2019, zaaknummer 2019-FUMO-0034732) is toegevoegd in bijlage 2 bij deze toelichting. Het advies is verwerkt in de volgende paragrafen. 4.7.2 Risicobronnen In alle dorpen zijn de risicobronnen in beeld gebracht. In een aantal dorpen zijn geen risicobronnen, zoals in Pingjum, Wons, Schraard, Schettens, Exmorra, Piaam. In de dorpen Witmarsum, Cornwerd en Parrega zijn wel risicobronnen aanwezig. Hier wordt in de volgende paragrafen op in gegaan. 4.7.2.1 Witmarsum In en in de omgeving van het plangebied zijn de volgende risicobronnen aanwezig: <0000> Gasdrukmeet- en regelstation, Mulierlaan 1; <0000> Opslag chloorbleekloog zwembad Waterpark Mounewetter, Mouneplein 5; <0000> Hogedruk aardgastransportleiding N-502-38. Het gasdrukmeet- en regelstation valt niet onder het Bevi. In het Activiteitenbesluit zijn voor dergelijke stations veiligheidsafstanden opgenomen van 15 meter tot beperkt kwetsbare objecten en 4 meter tot kwetsbare objecten. Het plangebied ligt buiten deze veiligheidsafstanden. Deze risicobron vormt dan ook geen belemmering voor het bestemmingsplan.
Dorpen Noord / West 2 vastgesteld
43
Het zwembad valt ook niet onder het Bevi, maar is wel een potentieel risicovolle inrichting. Chloorbleekloog vormt namelijk met zuur het gevaarlijke chloorgas. Aan de opslag van deze stoffen zijn dan ook eisen gesteld in het Activiteitenbesluit. Het risico zou verminderd kunnen worden door te kiezen voor een zuiveringssysteem op basis van ozon of electrolyse. Dit is echter vooralsnog niet aan de orde. Het zwembad vormt desondanks geen belemmering voor het bestemmingsplan. Het plangebied ligt gedeeltelijk in het invloedsgebied (1% letaliteitszone) van deze hogedruk aardgastransportleiding. Het plangebied ligt echter buiten de 100% letaliteitszone. Hierdoor is een beperkte verantwoordingsplicht van het groepsrisico voldoende. Hiervoor is in het Fumo rapport onder meer het groepsrisico berekend en weergegeven in een fN-curve. Gebleken is dat het groepsrisico niet waarneembaar is. De hogedruk aardgastransportleiding vormt dan ook geen belemmering voor het bestemmingsplan. Overeenkomstig het Bevb moet wel gekeken worden naar de bestrijding en beperking van de omvang van een ramp of zwaar ongeval en de zelfredzaamheid van de mensen in het invloedsgebied. Hierover heeft Brandweer Fryslân geadviseerd (Brandweer Fryslân, 18 juli 2019).
Het advies is niet repressief, aangezien het bestemmingsplan een actualisatie betreft en conserverend is (er verandert dus feitelijk niets aan de bestaande situatie). Er liggen verschillende (beperkt) kwetsbare objecten in het invloedsgebied. Hoewel op grotere afstand van de gasleiding gelegen, zal er altijd een restrisico overblijven. Bij het scenario “fakkelbrand” heeft de brandweer dan ook geadviseerd over de vluchtmogelijkheden binnen- en buitenshuis en het oefenen met dit scenario. Samengevat zal de gemeente SWF zich uit moeten spreken over de acceptatie van het restrisico. De zogenaamde belemmeringenstrook (in dit geval 4 meter van uit het hart van de leiding) moet op verbeelding van het bestemmingsplan worden opgenomen. 4.7.2.2 Cornwerd In en in de omgeving van het plangebied is de volgende risicobron aanwezig: <0000> Windturbine. Het risico dat een windturbine voor zijn omgeving vormt is het afbreken van een of meer rotorbladen. Aangezien het een betrekkelijk kleine windturbine is, valt de risicocontour in het plangebied niet over bebouwing van derden. De windturbine vormt hierdoor geen belemmering voor het bestemmingsplan. 4.7.2.3 Parrega In en in de omgeving van het plangebied zijn de volgende risicobronnen aanwezig: <0000> Gasdrukmeet- en regelstation, Jousterweg 4c; <0000> Hogedruk aardgastransportleiding N-501-01; <0000> Transport gevaarlijke stoffen over wegen.
Het gasdrukmeet- en regelstation valt niet onder het Bevi. In het Activiteitenbesluit zijn voor dergelijke stations veiligheidsafstanden opgenomen van 15 meter tot beperkt kwetsbare objecten en 4 meter tot kwetsbare objecten. Het plangebied ligt buiten deze veiligheidsafstanden. Deze risicobron vormt dan ook geen belemmering voor het bestemmingsplan.
Dorpen Noord / West 2 vastgesteld
44
Het plangebied ligt gedeeltelijk in het invloedsgebied (1% letaliteitszone) van deze hogedruk aardgastransportleiding. Het plangebied ligt echter buiten de 100% letaliteitszone. De situatie is vergelijkbaar met die in Witmarsum en voor de toelichting wordt dan ook naar die paragraaf verwezen. Westelijk van Parrega ligt de provinciale weg N359. Over deze weg vindt geen doorgaand vervoer van gevaarlijke stoffen plaats, maar alleen bevoorrading van de LPG-tankstations in het zuidelijk gelegen Workum. Het aantal transportbewegingen is laag en aangezien het een conserverend bestemmingsplan is, wordt dit transport niet getoetst. Het vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg vormt geen belemmering voor het bestemmingsplan. 4.7.3 Restrisico Uit het Fumo-rapport blijkt dat het groepsrisico door het nieuwe bestemmingsplan niet verandert. Het advies van Brandweer Fryslân is positief. In het (conserverende) bestemmingsplan neemt het aantal risicobronnen niet toe en er wordt geen uitbreiding van woningbouw (binnen invloedsgebieden) mogelijk gemaakt. Uit de cijfermatige toetsing blijkt dat er geen belemmeringen zijn voor dit bestemmingsplan. Dit betekent niet dat er geen sprake van enig risico is. Echter alles overwegend wordt het restrisico als acceptabel beschouwd. 4.7.4 Advies brandweer Fryslân De FUMO heeft voor haar advies ook de Brandweer Fryslân benaderd voor een reactie.
De brandweer richt zich vooral op de bestrijding en beperking van rampen en zelfredzaamheid. De reactie van de Brandweer Fryslân is behandeld in de Reactienota vooroverleg en is opgenomen in bijlage 4 bij deze toelichting.
4.8
Geluid
Wegverkeerslawaai In de Wet geluidhinder (Wgh) is bepaald dat elke (spoor)weg in principe een zone heeft waar aandacht aan geluidhinder moet worden besteed. De Wgh maakt onderscheid tussen geluidsgevoelige gebouwen/functies en niet-geluidsgevoelige gebouwen. Onder meer (bedrijfs)woningen zijn geluidsgevoelige gebouwen. Als geluidsgevoelige gebouwen binnen een zone bij een behorend bij een zoneplichtige (spoor)weg worden geprojecteerd bij een bestemmingsplanprocedure, moet met een akoestisch onderzoek worden aangetoond dat voldaan wordt aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Wegen waar deze zone in principe niet geldt, zijn: <0000> Wegen die gelegen zijn binnen een als woonerf aangeduid gebied; <0000> Wegen waarvoor een maximumsnelheid geldt van 30 km/uur. In en direct rond het plangebied zijn wegen aanwezig die een wettelijke geluidzone hebben. Voor de meeste wegen in de kernen geldt echter een 30km-zone, die dus geen zone hebben. Voor de overige wegen geldt dat sprake is en blijft van een feitelijk bestaande situatie die opnieuw vastgelegd wordt in dit bestemmingsplan. Nieuwe ontwikkelingen worden bovendien niet voorzien. De akoestische situatie verandert dus niet en een akoestisch onderzoek is daarom niet nodig.
Dorpen Noord / West 2 vastgesteld
45
Industrielawaai Bij de bedrijven en bedrijventerreinen binnen het plangebied is geen sprake van een geluidzone als bedoeld in de Wgh. De dorpen liggen bovendien niet binnen een geluidzone van een gezoneerd terrein. Het aspect industrielawaai heeft dan ook geen invloed op dit bestemmingsplan. Spoorweglawaai Op ruime afstand van het plangebied lopen de spoorlijnen Leeuwarden-Harlingen en Leeuwarden-Stavoren. De afstand tussen het plangebied (Pingjum) en de spoorlijn Leeuwarden-Harlingen bedraagt ruim 5 km. Tussen het plangebied (Parrega) en de spoorlijn Leeuwarden-Stavoren is dit bijna 2 km. De geluidzones rond deze spoorwegen zijn vastgelegd op 300 meter aan weerzijden. De maximaal toelaatbare geluidbelasting voor gevoelige functies bedraagt 68 dB. Gelet op de afstand levert dit geen belemmeringen op. Bij de vaststelling van dit bestemmingsplan worden geen nieuwe geluidsgevoelige gebouwen/functies mogelijk gemaakt. Dit betekent dat het aspect geluid geen belemmering is voor dit bestemmingsplan.
4.9
Kabels en leidingen
Zoals in paragraaf 4.7 (Externe veiligheid) aangegeven zijn in het plangebied hoofdgastransportleidingen aanwezig waarmee in dit bestemmingsplan rekening wordt gehouden. De manier waarop is in diezelfde paragraaf en de bijbehorende bijlage beschreven. Daarnaast is sprake van rioolpersleidingen. Deze zijn voorzien van een dubbelbestemming op de verbeelding, waaraan regels zijn gekoppeld. Tot slot kan sprake zijn van transportleidingen van Vitens en hoogspanningsverbindingen (onder- en bovengronds). Hiervan is echter in het plangebied van dit bestemmingsplan geen sprake.
4.10
Lichthinder
In de provincie Fryslân is meer dan de helft van het grondgebied (56%) donker of erg donker. Op 87% van het grondgebied is de Melkweg nog te zien. De provincie Fryslân is één van de donkerste provincies. 15% van Fryslân is donkerder dan ieder ander gebied in Nederland, waar tot nu toe de hemelhelderheid gemeten is. Op het aspect lichthinder is geen wettelijk toetsingskader van toepassing. Ook is hiervoor geen gemeentelijk beleid. Uit het oogpunt van de bescherming van ecologischeen landschapswaarden is het wel wenselijk om lichthinder zoveel mogelijk te voorkomen of in ieder geval zo veel mogelijk te beperken. Dit geldt vooral voor gebieden waar het nog relatief donker wordt. Het gaat dan vooral om het buitengebied. De gemeente Súdwest-Fryslân wil dan ook graag dat initiatiefnemers van ontwikkelingen aandacht besteden aan het aspect lichthinder, zodat dit tot een minimum beperkt kan worden. In het plangebied vinden geen nieuwe ontwikkelingen plaats. Een toename van lichthinder is dan ook niet aan de orde. Hierdoor is in het plan verder geen aandacht besteed aan het aspect lichthinder.
Dorpen Noord / West 2 vastgesteld
46
Figuur 11
Fragment hemelhelderheidskaart (Bron: Provinsje Fryslân, 2014)
Dorpen Noord / West 2 vastgesteld
47
4.11
Luchtkwaliteit
Nederland heeft de Europese regels ten aanzien van luchtkwaliteit geïmplementeerd in de Wet milieubeheer. De wet is bedoeld om de negatieve effecten op de volksgezondheid aan te pakken door te hoge niveaus van luchtverontreiniging. De wet heeft ook tot doel mogelijkheden te creëren voor ruimtelijke ontwikkeling, ondanks overschrijdingen van de Europese grenswaarden voor luchtkwaliteit. De Wet milieubeheer voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Luchtkwaliteitseisen vormen onder de Wet milieubeheer geen belemmering voor ruimtelijke ontwikkelingen als: a. Er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; b. Een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt; c. Een project ’niet in betekenende mate’ bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Dit bestemmingsplan geeft alleen een nieuwe juridische regeling aan de huidige situatie. Nieuwe ontwikkelingen die bijdragen aan een verslechtering van de luchtkwaliteit worden niet mogelijk gemaakt. Bovendien zijn binnen de gemeente Súdwest-Fryslân geen knelpunten bekend voor de luchtkwaliteit.
4.12
Verkeer
De verkeersstructuur in en om het plangebied blijft gelijk, omdat het hier gaat om een conserverend bestemmingsplan. De bestaande verkeershoofdstructuur is omschreven in paragraaf 2.2. De beleidsuitgangspunten voor verkeer en parkeren staan in paragraaf 3.3.10.2.
4.13
Water
Wet- en regelgeving Waterwet Binnen de Waterwet is het beheer van oppervlaktewater en grondwater geregeld en de wet verbetert de samenhang tussen ruimtelijke ordening en waterbeleid. Een watervergunning voor het uitvoeren van werkzaamheden aan een waterstaatswerk zal moeten worden aangevraagd bij de waterbeheerder, Wetterskip Fryslân. Een waterstaatswerk is een oppervlaktewaterlichaam, bergingsgebied, waterkering of ondersteunend kunstwerk. Legger Wetterskip Fryslân Wetterskip Fryslân is de beheerder van alle waterstaatswerken, maar onderhoudt niet alles. In de Legger is opgenomen wie voor welk onderhoud verantwoordelijk is. Ook zijn in de Legger de minimaal benodigde afmetingen van keringen beschreven om aan de veiligheidsnormen te voldoen. In de Legger wordt voor de wateren binnen het Wetterskip haar beheersgebied, de minimale eisen beschreven om een goede aan- en afvoer van water te realiseren. Naast het stellen van eisen aan de waterstaatswerken, vervult de Legger een functie in de handhaving van verbodsbepalingen die staan beschreven in de
Dorpen Noord / West 2 vastgesteld
48
Keur. Dit betekent dat het zonder toestemming van het waterschap verboden is om gebruik te maken van een waterstaatswerk, inclusief beschermingszones. Wet ruimtelijke ordening en de Watertoets Op basis van het Bro, moet een paragraaf worden opgenomen waarin wordt beschreven hoe er rekening is gehouden met de waterhuishouding binnen het bestemmingsplan. Voor de schriftelijke onderbouwing van de waterhuishouding binnen het bestemmingsplan, is gebruik gemaakt van de wettelijk verplichte ‘Watertoets’. In de Watertoets wordt door het Wetterskip advies gegeven hoe om te gaan met de waterhuishouding, zodat deze wordt gewaarborgd. Bij ruimtelijke ontwikkelingen is het van belang dat het Wetterskip vroegtijdig betrokken wordt. Watertoets Voor de herziening van het bestemmingsplan is op 4 september 2018 een watertoets aangevraagd. Het Wetterskip heeft op 5 september aangegeven dat voor dit plan een normale procedure van toepassing is. Het Wetterskip gaat in de reactie verder in op de trits Veilig, Voldoende, Schoon. Voor het bestemmingsplan is daarbij het volgende van belang: Primaire waterkering Zoals aangegeven in paragraaf 3.1.3. maakt de IJsselmeerdijk door Piaam deel uit van de primaire waterkeringen buiten het kustfundament zoals aangewezen in het Barro. Bij dergelijke dijken moet rekening worden gehouden met bebouwingsvrije zones.
Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen de kernzone (dijklichaam) en de ruimtelijke reserveringszone. De regels bij het Barro geven daarbij aan dat de kernzone en omliggende beschermingszone vastgelegd moeten worden in een bestemmingsplan, om zo een optimaal functioneren van de dijk te garanderen. Voor de kernzone geldt dat hierin in beginsel geen bouwactiviteiten toegestaan zijn. Bebouwing van de reserveringszone is niet toegestaan, tenzij hiervoor onder voorwaarden een ontheffing van de Keur is verleend. Voor de ontheffing moet in ieder geval aangetoond worden dat de stabiliteit van de kering door de ontwikkeling niet in het gedrang komt. De kernzone van de dijk ligt aan de rand van het plangebied, maar valt hier niet in. De reserveringszone van de bedoelde dijk valt ter plaatse van Piaam wel in het plangebied van dit bestemmingsplan. Voor de ruimtelijke reserveringszone is een aanduiding ‘vrijwaringszone – dijk’ opgenomen; in de regels wordt nieuwe bebouwing uitgesloten. Regionale waterkering De regionale waterkering beschermt het achterliggende gebied tegen hoge waterstanden in de Friese boezem. Behalve in Pingjum, zijn dergelijke keringen in alle kernen in het plangebied aanwezig. Regionale keringen hebben een kerende werking en hiervoor een bepaalde hoogte. Deze kerende werking mag niet worden aangetast en hierop moet worden gehandhaafd.
De regionale keringen worden beschermd door een beschermingszone van 5 meter breed. De beschermingszone is nodig voor het beheer en onderhoud aan de waterkering. Aan de waterkering zelf of binnen de beschermingszone mogen geen werkzaamheden worden uitgevoerd. Voor werkzaamheden aan de waterkering of in de beschermingszone moet eerste een watervergunning worden
Dorpen Noord / West 2 vastgesteld
49
aangevraagd. Hiervoor wordt in dit bestemmingsplan een passende regeling opgenomen. Dit heeft geen invloed op de bestaande bebouwing binnen de zone. Hoofdwatergang Door alle dorpen, met uitzondering van Cornwerd, liggen hoofdwatergangen. Deze hebben een belangrijke aan-, af- en doorvoer functie. Voor het onderhoud van deze watergangen is aan beide zijden een beschermingszone van 5 meter vanaf de oever noodzakelijk. De hoofdwatergangen moeten in de bestemmingen mogelijk zijn gemaakt. In dit bestemmingsplan hebben de hoofdwatergangen dan ook de bestemming ‘Water’. Voor de beschermingszone wordt geen specifieke regeling opgenomen. In de bestaande situatie zijn de watergangen al goed bereikbaar. De bestaande situatie wordt in dit bestemmingsplan voorzien van een nieuwe regeling. Rioolwaterpersleiding Met uitzondering van de dorpen Pingjum en Cornwerd zijn in alle kernen in het plangebied rioolwaterpersleidingen aanwezig. In een zone van 6 meter, 3 meter vanaf het hart van de leiding, heeft het waterschap een beperkt recht van opstal. Hier gelden beperkingen voor het grondgebruik in relatie tot de bereikbaarheid van de leiding voor onderhoud en in geval van calamiteiten. Deze zone heeft in dit bestemmingsplan de bestemming ‘Leiding – Riool’, waaraan een regeling is gekoppeld die bouwwerken en diepwortelende beplanting in de strook voorkomt.
Op die manier is de bereikbaarheid van de onderliggende leiding gegarandeerd. Toename verharding Het is verboden zonder watervergunning neerslag versneld tot afvoer te laten komen indien daarbij meer dan 200 m2 onverharde grond in stedelijk gebied en 1500 m2 in landelijk gebied wordt bebouwd of verhard. Er geldt een vrijstelling van de vergunningsplicht wanneer wordt voldaan aan de compensatieregels. De meest voorkomende manier van compenseren is het graven van extra oppervlaktewater. Bij het graven van extra oppervlaktewater is onderstaande tabel van toepassing. Uiteraard is het toepassen van alternatieve maatregelen in het plan ook mogelijk. Afhankelijk van de maatregel kunnen andere normen gelden dan vermeld in het onderstaande tabel. Zie de ‘Leidraad watertoets’ voor meer informatie over compenserende maatregelen of neem contact op met Cluster Plannen van Wetterskip Fryslân. Indien er niet wordt gecompenseerd door extra oppervlaktewater te graven waarbij onderstaande percentages worden gehanteerd of indien er geen overeenstemming plaatsvindt in de watertoetsprocedure over alternatieve maatregelen dan dient een watervergunning bij het waterschap te worden gevraagd. Gebied
Stedelijk (>200 m²)
Landelijk (>1.500 m²)
Boezem
5%
5%
Polder
10%
10%
Vrij afstromend
Maatwerk mogelijk
Maatwerk mogelijk
Toelichting tabel • 5% heeft alleen betrekking op de Friese boezem; • de algemene regels keur zijn in de tabel verwerkt; • maatwerk kan bestaan uit bijvoorbeeld infiltratie of berging van het overtollig hemelwater.
Nieuwe ontwikkelingen
Dorpen Noord / West 2 vastgesteld
50
Wanneer sprake is van nieuwe ontwikkelingen in het plangebied, die gevolgen kunnen hebben voor het waterbeheer, dan wordt hiervoor een nieuw wateradvies aangevraagd.
Dorpen Noord / West 2 vastgesteld
51
HOOFDSTUK 5 Juridische toelichting 5.1
Inleiding
Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding (plankaart), planregels en deze plantoelichting. De verbeelding en planregels vormen tezamen het juridische deel van het bestemmingsplan. Deze vormen het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van gronden en bebouwing. In de regels worden de mogelijkheden in artikelen vastgelegd. Op de verbeelding worden de bestemmingen, bouw- en gebruiksmogelijkheden per locatie aangeduid. Het bestemmingsplan is opgesteld in aansluiting op de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012. In dit hoofdstuk wordt de juridische systematiek van het bestemmingsplan toegelicht. Ook wordt een beschrijving per bestemming en een toelichting op de algemene bepalingen en de overgangs- en slotbepalingen gegeven.
5.2
Planregels
In deze paragraaf wordt de algemeen gehanteerde indeling van de bestemmingsregels aan de orde gesteld. Deze ziet er als volgt uit: Hoofdstuk 1: Inleidende regels <0000> Begrippen <0000> Wijze van meten Hoofdstuk 2: Bestemmingsregels <0000> Bestemmingen <0000> Voorlopige bestemmingen <0000> Uit te werken bestemmingen <0000> Dubbelbestemmingen Hoofdstuk 3: Algemene regels <0000> Antidubbeltelregel <0000> Algemene bouwregels <0000> Algemene gebruiksregels <0000> Algemene aanduidingsregels <0000> Algemene afwijkingsregels <0000> Algemene wijzigingsregels <0000> Verwerkelijking in de naaste toekomst <0000> Algemene procedureregels <0000> Overige regels Hoofdstuk 4: Overgangs- en slotregels <0000> Overgangsrecht <0000> Slotregel 5.2.1
Inleidende regels
Dorpen Noord / West 2 vastgesteld
52
Dit onderdeel bestaat uit de begrippenlijst en de wijze van meten. In de begripsomschrijving wordt aangegeven wat in de regels onder bepaalde begrippen moet worden verstaan. De gemeente Súdwest-Fryslân heeft een standaardbegrippenlijst waarvan alleen in uitzonderingsgevallen mag worden afgeweken. In het bestemmingsplan worden alleen de begrippen opgenomen die van toepassing zijn op het plan. Ook de wijze van meten wordt in het bestemmingsplan beschreven. Dit geeft aanwijzingen over de manier van meten die gehanteerd wordt bij specifieke onderwerpen. 5.2.2 Bestemmingsregels Een bestemming is een omschrijving van aan de grond toegekende functies, zoals wonen, bedrijven, groenvoorzieningen, etc. In de bestemmingsregel wordt aangegeven waarvoor en – wanneer nodig - hoe de betreffende gronden mogen worden gebruikt en bebouwd. Voor de bevordering van de leesbaarheid en de raadpleegbaarheid moet een vaste volgorde worden gehanteerd. Voor zover het voor het betrokken bestemmingsplan van toepassing is, geldt dit voor alle soorten bestemmingen, zoals bestemmingen, dubbelbestemmingen, uit te werken bestemmingen en voorlopige bestemmingen. In de bestemmingsplannen van de gemeente Súdwest-Fryslân zijn verschillende bestemmingen te onderscheiden. Aan deze bestemmingen zijn bepaalde regelingen zoals de bestemmingsomschrijving, bouwregels, gebruik, etc. gekoppeld.
De volgende indelingen worden bij de gemeente Súdwest-Fryslân gebruikt voor het opstellen van bestemmingsregels. Artikel (nummer) Bestemmingsnaam Bestemmingsomschrijving In de bestemmingsomschrijving wordt een nadere omschrijving gegeven van de aan de gronden toegekende functie(s). De bestemmingsomschrijving is voornamelijk functioneel, maar bevat ook enkele inrichtingsaspecten. Bouwregels In de bouwregels worden de bebouwingsbepalingen voor alle bouwwerken geregeld. Het gaat daarbij onder meer om oppervlakten, hoogten en afstanden ten opzichte van naburige functie(s). Nadere eisen Wanneer nodig worden nadere eisen gesteld voor bepaalde kwalitatief omschreven criteria, zoals woonsituatie, straat- en bebouwingsbeeld en verkeersveiligheid. De nadere eisen regeling biedt de mogelijkheid om sturend op te treden, wanneer dit nodig is in concrete situaties in het kader van het verlenen van een omgevingsvergunning. De nadere eisen worden meestal gesteld aan de plaats en de afmeting van bebouwing. Om deze reden en omdat het gaat om een aanvulling op een basiseis, volgt dit onderdeel op de bouwregels. Specifieke gebruiksregels
Dorpen Noord / West 2 vastgesteld
53
In dit onderdeel wordt aangegeven welke vormen van gebruik in ieder geval strijdig zijn met de bestemming. Niet alle mogelijke strijdige gebruiksvormen worden genoemd, maar vooral die, waarvan het niet meteen duidelijk is of deze in strijd is met de bestemming. Te denken valt aan het verbod op het bewonen van vrijstaande bijgebouwen. Afwijken van de gebruiksregels Hier is aangegeven of en in hoeverre kan worden afgeweken van de gebruiksregels. De voorwaarden hieraan zijn zo veel mogelijk objectief begrensd. Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde of van werkzaamheden Voor het uitvoeren van bepaalde werkzaamheden, zoals graven of planten, eist de gemeente dat een vergunning wordt verleend, voordat hiermee wordt gestart. Ook kunnen bepaalde werken/werkzaamheden worden verboden. Dit is bedoeld om aanwezige waarden (cultuurhistorie, landschap etc.) te beschermen. In dit onderdeel staat wanneer een vergunning nodig is en welke voorwaarden hieraan zijn gesteld. Omgevingsvergunning voor slopen Volgens artikel 3.3 Wro kan in het bestemmingsplan worden bepaald, dat het verboden is om binnen een bij dat plan aangegeven gebied zonder of in afwijking van een vergunning van burgemeester en wethouders bouwwerken te slopen. In dit onderdeel staat wanneer een vergunning nodig is en welke voorwaarden hieraan kunnen worden gesteld.