CConstaterende datSúdwest-Fryslân
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 9 - Toelichting bestemmingsplan BGB-II

Raadsvergadering 28 september 2023, gemeente Súdwest-FryslânBij agendapunt: Bestimmingsplan ‘Buitengebied Súdwest-Fryslân II’35.056 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 5

Nationaal Waterplan 2016-2021 Onderdeel van de bovengenoemde Waterwet is het zesjaarlijkse Nationaal Waterplan. Dit plan is de opvolger van de 4e Nota Waterhuishouding (1998) en heeft de status van structuurvisie binnen de Wet ruimtelijke ordening. In het plan zijn de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en de daartoe behorende aspecten van het nationale ruimtelijke beleid beschreven.Ook maken de (vier) stroomgebiedsbeheersplannen (SGBP's) onderdeel uit van het Nationaal Waterplan. Zo ontstaat er een heldere koppeling tussen Europees beleid (o.a. de Kader Richtlijn Water) en Rijksbeleid. Duurzaam waterbeheer is het devies van het Nationaal Waterplan. Gemeenten hebben hierin specifieke taken op het gebied van omgaan met afvalwater, hemelwater en grondwater. Waterbeleid 21e eeuw: anders omgaan met water Door de opgetreden wateroverlast heeft de regering de commissie Waterbeheer 21e eeuw in het leven geroepen. De commissie geeft advies over de problemen en hoe die in de toekomst te voorkomen zijn. Op 31 augustus 2000 bracht de commissie het advies Waterbeleid voor de 21e eeuw "Geef water de ruimte en de aandacht die het verdient" uit. De commissie concludeerde dat de manier waarop wij nu met water omgaan niet voldoende is voor de verwachte klimaatsveranderingen. De bevindingen van de commissie zijn verwoord in de hedendaagse wetgeving en beleidsnota's.

In grote lijnen ligt de nadruk op de kwantiteitstrits vasthoudenbergen-afvoeren en de kwaliteitstrits schoonhouden-scheiden-schoonmaken.

Buitengebied Súdwest-Fryslân-II ontwerp

48

Nationaal Bestuursakkoord Water Met het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW) (2011) onderstrepen het Rijk, het Interprovinciaal Overleg, de Unie van Waterschappen en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten de gezamenlijke opgave om het watersysteem op zo kort mogelijke termijn en tegen de laagste maatschappelijke kosten op orde te brengen en te houden. Samenwerken is de rode draad van het geactualiseerde Nationaal Bestuursakkoord. Het NBW is een uitwerking van het waterbeleid 21e eeuw (WB21) en de KRW. De belangrijkste doelen en taken zijn: − het teveel (overlast) of tekort (onderlast) aan water aanpakken; − verbetering van de waterkwaliteit.

Buitengebied Súdwest-Fryslân-II ontwerp

49

4.2

Provinciaal beleid

Het provinciale beleid is uiteengezet in de Omgevingsvisie Fryslân 2020: 'De Romte Diele'. De belangrijkste uitgangspunten uit het provinciale beleid zijn nu nog vastgelegd in de Verordening Romte Fryslân. Hierin zijn voor de provinciale belangen regels opgenomen, waar in bestemmingsplannen rekening mee gehouden moet worden. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet wordt de Verordening Romte vervangen door de Omgevingsverordening. Het ontwerp van de Omgevingsverordening heeft al ter inzage gelegen. De vaststelling door Provinciale Staten zal in het tweede kwartaal van 2022 plaatsvinden. Tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet blijft de Verordening Romte Fryslân het toetsingskader. 4.2.1 Omgevingsvisie 'De Romte Diele' De Omgevingsvisie is een van de nieuwe instrumenten uit de Omgevingswet. De visie omvat het provinciaal beleid voor de fysieke leefomgeving op een hoog abstractieniveau, voor de lange termijn en is op 23 september 2020 vastgesteld. Het is geen blauwdruk voor hoe Fryslân er over 20/30 jaar uit ziet. In de visie is aangegeven waar de provincie heen wil: de ambitie en doelen voor de toekomst. Hoe dit gestalte moet krijgen is niet precies aangegeven. Wel geeft de visie de richting aan waar de provincie met allerlei partijen naar toe wil werken. Samen met verschillende organisaties, inwoners en ondernemers in Fryslân geeft de provincie invulling aan deze visie.

Dit gebeurt in programma’s, concrete projecten en initiatieven, en zo nodig ook in regels. De visie vervangt het strategisch beleid uit het Streekplan, Milieubeleidsplan, Waterbeheerplan en het Verkeers- en Vervoersplan. Bovendien is de provinciale Natuurvisie, die bestaat sinds de Natuurbeschermingswet (2017) is vereist, hierin opgenomen. In de visie is aangegeven wat de provincie doet om de huidige basiskwaliteiten van de Friese leefomgeving op orde te houden. Daarnaast wil de provincie extra inzetten op vier urgente, integrale opgaven: • • • •

Fryslân vitaal, leefbaar en bereikbaar houden; Energietransitie met kracht voortzetten; Fryslân klimaatadaptief inrichten; Versterken biodiversiteit.

Schematisch ziet de opbouw van de omgevingsvisie er als volgt uit.

Buitengebied Súdwest-Fryslân-II ontwerp

50

4.2.2 Grutsk op 'e Romte Het streekplan bevat een beschrijving van de kernkwaliteiten van cultuurhistorisch erfgoed en landschap. Daarin wordt ook een nadere uitwerking en waardering van deze kernkwaliteiten aangekondigd. Deze zijn verder uitgewerkt in de thematische structuurvisie Grutsk op ‘e Romte (2014). In deze visie worden verschillende deelgebieden onderscheiden, met ieder een eigen cultuurhistorische en landschappelijk karakter. Alle kernen liggen daarbij in het Kleigebied Westergo. Per gebied wordt in deze visie de kernkwaliteiten genoemd die een provinciaal belang hebben. Vanuit de visie zijn voor het plangebied de volgende kernkwaliteiten van belang binnen de gebieden: Kleigebied Westergo Een kenmerk van dit gebied is dat hier sprake is van een overgangszone van het klei- naar het veengebied. In Westergo kenmerkt deze zone zich door de aanwezigheid van (onzichtbare) (veen)terpen en ontginningssporen, hemdijken, droogmakerijen en het begin van de opstrekkende verkaveling van het veen.

Buitengebied Súdwest-Fryslân-II ontwerp

51

Daarnaast is ook de aanwezigheid van de waterlopen een belangrijk kenmerk. Tot slot gaat het om de relatie tussen de vorm van de nederzettingen, het type landschap, het grondgebruik en de infrastructuur. Bij de nederzettingen is sprake van een fijnmazige en onregelmatige dorpsstructuur. De provincie zet in op het behoud van deze kenmerken. In dit bestemmingsplan is de geldende juridische regeling overgenomen. Nieuwe ontwikkelingen worden niet mogelijk gemaakt, tenzij hiervoor in een eerder stadium al een afweging heeft plaatsgevonden. Deze passen binnen de kernkwaliteiten zoals opgenomen in de visie Grutsk op ‘e Romte. Waar mogelijk en nodig worden de kernkwaliteiten in dit bestemmingsplan beschermd. 4.2.3 Verordening Romte Op 25 juni 2014 hebben Provinciale Staten de Verordening Romte Fryslân 2014 vastgesteld. De verordening is in werking getreden op 1 augustus 2014. De verordening uit 2011 is hiermee integraal herzien. Op 18 februari 2015 is de 1e partiële herziening van de verordening (Romte foar Sinne) en op 21 februari 2018 is de wijzigingsverordening ‘Verordening Romte Fryslân 2014’ vastgesteld. Deze wijzigingsverordening is op 28 maart 2018 inwerking getreden. Op 23 maart 2021 is een geconsolideerde versie van de Verordening Romte Fryslân 2014 vastgesteld.

In de verordening zijn regels gesteld die ervoor moeten zorgen dat de provinciale ruimtelijke belangen doorwerken in de gemeentelijke ruimtelijke plannen. Als daaraan niet wordt voldaan, zal de provincie een zienswijze indienen en eventueel een aanwijzing geven als onvoldoende aan die zienswijze tegemoet wordt gekomen. Het streekplanbeleid is in het kader van de verordening voorzien van concrete beleidsregels. In de verordening is onder meer de grens tussen het buitengebied en het stedelijk gebied vastgelegd. In stedelijk gebied bestaat een grotere mate van beleidsvrijheid wat betreft de ruimtelijke ordening dan in het buitengebied. Vanuit de verordening zijn de volgende onderwerpen voor het plangebied van belang: In het kader van de (verwachte) in werkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2023 heeft de provincie een ontwerp-Omgevingsverordening opgesteld voor de gehele fysieke leefomgeving van de provincie Fryslân. In de Omgevingsverordening worden alle algemene regels die gelden voor de fysieke leefomgeving opgenomen en vervangt daarmee de verordeningen die voor de verschillende thema’s van toepassing zijn. Weidevogelgebieden In het plangebied zijn meerdere gebieden aangewezen als weidevogelkansgebieden. Dit zijn gebieden, die bestaan uit ruime en open gebieden (zichtafstand > 400 m) met voldoende rust en waarin gevarieerde graslanden liggen.

Ze zijn aangewezen op basis van de Weidevogelnota 2014-2020. Verstorende ontwikkelingen zijn in deze gebieden niet toegestaan. Agrarische ontwikkelingen zijn wel mogelijk, omdat de agrarische functie mede bepalend is voor de geschiktheid van een gebied voor weidevogels. Nieuwe agrarische bouwpercelen zijn niet zonder meer toegestaan, daarbij moet de invloed op het weidevogelgebied

Buitengebied Súdwest-Fryslân-II ontwerp

52

altijd afgewogen worden. Voor dit bestemmingsplan heeft dit geen gevolgen, omdat de bestaande situatie voorzien wordt van een actuele regeling. 4.3

Gemeentelijk beleid

4.3.1 Omgevingsvisie 1.0 `Oars tinke yn Súdwest (2021) De gemeenteraad heeft op 29 april 2021 de Omgevingsvisie 1.0 ‘Oars tinke yn Súdwest’: samenwerken aan een gezonde leefomgeving’ vastgesteld. De Omgevingsvisie 1.0 voldoet aan de artikelen 4.9 en 4.10 van de Invoeringswet Omgevingswet. In de overgangswetgeving Omgevingswet, krijgt een structuurvisie op basis van de Wro automatisch de status van een Omgevingsvisie op basis van de Omgevingswet wanneer deze van kracht wordt. Deze visie is tot stand gekomen met de inwoners en ketenpartners van Súdwest-Fryslân. De Omgevingsvisie 1.0 schetst de hoofdlijnen van de ontwikkelingsrichting voor de woon- werk- en leefomgeving op de langere termijn. De Omgevingsvisie helpt om keuzes te maken bij ontwikkelingen die de fysieke leefomgeving beïnvloeden en nodigt uit tot ontwikkelingen. Met deze Omgevingsvisie kan de gemeente beoordelen of ontwikkelingen en projecten bij Súdwest-Fryslân passen. De Omgevingsvisie 1.0 bestaat uit vijf thema’s: • • • • •

Gezonde vitale mensen in een gezonde en veilige omgeving; Sterke kernwaarden: cultureel erfgoed, natuur, weids en waterrijk landschap; Veerkrachtige en leefbare wijken, dorpen en steden; Vitaal en aantrekkelijk landschap; Duurzaam, energieneutraal en klimaat adaptief.

In de Omgevingsvisie 1.0 is een koppeling gelegd met de 17 duurzame ontwikkeldoelen (Sustainable Development Goals) zoals die wereldwijd worden gehanteerd. De gemeenteraad heeft in de Omgevingsvisie 1.0 de kaders op hoofdlijnen voor toekomstige ontwikkelingen vastgesteld. De maatregelen om de vastgestelde thema uit te kunnen werken worden beschreven in, samen met de ketenpartners, op te stellen omgevingsprogramma’s. Dit om de ambities uit de Omgevingsvisie 1.0 dichterbij te brengen. Het College van B&W stelt de omgevingsprogramma’s vast. Zoals in de thema-onderdelen van de Omgevingsvisie benoemd, worden de volgende omgevingsprogramma’s opgesteld: • • • • •

Gezond Wonen Omgevingskwaliteit Vitaal landschap Klimaatmitigatie Klimaatadaptatie

In het plangebied worden geen ontwikkelingen voorzien, die niet al eerder afgewogen zijn. Het bestemmingsplan heeft een conserverend karakter en tast de bestaande omgevingswaarden niet aan.

Buitengebied Súdwest-Fryslân-II ontwerp

53

4.3.2 Agenda duurzame ontwikkeling In juli 2018 is de ‘Agenda Duurzame Ontwikkeling’ vastgesteld door de gemeenteraad. De gemeente Súdwest-Fryslân staat net als andere overheden voor een grote opgave op het gebied van duurzame ontwikkeling. We werken toe naar een energie- en klimaatneutrale samenleving met een circulaire economie. De Agenda omvat een groot aantal uiteenlopende ambities die als kader dienen voor de komende jaren, variërend van alle woningen energieneutraal in 2030 tot 100% afvalvrije festivals. De agenda richt zich op 5 specifieke onderdelen: 1. Anders Wonen 2. Anders van A naar B 3. Anders Produceren 4. Anders Energie opwekken 5. Zelf Anders

Voor 5 genoemde onderdelen is een concrete agenda vastgesteld en zijn ambities geformuleerd. 4.3.3 Klimaatagenda 2020, thing global, act local In 2015 hebben alle landen van de wereld ingestemd met een Duurzame Wereldagenda tot 2030. Hieruit volgen 17 Sustainable Development Goals (SDG’s). Voor klimaat is doel 13 beschreven: neem dringend maatregelen om de klimaatveranderingen en de gevolgen ervan te bestrijden. Met de Europese Green Deal (2019) geeft de Europese Commissie aan hoe Europa in 2050 als eerste continent voor 2050 klimaatneutraal wordt. Nederland heeft dit vertaald in een Nationaal Klimaatakkoord (2019). De klimaatagenda van de gemeente SúdwestFryslân sluit naadloos aan op de doelen van het landelijk Klimaatakkoord. Dankzij deze koppeling wordt duidelijk wat voor onze gemeente de opgave is ten aanzien van klimaat en duurzame ontwikkeling. De klimaatagenda voor de gemeente Súdwest-Fryslân, vastgesteld door de gemeenteraad op 1 juli 2020, bestaat uit 2 delen: klimaatmitigatie en

Buitengebied Súdwest-Fryslân-II ontwerp

54

klimaatadaptie. In de omgevingsvisie 1.0 is de klimaatagenda opgenomen binnen het thema “Duurzaam, energieneutraal en klimaat adaptief” en verder uitgewerkt in de omgevingsprogramma`s Klimaatmitigatie en Klimaatadaptatie. 4.3.4 Omgevingsprogramma Klimaatadaptatie (2021) Het omgevingsprogramma klimaatadaptatie Súdwest-Fryslân is de nadere uitwerking van de Klimaatagenda SWF 2020 en het thema “Duurzaam, energieneutraal en klimaat adaptief” uit de omgevingsvisie 1.0. Dit programma is door het college van B&W vastgesteld. Een programma is een flexibel instrument dat de overheid kan toepassen in verschillende fasen van de beleidscyclus. Het omgevingsprogramma klimaatadaptatie bestaat uit een koepelrapport met acties en maatregelen die zijn verdeeld over vier bouwstenen.

Het omgevingsprogramma benoemt concrete projecten op de korte termijn tot 2025 en geeft een aanzet voor de langere termijn maatregelen richting 2050. Daarbij is de ambitie dat de gemeente in 2050 CO2-neutraal, klimaatbestendig, energieneutraal en circulair is. Dat sluit aan bij de nationale klimaatdoelstellingen. Het is wenselijk om de verschillende opgaven met elkaar te verbinden. Dat leidt tot een gezonde, veilige en goede kwaliteit van de leefomgeving. Voor het bereiken van een klimaatbestendige gemeente ligt de nadruk op ruimtelijke adaptatie, zodat de door SWF onderschreven landelijke doelstellingen (Deltabeslissing Ruimtelijk Adaptatie) worden gehaald: 1. vanaf 2020 klimaat adaptief handelen is ‘het nieuwe normaal’ en 2. in 2050 is Súdwest-Fryslân klimaatbestendig en water robuust ingericht. Voor de in dit programma opgenomen maatregelen zijn vijf strategieën opgesteld om de ambitie en doelstellingen te behalen. Deze strategieën zijn tevens opgenomen in de omgevingsvisie 1.0. 1. Water- en klimaatbewustwording vergroten, zowel in- als extern.

Buitengebied Súdwest-Fryslân-II ontwerp

55

2. In de praktijk brengen van klimaatadaptatie door te werken aan de opgaven in

onze gemeente. Integraal werken, zowel intern tussen teams als extern met verschillende partners. 3. Verankeren van klimaatadaptatie in gemeentelijk beleid en handelen waardoor klimaatadaptatie een integraal onderdeel wordt van afwegingen. 4. Met samenwerkingspartners werken aan (regionale) opgaven. Rolbewustheid is hier onderdeel van. Elk gebied heeft zijn eigen specifieke kenmerken, die leidend moeten zijn in de keuzes die we maken ten aanzien van klimaatadaptatie en de integrale afwegingen. 5. Het benutten en versterken van de cyclus van kennis en monitoring. Met het dynamische karakter van het omgevingsprogramma klimaatadaptatie Súdwest-Fryslân ontstaat de mogelijkheid om acties en maatregelen doorlopend verder aan te scherpen en aan te vullen. 4.3.5 Antennebeleid 2012 De gemeenteraad heeft in haar vergadering van 18 oktober 2012 het “Antennebeleid gemeente Súdwest-Fryslân” vastgesteld. De noodzaak hiertoe ligt er in dat mobiele communicatie in Nederland de laatste jaren een ongekende groei doormaakt. Burgers en bedrijven hechten veel belang aan een ruime beschikbaarheid en goede toegankelijkheid van mobiele communicatie. Naast dit algemene belang is er ook een groot maatschappelijk belang voor goede mobiele communicatie, zoals de bereikbaarheid van de hulpdiensten.

Door het toenemend gebruik van mobiele communicatie groeit de vraag naar plaatsingsmogelijkheden voor antenneinstallaties. Om te komen tot een verantwoorde maatschappelijke, stedenbouwkundige en landschappelijke inpassing van antenne-installaties is gemeentelijk antennebeleid opgesteld. Samengevat ziet het beleid er als volgt uit. De volgende gebieden komen als eerste in aanmerking voor plaatsing: • bestaande masten; • bedrijventerreinen; • sportparken en hoogbouw; • langs of nabij infrastructuur en dan bij voorkeur bij kunstwerken. Ten aanzien van de omgeving gelden de volgende criteria: • Aansluiting op bestaande masten en gebouwen. Door gebruikmaking van bestaand verticale kunstmatige elementen zoals hoge gebouwen en torens kan de inbreuk op de bestaande ruimtelijke kwaliteit tot een minimum beperkt worden; • Aansluiting op de visueel ruimtelijke kwaliteit van de omgeving; • Antenne-installaties mogen de architectuur en de specifieke architectonische kenmerken niet aantasten; • Afstemming van de maat, schaal en oriëntatie van de antenne-installatie op (die van de bestaande bebouwing in) de omgeving; • Er dient rekening gehouden te worden met de situering ten opzichte van cultuurhistorische waarden en objecten; • Inpassing van de antenne-installatie binnen het landschapstype;

Buitengebied Súdwest-Fryslân-II ontwerp

56

• •

Rekening houden met/aansluiten op bestaande landschappelijke patronen en op elementen in het landschap; Aangeven van de mogelijkheden om (in de ruime omgeving) door toepassing van beplanting de visuele aantasting te verminderen.

Voor antenne-installaties hoger dan 5 meter is een omgevingsvergunning nodig (dit geldt niet voor de installaties voor het communicatiesysteem C2000). Ook voor het bouwen van antenne-installaties kleiner dan 5 meter op gemeentelijke-, provincialeen rijksmonumenten of in beschermde stads- of dorpsgezichten is voor de activiteit bouwen van een bouwwerk een omgevingsvergunning vereist. 4.3.6 Bomenbeleidsplan (2012) Op 13 december 2012 heeft de gemeenteraad het bomenbeleidsplan vastgesteld, het beleidsplan is van kracht gegaan op 1 januari 2013 voor de gehele gemeente. In het beleidsplan is het kapbeleid van de gemeente vereenvoudigd, zonder dat dit te koste gaat van waardevolle boomstructuren, groenclusters en aangewezen bomen. De aanleiding voor een bomenbeleidsplan waren de verschillende kapregelgevingen van de voormalige fusiegemeenten en de wens om de kapregelgeving te dereguleren. Voor het kappen van bomen, zowel particulier als gemeentelijk bomen, moest voorheen een omgevingsvergunning worden aangevraagd. Door de kapregelgeving te dereguleren, hoeft men voortaan alleen een vergunning aan te vragen voor het kappen van waardevolle bomen, boomstructuren en groenclusters. Om individuele waardevolle bomen te kunnen beschermen is er door de gemeente een bomenregister opgesteld. Het bomen register is een dynamische lijst waaraan bomen kunnen worden toegevoegd of verwijderd.

Om een boom aan te melden voor het register zal deze moeten voldoen aan één of meer van de opgestelde beoordelingscriteria. De aanmelding kan worden gedaan door zowel particulieren als de gemeente. De bomen op het bomenregister mogen niet worden gekapt tenzij er een algemeen maatschappelijk belang (overlast, onveiligheid, etc.) tegenop weegt. Het meest actuele bomenregister is raadpleegbaar op de gemeentelijk website. Voor de bomen hoeft in dit bestemmingsplan geen specifieke regeling opgenomen te worden, omdat het beleid hiervoor voldoende bescherming biedt. 4.3.7 Detailhandelsstructuurvisie Een goed gemeente dekkend beleidskader voor detailhandel in de gemeente wordt door de raad en het college als noodzaak ervaren. De lastige economische omstandigheden en de vele snelle ontwikkelingen als internet, schaalvergroting en leegstand vragen om een duidelijke visie en uitvoering van de gemeente en andere partijen. Daarnaast is het gewenst dat nieuwe concrete plannen op integrale manier en in samenhang kunnen worden beoordeeld. Daarom is de “Detailhandelsstructuurvisie Súdwest-Fryslân” vastgesteld. De detailhandelsstructuurvisie heeft een aanjaagfunctie en biedt een toetsingskader voor nieuwe ontwikkelingen.

Buitengebied Súdwest-Fryslân-II ontwerp

57

In het beleid staat de toegankelijkheid van voorzieningen voorop. Hoofddoelstelling is dat inwoners van alle kleine kernen op aanvaardbare afstand (< 5 km) detailhandels-voorzieningen beschikbaar hebben en dat deze ook goed toegankelijk voor hen zijn. In de praktijk ligt hier dus een rechtstreekse koppeling met het streven naar een volwaardig pakket aan voorzieningen in de steden Sneek, Bolsward, en de regionale kernen. Bij de toegankelijkheid horen ook zeker concepten als thuisbezorgen van boodschappen door supermarkten. Bij toegankelijkheid wordt ook nadruk gelegd op een goede digitale toegankelijkheid die steeds belangrijker wordt. De gemeente zet hier vol op in en legt de relatie met krimp- en leefbaarheidsdossier en het kernenbeleid. Hierdoor is ook vanuit het rijk en provincie volop aandacht en komen naar verwachting ook middelen beschikbaar. Súdwest-Fryslân kent vele kernen zonder enige detailhandel of met een zeer minimaal detailhandelsaanbod. Van de 8 kernen in dit bestemmingsplan heeft alleen Scharnegoutum een dorpssupermarkt. In de andere kernen is geen detailhandel (meer) aanwezig. Behoud van voorzieningen in kleine kernen zal in onze beleving vooral moeten worden gezocht in de slimme combinatie van functies. In tegenstelling tot grotere winkelkernen is de detailhandelsstructuur in kleine kernen veel minder relevant.

Bij mogelijke ontwikkelingen, bijvoorbeeld de vestiging van een winkel die ruimtelijk inpasbaar is, biedt de gemeente in faciliterende zin mogelijkheden. Hiermee willen we nadrukkelijk ook zoveel mogelijk aanknopingspunten bieden voor het tegengaan van leegstand van winkelpanden. 4.3.8 Erfgoednota Met het vaststellen van de 'Erfgoednota 2021-2026 Cultureel Erfgoed is geen keus' (april 2021) heeft de gemeente haar visie en missie op behoud en ontwikkeling van het erfgoed vastgesteld. De gemeente SWF zorgt samen met de mienskip dat cultureel erfgoed duurzaam behouden en ontsloten wordt en zichtbaar en beleefbaar is. Dit doen wij door erfgoed te waarderen en te beschermen, bewustwording en samenwerking te stimuleren en daardoor erfgoed te versterken en levend te houden. De mienskip heeft tijdens het ‘Rondje Súdwest’ in 2019 in het kader van de Omgevingsvisie 1.0 ‘Oars tinke yn Súdwest’ (2021) cultureel erfgoed benoemt als wezenlijk onderdeel van thema 2 van de 5 thema’s in de Omgevingsvisie 1.0: sterke kernwaarden: cultureel erfgoed, natuur, weids en waterrijk landschap. Ook het weidse en waterrijke landschap is eigenlijk erfgoed. Immers de meren, kanalen en sloten en weide- en akkergronden zijn allemaal onder menselijke invloed ontstaan en verder vormgegeven, oftewel cultuurlandschap. In die zin geldt hetzelfde voor thema 4: vitaal en aantrekkelijk landschap.

Ook in thema 3: veerkrachtige en leefbare wijken, dorpen en steden en thema 5: duurzaam, energieneutraal en klimaatadaptief heeft cultureel erfgoed een rol als wezenlijk onderdeel van de bijzondere woonkwaliteiten. Een zorgvuldige afweging van de cultuurhistorische waarden om de omgevingskwaliteit te kunnen waarborgen en te versterken is dus essentieel. Het is een gemeentelijke wettelijke taak om te komen tot een zorgvuldige planbehandeling en besluitvorming voor wat betreft cultuurhistorie. Als gevolg van

Buitengebied Súdwest-Fryslân-II ontwerp

58

het beleid Modernisering Monumentenzorg is per 1 januari 2012 in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.6.1) bepaald dat gemeenten verplicht zijn cultuurhistorie mee te wegen bij het opstellen van het bestemmingsplan. Niet alleen de cultuurhistorische waarden in de grond (archeologie) maar ook boven de grond moeten meegenomen worden. Zo stelt de gemeente bij bestemmingsplannen cultuurhistorische analyses op en gaat de gemeente bij de bescherming van archeologische (verwachtings)waarden in bestemmingsplannen formeel uit van de gemeentelijke FAMKE (Friese Archeologische Monumentenkaart Extra), een uitsnede van de provinciale FAMKE. Voor de bekende en de te verwachten cultuurhistorische waarden gaat de gemeente uit van de Cultuur Historische kaart van de provincie Fryslân (CHK) en de Landschapsbiografie Súdwesthoeke. Deze kaarten zijn daarmee onderlegger voor het in de Erfgoednota geformuleerde beleid. Niet alle op deze kaarten aangegeven waarden kunnen echter behouden blijven, hier komt een gemeentelijke afweging aan te pas. In de toelichting van het bestemmingsplan moet beschreven worden hoe het bestemmingsplan met deze waarden omgaat. Op de plankaart kunnen cultuurhistorische waarden aangeduid worden met dubbelbestemmingen en/of aanduidingen. In de regels bij het bestemmingsplan moet worden omschreven welke voorschriften er aan die bestemming zijn gekoppeld.

Met de komst van de Omgevingswet worden deze op een gegeven moment doorvertaald naar het omgevingsplan.

4.3.9 Geurverordening Op 12 november 2015 heeft de raad van de gemeente Súdwest-Fryslân de ‘Geurverordening gemeente Súdwest-Fryslân’ vastgesteld. Dit op basis van de Wet geurhinder en veehouderij. Deze geurverordening is echter niet van toepassing op de gronden binnen het deel van het plangebied van het bestemmingsplan buitengebied van de voormalige gemeente Littenseradiel Op basis van een geurverordening mogen verschillende agrarische bedrijven afwijken van de vaste afstanden uit de Wet geurhinder en veehouderij. Ten opzichte van geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom geldt een afstand van 50 meter. Buiten de bebouwde kom geldt een afstand van 25 meter. De geurverordening gaat vergezeld van een inventarisatielijst met adressen, waarop de genoemde afstanden van toepassing zijn. 4.3.10 Ontwikkelvisie 2011-2021 De “Ontwikkelvisie 2011–2021 gemeente Súdwest-Fryslân” is op 22 maart 2012 vastgesteld. In deze visie staan de gemeentelijke ambities betreffende sociale, ruimtelijke en economische ontwikkelingen beschreven. De visie vormt een belangrijke basis voor nieuw beleid en ruimtelijke plannen. De visie maakt duidelijk hoe de gemeente zich naar de toekomst toe wil positioneren, wat de belangrijkste

Buitengebied Súdwest-Fryslân-II ontwerp

59

speerpunten zijn en op welke aandachtsgebieden wordt ingezet. De ontwikkelvisie beslaat een periode van tien jaar. In de gemeente worden vijf landelijke clusters en één stedelijk cluster rondom Bolsward en Sneek onderscheiden. De ontwikkelvisie rust op zes pijlers waar een visie op is geformuleerd en waar een koers per landelijk of stedelijke cluster voor is uitgezet. De pijlers met bijbehorende visie betreffen: a. Verscheidenheid in kernen: Gebiedsgerichte aanpak via clusters, met oog voor samenhang. Aandacht voor unieke ruimtelijke structuur, sociaaleconomische kenmerken en toekomstvisies van de kernen. Extra aandacht voor plattelandskernen en stadswijken waar de leefbaarheid onder druk staat. b. Weidsheid van het landschap: Zorgvuldig met weidsheid omgaan, maar ruimte bieden voor nieuwe ontwikkelingen naar aard/schaal. Er worden hoge eisen aan ruimtelijke kwaliteit gesteld. c. Economische verscheidenheid: Gebiedsgerichte aanpak om te zorgen dat de gemeente zich in totaliteit sterk ontwikkelt. Ruimtelijke keuzes maken ten aanzien van economische ontwikkeling. Extra aandacht voor sterke sectoren vanwege hun groeipotentie en innovatief vermogen. Bijeenbrengen onderwijs en arbeidsmarkt, zodat vraag en aanbod beter aansluiten. d. Grote sociale verbondenheid: Iedereen kan (naar vermogen) meedoen. De huidige sociale infrastructuur wordt optimaal benut.

Betere samenwerking en afstemming tussen partijen. Betere afstemming aanbod. Uitgangspunten zijn eigen verantwoordelijkheid, eigen kracht en zelfredzaamheid. Kwetsbare groepen actief opsporen. e. Grote rijkdom aan cultuur en erfgoed: Cultuur en cultureel erfgoed hebben verbindende werking op de samenleving en grote aantrekkingskracht op toeristen. Daarom wordt gezorgd voor een divers cultureel aanbod en voor bescherming, behoud en ontsluiting van cultureel erfgoed. f. Sterke aantrekkingskracht voor toeristen: Toerisme en recreatie als verbinding tussen stad/platteland, cultuur, natuur, sport, zorg, land- en tuinbouw. Verdiepen van bestaand aanbod, kwaliteitsverbetering en slim combineren van aanbod. Watertoerisme versterken door samenwerking met andere vaargebieden. In het plangebied worden geen ontwikkelingen voorzien, die niet al eerder afgewogen zijn. Het bestemmingsplan heeft een conserverend karakter, waarmee het past in het beleid van de Ontwikkelvisie. 4.3.11 Ruimte voor de zon Op 10 november 2016 heeft de raad van de gemeente Súdwest-Fryslân de notitie ‘Ruimte voor de Zon’ vastgesteld. Uitgangspunt bij realisatie van een zonneweide is dat de kwaliteit van het landschap behouden blijft en dat de bewoners niet alleen de lasten maar ook de lusten ervaren.

In deze notitie wordt voorgesteld zonneweides te creëren tegen kernen met >500 inwoners, met draagvlak, met participatie en financieel haalbaar. Voorgesteld wordt 3 pilots, wet- en regelvrij, te realiseren en daarnaast is er ruimte voor andere initiatieven die moeten voldoen aan de kaders die in de notitie zijn gesteld. Deze notitie heeft geen directe gevolgen voor het bestemmingsplan, omdat hierin geen initiatieven voor nieuwe zonnevelden zijn

Buitengebied Súdwest-Fryslân-II ontwerp

60

opgenomen. Particulieren kunnen onder voorwaarden zonnepanelen bij of op hun woning plaatsen. Wanneer ze daarbij voldoen aan de landelijk vastgelegde voorwaarden kan dit vaak vergunningvrij. 4.3.12

Verkeersbeleid

4.3.12.1 Verkeer- en vervoerplan (2013) De gemeente Súdwest-Fryslân vindt het belangrijk dat inwoners in een verkeersveilige en prettige woonomgeving wonen en dat iedereen zich veilig en vlot kan verplaatsen. In het op 16 mei 2013 door de gemeenteraad vastgestelde “Gemeentelijk Verkeer- en Vervoerplan” (GVVP) staat hoe de gemeente dit wil bereiken. Het GVVP beschrijft de gemeentelijke visie op het gebied van verkeer en vervoer met als belangrijkste uitgangspunt om de verkeersveiligheid in de gemeente te waarborgen en te verbeteren. Daarnaast worden goede bereikbaarheid en het vergroten van de leefbaarheid als doelen gesteld. Het GVVP is in 2020 geactualiseerd. Om de visie vorm te geven is een groot aantal maatregelen opgesteld. De maatregelen zijn divers; infrastructurele aanpassingen, nader onderzoek naar specifieke onderwerpen, veiliger maken van fietsroutes, verbetering van schoolomgevingen, maar ook verkeerseducatieprojecten op scholen en voorlichtingscampagnes. De uitvoering hiervan wordt zoveel mogelijk gedaan in combinatie onderhoudswerkzaamheden. Wanneer onderhoud gepland is aan een weg of een gebied wordt gekeken of de maatregelen uit het GVVP hierin meegenomen kunnen worden. Dit betekent dat in het GVVP niet concreet wordt aangegeven wanneer welke maatregelen worden uitgevoerd.

Ieder jaar wordt daarom een uitvoeringsprogramma opgesteld die door de gemeenteraad wordt goedgekeurd. Voordat gestart wordt met de uitvoering van bepaalde maatregelen worden deze dan ook aan direct belanghebbenden voorgelegd. De gevolgen vanuit het GVVP voor het bestemmingsplan zijn gericht op de wegcategorisering. Voor het plangebied is deze beschreven in paragraaf 2.2.1. 4.3.12.2 Parkeren Op basis van het parkeerbeleid van de gemeente kan berekend worden hoeveel parkeerplaatsen er benodigd zijn. Vervolgens moet aangetoond worden dat er voldoende parkeergelegenheid aanwezig is of gerealiseerd kan worden. De gemeente Súdwest-Fryslân heeft de “Parkeernormennota Súdwest-Fryslân 2018” vastgesteld waarin de inhoud van het begrip ‘voldoende parkeergelegenheid’ is uitgewerkt. Aan de hand hiervan kan de parkeerbehoefte voor verschillende functies worden bepaald. Vervolgens moet aangetoond worden dat er voldoende parkeergelegenheid aanwezig is of gerealiseerd kan worden. In principe geldt voor (nieuwe) ontwikkelingen dat parkeren op eigen terrein moet plaatsvinden. Een ontwikkeling mag geen parkeeroverlast tot gevolg hebben. Het parkeerbeleid is verwerkt in dit bestemmingsplan.

Buitengebied Súdwest-Fryslân-II ontwerp

61

4.3.13 Visie Recreatie en Toerisme Súdwest-Fryslân staat bekend als een kwalitatief hoogwaardig gebied voor (actieve vormen van) toerisme en recreatie met een zeer gevarieerd en levendig aanbod. Deze variatie en levendigheid is gerealiseerd door een gezamenlijke inzet met de sector op betere verbindingen tussen toeristisch aanbod op het gebied van land en water, kunst en cultuur. De ontwikkelingsstrategieën uit de visie zijn gericht op het creëren van meer (afwisseling in) belevenissen door verbindingen te leggen tussen het bestaande aanbod en door verbindingen te leggen tussen alle partijen die daarbij betrokken zijn: • Geef de bezoeker een gevoel van ‘thuiskomen’en ‘zichzelf kunnen zijn’; • Benut de rijkdom van het ‘water’, het landschap en de steden; • Organiseer avontuurlijker actieve vormen van recreatie; • Gebruik verhaallijnen om de gast nieuwe ervaringen te laten beleven. Actie, Gastheerschap en Samenwerking zijn de kernwoorden van de strategieën: De samenhang wordt gerealiseerd door te kiezen voor de kracht van het lokale verhaal, te investeren in aantrekkingskracht en door één sterk toeristisch samenwerkingsverband neer te zetten voor de regio.

Er wordt koers gezet op Gastheerschap vanuit de invalshoeken: − meer aansprekende watersportactiviteiten voor de jeugd en sportstimulering; − het bevorderen van elektrisch varen en fietsen; − verleiding tot gezelligheid en vermaak in de kernen; − jaarlijks terugkerende sportieve en culturele events. Er wordt gekoerst op meer beleving van het weidse landschap en de bijzondere natuur door: − op de kop van Afsluitdijk een ‘uitzichtpunt’ van formaat te realiseren; − het creëren van belevenissen binnen de kwalificatie Nationaal Landschap; − de optimalisatie van de bestaande routenetwerken. In het plangebied is op meerdere plaatsen sprake van recreatieve en toeristisch functies en voorzieningen. Wanneer sprake is van ontwikkelingen bij deze voorzieningen, wordt rekening gehouden met het geformuleerde beleid. 4.3.14

Ontwikkelkader logiesaccommodaties gemeente SúdwestFryslân Ten behoeve van het beoordelen en sturen van initiatieven op het gebied van recreatie en toerisme is een ontwikkelkader logiesaccommodaties voor de gemeente Súdwest-Fryslân opgesteld. De gemeenteraad heeft dit ontwikkelkader in maart 2022 vastgesteld. Het ontwikkelkader zet in op drie doelen: 1. het uitdagen van de markt om met ambitieuze en innovatieve plannen te komen;

Buitengebied Súdwest-Fryslân-II ontwerp

62

2. goede plannen van initiatiefnemers nog beter te maken; 3. het op eenduidige wijze toetsen van de plannen aan de hand van overeengekomen kwaliteitscriteria en processtappen. Op deze wijze geeft het ontwikkelkader sturing aan welke vormen van recreatieve initiatieven in de gemeente voorkomen en welke een aanvulling zouden kunnen zijn op het bestaande aanbod. Het ontwikkelkader zelf geeft geen ruimtelijke kaders. 4.3.15 Visie Ruimtelijke Kwaliteit (2013) De in het kader van het Nationaal Landschap Zuidwest-Fryslân opgestelde ‘Landschapsontwikkelingsvisie’ (2009) heeft als basis gediend voor de “Visie Ruimtelijke Kwaliteit Gemeente Súdwest-Fryslân” die op 23 juni 2013 is vastgesteld. De visie hanteert als uitgangspunt dat het landschap het product is van de ontwikkelingen in de landbouw, de natuur, de economie en de samenleving door de eeuwen heen; en dat dit ook in de toekomst zo zal zijn. Die veranderingen kunnen in beginsel bijdragen aan de landschappelijke kwaliteit, mits ze goed op elkaar worden afgestemd. Met het gekozen abstractieniveau vormt de visie een basis voor andere sectorale beleidsvisies en andere ruimtelijke plannen, zoals gebiedsvisies, bestemmingsplannen, maar ook bijvoorbeeld de welstandsnota of beheer- en onderhoudsplannen. De visie dient als één van de toetsingskaders bij concrete initiatieven.

Hoofduitgangspunt is dat bij alle ruimtelijke ontwikkelingen de kernkwaliteiten van de verschillende landschapstypen leidend zijn. De omschrijving hiervan is in paragraaf 2.3 van dit bestemmingsplan overgenomen. Daarnaast worden ontwikkelingen gestuurd met specifieke aandacht voor de volgende uitgangspunten: − Versterken van de grootse openheid van het klei- en veengebied en de meren. − Aandacht voor detail binnen het grootschalig landschap. − Versterken van het contrast tussen binnendijks en buitendijks gebied. − Behoud van authenticiteit en eenvoud. − Ruimte voor dynamiek, experiment en contrast. In het plangebied worden geen ontwikkelingen voorzien, die niet al eerder afgewogen zijn. Het bestemmingsplan heeft een conserverend karakter, waarmee het past in het beleid van de Visie Ruimtelijke Kwaliteit. 4.3.16 Woonvisie 2017 - 2022 De gemeente vindt het belangrijk dat alle inwoners van de gemeente goed kunnen wonen. Daarom heeft de gemeenteraad in juli 2017 een Woonvisie vastgesteld waarin de gemeentelijke ambities voor een rechtvaardige en evenwichtige woonruimteverdeling zijn vastgelegd voor de sociale huurvoorraad en de particuliere woningvoorraad.

Buitengebied Súdwest-Fryslân-II ontwerp

63

In de Woonvisie is vastgelegd hoe de gemeente zorgt voor een optimaal functioneren van de woningmarkt. Hierbij is bijzondere aandacht voor de volgende thema’s: − Beschikbaarheid en betaalbaarheid van woningen voor alle doelgroepen, − Wonen, zorg en participatie, − Kwaliteit en duurzaamheid. De Woonvisie vormt de basis voor het maken van prestatieafspraken tussen woningbouwcorporaties, huurdersverenigingen en gemeente. De visie geeft geen uitgangspunten voor de regeling van dit bestemmingsplan. Bij ontwikkelingen in het huidige woningbestand of bij een combinatie van wonen en zorg vormt de woonvisie wel een toetsingskader. 4.3.17 Woonschepenverordening 2012 Op 15 november 2012 heeft de gemeenteraad van de gemeente Súdwest-Fryslân de ‘Woonschepenverordening Súdwest-Fryslân 2012’ vastgesteld. De woonschepenverordening kent een actuele regeling voor woonschepen in de gemeente, zowel voor permanent als voor recreatief gebruik. In de woonschepenverordening waren de ligplaatsen aangewezen. Uit vaste jurisprudentie blijkt dat een woonschip moet worden gezien als een bouwwerk. Woonschepen zijn daardoor omgevingsvergunningplichtig geworden. In de woonschepenverordening zijn geen bouwregels opgenomen waar een aanvraag omgevingsvergunning aan kan worden getoetst. In een bestemmingsplan wordt de ligplaats van een woonschip met een aanduiding op de verbeelding aangeduid.

In de regels zijn voor woonschepen bouwregels opgenomen waaraan getoetst kan worden. 4.3.18 Welstandsnota Súdwest-Fryslân 2018 Het welstandsbeleid van de gemeente Súdwest-Fryslân is opgesteld vanuit de overtuiging dat de overheid niet alleen verantwoordelijk is voor de inrichting van de openbare ruimte, maar ook voor de bebouwde omgeving. Het aanzicht van gebouwen en andere bouwwerken is onderdeel van de leefomgeving van de inwoners en bezoekers van de gemeente. Het uiterlijk van een bouwwerk is daarom geen zaak van de eigenaar alleen; ook bewoners, buren en voorbijgangers spelen een rol. Een aantrekkelijke, goed verzorgde omgeving verhoogt bovendien de waarde van het onroerend goed en versterkt het vestigingsklimaat. De welstandsnota is een belangrijk instrument om te sturen op aspecten van welstand voor de gebouwde omgeving. De nota geeft vooraf inzicht in de criteria die worden gehanteerd bij de toetsing op welstand. De nota is daarbij niet een beperking, maar juist een bron van informatie en ideeën die de kwaliteit van bouwplannen helpt verhogen. Initiatiefnemers van bouwwerken krijgen de mogelijkheid te anticiperen op de welstandstoetsing. Het buitengebied van de gemeente Súdwest-Fryslân is in landschappelijk en cultuurhistorisch opzicht een rijk gebied.

Het buitengebied kent verschillende landschapstypen te weten het veen- en merengebied, het kleigebied en in het zuiden voor een klein deel het stuwwallenlandschap. Daarnaast kent de IJsselmeerkust een heel eigen identiteit.

Buitengebied Súdwest-Fryslân-II ontwerp

64

Deze gebieden variëren van oude verkavelingspatronen die gerelateerd zijn aan het oude kwelderwallenlandschap tot relatief jonge inpolderingen. De zee-invloeden in vroegere tijden zijn belangrijk geweest in het ontstaan van de landschappelijke ontwikkeling van het buitengebied. De karakteristieke slachtedijken en hemdijken refereren hiernaar. Deze verzameling dijken in vooral de noordwestelijke hoek van de gemeente hadden oorspronkelijk voor de verschillende polders en landstreken een beschermende functie. In ruimtelijk opzicht zijn alle verschillende landschapstypen nog steeds merkbaar. Ook de wijze waarop de bebouwing is gepositioneerd verklaard veel van dit landschap. Zo zijn op verschillende plekken kleine bebouwingsconcentraties te vinden die rondom een terp of enkele terpen zijn gebouwd terwijl in het poldergebied de boerderijen veel meer verspreid over het gebied liggen. Van grote invloed op het ruimtelijk beeld van het buitengebied zijn de ontwikkelingen op het gebied van windenergie. Voorheen ging het vooral om solitaire turbines op diverse locaties. Er is vooral in het noordwestelijk deel van de gemeente steeds meer sprake van clustering van turbines. Ook objecten als bruggen, sluizen en gemalen kunnen het ruimtelijk beeld beïnvloeden. In het buitengebied komen vanzelfsprekend veel boerderijen voor.

In zijn algemeenheid kan gesteld worden dat de boerderijbebouwing een sterk beeldbepalende invloed heeft in het open landschap van de gemeente. De agrarische bedrijfsontwikkeling heeft de laatste decennia geleid tot diverse nieuwe bedrijfsgebouwen. Soms gaat het om compleet nieuwe bedrijven, een andere keer om een nieuwe loods of ligboxenstal. Daarnaast liggen er in het buitengebied diverse burgerwoningen. Sommige daarvan zijn al decennia oud maar op een aantal plekken ook van recentere datum. Het bebouwingsbeeld wordt overwegend bepaald door een traditioneel ambachtelijke architectuur uit de 19e en 20e eeuw. Gedurende de tweede helft van de vorige eeuw zijn daar diverse jongere invullingen opgekomen. Deze ontwikkelingen gaan nog steeds door en vormen een lichte bedreiging voor het traditioneel ambachtelijke bebouwingsbeeld. 4.3.19 De Nije Pleats Fryslân De landbouw heeft een sterke positie in onze gemeente. Er voltrekt zich binnen de landbouw een schaalvergrotingsproces, dat als gevolg heeft dat er bedrijven verdwijnen, maar ook dat bedrijven zullen groeien of een schaalsprong zullen maken. Om de vraag te beantwoorden of de schaalvergroting in de landbouw landschappelijk is in te passen, is een analyse van de Friese landschappen uitgevoerd en zijn met name de kwetsbaarheid en de draagkracht onder de loep

Buitengebied Súdwest-Fryslân-II ontwerp

65

genomen. Om de effecten op het Friese landschap te kunnen beoordelen, zijn de volgende stappen gezet: 1. Vertrekpunt vormen de hoofdlandschapstypen die in het Streekplan Fryslân 2007 worden onderscheiden. In het Streekplan zijn per landschapstype de kernkwaliteiten gegeven. Op deze landschapstypen is een nadere analyse uitgevoerd die zicht geeft op de invloed van ruimtelijke schaalvergroting. 2. De effectvraag van de schaalvergroting is gekoppeld aan drie hoofdkenmerken die door de landschapstypen heen lopen: ▪ er is sprake van een open of besloten landschap; ▪ aan welke occupatie is de ruimtelijke schaalvergroting gebonden: “punt in de ruimte”, “groep van punten” of “aan een lint”; 3. Vervolgens zijn per landschapstype ontwerpuitgangspunten gegeven, waaraan de ruimtelijke schaalvergroting is getoetst; 4. De effectvraag is voorgelegd aan het ontwerpatelier, dat in een aantal sessies antwoord heeft gegeven op de gestelde vraag. Daarbij is gekeken zowel naar de inpassingsmogelijkheden bij uitbreiding van een agrarisch bedrijf op het bestaande boerenerf als naar vestiging van een nieuw agrarisch bedrijf, ten gevolge van een verplaatsing. Daarmee is een adequate bedrijfsvoering geborgd. Vanuit dit proces is antwoord gegeven op de gestelde vragen. Deze uiteenzetting is opgenomen in het adviesboek “De Nije Pleats Fryslân”.

4.3.20 Uitgangspuntennotitie Buitengebied 2.0 (2019) Op 20 december 2019 heeft de gemeenteraad de ‘Uitgangspuntennotitie Buitengebied 2.0’ vastgesteld. Deze notitie is een herijking van de ‘Uitgangspuntennotitie Buitengebied (2012) en vormt het vertrekpunt voor de op te stellen bestemmingsplannen voor het buitengebied. In de notitie is eerst teruggegrepen op de verschillende geldende planologische regiems. Vervolgens is ook de Verordening Romte 2014 van de provincie daarnaast gelegd en is per onderwerp bepaald wat het nieuwe beleid zal zijn dat voor het gehele buitengebied van de gemeente geldt. De nieuwe uitgangspunten zijn verwerkt in voorliggend bestemmingsplan.

Buitengebied Súdwest-Fryslân-II ontwerp

66

HOOFDSTUK 5 Omgevingsaspecten 5.1

Milieu effectrapportage

In het kader van de uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan is het van belang om aandacht te besteden aan beschermde natuurwaarden. De effecten op natuurwaarden dienen te worden beoordeeld in relatie tot bestaande wet- en regelgeving op het gebied van soortenbescherming en gebiedsbescherming. De Wet natuurbescherming beschermt Nederlandse natuurgebieden en planten- en diersoorten. De wet geldt sinds 1 januari 2017. Op grond van deze wet zijn de Natura 2000-gebieden beschermd. Daarnaast regelt de Wet natuurbescherming ook de bescherming van planten- en diersoorten. In deze wet zijn de EU-richtlijnen voor de bescherming van soorten opgenomen (Habitatrichtlijn en Vogelrichtlijn). Nationaal beschermde soorten vallen ook onder deze wet. De doelstelling is de bescherming en behoud van in het wild levende planten en dieren. Het uitgangspunt van de wet is ‘nee, tenzij’. Dit betekent dat activiteiten met een schadelijk effect op beschermde soorten zonder ontheffing verboden zijn. Onderzoek Ten behoeve van dit bestemmingsplan is in het planMER onderzoek naar ecologie (soorten- en gebiedsbescherming) verricht. Voor de uitkomsten hiervan wordt op deze plaats verwezen naar het planMER.

Uit het planMER blijken voor het ecologisch aspect geen belemmeringen wanneer in de regels van dit bestemmingsplan een gebruiksregel wordt opgenomen die uitgaat van interne saldering die tot gevolg heeft dat negatieve effecten op de verzuring en eutrofiëring in de dichtstbijzijnde kwalificerende habitats zijn uit te sluiten. Conclusie Op basis van het uitgevoerde planMER en de vertaling hiervan in de regels mag dit bestemmingsplan uitvoerbaar worden geacht. 5.2 Milieuzonering Milieuzonering zorgt ervoor dat milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen op een verantwoorde afstand van elkaar worden gesitueerd. Op deze wijze wordt gevaar en hinder voor de milieugevoelige functies voorkomen dan wel zoveel mogelijk beperkt en omgekeerd wordt voldoende zekerheid aan milieubelastende activiteiten geboden dat deze activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden uitgeoefend kunnen worden. Naast een omschrijving van de bedrijfstypen is per type aangegeven welke richtafstanden gelden voor de aspecten geur, stof, geluid en gevaar. Dit is een indicatie van de minimale afstand die in beginsel, vanuit een bedrijf tot een rustige

Buitengebied Súdwest-Fryslân-II ontwerp

67

woonwijk, aangehouden moet worden. De grootste afstand is bepalend voor de indeling van een bedrijfstype in een milieucategorie. Milieucategorie

Richtafstanden rustige woonwijk

Richtafstanden gemengd gebied

1

10 m

0m

2

30 m

10 m

3.1

50 m

30 m

3.2

100 m

50 m

4.1

200 m

100 m

4.2

300 m

200 m

5.1

500 m

300 m

In het plangebied is in meer of mindere mate sprake van een ‘rustig buitengebied’. In het plangebied komen naast agrarische bedrijven, bedrijven ten behoeve van de agrarische functie, ook niet agrarische bedrijven voor. Voor de in het plangebied aanwezige bedrijfsactiviteiten wordt gebruik gemaakt van de Staat van Bedrijfsactiviteiten. Een dergelijke lijst is gebaseerd op de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering. Aanwezige bedrijfsactiviteiten worden in voorliggend bestemmingsplan ingeschaald volgens deze lijst. Om milieuhinder als gevolg van de bedrijfsactiviteiten al in het ruimtelijk spoor te voorkomen, worden grenzen gesteld aan de toelaatbaarheid van de bedrijfsactiviteiten. Gelet op het landelijke karakter en de aanwezige natuur- en landschapswaarden moet voorkomen worden dat overlast wordt veroorzaakt. Daarom zijn in principe alleen bedrijven toegestaan die uit oogpunt van hinder passen binnen de omgeving waar ze zich bevinden (milieucategorie 1 of 2). Categorie 1- en 2-bedrijven kunnen, gelet op hun aard en invloed op de omgeving, worden toegelaten naast en tussen woningen en kwetsbare gebieden. In de huidige situatie komen er echter ook al bedrijven voor met een hogere milieucategorie. Deze activiteiten zijn met een specifieke bestemming dan wel functieaanduiding op de verbeelding aangewezen.

Hiermee kan de huidige bedrijfsactiviteit worden voortgezet, maar kan een ander gelijkwaardig bedrijf met eenzelfde milieucategorie zich niet op het betreffende perceel vestigen als de huidige bedrijfsactiviteiten worden beëindigd. Het vestigen van een bedrijf met een lichtere milieucategorie is wel mogelijk. Op grond van het onderhavige bestemmingsplan is het niet mogelijk om bij recht nieuwe bedrijven te vestigen op andere dan de bestaande en positief bestemde locaties. Bij een verzoek om nieuwvestiging of uitbreiding van een bestaand bedrijf zal een ruimtelijke beoordeling plaatsvinden van de gevolgen voor de directe omgeving.

Buitengebied Súdwest-Fryslân-II ontwerp

68

Binnen de bestemmingen waar bedrijven zijn toegestaan, is in de regels bepaald welke milieucategorieën waar zijn toegestaan. De bestaande situatie is daarbij het uitgangspunt. 5.3 Bodem Het uitgangspunt is dat de kwaliteit van de bodem in het plangebied zodanig moet zijn dat er geen risico’s zijn voor de volksgezondheid bij het gebruik van het plangebied voor wonen of een andere functie voor het verblijf van mensen. Op 13 december 2012 heeft de gemeenteraad van Súdwest-Fryslân de Nota bodembeheer en de bodemkwaliteitskaart Zuidwest Fryslân vastgesteld. De bodemkwaliteitskaart is een kaart waarop de kwaliteit van de bodem is aangegeven per deelgebied. De Nota bodembeheer beschrijft het beleid voor hergebruik of toepassen van grond als bodem. Het Besluit Bodemkwaliteit is hierin leidend. In de nota is ook een vrijstellingenbeleid opgenomen voor het uitvoeren van bodemonderzoek bij een omgevingsvergunning met de activiteiten bouw. Op basis hiervan kan de gemeente vrijstelling verlenen voor het uitvoeren van bodemonderzoek.

Hier volgen een aantal uitzonderingen waarbij géén vrijstelling kan worden verleend: − locaties met een bekende verontreiniging, of locaties gelegen nabij (binnen een straal van 25 meter) een puntbron van bodemverontreiniging; − verdachte locaties of locaties binnen een straal van 25 meter van verdachte locaties, waarvan een vermoeden bestaat van bodemverontreiniging, tenzij door een historisch onderzoek (uitgevoerd volgens NVN 5725) wordt aangetoond dat de locatie onverdacht is; − de bodemkwaliteit van het plangebied geeft aanleiding om een risico te verwachten bij het geplande gebruik. De Bodemkwaliteitskaart geldt niet als op een locatie mogelijk bodembedreigende activiteiten hebben plaatsgevonden, zoals (bedrijfs-)activiteiten, brandstoftanks of dempingen. Bij concrete nieuwe ontwikkelingen zal bij de aanvraag omgevingsvergunning altijd een historisch onderzoek moeten worden uitgevoerd om te weten of op de locatie mogelijk bodembedreigende activiteiten hebben plaatsgevonden. Afhankelijk van de uitkomst van dit onderzoek, moet mogelijk vervolgonderzoek plaatsvinden. Ook op onverdachte terreinen kan bodemverontreiniging aangetroffen worden, omdat altijd activiteiten hebben plaatsgevonden die tot bodemverontreiniging geleid hebben en die nu niet bekend zijn. Binnen het plangebied zijn de afgelopen jaren diverse bodemonderzoeken uitgevoerd.

De onderzoeken zijn voor een groot deel uitgevoerd op locaties waar potentieel bodembedreigende activiteiten hebben plaatsgevonden. Verder zijn er binnen het plangebied locaties aanwezig waarvan bekend is dat er activiteiten plaatsvinden of hebben plaatsgevonden die tot bodemverontreiniging geleid kunnen

Buitengebied Súdwest-Fryslân-II ontwerp

69

hebben. Het gaat om bijvoorbeeld locaties waar (bedrijfs-)activiteiten hebben plaatsgevonden of dempingen. Niet op al deze locaties is een bodemonderzoek uitgevoerd, meestal omdat er geen plannen of ontwikkelingen zijn voorzien die een bodemonderzoek vereisen. In dit bestemmingsplan worden geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt. De bestaande situatie wordt slechts voorzien van een actuele regeling. In het plangebied zijn geen nieuwe ontwikkelingen voorzien. Bij nieuwe ontwikkelingen moet – wanneer deze niet in dit bestemmingsplan passen – een overweging van de gevolgen voor de bodem worden opgenomen. Dit heeft geen gevolgen voor het bestemmingsplan. 5.4

Cultuurhistorie inclusief archeologie

5.4.1 Toetsingskader en beleid Op 1 juli 2016 is de Erfgoedwet van kracht geworden. De Monumentenwet 1988 is met ingang van 1 juli 2016 dan ook vervallen. De bepalingen uit de Monumentenwet 1988 zijn deels overgegaan naar de Erfgoedwet en – zodra die wet in werking treedt in 2022– deels naar de Omgevingswet. De bepalingen en vergunningen uit de Monumentenwet 1988 die overgaan naar de Omgevingswet blijven van toepassing tot de datum dat de Omgevingswet in werking treedt. Deze artikelen gelden tot dat moment als overgangsrecht op grond van de Erfgoedwet en tenzij expliciet vermeld, veranderen deze niet van inhoud. Tot die tijd blijft de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) het wettelijke kader voor de omgang met gebouwde en aangelegde rijksmonumenten en de Monumentenwet 1988 voor de omgang met de archeologische rijksmonumenten. Tot cultuurhistorie worden voor dit bestemmingsplan gebouwde monumenten inclusief beschermde stads- en dorpsgezichten, archeologie en cultuurlandschap gerekend. In deze paragraaf wordt een analyse gemaakt van de cultuurhistorische (verwachtings)waarden en het eventueel noodzakelijke beschermingsregime.

Bij deze analyse wordt volgens de gemeentelijke erfgoednota uitgegaan van de Landschapsbiografie Súdwesthoeke, de Cultuur Historisch kaart van de provincie Fryslân (CHK), waar ook de Friese Archeologische Monumentenkaart Extra (FAMKE) deel van uit maakt. 5.4.2

Archeologie

Algemeen Bij het opstellen en uitvoeren van ruimtelijke plannen wordt rekening gehouden met de bekende en de te verwachten archeologische waarden. Op welke plaatsen archeologisch onderzoek aan de orde is, wordt op grond van het gemeentelijk beleid bepaald. De gemeente volgt hiertoe de provinciale Friese Archeologische Monumentenkaart Extra (FAMKE). Op deze kaart worden voor de perioden Steentijd - Bronstijd en IJzertijd - Middeleeuwen adviezen gegeven over eventueel te verrichten onderzoeken.

Buitengebied Súdwest-Fryslân-II ontwerp

70

De archeologische waardevolle terreinen en de verwachtingszones zijn beschermd via een dubbelbestemming archeologie, afhankelijk van de toegekende waarde. Zoals gezegd wordt gebruikt gemaakt van twee soorten archeologische waarden. Het betreft de dubbelbestemmingen “Waarde - Archeologie 1” en “Waarde Archeologie 2”. Waarde - Archeologie 1 wordt gehanteerd voor terreinen of gebieden die op de FAMKE het advies ‘streven naar behoud’ en ‘waarderend onderzoek’ hebben meegekregen, dus de bekende archeologisch waardevolle terreinen. Waarde - Archeologie 2 wordt gehanteerd voor gebieden die op de FAMKE het advies ‘karterend onderzoek’ en ‘quickscan’ hebben gekregen en zijn dan ook gebieden met een archeologische verwachtingswaarde. Analyse Uit de FAMKE blijkt dat in het plangebied diverse terreinen met bekende archeologische waarden aanwezig zijn, de zogenaamde terreinen van ‘streven naar behoud’ en ‘waarderend onderzoek’ (paars en rood in beide figuren). Dit betreft voor de periode Steentijd - Bronstijd vooral vuursteenvindplaatsen en voor de periode IJzertijd - Middeleeuwen met name terpen. Voor de rest van het plangebied is sprake van zogenaamde verwachtingszones, waarbij voor een deel van het plangebied geen archeologische verwachting (meer) geldt.

In het bijzonder voor de periode Steentijd - Bronstijd geldt er voor een groot gedeelte van het noordelijke deel van het plangebied geen archeologische verwachting (meer).

In gebieden met een archeologische waarde (Waarde - Archeologie 1) zijn in principe ingrepen vanaf 50 m2 en dieper dan 40 cm vergunningsplichtig en moet een archeologisch onderzoek uitgevoerd worden voorafgaand aan de vergunningverlening. Dit om de archeologische behoudenswaardigheid in voldoende mate te kunnen bepalen. Het vaststellen van de archeologische waarde wordt gedaan aan de hand van één of meerdere archeologisch vooronderzoeken. In eerste instantie moet een bureau- en booronderzoek worden uitgevoerd. Eventueel volgt hierop nog een proefsleuvenonderzoek. Na iedere onderzoeksfase wordt de rapportage van het betreffende onderzoek ter beoordeling aan de gemeente voorgelegd. Het vooronderzoek wordt afgesloten als uit de beoordeling van de rapportage blijkt dat de waarde van het te verstoren terrein in voldoende mate is vastgesteld. Vervolgens wordt namelijk besloten of voorwaarden aan de omgevingsvergunning worden verbonden (opgraven, begeleiden en/of planaanpassing) of dat het plangebied archeologisch wordt vrijgegeven ten behoeve van de werkzaamheden.

Buitengebied Súdwest-Fryslân-II ontwerp

71

Figuur 7: Uitsnede van de FAMKE: archeologische (verwachtings)waarden steentijd – bronstijd (bron: Provinsje Fryslân)

Buitengebied Súdwest-Fryslân-II ontwerp

72

Figuur 8: Uitsnede van de FAMKE: archeologische (verwachtings)waarden ijzertijd – middeleeuwen (bron: Provinsje Fryslân)

Buitengebied Súdwest-Fryslân-II ontwerp

73

Voor de gebieden in een archeologische verwachtingszone (Waarde - Archeologie 2) zijn de vrijstellingsgrenzen ruimer en speelt mogelijk archeologisch onderzoek bij ingrepen vanaf 500 m2. Wanneer sprake is van bodemverstorende ingrepen dieper dan 40 cm, afhankelijk van de omvang van de ingreep, dan is archeologisch onderzoek nodig: Voor zover het plangebied op de hiernavolgende figuren is aangegeven als ‘karterend onderzoek 1’ dan moet een karterend onderzoek worden uitgevoerd indien er ingrepen zijn voorzien van een oppervlak van meer dan 500 m². Voor zover het plangebied op de hiernavolgende figuren is aangegeven als ‘karterend onderzoek 2’ dan moet een karterend onderzoek worden uitgevoerd indien er ingrepen zijn voorzien van een oppervlak van meer dan 2.500 m². Voor zover het plangebied op de hiernavolgende figuren is aangegeven als ‘karterend onderzoek 3’ dan moet een karterend onderzoek worden uitgevoerd indien er ingrepen zijn voorzien van een oppervlak van meer dan 5.000 m². FAMKE en de archeologische verdiepingsslag De gemeentelijke FAMKE is geen statische kaart. Uitgevoerde archeologische onderzoeken kunnen namelijk nieuwe informatie opleveren voor de kaart. Daarom dienen op grond van de Erfgoedverordening (2021) de archeologische onderzoeken die nog niet zijn verwerkt op de FAMKE ook meegewogen te worden bij de uitwerking en toepassing van het archeologiebeleid.

Voorwaarde hiervoor is wel dat de archeologische onderzoeken uitgevoerd moeten zijn door gecertificeerde bedrijven. Concreet betekent dat dat bij de toetsing aan het beleid altijd wordt gekeken of er nog meer gegevens beschikbaar zijn naast de FAMKE om tot een weloverwegen specifiek advies te komen bij ruimtelijke plannen. Er loopt momenteel een archeologische verdiepingsslag voor de gemeente SúdwestFryslân. Er zijn nog een aantal aanvullende keuzes te maken, waardoor op basis van de geactualiseerde kaart er duidelijker keuzes kunnen worden gemaakt. Hierdoor kunnen er op gemeentelijk niveau specifiekere beleidsadviezen aan de kaart worden gekoppeld dan nu het geval is. Op basis hiervan worden procedures rond ruimtelijke ordening bespoedigd en wordt onnodig onderzoek voorkomen. Aangezien deze verdiepingsslag nog niet is afgerond, is de kaart nog niet geïntegreerd in de FAMKE. Archeologie en waterbodems De FAMKE houdt nog geen rekening met de archeologische waarden in waterbodems. Dit is echter wel wettelijk verplicht op basis van de Erfgoedwet (2016). Daarom wordt voor het IJsselmeer en de Waddenzee een archeologische waarde (Waarde - Archeologie 1) gehanteerd voor waterbodems. Hierbij wordt een vergunningsplicht gehanteerd voor ingrepen vanaf 50 m2. Wel geldt er altijd een meldingsplicht voor werkzaamheden in en op de bodem ongeacht de grootte van de ingreep.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13086089/2