Bijlage 5 - Regels bestemmingsplan BGB-I
Tekst van het document
Artikel 8 8.1
Bedrijf - Mijnbouwlocatie
Bestemmingsomschrijving
De voor 'Bedrijf - Mijnbouwlocatie' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. gaswinning; b. groen; c. water; d. transportleidingen; e. infrastructurele voorzieningen 8.2
Bouwregels
a. Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels: 1
de bouwhoogte van een afblaaspijp mag niet meer dan 15 m bedragen;
2
de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer dan 5 m bedragen.
8.3
Nadere eisen
Burgemeester en Wethouders kunnen met het oog op het voorkomen van een onevenredige aantasting van: −
de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;
−
de milieusituatie;
−
het straat- en bebouwingsbeeld;
−
de verkeersveiligheid;
−
de watersituatie;
−
de (openlucht) recreatiemogelijkheden;
−
het landschappelijk beeld.
nadere eisen stellen aan: a. de plaats van gebouwen; b. de plaats van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, indien de bouwhoogte meer dan 3 m bedraagt. 8.4 8.4.1
Specifiek gebruiksregels Strijdig gebruik
Tot een gebruik in strijd met de bestemming wordt begrepen het gebruik dat afwijkt van de bestemmingsomschrijvingen, waaronder in ieder geval wordt begrepen: a. de opslag van gassen en kernafval in de ondergrond.
Artikel 9 9.1
Bedrijf - Nutsvoorziening
Bestemmingsomschrijving
De voor 'Bedrijf - Nutsvoorziening' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. openbare nutsvoorzieningen, b. molens; c. een gasdrukmeet- en regelstation, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - gasdrukmeet- en regelstation"; d. "specifieke vorm van bedrijf - windmotor" een windmotor ten behoeve van de waterhuishouding, alsmede voor behoud, versterking en/of herstel van de aan de molen eigen zijnde cultuurhistorische waarden; met daaraan ondergeschikt: e. water; f. groenvoorzieningen g parkeervoorzieningen, waarbij voldaan wordt aan de bepalingen in artikel 51.1; en ter plaatse van de aanduiding: h. "bedrijfswoning", uitsluitend een bedrijfswoning is toegestaan; 9.2
Bouwregels
a. Algemeen gelden voor alle bouwwerken de volgende regels: 1
ter plaatse van de aanduiding “specifieke bouwaanduiding – monument” zijn de regels van toepassing zoals opgenomen in artikel 46.2 van toepassing;
2
ter plaatse van de aanduiding “karakteristiek” zijn de regels van toepassing zoals opgenomen in artikel 46.3 van toepassing;
b. Voor het bouwen van bedrijfsgebouwen gelden de volgende regels: 1
de oppervlakte per gebouw mag niet meer dan 150 m² bedragen;
2
er mogen geen bedrijfswoningen worden gebouwd;
3
de goot- en bouwhoogte mogen niet meer dan respectievelijk 3,5 m en 6 m bedragen.
c. Voor het bouwen van een bedrijfswoning, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning", gelden de volgende regels: 1
de oppervlakte van een niet-inpandige bedrijfswoning mag niet meer dan 150 m2 bedragen;
2
het aantal bedrijfswoningen mag niet meer dan 1 bedragen;
3
de goothoogte van een niet-inpandige bedrijfswoning bedraagt maximaal 4,5 meter danwel de bestaande goothoogte;
4
de bouwhoogte van een niet-inpandige bedrijfswoning bedraagt maximaal 10 meter danwel de bestaande bouwhoogte;
5
de dakhelling van een niet-inpandige bedrijfswoning mag niet minder dan 30 o bedragen.
d. Met betrekking tot bijbehorende bouwwerken en overkappingen bij bedrijfswoningen geldt dat: 1
bijbehorende bouwwerken en overkappingen op niet minder dan 3 m achter (het verlengde van) de naar de weg gekeerde gevel van de bedrijfswoning mogen worden gebouwd;
2
de goothoogte van aangebouwde bijbehorende bouwwerken en overkappingen niet meer dan 3 m mag bedragen, dan wel niet meer dan de hoogte van de bovenzijde van de afgewerkte vloer van de eerste verdieping van de bedrijfswoning waaraan wordt gebouwd;
3
de goothoogte van vrijstaande bijbehorende bouwwerken niet meer dan 3 m mag bedragen;
4
de bouwhoogte van vrijstaande bijbehorende bouwwerken niet meer dan 5,5 m mag bedragen;
5
de bouwhoogte van aan de bedrijfswoning gebouwde bijbehorende bouwwerken en overkappingen niet meer dan 7 m mag bedragen, met dien verstande dat: − de bouwhoogte van aan de bedrijfswoning gebouwde bijbehorende bouwwerken en overkappingen minimaal 1 m lager is dan de bouwhoogte van de bedrijfswoning, en; − de bouwhoogte van aan de bedrijfswoning gebouwde bijbehorende bouwwerken en overkappingen welke maximaal 1 wand hebben, niet meer dan 5,5 meter mag bedragen;
6
de gezamenlijke oppervlakte van bijbehorende bouwwerken en overkappingen per bedrijfswoning niet meer dan 100 m² mag bedragen, met dien verstande dat: − indien er meerdere bedrijfswoningen aanwezig zijn, de totale oppervlakte van bijbehorende bouwwerken en overkappingen per bestemmingsvlak niet dan 150 m2 mag bedragen; − de gezamenlijke oppervlakte van bijbehorende bouwwerken en overkappingen niet meer dan 90% van de oppervlakte van de bedrijfswoning mag bedragen.
e. Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels: 1
de bouwhoogte van terrein- en erfafscheidingen mag niet meer dan 2 m bedragen;
2
de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer dan 5 m bedragen;
3
Voor het bouwen van een windmotor, ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van “bedrijf - windmotor" gelden de volgende regels: − de bouwhoogte van een windmotor mag niet meer bedragen dan de bestaande bouwhoogte; − de diameter van een windmotor mag niet meer bedragen dan de bestaande diameter.
4
de hoogte van een molen zal ten hoogste de bestaande bouwhoogte bedragen.
9.3
Nadere eisen
Burgemeester en Wethouders kunnen met het oog op het voorkomen van een onevenredige aantasting van: −
de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;
−
de milieusituatie;
−
het straat- en bebouwingsbeeld;
−
de verkeersveiligheid;
−
de watersituatie;
−
de (openlucht) recreatiemogelijkheden;
−
de cultuurhistorische waarde;
−
het landschappelijk beeld.
nadere eisen stellen aan: a. de plaats van gebouwen; b. de plaats van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, indien de bouwhoogte meer dan 3 m bedraagt. 9.4
Afwijken van de bouwregels
a. Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in: 1
lid 9.2 onder d, sub 1 het bouwen op minder dan 3 m achter (het verlengde van ) de naar de weg gekeerde gevel van de bedrijfswoning;
2
lid 9.2 onder c, sub 1 voor het bouwen van een bedrijfswoning met een oppervlakte >150 m2, mits: - er in geringe mate wordt afgeweken van de bestaande maatvoeringen en gevelindeling van de karakteristieke bebouwing in de vorm van een stelp, kophals-rompboerderij of kop-rompboerderij.
9.4.1
Toetsingscriteria
a. De in lid 9.4 genoemde omgevingsvergunning kan slechts worden verleend, mits geen afbreuk wordt gedaan aan: −
de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;
−
de milieusituatie;
−
het straat- en bebouwingsbeeld;
−
de verkeersveiligheid;
−
de watersituatie;
−
de (openlucht) recreatie mogelijkheden;
−
cultuurhistorische waarden;
−
het landschappelijk beeld.
Artikel 10 10.1
Bos
Bestemmingsomschrijving
De voor ‘Bos’ aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. bos en bebossing; b. het behoud, het herstel en/of ontwikkeling van de landschappelijke en/of natuurlijke waarden van de gronden; c. een gasdrukmeet- en regelstation, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - gasdrukmeet- en regelstation"; met daaraan ondergeschikt: d. voet-, fiets- en ruiterpaden; e. dagrecreatieve en educatieve voorzieningen, uitsluitend in de vorm van parkeer-, en picknickvoorzieningen en naar de aard daaraan gelijk te stellen kleinschalige voorzieningen; f. nutsvoorzieningen; g. voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding 10.2
Bouwregels
a. Op of in deze gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd. b. Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels: 1
de bouwhoogte van terrein- en erfafscheidingen mag niet meer dan 2 m bedragen;
2
de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer dan 5 m bedragen.
10.3 10.3.1
Afwijken van de bouwregels Afwijkingen
Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 10.2, sub b, onder 2 en toestaan dat de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, wordt vergroot tot 10 m. 10.3.2
Toetsingscriteria
1. De in lid 10.3.1 genoemde omgevingsvergunning kan slechts worden verleend, mits geen afbreuk wordt gedaan aan: −
de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;
−
de milieusituatie;
−
het straat- en bebouwingsbeeld;
−
de verkeersveiligheid;
−
de watersituatie;
−
de (openlucht) recreatiemogelijkheden;
2. De in lid 10.3.1 bedoelde omgevingsvergunning kan uitsluitend worden verleend indien de landschappelijke, cultuurhistorische en natuurlijke waarden niet onevenredig worden geschaad. 10.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde of van werkzaamheden a. Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag, de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren: 1
het af- en/of vergraven, het egaliseren en/of ophogen van gronden;
2
het verwijderen van bomen en/of houtgewas, alsmede de verwijdering van oevervegetaties;
3
het graven, baggeren en/of verbreden van sloten, poelen en/of andere waterlopen en/of -partijen;
4
het verwijderen en aanbrengen van dammen en overlaten;
5
het aanbrengen van oppervlakteverhardingen;
6
het aanleggen van voorzieningen ten behoeve van het extensief dagrecreatief medegebruik en/of het educatief medegebruik;
7
het aanleggen, verbreden of verharden van paden/wegen;
8
het aanleggen van ondergrondse of bovengrondse transport-, energie- en/of communicatieleidingen. •
b. Het in sub a vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden welke: 1
het normale onderhoud betreffen;
2
reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het inwerkingtreding van dit plan;
3
noodzakelijk zijn voor het aansluiten van bouwwerken op het net van openbare nutsvoorzieningen; en indien bepalingen in andere wetten in materiële zin, welke wetten mede beogen de belangen en waarden van planologische aard te beschermen, hierop van toepassing zijn.
c. Het bevoegd gezag verleent de vergunning voor de in sub a genoemde werken en werkzaamheden, geen bouwwerken zijnde, slechts indien de cultuurhistorische, natuurlijke en landschappelijke waarden hierdoor niet onevenredig worden geschaad. Indien de gronden waarop de vergunning ziet onderdeel uitmaken van de NNN (Natuur Netwerk Nederland) of ‘Natuur buiten de NNN’ conform de provinciale Verordening, er aanvullend sprake dient te zijn van een ontwikkeling van openbaar belang.
Artikel 11 11.1
Cultuur en ontspanning
Bestemmingsomschrijving
De voor ‘Cultuur en ontspanning’ aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. cultuur en ontspanningsbedrijven; b. een bestaand herdenkingsmonument; met daaraan ondergeschikt: c. water; d. groenvoorzieningen; e parkeervoorzieningen, waarbij voldaan wordt aan de bepalingen in artikel 51.1; 11.2
Bouwregels
a. Voor het bouwen van bedrijfsgebouwen gelden de volgende regels: 1
op of in deze gronden mogen geen bedrijfswoningen worden gebouwd;
2
overige bedrijfsgebouwen moeten binnen een bouwvlak worden gebouwd;
3
de goothoogte mag niet meer bedragen dan de bestaande goothoogte;
4
de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan de bestaand bouwhoogte.
b. Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels: 1
de bouwhoogte van terrein- en erfafscheidingen mag niet meer dan 2 m bedragen;
2
de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer dan 5 m bedragen.
11.2.1
Algemeen
Algemeen gelden voor alle bouwwerken de volgende regels: a. ter plaatse van de aanduiding “specifieke bouwaanduiding – monument” zijn de regels van toepassing zoals opgenomen in artikel 46.2 van toepassing; b. ter plaatse van de aanduiding “karakteristiek” zijn de regels van toepassing zoals opgenomen in artikel 46.3 van toepassing; 11.3
Specifieke gebruiksregels
Tot een gebruik, strijdig met deze bestemming, wordt in ieder geval gerekend: a. het gebruik van gronden en bouwwerken voor verblijfsrecreatieve doeleinden; het gebruik van gronden en bouwwerken voor permanente en/of recreatieve bewoning.
11.4
Wijzigingsbevoegdheid
−
Burgemeester en Wethouders kunnen het plan wijzigen in die zin dat:
a
de bestemming wordt gewijzigd in de bestemming ‘Wonen' met dien verstande dat: 1
de wijziging uitsluitend betrekking kan hebben op de bebouwing binnen het bestaande bestemmingsvlak;
2
geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de milieusituatie, de woonsituatie, de verkeersveiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;
3
de woning passend is binnen het geldende woningbouwprogramma
4
de geluidsbelasting op de gevels van de geluidsgevoelige gebouwen niet hoger is dan de daarvoor geldende voorkeursgrenswaarde of een verkregen hogere waarde;
5
parkeren op eigen erf dient plaats te vinden;
6
voor het overige de regels van Artikel 29 Wonen van overeenkomstige toepassing zijn.
Artikel 12 12.1
Detailhandel
Bestemmingsomschrijving
De voor ‘Detailhandel’ aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. het uitoefenen van detailhandel; b. een tuincentrum, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "tuincentrum"; c. een antiekboerderij, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van detailhandel - antiekboerderij"; d. bedrijfswoningen; met daaraan ondergeschikt: e. aan-huis-verbonden beroepen; f. bêd & brochje, mits het aantal daarvoor beschikbare kamers beperkt blijft tot 2 per bedrijfswoning, met een maximum van 5 slaapplaatsen g. water; h. groenvoorzieningen; i parkeervoorzieningen, waarbij voldaan wordt aan de bepalingen in artikel 51.1; 12.2
Bouwregels
a. Algemeen gelden voor alle bouwwerken de volgende regels: 1
ter plaatse van de aanduiding “karakteristiek” zijn de regels van toepassing zoals opgenomen in artikel 46.3 van toepassing;
b. Voor het bouwen van bedrijfsgebouwen en bedrijfswoningen gelden de volgende regels: 1
het aantal bedrijfswoningen per bestemmingsvlak mag niet meer dan 1 bedragen;
2
de oppervlakte van een niet-inpandige bedrijfswoning mag niet meer dan 150m2 bedragen dan wel het bestaande oppervlakte indien deze meer is;
3
de goothoogte van een bedrijfswoning mag niet meer dan 4,5 m bedragen, dan wel de bestaande goothoogte indien deze meer is;
4
de bouwhoogte van een bedrijfswoning mag niet meer dan 10 m bedragen, dan wel de bestaande bouwhoogte indien deze meer is;
5
bedrijfsgebouwen en bedrijfswoningen moeten binnen het bestemmingsvlak gebouwd worden;
6
de goothoogte van overige bedrijfsgebouwen mag niet meer bedragen dan de bestaande goothoogte;
7
de bouwhoogte van overige bedrijfsgebouwen mag niet meer bedragen dan de bestaande bouwhoogte;
8
de oppervlakte van overige bedrijfsgebouwen mag niet meer bedragen dan de bestaande oppervlakte.
c. Met betrekking tot bijbehorende bouwwerken en overkappingen bij bedrijfswoningen geldt dat: 1
bijbehorende bouwwerken en overkappingen op niet minder dan 3 m achter (het verlengde van) de naar de weg gekeerde gevel van de bedrijfswoning mogen worden gebouwd;
2
de goothoogte van aangebouwde bijbehorende bouwwerken en overkappingen niet meer dan 3 m mag bedragen, dan wel niet meer dan de hoogte van de bovenzijde van de afgewerkte vloer van de eerste verdieping van de bedrijfswoning waaraan wordt gebouwd;
3
de goothoogte van vrijstaande bijbehorende bouwwerken niet meer dan 3 m mag bedragen;
4
de bouwhoogte van vrijstaande bijbehorende bouwwerken niet meer dan 5,5 m mag bedragen;
5
de bouwhoogte van aan de bedrijfswoning gebouwde bijbehorende bouwwerken en overkappingen niet meer dan 7 m mag bedragen, met dien verstande dat: − de bouwhoogte van aan de bedrijfswoning gebouwde bijbehorende bouwwerken en overkappingen minimaal 1 m lager is dan de bouwhoogte van de bedrijfswoning, en; − de bouwhoogte van aan de bedrijfswoning gebouwde bijbehorende bouwwerken en overkappingen welke maximaal 1 wand hebben, niet meer dan 5,5 meter mag bedragen;
6
de gezamenlijke oppervlakte van bijbehorende bouwwerken en overkappingen per bedrijfswoning niet meer dan 100 m² mag bedragen, met dien verstande dat: − indien er meerdere bedrijfswoningen aanwezig zijn, de totale oppervlakte van bijbehorende bouwwerken en overkappingen per bestemmingsvlak niet dan 150 m2 mag bedragen; − de gezamenlijke oppervlakte van bijbehorende bouwwerken en overkappingen niet meer dan 90% van de oppervlakte van de bedrijfswoning mag bedragen.
d. Met betrekking tot bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde, geldt dat: 1
de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen voor (het verlengde van) de naar de weg gekeerde gevel van het hoofdgebouw niet meer dan 1 m mag bedragen;
2
de bouwhoogte van overige terrein- en erfafscheidingen niet meer dan 2 m mag bedragen;
3
de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde, niet meer dan 5,5 m mag bedragen.
e. In aanvulling op 12.2 onder b, gelden ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van detailhandel - tuincentrum" de volgende regels: 1
kassen mogen uitsluitend worden gebouwd binnen het bestemmingsvlak;
2
de bouwhoogte van kassen mag niet meer dan 10 m mag bedragen.
12.3
Nadere eisen
Burgemeester en Wethouders kunnen met het oog op het voorkomen van een onevenredige aantasting van: −
de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;
−
de milieusituatie;
−
het straat- en bebouwingsbeeld;
−
de verkeersveiligheid;
−
de watersituatie;
−
de (openlucht) recreatiemogelijkheden;
−
cultuurhistorische waarden;
−
het landschappelijk beeld,
nadere eisen stellen aan: a. de plaats van gebouwen; b. de plaats en bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, indien de bouwhoogte meer dan 1,5 m bedraagt. 12.4
Afwijken van de bouwregels
Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in: a. lid 12.2 onder c, sub 1 het bouwen op minder dan 3 m achter (het verlengde van ) de naar de weg gekeerde gevel van de bedrijfswoning; b. lid 12.2 onder b, sub 2 voor het bouwen van een bedrijfswoning met een oppervlakte >150 m2, mits: 1
12.4.1
er in geringe mate wordt afgeweken van de bestaande maatvoeringen en gevelindeling van de karakteristieke bebouwing in de vorm van een stelp, kophals-rompboerderij of kop-rompboerderij. Toetsingscriteria
a. De in lid 12.4 genoemde omgevingsvergunning kan slechts worden verleend, mits geen afbreuk wordt gedaan aan: −
de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;
−
de milieusituatie;
−
het straat- en bebouwingsbeeld;
−
de verkeersveiligheid;
−
de watersituatie;
−
de (openlucht) recreatie mogelijkheden;
−
cultuurhistorische waarden;
−
het landschappelijk beeld.
Artikel 13 13.1
Groen
Bestemmingsomschrijving
De voor ‘Groen’ aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. groenvoorzieningen, met dien verstande dat de functie als landschapselement moet worden gehandhaafd; b. bos en bebossing; c. bermen en beplanting; d. paden; e. speelvoorzieningen f. waterlopen en waterpartijen; g. bergingen voor woonschepenligplaatsen ter plaatse van de aanduiding 'woonschepenligplaats'; h. nutsvoorzieningen met daaraan ondergeschikt: i.
dagrecreatieve voorzieningen;
j. verhardingen; k parkeervoorzieningen, waarbij voldaan wordt aan de bepalingen in artikel 51.1; 13.2
Bouwregels
a. Op of in deze gronden mogen uitsluitend gebouwen ten behoeve van openbare nutsvoorzieningen en voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding worden gebouwd, hiervoor gelden de volgende regels: 1
de inhoud per gebouw mag niet meer dan 50 m³ bedragen.
b. Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels: 1
de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, voor de geleiding, beveiliging en regeling van het verkeer mag niet meer dan 15 meter bedragen;
2
de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer dan 3 meter bedragen.
c. Voor het bouwen van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van de woonschepen gelden de volgende regels: 1
de oppervlakte en de bouwhoogte van de bergingen bij de woonschepen mogen niet meer bedragen dan bestaand;
2
bergingen mogen uitsluitend worden gebouwd ter plaatse van de aanduiding 'woonschepenligplaats';
3
uitsluitend de bestaande aanlegvoorzieningen, waaronder steigers, vlonders en oeverbeschoeiingen zijn toegestaan.
d. In afwijking van sub c geldt dat er op het perceel Stationswei 44 in Molkwerum geen bergingen mogen worden gebouwd. 13.3
Nadere eisen
Burgemeester en Wethouders kunnen met het oog op het voorkomen van een onevenredige aantasting van: −
de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;
−
de milieusituatie;
−
het straat- en bebouwingsbeeld;
−
de verkeersveiligheid;
−
de watersituatie;
−
de (openlucht) recreatiemogelijkheden;
−
het landschappelijk beeld.
nadere eisen stellen aan: a. de plaats van gebouwen; b. de plaats en bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, indien de bouwhoogte meer dan 1,5 m bedraagt. 13.4
Afwijken van de bouwregels
Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in: a. lid 13.2 onder c en d voor het bouwen van een berging met dien verstande dat: 1
maximaal 1 berging is toegestaan;
2
de oppervlakte van de berging maximaal 10 m2 mag bedragen;
3
de toegankelijkheid van het achterliggende perceel gewaarborgd blijft;
4
de waterbeheerder positief heeft geadviseerd.
13.5 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden a. Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag, de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren: 1
het afgraven, verlagen, vergraven, ophogen of egaliseren van de bodem;
2
het aanleggen van ondergrondse transport- of telecommunicatieleidingen;
3
het aanleggen verbreden of verharden van paden/wegen en het aanbrengen van oppervlakteverhardingen;
4
het graven of dempen van sloten/watergangen;
5
het vellen of rooien van de houtopstanden, dan wel het uitvoeren van andere werken en/of werkzaamheden welke de dood of ernstige beschadiging van de houtopstanden beogen dan wel tot gevolg hebben.
b. Het bepaalde in sub a geldt niet voor het uitvoeren van werken of werkzaamheden die: 1
het normale onderhoud en beheer betreffen;
2
die in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan;
3
mogen worden uitgevoerd op basis van een reeds verleende omgevingsvergunning.
c. De in sub a bedoelde vergunning wordt slechts verleend indien geen onevenredige aantasting plaatsvindt van: 1
het landschappelijk beeld;
2
de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;
3
cultuurhistorische waarden;
4
de watersituatie;
5
de verkeersveiligheid.
d. De in sub a bedoelde vergunning wordt slechts verleend indien door die andere werken en/of werkzaamheden de landschappelijke waarde van de houtopstanden niet in onevenredige mate worden aangetast, dan wel de mogelijkheden voor het behoud, de versterking en/of het herstel van die waarde niet in onevenredige mate worden verkleind en indien een afweging van de in het geding zijnde belangen tot uitkomst heeft, dat een omgevingsvergunning in redelijkheid niet kan worden geweigerd.
Artikel 14 14.1
Horeca
Bestemmingsomschrijving
De voor ‘Horeca’ aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. horecabedrijven in horecacategorie 1, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'horeca tot en met categorie 1'; b. horecabedrijven in horecacategorie 4, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'horeca tot en met categorie 4'; c. bedrijfswoningen, met uitzondering ter plaatse van de aanduiding ‘bedrijfswoning uitgesloten’, waar wonen niet is toegestaan; met daaraan ondergeschikt: d. aan-huis-verbonden beroepen; e. water; f. groenvoorzieningen; g parkeervoorzieningen, waarbij voldaan wordt aan de bepalingen in artikel 51.1; 14.2
Bouwregels
a. Algemeen gelden voor alle bouwwerken de volgende regels: 1
ter plaatse van de aanduiding “specifieke bouwaanduiding – monument” zijn de regels van toepassing zoals opgenomen in artikel 46.2 van toepassing;
2
ter plaatse van de aanduiding “karakteristiek” zijn de regels van toepassing zoals opgenomen in artikel 46.3 van toepassing;
b. Voor het bouwen van bedrijfsgebouwen en bedrijfswoningen gelden de volgende regels: 1
bedrijfsgebouwen en bedrijfswoningen moeten binnen het bouwvlak gebouwd worden;
2
de goothoogte mag niet meer bedragen dan de bestaande goothoogte;
3
de bouwhoogte van bedrijfsgebouwen mag niet meer bedragen dan de bestaande bouwhoogte;
4
het aantal bedrijfswoningen per bestemmingsvlak mag niet meer dan 1 bedragen, met dien verstande dat er ter plaatse van de aanduiding ‘bedrijfswoning uitgesloten’ geen bedrijfswoning is toegestaan;
5
de oppervlakte van een bedrijfswoning mag niet meer dan 150 m² bedragen;
6
de goothoogte van een bedrijfswoning mag niet meer dan 4,5 m bedragen, dan wel de bestaande goothoogte indien deze meer is;
7
de bouwhoogte van een bedrijfswoning mag niet meer dan 10 m bedragen, dan wel de bestaande bouwhoogte indien deze meer is; 8. de afstand van de voorgevel van een bedrijfswoning tot de as van een weg met de bestemming 'Verkeer - Wegverkeer' mag niet minder dan de bestaande afstand bedragen. c. Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken en overkappingen bij bedrijfswoningen gelden de volgende regels: 1
bijbehorende bouwwerken en overkappingen op niet minder dan 3 m achter (het verlengde van) de naar de weg gekeerde gevel van de bedrijfswoning mogen worden gebouwd;
2
de goothoogte van aangebouwde bijbehorende bouwwerken en overkappingen niet meer dan 3 m mag bedragen, dan wel niet meer dan de hoogte van de
bovenzijde van de afgewerkte vloer van de eerste verdieping van de bedrijfswoning waaraan wordt gebouwd; 3
de goothoogte van vrijstaande bijbehorende bouwwerken niet meer dan 3 m mag bedragen;
4
de bouwhoogte van vrijstaande bijbehorende bouwwerken niet meer dan 5,5 m mag bedragen;
5
de bouwhoogte van aan de bedrijfswoning gebouwde bijbehorende bouwwerken en overkappingen niet meer dan 7 m mag bedragen, met dien verstande dat: − de bouwhoogte van aan de bedrijfswoning gebouwde bijbehorende bouwwerken en overkappingen minimaal 1 m lager is dan de bouwhoogte van de bedrijfswoning, en; − de bouwhoogte van aan de bedrijfswoning gebouwde bijbehorende bouwwerken en overkappingen welke maximaal 1 wand hebben, niet meer dan 5,5 meter mag bedragen;
6
de gezamenlijke oppervlakte van bijbehorende bouwwerken en overkappingen per bedrijfswoning niet meer dan 100 m² mag bedragen, met dien verstande dat: − indien er meerdere bedrijfswoningen aanwezig zijn, de totale oppervlakte van bijbehorende bouwwerken en overkappingen per bestemmingsvlak niet dan 150 m2 mag bedragen; − de gezamenlijke oppervlakte van bijbehorende bouwwerken en overkappingen niet meer dan 90% van de oppervlakte van de bedrijfswoning mag bedragen.
d. Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels: 1
de bouwhoogte van terrein- en erfafscheidingen mag niet meer dan 2 m bedragen;
2
de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer dan 5,5 m bedragen.
14.3
Nadere eisen
Burgemeester en Wethouders kunnen met het oog op het voorkomen van een onevenredige aantasting van: −
de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;
−
de milieusituatie;
−
het straat- en bebouwingsbeeld;
−
de verkeersveiligheid;
−
de watersituatie;
−
de (openlucht) recreatiemogelijkheden;
−
het landschappelijk beeld.
nadere eisen stellen aan: a. de plaats van gebouwen; b. de plaats en bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, indien de bouwhoogte meer dan 1,5 m bedraagt. 14.4 14.4.1
Afwijken van de bouwregels Afwijkingen
Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in:
a. lid 14.2, sub b, onder 8 voor het bouwen van de voorgevel van een bedrijfswoning op een afstand van de weg die minder is dan de bestaande afstand, met dien verstande dat, indien de geluidsbelasting ten gevolge van het wegverkeer meer dan de voorkeursgrenswaarde bedraagt, de omgevingsvergunning slechts wordt verleend in overeenstemming met een verkregen hogere grenswaarde; b. lid 14.2 onder c, sub 1 voor het bouwen op minder dan 3 m achter (het verlengde van) de naar de weg gekeerde gevel van de bedrijfswoning; c. lid 14.2 onder b, sub 5 voor het bouwen van een bedrijfswoning met een oppervlakte >150 m2, mits: 1
14.4.2
er in geringe mate wordt afgeweken van de bestaande maatvoeringen en gevelindeling van de karakteristieke bebouwing in de vorm van een stelp, kophals-rompboerderij of kop-rompboerderij. Toetsingscriteria
De in lid 14.4.1 genoemde omgevingsvergunning kan slechts worden verleend, mits geen afbreuk wordt gedaan aan: −
de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;
−
de milieusituatie;
−
het straat- en bebouwingsbeeld;
−
de verkeersveiligheid;
−
de watersituatie;
−
de (openlucht) recreatiemogelijkheden;
−
het landschappelijk beeld.
14.5
Specifieke gebruiksregels
Tot een gebruik strijdig met deze bestemming wordt begrepen het gebruik dat afwijkt van de bestemmingsomschrijving, waaronder in elk geval wordt begrepen: a. het gebruik van bijgebouwen voor zelfstandige bewoning; b. het splitsen van een bedrijfswoning zodanig dat er meer dan één woning ontstaat; c. het gebruik van de gronden en bouwwerken voor detailhandel, anders dan in de vorm van ondergeschikte detailhandel;
Artikel 15 15.1
Maatschappelijk
Bestemmingsomschrijving
De voor ‘Maatschappelijk’ aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. maatschappelijke voorzieningen; b. een begraafplaats, uitsluitend op de gronden ter plaatse van de aanduiding "begraafplaats"; c. een dierenpension, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "dierenpension"; d. een dierenasiel, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "dierenasiel"; e. een bedrijfswoning, uitsluitend op de gronden ter plaatse van de aanduiding "bedrijfswoning"; met daaraan ondergeschikt: f. water; g. groenvoorzieningen; h . parkeervoorzieningen, waarbij voldaan wordt aan de bepalingen in artikel 51.1; 15.2
Bouwregels
a. Algemeen gelden voor alle bouwwerken de volgende regels: 1
ter plaatse van de aanduiding “specifieke bouwaanduiding – monument” zijn de regels van toepassing zoals opgenomen in artikel 46.2 van toepassing;
2
ter plaatse van de aanduiding “karakteristiek” zijn de regels van toepassing zoals opgenomen in artikel 46.3 van toepassing;
b. Voor het bouwen van bedrijfsgebouwen en bedrijfswoningen gelden de volgende regels: 1
de goot- en bouwhoogte van bedrijfsgebouwen en bedrijfswoningen mag niet meer dan 4,5 m en 10 m bedragen, dan wel de bestaande hoogte indien deze hoger is;
2
de gezamenlijke oppervlakte van bedrijfsgebouwen mag niet meer dan 500 m² bedragen, danwel de bestaande oppervlakte indien deze meer is met dien verstande dat indien er een bouwvlak op het perceel is gelegen de bebouwing binnen het bouwvlak moet zijn gesitueerd;
3
uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "bedrijfswoning" is maximaal 1 bedrijfswoning toegestaan.
c. Met betrekking tot bijbehorende bouwwerken bij bedrijfswoningen geldt dat: 1
bijbehorende bouwwerken en overkappingen op niet minder dan 3 m achter (het verlengde van) de naar de weg gekeerde gevel van de bedrijfswoning mogen worden gebouwd;
2
de goothoogte van aangebouwde bijbehorende bouwwerken en overkappingen niet meer dan 3 m mag bedragen, dan wel niet meer dan de hoogte van de bovenzijde van de afgewerkte vloer van de eerste verdieping van de bedrijfswoning waaraan wordt gebouwd;
3
de goothoogte van vrijstaande bijbehorende bouwwerken niet meer dan 3 m mag bedragen;
4
de bouwhoogte van vrijstaande bijbehorende bouwwerken niet meer dan 5,5 m mag bedragen;
5
de bouwhoogte van aan de bedrijfswoning gebouwde bijbehorende bouwwerken en overkappingen niet meer dan 7 m mag bedragen, met dien verstande dat: − de bouwhoogte van aan de bedrijfswoning gebouwde bijbehorende bouwwerken en overkappingen minimaal 1 m lager is dan de bouwhoogte van de bedrijfswoning, en; − de bouwhoogte van aan de bedrijfswoning gebouwde bijbehorende bouwwerken en overkappingen welke maximaal 1 wand hebben, niet meer dan 5,5 meter mag bedragen;
6
de gezamenlijke oppervlakte van bijbehorende bouwwerken en overkappingen per bedrijfswoning niet meer dan 100 m² mag bedragen, met dien verstande dat: − indien er meerdere bedrijfswoningen aanwezig zijn, de totale oppervlakte van bijbehorende bouwwerken en overkappingen per bestemmingsvlak niet dan 150 m2 mag bedragen; − de gezamenlijke oppervlakte van bijbehorende bouwwerken en overkappingen niet meer dan 90% van de oppervlakte van de bedrijfswoning mag bedragen.
d. In afwijking van lid b gelden voor het bouwen van gebouwen ten behoeve van een begraafplaats de volgende regels: 1
per aanduidingsvlak mogen ten hoogste twee gebouwen worden gebouwd;
2
de oppervlakte van een gebouw zal ten hoogste 100 m² bedragen;
3
de goothoogte van een gebouw zal ten hoogste 3,50 m bedragen;
4
de bouwhoogte van een gebouw zal ten hoogste 5,00 m bedragen.
e. Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels: 1
de bouwhoogte van een klokkenstoel mag niet meer dan de bestaande bouwhoogte bedragen;
2
de bouwhoogte van terrein- en erfafscheidingen mag niet meer dan 2 m bedragen;
3
de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer dan 3 m bedragen
15.3
Nadere eisen
Burgemeester en Wethouders kunnen met het oog op het voorkomen van een onevenredige aantasting van: −
de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;
−
de milieusituatie;
−
het straat- en bebouwingsbeeld;
−
de verkeersveiligheid;
−
de watersituatie;
−
de (openlucht) recreatiemogelijkheden;
−
cultuurhistorische waarden;
−
het landschappelijk beeld.
nadere eisen stellen aan: a. de plaats van gebouwen; b. de plaats en bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, indien de bouwhoogte meer dan 1,5 m bedraagt.
15.4
Afwijken van de bouwregels
Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in: a. lid 15.2 onder c, sub 1 voor het bouwen op minder dan 3 m achter (het verlengde van) de naar de weg gekeerde gevel van de bedrijfswoning. 15.4.1
Toetsingscriteria
a. De in lid 15.4 genoemde omgevingsvergunning kan slechts worden verleend, mits geen afbreuk wordt gedaan aan: −
de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;
−
de milieusituatie;
−
het straat- en bebouwingsbeeld;
−
de verkeersveiligheid;
−
de watersituatie;
−
de (openlucht) recreatie mogelijkheden;
−
cultuurhistorische waarden;
−
het landschappelijk beeld.
Artikel 16 16.1
Maatschappelijk - Zorgboerderij
Bestemmingsomschrijving
De voor ‘Maatschappelijk - Zorgboerderij’ aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. zorgboerderijen; b. een bedrijfswoning; c. agrarisch medegebruik; d. nachtverblijf ten behoeve van het opvangen van mensen met een tijdelijke mentale beperking, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding “specifieke vorm van maatschappelijk – nachtverblijf toegestaan”. met daaraan ondergeschikt: e. aan-huis-verbonden beroepen; f. bêd & brochje, mits het aantal daarvoor beschikbare kamers beperkt blijft tot 2 per bedrijfswoning, met een maximum van 5 slaapplaatsen; g. nutsvoorzieningen; h. groenvoorzieningen; i.
water;
j. erven en terreinen; k .parkeervoorzieningen, waarbij voldaan wordt aan de bepalingen in artikel 51.1; l.
rijbak, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'rijbak;
16.2
Bouwregels
a. Voor het bouwen van bedrijfsgebouwen en bedrijfswoningen gelden de volgende regels: 1
de goot- en bouwhoogte van bedrijfsgebouwen en bedrijfswoningen mag niet meer dan 4,5 m en 10 m bedragen, dan wel de bestaande hoogte indien deze hoger is;
2
de gezamenlijke oppervlakte van bedrijfsgebouwen mag niet meer dan 1.000 m² bedragen, danwel de bestaande oppervlakte indien deze meer is;
3
er is maximaal 1 bedrijfswoning toegestaan;
4
de oppervlakte van een niet-inpandige bedrijfswoning mag niet meer dan 150 m² bedragen;
b. Met betrekking tot bijbehorende bouwwerken en overkappingen bij bedrijfswoningen geldt dat: 1
bijbehorende bouwwerken en overkappingen op niet minder dan 3 m achter (het verlengde van) de naar de weg gekeerde gevel van de bedrijfswoning mogen worden gebouwd;
2
de goothoogte van aangebouwde bijbehorende bouwwerken en overkappingen niet meer dan 3 m mag bedragen, dan wel niet meer dan de hoogte van de bovenzijde van de afgewerkte vloer van de eerste verdieping van de bedrijfswoning waaraan wordt gebouwd;
3
de goothoogte van vrijstaande bijbehorende bouwwerken niet meer dan 3 m mag bedragen;
4
de bouwhoogte van vrijstaande bijbehorende bouwwerken niet meer dan 5,5 m mag bedragen;
5
de bouwhoogte van aan de bedrijfswoning gebouwde bijbehorende bouwwerken en overkappingen niet meer dan 7 m mag bedragen, met dien verstande dat: − de bouwhoogte van aan de bedrijfswoning gebouwde bijbehorende bouwwerken en overkappingen minimaal 1 m lager is dan de bouwhoogte van de bedrijfswoning, en; − de bouwhoogte van aan de bedrijfswoning gebouwde bijbehorende bouwwerken en overkappingen welke maximaal 1 wand hebben, niet meer dan 5,5 meter mag bedragen;
6
de gezamenlijke oppervlakte van bijbehorende bouwwerken en overkappingen per bedrijfswoning niet meer dan 100 m² mag bedragen, met dien verstande dat: − indien er meerdere bedrijfswoningen aanwezig zijn, de totale oppervlakte van bijbehorende bouwwerken en overkappingen per bestemmingsvlak niet dan 150 m2 mag bedragen; − de gezamenlijke oppervlakte van bijbehorende bouwwerken en overkappingen niet meer dan 90% van de oppervlakte van de bedrijfswoning mag bedragen.
c. Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels: 1
de bouwhoogte van terrein- en erfafscheidingen mag niet meer dan 2 m bedragen;
2
de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer dan 3 m bedragen
16.3
Nadere eisen
Burgemeester en Wethouders kunnen met het oog op het voorkomen van een onevenredige aantasting van: −
de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;
−
de milieusituatie;
−
het straat- en bebouwingsbeeld;
−
de verkeersveiligheid;
−
de watersituatie;
−
de (openlucht) recreatiemogelijkheden;
−
het landschappelijk beeld.
nadere eisen stellen aan: a. de plaats van gebouwen; b. de plaats en bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, indien de bouwhoogte meer dan 1,5 m bedraagt. 16.4
Afwijken van de bouwregels
Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in: a. lid 16.2, sub a, onder 1 tot een goothoogte van niet meer dan 6,5 m voor gebouwen voor machineberging in relatie tot een agrarisch bedrijf, met uitzondering van gebouwen ten behoeve van de huisvesting van vee en bedrijfswoningen; b. lid 16.2, sub a, onder 1 tot een goothoogte van niet meer dan 5 m voor gebouwen ten behoeve van de huisvesting van vee;
c. lid 16.2, sub a, onder 1 tot een bouwhoogte van niet meer dan 14 m voor gebouwen ten behoeve van de huisvesting van vee; d. lid 16.2 onder b, sub 1 het bouwen op minder dan 3 m achter (het verlengde van) de naar de weg gekeerde gevel van de bedrijfswoning; e. lid 16.2 onder a, sub 4 voor het bouwen van een bedrijfswoning met een oppervlakte >150 m2, mits: 1
16.4.1
er in geringe mate wordt afgeweken van de bestaande maatvoeringen en gevelindeling van de karakteristieke bebouwing in de vorm van een stelp, kophals-rompboerderij of kop-rompboerderij. Toetsingscriteria
a. De in lid 16.4 genoemde omgevingsvergunning kan slechts worden verleend, mits geen afbreuk wordt gedaan aan: −
de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;
−
de milieusituatie;
−
het straat- en bebouwingsbeeld;
−
de verkeersveiligheid;
−
de watersituatie;
−
de (openlucht) recreatie mogelijkheden;
−
cultuurhistorische waarden;
−
het landschappelijk beeld.
Artikel 17 17.1
Natuur
Bestemmingsomschrijving
De voor 'Natuur' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de cultuurhistorische, natuurlijke en landschappelijke waarden van de natuurgronden; b. sloten, poelen, en daarmee gelijk te stellen waterlopen en -partijen, al dan niet mede bestemd voor waterberging; c. het extensief agrarisch medegebruik met inachtneming van de cultuurhistorische, natuurlijke en landschappelijke waarden van de natuurgronden; d. het behoud, herstel en ontwikkeling van de aanwezig landschappelijke- en natuurlijke waarden van de eendenkooi, ter plaatse van de aanduiding "eendenkooi"; e. een veldschuur, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - veldschuur"; f. opstallen, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding opstallen';
g. informatiecentrum, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van natuur - informatiecentrum', waarbij uitsluitend extensief dagrecreatief – en educatief gebruik is toegestaan;
h. extensief dagrecreatief medegebruik en educatief medegebruik; i.
paden;
j. nutsvoorzieningen; met de daarbijbehorende: k. bouwwerken, geen gebouwen zijnde, 17.2
Bouwregels
a. Algemeen gelden voor alle bouwwerken de volgende regels: 1
ter plaatse van de aanduiding “karakteristiek” zijn de regels van toepassing zoals opgenomen in artikel 46.3 van toepassing.
b. Op of in deze gronden mogen geen gebouwen en overkappingen worden gebouwd. c. In afwijking van sub b gelden voor het bouwen van gebouwen in de vorm van een vogelkijkpost de volgende regels: 1
de bouwhoogte mag niet meer dan 10 m bedragen;
2
de oppervlakte mag niet meer dan 15 m2 bedragen.
d. In afwijking van sub b gelden voor het bouwen van gebouwen ter plaatse van de aanduidingen "specifieke vorm van agrarisch - veldschuur" en 'specifieke vorm van natuur - informatiecentrum' de volgende regels: 1
gebouwen mogen uitsluitend binnen een bouwvlak worden gebouwd;
2
de goothoogte mag niet meer dan de bestaande goothoogte bedragen;
3
de bouwhoogte mag niet meer dan de bestaande bouwhoogte bedragen.
e. In afwijking van sub b gelden voor het bouwen van opstallen uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "specifieke bouwaanduiding - opstallen' de volgende regels: 1
de oppervlakte niet meer mag bedragen dan de bestaande oppervlakte;
2
de goothoogte mag niet meer dan de bestaande goothoogte bedragen;
3
de bouwhoogte mag niet meer dan de bestaande bouwhoogte bedragen.
f. Voor het bouwen van bouwwerken geen gebouwen zijnde gelden de volgende regels: 1
de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer dan 3 m bedragen.
g. Voor het bouwen van een windmotor, ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van natuur - windmotor" gelden de volgende regels: 1
de bouwhoogte van een windmotor mag niet meer bedragen dan de bestaande bouwhoogte;
2
de diameter van een windmotor mag niet meer bedragen dan de bestaande diameter.
17.3
Nadere eisen
Burgemeester en Wethouders kunnen met het oog op het voorkomen van een onevenredige aantasting van: −
de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;
−
de milieusituatie;
−
het straat- en bebouwingsbeeld;
−
de verkeersveiligheid;
−
de watersituatie;
−
de (openlucht) recreatiemogelijkheden;
−
het landschappelijk beeld;
−
cultuurhistorische waarden,
nadere eisen stellen aan: a. de plaats en bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, indien de bouwhoogte meer dan 1,5 m bedraagt. 17.4
Specifieke gebruiksregels
Tot een gebruik, strijdig met deze bestemming, wordt in ieder geval gerekend: a. het scheuren, het omzetten en/of anderszins ingrijpend wijzigen van gronden ten behoeve van een permanent ander gebruik; a. het dempen van sloten, poelen en/of andere waterlopen en/of -partijen. 17.5 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden a. Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag, de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren: 1
het af- en/of vergraven, het egaliseren en/of ophogen van gronden;
2
het verwijderen van bomen en/of houtgewas, alsmede de verwijdering van oevervegetaties;
3
het aanplanten van bomen en/of houtgewas;
4
het graven, baggeren en/of verbreden van sloten, poelen en/of andere waterlopen en/of -partijen;
5
het verwijderen en aanbrengen van dammen en overlaten;
6
het aanbrengen van oppervlakteverhardingen;
7
het aanleggen van voorzieningen ten behoeve van het extensief dagrecreatief medegebruik en/of het educatief medegebruik;
8
het aanleggen van ondergrondse of bovengrondse transport-, energie- en/of communicatieleidingen.
b. Het bepaalde in sub a geldt niet voor het uitvoeren van werken of werkzaamheden die: 1
het normale onderhoud en/of het normale natuurbeheer betreffen;
2
al in uitvoering waren op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan;
3
mogen worden uitgevoerd op basis van een reeds verleende omgevingsvergunning.
c. De omgevingsvergunning als bedoeld in sub a kan slechts worden verleend, mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de cultuurhistorische, natuurlijke en landschappelijke waarden. Indien de gronden waarop de vergunning ziet onderdeel uitmaken van de NNN (Natuur Netwerk Nederland) of ‘Natuur buiten de NNN’ conform de provinciale Verordening, er aanvullend sprake dient te zijn van een ontwikkeling van openbaar belang.
Artikel 18 18.1
Natuur - IJsselmeer
Bestemmingsomschrijving
De voor ‘Natuur - IJsselmeer’ aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. doeleinden van natuur en landschap, zijnde het behoud, het herstel en de ontwikkeling van het waterecosysteem IJsselmeer en de daaraan eigen natuurlijke en landschappelijke waarden; b. vaarwegen; c. extensief dagrecreatief medegebruik en educatief medegebruik; d. beroepsscheepvaart; e. beroepsvisserij; f. aanleggelegenheid; met de daarbijbehorende: g. kaden en dijken; h. verhardingen; i.
nutsvoorzieningen;
j. bouwwerken, geen gebouwen zijnde; en ter plaatse van de aanduiding: k. "overige zone - onveilige zone militair schietterrein" voor militaire oefeningen. 18.2
Bouwregels
a. Algemeen gelden voor alle bouwwerken de volgende regels: 1
ter plaatse van de aanduiding “karakteristiek” zijn de regels van toepassing zoals opgenomen in artikel 46.3 van toepassing;
b. Op of in deze gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd. c. Voor het bouwen van bouwwerken geen gebouwen zijnde gelden de volgende regels: 1
de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van de geleiding, beveiliging en regeling van het verkeer, mag niet meer dan 15 m bedragen;
2
de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, anders dan rechtstreeks ten behoeve van de geleiding en regeling van het verkeer, mag niet meer dan 10 m bedragen.
18.3
Specifieke gebruiksregels
Tot een gebruik, strijdig met deze bestemming, wordt in ieder geval gerekend: a. het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van verblijfsrecreatieve doeleinden; b. het gebruik van gronden ten behoeve van het zoeken naar en het winnen van diepe delfstoffen; c. het gebruik van gronden als permanente ligplaats voor vaartuigen en/of woonschepen; d. het innemen van een ligplaats.
18.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden a. Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag, de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren: 1
het aanplanten of verwijderen van riet en biezen en andere oevergewassen;
2
het aanleggen van stranden;
3
het aanleggen van kaden en dijken;
4
het verdiepen, verbreden, aanbrengen en/of verleggen van vaargeulen.
b. Het bepaalde in sub a geldt niet voor het uitvoeren van werken of werkzaamheden die: 1
het normale onderhoud en/of het normale natuurbeheer betreffen;
2
al in uitvoering waren op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan;
3
mogen worden uitgevoerd op basis van een reeds verleende omgevingsvergunning.
c. De omgevingsvergunning als bedoeld in sub a kan slechts worden verleend, mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de cultuurhistorische, natuurlijke en landschappelijke waarden.
Artikel 19 19.1
Natuur - Waterrecreatief medegebruik
Bestemmingsomschrijving
De voor ‘Natuur - Waterrecreatief medegebruik’ aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de cultuurhistorische, natuurlijke en landschappelijke waarden van de meren en poelen, riet- en oeverstroken en eilanden; b. extensief dagrecreatief medegebruik en educatief medegebruik; c. beroepsvisserij; d. water en oeverstroken, met een functie voor het scheepvaartverkeer, de waterrecreatie, de natuur en de waterhuishouding; e. bruggen en voorzieningen ten behoeve van de bediening van kunstwerken; f. dagrecreatieve voorzieningen, uitsluitend in de vorm van parkeer-, en picknickvoorzieningen, visplaatsen, aanlegplaatsen en naar de aard daarmee gelijk te stellen kleinschalige voorzieningen; g. openbare nutsvoorzieningen en voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding; h. agrarisch medegebruik van kaden en oeverstroken; met de daarbijbehorende: i.
bouwwerken, geen gebouwen zijnde, waaronder aanleggelegenheid in de vorm van bestaande steigers;
19.2
Bouwregels
a. Algemeen gelden voor alle bouwwerken de volgende regels: 1
ter plaatse van de aanduiding “karakteristiek” zijn de regels van toepassing zoals opgenomen in artikel 46.3 van toepassing;
b. Op of in deze gronden mogen geen gebouwen en overkappingen worden gebouwd. c. Voor het bouwen van bouwwerken geen gebouwen zijnde gelden de volgende regels: 1
de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van de geleiding, beveiliging en regeling van het verkeer, mag niet meer dan 15 m bedragen;
2
de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, anders dan rechtstreeks ten behoeve van de geleiding en regeling van het verkeer, mag niet meer dan 10 m bedragen.
19.3
Nadere eisen
Burgemeester en Wethouders kunnen met het oog op het voorkomen van een onevenredige aantasting van: −
het landschappelijk beeld,
−
de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden;
−
de verkeersveiligheid,
−
de cultuurhistorische waarden;
−
de ecologische waarden;
nadere eisen stellen aan: a. de doorvaarthoogte en -breedte van bruggen. 19.4
Specifieke gebruiksregels
Tot een gebruik, strijdig met deze bestemming, wordt in ieder geval gerekend: a. het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van verblijfsrecreatieve doeleinden; b. het gebruik van gronden als permanente ligplaats voor vaartuigen en/of woonschepen; c. het innemen van een ligplaats. 19.5 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden a. Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag, de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren: 1
het verwijderen van oevervegetaties;
2
het aanleggen van voorzieningen ten behoeve van het extensief dagrecreatief medegebruik en/of het educatief medegebruik;
3
het aanleggen van ondergrondse of bovengrondse transport-, energie- en/of communicatieleidingen;
4
het verdiepen, verbreden, aanbrengen en/of verleggen van waterlopen.
b. Het bepaalde in sub a geldt niet voor het uitvoeren van werken of werkzaamheden die: 1
het normale onderhoud en/of het normale natuurbeheer betreffen;
2
al in uitvoering waren op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan;
3
mogen worden uitgevoerd op basis van een reeds verleende omgevingsvergunning.
c. De omgevingsvergunning als bedoeld in sub a kan slechts worden verleend, mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de cultuurhistorische, natuurlijke en landschappelijke waarden.
Artikel 20 20.1
Recreatie - Jachthaven
Bestemmingsomschrijving
De voor ‘Recreatie - Jachthaven’ aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. haven; b. water en oeverstroken; c. waterhuishoudkundige voorzieningen; met daaraan ondergeschikt: d. groenvoorzieningen; e. nutsvoorzieningen; f parkeervoorzieningen, waarbij voldaan wordt aan de bepalingen in artikel 51.1; 20.2
Bouwregels
a. Algemeen gelden voor alle bouwwerken de volgende regels: 1
ter plaatse van de aanduiding “karakteristiek” zijn de regels van toepassing zoals opgenomen in artikel 46.3 van toepassing;
b. Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende regels: 1
gebouwen mogen uitsluitend binnen een bouwvlak worden gebouwd;
2
de goothoogte mag niet meer dan de bestaande goothoogte bedragen;
3
de bouwhoogte mag niet meer dan de bestaande bouwhoogte bedragen.
c. Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, geldt de volgende regel: 1
de bouwhoogte van terrein- en erfafscheidingen mag niet meer dan 2 m bedragen;
2
de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer dan 5 m bedragen;
Artikel 21 21.1
Recreatie - Recreatiebedrijven
Bestemmingsomschrijving
De voor "Recreatie - Recreatiebedrijven" aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. een kampeerterrein, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "kampeerterrein", waarbij: 1. het aantal staanplaatsen voor kampeermiddelen is beperkt tot het aantal dat is vastgelegd in bijlage 3 "Lijst met aantal vergunde kampeermiddelen, kampeergebouwen en trekkershutten"; en 2. de periode van 1 november tot en met 14 maart van elk kalenderjaar geen kampeermiddelen aanwezig mogen zijn; b. een bedrijfswoning; c. een groepsaccommodatie, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van recreatie - groepsaccommodatie"; met als nevenactiviteit: d. een zorgboerderij, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "zorgboerderij". e. het (hobbymatig) houden van vee met daaraan ondergeschikt: f. horeca, in de vorm van een kantine behorende bij een recreatieverblijf en rechtstreeks voortvloeiend uit de bedrijfsactiviteiten van het bedrijf, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding ‘horeca’ de vergunde horeca-activiteiten zijn toegestaan; g. beheersgebouwen; h .parkeervoorzieningen, waarbij voldaan wordt aan de bepalingen in artikel 51.1; i.
aanleggelegenheden;
j. ligplaatsen; k. water; l.
groenvoorzieningen;
m. sport- en speelvoorzieningen. 21.2
Bouwregels
a. Voor het bouwen van bedrijfsgebouwen en bedrijfswoningen gelden de volgende regels: 1
de gezamenlijke oppervlakte van bedrijfsgebouwen mag niet meer dan 2000 m² bedragen;
2
de gebouwen worden gebouwd in één bouwlaag met kap, waarbij de goot- en bouwhoogte niet meer dan respectievelijk 4,5 m en 10 m mogen bedragen, dan wel de bestaande goot- en bouwhoogte indien deze meer zijn;
3
het aantal bedrijfswoningen mag niet meer dan 1 bedragen;
4
de oppervlakte van een niet inpandige bedrijfswoning mag maximaal 150 m² bedragen;
5
de goothoogte van een niet inpandige bedrijfswoning mag maximaal 4,5 m bedragen;
6
de bouwhoogte van een niet inpandige bedrijfswoning mag maximaal 10 m bedragen.
7
de afstand van de voorgevel van een bedrijfswoning tot de as van een weg met de bestemming 'Verkeer - Wegverkeer' mag niet minder dan de bestaande afstand bedragen.
b. Met betrekking tot bijbehorende bouwwerken en overkappingen bij bedrijfswoningen geldt dat: 1
bijbehorende bouwwerken en overkappingen op niet minder dan 3 m achter (het verlengde van) de naar de weg gekeerde gevel van de bedrijfswoning mogen worden gebouwd;
2
de goothoogte van aangebouwde bijbehorende bouwwerken en overkappingen niet meer dan 3 m mag bedragen, dan wel niet meer dan de hoogte van de bovenzijde van de afgewerkte vloer van de eerste verdieping van de bedrijfswoning waaraan wordt gebouwd;
3
de goothoogte van vrijstaande bijbehorende bouwwerken niet meer dan 3 m mag bedragen;
4
de bouwhoogte van vrijstaande bijbehorende bouwwerken niet meer dan 5,5 m mag bedragen;
5
de bouwhoogte van aan de bedrijfswoning gebouwde bijbehorende bouwwerken en overkappingen niet meer dan 7 m mag bedragen, met dien verstande dat: − de bouwhoogte van aan de bedrijfswoning gebouwde bijbehorende bouwwerken en overkappingen minimaal 1 m lager is dan de bouwhoogte van de bedrijfswoning, en; − de bouwhoogte van aan de bedrijfswoning gebouwde bijbehorende bouwwerken en overkappingen welke maximaal 1 wand hebben, niet meer dan 5,5 meter mag bedragen;
6
de gezamenlijke oppervlakte van bijbehorende bouwwerken en overkappingen per bedrijfswoning niet meer dan 100 m² mag bedragen, met dien verstande dat: − indien er meerdere bedrijfswoningen aanwezig zijn, de totale oppervlakte van bijbehorende bouwwerken en overkappingen per bestemmingsvlak niet dan 150 m2 mag bedragen; − de gezamenlijke oppervlakte van bijbehorende bouwwerken en overkappingen niet meer dan 90% van de oppervlakte van de bedrijfswoning mag bedragen.
c. In afwijking van sub a gelden voor het bouwen van gebouwen ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van recreatie - groepsaccommodatie" de volgende regels: 1
een groepsaccommodatie mag uitsluitend worden gebouwd ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van recreatie - groepsaccommodatie";
2
de goothoogte mag niet meer dan de bestaande goothoogte bedragen;
3
de bouwhoogte mag niet meer dan de bestaande bouwhoogte bedragen.
d. In afwijking van sub a gelden voor het bouwen van gebouwen ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van recreatie - kampeerterrein" de volgende regels: 1
het aantal kampeergebouwen en trekkershutten ten hoogste de vergunde situatie mag bedragen;
2
de oppervlakte van trekkershutten niet meer dan 40 m² mag bedragen;
3
de goot- en bouwhoogte van trekkershutten niet meer dan 3,5 m en 5,5 m mag bedragen;
4
de dakhelling van trekkershutten ten minste 40° dient te bedragen;
5
de oppervlakte van kampeergebouwen niet meer mag bedragen dan de bestaande oppervlakte;
6
de goot- en bouwhoogte en dakhelling mag niet meer bedragen dan de bestaande goot- en bouwhoogte en dakhelling.
e. Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, geldt de volgende regel:1. bouwwerken geen gebouw zijnde ten behoeve van een rijbak (de rijbak) als hobby bij de bedrijfswoning in het bestemmingsvlak zijn alleen toegestaan als aan alle onderstaande randvoorwaarden wordt voldaan: - de afstand van de rijbak tot het eigen erf niet meer dan 30 m mag bedragen, en; - de afstand van de rijbak tot het erf van derden ten minste 15 m dient te bedragen, en; - de afstand van de rijbak tot de woning van derden ten minste 30 m dient te bedragen, en; - de oppervlakte per rijbak niet meer dan 1.250 m² mag bedragen, en; - de hoogte van omheiningen niet meer dan 2 m mag bedragen, en; - het aantal lichtmasten niet meer dan 4 mag bedragen, en; - de hoogte van lichtmasten niet meer mag bedragen dan 5 meter; 2. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer dan 10 m bedragen. 21.3
Nadere eisen
Burgemeester en Wethouders kunnen met het oog op het voorkomen van een onevenredige aantasting van: −
de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;
−
de milieusituatie;
−
het straat- en bebouwingsbeeld;
−
de verkeersveiligheid;
−
de watersituatie;
−
de (openlucht) recreatiemogelijkheden;
−
het landschappelijk beeld;
−
ecologische waarden;
−
cultuurhistorische waarden,
nadere eisen stellen aan: a. de dakhelling van een niet-inpandige bedrijfswoning in die zin dat deze tussen de 30° en de 55° dient te bedragen; b. de plaats van gebouwen; c. de plaats en bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, indien de bouwhoogte meer dan 1,5 m bedraagt. 21.4
Afwijken van de bouwregels
Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in: a. lid 21.2. voor het bouwen van trekkershutten, met dien verstande dat: 1
er mogen geen stacaravans/chalets worden geplaatst;
2
de goot- en bouwhoogte van een trekkershut mag niet maar dan 3,5 en 5,5 m bedragen;
3
de dakhelling van trekkershutten mag niet minder dan 40° bedragen;
4
de oppervlakte per trekkershut mag niet meer dan 40m 2 bedragen;
5
de trekkershutten moeten gebouwd worden binnen het bestemmingsvlak;
6
het aantal trekkershutten mag niet meer bedragen dan 10.
b. lid 21.2 onder b, sub 1 voor het bouwen op minder dan 3 m achter (het verlengde van) de naar de weg gekeerde gevel van de bedrijfswoning; c. lid 21.2 onder a, sub 4 voor het bouwen van een bedrijfswoning met een oppervlakte >150 m2, mits: 1
er in geringe mate wordt afgeweken van de bestaande maatvoeringen en gevelindeling van de karakteristieke bebouwing in de vorm van een stelp, kophals-rompboerderij of kop-rompboerderij;
d. lid 21.2 voor het bouwen van recreatieappartementen, met dien verstande dat: 1
er per appartement een vloeroppervlakte van ten hoogste 100 m² aanwezig is;
2
deze in de bestaande gebouwen worden gerealiseerd, en;
3
in totaal maximaal 15 recreatieappartementen mogen worden gerealiseerd.
21.4.1
Toetsingscriteria
a. De in lid 21.4 genoemde omgevingsvergunning kan slechts worden verleend, mits geen afbreuk wordt gedaan aan: −
de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;
−
de milieusituatie;
−
het straat- en bebouwingsbeeld;
−
de verkeersveiligheid;
−
de watersituatie;
−
de (openlucht) recreatie mogelijkheden;
−
cultuurhistorische waarden;
−
het landschappelijk beeld.
21.5
Specifiek gebruiksregels
Tot een gebruik strijdig met deze bestemming wordt begrepen het gebruik dat afwijkt van de bestemmingsomschrijving, waaronder in elk geval wordt begrepen: a. het gebruik van de gronden en bouwwerken ten behoeve van overige (zelfstandige) horecadoeleinden.