CConstaterende datSúdwest-Fryslân
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage - Erfgoednota inclusief bijbehorende beleidsnota's en bijlagen

Raadsvergadering 29 april 2021, gemeente Súdwest-FryslânBij agendapunt: Erfguodnota en by heardende beliedsûnderdielen en bylagen40.342 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 5

Als een bestemmingsplan als bedoeld in het vijfde of zesde lid, opnieuw moet worden vastgesteld ingevolge artikel 3.1, tweede lid, van de Wet ruimtelijke ordening, kan de gemeenteraad in afwijking van artikel 3.1, eerste lid, van die wet, voor het desbetreffende gebied een beheersverordening als bedoeld in die wet vaststellen. 8. Dit artikel is niet van toepassing op beschermde stads- en dorpsgezichten die zijn aangewezen op grond van artikel 35, eerste lid, van de Monumentenwet 1988 of een provinciale verordening als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Artikel 19. Wijziging, intrekking en vervallen van de aanwijzing als beschermd gemeentelijke stadsstads- en dorpsgezicht 1. De gemeenteraad kan, op voorstel van burgemeester en wethouders, een besluit tot aanwijzing als bedoeld in artikel 18, eerste lid, wijzigen of intrekken. Artikel 18, tweede en derde lid, is hierop van overeenkomstige toepassing, tenzij het een aanpassing van ondergeschikte betekenis betreft of het stads- en dorpsgezicht waarop aanwijzing betrekking heeft als zodanig is tenietgegaan. 2. Een aanwijzing vervalt met ingang van de dag waarop het stads- en dorpsgezicht waarop de aanwijzing betrekking heeft wordt aangewezen als: a. beschermd stads- en dorpsgezicht als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de Monumentenwet 1988, of b.

beschermd stads- en dorpsgezicht op grond van een provinciale erfgoedverordening als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. 3. Zodra de wijziging, intrekking of het vervallen van een aanwijzing onherroepelijk is geworden, wordt dat onverwijld bijgehouden in het gemeentelijk erfgoedregister. Artikel 20. Verbodsbepaling en aanvraag vergunning 1. Het is in een beschermd gemeentelijk stads- of dorpsgezicht verboden om zonder omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, een bouwwerk te slopen. 2. De omgevingsvergunning kan in ieder geval worden geweigerd als naar het oordeel van burgemeester en wethouders niet aannemelijk is dat op de plaats van het te slopen bouwwerk een ander bouwwerk kan of zal worden gebouwd. 3. De artikelen 15 en 16 zijn van overeenkomstige toepassing. 4. Het eerste lid is niet van toepassing op het slopen ingevolge een verplichting als bedoeld in de artikelen 13, 13a of 13b van de Woningwet.

37

Paragraaf 8. Instandhouding van archeologische terreinen Artikel 21. 21. Gemeentelijke FAMKE 1. Het college stelt (opnieuw) de gemeentelijke FAMKE vast, die dient als basis voor: a. De verordening. b. Vast te stellen bestemmingsplannen c. Aanwijzing van gemeentelijke monumenten als bedoeld in artikel 1, onder a. 2. Resultaten van archeologische onderzoeken uitgevoerd door daarvoor gecertificeerde bedrijven, die nog niet zijn verwerkt in de gemeentelijke FAMKE, worden meegenomen bij de aspecten zoals bedoeld onder lid 1 onder a, b en c. Artikel 22. 22. Instandhouding archeologische terreinen 1. a. Het is verboden om in een gemeentelijk archeologisch monument, bedoeld in artikel 1, onder a of een gebied met een hoge archeologische waarde, bedoeld in artikel 1, onder f of een gebied met een archeologische verwachtingswaarde, bedoeld in artikel 1, onder g, de bodem dieper dan 40 cm onder het maaiveld te verstoren. b. Van de verstoringsdiepte genoemd onder a mag naar boven of naar beneden afgeweken worden bij een gemeentelijk archeologisch monument bedoeld in artikel 1, onder a, sub 2 of een gebied met een hoge archeologische waarde, bedoeld in artikel 1.

Dit op voorwaarde dat dit bij een afwijking naar boven aantoonbaar noodzakelijk wordt geacht voor het behoud van de archeologische waarden en dat bij een afwijking naar beneden dit aantoonbaar het behoud van de archeologische waarden niet zal schaden. 2. Het verbod in lid 1 is niet van toepassing indien: a. het de aanleg van systematische drainage betreft, mits sleufloos uitgevoerd; b. het een verstoring betreft van een gemeentelijk archeologisch monument of een gebied met hoge archeologische waarde of een gebied met archeologische verwachtingswaarde als aangegeven op de gemeentelijke FAMKE en de ingreep kleiner is dan de oppervlakte die in de desbetreffende advieszone van de gemeentelijke FAMKE wordt aangegeven; c. in het geldend bestemmingsplan regels zijn opgenomen omtrent archeologische monumentenzorg en archeologische waarden. d. sprake is van een activiteit als bedoeld in artikel 2.12, eerste en tweede lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en hierin voorschriften zijn opgenomen omtrent archeologische monumentenzorg; e. het college nadere regels stelt met betrekking tot de uitvoering van werkzaamheden die leiden tot een verstoring van een gemeentelijk archeologisch monument, een gebied met hoge archeologische waarde, of een gebied met een archeologische verwachtingswaarde als aangegeven op de gemeentelijke FAMKE; f.

een rapport is overgelegd waarin de archeologische waarde van het te verstoren terrein naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld en waaruit blijkt dat: • het behoud van de archeologische waarden in voldoende mate kan worden geborgd of • de archeologische waarden door de verstoring niet onevenredig worden geschaad of • in het geheel geen archeologische waarden aanwezig zijn; g. sprake is van een uitbreiding van een bouwvlak in een gebied met enkel een archeologische verwachtingswaarde, aangrenzend aan een gebied met hoge archeologische waarde teneinde om het behoud van de bekende archeologische vindplaats te stimuleren h. het hier een sloopvergunning betreft, hieraan kunnen geen archeologische voorschriften worden gekoppeld. Behalve dan als het om sloopvergunningen handelt die betrekking hebben op bouwwerken in beschermende stads- of dorpsgezichten (zoals bedoeld in artikel 5.2, derde lid, van het Besluit omgevingsrecht in samenhang met artikel 2.1, eerste lid, onder h, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht). Artikel 23 23. Archeologisch onderzoek 1. Indien binnen het grondgebied van de gemeente Súdwest-Fryslân onderzoek wordt uitgevoerd in het kader van het doen van handelingen als bedoeld in Artikel 5.1, eerste lid Erfgoedwet, dient, onverminderd de overige bepalingen van deze wet: o a.

het college een programma van eisen goed te keuren daar waar van toepassing volgens de vigerende Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA) als bedoeld in artikel 1 onder j, waarbij nadere regels worden gesteld ten aanzien van het onderzoek o b. de verstoorder, voorafgaande aan het onderzoek, een plan van aanpak daar waar van toepassing volgens de vigerende kwaliteitsnorm (KNA) als bedoeld in artikel 1 onder i van deze verordening, ter goedkeuring aan het bevoegd gezag te overleggen. 2. Indien in het kader van de omgevingsvergunningaanvraag een rapport wordt overlegd waarvoor archeologisch onderzoek moet worden uitgevoerd, dan dient dit onderzoek te voldoen aan: de vigerende kwaliteitsnorm (KNA), de eisen vanuit de FAMKE en aan de Richtlijnen voor archeologisch onderzoek (nadere eisen aan derden binnen de 38

gemeente Súdwest-Fryslân) van de gemeente. Tijdens het onderzoek dienen aanwijzingen van het college in acht te worden genomen. 3. Om te kunnen beoordelen of het plan van aanpak aan het programma van eisen en eventuele nadere regels voldoet, vraagt het bevoegd gezag advies aan de gemeentelijk archeoloog. Artikel 24. Vergunningverlening archeologische terreinen 1. Het college beslist binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag om vergunning als bedoeld in artikel 24. 2. Het college kan de in het vorige lid genoemde termijn eenmaal met ten hoogste zes weken verlengen, mits zij de aanvrager daarvan in kennis stelt binnen de in het vorige lid genoemde termijn. 3. Indien het college niet voldoet aan het eerste of tweede lid, wordt de vergunning geacht van rechtswege te zijn verleend. Artikel 25. Intrekken van de vergunning archeologisch gebied Het college kan een vergunning als bedoeld in artikel 24 intrekken indien: a) de vergunninghouder daar om heeft verzocht; b) blijkt dat de vergunning ten gevolge van een onjuiste of onvolledige opgave is verleend; c) blijkt dat de voorschriften die zijn verbonden aan de vergunning niet worden nageleefd; d) de omstandigheden aan de kant van de vergunninghouder zich zodanig hebben gewijzigd, dat het belang van het monument zwaarder dient te wegen; Artikel 26.

Weigeringsgrond van de vergunning archeologisch terrein De vergunning kan slechts worden verleend als het belang van de monumentenzorg zich daartegen niet verzet.

Paragraaf 9. Overige bepalingen Artikel 27. 27. Strafbepaling Degene die handelt in strijd met artikel 13 of het bepaalde krachtens artikel 14, derde lid, van deze verordening wordt gestraft met een geldboete van de tweede categorie of een hechtenis van ten hoogste drie maanden. Artikel 28. 28. Toezichthouders 1. Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening zijn belast de aangewezen toezichthouders en de gemeentelijk archeoloog. 2. Burgemeester en wethouders kunnen daarnaast andere personen met dit toezicht belasten.

Artikel 29. 29. Tegemoetkoming in schade sc hade Indien en voor zover blijkt dat een belanghebbende schade lijdt of zal lijden, die redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven, kent het bevoegd gezag hem op zijn aanvraag een naar billijkheid te bepalen tegemoetkoming toe, indien de schade in relatie staat tot: a. de weigering van het bevoegd gezag een vergunning als bedoeld in artikel 14 te verlenen b. de voorschriften door het bevoegd gezag verbonden aan een vergunning als bedoeld in artikel 14.

Paragraaf 10. Slotbepalingen Slotbepaling en Artikel 30 . Intrekken oude verordening De Erfgoedverordening gemeente Súdwest-Fryslân wordt ingetrokken. Artikel 31. Overgangsrecht 1. Een krachtens de Erfgoedverordening gemeente Súdwest-Fryslân aangewezen en geregistreerd gemeentelijke monument, worden geacht aangewezen en geregistreerd te zijn overeenkomstig de bepalingen van deze verordening. 2. Aanvragen om vergunningen die zijn ingediend voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze verordening worden afgehandeld met inachtneming van de Erfgoedverordening gemeente Súdwest-Fryslân. Artikel 32. Inwerkingtreding en citeertitel 1. Deze verordening treedt in werking op [datum]. 2. Deze verordening wordt aangehaald als: Erfgoedverordening Súdwest-Fryslân 2021. Aldus vastgesteld in de vergadering van de raad van de gemeente Súdwest-Fryslân, [datum], De voorzitter, De griffier, 39

Toelichting Algemeen deel Inleiding Het gemeentelijk erfgoedbeleid verandert. Vooral de bundelingen van wetgeving in één Erfgoedwet en de verwachte invoering van de Omgevingswet stimuleren zowel een meer integraal gemeentelijk erfgoedbeleid als de erkenning dat erfgoed een integraal onderdeel is van (de kwaliteit van) de fysieke leefomgeving. Door de invoering van deze twee wetten is het bereik van de gemeentelijke Erfgoedverordening in vergelijking met de voorgaande verordening zowel breder – het betreft nu monumenten én cultuurgoederen – als smaller: belangrijke fysieke onderwerpen zoals de aanwijzing of bescherming van stadsen dorpsgezichten of archeologische waarden en verwachtingen worden steeds minder geregeld via een verordening en meer via het bestemmingsplan en straks, onder de Omgevingswet, het omgevingsplan. Per saldo leidt een en ander tot een vereenvoudigde Erfgoedverordening. De Erfgoedverordening wordt vernieuwd vanwege de invoering van de nieuwe Erfgoedwet, per 1 juli 2016. De Erfgoedwet vervangt en integreert verschillende wettelijke regelingen op het gebied van het cultureel erfgoed. Naast de Erfgoedwet wordt besluitvorming over cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving op termijn geregeld via de Omgevingswet.

De Erfgoedwet anticipeert op de invoering van de Omgevingswet door overgangsrecht als gevolg waarvan delen van de Monumentenwet 1988 van kracht blijven, tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Daarom is deze verordening zowel gebaseerd op de Erfgoedwet als op de Monumentenwet 1988. In de Omgevingswet zal materieel gezien het bestaande stelsel van monumenten- en sloopvergunningen nagenoeg één-opéén worden overgenomen. Wel vindt op een aantal wetstechnische, procedurele en inhoudelijke punten stroomlijning plaats, die samenhangt met de samenvoeging met andere stelsels en de achterliggende vereenvoudigingsgedachte. Ook bepalingen over taken en bevoegdheden van de gemeentelijke monumentencommissies, de aanwijzing van beschermde stads- en dorpsgezichten en in dat kader het opstellen van beschermende bestemmingsplannen (straks omgevingsplannen) en de bepalingen over de archeologische monumentenzorg in bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen zullen overgaan naar de Omgevingswet. Reikwijdte De Erfgoedwet integreert de Regeling materieelbeheer museale voorwerpen 2013, de Wet verzelfstandiging museale diensten, de Monumentenwet 1988 (Mw 1988), de Wet tot behoud van cultuurbezit (Wbc), de Uitvoeringswet UNESCO-verdrag 1970 inzake onrechtmatige invoer, uitvoer of eigendomsoverdracht van cultuurgoederen en de Wet tot teruggave cultuurgoederen afkomstig uit bezet gebied.

In aansluiting op de Erfgoedwet is gekozen voor een brede Erfgoedverordening die conform het begrip ‘cultureel erfgoed’ ziet op zowel onroerend cultureel erfgoed (monumenten) als roerend cultureel erfgoed (cultuurgoederen). Er is voor gekozen om de instandhoudingsvergunning van gebieden met een archeologische (verwachtings)waarde op grond van artikel 2.2, tweede lid, Wabo aan te haken bij de omgevingsvergunning (facultatieve integratie). Zolang gemeentelijke bestemmingsplannen nog niet ‘Malta-proof’ zijn, kan op deze wijze in de omgevingsvergunning bescherming aan archeologische (verwachtings)waarden worden geboden bij de realisatie van een fysiek project die gepaard gaan met bodemverstorende werkzaamheden. De verordening voorziet dus in een overgangssituatie door het college de bevoegdheid te geven tot het stellen van nadere regels voor bodemverstorende activiteiten in een archeologisch monument of een gebied met een (hoge) archeologische (verwachtings)waarde. De door de gemeente als archeologische beleidsadvieskaart vastgestelde gemeentelijke Friese Archeologische Monumentenkaart Extra (FAMKE) - dit is een uitsnede van de provinciale FAMKE voor het gemeentelijk grondgebied - dient daarbij als basis.

Wettelijke grondslag De grondslag voor deze verordening bestaat uit artikel 3.16 van de Erfgoedwet en, op de voet van het overgangsrecht van artikel 9.1 van de Erfgoedwet, de artikelen 12 ,15 en 38 van de Monumentenwet 1988. Deze laatste wetgeving blijft op grond van het overgangsrecht van de Erfgoedwet van kracht tot de invoering van de Omgevingswet. Daarnaast zijn ook de artikelen 2.1 en 2.2 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) van belang in verband met de bescherming van monumenten door middel van omgevingsvergunningen.

40

Artikelsgewijs Enkel die bepalingen die nadere toelichting behoeven worden hieronder behandeld.

Artikel 1. Begripsbepalingen De wettelijke definities uit artikel 1.1 van de Erfgoedwet gelden onverkort voor de begrippen die gebruikt worden in deze verordening, nu deze verordening berust op artikel 3.16 van de Erfgoedwet en derhalve in samenhang met de Erfgoedwet moet worden gelezen. Artikel 1 van deze verordening bevat daarom de begrippen “gemeentelijk monument”, “minister”, “omgevingsvergunning” en “stads- en dorpsgezichten” waarvan de definitie moet worden omschreven of die kortheidshalve zijn gegeven en die niet reeds (in deze vorm) in artikel 1.1 van de Erfgoedwet zijn gegeven. De voor deze verordening relevante begrippen uit de Erfgoedwet zijn: - archeologisch monument: terrein dat deel uitmaakt van cultureel erfgoed vanwege de daar aanwezige overblijfselen, voorwerpen of andere sporen van menselijke aanwezigheid in het verleden, met inbegrip van die overblijfselen, voorwerpen en sporen; - archeologische vondst: overblijfsel, voorwerp of ander spoor van menselijke aanwezigheid in het verleden afkomstig van een archeologisch monument; - beschermd cultuurgoed: cultuurgoed dat: a. als zodanig is aangewezen op grond van artikel 3.7, eerste lid[, van de Erfgoedwet]; b. voorkomt in een opsomming als bedoeld in artikel 3.7, derde lid[, van de Erfgoedwet]; of c.

in geval van de aanwijzing van een beschermde verzameling op grond van artikel 3.8, eerste lid, [van de Erfgoedwet] zolang nog geen opsomming voor die verzameling is vastgesteld, redelijkerwijs onder de algemene omschrijving van die beschermde verzameling valt; - beschermde verzameling: verzameling die is aangewezen op grond van artikel 3.7, tweede lid[, van de Erfgoedwet]; - cultureel erfgoed: uit het verleden geërfde materiële en immateriële bronnen, in de loop van de tijd tot stand gebracht door de mens of ontstaan uit de wisselwerking tussen mens en omgeving, die mensen, onafhankelijk van het bezit ervan, identificeren als een weerspiegeling en uitdrukking van zich voortdurend ontwikkelende waarden, overtuigingen, kennis en tradities, en die aan hen en toekomstige generaties een referentiekader bieden; - cultuurgoed: roerende zaak die deel uitmaakt van cultureel erfgoed; - kerkelijk monument: monument dat eigendom is van een kerkgenootschap, een zelfstandig onderdeel daarvan, een lichaam waarin kerkgenootschappen zijn verenigd, of van een ander genootschap op geestelijke grondslag en dat uitsluitend of voor een overwegend deel wordt gebruikt voor het gezamenlijk belijden van de godsdienst of levensovertuiging; - monument: onroerende zaak die deel uitmaakt van cultureel erfgoed; - normaal onderhoud: noodzakelijke reguliere werkzaamheden die gericht zijn op het behoud van

monumentale waarde; - rijksmonument: monument of archeologisch monument dat is ingeschreven in het rijksmonumentenregister; - rijksmonumentenregister: register als bedoeld in artikel 3.3[, van de Erfgoedwet]; - verzameling: cultuurgoederen die uit cultuurhistorisch of wetenschappelijk oogpunt bij elkaar horen. - FAMKE: De gemeentelijke FAMKE (archeologische beleidsadvieskaart) kan een praktische oplossing bieden in het geval dat nog geen Malta-proof bestemmingsplan is vastgesteld. In dat geval kunnen gebieden op een dergelijke beleidsadvieskaart worden opgenomen, indien blijkt dat daar op grond van gemeentelijk historisch onderzoek mogelijk archeologische sporen in de bodem kunnen worden aangetroffen. Artikel 2. Gemeentelijk erfgoedregister Het gemeentelijk erfgoedregister heeft betrekking op al het (beschermd) gemeentelijk aangewezen cultureel erfgoed als dat krachtens deze verordening is gebeurd. Het gaat om door het gemeentebestuur zelf aangewezen monumenten, stads- of dorpsgezichten of cultuurgoederen. Daarnaast is in het tweede lid geregeld dat ook informatie over rijksmonumenten die in de gemeente zijn gelegen in het gemeentelijk erfgoedregister worden opgenomen. Op grond van de Erfgoedwet ontvangen burgemeester en wethouders deze informatie in afschrift van de minister bij de inschrijving in het rijksmonumentenregister.

Dit artikel geeft uitvoering aan de verplichting van artikel 3.16, derde lid, van de Erfgoedwet en is daarmee van toepassing op al het cultureel erfgoed, ongeacht of het om onroerende of roerende zaken gaat, dat is aangewezen op grond van deze verordening. Het woord “onherroepelijk” betekent hier dat tegen de aanwijzing geen beroep (of bezwaar) is ingesteld of dat het is afgewezen. Artikel 3. Aanwijzing als beschermd gemeentelijke cultuurgoeder of beschermde gemeentelijke verzameling Dit artikel maakt het mogelijk dat topstukken van het gemeentelijk cultuurbezit worden aangewezen als beschermde gemeentelijke cultuurgoederen of beschermde gemeentelijke verzamelingen, voor zover deze niet al voor het Nederlandse cultuurbezit als beschermde cultuurgoederen zijn aangewezen door de minister op grond van artikel 3.7 van de Erfgoedwet of door gedeputeerde staten op grond van de provinciale erfgoedverordening krachtens artikel 3.17 van de Erfgoedwet. De formele gevolgen van een aanwijzing van een cultuurgoed of verzameling als beschermd gemeentelijk cultuurgoed of 41

beschermde gemeentelijke verzameling zijn beperkt: ingevolge artikel 2 van deze verordening zullen ze ingeschreven dienen te worden in het gemeentelijk erfgoedregister en er geldt op grond van het derde lid, in aanvulling op artikel 4.18 van de Erfgoedwet, een adviesverplichting bij een eventuele vervreemding daarvan door de gemeente of wanneer de gemeente afstand wil doen van het eigendom of de zorg voor het cultuurgoed dat of de verzameling die aan haar was toevertrouwd. De aanwijzing heeft daarnaast vooral een symbolische betekenis en geeft uitdrukking aan het belang dat de gemeente stelt in het betreffende cultuurgoed of de betreffende verzameling. De aanwijzing van beschermde gemeentelijke cultuurgoederen en verzamelingen kan uitsluitend betrekking hebben op cultuurgoederen en verzamelingen die in eigendom zijn van de gemeenten of cultuurgoederen en verzamelingen waarvan de zorg aan de gemeente is toevertrouwd. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn bij cultuurgoederen die door de gemeente in bruikleen zijn verkregen uit collecties van derden. Voor aanwijzing van dergelijke cultuurgoederen is overeenstemming met de eigenaar een vereiste. Burgemeester en wethouders moeten voorts in het geval van een schenking, erfstelling, legaat of aankoop eventuele beperkende of andere jurisische voorwaarden in acht nemen.

Er kan op grond van deze verordening geen sprake zijn van de aanwijzing van cultuurgoederen van derden als beschermde gemeentelijke cultuurgoederen of verzamelingen, zonder toestemming van de eigenaar. Er bestaat onvoldoende wettelijke grondslag om bij verordening een juridisch beschermingsregime eenzijdig aan een andere eigenaar op te leggen, zoals dat geldt voor de op rijksniveau beschermde cultuurgoederen (zie Hoofdstuk 4 van de Erfgoedwet). Van een eventuele aanwijzing zou daardoor geen enkele beschermde werking uitgaan. Daarom is ervan afgezien een aanwijzingsbevoegdheid voor burgemeester en wethouders te creëren. Artikel 4. Wijziging, intrekking en vervallen van de aanwijzing als beschermd gemeentelijke gemeentelijke cultuurgoed of beschermde gemeentelijke verzameling Dit artikel bepaalt o.a. dat bij wijziging (van niet-ondergeschikte aard) van een aanwijzing en bij intrekking van de status als beschermd gemeentelijke cultuurgoed of beschermde gemeentelijke verzameling dezelfde adviesprocedure geldt als bij onder meer de aanwijzing daarvan; over het voornemen daartoe vragen burgemeester en wethouders advies aan een commissie als bedoeld in artikel 4.18 van de Erfgoedwet. Bij een wijziging van ondergeschikte betekenis kan o.a. gedacht worden aan de plaatsaanduiding i.v.m.

verhuizing van een cultuurgoed naar een andere locatie ter plekke of omdat het in tijdelijke bruikleen wordt gegeven aan een museum. Voorts is hier bepaald dat een aanwijzing vervalt zodra het cultuurgoed of de verzameling waarop de aanwijzing betrekking door de minister op een provincie wordt aangewezen als beschermd cultuurgoed of beschermde verzameling. Artikel 5. Aanwijzing als gemeentelijk monument Dit artikel regelt de toekenning van de status van gemeentelijk monument aan een monument of archeologisch monument (een tuin en een park vallen binnen het begrip ‘monument’, natuurlandschap niet). De aanwijzing vergt een belangenafweging tussen het met de aanwijzing te dienen belang en de overige bij de aanwijzing betrokken belangen, waaronder planologische en/of economische belangen of het gebruik van het monument of archeologisch monument. Deze formulering is ontleend aan artikelen 3.1, eerste lid, en 3.16, tweede lid, van de Erfgoedwet. Burgemeester en wethouders hebben beleidsvrijheid bij de aanwijzing van een monument of archeologisch monument als beschermd gemeentelijk monument; er geldt bovendien niet zoiets als de voorheen gehanteerde vijftigjarengrens voor monumenten. Bij de afweging van belangen die daarbij een rol spelen moeten ook de belangen van het gebruik ten opzichte van de te beschermen monumentale waarde uitdrukkelijk en gemotiveerd naar voren komen.

Bij de voorbereiding van een aanwijzing moeten deze belangen derhalve in concreto worden onderzocht. Artikel 2 van de oude verordening (vergelijkbaar met het oude artikel 2, eerste lid, van de Monumentenwet 1988) over het gebruik van het monument, keert echter niet terug in deze verordening. Voor de aanwijzing als gemeentelijk monument voegt de bepaling over het gebruik van het (archeologisch) monument geen belang toe dat niet al op grond van artikel 3:4, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) dient te worden meegewogen. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State gaat het bij een besluit over de aanwijzing als beschermd monument om de afweging van het algemeen belang dat is gemoeid met de bescherming van het cultureel erfgoed tegen de belangen die de eigenaar heeft bij al dan niet aanwijzing. Het gebruik van het monument wordt beschouwd als een aspect van de belangen van de eigenaar en behoeft daarom niet afzonderlijk te worden benoemd. Artikel 6. Voornemen tot aanwijzing

Eerste lid Ieder monument is gegeven de begripsbepaling van artikel 1.1 van de Erfgoedwet per definitie een onroerende zaak (het gebouw). Ieder archeologisch monument omvat ten minste één onroerende zaak (het terrein, dat vanwege en samen met de daar aanwezige overblijfselen, voorwerpen of andere sporen van menselijke aanwezigheid in het verleden, met inbegrip van die overblijfselen, voorwerpen en sporen, gegeven de begripsbepaling van artikel 1.1 van de Erfgoedwet wordt aangemerkt als archeologisch monument). Voor alle zakelijk gerechtigenden op de betreffende onroerende zaken is ontvangst van het voornemen van een aanwijzing door burgemeester en wethouders van belang, niet alleen voor de eigenaar. Zie ook artikel 1, onder a, onderdeel 1, jo. artikel 1, onder b, onderdeel 5, van de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken. Onder zakelijk gerechtigden vallen ook hypothecaire schuldeisers ten aanzien van de onroerende zaak. 42

Tweede lid De aanwijzing van kerkelijke monumenten vereist voorafgaand overleg met de eigenaar. Het gaat dan per definitie om een monument dat eigendom is van een kerkgenootschap, een zelfstandig onderdeel daarvan, een lichaam waarin kerkgenootschappen zijn verenigd, of van een ander genootschap op geestelijke grondslag en dat uitsluitend of voor een overwegend deel wordt gebruikt voor het gezamenlijk belijden van de godsdienst of levensovertuiging (artikel 1.1 van de Erfgoedwet). Dit lid stemt overeen met de vergelijkbare eis in artikel 3.1 van de Erfgoedwet en artikel 3.2a van de Wabo en doet recht aan de bijzondere positie van het kerkelijk monument als plaats voor het gezamenlijk belijden van godsdienst of levensovertuiging. Dit geldt naast de algemene regel van artikel 4:8 van de Awb op grond waarvan belanghebbenden zoals eigenaren moeten worden gehoord. Artikel 7. Voorbescherming Voorbescherming Het is wenselijk ook ten aanzien van gemeentelijk monumenten in voorbescherming te voorzien. Dat gebeurt met dit artikel. De voorbescherming start zodra burgemeester en wethouders het voornemen tot aanwijzing hebben bekendgemaakt aan de zakelijk gerechtigden.

Het is vergelijkbaar met de voorbescherming voor rijksmonumenten die voortvloeit uit artikel 5 van de Monumentenwet 1988 (dat, zoals dat luidde voor inwerkingtreding van Erfgoedwet, tot inwerkingtreding van de Omgevingswet blijft gelden voor rijksmonumenten). Artikel 8. Advies gemeentelijke adviescommissie Artikel 15 van de Monumentenwet 1988 blijft van kracht tot de invoering van de Omgevingswet. Op grond van dat artikel dient ten minste in de onderhavige verordening te zijn geregeld de inschakeling van “een commissie op het gebied van de monumentenzorg die in elk geval tot taak heeft te adviseren over aanvragen om een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder f, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.” Hieraan wordt in dit artikel uitvoering gegeven. Binnen de commissie zijn enkele leden deskundig op het gebied van de monumentenzorg. Hiertoe behoort ook de archeologische monumentenzorg. De Monumentenwet 1988 laat de ruimte om voor de adviestaak voor monumenten de inschakeling te regelen van een commissie waaraan in de praktijk meer taken in de fysieke leefomgeving zijn toegedicht. In de praktijk wordt de monumentencommissie bijvoorbeeld wel gecombineerd met een commissie voor ruimtelijke kwaliteit.

Artikel 8 maakt daarvan gebruik om mogelijk te maken dat vooruitlopend op de Omgevingswet gewerkt kan worden met een bredere gemeentelijke adviescommissie omgevingskwaliteit. Nu een voorwaarde van de Omgevingswet zal zijn dat geen leden van het gemeentebestuur deel uitmaken van deze commissie (onder de Monumentenwet 1988 geldt dat voor leden van burgemeester en wethouders), is deze voorwaarde daartoe overgenomen in deze verordening. Onder de Omgevingswet (artikel 17.9 van het wetsvoorstel zoals dat op 22 maart 2016 is aangenomen door de Eerste Kamer) zal een adviescommissie ingesteld moeten worden die tot taak heeft te adviseren over de aanvragen om een omgevingsvergunning voor een rijksmonumentenactiviteit, voor zover het andere dan archeologische monumenten betreft. Ook daarbinnen dienen enkele leden deskundig te zijn op het gebied van de monumentenzorg. Het gaat (onder de Omgevingswet) om een adviescommissie met een bredere taak voor de omgevingskwaliteit, waarin de erkenning ligt van het belang van aspecten als cultureel erfgoed, architectonische kwaliteit van bouwwerken, stedenbouwkundige kwaliteit en kwaliteit van natuur en landschap. Het gaat daarbij (onder de Omgevingswet) zowel om de menselijke beleving van de fysieke leefomgeving als om de intrinsieke waarden die de maatschappij toekent aan de identiteit van gebieden en aan dier- en plantensoorten.

De Omgevingswet maakt uitdrukkelijk een bredere taakstelling van deze commissie mogelijk. Artikel 9. Beslistermijn en inhoud aanwijzingsbesluit aanwijzingsbesl uit Wat betreft de termijn is aangesloten bij de termijn die gehanteerd wordt in de Erfgoedwet (artikel 3.2, derde lid). Artikel 10. Bekendmaking aanwijzingsbesluit aan rechthebbenden en inschrijving

Eerste lid Dit artikel geldt naast de algemene verplichting tot bekendmaking van besluiten op basis van de Awb. Ontvangst van de aanwijzing door burgemeester en wethouders is voor alle zakelijk gerechtigden van belang, niet alleen voor de eigenaar. Zie ook artikel 1, onder a, onderdeel 1, jo. artikel 1, onder b, onderdeel 5, van de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken. Op een aanwijzingsbesluit is deze wet ook van toepassing. Onder zakelijk gerechtigden vallen ook hypothecaire schuldeisers.

Tweede lid De registratie van de aanwijzing in het gemeentelijk erfgoedregister is een louter administratieve verrichting en niet een besluit. Overigens zal van de aanwijzing ook inschrijving in het gemeentelijke beperkingenregister en in het kadaster plaatsvinden op grond van artikel 1, onder c en e, van de Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken.

43

Artikel 11. Aanwijzing als voorlopig gemeentelijk monument Dit artikel biedt burgemeester en wethouders de mogelijkheid om in spoedeisende gevallen een monument of archeologisch monument als gemeentelijk monument aan te wijzen. In dat geval wordt de adviescommissie zoals bedoeld in artikel 8 pas ingeschakeld na de voorlopige aanwijzing. De bescherming van paragraaf 4 geldt echter vanaf het moment dat belanghebbenden schriftelijk in kennis zijn gesteld van de voorlopige aanwijzing. Een bezwaarschrift heeft dus geen opschortende werking en daarmee kan de voorlopige aanwijzing dus niet eenvoudig omzeild worden. Als de aanwijzing definitief wordt door de opname in het erfgoedregister loopt deze bescherming door. Als er uiteindelijk geen opname in het erfgoedregister plaatsvindt vervalt de bescherming. Artikel 12. Wijziging gemeentelijk erfgoedregister, vervallen aanwijzing monument Dit artikel bepaalt dat op het schrappen uit het register van een aanwijzing als gemeentelijk monument dezelfde procedure geldt als bij de aanwijzing daarvan. Voorts is hierin bepaald dat de aanwijzing als gemeentelijk monument vervalt zodra een monument is opgenomen in het rijksmonumentenregister of in een provinciaal erfgoedregister. Artikel 13.

Instandhoudingsplicht gemeentelijk monument Dit artikel is voor gemeentelijke monumenten naar analogie met artikel 11, eerste lid, van de Monumentenwet 1988 geschreven, zoals dat is gewijzigd door artikel 10.18 van de Erfgoedwet, met inbegrip van de instandhoudingsplicht die daarbij is geïntroduceerd. Artikel 14. Omgevingsvergunning gemeentelijk monument Dit artikel is gebaseerd op artikel 2.2 van de Wabo en inhoudelijk grotendeels gelijk aan de oude verordening. Artikel 16. Weigeringsgronden In het eerste lid ligt op grond van de belangenafweging die moet worden gemaakt tevens besloten dat rekening wordt gehouden met het gebruik van het monument. In het tweede lid is voor wat betreft de vereiste overeenstemming met de eigenaar van een kerkelijk monument aangesloten bij artikel 3.2a van de Wabo. Artikel 17. Advies omgevingsvergunning rijksmonument Zie de toelichting bij artikel 8. De term “rijksmonument” is gedefinieerd in artikel 1.1 van de Wabo (op grond van artikel 10.9 van de Erfgoedwet). De procedure inzake deze omgevingsvergunning is geregeld in die wet. De gemeenteraad is verplicht om de inschakeling van een commissie die adviseert over omgevingsvergunningen bij rijksmonumenten te regelen bij verordening (artikel 15 van de Monumentenwet 1988). stads-- en dorpsgezicht Artikel 18.

Aanwijzing als beschermd gemeentelijk stads Dit artikel geeft de mogelijkheid aan de gemeenteraad om gemeentelijke stads- en dorpsgezichten aan te wijzen, die vervolgens krachtens het bestemmingsplan moeten worden beschermd. Dit is vergelijkbaar met de thans nog geldende artikelen 35 en 36 van de Monumentenwet 1988; echter zonder de plicht de minister te horen. Artikel 36 van de Monumentenwet 1988 zal vervallen met de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Daarna is het aanwijzen gemeentelijke van stads- en dorpsgezichten mogelijk via het omgevingsplan. Voor de bescherming van rijksmonumenten binnen het gemeentelijke stads- en dorpsgezicht geldt artikel 11 van de Monumentenwet en van gemeentelijke monumenten artikel 13 van deze verordening. Ook het Rijk zal de bescherming van stads- en dorpsgezichten van landelijke betekenis dan op basis van de Omgevingswet regelen via een instructie aan de gemeenten, die zij moeten overnemen in hun omgevingsplan. Artikel 19. Wijziging, intrekking en vervallen van de aanwijzing als beschermd gemeentelijke stadsstads- en dorpsgezicht Dit artikel bepaalt o.a. dat bij wijziging (van niet-ondergeschikte aard) van een aanwijzing en bij intrekking van de status als beschermd gemeentelijke stads- en dorpsgezicht dezelfde procedure geldt als bij de aanwijzing daarvan.

Voorts is hier bepaald dat een aanwijzing vervalt zodra het stads- en dorpsgezicht waarop de aanwijzing betrekking door de minister of een provincie wordt aangewezen als beschermd stads- en dorpsgezicht. Bij een wijziging van ondergeschikte betekenis kan o.a. gedacht worden aan wijzigingen i.v.m. de verandering van bijvoorbeeld straatnamen of huisnummers. Artikel 20. Verbodsbepaling en aanvraag vergunning Artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo geeft gemeente de mogelijkheid om op basis van hun verordening het slopen in een beschermd gemeentelijk stads- en dorpsgezicht aan een omgevingsvergunning te onderwerpen. Daaraan is hier uitvoering gegeven. Artikel 21. 21. Gemeentelijke FAMKE Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening dient in het bestemmingsplan in de toelichting bij het bestemmingsplan een beschrijving opgenomen te worden van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. Met de invoering 44

van deze verplichting is de bescherming archeologische waarden in beginsel ruimtelijk geborgd. Er zijn echter nog bestemmingsplannen van kracht van vóór de invoering van deze eisen. Gelet op de geldigheidstermijn van een bestemmingsplan van tien jaar, zal dit ook nog enige jaren mogelijk blijven. Om, mede gelet op de verplichtingen van het Verdrag van Malta, ook voor de gronden waar deze ‘oude’ bestemmingsplannen nog gelden de bescherming van archeologische waarden te verzekeren, is dit artikel opgenomen. De strekking van dit artikel is te waarborgen dat mogelijk in deze gronden aanwezige archeologische waarden niet worden verstoord, tenzij daaraan aandacht is besteed die gelijkwaardig is aan waartoe artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening verplicht, door middel van de verwachtingskaarten, een omgevingsvergunning of eigen onderzoek dat aan die eisen kan voldoen. Bij eventuele nadere regels van burgemeester en wethouders over het verrichten van archeologisch onderzoek kan bijvoorbeeld gedacht worden aan regels m.b.t. een programma van eisen of een plan van aanpak.

Lid 1 De gemeentelijke FAMKE dient als basis voor zowel de erfgoedverordening als de bestemmingsplannen. De door de gemeente vastgestelde Erfgoednota en Erfgoedverordening en de door het college vastgestelde gemeentelijke FAMKE vormen tezamen een consistent geheel. De kaderstelling kan vervolgens ook gebruikt worden bij de uitwerking van het beleid in bestemmingsplannen.

Lid 2 De gemeentelijke FAMKE is geen statische kaart. Uitgevoerde archeologische onderzoeken kunnen namelijk nieuwe informatie opleveren voor de kaart. De intentie is om de kaart éénmaal in de vier jaar te actualiseren. Dit lid stelt dat de archeologische onderzoeken die nog niet zijn verwerkt op de FAMKE ook meegewogen dienen te worden bij de uitwerking c.q. toepassing van het archeologiebeleid. Voorwaarde hiervoor is wel dat de archeologische onderzoeken uitgevoerd moeten zijn door bedrijven die in het bezit zijn van een opgravingsvergunning verstrekt door de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.

22.. Instandhouding archeologische terreinen Artikel 22 De Wet op de archeologische monumentenzorg van 21 december 2006 verplicht de raad om, bij de vaststelling van een bestemmingsplan als bedoeld in artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening, rekening te houden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten. Het uitgangspunt van deze wet (voortvloeiend uit het Verdrag van Malta) en daarmee ook van deze verordening, is daarom primair dat in het bestemmingsplan wordt vastgelegd waar zich archeologische waarden in de bodem kunnen bevinden. Dit artikel voorziet in de behoefte aan een overgangsperiode tot het moment dat een bestemmingplan ´Malta-proof´ is. Lid 1 Tot het moment dat een ‘Malta-proof´-bestemmingsplan kan worden vastgesteld, biedt deze verordening bij wijze van artikel 17 de nodige bescherming aan archeologische waarden in de bodem. Het eerste lid, onderdeel a, van artikel 17 biedt bescherming door het opgenomen verbod om dieper dan 40 cm de bodem te verstoren. Hierbij wordt in onderdeel b wel de mogelijkheid gelaten om hiervan af te wijken naar boven indien aantoonbaar is dat dit noodzakelijk is voor het behoud van de archeologische waarden of hiervan af te wijken naar beneden als het aantoonbaar is dat dit de aanwezige archeologische waarden niet zal schaden.

Dit om daar waar noodzakelijk maatwerk mogelijk te maken, enerzijds om optimale borging van archeologisch erfgoed te kunnen garanderen en anderzijds om geen onnodige beperkingen op hoeven te leggen. Lid 2 In het tweede lid van artikel 17 worden een zestal uitzonderingsmogelijkheden gegeven op het eerste lid. Onderdeel a staat systematische drainage, mits sleufloos uitgevoerd, toe in een gemeentelijk archeologisch monument, een gebied met een hoge archeologische waarde en in een gebied met een hoge archeologische verwachtingswaarde. Onderdeel b is niet van toepassing, indien de verstoring plaatsvindt in een gemeentelijk archeologisch monument, een gebied met een hoge archeologische waarde en in een gebied met een archeologische verwachtingswaarde als aangegeven op de gemeentelijke FAMKE en de ingreep kleiner is dan de betreffende oppervlakte die in de desbetreffende advieszone van de gemeentelijke FAMKE wordt aangegeven: ‘Streven naar behoud’ en ‘waarderend onderzoek op vuursteenvindplaatsen, kopjes en terpen’ < 50 m²; ‘waarderend onderzoek dobben’ en ‘karterend onderzoek 1’ < 500 m²; ‘karterend onderzoek 2’ < 2500 m²; ‘karterend onderzoek 3’ en ‘quickscan’ < 5000 m². Onderdeel c ziet op de situatie dat het bestemmingsplan wel voorziet in bescherming als bedoeld in de inleidende toelichting bij dit artikel.

45

In onderdeel d wordt een aantal mogelijkheden genoemd die voorheen in de Wet ruimtelijke ordening waren opgenomen en nu in artikel 2.12 Wabo. Het gaat hier om het oude projectbesluit, de oude binnenplanse ontheffing, de oude tijdelijke ontheffing en de oude buitenplanse ontheffing (voorheen de artikelen 3.10, 3.22 en 3.23 Wro). Deze bepalingen zijn met de Invoeringswet Wabo komen te vervallen. Wel geldt nog steeds dat dergelijke besluiten tot stand kunnen komen doordat bij de aanvraag voorschriften kunnen worden opgenomen met betrekking tot archeologische waarden in het gebied waarvoor de aanvraag geldt. Aan de aanvraag kan dan de voorwaarde worden verbonden dat een rapportage wordt overlegd waarin de archeologische waarden van het te verstoren terrein in voldoende mate is vastgesteld. Onderdeel e stelt dat het college nadere regels kan stellen wat betreft de eisen aan de uitvoering van de bodemverstorende werkzaamheden in een archeologisch monument of een gebied met een (hoge) archeologische (verwachtings)waarde. Vooruitlopend op een ´Malta-proof’ bestemmingsplan´ kunnen deze nadere regels inhoudelijk aansluiten op de situatie dat (in een bestemmingsplan waarin een archeologische paragraaf is opgenomen) de verstorende werkzaamheden worden uitgevoerd aan de hand van een aanlegvergunning, waarin vereisten betreffende de bescherming van archeologische waarden zijn opgenomen.

Onderdeel f ziet op situaties buiten de aanvraag als bedoeld in onderdeel d. Het gaat hier in de eerste plaats om een verkapt vergunningstelsel ten behoeve van het realiseren van een fysiek project. Er is voor gekozen om deze bepaling dan ook onder de Wabo te laten vallen. Op grond van artikel 18 zijn de bepalingen uit hoofdstuk 3 van overeenkomstige toepassing verklaard op de beoordeling van het rapport door het bevoegd gezag. Dit rapport kan ook in de nadere regels onder f worden gevraagd en komt overeen met de mogelijkheid in artikel 39, lid 2, van de Monumentenwet 1988 in geval van een bestemmingsplan in de geest van het Verdrag van Malta. Onderdeel g stelt dat de uitbreiding van bouwvlakken binnen zones met een archeologische verwachtingswaarde worden uitgezonderd van archeologisch onderzoek, indien deze zones met verwachtingswaarde grenzen aan een zone of zones met archeologische waarde. Dit tenzij er binnen de uitbreiding zelf sprake is van archeologische waarden. Deze regel is ingesteld om grondverstorende activiteiten van de bekende archeologische vindplaats af te stimuleren. Artikel 27. Strafbepaling Deze strafbepaling is uitsluitend voor overtreding van de instandhoudingsplicht van artikel 13 en de nadere regels krachtens artikel 14, derde lid, noodzakelijk.

De strafbaarstelling van handelen zonder of in strijd met de voorschriften van de omgevingsvergunning voor gemeentelijke monumenten is via de Wabo en de Wet op de economische delicten (artikel 1a) geregeld. Langs deze weg is ook overtreding van artikel 14, eerste lid, en 20, eerste lid, van deze verordening strafbaar. Artikel 28. Toezichthouders Toezichthouders zijn personen die bij of krachtens wettelijk voorschrift belast zijn met het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens enig wettelijk voorschrift (artikel 5:11 Awb). Toezichthouders kunnen zowel individueel als categoraal worden aangewezen. In de artikelen 5:15 tot en met 5:19 Awb worden bevoegdheden aan toezichthouders toegekend. Op basis van artikel 5:15 Awb is een toezichthouder bevoegd elke plaats te betreden met uitzondering van woningen zonder toestemming van de bewoner. 'Plaatsen' is daarbij een ruim begrip en omvat niet alleen erven en andere terreinen, maar ook gebouwen (niet-woningen). Uit artikel 5.13 van de Wabo volgt dat de ambtenaren die op grond van artikel 22, eerste lid, belast zijn met het toezicht op de naleving ter zake van het bepaalde bij of krachtens de Wabo, voor zover het betreft activiteiten als bedoeld in artikel 2.2, daarnaast ook bevoegd zijn, met medeneming van de benodigde apparatuur, een woning te betreden zonder toestemming van de bewoner. Artikel 29. 29.

Tegemoetkoming in schade De Afdeling rechtspraak van de Raad van State heeft uitgemaakt dat de Erfgoedverordening zonder een schadevergoedingsregeling rechtsgeldig is (BR 86,604). Voor het archeologische deel van de verordening dient echter, op grond van de Wet op de Archeologische monumentenzorg, wel een schadevergoedingsregeling in de verordening opgenomen te worden. Het veroorzaker-betaalt- principe, zoals dat in de memorie van toelichting van de Wet op de Archeologische monumentenzorg is verwoord, staat bij de afweging tot toekenning van schadevergoeding voorop en geldt voor alle genoemde onderdelen (a t/m e). De gemeente zal zelf per geval moeten afwegen wat ‘redelijk’ of ‘buitenproportioneel’ is. In deze modelverordening is gekozen voor een schadevergoedingsbepaling, waarin de specifieke gevallen zijn opgenomen op grond waarvan het bevoegd gezag mogelijk een schadevergoeding aan een belanghebbende dient toe te kennen. Lid 2 van deze bepaling is ten opzichte van de vorige model-erfgoedverordening geschrapt. Er is geen procedure voorgeschreven voor het bepalen van de tegemoetkoming. De procedure op grond van afdeling 6.1 Wro jo. afdeling 6.1 Bro kan worden toegepast, echter alvorens daartoe te besluiten is het zinvol een inschatting te maken van de schade ten opzichte van de kosten en omvang van deze procedure. 46

Beleidsonderdeel 3a:

Notitie duurzaam erfgoed

Inleiding De synergie met duurzaamheid is een steeds belangrijker thema geworden in het erfgoedbeleid. Daarom investeert de gemeente Súdwest-Fryslân in de verduurzaming van erfgoed. In deze notitie Duurzaam Erfgoed wordt duidelijk hoe de gemeente dit wenst te doen. In 2015 heeft de Verenigde Naties 17 ambitieuze doelen voor duurzame ontwikkeling vastgesteld. Deze Global Goals for Sustainable Development werden unaniem geadopteerd door alle lidstaten en vormen voor de periode tot 2030 een belangrijke gezamenlijke agenda. Net als de mondiale overheid, zet Súdwest-Fryslân zich de komende jaren nadrukkelijker in richting realisatie van subdoelstellingen uit deze Global Goals zoals onder andere, duurzame energie, duurzame steden -en gemeenschappen en klimaat actie. Wij staan hierin voor een grote opgave. We werken toe naar een energie- en klimaatneutrale samenleving met een circulaire economie. Voor een deel bepaald in allerlei bestaande afspraken en keuzes die mondiaal, Europees, landelijk of provinciaal zijn gemaakt. Veel van die afspraken moeten op lokaal en gemeentelijke niveau gestalte krijgen. Daarom is de gemeentelijke Agenda Duurzame Ontwikkeling opgesteld, waarin staat hoe wij de transitie naar duurzame en circulaire samenleving zien.

Op het gebied van erfgoed is in het landelijke klimaatakkoord afgesproken dat ook monumenten een substantiële bijdrage zullen leveren om het energieverbruik te verlagen en opwekking van energie uit hernieuwbare bronnen te verhogen. Huidige maatregelen om energie te besparen, zoals het aanbrengen van muurisolatie of dubbelglas, kunnen bij historische panden niet altijd toegepast worden vanwege de constructie, klimatologische omstandigheden of het monumentale aanzicht. Toch kan ook in een monumentaal gebouw het energieverbruik worden verminderd en het comfort worden verbeterd. Stelregel is echter wel dat er maatwerk nodig is, want zowel duurzame maatregelen als ons erfgoed zijn waardevol op hun eigen manier.

1.1 Waar staan we nu? In het Hoofdlijnenakkoord staat dat er in onze gemeente op wordt ingezet dat alle woningen in 2030 energieneutraal zijn. Ontwikkelingen komen in een stroomversnelling nu ook de Tweede Kamer heeft bepaald, dat de verplichte aardgasaansluiting wordt losgelaten, er geen nieuwe aardgasinfrastructuur wordt aangelegd en kortom iedereen ‘van het aardgas af’ moet. Belangrijke stap hierin is dat de hele bestaande woningvoorraad in 2030 geïsoleerd en Nul-op-de-meter-proof2 is. Woningbouwcorporaties en bouwbedrijven zetten al stappen om in 2030 alle woningen energieneutraal te kunnen krijgen. Dit betekent dat voor verwarming andere technieken moeten worden ontwikkeld, zoals warmtepompen of aanvoer van warmte via een warmtenet. Daarbij spelen de kwaliteit van het bestaande gas- en elektriciteitsnetwerk een rol, evenals de mate waarin woningen en gebouwen geïsoleerd zijn, die de toepasbaarheid van lage temperatuurverwarming bepaalt. Ook monumenten zullen in deze maatwerkaanpak moeten worden meegenomen.

1.2 Waar willen we naartoe? Om de klimaatdoelstellingen te behalen zullen ook monumenten en panden in historische kernen hun bijdrage moeten blijven leveren aan energiebesparing en schone energieopwekking. Binnen Cultureel Erfgoed wordt gekeken op welke wijze we de huidige bijdrage aan deze opgave kunnen vergroten. Het blijft maatwerk, waarbij we blijven zoeken naar waar we de randen nog verder kunnen oprekken om tot een nieuw afgewogen compromis te komen. Bij voorkeur een toestand van synergie bereiken, waarbij duurzaamheid en erfgoed elkaar kunnen versterken. Het is van groot belang om hierbij de omgevingskwaliteit te blijven waarborgen. Oftewel de beleving van de fysieke leefomgeving, de grote waardering die er nu is voor onze kleinschalige stadskernen en historische dorpstructuren.

1.3 Hoe gaan we dat doen? Alle ambities ten spijt, we kunnen niemand verplichten om zijn of haar monumentale pand te verduurzamen. Wat we wel kunnen doen is de eigenaren bewust maken van de mogelijkheden die er zijn om hun pand te verduurzamen. Bij monumenten is die bewustwording nog belangrijker, omdat vanuit cultuurhistorisch oogpunt niet altijd alles mogelijk is. Voor het energiezuinig maken van monumenten is daarom specifieke kennis vereist, die de markt niet vanzelfsprekend levert. Naast de eigen kennis binnen het cluster Erfgoed, willen wij de kennis voor monumenteneigenaren ook vergroten. Hiervoor willen we gaan werken met De Groene Menukaart en onderzoeken of we onze subsidieregeling uit kunnen breiden met een energiescan, 2 Een NOM (nul-op-de-meter)woning is een woning waarin net zoveel energie wordt opgewekt (door zon, wind of warmtepompen) als

verbruikt, gemiddeld genomen over een jaar tijd.

48

speciaal voor monumenten. Daarnaast willen we richtlijnen vaststellen voor de extra ruimte voor zonne-energie in de historische omgeving en brengen we een prioritering aan in de mate van duurzaamheidsmogelijkheden binnen de geledingen van het cultureel erfgoed. Hieronder worden deze onderdelen nader toegelicht. Groene Menukaart De Groene Menukaart is een (landelijke) interactieve online tool voor eigenaren van monumentale gebouwen, waarop een overzicht wordt gegeven van verschillende mogelijkheden om ook monumenten energiezuiniger te maken en te verduurzamen. Door cijfermatige onderbouwing kunnen de verschillende alternatieven ook met elkaar worden vergeleken. Daarnaast is er aandacht voor negatieve bijeffecten van veel maatregelen bij monumenten en wat daartegen kan worden gedaan. De Groene Menukaart helpt eigenaren om in het woud van informatie een gepaste oplossing te vinden. De Groene Menukaart is niet aan marktpartijen gebonden en daardoor onafhankelijk en objectief. Diverse grotere monumentengemeenten maken reeds gebruik van deze online tool. Komende beleidsperiode wordt er onderzocht hoe we hierbij aan kunnen sluiten om tot een gepersonaliseerde gemeentelijke groene menukaart te komen. Hier worden ook andere ketens binnen de gemeente bij betrokken, om zodoende een integrale aansluiting te vinden.

Meer dan 50 mogelijkheden voor het verduurzamen en energiezuiniger maken van historische gebouwen worden uitgelegd. Door de eigen gemeentelijke regelgeving daarbij direct inzichtelijk te maken, voelen bezoekers zich aangesproken en dit verlaagt de drempel naar actie. Website De Groene menukaart

Stimulering energiescan Energiebesparing en duurzaamheid zijn actuele thema’s. Ze hebben verstrekkende gevolgen voor het ontwerp van nieuwe huizen. Maar ook eigenaren van historische woningen hebben goede redenen om de energieprestaties van hun woning in kaart te brengen en waar mogelijk te verbeteren. Het ligt voor de hand om hierbij te grijpen naar moderne methoden en materialen. In de nieuwbouw hebben die immers veel succes. Maar de moderne aanpak leent zich vaak veel minder goed voor historische woonhuizen. Nieuwe methoden kunnen bouwtechnisch namelijk behoorlijk ingrijpend zijn, doordat het zich slecht verdraagt met de historische constructie. Dit betekent natuurlijk niet dat er in een historische woning geen duurzame maatregelen mogelijk zijn. Om monumenteneigenaren te stimuleren om hun pand duurzamer te laten worden en hierbij goede keuzes te maken die bij hun pand passen, willen we subsidie beschikbaar stellen. O.a. via de Monumentenwacht Fryslân is het mogelijk om een energiescan uit te laten voeren. Zij zijn gespecialiseerd in het informeren over de onderhoudsstaat van monumenten maar richten zich ook op energiebesparing bij monumenten. Bij een energie wordt op pandniveau gezocht naar de mogelijkheden om het monument energiezuiniger te maken.

Dus waar de Groene Menukaart voor veel algemene informatie voor monumenten zorgt, richt de energie-inspectie zich op het pand zelf. Voor deze subsidie willen we hiervoor aansluiting zoeken bij reeds bestaande regelingen op het gebied van duurzaamheid. Ruimte voor zonnezonne-energie Zonnepanelen zijn niet meer weg te denken uit onze omgeving. Het is een relatief snelle en haalbare optie voor particulieren en bedrijven om de eigen energievraag te reduceren en daarmee te participeren in de landelijke duurzaamheidsgave. De rijksoverheid heeft hier ruimte voor gegeven door het plaatsen van zonnepanelen op de meeste daken in ons land vergunningsvrij te verklaren. Uitzondering hierop vormen de beschermde stads- en dorpsgezichten en de monumentale panden. Hier is maatwerk nodig om de duurzaamheidsopgave en de historische waarden hand in hand te laten gaan. Waar de meeste gemeenten de zonnepanelen of -collectoren in een historische omgeving niet in het zicht willen hebben, heeft onze gemeente in 2018 al aangegeven hierin een stapje verder te gaan door in de welstandsnota op te nemen dat zonnepanelen in een rijksbeschermd gezicht ‘niet storend’ zichtbaar mogen zijn. Met 20 rijksbeschermde gezichten hebben we veruit de meeste van het land, dus er ligt wel een opgave voor een goede inpassing.

Maar wat is nu niet storend? Zonnepanelen die niet zichtbaar zijn vanaf openbaar gebied, zijn in ieder geval ‘niet storend’. Binnen beschermde gezichten is veel dakoppervlak niet zichtbaar vanaf openbaar gebied en Diverse panden met zonnepanelen in rijksbeschermd daarmee op voorhand dus geschikt voor het plaatsen van stadsgezicht van Sneek zonnepanelen. 49

In onderstaande indicatieve foto is dit niet zichtbare gebied aangegeven middels het rood gearceerde deel.

Bouwblok in beschermd stadsgezicht van Sneek

Voor de zonnepanelen die wel zichtbaar zijn, maar ‘niet storend’ hebben we nieuwe richtlijnen opgesteld, maar waarbij een groot deel hiervan uit maatwerk zal blijven bestaan. Het is namelijk gebleken dat het niet mogelijk is om allesomvattend in regels vast te leggen, die ook nog eens goed handhaafbaar blijken te zijn. Ook voor het plaatsen van zonnepanelen bij monumenten hebben we naar een verruiming van de regels gezocht. We hebben deze nieuwe richtlijnen in de bijlage ‘Zonnepanelen – collectoren in beschermde stads- en dorpsgezichten en monumenten opgenomen. (Beleidsonderdeel 3b) Voor mensen die in beschermde gezichten wonen (maar ook daarbuiten) en geen ruimte hebben voor het plaatsen van zonnepanelen, is ook een alternatief voorhanden in de vorm van de postcoderoos. Dit is een landelijke financieringsmogelijkheid om gezamenlijk zonne-energie op te wekken, zonder dat de zonnepanelen op het eigen dak hoeven te liggen. De postcoderoos-regeling biedt 15 jaar lang vrijstelling van energiebelasting over de zonne- of windenergie die de deelnemers in een project gezamenlijk opwekken. Dit betekent dat zonnepanelen niet langer op het eigen huis of bedrijfspand hoeven te liggen, maar ook elders geïnstalleerd kunnen worden. Bijvoorbeeld op een groot agrarische dak net buiten het dorp, op het dak van het lokale dorpshuis of zelfs op een beschikbaar stuk grond in de buurt.

Het is wel de bedoeling om te participeren binnen een bepaalde straal van de eigen woning, vandaar dat er naar postcodes wordt gekeken. Pilot In de gemeentelijke Agenda Duurzame Ontwikkeling staat hoe wij de transitie naar een duurzame en circulaire samenleving zien. Op het gebied van erfgoed is in het landelijke klimaatakkoord afgesproken dat ook monumenten een substantiële bijdrage zullen leveren om het energieverbruik te verlagen en opwekking van energie uit hernieuwbare bronnen te verhogen. Vanuit het Programma Klimaatagenda is dan ook de wens om een pilot te starten om na te gaan hoe de energietransitie zich verhoud tot monumentale woningen. Dit willen we de komende beleidsperiode op gaan pakken. Maatwerk en prioritering

Maatwerk Binnen cultureel erfgoed is maatwerk de standaard werkwijze. Dat geldt niet alleen voor het integreren van duurzame maatregelen, maar voor elke verbouwing aan een historisch pand. Haast elk monument is uniek, waardoor standaard oplossingen vaak niet direct toepasbaar zijn. Om die reden zit erfgoed vaak vroeg aan tafel, zodat we vanuit de gemeente mee kunnen denken om te zoeken naar een oplossing waarin alle belangen zo goed mogelijk worden meegewogen. De duurzame component zal een standaard onderdeel worden in dat maatwerkgesprek.

50

Er zijn diverse (bouwkundige) aanpassingen voor verduurzaming in de historische omgeving mogelijk. De meest voorkomende zijn: • Isolatie en ventilatie Oude panden hebben niet de isolatiewaarden van een nieuwbouwwoning, maar met de juiste toepassing van vloer, wand -en dakisolatie en bijvoorbeeld kierdichting, is er voldoende mogelijk om ook hier een duurzaam pand te creëren. • Vensters en isolatieglas Behoud van materiaal is een belangrijk uitgangspunt binnen cultureel erfgoed, met name waar dat gaat om kozijnen en ramen. Voor de grootste warmtelek in het pand (de beglazing) zijn er echter diverse mogelijkheden voor vervangen: van geïsoleerd enkelglas tot dun dubbelglas met dezelfde isolatiewaarde als HR++ glas. • Installaties Er bestaan nauwelijks nog monumenten die niet zijn voorzien van centrale verwarming. En de technieken die er tegenwoordig zijn om de centrale verwarming aan te sturen worden steeds duurzamer. Voor nieuwe installaties is eigenlijk altijd wel een plek te vinden, zonder dat dit invloed heeft op de monumentale waarden. • Zonnepanelen Omdat de toepassing van zonnepanelen een grote vlucht heeft genomen, is er apart beleid opgesteld hoe we hiermee omgaan in de historische omgeving. Hierin is de zichtbaarheid van de panelen een belangrijk item, maar er blijft ruim voldoende ruimte beschikbaar.

Zonnepanelen op een rijksmonument in Arum Sneek

Vloerverwarming bij rijksmonument Sneek

Isoleren rijksmonument Sneek

Bij alle genoemde mogelijkheden is vaak maatwerk nodig om de juiste balans te vinden tussen erfgoed en duurzaamheid.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/9962722/1