Bijlage 9 - Toelichting bestemmingsplan BGB-II
Tekst van het document
In en op de bodem van het IJsselmeer bevinden zich namelijk nog diverse
Buitengebied Súdwest-Fryslân-II ontwerp
74
wrakken van schepen en vliegtuigen of andersoortige vindplaatsen als oerbossen en verdronken nederzettingen. Voor de binnenwateren geldt een lagere trefkans en hier wordt gewerkt met een Waarde-archeologie 2 regime (verwachtingswaarde). Want ook in de bodem kunnen nog waardevolle resten aanwezig zijn, denk hierbij aan wrakken, oude dijken en verdronken nederzettingen. Deze zijn overigens nog niet aangegeven op de plankaart, ook omdat men nog bezig is met de inventarisatie ervan. Tevens is een weergave van de puntlocaties niet wenselijk in verband met schatduiken. Overigens worden grachten, sloten en kanalen onder landbodems gerekend. Zij worden niet tot waterbodems gerekend vanwege de aanname dat activiteiten als baggeren en stroming eventuele archeologische onderwaterresten in de bovenste bodemlaag al hebben opgeruimd. Op een dieper niveau zouden eventuele archeologische resten nog wel aanwezig kunnen zijn. Archeologie en agrarisch gebruik In principe is normaal agrarisch gebruik altijd mogelijk, op voorwaarde dat men in principe de bodem niet meer dan 40 cm verstoord. De aanleg van drainage in agrarische percelen bij de archeologische verwachtingsgebieden (Waardearcheologie 2) is niet vergunningsplichtig. De gemeente is van mening dat zo een normaal landbouwkundig gebruik zich verhoudt tot het voldoende beschermen van verwachte archeologische waarden.
Bij gebieden met archeologische waarde blijft dit natuurlijk wel vergunningsplichtig. Sleufloze drainage wel is altijd mogelijk zonder vergunning. In de gebieden met archeologische waarde zijn ingrepen tot 50 m2 ongeacht de diepte zonder vergunning mogelijk (indien dit verder bestemmingsplantechnisch niet op bezwaren stuit). Terpen Vanaf de midden ijzertijd, tussen 500 – 250 v. Chr. – ontstonden er in het kleigebied terpen. Dit zijn verhoogde woonpodia, een door de mens opgeworpen heuveltje waarop het huis werd gebouwd. Deze terpen moesten beschutting bieden tegen (periodieke) overstromingen. De relatief lange periode van economische voorspoed in het terpenlandschap van het kleigebied heeft ook gevolgen gehad voor de aangrenzende veenrandzone. Daarmee wordt het gebied bedoeld ten zuiden van de zeearmen de Marne en de Middelzee en de daarvan zuidelijk gelegen lijn tussen Abbega – Sneek – Raerd. Lang zal het veengebied extensief zijn benut. Daarbij kunnen we denken aan het winnen van turf, begrazing of de kap van broekbossen. Vanaf de late-ijzertijd wordt dit gebied steeds intensiever gebruikt en legde men ook in dit gebied terpen aan. Om dit mogelijk te maken werd er een boerderij gebouwd op een verhoogd podium dat was aangelegd van veenplaggen.
Door zakken van het veen werden dergelijke huispodia soms na verloop van tijd opgehoogd met kleiplaggen, terwijl zich op het podium ook mestlagen vormden. Het gehele pakket aan lagen wordt aangeduid als een veenterp, oftewel een opgehoogde huisplaats in een veenlandschap. Vanaf 1840 werd op grote schaal terpen afgegraven. De terpaarde kon via het vaarwegennetwerk naar andere gebieden worden getransporteerd. Doordat de
Buitengebied Súdwest-Fryslân-II ontwerp
75
terpaarde heel vruchtbaar was, kon het in andere gebieden gebruikt worden ter verrijking van de grond. Het hoogtepunt van de terpafgravingen lag in het begin van de 20ste eeuw. De kruiwagens waren toen vervangen door kiepkarren op rails waardoor het proces versneld werd. Door de terpafgravingen zijn veel terpen blijvend vernield. Naar schatting is zo’n 60 procent van de terpgronden in de 19e en de 20ste eeuw verdwenen door afgraving. De terpen binnen dit plangebied zijn beschermd doordat er een dubbelbestemming Waarde Archeologie-1 is opgenomen. Boerderijplaatsen Boerderijplaatsen verschaffen ons, omdat zij de kern vormden van de toenmalige agrarische samenleving, kennis over de bewoningsgeschiedenis en over de ontwikkeling van het cultuurlandschap op lokaal, regionaal en provinciaal niveau. Boerderijplaatsen zijn zeer kenmerkend voor het landschapsbeeld van de provincie. Een deel hiervan met nog bestaande bebouwing is beschermd middels een aanduiding ‘monument’ of ‘karakteristiek’. Het plangebied telt tegenwoordig een ruim aantal boerderijen van verschillende typen en maatvoering. Vanaf het laatst van de Middeleeuwen tot het begin van de 18de eeuw is het langhuis waarschijnlijk het meest voorkomende boerderijentype in het plangebied geweest. Bij een langhuis waren woning en stallen in een relatief smal en lang gebouw onder één doorgaande kap gebouwd.
De hooiberging vond apart plaats. Nadat in het midden van de 17de eeuw in deze regio al boerderijen met hoge schuren werden gebouwd, waarin het hooi binnen werd opgeslagen, liet de boerderijbouw vanaf de 18de eeuw de thans nog bekende en overal aanwezige, zij het veelal in de 19de eeuw vernieuwde, typen zien. Boerderijplaatsen vormen, zeker in de gemeente Súdwest-Fryslân, een veelzijdige en problematische categorie terreinen archeologisch gezien, ze zijn dan ook nog niet opgenomen op de FAMKE. Er zijn nog geen éénduidige beleidsadviezen te formuleren. Hiervoor dient eerst in het kader van de verdiepingsslag aanvullend onderzoek te worden verricht. Wel zijn ze opgenomen op de CHK. Voor een deel zijn ze al archeologisch beschermd, omdat het deels verhoogde huisplaatsen oftewel terpen betreffen, die wel in de FAMKE zijn opgenomen. Kloosters De oudste kloosters komen uit het begin van de twaalfde eeuw. De kloosters hadden uithoven (kloosterboerderijen) en dependances in steden. Daarnaast waren er ruim 200 parochiekerken. De Friezen konden nog geen vijf kilometer lopen zonder abdij, priorij, uithof of pastorie te passeren. Om een klooster te stichten of als monnik in een klooster te leven moest je rijk zijn. De grootste en beroemdste abdijen en kloosters zijn dan ook vooral in het welvarende kleigebied gesticht, vlakbij de zee of zeearmen.
Met klooster bedoelen we het hele kloosterterrein: het ommuurde en vaak omgrachte kloosterterrein en de kloostergebouwen, zoals een kerk, ziekenafdeling, gastenzalen, onderwijszalen, boerderij en andere bedrijfsgebouwen. Kloosters waren vooral religieuze instellingen, maar daarnaast waren ze ook economisch en politiek actief. Hierdoor hadden ze invloed op bijna het gehele dagelijks leven. Vanuit de kloosters werden vaak de ontginningen en mogelijk ook
Buitengebied Súdwest-Fryslân-II ontwerp
76
de bedijkingen georganiseerd. Zij konden namelijk eenvoudig en goedkoop de zilte en minderwaardige gronden in bezit krijgen. Deze konden ze door goede ontwateringtechnieken vrij snel omzetten in productiegronden. De Friese kloosters hadden in de zestiende eeuw zwaar te lijden onder de strijd, tussen de Spanjaarden en Geuzen. Kloosters vlakbij de grote steden werden namelijk gebruikt als uitvalsbasis. Helaas zijn een groot aantal herinneringen aan de kloosterperiode uit het landschap verdwenen. Na de Reformatie in 1580 kwamen alle kloosterlijke bezittingen in handen van de Staten van Fryslân. Zij gaven opdracht om de gebouwen te slopen en de grond met de bakstenen (kloostermoppen) te verkopen. Het voormalige grondbezit van de kloosters werd gebruikt voor het onderhouden van de kerken en weeshuizen. Hierdoor is er in de gemeente Súdwest-Fryslân, op de ruïne van de Broerekerk in Bolsward na, geen kloostergebouw bewaard gebleven. De kloosterterreinen zijn soms nog herkenbaar aan het aanwezige reliëf en/of de terreinbegrenzing in de vorm van sloten(patronen), maar vooral de bodem bevat nog archeologische informatie over de verdwenen kloosterglorie. Via de hoogtekaart zijn af en toe nog wel sporen van het kloosterleven zichtbaar, zoals bij het voormalige Oegeklooster bij Bolsward. Op het terrein lag ooit een uithof van het Cisterciënzers klooster Bloemkamp (vóór 1250).
Daarna is hetzelfde complex, ook wel bekend als het Ugoklooster, in handen is gekomen van Tertiarissen zusters (rond 1411). Andere kloosters en uithoven binnen het plangebied zijn Nijeklooster ten noorden van Scharnegoutum, het klooster Nazareth en de uithof Groustins bij de Idzegeaster Poel. De categorie kloosters is verwerkt op de CHK en in de Landschapsbiografie. Ze zijn beschermd in dit bestemmingsplan middels een dubbelbestemming Waarde – Cultuurhistorie: Stinzen, States, Buitenplaatsen en Kloosters. Stinzen, states en buitenplaatsen Het Friese woord stins betekent steenhuis. Stinzen zijn verstevigde huizen. In Fryslân ontbrak tot 1500 een centraal bestuur en een landsheer. Belangentegenstellingen en conflicten konden dan ook vaak slechts door eigenrichting en geweld worden opgelost. In de 12de en 13de eeuw braken tussen de grootgrondbezittende aanzienlijken in hun zoeken naar machtsposities onderlinge vetes uit. De hoofdelingen bouwden om lijf en goed te beschermen grofweg vanaf halverwege de 12de eeuw stinzen, torenvormige gebouwen die verdedigd konden worden. De stinsterreinen bestonden vaak uit twee, door een brug met elkaar verbonden, omgrachte percelen, één met de stinstoren op de kunstmatige verhoging en één met een woning, doorgaans een boerderij.
Al in de 13de eeuw, maar op grotere schaal in de 14de en 15de eeuw werden de stinzen, behalve voor verdediging, ook voor permanente bewoning gebruikt. Om ze voor bewoning geschikt te maken werden de oude torens uitgebreid of nieuwe ruimer opgetrokken. Rond 1500 kwam met de komst van een centraal gezag onder Albrecht van Saksen een einde aan de strijd en de onderlinge oorlogen van de hoofdelingen en een einde aan de functie van de stins. Ze verloren hun verdedigende betekenis. Een aantal werd als boerderij aan de kloosters geschonken en deze werden uithoven van de
Buitengebied Súdwest-Fryslân-II ontwerp
77
monastieke gemeenschap. De meeste werden (onderdeel van) een comfortabele adelswoning, een state. Voor de state, een comfortabele adelswoning, werden de terreinen van de stinzen gebruikt en de bestaande gebouwen uitgebreid met nieuwe vleugels, torentjes en representatieve toegangspoorten boven de gracht. Behalve een ‘modernisering’ van de bestaande huizen werden er in de 16de eeuw ook geheel nieuwe adellijke panden en landhuizen opgetrokken, die dus geen verleden als stins hadden. De states hebben, behalve de uitstraling van het gebouw zelf, ook dikwijls een duidelijk zichtbaar voornaam terrein omgeven door een gracht. Er bevinden zich doorgaans meerdere bijgebouwen, zoals een koetshuis of een oranjerie op het terrein en een aangelegde formele tuin en entree. Het complex geeft vaak de indruk van een landschapspark waarin huis en tuin een ondeelbaar geheel vormen. Er kwamen in de tweede helft van de 16de en het begin van de 17de eeuw in het plangebied vele states tot stand, van states met het karakter van een kasteel tot states die op deftige boerderijen leken, want vaak was een state gecombineerd met een boerenbedrijf. De latere opvolgers worden buitenplaatsen, landgoederen, genoemd. In de 18de en 19de eeuw zijn de meeste states ‘op afbraak verkocht’. Een nieuw stelsel van vererving belette de eigenaars om de kostbare gebouwen blijvend te kunnen onderhouden.
Op de meeste, meestal omgrachte, terreinen werden boerderijen gesticht die meestal de naam van de state behielden. In het plangebied bevinden zich vele stinzen, states en buitenplaatsen, waarvan de locaties vastgesteld zijn aan de hand van de CHK. Ook waar later geen boerderij tot stand is gekomen, zijn de stateterreinen soms nog in het landschap zichtbaar en herkenbaar. Van een aantal van deze stinzen en staten zijn nog aanwezig. Zo ligt er een stukje land met de naam ‘de Pampus’ dat omsloten is door het Hegemer Far, de Jeltesleat, de Sânsleat en de Wide Wimerts. Op de kaart die de hoogte van het maaiveld weergeeft (AHN) zijn hier nog duidelijk de contouren te zien van een oud bouwwerk. In het land zelf zijn kloostermoppen gevonden en vermoed wordt dat op deze strategische plek een stins heeft. Deze categorie van stinzen, states en buitenplaatsen zijn beschermd middels een dubbelbestemming ‘Waarde – Cultuurhistorie Stinzen, Staten, Buitenplaatsen en Kloosters’. Tweede wereldoorlog relicten Op veel plaatsen in de Nederlandse ondergrond en waterbodem bevinden zich nog structuren en objecten uit de Tweede Wereldoorlog (WO II). In deze gemeente betreft het verdedigingswerken zoals kazematten, bunkers, vliegtuigwrakken en niet ontplofte vliegtuigbommen (blindgangers), raketten, mijnen, granaten en munitie. Gedurende WOII zijn meer dan 5000 vliegtuigen neergeschoten/neergestort.
Veel van deze vliegtuigwrakken zijn al tijdens de WO II door de Duitsers geruimd. Andere wrakken werden tijdens en na de oorlog door boeren en schroothandelaren opgegraven. Tot 1996 was het toegestaan om zelf opgravingen te doen, als de eigenaar van de grond dat goed vond. Tegenwoordig is het illegaal om zelf te graven en moet de Stafofficier Vliegtuigberging van de Koninklijke Luchtmacht (SOVB) de opgraving leiden. 5.4.3
Cultuurhistorie
Buitengebied Súdwest-Fryslân-II ontwerp
78
Algemeen In 2019 heeft de gemeente Súdwest-Fryslân (samen met de gemeente De Fryske Marren, provincie Fryslân en de stichting Mar en Klif) in 2019 een Landschapsbiografie van de Friese Súdwesthoeke laten opstellen. Vrijwel heel Súdwest-Fryslân maakt deel uit van het Nationaal Landschap Zuidwest-Friesland. Dit gebied wordt gekenmerkt door een grote verscheidenheid aan landschapstypen, waaronder het stuwwallenlandschap in Gaasterland, de IJsselmeerkust van Makkum tot Lemmer, de kleizone met de wel bekende terpen en het veengebied van de Friese Meren. Ieder landschapstype kent een eigen ontstaansgeschiedenis en cultuurhistorische elementen die van grote waarde zijn voor de beleving van het landschap in de Súdwesthoeke. De waardevolle cultuurhistorische elementen in het buitengebied en het Nationale Landschap zijn op regionaal niveau geïnventariseerd en in kaart gebracht in de landschapsbiografie. Deze vormt een aanvulling op de reeds bestaande Cultuurhistorische kaart van Fryslân en sluit aan bij de door de provincie Fryslân uitgegeven “Wordingsgeschiedenis van Fryslân” en Grutsk op ‘e Romte. Hiermee is de feitelijke basis gelegd voor het ruimtelijk beleid en het “beter vertellen” van de historie van de Súdwesthoeke.
Voor wat betreft met name het gebouwde erfgoed: in het hoofdlijnenakkoord 20182022 is aangegeven dat er gekozen is om een inventarisatie van het cultureel erfgoed in de kernen en het buitengebied per deelgebied uit te laten voeren. Op basis van deze inventarisatie kunnen in het bestemmingsplan karakteristieke panden en andersoortige objecten worden aangewezen. Analyse In het kader van de nieuwe wetgeving is met het opstellen van dit bestemmingsplan veel aandacht geschonken aan het goed borgen van de cultuurhistorische waarden in het bestemmingsplan. De ontstaansgeschiedenis is beschreven in hoofdstuk 2. Er zijn meerdere onderzoeken verricht waarbij de cultuurhistorische waarden in het gebied zo goed mogelijk in kaart gebracht. De bestaande cultuurhistorische inventarisaties op landelijk en provinciaal niveau bieden hier een goede basis voor. Daarnaast is een verdiepingsslag op lokaal niveau gepleegd. Hieronder worden de vijf onderzoeken toegelicht. Onderzoeken 5.4.3.1
Landschapsbiografie
Ten eerste is er een landschapsbiografie opgesteld. Voor een aantal onderdelen zijn de (breed geaccepteerde) wetenschappelijke waarderingscriteria – zeldzaamheid, kenmerkendheid, gaafheid, ensemblewaarde – toegepast. De beoordeling is uiteengezet in drie niveaus, namelijk gemiddeld, hoog en zeer hoog. Wanneer alle drie de criteria zijn gewaardeerd, zijn deze scores cumulatief en zonder wegingsfactor opgeteld tot een totaalscore. Daarna is teruggerekend naar een eindwaardering. Verdwenen elementen zijn niet meegenomen in deze wetenschappelijke waardering. Hieronder volgen de analyses van de in dit bestemmingsplan verwerkte categorieën.
Buitengebied Súdwest-Fryslân-II ontwerp
79
Polders en dijken Het natuurlijke landschap van het gebied heeft zich gevormd in de afgelopen 10.000 jaar onder invloed van de zeespiegelstijging. In deze periode zijn er grote veengebieden ontstaan en heeft de zee klei afgezet in het gebied. De geologische ontstaanswijze van het gebied is beschreven in hoofdstuk 2 Dit heeft geresulteerd in drie verschillende typen landschappen: het veenlandschap ten zuiden van de lijn Bolsward-Sneek; het kleilandschap ten noorden van de lijn Bolsward-Sneek; en het klei-op-veenlandschap op de overgang tussen beide. Vanaf de 10de eeuw na Christus begon de mens grootschalig in te grijpen en kwam er in die zin een einde aan de vorming van het natuurlijke landschap. Moederpolders Tot de oudste bedijkingen van Westergo behoren de vier moederpolders, waarvan er twee binnen de gemeente Súdwest-Fryslân en in het plangebied liggen; de moederpolder van Hartwerd-Witmarsum en de moederpolder van Oosterend. Deze ringdijken werden vanaf de 10e eeuw aangelegd om de cultuurgronden van de dorpen binnen de dijkring te beschermen tegen hoogwater. Met de aanleg van de eerste moederpolders waren alleen de landen binnen de ringdijken beschermd tegen het water. Het terpengebied was dus nog niet in zijn totaliteit beschermd tegen de hogere zeevloeden. De bevolking bleef daarom genoodzaakt de verhoogde woonplaatsen te gebruiken.
Het terpenlandschap was nog vooral een open landschap bezaaid met vele kleine terpgehuchten. Bij de aanleg van de dijken werd er bij de aanleg zoveel mogelijk gebruik gemaakt van bestaande hoogtes in het landschap, zoals terpen en natuurlijke verhogingen. Hierdoor kronkelen de dijken door het landschap. Deze moederpolders vormden de basis voor de dijkaanleg in de daaropvolgende eeuwen. De moederpolder van Hartwerd-Witmarsum was de grootste van de vier. Ze vormden een soort eilanden binnen het natte kwelderlandschap. Het overtollige water werd uit de ringpolders geloosd door middel van zijlen. Op enkele plaatsen zijn deze locaties nog steeds te herkennen. Bij Hemert sluit de moederpolderdijk aan op een dijk vanuit het zuidwesten die de polder doorkruist. Deze dijk, de Djipperterhims Alddyk, staat haaks op de moederpolderdijken en is waarschijnlijk pas later aangelegd als binnendijk. De verkaveling is binnen de oude moederpolders onregelmatig blokvorming. Het onregelmatige karakter is deels het gevolg van de aanwezigheid van de vele (voormalige) geulen in het gebied. Voormalige getijdegeulen Middelsee en Marneslenk De scheiding tussen Westergo en Oostergo werd vanouds gevormd door de Middelzee. Tegen het einde van de middeleeuwen was de uitbreiding van de Middelzee op een hoogtepunt en was er via de Marneslenk en de Oude Rijd een verbinding met het Vlie.
Westergo lag tussen de twee zeeboezems, die een grote bedreiging vormden voor de bewoners van het gebied. Om het land te beschermen begon men met de aanleg van dijken. Toen de Marneslenk en de Middelzee droog begon te vallen werd rond 1100 begonnen met de inpoldering ervan. Hierdoor veranderde er veel in de waterhuishouding van het gebied. Als gevolg van de veenontginningen kreeg men bovendien te maken met opstuwend water vanuit het zuiden. Ter bescherming werden daarom vanaf de 12e eeuw de hemdijken opgeworpen.
Buitengebied Súdwest-Fryslân-II ontwerp
80
Door de afnemende zeespiegelstijging en de aanvoer van zand en slib vanuit de Waddenzee en de Zuiderzee begonnen de Marneslenk en de Middelzee al tijdens de middeleeuwen dicht te slibben. De zeeboezems konden vervolgens zonder al te veel moeite worden ingepolderd. De eerste bedijkingen langs de Marneslenk en de Middelzee maakten deel uit van de moederpolders van Hartwerd-Witmarsum en Oosterend. Dit waren zeedijken met als doel de dorpen binnen de ringdijk te beschermen tegen hoogwater. Na de afsluiting van de Marne begon ook de Middelzee in snel tempo te verlanden. Omdat het water van de zeeboezem vanuit het noorden door een smalle slenk moest tussen Boazum en Deersum, zwakte de getijdeninvloed steeds meer af. Toen de Middelzee vanaf 1100 droog begon te vallen werden ook daar de eerste zeepolderdijken aangelegd om het gebied in gebruik te nemen. De eerste polder werd gevormd door de aanleg van de Jonge Dijk ten noorden van het huidige dorp Nijland rond 1050. De dijk tussen Hartwerd en de Kliuw en de Platte Dijk (ook wel de Lege Dijk of Nieuwlandsdijk genoemd) volgden niet lang daarna. De Huniadijk en de Oerdijk, die in de tweede Middelzeepolder liggen, dienden waarschijnlijk alleen als binnenwaterkering. Rond 1200 werd de Krinser Arm bij Easterwierum op het smalste punt van de Middelzee aangelegd. Daarmee was de gehele zuidelijke boezem van de Middelzee ingepolderd.
Het verschil tussen het oude en het nieuwe land is nog altijd goed te zien in de verkaveling. De patronen in de polder zijn een stuk regelmatiger en bebouwing ontbreekt. Nijland is het enige dorp dat is ontstaan in het zuidelijke gedeelte van de ingepolderde Middelzee. Vóór de inpoldering was het land vaak ook al in gebruik, het overstroomde doorgaans alleen nog tijdens de winter en bij springvloed. De grond werd toen gebruikt als weiland of hooiland. De afwatering in het voormalige Middelzeegebied gebeurde voor een groot deel via de Swette die tevens de grens tussen Oostergo en Westergo vormde. De polderdijken in de voormalige Middelzee zijn nog duidelijk aanwezig in het landschap. Binnenpolderdijken en Slachtedijk In de loop van de tijd raakte steeds meer land in Westergo bedijkt. De ringdijken van de moederpolders vormden ook voor het stelsel aan binnenpolderdijken de basis. Binnenpolderdijken dienden ertoe om bij dijkdoorbraken het zeewater landinwaarts zoveel mogelijk te keren. Daarnaast werden binnenpolderdijken opgeworpen om het opstuwen van binnenwater tegen te gaan en als het ware door compartimentering het opwaaien van het boezemwater te bedwingen, dan wel het water vanuit naastgelegen gebieden te keren. De Slachtedijk is de bekendste binnenpolderdijk van Friesland.
Deze 42 kilometer lange dijk loopt van Raerd tot Oosterbierum en is ontstaan door het verbinden van verschillende oudere dijken. De dijk staat ook wel bekend als de Vijf Delen Slachtedijk en is aangelegd tussen 1150 en 1200. De naam Vijf Delen verwijst naar de samenwerking tussen de vijf grietenijen Barradeel, Baarderadeel, Hennaarderdeel, Franekeradeel en Menaldumadeel. Samen waren ze verantwoordelijk voor de aanleg en het onderhoud van de dijk. De binnendijk moest bescherming bieden bij een doorbraak van de zeedijken. De dijk is eeuwenlang in gebruik gebleven en heeft pas sinds 1995 geen waterkerende functie meer.
Buitengebied Súdwest-Fryslân-II ontwerp
81
De veenontginningen hebben het landschap van de Súdwesthoeke ingrijpend veranderd. Door de combinatie van de in gang gezette maaivelddaling en veenoxidatie kreeg men in de veenrandzone te maken met wateroverlast. Bovendien kon het binnenwater door de bedijking van de Marneslenk en de Middelzee niet meer wegstromen via de zeeboezems. Door de combinatie van het opstuwende boezemwater uit het zuiden en de beperkte afwateringsmogelijkheden in het noorden kreeg men te maken met wateroverlast. Hempolders Om wateroverlast tegen te gaan begon men aan het einde van de 12e eeuw met de aanleg van een reeks binnenpolders ten zuiden van de Marne- en de Middelzeepolders. Deze polders worden ook wel de hempolders of hemmen genoemd en liggen in een halve cirkel tussen Schraard en Raerd. De zeedijken en de zuidelijke dijk van de polder van Hartwerd-Witmarsum vormen de basis van de hemmen. Omdat de hemdijken op elkaar aangesloten zijn is een chronologie te herkennen. In totaal werden er 10 hempolders aangelegd. Er wordt verondersteld dat de Scherhem ten noorden van Sneek de oudste hempolder is. Daarna zou aan de oostkant de Rauwerderhem zijn aangelegd en aan de westkant de Scherwolderhem, de Eemswouderhem en de Morrahem. De Arkumerhem maakte oorspronkelijk deel uit van de Eemswouderhem en werd pas later daarvan gescheiden.
Ten zuiden hiervan liggen de laatste twee hempolders; de Rijperahem en de hempolder bij OudegaHeeg. Het is goed mogelijk dat de hemdijken geen volledig bescherming boden bij overstromingen. Waarschijnlijk deden veel hemdijken, waaronder ook zeker de dijken van de Rijperahem, alleen dienst als zomerdijk. Ze waren niet opgewassen tegen de hoge waterstanden in de wintermaanden. Grote delen van de hemdijken zijn zeer goed bewaard gebleven en vormen nog altijd belangrijke elementen in het landschap. Ze zijn ook zeer bepalend geweest voor het wegenpatroon in de streek. De hemmen vormen het overgangsgebied tussen het kleilandschap en het veenlandschap. Waterwegen In het plangebied liggen verschillende typen vaarwegen, zoals dorpsvaarten, opvaarten naar boerderijen, trekvaarten en dergelijke. Het gebied kende in de late middeleeuwen al een uitgebreid netwerk aan vaarwegen. De vaarwegen bestonden uit een netwerk van natuurlijke waterlopen en gegraven afwateringskanalen. De nieuwe meren vormden belangrijke knooppunten voor de doorgaande vaarroutes. Een aantal belangrijke vaarwegen die in deze periode al bestonden zijn de vaarweg van de Hegemer Mar via de Fluezen naar Stavoren, de vaarweg van Sneek langs IJlst via de Wimerts naar Bolsward (noordwestelijk) en via dezelfde vaarweg naar Woudsend (zuidelijk) en vervolgens via het Sleattemer Mar naar Sloten.
Ook was er een vaarweg vanuit de Fluezen via het Lange Fliet naar Workum. Ten gunste van de afwatering kwam er vanaf de 12e-eeuw een heel waternetwerk tot stand van kanalen, afvoersloten en veenmeren. Door het zakken van het maaiveld verloren veel van de oorspronkelijke veenrivieren hun functie. Ze raakten de aanvoer uit het hoger gelegen achterland (de hoogvenen) kwijt, slibden dicht en
Buitengebied Súdwest-Fryslân-II ontwerp
82
bleven alleen nog zichtbaar in de verkaveling. Een mooi voorbeeld hiervan is de Drylster Ie ten westen van Hommerts. Tot ver in de 19de eeuw vormden waterwegen de belangrijkste transportroutes op het grondgebied van de gemeente Súdwest-Fryslân. Het land beschikte van nature al over een dicht netwerk van geulen, prielen en kreken. Naast een strijd tegen het zeewater heeft men in Westergo voortdurend geworsteld met de binnenwaterhuishouding. In de periode van vóór de bedijkingen was er sprake van een goede natuurlijke afwatering. Om de afwatering te verbeteren werden talloze vaarten gegraven en natuurlijke waterlopen aangepast. Deze oudste vaarten waren gebaseerd op de bochtige kreken en geulen, heel anders dan de rechte vaarten die in ene latere periode werden aangelegd. Binnen het plangebied is in deze periode voor ongeveer 200 km aan vaarten gegraven. Hiervan zijn bijna alle vaarten nog steeds aanwezig, al dan niet inhoudelijk aangepast door de eeuwen heen, waardoor een zeer hoge gaafheid naar voren komt. Ze krijgen een historisch-geografische waarde van ‘zeer hoog’. Veenontginningen, meren en voormalige meeroevers Binnen het plangebied bevindt een veenontginningsgebied ten zuiden van Sneek. Een groot deel van de meren in het Lage Midden is pas ontstaan nadat het veengebied in cultuur was gebracht.
Door de toenemende vernatting begon men met het graven van extra (dwars)sloten. Al snel bleek dit niet afdoende. Hierop volgde het graven van afvoerkanalen in de laagste delen van het landschap. Veel van deze lange afwateringssloten dragen de naam Geeuw of Geau. Ze liggen vaak haaks op de oorspronkelijke verkaveling, bijvoorbeeld de Wide Geau / Alde Geau tussen Akkrum en Akmarijp of de Modderige Geau ten oosten van Oppenhuizen. Door de wind konden waterkruispunten uitwaaien tot kleine veenmeertjes. Datzelfde gebeurde in gebieden waar aan veenwinning werd gedaan. De veenkuilen waren namelijk vatbaar om zich ten koste van het veenland uit te breiden. Rond de 12e- of 13e-eeuw zijn op deze wijze veel van de Friese veenmeren ontstaan. Dat de verkaveling ‘over de meren’ heen doorloopt vertelt ons dat de meren pas na de veenontginningen zijn ontstaan. Hegemer Mar, de Kûfurd en de Snitser Mar zijn er prachtige voorbeelden van. Het is zelfs heel goed mogelijk dat er ter hoogte van de latere meren oude nederzettingsassen hebben gelegen. Dit is de reden waarom in sommige meren nog wel middeleeuws aardewerk wordt aangetroffen. In het plan gebied zijn meerdere droogmakerijen waaronder de Sensmeerpolder (1633) en de Atsebuurstermeerpolder (beide drooggemaakt in 1633). Hier vlakbij ligt ook het voormalige Uilkemeer.
Ook in liggende Greonterperpolder ook nog een aantal voormalige poeltjes die later zijn drooggemalen. Op enkele locaties is er nog sprake van herkenbare voormalige meeroevers. Regeling in dit bestemmingsplan Via een dubbelbestemming Waarde-Cultuurhistorisch waardevolle lijnen zijn de dijken en historische (vaar)wegen beschermd. De moeder- en hempolders, getijdegeul Middelzee, veenontginningen, droogmakerijen en inpolderingen zijn (indirect) beschermd door bescherming van de verkavelingsstructuren middels een dubbelbestemming Waarde-Landschap verkaveling. Indien van toepassing zijn de
Buitengebied Súdwest-Fryslân-II ontwerp
83
dijken binnen deze ensembles beschermd middel een dubbelbestemming WaardeCultuurhistorisch waardevolle lijnen. De voormalige meeroevers zijn beschermd in dit bestemmingsplan middels een aanduiding Waarde – Reliëf. 5.4.3.2 Onderzoek naar karakteristieke bebouwing Tevens heeft onderzoek naar karakteristieke bebouwing in het plangebied plaatsgevonden. Dit zijn in dit plangebied veelal karakteristieke boerderijen, woningen, transformatorgebouwen en waterstaatkundige werken zoals bruggen. Alle waardevolle bouwwerken zoals deze gelegen zijn in het plangebied zijn geïnventariseerd en gewaardeerd. In totaal zijn circa 170 bouwwerken beoordeeld op de stedenbouwkundige, architectonische, cultuurhistorische en streekhistorische waarde en van een puntenaantal voorzien. De in totaal 36 karakteristieke bouwwerken die tijdens het onderzoek 19 punten of meer hebben gekregen en daardoor binnen de categorie K1 vallen, zijn beoordeeld als het meest waardevol. Deze bouwwerken vertegenwoordigen een zodanige monumentale waarde dat het exterieur van deze bouwwerken in stand gehouden moet worden. Om sloop tegen te gaan is hier een sloopvergunningstelsel aangekoppeld. De 85 karakteristieke bouwwerken die tijdens het onderzoek 15 tot 19 punten gekregen vallen binnen de categorie K2.
Deze panden vertegenwoordigen een zodanige waarde, dat het van belang is om met name de hoofdvorm van het bouwwerk in stand te houden. Deze karakteristieke bebouwing is op de verbeelding aangeduid als “karakteristiek” . In de planregels is hiervoor een vergunningstelsel voor werken en/of werkzaamheden aan gekoppeld. In bijlage 3 ‘Lijst met karakteristieke en monumentale panden’ bij de regels is een overzicht van karakteristieke panden opgenomen. 5.4.3.3
Onderzoek Historische verkaveling
Algemeen De gemeente Súdwest-Fryslân is rijk aan waardevolle historische verkavelingsstructuren. Om tot een waardering op hoofdlijnen te komen van de belangrijkste historische verkavelingsstructuren binnen het grondgebied van de gemeente is de wetenschappelijke waarderingsmethodiek op basis van de criteria kenmerkendheid, gaafheid, ensemblewaarde, zeldzaamheid en ouderdom toegepast. De beoordeling is uiteengezet in vier niveaus, namelijk laag, gemiddeld, hoog en zeer hoog. Wanneer alle vier criteria gewaardeerd zijn, worden deze scores opgeteld tot een totaalscore. Daarna zijn ze teruggerekend naar een eindwaardering (Bijlage 1 Historische verkaveling structuren). Op basis van de waardering wordt geconcludeerd dat in vergelijking met andere gebieden in Fryslân en Nederland de gemeente een zeer groot aantal goed bewaarde historische verkavelingsstructuren kent. Omdat vrijwel alle perceelsgrenzen in dit gebied uit sloten bestaan, is de historische verkaveling sterk in het landschap verankerd en overal nog goed af te lezen. Dat maakt vrijwel het gehele grondgebied van de gemeente tot een cultuurhistorisch waardevol gebied.
De schade die de naoorlogse ruilverkavelingen aan deze structuren hebben opgeleverd lijken in Súdwest-Fryslân relatief beperkt te zijn, de leesbaarheid van het historische cultuurlandschap is nog altijd zeer goed, hoewel er ook hier zeer veel sloten verdwenen zijn in de afgelopen eeuw. Ook in vergelijking met andere Friese gemeenten kan de historische verkaveling er bijzonder worden genoemd, zeker wanneer het gaat om structuren zoals de moederpolders, de Marneslenk en de
Buitengebied Súdwest-Fryslân-II ontwerp
84
Middelzee. Vooral de grote diversiteit aan landschaps- en verkavelingstypen maakt het cultuurlandschap van Súdwest-Fryslân uniek en van hoge waarde. Nergens anders in Fryslân vind je op zo’n korte afstand van elkaar zo veel verschillende landschapstypen. De historische verkaveling is in vrijwel de gehele gemeente van hoge waarde. Er is een aantal structuren dat eruit springt en een zeer hoge waardering kent. Dat zijn de moederpolders, de oude zeepolders van de Marneslenk en Middelzee, verschillende droogmakerijen en een tweetal veenontginningsblokken. Analyse plangebied
Figuur 9: Verkavelingstypen (bron: cultuurland)
Kleigebied Binnen het kleigebied komen meerdere typen verkavelingen voor: onregelmatige blokverkaveling en regelmatige blokverkaveling. Om het gebied geschikt te maken voor agrarisch gebruik werd het gebied in ontginning gebracht. Eerst op voorzichtige wijze in de IJzertijd en later op grootschalige wijze in de Middeleeuwen. De geomorfologie van de ondergrond is bepalend geweest voor de verkaveling. De blokvormige verkaveling van de kweldervlaktes is veelal onregelmatig, omdat de grillige gevormde prielen en geulen in dit gebied de basis vormden voor de afwatering. Naarmate de perceelsvormen onregelmatiger zijn begrensd, neemt de kans toe dat deze grenzen een natuurlijke oorsprong hebben. Een regelmatige blokverkaveling bestaat uit rechthoekige of vierkante percelen met een min of meer
Buitengebied Súdwest-Fryslân-II ontwerp
85
regelmatige vorm en structuur. Dit type verkaveling vinden we voornamelijk terug op kwelderwallen en in de oude zeepolders, zoals die van de Marneslenk en de Middelsee. Veengebied Het veengebied in het zuidoosten van de gemeente wordt net als grote delen van Fryslân gekenmerkt door een opstrekkende verkaveling, die zich kenmerkt door smalle langgerekte percelen. Doordat het veen in ontginning werd genomen ontstond een dynamisch landschap. Wanneer veen wordt ontwaterd door het graven van sloten wordt een onomkeerbaar proces in gang gezet van veenoxidatie. Er treedt namelijk zuurstof toe tot de afgestorven plantenresten (veen) waardoor het ‘verbrandt’ en vervliegt tot CO2. De bodem gaat hierdoor dalen (maaivelddaling) en inklinking. Beide processen zullen geleid hebben van vernatting van het veenoppervlak. Om dieper het veen in te gaan en het water blijvend af te voeren ontstonden er lang gerekte smalle percelen. Een verkaveling wordt opstrekkend genoemd als de lengterichting dominant is in de percelering en bovendien sprake is van een grote lengte-breedte verhouding. Op basis van de oriëntatie van de sloten kan de ontginningsrichting worden vastgesteld. Vaak zijn één of meerdere nederzettingsassen nog aanwezig. Klei op veen Hier is er sprake van een overgangszone van blokverkaveling naar opstrekkende verkaveling.
Alle hoog en zeer hoog gewaardeerde verkavelingsblokken zijn beschermd middels een dubbelbestemming Waarde-landschap verkaveling. Dit wel met de mogelijkheid in de regels om per omgevingsvergunningsaanvraag maatwerk te gaan leveren. Dus de afweging te maken in hoeverre de verkavelingsstructuur door de ingreep daadwerkelijk zal worden aangetast op basis van de waardering van zowel de verkavelingssystemen als de afzonderlijke waarderingen van de sloten zelf in de Landschapsbiografie. Als in die zin de ingreep niet voor significante cultuurhistorische teloorgang gaat zorgen, dan is dus ook geen omgevingsvergunning dit voor specifieke werk benodigd. 5.4.3.4 Onderzoek Historische paden en wegen Het Friese buitengebied kent vele oude paden, die vaak dwars door de landerijen lopen. Ze werden gebruikt voor allerlei doeleinden, bijvoorbeeld om naar de (klooster)kerk te gaan of om hooi te halen. Verkeer over land heeft zich tot halverwege de 19de eeuw beperkt tot wegen over dijken, jaagpaden en de hoger gelegen kwelderwallen. De wegen gelegen op het oorspronkelijke maaiveld waren grote delen van het jaar onbegaanbaar omdat het te drassig was. Halverwege de 19de eeuw werd echter de kwaliteit van de bestaande landwegen sterk verbeterd en nieuwe verharde wegen aangelegd.
Naast de landwegen kwam er eind 19de eeuw een nieuwe manier van vervoer over land toen de spoor- en tramwegen werden aangelegd. De tramwegen zijn inmiddels allemaal verdwenen. In de afgelopen eeuw zijn veel historische wegen verloren gegaan. Veel paden die nog wel (gedeeltelijk) aanwezig zijn lopen nu dood, zijn ontoegankelijk of worden
Buitengebied Súdwest-Fryslân-II ontwerp
86
slecht onderhouden, waardoor ze dreigen te verdwijnen. Daarmee gaan niet alleen eeuwenoude verhalen verloren, maar wordt ook het platteland steeds minder toegankelijk voor voetgangers. Ze worden in het plangebied niet automatisch als perceelsgrens behouden zoals in de zandgebieden, omdat in Súdwest-Fryslân vrijwel alle perceelscheidingen door sloten worden gevormd. Bovendien dreigt ook de streekgebonden identiteit die veel mensen voelen verloren te gaan. Oude paden en wegen vertellen veel over het landschap waarin ze gelegen zijn en vormen een waardevolle bron aan informatie voor historisch-geografen. Ze maken bovendien onderdeel uit van het collectieve geheugen van de inwoners van een gebied. Om cultuurhistorisch waardevolle paden en wegen beter te kunnen beschermen is er een onderzoek uitgevoerd naar de historische paden en wegen (opgesplitst in hooiwegen, algemene voetpaden, specifieke jaag-, klooster- en kerkenpaden, opritten, wegen op/langs historische dijken, ontginningsassen en algemene wegen) binnen onze gemeente. Om tot een waardering op hoofdlijnen te komen van de historische wegen binnen het grondgebied van de gemeente is de wetenschappelijke waarderingsmethodiek op basis van de criteria kenmerkendheid, gaafheid, ensemblewaarde, zeldzaamheid en ouderdom toegepast. De beoordeling is uiteengezet in vier niveaus, namelijk laag, gemiddeld, hoog en zeer hoog.
Wanneer alle vier criteria gewaardeerd zijn, worden deze scores opgeteld tot een totaalscore. Daarna zijn ze teruggerekend naar een eindwaardering (Bijlage 10 Historische wegen en paden). Alle hoog en zeer hoog gewaardeerde historische paden en wegen zijn beschermd middels een dubbelbestemming Waarde-cultuurhistorisch waardevolle lijnen. 5.4.3.5 Overig aanvullend onderzoek Tot slot is een aanvullend onderzoek uitgevoerd naar overige categorieën die niet binnen voorgenoemde onderzoeken vielen. Hierbij gaat het onder andere om molenbiotopen. Ook zijn de rijks- en gemeentelijke monumenten in kaart gebracht en de kruinige percelen. Beschermd gezicht Lytsewierrum is op grond van de Monumentenwet in 1988 aangewezen als Beschermd Dorpsgezicht. Deze aanwijzing is een erkenning van het bijzondere historische karakter van het dorp. De bedoeling van de aanwijzing is om deze bijzondere historische karakteristieken te behouden en nadrukkelijk een plaats te geven in toekomstige ontwikkelingen. Voor het in het plangebied liggende rijksbeschermde dorpsgezicht is een aanwijzingsbesluit genomen, deze is opgenomen in bijlage 3 bij deze toelichting. De waarde van het dorp ‘dat de oorspronkelijke terpstructuur van het dorp Lutkewierum, gelegen in een van de oudste polders van Friesland, in gave vorm bewaard is gebleven tijdens de ruimtelijke ontwikkeling van de nederzetting’.
De historische-ruimtelijke eenheid van de dorpsbebouwing en beplanting wordt benadrukt door de ligging in het open landschap, afzijdig van doorgaande weg- en waterstructuren. Het gebied levert een beeld op dat van algemeen belang is vanwege zijn schoonheid en zijn ruimtelijke structurele samenhang. Voor dit
Buitengebied Súdwest-Fryslân-II ontwerp
87
rijksbeschermde dorpsgezichten is in het bestemmingsplan de bestemming ‘WaardeBeschermd gezicht’ opgenomen. Molens Om de voeten droog te houden waren voorheen de molens onontbeerlijk om het water weg te pompen. Een poldermolen is een windmolen die water van een lager niveau naar een hoger niveau verzet, om zodoende het water op het juiste peil te houden, en wateroverlast te voorkomen. Voorheen stonden in het plangebied honderden molens. De poldermolens verloren hun functie door mechanisatie. Tegenwoordig is de functie van een molen vaak overgenomen door een gemaal. In het plangebied staan 17 historische molens, allemaal beschermd als rijksmonument. Om de waarde en werking van de molens te beschermen, is er rond alle molens de aanduiding vrijwaringszone - molenbiotoop opgenomen. In de regels zijn voorwaarden gekoppeld waar de gebouwen en andere bouwwerken binnen de aanduiding aan moeten voldoen. Ook is er een regeling opgenomen om hoog opgaande beplanting tegen te gaan. Door een regeling voor de bouwhoogte van de bebouwing in de molenbiotoop op te nemen, wordt de bescherming van de windvang van de molen gewaarborgd. Hier kan, na het inwinnen van advies van molenbeheerder, van worden afgeweken Monumentale bebouwing – In het plangebied liggen 53 rijksmonumenten, waaronder een grenspaal, 17 molens, 5 klokkenstoelen en diverse boerderijen en kerken.
Binnen het plangebied liggen geen gemeentelijke monumenten. Ter signalering van deze panden is op de verbeelding per rijksmonument een specifieke bouwaanduiding rijksmonument opgenomen. In bijlage 3 bij de regels is een overzicht van de rijksmonumenten opgenomen. Kruinige percelen Binnen het plangebied komen in het noorden op lichte zavelgronden zogenaamde ‘kruinige percelen’ of ‘bolle akkers’ voor. Dit zijn perclen waarbij door middel van een bepaalde ploegtechniek doelbewust grond van de rand van de percelen naar het midden werd verplaatst, waardoor de percelen bol kwamen te liggen en minder last hadden van opbollend grondwater. Op Friese schaal zijn de kruinige percelen zeldzaam. Op landelijke schaal is dit helemaal het geval. Het (zuid)oostelijke deel van de gemeente Súdwest-Fryslân is vanouds zeer sterk gericht op de veeteelt en bestaat voornamelijk uit natte graslanden. Deze laaggelegen gronden in het (voormalige) veen en klei-op-veen gebied leenden zich slecht voor grootschalige of langdurige akkerbouw. Historische bouwlanden vinden we alleen in het noordelijke deel rondom de terpdorpen, op de kwelder- en oeverwallen langs de voormalige Middelzee, in de zeepolders en in enkele droogmakerijen. Kruinige percelen zoals we die kennen langs de Marneslenk langs de Noordwestkust van Fryslân komen in het onderzoeksgebied slechts op zeer kleine schaal voor.
Voor deze percelen is de dubbelbestemming ‘Waarde – Reliëf opgenomen. 5.4.3.6 Conclusie Het betreft hier een herziening van de bestaande conserverende bestemmingsplannen. Aanwezige en verwachte cultuurhistorische en archeologische waarden worden wanneer nodig beschermd door middel van een dubbelbestemming
Buitengebied Súdwest-Fryslân-II ontwerp
88
en/of een aanduiding. Het bestemmingsplan is vanuit cultuurhistorisch oogpunt dan ook uitvoerbaar. Nadere onderzoeken zijn niet nodig. Element Archeologische waardevolle gebieden inclusief terpen
Bestemming dubbelbestemming ‘Waarde - archeologie 1’.
Archeologische gebieden met verwachtingswaarden
dubbelbestemming ‘Waarde - archeologie 2’.
Meeroevers en kruinige percelen
dubbelbestemming ‘Waarde – Reliëf’
Stinzen, states, buitenplaatsen en kloosters
Dubbelbestemming ‘Waarde – Cultuurhistorie stinzen, states, buitenplaatsen en kloosters’ Dubbelbestemming ‘Waarde – Cultuurhistorie waardevolle lijnen’
Dijken
Historische paden en (vaar)wegen
Dubbelbestemming ‘Waarde – Cultuurhistorie waardevolle lijnen’
Buitengebied Súdwest-Fryslân-II ontwerp
Bescherming vergunningenstelsel en onderzoeksplicht voor bodemingrepen vanaf 50m² en dieper dan 40cm. vergunningenstelsel en onderzoeksplicht voor bodemingrepen vanaf de advieszone van de gemeentelijke FAMKE en dieper dan 40cm. vergunningenstelsel voor het diepploegen, egaliseren, afgraven, afschuiven en/of ophogen van gronden, het dempen en/of graven van sloten en het aanleggen van ondergrondse of bovengrondse transportleidingen e.d.. Vergunningstelsel en onderzoeksplicht voor bodemingrepen vanaf 50m² en dieper dan 40cm Vergunningstelsel voor het diepploegen, egaliseren, afgraven, afschuiven en/of ophogen van gronden, het dempen en/of graven van sloten en het aanleggen van ondergrondse of bovengrondse transportleidingen e.d. Vergunningstelsel voor het diepploegen, egaliseren, afgraven, afschuiven en/of ophogen van gronden, het dempen en/of graven van sloten en het aanleggen van ondergrondse of bovengrondse transportleidingen e.d.
89
Verkaveling
Dubbelbestemming ‘Waarde – Landschap verkaveling’
Molens
Bestemming ‘Bedrijf Nutsvoorziening’
Karakteristieke bebouwing
Aanduiding ‘karakteristiek’
Beschermd dorpsgezicht
Aanduiding ‘Beschermd Gezicht’
Vergunningstelsel voor het diepploegen, egaliseren, afgraven, afschuiven en/of ophogen van gronden, het dempen en/of graven van sloten en het aanleggen van ondergrondse of bovengrondse transportleidingen e.d. In de bestemmingsomschrijving is opgenomen dat op de percelen waar een molen staat alleen een molen is toegestaan. Vergunningenstelsel gekoppeld aan bouw- en sloopregels. Vergunningenstelsel gekoppeld aan bouw- en sloopregels.
In alle gevallen, ongeacht de grootte van de bodemingreep, blijft de archeologische meldingsplicht van toevalsvondsten van kracht (art. 5.10, lid 1 Erfgoedwet). Concreet houdt dit in dat wanneer bij graafwerkzaamheden vondsten worden aangetroffen waarvan de vinder redelijkerwijs moet kunnen weten dat het archeologie betreft, dit gemeld moet worden bij het bevoegd gezag. Dit is de gemeente Súdwest-Fryslân. 5.5 Duurzame verstedelijking In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) is 'de ladder voor duurzame verstedelijking' geïntroduceerd. De ladder is per 1 oktober 2012 ook als procesvereiste opgenomen in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). In de Ladder voor duurzame verstedelijking is opgenomen dat de toelichting van een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, een beschrijving bevat van de behoefte aan de voorgenomen stedelijke ontwikkeling. Indien blijkt dat de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stedelijk gebied mogelijk is, bevat de toelichting een motivering daarvan en een beschrijving van de mogelijkheid om in die behoefte te voorzien op de gekozen locatie buiten het bestaand stedelijk gebied. Met dit bestemmingsplan wordt niet voorzien in nieuwe ontwikkelingen. De ladder voor duurzame verstedelijking is dan ook niet van toepassing op dit plangebied.
Wanneer nieuwe ontwikkelingen binnen het plangebied later plaatsvinden, vindt daarvoor specifiek een toetsing aan de ladder plaats.
Buitengebied Súdwest-Fryslân-II ontwerp
90
5.6
Ecologie
5.6.1 Wet- en regelgeving Bij elk ruimtelijk plan moet er rekening worden gehouden met beschermingswaardige natuurwaarden. Hiertoe is er regelgeving op het gebied van gebiedsbescherming en soortenbescherming opgenomen in de Wet natuurbescherming. Gebiedsbescherming De gebiedsbescherming is vastgelegd in hoofdstuk 2 van de Wet natuurbescherming. De wet bundelt de gebiedsbescherming van nationaal begrensde natuurgebieden met de Europese Vogel- en habitatrichtlijn. Er zijn een tweetal type natuurgebieden die door de Wet natuurbescherming worden beschermd. Dit zijn de Wetlands en de Natura 2000-gebieden. Verder vormt de Wet natuurbescherming de basis voor het nationale Natuurbeleidsplan waarin het Natuurnetwerk Nederland in is verwerkt. Het Natuurnetwerk Nederland is een samenhangend netwerk van bestaande en nog te ontwikkelen belangrijke natuurgebieden in Nederland. Voorheen stond het Natuurnetwerk Nederland bekend als de Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Het Natuurnetwerk Nederland is als beleidsdoel opgenomen in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) en is uitgewerkt in het Streekplan Fryslân. Soortenbescherming De bescherming van soorten is geregeld in de Wet natuurbescherming. De wet is gericht op de bescherming, instandhouding en het behoud van plant- en diersoorten in het wild en hun directe leefomgeving.
Het uitgangspunt is dat schadelijke activiteiten in beginsel niet zijn toegestaan, tenzij er een uitzondering voor is gemaakt. Dat is het zogenaamde “Nee, tenzij-principe” en is in de wet opgenomen als een algemeen verbod op schadelijke effecten voor plant- en diersoorten, de zorgplicht. De zorgplicht geldt voor iedere beschermde soort die is opgenomen in de Vogel- en Habitatrichtlijn of opgenomen in de lijst van Nationale Soorten (onderdeel A en B, bijlage Wet natuurbescherming). Om een ontheffing te krijgen van de zorgplicht, moet er worden aangetoond dat er geen afbreuk wordt gedaan aan de goede staat van instandhouding van de soort. De voorwaarden voor het verkrijgen van een ontheffing zijn daarnaast afhankelijk van het beschermingsregime van de soort. In de Wet natuurbescherming is er een driedeling gemaakt in het beschermingsregime voor soorten. Het gaat om de volgende beschermingsregimes: 2 Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn (artikel 3.1 Wet natuurbescherming). Alle van nature in Nederland in het wild levende vogels, zoals opgenomen in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. 3 Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn (artikel 3.5 Wet natuurbescherming). Het gaat om de soorten genoemd in Bijlage IV, onderdeel a van de Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het Verdrag van Bern en Bijlage I van het Verdrag van Bonn.
In de bijlagen van de verdragen van Bern en Bonn worden ook vogelsoorten genoemd.
Buitengebied Súdwest-Fryslân-II ontwerp
91
4
Beschermingsregime Andere Soorten (artikel 3.10 Wet natuurbescherming). Alle soorten genoemd in onderdelen A en B van de bijlage van de Wet natuurbescherming.
De soorten genoemd onder punt 3 vallen onder een lager beschermingsregime dan een soorten genoemd onder punt 1 en 2. In principe geldt voor alle beschermde soorten een ontheffingsplicht, ook voor de algemenere Andere Soorten. De Wet natuurbescherming biedt provincies de mogelijkheid om een vrijstellingsbesluit op te stellen. In dit besluit staat onder andere voor welke soorten een vrijstelling geldt van de verbodsbepalingen in artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming. Voor vogels geldt een aanvullend beschermingsregime, waarbij extra regels kunnen worden gesteld voor bijvoorbeeld jaarrond beschermde nesten. Naar verwachting blijft de bescherming van vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten gelijk onder de Wet natuurbescherming. Voor het verstoren van vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten geldt dat er meestal geen ontheffing wordt verleend. 5.6.2 Gebiedsbescherming In de nabijheid van Offingawier bevindt zich het Sneekermeer. Dit gebied is onderdeel van de Natuurnetwerk Nederland en zijn Natura 2000-gebieden. Overige Natura 2000 gebieden bevinden zich op een dusdanige afstand van het plangebied (>3 km) dat effecten op deze gebieden zijn uit te sluiten. Rondom en in het plangebied zijn ook meerdere natuurgebieden (EHS, overige natuur en natuur buiten de EHS) aanwezig.
In paragraaf 3.2.3 (Verordening Romte) staat het beleid ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland, de ganzenfoerageergebieden en de weidevogelleefgebieden opgenomen. In de volgende figuren staan de contouren van de Natura 2000-gebieden, het Natuurnetwerk Nederland (voorheen EHS) en de ganzenfoerageer en weidevogelleefgebieden weergeven.
Buitengebied Súdwest-Fryslân-II ontwerp
92
Figuur 10 Contouren Natura 2000-gebieden rondom het plangebied (bron: Alterra)
Buitengebied Súdwest-Fryslân-II ontwerp
93
Figuur 11 Natuur Netwerk Nederland (bron: Provincie Fryslân)
Figuur 12 Ganzenfoerageer- en weidevogelleefgebied (bron: Provincie Fryslân)
Buitengebied Súdwest-Fryslân-II ontwerp
94
Effecten Het bestemmingsplan betreft een plan dat vooral een nieuwe actuele regeling biedt voor bestaande gebieden waarin geen ontwikkelingen plaatsvinden. Effecten op de Natura 2000-gebieden rondom het plangebied zijn dan ook uit te sluiten. Conclusie Vanwege het bovenstaande en het feit dat er geen nieuwe of ingrijpende ontwikkelingen worden uitgevoerd binnen of rondom een natuurgebied, wordt verwacht dat vanuit de regeling van het bestemmingsplan geen negatieve effecten plaatsvinden op de aangeduide gebieden. Nieuwe projecten of activiteiten, waarbij een mogelijk negatief effect op de natuurgebieden is, moeten worden getoetst aan de Wet natuurbescherming. 5.6.3 Soortenbescherming In het plangebied kunnen op verschillende plaatsen beschermde soorten (waaronder vleermuizen en vogels) voorkomen. Wanneer hier sprake van is, dan vindt bescherming plaats via de Wet natuurbescherming. Ontwikkelingen leiden mogelijk tot schade aan bijvoorbeeld de verblijfplaatsen of foerageergebieden van beschermde soorten, wat leidt tot overtreding van de verbodsbepalingen van de genoemde wet. Bij toekomstige initiatieven is een onderzoek dan ook vaak noodzakelijk, afhankelijk van de werkzaamheden die hiervoor verricht worden. Effecten In het bestemmingsplan worden geen nieuwe of ingrijpende planologische ontwikkelingen mogelijk worden gemaakt. Het betreft immers een conserverend bestemmingsplan.
Voor de mogelijk aanwezige beschermde soorten in en in nabijheid van het plangebied bestaan bovendien voldoende mogelijkheden om effecten op beschermde soorten te voorkomen of te mitigeren. Hierbij moet men denken aan het werken buiten kwetsbare perioden en het waarborgen van het functionele leefgebied van de soort. Vanwege de ruime mogelijkheden om effecten op mogelijk aanwezige beschermde soorten te voorkomen of mitigeren en het slechts lokale karakter van mogelijk toekomstige ontwikkelingen, worden negatieve effecten worden. Conclusie De herziening van het bestemmingsplan wordt niet belemmerd op basis van ecologie. Mocht sprake zijn van ontwikkelingen, dan moet per ontwikkeling en de daaraan gekoppelde werkzaamheden bepaald worden in hoeverre een ecologisch onderzoek nodig is. Dat heeft geen gevolgen voor dit bestemmingsplan. 5.7
Externe veiligheid
5.7.1 Algemeen toetsingskader Het beleid voor externe veiligheid gaat om het verminderen en beheersen van risico’s van zware ongevallen met gevaarlijke stoffen in inrichtingen en bij het
Buitengebied Súdwest-Fryslân-II ontwerp
95
transport er van. Op grond van het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) worden bedrijven geselecteerd die een risico op zware ongevallen met zich mee brengen, het gaat hierbij bijvoorbeeld om LPG-tankstations en opslagplaatsen van gevaarlijke stoffen. Hiernaast zijn de (hoofd)transportassen voor gevaarlijke stoffen aangemerkt als risicobron. Voor hogedruk aardgastransportleidingen is er het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en voor het transport over wegen en vaarwegen zijn er de Wet basisnet (voor de Rijksinfrastructuur) en het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt), waarin de regels voor ruimtelijke ordening rondom het Basisnet zijn vastgelegd. Het beleid heeft tot doel zowel individuele burgers als groepen burgers een minimum beschermingsniveau te bieden tegen een ongeval met gevaarlijke stoffen. Om dit doel te bereiken zijn gemeenten en provincies verplicht om bij besluitvorming in het kader van de Wet milieubeheer en de Wet ruimtelijke ordening de invloed van een risicobron op zijn omgeving te beoordelen. Bij het aspect externe veiligheid worden hiertoe het plaatsgebonden risico en het groepsrisico gehanteerd. Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans dat een persoon die zich gedurende een jaar onafgebroken onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen.
Dit risico wordt per bedrijf en transportas vastgelegd in contouren. Er geldt een contour waarbinnen deze kans 1x10-6 (één op de miljoen) bedraagt, de zogenaamde PR 10-6. Het groepsrisico (GR) is een berekening van de kans dat een groep personen binnen een bepaald gebied overlijdt ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De oriëntatiewaarde geldt hierbij als indicatie van een aanvaardbaar groepsrisico. Indien een ontwikkeling is gepland in de nabijheid van een risicobron geldt afhankelijk van de ontwikkeling een verantwoordingsplicht voor het groepsrisico voor het toelaten van gevoelige functies. Die verantwoordingsplicht is opgenomen in het Bevi, Bevb en Bevt. De verantwoording houdt in dat in bepaalde gevallen planologische keuzes moeten worden onderbouwd en verantwoord door het bevoegd gezag. Onderdeel van de verantwoording van het groepsrisico is het advies van de Brandweer inzake de bestrijding van brand en rampen bij calamiteiten, over vluchtroutes en de beschikbaarheid van bluswater. Bij de beoordeling van het groepsrisico (GR) moet nagegaan worden of (een deel van) het plangebied binnen de 1%-letaliteitszone van een buisleiding ligt. Wanneer hiervan sprake is, kan berekend worden of het groepsrisico lager is dan 10% van de oriëntatiewaarde en of de toename van het groepsrisico ten gevolge van het besluit minder is dan 10% van de oriëntatiewaarde.
Dan volstaat een beperkte verantwoording. Hierin wordt alleen gekeken naar de hoogte van het groepsrisico, de personendichtheid, de bestrijding van een ramp en zelfredzaamheid van mensen. Ligt een (deel van het) plangebied binnen een 100% letaliteitszone en/of is er een hoger groepsrisico zoals hiervoor genoemd, dan is een volledige verantwoording noodzakelijk. Hierbij moet ook worden gekeken naar maatregelen om het groepsrisico te verminderen, andere mogelijkheden voor ruimtelijke ontwikkelingen met een lager GR (een alternatieve planologische keuze) en de mogelijkheden en de voorgenomen maatregelen tot beperking van het GR in de nabije toekomst.
Buitengebied Súdwest-Fryslân-II ontwerp
96
Verder is er nog het Activiteitenbesluit milieubeheer en de daarbij behorende regeling, waarin algemene regels staan voor verschillende milieubelastende activiteiten en de veiligheidsafstanden waaraan voldaan moet worden. Voorbeelden hiervan zijn gasdruk meet- en regelstations en propaantanks. 5.7.2 Toetsing Risicobronnen De nu geldende bestemmingsplannen voor de dorpen in het plangebied worden vervangen door dit bestemmingsplan. Contouren van dorpen veranderen door dit plan niet. Risicovolle inrichtingen In en in de omgeving van het plangebied zijn (nog in te vullen) risicovolle inrichtingen die mogelijke risico’s kunnen opleveren voor het plangebied. Transportroutes gevaarlijke stoffen In en in de directe omgeving van het plangebied zijn (nog in te vullen) transportroutes voor gevaarlijke stoffen. Buisleidingen In en in de directe omgeving van het plangebied liggen meerdere (ondergrondse) hogedruk aardgastransportleidingen. De volgende leidingen liggen in of direct bij het plangebied: Leidingnaam VE-54-BOZ1-8-S-3200 ten zuiden van Raerd N-510-04 ten westen van Wommels A-652 ten zuiden van Tirns en in het noordelijk deel van Scharnegoutum A-546 ten zuiden van Tirns en in het noordelijk deel van Scharnegoutum A-545 leidingenstrook ten zuiden van Tirns en in het noordelijk deel van Scharnegoutum
Werkdruk (bar) 89
Diameter (mm) 220
40 80
114 1219
66
1067
66
914
Belemmeringenstrook Voor het onderhoud van een buisleiding geeft het Bevb aan dat in het bestemmingsplan rekening gehouden moet worden met een belemmeringenstrook. Hierbinnen zijn in principe geen bouwwerken toegestaan. De breedte van de belemmeringenstrook is 4 meter bij een leidingdruk tot 40 bar en 5 meter bij een leidingdruk van 40 bar en hoger. Deze belemmeringenstrook wordt op de verbeelding van het bestemmingsplan opgenomen als dubbelbestemming “Leiding – Gas”. Plaatsgebonden risicocontouren Rond de verschillende buisleidingen en de leidingenstrook is sprake van een plaatsgebonden risicocontour (PR 10-6) Dit hangt af van druk, diameter en diepteligging van de leidingen. Voor de buisleidingen in het plangebied geldt dat de
Buitengebied Súdwest-Fryslân-II ontwerp
97
plaatsgebonden risicocontour binnen de belemmeringenstrook van 4 of 5 meter rondom het hart van een buisleiding ligt. In dit plan worden binnen deze contouren geen nieuwe (beperkt) kwetsbare objecten mogelijk gemaakt. Dit geeft dan ook geen knelpunt voor het bestemmingsplan. Groepsrisico Voor de buisleidingen in en in de omgeving van het plangebied gelden daarbij de volgende 1%-letaliteitszones (aan weerszijden van de buisleiding): Leidingnaam