Bijlage 9 - Toelichting bestemmingsplan BGB-II
Tekst van het document
Bij schaalvergroting in de landbouw kan worden gedacht aan een toename van zowel de bedrijfsbebouwing, groter wordende landbouwmachines, een grotere veestapel alsook de toename van het totale areaal aan cultuurgronden ten behoeve van de agrarische bedrijfsvoering. Het proces van schaalvergroting doet zich in alle geledingen van de agrarische sector voor. Al met al groeide de Nederlandse agrarische sector na de Tweede Wereldoorlog uit tot één van de meest vooraanstaande in de wereld. Dat werd mogelijk door het hoge kennisniveau van de agrariërs, de constante en hoge kwaliteit van de producten, de goede marktorganisatie en de open markt binnen de EU. De laatste jaren verandert er echter het nodige, zowel door ontwikkelingen in het Europese beleid, als ook door de eisen die op het gebied van milieu, kwaliteit en dierenwelzijn worden gesteld.
Buitengebied Súdwest-Fryslân-II ontwerp
24
Ging het schaalvergrotingsproces in het verleden vaak tamelijk gelijkmatig door aankoop van steeds één of enkele percelen, tegenwoordig is ook vaak sprake van een complete schaalsprong. Door overname van een ander (inmiddels ook tamelijk groot) bedrijf groeien agrarische bedrijven tegenwoordig vaak schoksgewijs. Momenteel staat een deel van de agrarische bedrijven voor de keuze van bovengenoemde schaalsprong, een ander deel zoekt het juist in het hobbybedrijf en diverse overige bedrijven staan voor de keuze om te stoppen of toch door te gaan. Voorgaande betekent overigens niet dat de landbouw in het landelijke gebied het onderspit delft. De agrarische bedrijven die stoppen laten ruimte voor agrariërs die verder willen en mee willen gaan in de schaalvergroting die op dit moment soms met sprongen tegelijk gaat. De laatste ontwikkeling is dat enkele veehouderijbedrijven zijn overgestapt naar het houden van melkgeiten. Zolang er sprake is van een grondgebonden bedrijfsvoering is deze agrarische bedrijfsactiviteit op grond van onderhavige bestemmingsplan toegestaan. Een andere ontwikkeling die zichtbaar is, betreft de verbreding van bedrijfsactiviteiten van agrariërs; de zogenaamde verbrede landbouw. De verbrede landbouw betreft agrarische bedrijven die naast de agrarische productietak ook andere activiteiten in de vorm van nevenfuncties als bijverdienste uitvoeren.
Een vorm hiervan is de multifunctionele landbouw, waarbij de focus ligt op een maatschappelijk doel dat wordt beoogd. Gedacht kan worden aan zorglandbouw, agrarische kinderopvang, educatie, recreatie, productie en verkoop van streekproducten en agrarisch natuur- en landschapsbeheer. De grondgebonden agrarische bedrijven worden op de verbeelding aangeduid met de aanduiding ‘ab’. Typen agrarische bedrijfsgebouwen Thans worden tal van nieuwe stalvormen gerealiseerd. Dierenwelzijn vergt dat meer (dag)licht en ventilatie nodig is dan voorheen. Nieuwe stalvormen zijn met een bouwhoogte van circa 14 m en een goothoogte van 5 m dan ook veel hoger dan voorheen het geval was. Door de hoge goot hebben de stallen een open karakter met als gevolg dat in de avond- en nachtperiode veel lichtuitstraling ontstaat. Het streven is om lichtuitstraling zoveel mogelijk te beperken. Er bestaan thans twee bouwrichtingen die naar vorm, aard en schaal zijn te onderscheiden. Enerzijds gaat het om de traditionele stal en anderzijds de serrestal, de boogstal en de tentstal. 1. De traditionele ligboxenstal Stallen met een traditioneel beeld in de vorm van één bouwlaag met kap, waaronder grote delen van zijgevels zijn voorzien van windbrekergaas. Omdat er steeds meer vee gestald moet worden, worden de stallen in verband met voldoende ventilatie langer, breder en hoger.
Deze moderne ligboxenstal is dan ook heel anders van omvang dan zijn traditionele voorganger uit de 70-er jaren van de vorige eeuw.
Buitengebied Súdwest-Fryslân-II ontwerp
25
2 A. De serrestal Een serrestal bestaat uit een systeem van tunnelframes en het dak heeft een gebogen vorm. De dakbedekking bestaat uit één of twee lagen kunststoffolie met daaroverheen een schaduwdoek. Er komt wel daglicht, maar geen directe zon in de stal. De wanden van de stal bestaan in het algemeen uit een lage keerwand met daarboven windbrekergaas of een ventilatiegordijn. De ventilatie gaat via de zijgevels die afhankelijk van het weer kunnen worden geopend of gesloten. Door de lichtdoorlatende dakbedekking en de ventilatiemogelijkheden in de gevels is het binnenklimaat afgestemd op het buitenklimaat. Dit is van belang voor het welzijn van de dieren. Met het systeem van tunnelframes zijn serre-stallen eenvoudig uit te breiden door de bestaande tunnels te verlengen of er een nieuwe tunnel naast te plaatsen. Voordeel daarbij is dat de stal bij een uitbreiding niet hoger wordt. Breder bouwen heeft geen hoge nok tot gevolg, iets wat bij een traditioneel zadeldak wel snel het geval is. Bij serrestallen is de nokhoogte maximaal 8 m. 2B. De boogstal Een boogstal wordt gekenmerkt door een kolomloze boogvormige overspanning van 25 m tot maximaal 50 m breed en een hoogte van 6 m tot maximaal 12 m. De boogstal is opgebouwd uit een onderbouw en een bovenbouw. Deze zijn onafhankelijk van elkaar te bouwen. De dakconstructie is ook toe te passen op een conventionele onderbouw.
De bovenbouw is opgebouwd uit stalen vakwerkliggers, bekleed met windbrekergaas en waterdicht foliemateriaal. De boogstal komt qua uitstraling overeen met de romneyloods. In de g uitgangspuntennotitie voor dit bestemmingsplan is aangegeven dat boogstallen niet passend zijn in het landschap van de gemeente Súdwest-Fryslân. 2C. De tentstal De tentstal bestaat uit een staalconstructie waarbij de onderbouw en de bovenbouw met kunststofdoek is overspannen. Gezien de ruimtelijke uitstraling van tentstallen wordt geprobeerd deze stalvorm uit het buitengebied van de gemeente SúdwestFryslân te weren. 3.1.1.2 Kleinschalige windturbines Om kleine windturbines bij bestaande agrarische bedrijven toe te staan is er een algemene regeling opgesteld. Dit is juridisch geregeld met het paraplubestemmingsplan ‘Súdwest-Fryslân – kleine windturbines’. De regeling uit het paraplubestemmingsplan is in onderhavig bestemmingsplan overgenomen. De realisatie van kleinschalige windturbines is op grond van onderhavig bestemmingsplan toegestaan. Aan de bouw van een kleine windturbine zijn een aantal voorwaarden gesteld. Deze voorwaarden zijn opgenomen in de ‘Beleidsregel toetsingskader kleine windturbines Súdwest-Fryslân’ Deze beleidsregel is als bijlage bij de regels van dit bestemmingsplan opgenomen.
Er is gekozen om de beleidsregel als toetsingskader als bijlage in dit bestemmingsplan op te nemen zodat er, indien noodzakelijk meer flexibiliteit ontstaan. Het college kan de beleidsregel aanpassen. Als de voorwaarden in de regels van het bestemmingsplan worden opgenomen, is een aanpassing van het toetsingskader uitsluitend mogelijk met een herziening van het bestemmingsplan.
Buitengebied Súdwest-Fryslân-II ontwerp
26
In de regels is een afwijking opgenomen die het onder voorwaarden mogelijk maakt om ten hoogste 2 kleine windturbines op of direct op of grenzend aan het bouwperceel van een bestaand agrarisch bedrijf. 3.1.1.3 Niet grondgebonden landbouw Het onderscheid tussen grondgebonden en niet-grondgebonden bedrijven heeft ruimtelijke redenen. Grondgebonden agrarische bedrijven hebben een directe relatie met de omliggende gronden. Vaak zijn dit eigen gronden die kenbaar ruimtelijk deel uitmaken van de bedrijfsvoering. Deze bedrijven zijn voor het voortbestaan afhankelijk van de kwaliteit van die omgeving. De omstandigheden zoals bodemkwaliteit en grondsoort zijn van invloed op de bedrijfsvoering. De bedrijven kunnen niet zonder meer op iedere plaats in het buitengebied gevestigd worden. Dit in tegenstelling tot de niet-grondgebonden agrarische bedrijven, die zich veelal kenmerken door grootschalige intensieve bebouwing zonder een directe relatie met het omliggende agrarische gebied. Nieuwvestiging van niet-grondgebonden bedrijven worden in dit bestemmingsplan niet mogelijk gemaakt. De bestaande niet-grondgebonden bedrijven zijn op de verbeelding van onderhavig bestemmingsplan aangeduid met de aanduiding ‘iv’ (intensieve veehouderij). 3.1.1.4 Paardenhouderij De paardenhouderij is een verzamelnaam voor uiteenlopende soorten bedrijven met betrekking tot het houden van paarden.
Bedrijfsmatige paardenhouderijen komen in veel verschillende varianten voor, en kunnen al dan niet een volwaardig inkomen genereren. In de literatuur worden bedrijfsmatige paardenhouderijen meestal onderverdeeld in twee categorieën: •
productiegerichte paardenhouderij, zoals een paardenfokkerij/opfok-bedrijf;
•
gebruiksgerichte paardenhouderij, zoals paardenpensions en maneges.
Kenmerkend verschil tussen beide typen is of het paard dan wel de ruiter centraal staat. Daarbij is het belangrijk dat er vaak mengvormen optreden, en dat een paardenhouderij ook vaak voorkomt als economisch onderdeel van een agrarisch bedrijf (als neventak). Dit kan zowel productiegericht als gebruiksgericht zijn. Voor het hobbymatig houden van paarden legt men vaak zogenaamde paardenbakken, buitenbakken dan wel uitloopbakken aan. Deze paardenbakken hebben de nodige impact op de omgeving. Vooral wanneer deze paardenbakken niet binnen het oorspronkelijke bouwperceel kunnen worden aangelegd. Daarom zijn er regels in het bestemmingsplan opgenomen voor de aanleg van paardenbakken. Paardenbakken die buiten het perceel zijn aangelegd worden op de verbeelding met een aanduiding ‘rbk’ (rijbak) aangeduid. 3.1.1.5
Stikstofemissie in relatie met bestaande situatie
Op grond van artikel 2.8, lid 3 Wet natuurbescherming kan een bestemmingsplan uitsluitend worden vastgesteld als er uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het bestemmingsplan de natuurlijke kenmerken van een beschermd (natuur)gebied niet zal aantasten. Dit bestemmingsplan voorziet op zichzelf niet in nieuwe aanvullende ruimtelijke uitbreidingsmogelijkheden. Echter is er in bepaalde gevallen nog wel een uitbreidingsmogelijkheid aanwezig voor de bedrijven die
Buitengebied Súdwest-Fryslân-II ontwerp
27
bijvoorbeeld nu de (denkbeeldige) rechthoek nog niet hebben volgebouwd. Voor deze gevallen (onbenutte ruimte van het huidige en toekomstige bestemmingsplan) moet juridisch gezien uitgesloten zijn dat er significante gevolgen optreden op een beschermd (natuur)gebied. Zoals de Afdeling standaard overweegt dient de gemeente bij de vaststelling van een bestemmingsplan de feitelijke, planologische legale situatie als referentiesituatie te beschouwen (o.a. ECLI:NL: RVS:2020:1110). Dit wordt dan ook in dit bestemmingsplan als uitgangspunt en hoofdregel geformuleerd. Op basis hiervan is het niet noodzakelijk om het bestemmingsplan passend te beoordelen. Uitzondering op de hoofdregel zijn de bedrijven met een verleende Wnb-vergunning (of verleende omgevingsvergunning met een verklaring van geen bedenkingen op basis van de Wnb) welke ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan onherroepelijk zijn en waar een passende beoordeling aan ten grondslag heeft gelegen (o.a. ECLI:NL:RVS:2020:864). Een Wnb-vergunning (of afgegeven vvgb) welke op basis van de PAS-wetgeving passend is beoordeeld mag hiervoor niet gebruikt worden. Ook niet indien dit onherroepelijke vergunningen zijn. Voor de vaststelling van een bestemmingsplan (ruimtelijk spoor) is dit niet toegestaan (ECLI:NL:RVS:2019:1603), r.o. 36 e.v.).
Dit staat juridisch gezien los van de referentiesituatie die gehanteerd moet worden op basis van de Wet natuurbescherming. Deze uitzondering op de hoofdregel is gebaseerd op artikel 2.8, lid 2 Wnb. In het bestemmingsplan hebben wij enkele bepalingen opgenomen om uit te sluiten dat er een significant gevolg is op een beschermd gebied op basis van de Wnb. In de bijlage van het bestemmingsplan hebben wij aanvullend een lijst opgenomen met onherroepelijke Wnb-vergunningen waarbij er sprake is van een passende beoordeling (niet zijnde de PAS) (bijlage 7: Onherroepelijke Wnb-vergunningen). Deze lijst is opgenomen vanwege de uitzondering op de hoofdregel inzake het strijdig gebruik in relatie tot stikstofdepositie. Voor die opgenomen vergunningen geldt dat er voor de vraag of er een toename van stikstofdepositie is, deze verleende vergunning als referentie wordt gehanteerd. 3.1.1.6
Geitenhouderijen
De gemeenteraad van de gemeente Súdwest-Fryslân heeft op 3 juni 2021 en op 9 mei 2022 een voorbereidingsbesluit genomen om het oprichten van nieuwe geitenhouderijen, het omschakelen van een bestaand agrarisch bedrijf naar een geitenhouderij en het uitbreiden van een bestaande geitenhouderij uit te sluiten. Beide voorbereidingsbesluiten zijn genomen uit voorzorg op basis van veronderstelde gezondheidsrisico’s uit de onderzoeken in 2017, 2018 en 2019 door de Veehouderij gezondheid omwonenden (VGO) van het RIVM. Ook is het besluit genomen in afwachting van het onderzoek naar de oorzaken van longontstekingen rond geitenhouderijen, van het VGO III-onderzoek. De resultaten van het VGO IIIonderzoek worden eind 2024 verwacht. Verder voorzien de huidige bestemmingsplannen van de gemeente Súdwest-Fryslân geen mogelijke gezondheidsrisico’s nabij geitenhouderijen, daarom wordt nu een regeling opgenomen in het onderhavige ‘Veegplan’. De voorbereidingsbesluiten en de onderzoeken van het VGO vormen de basis voor een regeling in dit
Buitengebied Súdwest-Fryslân-II ontwerp
28
bestemmingsplan. De betreffende onderzoeken zijn opgenomen als bijlage bij de toelichting van dit bestemmingsplan. In onderhavig bestemmingsplan is een verbod opgenomen voor nieuw vestiging, uitbreiding of omschakeling van geitenhouderijen. Onder voorwaarden kan met een omgevingsvergunning worden afgeweken van de regels en kan toch een vestiging, uitbreiding of omschakeling mogelijk worden gemaakt. Achtergrond Door het RIVM en andere instanties wordt al jaren onderzoek gedaan naar gezondheidsrisico’s in relatie tot geitenhouderijen. Uit deze onderzoeken is gebleken dat er sprake is dat er binnen een straal van 2 kilometer van geitenhouderijen meer longontstekingen voorkomen. De eerste resultaten van de onderzoeken is voor (onder meer) de provincie Fryslân aanleiding geweest een zogenaamde tijdelijke geitenstop op te leggen. In augustus 2019 heeft Provinciale Staten van Fryslân echter besloten de tijdelijke geitenstop voor de gehele provincie Fryslân niet te verlengen. Doordat er geen provinciale geitenstop meer is, zijn de gemeentelijke bestemmingsplannen weer leidend voor de vraag of er een geitenhouderij gevestigd mag worden.
De voorbereidingsbesluiten geitenhouderijen zijn genomen uit voorzorg en in afwachting van het onderzoek naar de gezondheidsrisico’s voor omwonenden van een geitenhouderij nu de vestiging van grondgebonden geitenhouderijen binnen de gemeente met het vervallen van de geitenstop van de provincie planologisch mogelijk is. Gezondheidsrisico’s Een belangrijk uitgangspunt voor het toe te passen beleid vormen de gezondheidsrisico’s ten aanzien van geitenhouderijen. Er zijn aanwijzingen dat mensen die in de buurt van geitenhouderijen wonen, vaker een longontsteking krijgen. Momenteel loopt er een groot landelijk onderzoek (VGO Veehouderij en Gezondheid Omwonenden) rondom de risico’s van de geitenhouderijen en kippenhouderijen voor de volksgezondheid. Het VGO onderzoek wordt gehouden in Noord-Brabant en Noord-Limburg, waar veel mensen in de buurt van één of meer veehouderijen wonen. Het programma Veehouderij en Gezondheid (coördinatie RIVM/GGD) is erop gericht meer kennis te krijgen over de gezondheid van mensen die in de buurt van veehouderijen wonen. Het programma bestaat uit verschillende deelonderzoeken. In 2019 zijn vervolgonderzoeken gestart om te achterhalen waarom mensen die wonen in de buurt van geitenhouderijen vaker een longontsteking hebben. De resultaten van het onderzoek worden niet eerder dan in het najaar van 2024 verwacht.
Ontwikkelingen provincie Fryslân In de meeste provincies geldt een geitenstop. De planologische maatregelen in deze provincies en sommige Friese gemeenten zijn (of worden) genomen kunnen leiden tot een verplaatsingsbeweging naar provincies en gemeenten die (nog) geen maatregelen hebben getroffen. In de provincie Fryslân geldt geen geitenstop.
Buitengebied Súdwest-Fryslân-II ontwerp
29
Volgens signalen uit de markt blijkt echter dat de vraag naar geitenmelk zal toenemen met als gevolg dat er meer geitenhouderijen kunnen worden gevestigd. Ontwikkelingen gemeente Súdwest-Fryslân De gemeente Súdwest-Fryslân realiseert zich dat een uitbreiding van geitenhouderijen mogelijk een gezondheidsrisico voor haar inwoners met zich meebrengt. De vervolgonderzoeken hebben ernstig vertraging opgelopen door de corona pandemie. Juist dat gezondheidsrisico baart zorgen. De gemeente wil een mogelijk ongewenste ontwikkeling met betrekking tot de gezondheid van haar inwoners voorkomen. Om die reden heeft de raad besloten uit voorzorg een voorbereidingsbesluit te nemen. Motivering Onderzoek rondom geitenhouderijen heeft uitgewezen dat mensen die in de buurt wonen van deze bedrijven, een grotere kans hebben op een longontsteking. Dat blijkt uit studies gedaan in: - 2017 (Hagenaars, T.J., Hoeksma, P., De Roda Husman, A.M., Swart, A., Wouters, I.M., Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (aanvullende studies): Analyse van gezondheidseffecten, risicofactoren en uitstoot van bioaerosolen, Bilthoven, Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu 2017). Dit onderzoek is opgenomen als bijlage 6 (Analyse van gezondheidseffecten (aanvullende studie) 2017) bij deze toelichting.
- 2018 (IJzermans, C.J., Smit, L.A.M., Heederik, D.J.J., Hagenaars, T.J., Veehouderij en gezondheid omwonenden III: longontsteking in de nabijheid van geiten- en pluimveehouderijen; actualisering van gegevens uit huisartspraktijken 2014 - 2016,Utrecht: Nivel, 2018.). Dit onderzoek is opgenomen als bijlage 7 (Veehouderij gezondheid omwonenden III 2018) bij deze toelichting. Omdat de bovengenoemde onderzoeken uitsluitend in Noord-Brabant en Limburg zijn uitgevoerd was niet duidelijk of longontsteking ook in andere provincies vaker zou voortkomen rond geitenhouderijen. Daarom is er een vervolg gegeven aan het VGO III door onderzoek te doen in Gelderland, Overijssel en de oostkant van Utrecht. Dit onderzoek (Smit, L.A.M., Huss, A., Jacobs, J., Veehouderij en Gezondheid Omwonenden III, Longontsteking in de nabijheid van geiten- en pluimveehouderijen in Gelderland, Overijssel en Utrecht, Utrecht: IRAS 2019) is in november 2019 uitgebracht. Daarmee werd duidelijk dat voor deze regio's hetzelfde het geval was. Dit onderzoek is opgenomen als bijlage 8 (Veehouderij en Gezondheid Omwonenden III - Gelderland, Overijssel en Utrecht 2019) bij deze toelichting. Planologische regeling geitenhouderijen In de gebruiksregels van het voorliggende bestemmingsplan is een verbodsbepaling opgenomen voor de nieuwvestiging, omschakeling en uitbreiding van geitenhouderijen.
In het bestemmingsplan is een afwijkingsbevoegdheid opgenomen om onder voorwaarden van het verbod te kunnen afwijken.
Buitengebied Súdwest-Fryslân-II ontwerp
30
Naar aanleiding van het besluit van de gemeenteraad van Súdwest-Fryslân wordt in dit bestemmingsplan geregeld dat het zonder omgevingsvergunning niet is toegestaan om een geitenhouderij op te richten dan wel uit te breiden. Eveneens is zonder omgevingsvergunning de omschakeling van een bestaand agrarisch bedrijf tot geitenhouderij niet toegestaan. Het is dus zonder vergunning niet toegestaan om: - een nieuwe geitenhouderij te beginnen; - het geheel of gedeeltelijk wijzigen of uitbreiden van een bestaand (agrarisch) bedrijf door (onder andere) geiten te gaan houden; - het uitbreiden van een bestaande geitenhouderij met één of meer geiten. Bij een eventuele uitbreiding kan het dat gaan om zowel het plegen van nieuwbouw als om bestaande bouwwerken geschikt maken voor het houden van geiten. Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken indien uit onderzoek in voldoende mate is gebleken dat gezondheidsrisico’s van personen die verblijven in nabij gelegen functies, zijn uit te sluiten. Het bevoegd gezag betrekt bij het al dan niet verlenen van de omgevingsvergunning in ieder geval: 1. de afstand van de geitenhouderij tot bestaande of geprojecteerde woonfuncties of andere gevoelige verblijfsfuncties; 2. een advies van de GGD of andere onafhankelijke deskundige, zo lang er geen algemene nieuwe inzichten zijn.
3.1.2 Wonen Dit bestemmingsplan voorziet erin dat de bestaande woningen in het buitengebied als zodanig zijn bestemd en verder worden geen openingen geboden voor nieuwe burgerwoningen. Grondslag hiervoor is het niet willen toestaan van functies die niet gebonden zijn aan het buitengebied. Nieuwe burgerwoningen in het buitengebied, zonder functionele binding met het gebied, zijn niet toegestaan. Uitzondering hierop zijn de nieuwe compensatiewoningen, in aansluiting op een bebouwde kom, voortkomend uit de toepassing van de ‘ruimte-voor-ruimte-regeling’. Daarnaast is een burgerwoning mogelijk in de oorspronkelijke bebouwing van een voormalig agrarisch bedrijf. Het bestemmingsplan biedt de mogelijkheid om binnen de bestaande (oorspronkelijke verschijningsvorm) de stelpboerderij maximaal drie woningen te realiseren. Bij de reguliere woningen en de woonboerderijen wordt gekozen voor het traditionele beeld: één bouwlaag met een bewoonbare kap. Voorkomen moet worden dat reguliere woningen zonder nadere afweging tot forse proporties kunnen uitdijen. Juist de samenhang tussen het sinds de 19e eeuw maar in beperkte mate veranderd landschap en de schaal van de gebouwen maken dat het gebied als landschappelijk aantrekkelijk wordt beschouwd. De bebouwde oppervlakte van de hoofdvorm van de reguliere woning mag maximaal 150m² bedragen.
Daarbij wordt uitgegaan van een goothoogte van 4,5m en een bouwhoogte van 10m. Ten aanzien van de uiterlijke verschijningsvorm van (vervangende) nieuwbouw kunnen in het bestemmingsplan geen regels worden opgenomen. Hiervoor gelden de regels uit de gemeentelijke welstandsnota.
Buitengebied Súdwest-Fryslân-II ontwerp
31
Aan- en uitbouwen en losstaande bijgebouwen dienen qua maatvoering en situering ondergeschikt te zijn aan de hoofdvorm. De totale oppervlakte van de ondergeschikte gebouwen bedraagt maximaal 100m² met een ondergeschiktheidspercentage van 10% ten opzichte van de hoofdvorm. Bij de traditionele woonboerderijen wordt uitgegaan van de bestaande oppervlakte. De gezamenlijke oppervlakte van bijbehorende bouwwerken en overkappingen per hoofdvorm mag maximaal 150m² bedragen. Wanneer voormalige agrarische gebouwen wordt gesloopt, mag hiervoor 50% worden teruggebouwd met een maximale oppervlakte van 500m². Dit is inclusief de standaardoppervlakte van 150m². Waar in het verleden woningen slechts mochten worden gebruikt voor wonen, wil de gemeente voortaan meer ruimte bieden voor andere functies. Ook hier kan het bieden van meer mogelijkheden bijdragen aan het behoud van de karakteristieke beeldbepalende bebouwing. Uitgangspunt is dat de eventuele nieuwe functies ondergeschikt zijn aan de woonfunctie. Dit moet blijken uit de inrichting van het erf en het aanzicht van de bebouwing. Bij de reguliere woningen gaat het om aan-huisgebonden beroepen, bêd & brochje en lichte bedrijfsmatige activiteiten.
Voor de gebruiksfuncties van als woonboerderij bestemde woningen wordt verwezen naar paragraaf 3.1.2 3.1.3 Hergebruik voormalige (agrarische) bedrijven Door vooral veranderingen in de landbouw verliest veel agrarische bebouwing haar functie. Woonboerderijen vormen een bijzondere groep woningen in het buitengebied. Deze oorspronkelijke boerderijen in de vorm van een stelp of een kop(-hals)-romp vormen een waardevolle karakteristiek voor het buitengebied. Een passend hergebruik van deze traditionele boerderijen draagt bij aan het behoud van deze karakteristieke bebouwing. Ruimte bieden voor verbreding van het gebruik van woonboerderijen kan bijdragen aan de instandhouding van de oorspronkelijke bebouwing. Daarbij gaat het niet alleen om een traditionele boerderijvorm maar (ook) om de meer moderne bouwvorm van een niet-inpandige bedrijfswoning in combinatie met bijvoorbeeld een ligboxenstal. Deze ontwikkeling draagt bij aan het voorkomen van verpaupering met mogelijke leegstand als gevolg. Het is daarom vanwege de leefbaarheid van het platteland van belang om ruimhartig om te gaan met het toestaan van nieuwe functies in vrijgekomen agrarische bebouwing. Bedrijvigheid van milieucategorie 1 en 2 wordt daarbij als ruimtelijk goed inpasbaar gezien.
3.1.3.1 Functiewijziging en voorwaarden Vrijkomende agrarische bedrijven kunnen een goede locatie vormen voor kleinschalige, of startende niet-agrarische bedrijven. Veelal is de bebouwing en het erf van voldoende omvang om de beoogde bedrijfsactiviteiten uit te voeren. De gemeente wil functiewijziging naar niet-agrarische functies ondersteunen, maar verbindt daaraan de volgende voorwaarden: •
er kan uitsluitend gebruik worden gemaakt van het huidige bouwperceel c.q. erf; er wordt geen medewerking verleend aan het vergroten van het erf;
Buitengebied Súdwest-Fryslân-II ontwerp
32
• • • •
bij afbraak van beeldverstorende bijgebouwen kan gebruik worden gemaakt van een ‘ruimte-voor-ruimte’-regeling; de nieuwe functie mag geen afbreuk doen aan de bedrijfsvoering en de ontwikkelingsmogelijkheden van aanwezige (agrarische) bedrijven; de verkeersaantrekkende werking van een nieuwe activiteit mag niet onevenredig toenemen ten opzichte van de verkeersaantrekkende werking van de beëindigde functie; parkeren dient op eigen terrein plaats te vinden, waardoor parkeeroverlast in de omgeving wordt voorkomen.
3.1.3.2 Wonen, al dan niet i.c.m. niet-agrarische nevenactiviteiten Het wonen in voormalige karakteristieke bedrijfsgebouwen (stelp of kop-hals-romp) spreekt in principe voor zich. Ruimte bieden voor verbreding van het gebruik van woonboerderijen kan bijdragen aan de instandhouding. Dit kan tot een verrijking van het buitengebied leiden en bijdragen aan het behoud van karakteristieke beeldbepalende bebouwing. In dat kader kan een tweedeling in het toe te laten gebruik worden gemaakt: 1.
2.
Nevenactiviteiten die zonder meer passend binnen de woonfunctie zijn: - aan-huis-verbonden beroepen; - bêd en brochje; - stalling; Nevenactiviteiten die mogelijk inpasbaar zijn met een binnenplanse afwijkingsmogelijkheid: - lichte bedrijfsmatige activiteit (cat. 1 en 2); - een gebruiksgerichte paardenhouderij; - groepsaccommodaties; - maatschappelijke, zorg- en/of recreatieve activiteiten.
Daarbij geldt steeds de voorwaarde dat de nevenactiviteiten ondergeschikt zijn aan de woonfunctie, dat de activiteiten in de regel binnen de bestaande gebouwen plaatsvinden en dat er geen buitenopslag van voorraad, gereed product, materieel, etc. plaatsvindt. Om (monumentale of karakteristieke) boerderijen in stand te houden, is het mogelijk om de panden onder bepaalde voorwaarden te splitsen. Bij splitsing mogen maximaal drie woningen gerealiseerd worden binnen het bestaande hoofdgebouw. Algemeen aandachtspunt bij splitsing is de afstemming met en de toetsing aan de milieuwet- en regelgeving (geurhinder). De ontwikkelingsmogelijkheden voor de basisfuncties dienen in stand te blijven. Om te voorkomen dat bijgebouwen qua oppervlakte op het voormalige agrarische perceel gaan domineren, mag de totale oppervlakte van bijbehorende bouwwerken en overkappingen bij meerdere woningen maximaal 150 m2 bedragen. 3.1.4 Zelfstandige (bedrijfsmatige) activiteiten De bestaande zelfstandige bedrijven zijn als zodanig bestemd. Naast de nietagrarische nevenactiviteiten biedt het plan met een wijzigingsmogelijkheid ruimte
Buitengebied Súdwest-Fryslân-II ontwerp
33
voor zelfstandige bedrijfsmatige activiteiten die passen in het landelijk gebied. Het kan daarbij gaan om: • • •
een agrarisch dienstverlenende bedrijf: een bedrijf waarbinnen uitsluitend of overwegend arbeid wordt verricht voor de productie of levering van goederen of diensten ten behoeve van agrarische bedrijven; groepsaccommodaties, maatschappelijke, zorg- en /of recreatieve ontwikkelingen; niet-agrarische bedrijfsmatige activiteiten (veelal kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten) waarbij het gaat om een selectie van de bedrijven in de milieucategorieën 1 en 2. In de regels is een Staat van Bedrijven opgenomen waarin de selectie van de bedrijven is vastgelegd. De bestaande (vergunde) bebouwing mag met 15% worden uitgebreid. In afwijking kan een grotere uitbreiding worden toegestaan tot een maximum van 50% van het (oorspronkelijke) hoofdgebouw, indien onderbouwd kan worden dat het bedrijf landschappelijk, milieuhygiënisch en verkeerskundig inpasbaar is in de omgeving.
Overkoepelende randvoorwaarde voor deze zelfstandige activiteiten binnen het agrarisch gebied is het behoud van de kenmerkende en landschappelijke en cultuurhistorische waarden. Om verstening te voorkomen, worden nieuwe zelfstandige activiteiten alleen toegestaan in vrijkomende agrarische bedrijven. Voor het toestaan van zelfstandige activiteiten geldt een nader afwegingsmoment in de vorm van een wijzigingsprocedure, gekoppeld aan ruimtelijke randvoorwaarden. Daarbij geldt als uitgangspunt dat de (bedrijfsmatige) activiteiten binnen het oorspronkelijke bestemmingsvlak worden gerealiseerd. 3.1.5 Detailhandel en horeca In het bestemmingsplan wordt geen ruimte geboden voor nieuw te vestigen detailhandel. Alleen de bestaande detailhandel is als zodanig bestemd en krijgt slechts beperkte ontwikkelingsmogelijkheden. Een specifieke vorm van detailhandel, de ‘productiegebonden detailhandel’ is wel toegestaan als ondergeschikte nevenactiviteit. Het gaat hierbij om detailhandel in streekgebonden producten of in het buitengebied gevestigde kunstzinnigheid zoals de verkoop bij een atelier. Daarbij moet het wel gaan om de verkoop van goederen die ter plaatse worden vervaardigd, geteeld, gerepareerd en/of toegepast in het productieproces, waarbij de detailhandelsfunctie ondergeschikt is aan het productieproces.
Voor horecavoorzieningen geldt dat de bestaande gelegenheden positief zijn bestemd. Voor nieuwe horecavormen wordt uitsluitend ruimte in ondergeschikte vorm bij recreatieve voorzieningen in gebouwen voor beheer en dienstverlening en binnen vrijkomende agrarische bedrijfsbebouwing geboden. Bij wijze van uitzondering kan een nieuwe horecavorm in het buitengebied echter een meerwaarde aan het gebied geven (zoals de versterking van de recreatieve structuur), bijvoorbeeld in een vrijstaande boerderij. Het ligt niet voor de hand om dit te faciliteren met een binnenplanse wijzigingsmogelijkheid. Een partiële
Buitengebied Súdwest-Fryslân-II ontwerp
34
herziening van het bestemmingsplan (bevoegdheid van de raad) is in een dergelijk geval dan een voor de hand liggende keuze.
3.1.6 Ruimte-voor-ruimte-/saneringsregeling Wanneer agrarische bedrijfsgebouwen hun agrarische functie verliezen, kan aan deze bebouwing een nieuwe functie worden toegekend. Om te voorkomen dat het landschap wordt aangetast door leegstaande bebouwing die hun oorspronkelijke agrarische functie hebben verloren, kan een ‘ruimte voor ruimte’-regeling worden toegepast. Een dergelijke regeling ziet toe op het (laten) slopen van ontsierende bebouwing in het landelijk gebied waarbij de initiatiefnemer wordt gecompenseerd. Voor het plangebied wordt in hoofdlijnen aangesloten bij de provinciale regeling die in dit kader geldt. Dit houdt in dat wanneer minimaal 1.000 m² aan beeldverstorende bebouwing van een agrarisch perceel of minimaal 3.000 m² aan kassen van een voormalig glastuinbouwbedrijf in het landelijk gebied, wordt gesloopt, de eigenaar ter compensatie één nieuwe woning mag bouwen. In tegenstelling tot de provinciale verordening mag de nieuwe woning uitsluitend worden gebouwd in of direct aansluitend aan een bebouwde kom. Een nieuwe woning op de saneringslocatie wordt niet toegestaan. 3.1.7 Maatschappelijk en ‘Maatschappelijk – zorgboerderij’ In het plangebied komen enkele maatschappelijke voorzieningen voor. Deze zijn de bestemming ‘Maatschappelijk’ toegewezen.
Het kan hierbij om educatieve, sociaalmedische, sociaal-culturele, levensbeschouwelijke, sport- en recreatieve voorzieningen en voorzieningen ten behoeve van openbare dienstverlening gaan, alsook ondergeschikte detailhandel en – horeca die ten dienste staat van deze maatschappelijke voorzieningen. Zorgboerderijen binnen het plangebied zijn als maatschappelijke functie als zodanig specifiek bestemd in dit bestemmingsplan. 3.1.8 Recreatie en toerisme De recreatiesector is van groot belang in de gemeente Súdwest-Fryslân. Er zijn meerdere recreatieterreinen in de gemeente, waarbij onderscheid is gemaakt tussen reguliere kampeerterreinen, bungalow-/huisjesterreinen en kleinschalig kamperen. Binnen het plangebied komen verschillende vormen van recreatie voor. De meest voorkomende vormen zijn recreatieappartementen, groepsaccommodaties en het kleinschalig kamperen. In het plangebied liggen ook enkele kampeerterreinen die niet vergelijkbaar zijn met reguliere kampeerterreinen maar groter zijn dan een kleinschalig kampeerterrein. Voor deze kampeerterreinen wordt uitgegaan van de vergunde situatie. Er is al jaren een trend gaande van een dalende bezettingsgraad van kampeerterreinen. Vandaar dat op veel terreinen meer permanente accommodaties gerealiseerd worden. De provincie Fryslân geeft gemeenten de ruimte om op bestaande terreinen recreatiewoningen mogelijk te maken.
Voorwaarde is wel dat er sprake is van een goede landschappelijke inpassing.
Buitengebied Súdwest-Fryslân-II ontwerp
35
Autonome ontwikkelingen verblijfsrecreatie Op het gebied van verblijfsrecreatie zijn de volgende trends waar te nemen: •
• •
de kampeermarkt krimpt: de bezettingsgraad van kampeerterrein nam de laatste jaren af. Wel is meer ruimte nodig voor marktniches zoals kort verblijf voor campers (sterke toename door corona) en het kamperen aan het water (roll-on-roll-of). Ten aanzien van kleinschalig kamperen bij agrarische bedrijven is geen sprake van een duidelijke trend; de vraag naar bungalows stabiliseert: het nieuwe aanbod vervangt het oude aanbod; er is behoefte aan het overnachten in authentieke boerderijen, landhuizen en dergelijke. Daarnaast is er behoefte aan kleinschalige formules zoals ‘gastenkamers’, designhotels en chique restaurants, maar ook voor bijzondere formules als de boerenkamers of logies in historische bebouwing (erfgoedlogies) of in de vorm van groepsaccommodaties in voormalige agrarische bebouwing.
Kleinschalig kamperen Kleinschalig kamperen wordt enerzijds gezien als een kleinschalig alternatief voor regulier kamperen en anderzijds als een extra inkomstenbron voor agrarische bedrijven. In verband met het behoud van de voormalige agrarische bebouwing (stelp- of kop-hals-rompboerderij), is het wenselijk dat ook bij de voormalige agrarische bedrijven de mogelijkheid bestaat om kleinschalig te kamperen. Het kleinschalige kampeerterrein moet op of direct aansluiten bij het erf. Er mag een kleinschalig haventje worden aangelegd, waarbij het aantal ligplaatsen niet meer mag bedragen dan het aantal staanplaatsen op het kleinschalig kampeerterrein. Onder voorwaarden mag het aantal staanplaatsen op een kleinschalig kampeerterrein op grond van de “Omgevingsverordening’ van de provincie worden uitgebreid van 25 naar maximaal 35 plaatsen. Daarnaast biedt de provincie ook de mogelijkheid om het gehele jaar rond te kamperen en mogen de trekkershutten luxer uitgevoerd worden. 3.2
Verkeersstructuur
3.2.1 Wegen De inrichting van wegen vormt de basis voor een verkeersveilige, bereikbare en leefbare gemeente. Landelijk is afgesproken dat hiervoor het Duurzaam Veilig principe wordt toegepast. Hierin wordt onderscheid gemaakt in verkeersruimten en verblijfsgebieden. In de verkeersruimten krijgen vlotte autoverplaatsingen en bereikbaarheid prioriteit. In verblijfsgebieden is de kwaliteit van de openbare ruimte belangrijker. De doorstroming van het verkeer heeft een ondergeschikte rol ten opzichte van een aangenaam en veilig woon- en leefklimaat. Op basis van Duurzaam Veilig zijn er drie categorieën wegen: Stroomwegen (verkeersruimte) De stroomwegen A7/N7 vormen het landelijke- en regionale hoofdwegennet. Hier
Buitengebied Súdwest-Fryslân-II ontwerp
36
geldt een maximum snelheid van 120/130 of 100 km/u buiten de bebouwde kom en 70 km/u binnen de bebouwde kom. Gebiedsontsluitingswegen (verkeersruimte) Gebiedsontsluitingswegen hebben een ontsluitende functie voor een groter gebied en regionale centra, en vormen een verbinding met de stroomwegen. Hier geldt een maximum snelheid van 80 km/u buiten de bebouwde kom en 50 km/u binnen de bebouwde kom. Erftoegangswegen (verblijfsgebied) Erfontsluitingswegen lopen direct van en naar de percelen, hoofdzakelijk bestemmingsverkeer, agrarisch verkeer, fietsers. Hier geldt een maximum snelheid van 60 km/u buiten de bebouwde kom en 30 km/u binnen de bebouwde kom. Binnen het plangebied komen naast de provinciale wegen, de N354 en de N359, uitsluitend gebiedsontsluitings- en erftoegangswegen voor.
Figuur 2: wegen GVVP 2020
3.2.2 Vaarwegen De provincie Fryslân heeft 850 km vaarwegen en 1.700 km aan oevers. Op dit moment is het beheer en onderhoud van de vaarwegen en de oevers hiervan is versnipperd. Friese gemeenten, Wetterskip Fryslân en de provincie werken samen aan nieuwe basisafspraken hierover. Deze afspraken liggen nog niet vast. Verwachting is dat Provinciale Staten hierover eind 2022/begin 2023 de afspraken hierover gaat vastleggen. Dit in samenspraak met gemeenten en Wetterskip. Basis hiervoor vormt de Vaarwegenkaart van de provincie Fryslân.
Buitengebied Súdwest-Fryslân-II ontwerp
37
Figuur 3: vaarwegen naar vaarwegklasse (bron: provincie Fryslân)
3.2.3 Openbaar vervoer Provincie Fryslân is verantwoordelijk voor het openbaar vervoer in Fryslân. Arriva verzorgt het regionale treinvervoer en het busvervoer in Fryslân en op de Waddeneilanden, de Qliner 315 en het stadsvervoer in Leeuwarden. Een goed openbaar vervoer is feitelijk onmisbaar en dus zeer belangrijk voor het platteland. De spoorverbinding naar Zwolle ende Randstad wordt verzorgt door de NS. De trein naar Leeuwarden vormt voor de gemeente Súdwest-Fryslân een belangrijke verbinding richting onder andere Groningen en het oosten van het land. Vanuit Sneek hebben de bewoners van de dorpen wel toegang tot de trein. Voor de dorpen in het oosten van het plangebied is de spoorlijn Zwolle-Leeuwarden (station in Grou) goed bereikbaar. Het huidige netwerk van openbaar vervoer is opgebouwd uit de trein, de lijnbus met een hoge frequentie, de lijnbus met een lage frequentie, de belbus en de buurtbus. Door corona zijn reizigerspatronen veranderd. Naar verwachting reizen ook in 2022 nog steeds aanzienlijk minder mensen met het openbaar vervoer. De verwachting is dat de reizigersaantallen in 2025 weer op het niveau zitten als voor corona. Daarom is het nodig om kostenbesparende maatregelen te treffen. Daarnaast is het nodig om verbeteringen door te voeren in het openbaar vervoer om het aantrekkelijker te maken voor de reizigers.
Maatregelen zijn onder andere: het schrappen van ritten en/of lijnen met zeer weinig reizigers, het versnellen van lijnen, het spreiden van reizigers in het openbaar vervoer en het frequenter rijden van bussen op hoofdverbindingen om reizigers terug in het openbaar vervoer te krijgen.
Buitengebied Súdwest-Fryslân-II ontwerp
38
Figuur 4: openbaar vervoer GVVP 2020
3.3 Ontstaansgeschiedenis en stedenbouwkundige opzet Het plangebied omvat het landelijke gebied van een deel van Súdwest-Fryslân, met inbegrip van de kleinere dorpen Easterwierrum (deels), Hinnaard, Iens, Indijk, Koufurderige, Smallebrugge, Lytsewierrum en Ypecolsgea. De grotere kernen vallen buiten het plangebied, de buurtschappen zijn in het plangebied opgenomen. 3.3.1 Easterwierrum Het dorp ligt in het noordoosten van de gemeente, ongeveer 14 km ten zuiden van Leeuwarden. Easterwierrum ligt op het kruispunt Hegedyk en Easterwierrummer Aldfeart. Langs het dorpsgebied stroomt een belangrijke waterverkeersader, De Swette. Het dorp is ontstaan op de plek van de buurtschap Tsjerkebuorren op een kleine terp. In 1319 werd deze plek nog vermeld als Aesterwerum. Easterwierrum was een terpdorp zonder echte kerkbuurt maar met wat losse agrarische bebouwing. In de historische kern is van de oude kerk enkel nog de markante kerktoren overgebleven. De terp is afgegraven tot een rond eiland in de groene vlakte en is tegen afkalving beschermd door een keermuur. Op en bij deze terp heeft het dorp zich ontwikkeld, maar in de 18de en 19de eeuw is de bebouwing opgeschoven naar het zuiden richting de Easterwierrumer Aldfeart, de nu huidige, dorpskern ligt ca. 600 meter van de Tsjerkebuorren af.
De tweede dorpskern is ontstaan bij een brug waar aan het begin van de 18e eeuw al wat bebouwing aanwezig was. De groei van deze tweede kern kwam pas in de eerste helft van de 19e eeuw. De huidige dorpskern heeft een kruisvormige plattegrond met de slachtedyk en de vaart als structuurbepalers. In het noordwestelijke kwart ligt een open ruimte. Daar is begin 21e eeuw een dorpshaven gerealiseerd. De tweede
Buitengebied Súdwest-Fryslân-II ontwerp
39
dorpskern groeide in de 20e eeuw verder uit tot komdorp waarvan de meeste nieuwbouw aan de westkant van de Hegedyk is gelegen. Enkel de historische kern van Easterwierrum, het huidige buurtschap Tsjerkebuorren, valt binnen het plangebied. 3.3.2 Hinnaard Het dorp ligt in het noordoosten van de gemeente, ongeveer 3 kilometer ten noordoosten van Wommels. Ten noordwesten op ca. 600 meter van het dorpsgebied loopt de Boalserter Feart. Hinnaard is een van de kleinste dorpen van Fryslân en is ontstaan op een smalle compacte terp. De kern van het dorp op de terp is dan ook nauwelijks gegroeid. Deze bestaat nog altijd uit enkele woningen staande rond een kleine terp met cirkelvormig grindpad, met in het midden een begraafplaats en een markant 19e eeuws vierkant klokhuis c.q een gesloten klokkenstoel. Buiten de kern liggen verspreid nog enkele boerderijen om het dorp heen. In het verleden heeft Hinnaard een belangrijke positie gehad. De grietenij en later de gemeente Hennaarderadeel is er naar vernoemd. In de late Middeleeuwen vond in dit dorp de rechtspraak van de grietenij plaats. Het dorp is in omvang vrijwel niet uitgebreid, wel heeft er diverse vernieuwde bebouwing aanwezig in het dorp. 3.3.3 Iens Het dorp ligt in het noordoosten van de gemeente, ongeveer 2 kilometer ten noordoosten van Wommels. Ten noordwesten op ca. 600 meter van het dorpsgebied loopt de Boalserter Feart.
Door het dorp stroomt de Edenser Opvaart. Van oorsprong was het gelegen aan een doodlopende weg, later is er een fietspad aangelegd dat langs de Bolswardertrekvaart loopt. Iens is ontstaan als klein terpdorp met een losse structuur van een paar boerderijen en vervolgens wat huizen aan de met hagen omzoomde kerkhof met monumentale 13e eeuwse kerk. Het was een afgelegen terp waardoor groei lang uitbleef. Aan de westelijke zijde tegenover de kerk staat een rij aaneengesloten arbeiderswoningen uit de 18e eeuw, die al behoorlijk vernieuwd zijn. Aan de noordelijke dorpsrand staat een monumentale stelpboerderij en iets buiten het dorp aan de zuidzijde is een ook nog grote stelp aanwezig. 3.3.4 Indijk Het dorp ligt in het zuidoosten van de gemeente, ongeveer 1 kilometer ten westen van Woudsend. Indijk ligt aan de rand van het Hegemer Mar. Indijk is in de middeleeuwen ontstaan als vaartdorp en lag aan de Hooiwijk, een brede sloot die liep vanaf de Waldseiner Rakken naar het Hegemer Mar. Het dorp is ontstaan binnen een dijk, die op een dwars gelegen dijk lag, hier duidt de plaatsnam dan ook op. Indijk heeft ook een kerkhof, gelegen in een weiland met een rijksmonumentale klokkenstoel, en een achttal grafzerken.
Buitengebied Súdwest-Fryslân-II ontwerp
40
Indijk bestond van oudsher uit een agrarische gemeenschap en de boerderijen stonden met de voorkant naar het water, de enige verbindingsroute in die tijd. Pas in het begin van de 20e eeuw kreeg het dorp een ontsluiting over de weg, via een brug over de Weisleat, die door Woudsend liep. Eind 20e eeuw werd er via Elahuizen ook een verbinding gemaakt met Indijk via de weg Trophorne. In 1976 werd Indijk aan de oostelijke zijde uitgebreid met bungalowpark de Rakken een park met 65 woningen. In 1995 werd een nieuw bungalowpark genaamd Waterwende gerealiseerd. Dit park met ca. 130 woningen is aan de zuidelijke zijde van het oude bungalowpark aan gerealiseerd en sluit bijna tegen Woudsend aan. 3.3.5 Koufurderige Het dorp ligt in het oosten van de gemeente, ongeveer 1 kilometer ten noorden van Woudsend. Het dorp is een zeer jong agrarisch streekdorp dat pas na de Tweede Wereldoorlog als dorp werd beschouwd. De plaatsnaam verwijst het water (Koufurde) waarbij het is ontstaan en de rij (rige) van huizen en boerderijen langs de rijksstraatweg. Op de grietenijkaart in de atlas van Schotanus uit 1716 is de streek ten westen van het meer vrijwel leeg. Voordat Koufurderrige een officieel dorp werd behoorde de streek in delen bij de dorpen aan de andere kant van de Kûfurd. Het kleinste, noordelijke deel hoorde met Sand Buiren bij Langweer.
Het middelste, grootste deel hoorde bij Dijken en het zuidelijke part bij Teroele. Op 9 februari 1951 verkreeg het dorp officieel de dorpsstatus. De ontwikkeling van de Rijksstraatweg, die in 1848 is opgericht van Sneek naar Lemmer, is voor de ontwikkeling van het gebied van grote betekenis geweest. De streek raakte na realisatie van deze weg en nadat de hooilanden in eind 19e eeuw werden ingedijkt en bemalen pas echt bewoond. Er ontstond bewoning langs de rijksstraatweg. De streek is pas echt ontwikkeld vanaf de tweede helft van de 19e eeuw. Toen is in korte tijd een flinke reeks, veelal grote, boerderijen gebouwd. De meeste werden aan de oostkant van de weg gebouwd, maar ook een drietal aan de westzijde. 3.3.6 Smallebrugge Het dorp ligt in het zuidoosten van de gemeente, ongeveer 2 kilometer ten noorden van Woudsend. Ten noorden van het dorpsgebied stroomt de Jeltesloot. Over land is het dorp enkel te bereiken via een smalle weg vanuit Koufurderrige. De nederzetting Smallebrugge is ontstaan bij de ontginning rond 1100 van het veengebied dat afwaterde op het veenriviertje de Ee. Het ligt aan deze voormalige veenrivier. Op de grietenijkaart in de Atlas van Schotanus uit 1716 is te zien dat Smallebrugge destijds nog uit een dorpje met een kerk en 5 gebouwen die geconcentreerd om de kerk heen stonden bestond.
Ondanks het omringende water is het kleine streekdorp Smallebrugge altijd een agrarische plaats geweest.
Buitengebied Súdwest-Fryslân-II ontwerp
41
In 1637 werd bij een brand bijna het gehele dorp verwoest. De kerk bleef gespaard maar werd rond 1750 afgebroken. Het dorp bestaat nu nog slechts uit enkele verspreid staande boerderijen. Dit is de 19e eeuw niet meer gewijzigd. Over het erf van de meest centraal gelegen boerderij van het dorpje kan het kerkhof worden bereikt. Er staan enkele 18e eeuwse grafzerken met een wijdbeense klokkenstoel en zadelkap op. 3.3.7 Lytsewierrum Het dorp ligt in het noordoosten van de gemeente, ongeveer 3 kilometer ten oosten van Easterein. De dorpskern is via de Lutkewierummer opvaart met de Franekervaart verbonden. Lytsewierrum is ontstaan als klein agrarisch terpdorp en in de huidige ruimtelijke opbouw van het dorp is deze structuur duidelijk herkenbaar gebleven. Te midden van het open landschap van het zogenaamde 'eiland van Oosterend', een van de oudste polders van Fryslân, manifesteert het dorp zich met de forse kerk, omringd door bebouwing en opgaand geboomte als een hechte structurele eenheid. De bebouwing op de lage terp, bestaande uit enige boerderijen en landarbeiderswoningen, is overwegend agrarisch van karakter en op informele wijze rondom de kerk gegroepeerd. Een hiermee samenhangende kenmerkende eigenschap van de dorpsstructuur is het ontbreken van een feitelijk stratenpatroon; de ontsluitingsweg vanaf de dijk eindigt binnen het dorp in een open ruimte terzijde van het kerkhof.
In de ruimtelijke structuur van het dorp is de situatie rondom de kerk nog het duidelijkst gekenmerkt door de radiale opbouw van de terp. Met name komt dit tot uiting in de wat hogere ligging van de kerk binnen het kerkhof en de ronde vorm van het terrein, begrensd door een haag en een pad. De ronde vorm van het kerkterrein en de hogere ligging worden aan de west- en noordzijde benadrukt doordat daar de smalle vaart als begrenzing fungeert. Vooral aan deze zijde van het dorp bestaat een waardevol evenwicht tussen de beslotenheid, mede als gevolg van de beplanting en de bebouwing aan de buitenzijde van de vaart, en de doorzichten naar het open landschap en het op circa een kilometer afstand gelegen Rien. Op 28 maart 1991 heeft het rijk de dorpskern van Lytsewierrum aangewezen tot rijksbeschermd dorpsgezicht.
Buitengebied Súdwest-Fryslân-II ontwerp
42
Figuur 5: Begrenzing rijksbeschermd gezicht Lytsewierrum
Voor een uitgebreide beschrijving van de ruimtelijke karakteristieken van Lytsewierrum wordt verwezen naar het aanwijzingsbesluit. Dit is als 3 ‘Lijst met karakteristieke en monumentale panden’ bij de toelichting opgenomen. 3.3.8 Ypecolsgea Het dorp ligt in het zuidoosten van de gemeente, ongeveer 1 kilometer ten zuidwesten van Woudsend. Ypecolsgea ligt tussen het Hegemer Mar en het Sleattemer Mar in en ligt aan de doorgaande weg tussen Woudsend en Balk. Het dorp bestaat uit een lange streek van ongeveer 3 kilometer en telt een tiental boerderijen. Ze staan grotendeels ten zuiden van de vroegere Wegsloot die rond 1950 is gedempt. Het streekdorp heeft een middeleeuwse oorsprong. In de hoge Middeleeuwen ontstond ten noordoosten van Ypecolsgea een nederzetting bij het water de Ee die vanaf de vroege 11de eeuw een zelfstandige positie verwierf namelijk werd door de ligging aan de Ie al gauw veel belangrijker dan het moederdorp Ypecolsgea. Ypecolsga bleef een agrarische streek. Vroeger had het dorpje een eigen kerk. Deze is in de 18de eeuw afgebroken. Er staat nu een klokkenstoel met helmdak op de algemene begraafplaats.
Buitengebied Súdwest-Fryslân-II ontwerp
43
HOOFDSTUK 4 Beleidskader 4.1
Rijksbeleid
4.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie vastgesteld. De NOVI biedt een langetermijnperspectief op de ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland tot 2050. Met de NOVI geeft het kabinet richting aan de grote opgaven die het aanzien van Nederland de komende dertig jaar ingrijpend zullen veranderen. De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) geeft richting voor keuzes, inspireert, stelt kaders en zorgt voor een integrale aanpak van strategische opgaven in de fysieke leefomgeving. Vier prioriteiten staan centraal: 1. ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; 2. een duurzaam en (circulair) economisch groeipotentieel; 3. sterke en gezonde steden en regio’s; 4. een toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. De NOVI stelt een integrale aanpak voor, waarbij samengewerkt wordt met andere overheden en maatschappelijke organisaties. De opgaven rond wonen, klimaat, energie, circulaire economie, verkeer en vervoer en landbouw zijn zo groot en ingewikkeld dat meer sturing vanuit het Rijk nodig is. Behoud van omgevingskwaliteit staat in de NOVI centraal. Dat wil zeggen dat alle ontwikkelingen met oog voor de natuur, gezondheid, milieu en duurzaamheid plaatsvinden. De NOVI maakt hierbij gebruik van drie afwegingsprincipes: 1. combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies; 2.
kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal; 3. afwentelen wordt voorkomen. Het rijk heeft de volgende inhoudelijke keuzes vastgelegd in de NOVI: 1. een klimaatbestendige inrichting van Nederland. Daarvoor is nodig dat functies meer in evenwicht met natuurlijke systemen (bodem en water) worden ingepast; 2. de transitie van de energievoorziening, bij de inpassing van duurzame energie is er oog voor de omgevingskwaliteit; 3. de transitie naar een circulaire economie met behoud van concurrentiekracht en een aantrekkelijk vestigingsklimaat; 4. de ontwikkeling van het Stedelijk Netwerk Nederland; hiermee stuurt het rijk op de verstedelijking in samenhang met bereikbaarheid. Woningbouw wordt versneld met oog voor omgevingskwaliteit; 5. concentratie van de stedelijke ontwikkeling/logistieke functies en behoud van de openheid van het landschap; 6. herindeling van het landelijk gebied in evenwicht met natuur en landschap. Werken aan de omslag naar de kringlooplandbouw. Doorwerking in onderhavig bestemmingsplan: Met onderhavig bestemmingsplan zijn geen nationale belangen in het geding: onderhavig plan heeft geen betrekking op één van de dertien nationale belangen uit de NOVI.
Buitengebied Súdwest-Fryslân-II ontwerp
44
4.1.2 Ladder voor duurzame verstedelijking In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte is de "ladder voor duurzame verstedelijking" geïntroduceerd. Deze ladder is ingericht voor een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten, waardoor de ruimte in stedelijke gebieden optimaal benut wordt. De ladder voor duurzame verstedelijking is per 1 oktober 2012 verankerd in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Op 1 juli 2017 is het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gewijzigd, waarbij een nieuwe Laddersystematiek geldt. De nieuwe regeling is vastgelegd in artikel 3.1.6 van het Bro. Het begrip ‘stedelijke ontwikkeling’ is in artikel 1.1.1, lid 1, sub i van het Bro gedefinieerd als: ‘een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of anders stedelijke voorzieningen’. Een aantal aspecten zijn van belang om te bepalen of en hoe de ladder moet worden toegepast, waaronder de vraag of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling enof de stedelijke ontwikkeling ‘nieuw’ is. Doorwerking in onderhavig bestemmingsplan: Onderhavig bestemmingsplan is een actualisatie van de vigerende bestemmingsplannen en maakt geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk. De ladder voor duurzame verstedelijking is niet relevant voor onderhavig bestemmingsplan.
4.1.3 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) borgt een aantal van de nationale ruimtelijke belangen die deel uitmaken van het geldende nationale beleid. Het besluit is gericht op doorwerking van de nationale belangen in provinciaal beleid en gemeentelijke bestemmingsplannen. Dat betekent dat het Barro voor de opgenomen onderwerpen regels geeft over bestemmingen en het gebruik van gronden. Daarnaast kan zij aan de gemeente opdragen in de toelichting bij een bestemmingsplan bepaalde zaken uitdrukkelijk te motiveren. Het Barro is op 1 oktober 2012 in werking getreden. Binnen het Barro worden de volgende onderdelen besproken: • Rijksvaarwegen; • Project Mainportontwikkeling Rotterdam; • Kustfundament; • Grote rivieren; • Hoofdwegen en landelijke spoorwegen; • Elektriciteitsvoorziening; • Waddenzee en waddengebied; • Defensie;
Buitengebied Súdwest-Fryslân-II ontwerp
45
• • •
Primaire waterkeringen buiten het kustfundament; Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde; Buisleidingen van nationaal belang voor het vervoer van gevaarlijke stoffen
Het merendeel van de regels legt beperkingen op, daarin is een gradatie te onderkennen. Deze zijn geformuleerd als een 'ja-mits', een 'ja, voor zover', een 'nee-tenzij', een 'nee-als' of een stringente 'nee' bepaling. De nationale belangen zoals geformuleerd in het Barro zijn geen onderdeel van dit bestemmingsplan dus niet in het geding. 4.1.4 Structuurvisie Buisleidingen 2012 - 2035 De Structuurvisie Buisleidingen 2012 – 2035 uit (2012 heeft het Structuurschema Buisleidingen uit 1985 vervangen. De structuurvisie regelt de doorwerking van ruimtereservering voor buisleidingen (en stroken). De Structuurvisie Buisleidingen 2012 – 2035 geeft de hooflijnen voor leidingtracés en eventuele verbindingen tussen buisleidingen aan. De structuurvisie is vastgelegd na overleg met de Rijksoverheid en de decentrale overheden. In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte en het Barro is het reserveren van ruimte voor transportleidingen voor gevaarlijke stoffen aangewezen als nationaal belang. In de Structuurvisie Buisleidingen 2012 – 2035 is dit nationaal belang uitgewerkt voor buisleidingen op land. Hierbij is voortgebouwd op het beleid zoals dat de afgelopen jaren voor buisleidingen ten bate van het transport van gevaarlijke stoffen ontwikkeld is . In de structuurvisie zijn de hoofdverbindingen aangewezen waar ruimte moet worden vrijgehouden voor buisleidingen.
Deze zogenoemde leidingstroken mogen niet worden bebouwd.
Figuur 6: uitsnede van de visiekaart Buisleidingen
Buitengebied Súdwest-Fryslân-II ontwerp
46
Het Besluit externe veiligheid buisleidingen bepaalt nog eens extra dat bestaande buisleidingen uit oogpunt van veiligheid planologisch relevant zijn en daarom moeten worden opgenomen in het bestemmingsplan. De ligging van bestaande buisleidingen met een belemmeringenstrook aan weerszijden van, afhankelijk van de soort leiding, tenminste 4 of 5 meter voor het onderhoud van de leiding moet worden vastgelegd. Hieraan gekoppeld geldt een bouwverbod en een vergunningenstelsel voor uitzonderingen op het bouwverbod. In figuur 5 is het tracé van één of meer hoofd hogedrukaardgastranstportleidingen weergegeven. Daarop is te zien dat het tracé van deze hoofdleiding ook dwars door de gemeente Súdwest-Fryslân en ook door het plangebied van onderhavig bestemmingsplan loopt. Onderhavig bestemmingsplan is een actualisatie van het vigerende ruimtelijk kader en is derhalve conserverend. Het tracé van de hogedrukaardgastransportleidingen wordt op de verbeelding weergegeven. 4.1.5 Kamerbrief Water en Bodem sturend. Water en bodem zijn van grote invloed op ons dagelijks leven. We halen ons drinkwater uit de bodem. De bodem biedt stevigheid, als fundament voor onze wegen en huizen. Is de bodem te nat of juist te droog? Dan merken we dat aan lagere opbrengsten, schade aan de natuur of in de supermarkt aan hogere prijzen.
Elk stukje bodem en oppervlaktewater in ons land is in gebruik, soms voor vele doeleinden tegelijk. En niet alleen wat je ziet. Ook onder de grond is het een drukte van jewelste. Buizen, pijpen, kabels, winning van grondstoffen. Op die bodem moeten we zuinig zijn. 4.1.6 Water Europees en Rijksbeleid Kaderrichtlijn Water De Kaderrichtlijn Water (KRW) heeft als doel de kwaliteit van oppervlakte- en grondwater in de Europese wateren te verbeteren ("goede toestand") en die kwaliteit te waarborgen. Het belangrijkste middel om dit doel te bereiken is het stroomgebiedbeheersplan (SGBP). In een dergelijk plan worden de waterkwaliteitsdoelen en de daarvoor benodigde maatregelen beschreven om deze goede toestand te bereiken. Nederland maakt deel uit van vier internationale stroomgebieden, waarbij de gemeente Súdwest-Fryslân in het stroomgebied van de Rijn Noord valt. In het stroomgebiedbeheerplan van de Rijndelta staan de doelen en bijbehorende maatregelen om een goede toestand van oppervlakte- en grondwater te bereiken. Waterwet De Waterwet (december 2009) stelt integraal waterbeheer op basis van de
Buitengebied Súdwest-Fryslân-II ontwerp
47
'watersysteem-benadering' centraal. Deze benadering gaat uit van het geheel van relaties binnen watersystemen. Denk hierbij aan de relaties tussen waterkwaliteit, kwantiteit, oppervlakte- en grondwater, maar ook aan de samenhang tussen water, grondgebruik en watergebruikers. Hiernaast kenmerkt integraal waterbeheer zich ook door de samenhang met de omgeving. Dit komt tot uitdrukking in relaties met beleidsterreinen als natuur, milieu en ruimtelijke ordening. Met de Waterwet is de gemeente beter uitgerust om onder andere wateroverlast tegen te gaan. Wet ruimtelijke ordening en de Watertoets De watertoets is per 1 november 2003 wettelijk verplicht (en vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening). Ruimtelijke plannen van de initiatiefnemer worden overlegd met de waterbeheerder. In de waterparagraaf geeft de initiatiefnemer aan welke afwegingen in het plan ten aanzien van water zijn gemaakt. Het is een toelichting op het doorlopen proces en maakt de besluitvorming ten aanzien van water transparant. In geval van locatiekeuzes en bij herinrichting van bestaand bebouwd gebied geeft de initiatiefnemer expliciet aan welke rol de kosten en risico's van verdroging, verzilting, overstroming en overlast hebben gespeeld bij de besluitvorming. De waterparagraaf grijpt zichtbaar terug op de afsprakennotitie en het wateradvies van de waterbeheerder.