Bijlage 5 - Regels bestemmingsplan BGB-I
Tekst van het document
7
er geen stacaravans mogen worden gebouwd/ geplaatst;
8
in de periode van 1 november tot en met 14 maart van elk kalenderjaar geen kampeermiddelen aanwezig mogen zijn;
9
de oppervlakte aan gebouwen ten behoeve van beheervoorzieningen en sanitaire voorzieningen ten hoogste 200 m² per kleinschalig kampeerterrein mag bedragen;
10 voor het bouwen van gebouwen de regels uit lid 3.2 overeenkomstig van toepassing zijn. h. lid 3.1 en lid 3.5, al dan niet in combinatie met de omgevingsvergunning als bedoeld in sub f, voor het gebruik van gronden voor de realisatie van een haventje met ligplaatsen ten behoeve van een groepsaccommodatie met dien verstande dat:
i.
1
het aantal ligplaatsen nooit meer dan 25 mag bedragen;
2
de ligplaatsen worden gerealiseerd binnen een haventje, met het oog op het intact laten van de natuurlijke oevers. Hierbij wordt, afhankelijk van de situatie, de oever doorsneden door de haveningang;
3
alvorens de omgevingsvergunning wordt verleend, door de initiatiefnemer overleg is gepleegd met de waterbeherende instantie.
lid 3.1 en lid 3.5 al dan niet in combinatie met de omgevingsvergunning als bedoeld in sub g, voor het gebruik van gronden voor de realisatie van een haventje met ligplaatsen ten behoeve van een kleinschalig kampeerterrein ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van recreatie - kleinschalig kampeerterrein", met dien verstande dat: 1
het aantal ligplaatsen nooit meer dan het aantal kampeermiddelen mag bedragen;
2
de ligplaatsen worden gerealiseerd binnen een haventje, met het oog op het intact laten van de natuurlijke oevers. Hierbij wordt, afhankelijk van de situatie, de oever doorsneden door de haveningang;
3
de ligplaatsen niet mogen worden gebruikt in de periode van 1 november tot en met 14 maart van elk kalenderjaar;
4
alvorens de omgevingsvergunning wordt verleend, door de initiatiefnemer overleg is gepleegd met de waterbeherende instantie.
j. lid 3.1. en lid 3.5. voor het bouwen van maximaal 10 trekkershutten ten behoeve van het kleinschalig kamperen mits: −
de trekkershutten moeten gebouwd worden binnen een bouwvlak of denkbeeldige rechthoek van maximaal 1,5 hectare van het agrarisch bedrijf in aansluiting op de bestaande bebouwing;
−
er sprake is van een goede landschappelijke inpassing;
−
de oppervlakte van een trekkershut niet meer dan 40m2 bedraagt;
−
de goothoogte niet meer dan 3,5 m bedraagt;
−
de bouwhoogte niet meer dan 5,5 m bedraagt
−
de dakhelling van trekkershutten mag niet minder dan 40m² bedragen;
−
de trekkershutten niet voor de voorgevel worden geplaatst;
−
de trekkershutten niet voor permanente bewoning worden gebruikt.
k. lid 3.1 voor het gebruik van gronden en bouwwerken voor een voetbalkooi ter plaatse van de aanduiding "ijsbaan" op het perceel kadastraal bekend Workum, sectie G, nr 587/858, met dien verstande dat: 1
er sprake is van een goede landschappelijke inpassing;
2
de oppervlakte van de voetbalkooi niet meer dan 250m2 mag bedragen;
3
de hoogte van andere bouwwerken niet meer dan 4,5 m mag bedragen;
4
de situering van de voetbalkooi mag geen beperking opleveren voor het gebruik als ijsbaan
3.6.2
Toetsingscriteria
De in lid 3.6.1 genoemde omgevingsvergunning kan slechts worden verleend: 1. mits geen afbreuk wordt gedaan aan: −
de hoofdbestemming (indien er meerdere aspecten uit 3.6.1 op het perceel aanwezig zullen zijn);
−
de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;
−
de milieusituatie;
−
het straat- en bebouwingsbeeld;
−
de verkeersveiligheid;
−
de watersituatie;
−
de (openlucht) recreatiemogelijkheden;
−
het landschappelijk beeld,
−
de ecologische waarden,
−
een weidevogelkansgebied zoals omschreven in de provinciale Verordening in het geval het ziet op een (nieuwe) niet-agrarische ontwikkeling, en;
2. wanneer, indien er meerdere nevenactiviteiten op het perceel aanwezig (zullen) zijn, voor de cumulatie van de nevenactiviteit(en) genoemd in 3.6.1 onder d, e en f, geldt dat dit gezamenlijk voor ten hoogste 1/3 deel van voormalige bedrijfsgebouwen en bedrijfswoningen, tot een oppervlakte van ten hoogste 500 m² wordt gebruikt ten behoeve van de nevenactiviteit(en). 3.7 3.7.1
Wijzigingsbevoegdheid Wijziging
Burgemeester en Wethouders kunnen het plan wijzigen, mits dit geen afbreuk doet aan de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden, in die zin dat: a. de bestemming wordt gewijzigd ten behoeve van de functiewijziging van een bestaande bedrijfswoning in een plattelandswoning, met dien verstande dat: 1
de wijzigingsbevoegdheid uitsluitend wordt toegepast indien de bedrijfswoning in gebruik wordt genomen als burgerwoning;
2
er geen sprake is van een beëindiging van een agrarisch bedrijf;
3
de eigenaar van het agrarisch bedrijf instemt met de functiewijziging;
4
de agrarische functie van de bedrijfswoning niet langer noodzakelijk is;
5
voor het overige de regels van dit artikel van overeenkomstige toepassing zijn.
b. de bestemming wordt gewijzigd in de bestemming ‘Wonen - Woonboerderij’ met dien verstande dat: 1
de wijziging uitsluitend betrekking kan hebben op de voormalige agrarische bebouwing met bijbehorende erven, binnen een bestaande denkbeeldige rechthoek of bouwvlak;
2
de woonfunctie uitsluitend gerealiseerd kan worden binnen de contouren van de oorspronkelijke boerderijvorm waarin de dienstwoning was gesitueerd;
3
de wijziging uitsluitend wordt toegepast indien de agrarische bedrijfsactiviteiten ter plaatse volledig zijn beëindigd;
4
ten hoogste 3 woningen ten behoeve van permanente bewoning zijn toegestaan;
5
de wijziging slechts wordt toegepast indien een toename van het aantal woningen past binnen een goedgekeurd woningbouwprogramma;
6
indien de geluidsbelasting ten gevolge van het wegverkeer meer dan de voorkeursgrenswaarde bedraagt, de wijziging slechts wordt toegepast in overeenstemming met een verkregen hogere grenswaarde;
7
de wijziging slechts wordt toegepast indien er sprake is van een goede landschappelijke inpassing;
8
voor het overige de regels van 'Artikel 30 overeenkomstige toepassing zijn.
Wonen - Woonboerderij' van
c. de bestemming wordt gewijzigd in de bestemming Agrarisch - Paardenhouderij ten behoeve van een gebruiksgerichte paardenhouderij in combinatie met 1 bedrijfswoning met dien verstande dat: 1
de wijziging uitsluitend betrekking kan hebben op de voormalige agrarische bebouwing met bijbehorende erven, binnen een bestaande denkbeeldige rechthoek of bouwvlak;
2
uitsluitend nieuwe gebouwen ten behoeve van de gebruiksgerichte paardenhouderijfunctie mogen worden gebouwd, indien voormalige agrarische bedrijfsgebouwen worden gesloopt, met dien verstande dat de oppervlakte aan nieuw te bouwen gebouwen niet meer mag bedragen dan de oppervlakte aan gesloopte gebouwen;
3
de gezamenlijke oppervlakte van gebouwen ten behoeve van een gebruiksgerichte paardenhouderij niet meer dan 2.500 m² mag bedragen;
4
parkeren op eigen erf dient plaats te vinden;
5
de gebruiksgerichte paardenhouderijfunctie geen onevenredige verkeersaantrekkende werking mag hebben;
6
de oppervlakte van de gronden die ten behoeve van de gebruiksgerichte paardenhouderij mogen worden gebruikt, niet meer dan 1 hectare mag bedragen;
7
de wijziging slechts wordt toegepast indien er sprake is van een goede landschappelijke inpassing;
8
alvorens de wijzigingsbevoegdheid wordt toegepast, de initiatiefnemer een beplantingsplan overlegt aan burgemeester en wethouders, waarin wordt voorzien in afscherming van het bedrijfsgedeelte door toepassing van een algehele of gedeeltelijke afschermende beplantingsstrook, waarbij een beplantingsstrook met een breedte van 5 m in ieder geval als afschermend wordt aangemerkt;
9
voor het overige de regels van Artikel 5 overeenkomstige toepassing zijn.
Agrarisch - Paardenhouderij van
d. de bestemming wordt gewijzigd in de bestemming ‘Bedrijf’ in combinatie met 1 bedrijfswoning (uitsluitend voor zover bestaand), met dien verstande dat:
1
de wijziging uitsluitend betrekking kan hebben op de voormalige agrarische bebouwing met bijbehorende erven, binnen een bestaande denkbeeldige rechthoek of bouwvlak;
2
de wijziging uitsluitend kan worden toegepast bedrijfsactiviteiten ter plaatse volledig zijn beëindigd;
3
de wijzigingsbevoegdheid uitsluitend kan worden toegepast ten behoeve van bedrijven genoemd in de categorieën 1 en 2 van de Staat van Bedrijven dan wel bedrijven welke niet zijn genoemd, mits deze bedrijven naar aard en effecten op het woon- en leefklimaat van de aangrenzende woongebieden, al dan niet onder te stellen voorwaarden, voor wat betreft geur, stof, gevaar en geluid kunnen worden gelijkgesteld met de bedrijven welke wel zijn genoemd;
4
de wijziging slechts wordt toegepast indien er sprake is van een goede landschappelijke inpassing;
5
alvorens de wijzigingsbevoegdheid wordt toegepast, de initiatiefnemer een beplantingsplan overlegt aan burgemeester en wethouders, waarin wordt voorzien in afscherming van het bedrijfsgedeelte door toepassing van een algehele of gedeeltelijke afschermende beplantingsstrook, waarbij een beplantingsstrook met een breedte van 5 m in ieder geval als afschermend wordt aangemerkt;
6
parkeren op eigen erf dient plaats te vinden;
7
buitenopslag niet is toegestaan;
8
de bedrijvigheid geen onevenredige verkeersaantrekkende werking mag hebben;
9
voor het overige de regels uit 6 van overeenkomstige toepassing zijn.
indien
de
agrarische
e. de bestemming wordt gewijzigd in de bestemming ‘Bedrijf- Loonbedrijf’ in combinatie met een 1 bedrijfswoning (uitsluitend voor zover bestaand), met dien verstande dat: 1
de wijziging uitsluitend betrekking kan hebben op de voormalige agrarische bebouwing met bijbehorende erven, binnen een bestaande denkbeeldige rechthoek of bouwvlak;
2
de wijziging slechts wordt toegepast indien er sprake is van een goede landschappelijke inpassing;
3
alvorens de wijzigingsbevoegdheid wordt toegepast, de initiatiefnemer een beplantingsplan overlegt aan burgemeester en wethouders, waarin wordt voorzien in afscherming van het bedrijfsgedeelte door toepassing van een algehele of gedeeltelijke afschermende beplantingsstrook, waarbij een beplantingsstrook met een breedte van 5 m in ieder geval als afschermend wordt aangemerkt;
4
parkeren op eigen erf dient plaats te vinden;
5
de bedrijvigheid geen onevenredige verkeersaantrekkende werking mag hebben;
6
voor het overige de regels uit Artikel 7 toepassing zijn.
Bedrijf- Loonbedrijf van overeenkomstige
f. de bestemming wordt gewijzigd ten behoeve van het gebruik van gronden als waterretentiegebied, met dien verstande dat: 1
vóór toepassing van de wijzigingsbevoegdheid ecologisch onderzoek in de vorm van een Natuurtoets dient te zijn uitgevoerd;
2
vóór toepassing van de wijzigingsbevoegdheid is nagegaan of er sprake is van een archeologische verwachtingswaarde en, voor zover deze aanwezig, een archeologisch onderzoek dient te zijn uitgevoerd; vóór toepassing van de wijzigingsbevoegdheid is onderzocht of er geen ongerechtvaardigde inbreuk wordt gepleegd op een nabijgelegen weidevogelkansgebied;
3
4
de wijziging uitsluitend kan plaatsvinden op basis van vrijwillige medewerking van de betreffende grondeigenaar.
g. de bestemming wordt gewijzigd in de bestemming Artikel 29 Wonen of Artikel 30 Wonen - Woonboerderij ten behoeve van vergroting van het rond een woning gelegen erf met ten hoogste 50% van het bestaande erf, met dien verstande dat: 1
na wijziging de gezamenlijke oppervlakte van het erf nooit meer dan 1.500 m² mag bedragen;
2
de wijziging slechts wordt toegepast indien er sprake is van een goede landschappelijke inpassing; de wijziging geen (extra) verstoring van een weidevogelkansgebied inhoudt;
3 4
voor het overige de regels uit Artikel 29 Wonen of Artikel 30 Woonboerderij van overeenkomstige toepassing zijn.
Wonen -
h. de bestemming wordt gewijzigd in de bestemming ‘Recreatie - Recreatiebedrijven'’ ten behoeve van de realisatie van recreatieappartementen in combinatie met 1 bedrijfswoning, met dien verstande dat:
i.
1
de wijziging uitsluitend betrekking kan hebben op de voormalige agrarische bebouwing met bijbehorende erven, binnen een bestaande denkbeeldige rechthoek of bouwvlak;
2
de wijziging uitsluitend kan worden toegepast indien de agrarische bedrijfsactiviteiten ter plaatse volledig zijn beëindigd;
3
de wijziging slechts wordt toegepast indien er sprake is van een goede landschappelijke inpassing;
4
recreatieappartementen uitsluitend mogen worden gerealiseerd in de voormalige bedrijfsgebouwen, niet zijnde kassen, en de voormalige bedrijfswoningen;
5
de oppervlakte per recreatieappartement niet meer dan 100 m² vloeroppervlakte mag bedragen;
6
parkeren op eigen erf dient plaats te vinden;
7
voor het overige de regels uit Artikel 21 overeenkomstige toepassing zijn.
Recreatie - Recreatiebedrijven van
de bestemming wordt gewijzigd in de bestemming ‘Recreatie - Recreatiebedrijven' ten behoeve van de realisatie van een groepsaccommodatie in combinatie met 1 bedrijfswoning, al dan niet in combinatie met bijbehorende ligplaatsen, met dien verstande dat: 1
de wijziging uitsluitend betrekking kan hebben op de voormalige agrarische bebouwing met bijbehorende erven, binnen een bestaande denkbeeldige rechthoek of bouwvlak;
2
de wijziging uitsluitend kan worden toegepast indien de agrarische bedrijfsactiviteiten ter plaatse volledig zijn beëindigd;
3
de wijziging slechts wordt toegepast indien er sprake is van een goede landschappelijke inpassing;
4
de groepsaccommodatie uitsluitend mag worden gerealiseerd in de voormalige bedrijfsgebouwen, niet zijnde kassen, en de voormalige bedrijfswoningen;
5
parkeren op eigen erf dient plaats te vinden;
6
het aantal ligplaatsen niet meer dan 1 ligplaats per 4 personen mag bedragen, waarbij het totaal aantal ligplaatsen per groepsaccommodatie nooit meer dan 10 mag bedragen;
7
de ligplaatsen worden gerealiseerd binnen een haventje, met het oog op het intact laten van de natuurlijke oevers. Hierbij wordt, afhankelijk van de situatie, de oever doorsneden door de haveningang;
8
voor het overige de regels uit Artikel 21 overeenkomstige toepassing zijn.
Recreatie - Recreatiebedrijven van
j. de bestemming wordt gewijzigd in de bestemming 'Maatschappelijk' of 'Maatschappelijk - Zorgboerderij' ten behoeve van maatschappelijke, zorg- en/of recreatieve activiteiten in combinatie met 1 bedrijfswoning, met dien verstande dat: 1
de wijziging uitsluitend betrekking kan hebben op de voormalige agrarische bebouwing met bijbehorende erven, binnen een bestaande denkbeeldige rechthoek of bouwvlak;
2
de wijziging uitsluitend kan worden toegepast indien de agrarische bedrijfsactiviteiten ter plaatse zijn beëindigd;
3
de wijziging slechts wordt toegepast indien er sprake is van een goede landschappelijke inpassing;
4
de voorzieningen uitsluitend mogen worden gerealiseerd in de voormalige bedrijfsgebouwen, niet zijnde kassen, en de voormalige bedrijfswoningen;
5
parkeren op eigen erf dient plaats te vinden;
6
voor het overige de regels uit Artikel 15 Maatschappelijk of Artikel 16 Maatschappelijk - Zorgboerderij van overeenkomstige toepassing zijn.
k. de bestemming wordt gewijzigd ten behoeve van het verwijderen van de aanduiding "intensieve veehouderij" en het bijbehorende bouwvlak bij de volledige beëindiging van de intensieve veehouderij en het opnemen van de aanduiding "agrarisch bedrijf". l.
de bestemming ter plaatse van de gebiedsaanduiding 'Wetgevingszone Wijzigingsgebied 3' wordt gewijzigd in de bestemming 'Bedrijf' in combinatie met de aanduiding 'parkeerterrein voor vrachtwagens' voor parkeervoorzieningen voor vrachtwagens met dien verstande dat: 1
de wijziging slechts wordt toegepast indien er sprake is van een goede landschappelijke inpassing;
2
alvorens de wijzigingsbevoegdheid wordt toegepast, de initiatiefnemer een beplantingsplan overlegt aan burgemeester en wethouders, waarin wordt voorzien in afscherming van het bedrijfsgedeelte door toepassing van een algehele of gedeeltelijke afschermende beplantingsstrook;
3
er geen bebouwing is toegestaan;
4
het parkeerterrein ten behoeve van een transportbedrijf is;
5
er geen bedrijfsactiviteiten anders dan parkeren mogen plaatsvinden;
6
er geen buitenopslag is toegestaan;
7
er voldaan moet worden aan de regels van een eventueel nabijgelegen weidevogelkansgebied.
De wijzigingen mogen niet worden toegepast op gronden ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - veldschuur". 3.8 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden −
a. Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag, de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren: 1
het aanleggen, verbreden of verharden van paden/wegen en het aanbrengen van oppervlakteverharding;
2
het aanleggen van dagrecreatieve voorzieningen;
3
het kappen van bomen (waaronder begrepen erfbeplanting).
b. Het bepaalde in sub a geldt niet voor het uitvoeren van werken of werkzaamheden die: 1
het normale onderhoud en beheer betreffen;
2
die in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan;
3
mogen worden uitgevoerd op basis van een reeds verleende omgevingsvergunning.
c. De in sub a bedoelde vergunning wordt slechts verleend indien geen onevenredige aantasting plaatsvindt van: 1
het landschappelijk beeld;
2
de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;
3
de verkeersveiligheid;
4
de ecologische waarden;
5
cultuurhistorische waarden;
6
het weidevogelkansgebied, indien de locatie is gelegen binnen 300 m van een als zodanig door de provincie Fryslân aangewezen weidevogelkansgebied. Om te kunnen beoordelen of er sprake is van een onevenredige aantasting van een weidevogelkansgebied dient er overleg met de provincie te zijn geweest.
Artikel 4 4.1
Agrarisch - Glastuinbouw
Bestemmingsomschrijving
De voor 'Agrarisch - Glastuinbouw' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. kassen; b. bedrijfsgebouwen ten behoeve van glastuinbouwbedrijven c. waterbassins; d. bedrijfswoningen; e. aan-huis-verbonden beroep; f. bêd & brochje, mits het aantal daarvoor beschikbare kamers beperkt blijft tot 2 per woning, met een maximum van 5 slaapplaatsen; met de daarbijbehorende: g. ondergeschikte (ontsluitings)wegen; h parkeervoorzieningen, waarbij voldaan wordt aan de bepalingen in artikel 51.1; i.
groenvoorzieningen;
j.
nutsvoorzieningen;
k. tuinen, erven en terreinen; 4.2
Bouwregels
a. Algemeen gelden voor alle bouwwerken de volgende regels: 1
ter plaatse van de aanduiding “karakteristiek” zijn de regels van toepassing zoals opgenomen in artikel 46.3 van toepassing;
b. Voor het bouwen van kassen en gebouwen gelden de volgende regels: 1
de kassen zullen binnen een bouwvlak worden gebouwd;
2
de goothoogte van de kassen zal ten hoogste 8,00 m bedragen;
3
de bouwhoogte van de kassen zal ten hoogste 10,00 m bedragen;
4
de goothoogte van gebouwen zal ten hoogste 10,00 m bedragen;
5
de bouwhoogte van gebouwen zal ten hoogste 14,00 m bedragen;
c. Voor waterbassins gelden de volgende regels: 1
waterbassins mogen zowel onder de kassen als afzonderlijk worden gebouwd;
2
de bouwhoogte van waterbassins zal ten hoogste 3,00 m bedragen;
3
waterbassins zijn uitsluitend 5,00 m achter de denkbeeldige voorgevelrooilijn van de bedrijfswoning toegestaan.
d. Voor het bouwen van bedrijfswoningen gelden de volgende regels: 1
bedrijfswoningen mogen uitsluitend worden gebouwd binnen een bouwvlak;
2
per glastuinbouwbedrijf mag ten hoogste één bedrijfswoning worden gebouwd, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van wonen - 2e bedrijfswoning" is 1 extra bedrijfswoning toegestaan;
3
de oppervlakte van een bedrijfswoning zal ten hoogste 150 m² bedragen;
4
de goothoogte van een bedrijfswoning zal ten hoogste 4,50 m bedragen;
5
de bouwhoogte van een bedrijfswoning zal ten hoogste 10,00 m bedragen.
e. Met betrekking tot bijbehorende bouwwerken en overkappingen bij bedrijfswoningen geldt dat: 1
bijbehorende bouwwerken en overkappingen op niet minder dan 3 m achter (het verlengde van) de naar de weg gekeerde gevel van de bedrijfswoning mogen worden gebouwd;
2
de goothoogte van aangebouwde bijbehorende bouwwerken en overkappingen niet meer dan 3 m mag bedragen, dan wel niet meer dan de hoogte van de bovenzijde van de afgewerkte vloer van de eerste verdieping van de bedrijfswoning waaraan wordt gebouwd;
3
de goothoogte van vrijstaande bijbehorende bouwwerken niet meer dan 3 m mag bedragen;
4
de bouwhoogte van vrijstaande bijbehorende bouwwerken niet meer dan 5,5 m mag bedragen;
5
de bouwhoogte van aan de bedrijfswoning gebouwde bijbehorende bouwwerken en overkappingen niet meer dan 7 m mag bedragen, met dien verstande dat: − de bouwhoogte van aan de bedrijfswoning gebouwde bijbehorende bouwwerken en overkappingen minimaal 1 m lager is dan de bouwhoogte van de bedrijfswoning, en; − de bouwhoogte van aan de bedrijfswoning gebouwde bijbehorende bouwwerken en overkappingen welke maximaal 1 wand hebben, niet meer dan 5,5 meter mag bedragen;
6
de gezamenlijke oppervlakte van bijbehorende bouwwerken en overkappingen per bedrijfswoning niet meer dan 100 m² mag bedragen, met dien verstande dat: − indien er meerdere bedrijfswoningen aanwezig zijn, de totale oppervlakte van bijbehorende bouwwerken en overkappingen per bestemmingsvlak niet dan 150 m2 mag bedragen; − de gezamenlijke oppervlakte van bijbehorende bouwwerken en overkappingen niet meer dan 90% van de oppervlakte van de bedrijfswoning mag bedragen.
f. Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels: 1 2
de bouwhoogte van tanks en silo's mag niet meer bedragen dan 10,00 m bedragen; het bouwen van windturbines is niet toegestaan;
3
de hoogte van erf- en terreinafscheidingen zal ten hoogste 2,00 m bedragen.
4.3
Nadere eisen
Burgemeester en Wethouders kunnen met het oog op het voorkomen van een onevenredige aantasting van: −
de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;
−
de milieusituatie;
−
het straat- en bebouwingsbeeld;
−
de verkeersveiligheid;
−
de watersituatie;
−
de (openlucht) recreatiemogelijkheden;
−
het landschappelijk beeld,
nadere eisen stellen aan:
a. de situering van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten behoeve van een compacte bebouwing binnen een bouwvlak; b. de landschappelijke inpassing van de bebouwing in de omgeving; 4.4
Afwijken van de bouwregels
Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in: a. lid 4.2 onder e, sub 1 het bouwen op minder dan 3 m achter (het verlengde van ) de naar de weg gekeerde gevel van de bedrijfswoning; b. lid 4.2 onder d, sub 3 voor het bouwen van een bedrijfswoning met een oppervlakte >150 m2, mits: 1
er in geringe mate wordt afgeweken van de bestaande maatvoeringen en gevelindeling van de karakteristieke bebouwing in de vorm van een stelp, kophals-rompboerderij of kop-rompboerderij;
c. lid 4.2 onder f, sub 2 voor het plaatsen van ten hoogste 2 kleine windturbines op of direct op of grenzend aan het bouwperceel van een bestaand agrarisch bedrijf, mits: 1
de ashoogte van een windturbine ten hoogste 15 meter bedraagt;
2
het op te stellen vermogen moet zijn gericht op het eigen bedrijf;
3
de mogelijkheden voor zonnepanelen moeten zijn verkend;
4 voldaan wordt aan het 'Toetsingskader kleine windturbines Súdwest-Fryslân' bijlage 11 van de regels en indien deze beleidsregel gedurende de planperiode van dit plan wijzigt, rekening wordt gehouden met de wijziging; 5 de aanvraag tevens voor een beoordeling aan de provincie Fryslân wordt voorgelegd.
4.4.1
Toetsingscriteria
a. De in lid 4.4 genoemde omgevingsvergunning kan slechts worden verleend, mits geen afbreuk wordt gedaan aan: −
de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;
−
de milieusituatie;
−
het straat- en bebouwingsbeeld;
−
de verkeersveiligheid;
−
de watersituatie;
−
de (openlucht) recreatie mogelijkheden;
−
cultuurhistorische waarden;
−
het landschappelijk beeld.
4.5
Specifieke gebruiksregels
Tot een gebruik strijdig met deze bestemming wordt begrepen het gebruik dat afwijkt van de bestemmingsomschrijving, waaronder in elk geval wordt begrepen: a. het gebruiken en laten gebruiken van gronden en/of bouwwerken voor een ruimtelijke ontwikkeling, waarbij een toename van stikstofemissie plaatsvindt vanuit
de betreffende gronden en/of bouwwerken. Onder een ruimtelijke ontwikkeling wordt in ieder geval niet verstaan het gebruik van onbebouwde agrarische gronden voor bemesten.
Artikel 5 5.1
Agrarisch - Paardenhouderij
Bestemmingsomschrijving
De voor ‘Agrarisch - Paardenhouderij’ aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. bedrijfsactiviteiten van gebruiksgerichte paardenhouderijen; b. bedrijfsactiviteiten van gebruiksgerichte paardenhouderijen, al dan niet in combinatie met een grondgebonden agrarische bedrijfsvoering en detailhandel in bloemen, ter plaatse van de aanduiding "detailhandel"; c. bedrijfswoningen, al dan niet in combinatie met aan-huis-verbonden beroepen; met de daarbij behorende: d. trainingsmolens en paddocks, e parkeervoorzieningen, waarbij voldaan wordt aan de bepalingen in artikel 51.1; met daaraan ondergeschikt: f. bêd & brochje, mits het aantal daarvoor beschikbare kamers beperkt blijft tot 2 per bedrijfswoning, met een maximum van 5 slaapplaatsen; g. bestaande windturbines, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "windturbine"; h. water; i.
openbare nutsvoorzieningen en voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding.
5.2
Bouwregels
a. Algemeen gelden voor alle bouwwerken de volgende regels: 1
ter plaatse van de aanduiding “karakteristiek” zijn de regels van toepassing zoals opgenomen in artikel 46.3 van toepassing;
b. Voor het bouwen van bedrijfsgebouwen en bedrijfswoningen gelden de volgende regels: 1
de gebouwen worden gebouwd in één bouwlaag met kap, waarbij de goot- en bouwhoogte niet meer dan respectievelijk 4,5 m en 10,0 m mogen bedragen, dan wel de bestaande hoogte indien deze meer bedraagt, met dien verstande dat de bestaande bouwhoogte mag worden vermeerderd met 0,5 m;
2
de totale gezamenlijke oppervlakte van bedrijfsgebouwen mag niet meer dan 2.500 m² per bestemmingsvlak bedragen, danwel de bestaande oppervlakte indien dit meer is;
3
het aantal bedrijfswoningen per bestemmingsvlak mag niet meer dan 1 bedragen;
4
de oppervlakte van een niet-inpandige bedrijfswoning mag niet meer dan 150 m² bedragen;
5
de afstand van de voorgevel van een bedrijfswoning tot de as van een weg met de bestemming 'Verkeer - Wegverkeer' mag niet minder dan de bestaande afstand bedragen.
c. Met betrekking tot bijbehorende bouwwerken en overkappingen bij bedrijfswoningen geldt dat: 1
bijbehorende bouwwerken en overkappingen op niet minder dan 3 m achter (het verlengde van) de naar de weg gekeerde gevel van de bedrijfswoning mogen worden gebouwd;
2
de goothoogte van aangebouwde bijbehorende bouwwerken en overkappingen niet meer dan 3 m mag bedragen, dan wel niet meer dan de hoogte van de bovenzijde van de afgewerkte vloer van de eerste verdieping van de bedrijfswoning waaraan wordt gebouwd;
3
de goothoogte van vrijstaande bijbehorende bouwwerken niet meer dan 3 m mag bedragen;
4
de bouwhoogte van vrijstaande bijbehorende bouwwerken niet meer dan 5,5 m mag bedragen;
5
de bouwhoogte van aan de bedrijfswoning gebouwde bijbehorende bouwwerken en overkappingen niet meer dan 7 m mag bedragen, met dien verstande dat: − de bouwhoogte van aan de bedrijfswoning gebouwde bijbehorende bouwwerken en overkappingen minimaal 1 m lager is dan de bouwhoogte van de bedrijfswoning, en; − de bouwhoogte van aan de bedrijfswoning gebouwde bijbehorende bouwwerken en overkappingen welke maximaal 1 wand hebben, niet meer dan 5,5 meter mag bedragen;
6
de gezamenlijke oppervlakte van bijbehorende bouwwerken en overkappingen per bedrijfswoning niet meer dan 100 m² mag bedragen, met dien verstande dat: − indien er meerdere bedrijfswoningen aanwezig zijn, de totale oppervlakte van bijbehorende bouwwerken en overkappingen per bestemmingsvlak niet dan 150 m2 mag bedragen; − de gezamenlijke oppervlakte van bijbehorende bouwwerken en overkappingen niet meer dan 90% van de oppervlakte van de bedrijfswoning mag bedragen.
d. Met betrekking tot bijbehorende bouwwerken en overkappingen bij bedrijfsgebouwen geldt dat: 1. de totale gezamenlijke oppervlakte van bedrijfsgebouwen en de hierbij behorende bijbehorende bouwwerken en overkappingen mag niet meer dan 2.500 m² per bestemmingsvlak bedragen; 2. bijbehorende bouwwerken en overkappingen bij bedrijfsgebouwen op niet minder dan 3 m achter (het verlengde van) de naar de weg gekeerde gevel van het bedrijfsgebouw (wat het dichtst bij de weg is gelegen); 3. de goot- en bouwhoogte van bijbehorende bouwwerken niet zijnde overkappingen welke tevens een gebouw zijn, worden gebouwd in één bouwlaag met kap en mogen niet meer dan respectievelijk 4,5 m en 10,0 m bedragen, dan wel de bestaande hoogte indien deze meer bedraagt, met dien verstande dat de bestaande bouwhoogte mag worden vermeerderd met 0,5 m; 4. de bouwhoogte van bijbehorende bouwwerken welke tevens een bouwwerk, geen gebouw is (waaronder begrepen een overkapping met maximaal 1 wand), mag niet meer dan 3 m bedragen;
e. Voor het bouwen van gebouwen ten behoeve van openbare nutsvoorzieningen en voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding geldt de volgende regel: 1. de inhoud per gebouw mag niet meer dan 50 m³ bedragen. f. Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels: 1
de bouwhoogte van terrein- en erfafscheidingen mag niet meer dan 2 m bedragen;
2
bouwwerken geen gebouw zijnde ten behoeve van een rijbak (de rijbak) binnen de denkbeeldige rechthoek en/of het bouwvlak zijn alleen toegestaan als aan alle onderstaande randvoorwaarden wordt voldaan: - de afstand van de rijbak tot het eigen erf niet meer dan 30 m mag bedragen, en; - de afstand van de rijbak tot het erf van derden ten minste 15 m dient te bedragen, en; - de afstand van de rijbak tot de woning van derden ten minste 30 m dient te bedragen, en; - de oppervlakte per rijbak niet meer dan 1.250 m² mag bedragen, en; - de hoogte van omheiningen niet meer dan 2 m mag bedragen, en; - het aantal lichtmasten niet meer dan 4 mag bedragen, en; - de hoogte van lichtmasten niet meer dan 5 meter mag bedragen;
3
de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer dan 3 m bedragen.
g. Voor het bouwen van een windturbine, ter plaatse van de aanduiding "windturbine" gelden de volgende regels: 1
de bouwhoogte van een windturbine mag niet meer bedragen dan de bestaande bouwhoogte;
2
de diameter van een windturbine mag niet meer bedragen dan de bestaande diameter.
5.3
Nadere eisen
Burgemeester en Wethouders kunnen met het oog op het voorkomen van een onevenredige aantasting van: −
de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;
−
de milieusituatie;
−
het straat- en bebouwingsbeeld;
−
de verkeersveiligheid;
−
de watersituatie;
−
de (openlucht) recreatiemogelijkheden;
−
het landschappelijk beeld,
nadere eisen stellen aan: a. de dakhelling van een niet-inpandige bedrijfswoning in die zin dat deze tussen de 30° en de 55° dient te bedragen; b. de plaats van gebouwen; c. de plaats en bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, indien de bouwhoogte meer dan 1,5 m bedraagt. 5.4 5.4.1
Afwijken van de bouwregels Afwijkingen
Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in: a. lid 5.2, sub b, onder 1 tot een goothoogte van maximaal 5 m.
b. lid 5.2, sub b, onder 5 voor het bouwen van de voorgevel van een bedrijfswoning op een afstand van de weg die minder is dan de bestaande afstand, met dien verstande dat, indien de geluidsbelasting ten gevolge van het wegverkeer meer dan de voorkeursgrenswaarde bedraagt, de omgevingsvergunning slechts wordt verleend in overeenstemming met een verkregen hogere grenswaarde; c. lid 5.2 onder c, sub 1 het bouwen op minder dan 3 m achter (het verlengde van ) de naar de weg gekeerde gevel van de bedrijfswoning; d. lid 5.2 onder b, sub 4 voor het bouwen van een bedrijfswoning met een oppervlakte >150 m2, mits: 1
er in geringe mate wordt afgeweken van de bestaande maatvoeringen en gevelindeling van de karakteristieke bebouwing in de vorm van een stelp, kophals-rompboerderij of kop-rompboerderij;
e. lid 5.2, sub g voor het plaatsen van ten hoogste 2 kleine windturbines op of direct op of grenzend aan het bouwperceel van een bestaand agrarisch bedrijf, mits: 1
de ashoogte van een windturbine ten hoogste 15 meter bedraagt;
2
het op te stellen vermogen moet zijn gericht op het eigen bedrijf;
3
de mogelijkheden voor zonnepanelen moeten zijn verkend;
4
voldaan wordt aan het 'Toetsingskader kleine windturbines Súdwest-Fryslân' bijlage 6 van de regels en indien deze beleidsregel gedurende de planperiode van dit plan wijzigt, rekening wordt gehouden met de wijziging;
5
de aanvraag tevens voor een beoordeling aan de provincie Fryslân wordt voorgelegd.
5.4.2
Toetsingscriteria
De in lid 5.4.1 genoemde omgevingsvergunning kan slechts worden verleend, mits geen afbreuk wordt gedaan aan: −
de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;
−
de milieusituatie;
−
het straat- en bebouwingsbeeld;
−
de verkeersveiligheid;
−
de watersituatie;
−
de (openlucht) recreatiemogelijkheden;
−
cultuurhistorische waarden;
−
het landschappelijk beeld.
5.5
Specifieke gebruiksregels
Tot een strijdig gebruik met deze bestemming wordt begrepen het gebruik dat afwijkt van de bestemmingsomschrijving, waaronder in elk geval wordt begrepen: a. het gebruik van de gronden en bouwwerken als manege. b. het gebruiken en laten gebruiken van gronden en/of bouwwerken voor een ruimtelijke ontwikkeling, waarbij een toename van stikstofemissie plaatsvindt vanuit de betreffende gronden en/of bouwwerken. Onder een ruimtelijke ontwikkeling wordt in ieder geval niet verstaan het gebruik van onbebouwde agrarische gronden voor bemesten.
5.6 5.6.1
Wijzigingsbevoegdheid Wijziging
Burgemeester en Wethouders kunnen het plan wijzigen in die zin dat: a. de bestemming wordt gewijzigd ten behoeve van de functiewijziging van een bestaande bedrijfswoning in een plattelandswoning, met dien verstande dat: 1
de wijzigingsbevoegdheid uitsluitend wordt toegepast indien de bedrijfswoning in gebruik wordt genomen als burgerwoning;
2
er geen sprake is van een beëindiging van een agrarisch bedrijf;
3
de eigenaar van het agrarisch bedrijf instemt met de functiewijziging;
4
de agrarische functie van de bedrijfswoning niet langer noodzakelijk is;
5
voor het overige de regels van dit artikel van overeenkomstige toepassing zijn.
b. de bestemming wordt gewijzigd in de bestemming ‘Artikel 30 Woonboerderij’ met dien verstande dat:
Wonen -
1
de wijziging uitsluitend betrekking kan hebben op de voormalige agrarische bebouwing met bijbehorende erven, binnen een bestaande denkbeeldige rechthoek of bouwvlak;
2
de woonfunctie uitsluitend gerealiseerd kan worden binnen de contouren van de oorspronkelijke boerderijvorm waarin de dienstwoning was gesitueerd;
3
de wijziging uitsluitend wordt toegepast indien de agrarische bedrijfsactiviteiten ter plaatse volledig zijn beëindigd;
4
ten hoogste 3 woningen ten behoeve van permanente bewoning zijn toegestaan;
5
de wijziging slechts wordt toegepast indien een toename van het aantal woningen past binnen een goedgekeurd woningbouwprogramma;
6
indien de geluidsbelasting ten gevolge van het wegverkeer meer dan de voorkeursgrenswaarde bedraagt, de wijziging slechts wordt toegepast in overeenstemming met een verkregen hogere grenswaarde;
7
de wijziging slechts wordt toegepast indien er sprake is van een goede landschappelijke inpassing;
8
voor het overige de regels van 'Artikel 30 overeenkomstige toepassing zijn.
Wonen - Woonboerderij' van
c. de bestemming wordt gewijzigd in de bestemming ‘Bedrijf’ in combinatie met 1 bedrijfswoning (uitsluitend voor zover bestaand), met dien verstande dat: 1
de wijziging uitsluitend betrekking kan hebben op de voormalige agrarische bebouwing met bijbehorende erven, binnen een bestaande denkbeeldige rechthoek of bouwvlak;
2
de wijziging uitsluitend kan worden toegepast bedrijfsactiviteiten ter plaatse volledig zijn beëindigd;
3
de wijzigingsbevoegdheid uitsluitend kan worden toegepast ten behoeve van bedrijven genoemd in de categorieën 1 en 2 van de Staat van Bedrijven dan wel bedrijven welke niet zijn genoemd, mits deze bedrijven naar aard en effecten op het woon- en leefklimaat van de aangrenzende woongebieden, al dan niet onder te stellen voorwaarden, voor wat betreft geur, stof, gevaar en geluid kunnen worden gelijkgesteld met de bedrijven welke wel zijn genoemd;
4
de wijziging slechts wordt toegepast indien er sprake is van een goede landschappelijke inpassing;
indien
de
agrarische
5
alvorens de wijzigingsbevoegdheid wordt toegepast, de initiatiefnemer een beplantingsplan overlegt aan burgemeester en wethouders, waarin wordt voorzien in afscherming van het bedrijfsgedeelte door toepassing van een algehele of gedeeltelijke afschermende beplantingsstrook, waarbij een beplantingsstrook met een breedte van 5 m in ieder geval als afschermend wordt aangemerkt;
6
parkeren op eigen erf dient plaats te vinden;
7
buitenopslag niet is toegestaan;
8
de bedrijvigheid geen onevenredige verkeersaantrekkende werking mag hebben;
9
voor het overige de regels uit artikel 6 Bedrijf van overeenkomstige toepassing zijn.
d. de bestemming wordt gewijzigd in de bestemming ‘Bedrijf- Loonbedrijf’ in combinatie met een 1 bedrijfswoning (uitsluitend voor zover bestaand), met dien verstande dat: 1
de wijziging uitsluitend betrekking kan hebben op de voormalige agrarische bebouwing met bijbehorende erven, binnen een bestaande denkbeeldige rechthoek of bouwvlak;
2
de wijziging slechts wordt toegepast indien er sprake is van een goede landschappelijke inpassing;
3
alvorens de wijzigingsbevoegdheid wordt toegepast, de initiatiefnemer een beplantingsplan overlegt aan burgemeester en wethouders, waarin wordt voorzien in afscherming van het bedrijfsgedeelte door toepassing van een algehele of gedeeltelijke afschermende beplantingsstrook, waarbij een beplantingsstrook met een breedte van 5 m in ieder geval als afschermend wordt aangemerkt;
4
parkeren op eigen erf dient plaats te vinden;
5
de bedrijvigheid geen onevenredige verkeersaantrekkende werking mag hebben;
6
voor het overige de regels uit Artikel 7 toepassing zijn.
Bedrijf- Loonbedrijf van overeenkomstige
e. de bestemming wordt gewijzigd ten behoeve van het gebruik van gronden als waterretentiegebied, met dien verstande dat: 1
vóór toepassing van de wijzigingsbevoegdheid ecologisch onderzoek in de vorm van een Natuurtoets dient te zijn uitgevoerd;
2
vóór toepassing van de wijzigingsbevoegdheid is nagegaan of er sprake is van een archeologische verwachtingswaarde en, voor zover deze aanwezig, een archeologisch onderzoek dient te zijn uitgevoerd;
3
de wijziging uitsluitend kan plaatsvinden op basis van vrijwillige medewerking van de betreffende grondeigenaar.
f. de bestemming wordt gewijzigd in de bestemming ‘Recreatie - Recreatiebedrijven'’ ten behoeve van de realisatie van recreatieappartementen in combinatie met 1 bedrijfswoning, met dien verstande dat: 1
de wijziging uitsluitend betrekking kan hebben op de voormalige agrarische bebouwing met bijbehorende erven, binnen een bestaande denkbeeldige rechthoek of bouwvlak;
2
de wijziging uitsluitend kan worden toegepast indien de agrarische bedrijfsactiviteiten ter plaatse volledig zijn beëindigd;
3
de wijziging slechts wordt toegepast indien er sprake is van een goede landschappelijke inpassing;
4
recreatieappartementen uitsluitend mogen worden gerealiseerd in de voormalige bedrijfsgebouwen, niet zijnde kassen, en de voormalige bedrijfswoningen;
5
de oppervlakte per recreatieappartement niet meer dan 100 m² vloeroppervlakte mag bedragen;
6
parkeren op eigen erf dient plaats te vinden;
7
voor het overige de regels uit Artikel 21 overeenkomstige toepassing zijn.
Recreatie - Recreatiebedrijven van
g. de bestemming wordt gewijzigd in de bestemming ‘Recreatie - Recreatiebedrijven' ten behoeve van de realisatie van een groepsaccommodatie in combinatie met 1 bedrijfswoning, al dan niet in combinatie met bijbehorende ligplaatsen, met dien verstande dat: 1
de wijziging uitsluitend betrekking kan hebben op de voormalige agrarische bebouwing met bijbehorende erven, binnen een bestaande denkbeeldige rechthoek of bouwvlak;
2
de wijziging uitsluitend kan worden toegepast indien de agrarische bedrijfsactiviteiten ter plaatse volledig zijn beëindigd;
3
de wijziging slechts wordt toegepast indien er sprake is van een goede landschappelijke inpassing;
4
de groepsaccommodatie uitsluitend mag worden gerealiseerd in de voormalige bedrijfsgebouwen, niet zijnde kassen, en de voormalige bedrijfswoningen;
5
parkeren op eigen erf dient plaats te vinden;
6
het aantal ligplaatsen niet meer dan 1 ligplaats per 4 personen mag bedragen, waarbij het totaal aantal ligplaatsen per groepsaccommodatie nooit meer dan 10 mag bedragen;
7
de ligplaatsen worden gerealiseerd binnen een haventje, met het oog op het intact laten van de natuurlijke oevers. Hierbij wordt, afhankelijk van de situatie, de oever doorsneden door de haveningang;
8
voor het overige de regels uit Artikel 21 overeenkomstige toepassing zijn.
Recreatie - Recreatiebedrijven van
h. de bestemming wordt gewijzigd in de bestemming 'Maatschappelijk' of 'Maatschappelijk - Zorgboerderij' ten behoeve van maatschappelijke, zorg- en/of recreatieve activiteiten in combinatie met 1 bedrijfswoning, met dien verstande dat: 1
de wijziging uitsluitend betrekking kan hebben op de voormalige agrarische bebouwing met bijbehorende erven, binnen een bestaande denkbeeldige rechthoek of bouwvlak;
2
de wijziging uitsluitend kan worden toegepast indien de agrarische bedrijfsactiviteiten ter plaatse zijn beëindigd;
3
de wijziging slechts wordt toegepast indien er sprake is van een goede landschappelijke inpassing;
4
de voorzieningen uitsluitend mogen worden gerealiseerd in de voormalige bedrijfsgebouwen, niet zijnde kassen, en de voormalige bedrijfswoningen;
5
parkeren op eigen erf dient plaats te vinden;
6
voor het overige de regels uit Artikel 15 Maatschappelijk of Artikel 16 Maatschappelijk - Zorgboerderij van overeenkomstige toepassing zijn.
Artikel 6 6.1
Bedrijf
bestemmingsomschrijving
De voor ‘Bedrijf’ aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. bedrijven welke zijn genoemd in categorie 1 en 2 van de bij deze regels opgenomen bijlage 5 'Staat van Bedrijven'; b. bedrijfswoningen; en ter plaatse van de aanduiding: c. "bouwbedrijf" tevens voor een bouw- en aannemersbedrijf; d. "specifieke vorm van bedrijf - machinehandel" tevens voor een machinehandel; e. "specifieke vorm van bedrijf - houtzagerij" tevens voor een houtzagerij; f. "specifieke vorm van bedrijf - houthandel" tevens voor houthandel; g. "specifieke vorm van bedrijf - fouragehandel" tevens voor een fouragehandel; h. "transportbedrijf" tevens voor een transportbedrijf; i.
"specifieke vorm van bedrijf - visrokerij" tevens voor een visrokerij;
j. "specifieke vorm van bedrijf - grond-, weg- en waterbouwbedrijf" tevens voor een grond, weg- en waterbouwbedrijf; k. "specifieke vorm van bedrijf - mesthandel", tevens voor een mesthandel; l.
"specifieke vorm van bedrijf - mechanisatie- en constructiebedrijf", tevens voor een mechanisatie- en/of constructiebedrijf;
m. "specifieke vorm van bedrijf - reparatie en onderhoud van schepen", tevens voor een reparatie- en onderhoudsbedrijf van schepen; n. 'opslag' de opslag ten behoeve van het ter plaatse gevestigde bedrijf; o. 'specifieke vorm van bedrijf - paardenstal' tevens voor een paardenstal; p. daghoreca onder de voorwaarde dat dranken en etenswaren hoofdzakelijk overdag worden verstrekt, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "horeca". q. bedrijven ten behoeve van een verkooppunt van motorbrandstoffen zonder LPG, en ondergeschikte detailhandel in bijbehorende accessoires, benodigdheden voor motorvoertuigen en weggebonden artikelen, ter plaatse van de aanduiding 'verkooppunt motorbrandstoffen zonder lpg'; r. bedrijven ten behoeve van een verkooppunt van motorbrandstoffen inclusief LPG, en ondergeschikte detailhandel in bijbehorende accessoires, benodigdheden voor motorvoertuigen en weggebonden artikelen, ter plaatse van de aanduiding 'verkooppunt motorbrandstoffen met lpg'; s. een recreatieappartement, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van recreatie – recreatieappartementen’; t. een vulpunt voor LPG, ter plaatse van de aanduiding 'vulpunt lpg'; met de daarbij behorende: u parkeervoorzieningen, waarbij voldaan wordt aan de bepalingen in artikel 51.1; met daaraan ondergeschikt: v.
detailhandel, uitsluitend voor zover aan te merken als rechtstreeks voortvloeiend uit de bedrijfsactiviteiten van het bedrijf; w. bestaande windturbines, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "windturbine"; x. bêd & brochje, mits het aantal daarvoor beschikbare kamers beperkt blijft tot 2 per bedrijfswoning, met een maximum van 5 slaapplaatsen;
y. aan-huis-verbonden beroepen; z. water; aa. openbare nutsvoorzieningen en voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding.
6.2
Bouwregels
a. Algemeen gelden voor alle bouwwerken de volgende regels: 1
ter plaatse van de aanduiding “karakteristiek” zijn de regels van toepassing zoals opgenomen in artikel 46.3 van toepassing;
b. Voor het bouwen van bedrijfsgebouwen en bedrijfswoningen gelden de volgende regels: 1
de gebouwen worden gebouwd in één bouwlaag met kap, waarbij de goot- en bouwhoogte niet meer dan respectievelijk 4,5 m en 10 m mogen bedragen, dan wel de bestaande hoogte indien deze meer bedraagt;
2
de totale gezamenlijke oppervlakte van bedrijfsgebouwen mag niet meer dan de bestaande oppervlakte bedragen;
3
het aantal bedrijfswoningen per bestemmingsvlak mag niet meer dan 1 bedragen, met uitzondering van de gronden ter plaatse van de aanduiding "bedrijfswoning uitgesloten" waar geen bedrijfswoning mag worden gebouwd;
4
de oppervlakte van een niet-inpandige bedrijfswoning mag niet meer dan 150 m² bedragen;
5
de afstand van de voorgevel van een bedrijfswoning tot de as van een weg met de bestemming 'Verkeer - Wegverkeer' mag niet minder dan de bestaande afstand bedragen;
c. Met betrekking tot bijbehorende bouwwerken en overkappingen bij bedrijfswoningen geldt dat: 1
bijbehorende bouwwerken en overkappingen op niet minder dan 3 m achter (het verlengde van) de naar de weg gekeerde gevel van de bedrijfswoning mogen worden gebouwd;
2
de goothoogte van aangebouwde bijbehorende bouwwerken en overkappingen niet meer dan 3 m mag bedragen, dan wel niet meer dan de hoogte van de bovenzijde van de afgewerkte vloer van de eerste verdieping van de bedrijfswoning waaraan wordt gebouwd;
3
de goothoogte van vrijstaande bijbehorende bouwwerken niet meer dan 3 m mag bedragen;
4
de bouwhoogte van vrijstaande bijbehorende bouwwerken niet meer dan 5,5 m mag bedragen;
5
de bouwhoogte van aan de bedrijfswoning gebouwde bijbehorende bouwwerken en overkappingen niet meer dan 7 m mag bedragen, met dien verstande dat: − de bouwhoogte van aan de bedrijfswoning gebouwde bijbehorende bouwwerken en overkappingen minimaal 1 m lager is dan de bouwhoogte van de bedrijfswoning, en; − de bouwhoogte van aan de bedrijfswoning gebouwde bijbehorende bouwwerken en overkappingen welke maximaal 1 wand hebben, niet meer dan 5,5 meter mag bedragen;
6
de gezamenlijke oppervlakte van bijbehorende bouwwerken en overkappingen per bedrijfswoning niet meer dan 100 m² mag bedragen, met dien verstande dat:
−
−
indien er meerdere bedrijfswoningen aanwezig zijn, de totale oppervlakte van bijbehorende bouwwerken en overkappingen per bestemmingsvlak niet dan 150 m2 mag bedragen; de gezamenlijke oppervlakte van bijbehorende bouwwerken en overkappingen niet meer dan 90% van de oppervlakte van de bedrijfswoning mag bedragen.
d. Voor het bouwen van gebouwen ten behoeve van openbare nutsvoorzieningen en voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding geldt de volgende regel: −
de inhoud per gebouw mag niet meer dan 50 m³ bedragen.
e. Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels: 1
de bouwhoogte van terrein- en erfafscheidingen mag niet meer dan 2 m bedragen;
2
bouwwerken geen gebouw zijnde ten behoeve van een rijbak (de rijbak) als hobby bij de bedrijfswoning in het bestemmingsvlak zijn alleen toegestaan als aan alle onderstaande randvoorwaarden wordt voldaan: - de afstand van de rijbak tot het eigen erf niet meer dan 30 m mag bedragen, en; - de afstand van de rijbak tot het erf van derden ten minste 15 m dient te bedragen, en; - de afstand van de rijbak tot de woning van derden ten minste 30 m dient te bedragen, en; - de oppervlakte per rijbak niet meer dan 1.250 m² mag bedragen, en; - de hoogte van omheiningen niet meer dan 2 m mag bedragen, en; - het aantal lichtmasten niet meer dan 4 mag bedragen, en; - de hoogte van lichtmasten niet meer mag bedragen dan 5 meter;
3
de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer dan 3 m bedragen;
4
het bouwen van windturbines is niet toegestaan met uitzondering van een windturbine uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "windturbine", waarbij de bouwhoogte en rotordiameter niet meer mag bedragen dan de bestaande bouwhoogte en rotordiameter.
6.3
Nadere eisen
Burgemeester en Wethouders kunnen met het oog op het voorkomen van een onevenredige aantasting van: −
de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;
−
de milieusituatie;
−
het straat- en bebouwingsbeeld;
−
de verkeersveiligheid;
−
de watersituatie;
−
de (openlucht) recreatiemogelijkheden;
−
het landschappelijk beeld,
nadere eisen stellen aan a. de plaats van gebouwen; b. de plaats en bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, indien de bouwhoogte meer dan 1,5 m bedraagt.
6.4 6.4.1
Afwijken van de bouwregels Afwijkingen
Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in: a. lid 6.2, sub b, onder 1 tot een goothoogte van maximaal 5 m. b. lid 6.2, sub b onder 2 voor een grotere gezamenlijke oppervlakte van bedrijfsgebouwen, met dien verstande dat: 1
de bestaande oppervlakte van bedrijfsgebouwen behorende bij bedrijven genoemd in lid 6.1, onder a, e en f, binnen de planperiode eenmalig mag worden vermeerderd met ten hoogste 50% waarbij de totale gezamenlijke oppervlakte van bedrijfsgebouwen niet meer mag bedragen dan 50% van het bestemmingsvlak;
2
de bestaande oppervlakte van bedrijfsgebouwen behorende bij bedrijven genoemd in lid 6.1, onder b, c, d en g tot en met o, binnen de planperiode eenmalig mag worden vermeerderd met ten hoogste 15% waarbij de totale gezamenlijke oppervlakte van bedrijfsgebouwen niet meer mag bedragen dan 50% van het bestemmingsvlak;
c. lid 6.2, sub b, onder 5 voor het bouwen van de voorgevel van een bedrijfswoning op een afstand van de weg die minder is dan de bestaande afstand, met dien verstande dat, indien de geluidsbelasting ten gevolge van het wegverkeer meer dan de voorkeursgrenswaarde bedraagt, de omgevingsvergunning slechts wordt verleend in overeenstemming met een verkregen hogere grenswaarde; d. lid 6.2 onder c, sub 1 het bouwen op minder dan 3 m achter (het verlengde van ) de naar de weg gekeerde gevel van de bedrijfswoning; e. lid 6.2 onder b, sub 4 voor het bouwen van een bedrijfswoning met een oppervlakte >150 m2, mits: 1
6.4.2
er in geringe mate wordt afgeweken van de bestaande maatvoeringen en gevelindeling van de karakteristieke bebouwing in de vorm van een stelp, kophals-rompboerderij of kop-rompboerderij. Toetsingscriteria
De in lid 6.4.1 genoemde omgevingsvergunning kan slechts worden verleend, mits geen afbreuk wordt gedaan aan: −
de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;
−
de milieusituatie;
−
het straat- en bebouwingsbeeld;
−
de verkeersveiligheid;
−
de watersituatie;
−
de (openlucht) recreatiemogelijkheden;
−
het landschappelijk beeld
6.5
Specifieke gebruiksregels
Tot een strijdig gebruik van gronden en bouwwerken, wordt in elk geval gerekend het gebruik voor: a. geluidszoneringsplichtige inrichtingen;
b. wonen, behalve ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning'; c. detailhandel, met uitzondering van ondergeschikte detailhandel als bedoeld in artikel 6.1. 6.6
Afwijken van de gebruiksregels
Het bevoegd gezag kan door middel van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 6.1 sub a ten behoeve van: a. de uitoefening van bedrijfsactiviteiten in een hogere categorie dan genoemd in artikel 6.1 sub a wanneer deze, gelet op de milieubelasting, naar aard en invloed op de omgeving gelijkwaardig zijn aan de bedrijfsactiviteiten als bedoeld in artikel 6.1 sub a; b. de uitoefening van bedrijfsactiviteiten, die niet in de Staat van bedrijfsactiviteiten worden genoemd, maar gelet op de milieubelasting naar aard en invloed op de omgeving gelijkwaardig zijn aan de bedrijfsactiviteiten als bedoeld in artikel 6.1 sub a; Bij een afwijking zoals bedoeld onder a en b worden de aard en invloed van de milieubelasting van een bedrijf of bedrijfsactiviteiten en ook de aspecten geluid, geurproductie, stofuitworp, gevaar, luchtverontreiniging en bodemverontreiniging beoordeeld en wordt gekeken naar de diversiteit, het continue karakter van het bedrijf, de visuele hinder en verkeersaantrekkende werking.
−
Artikel 7 7.1
Bedrijf - Loonbedrijf
Bestemmingsomschrijving
De voor ‘Bedrijf- Loonbedrijf’ aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. een loonbedrijf; b. bedrijfswoningen; met daaraan ondergeschikt: c. aan-huis-verbonden beroepen; d. bêd & brochje, mits het aantal daarvoor beschikbare kamers beperkt blijft tot 2 per bedrijfswoning, met een maximum van 5 slaapplaatsen; e. bestaande windturbines, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "windturbine"; h parkeervoorzieningen, waarbij voldaan wordt aan de bepalingen in artikel 51.1; i.
water;
j. groenvoorzieningen; k. openbare nutsvoorzieningen en voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding; en ter plaatse van de aanduiding: l.
een baggerspeciedepot, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "baggerspeciedepot";
m. een aannemersbedrijf in weg- en waterbouw’, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding ”aannemersbedrijf in weg- en waterbouw”, met dien verstande dat voor het perceel Bovenburen 4 te Koudum geldt dat hieronder wordt verstaan de activiteiten waarvoor ten tijde van de vaststelling van dit plan een vergunning is verleend danwel melding is geaccepteerd. 7.2
Bouwregels
a. Algemeen gelden voor alle bouwwerken de volgende regels: 1
ter plaatse van de aanduiding “karakteristiek” zijn de regels van toepassing zoals opgenomen in artikel 46.3 van toepassing;
b. Voor het bouwen van bedrijfsgebouwen en bedrijfswoningen gelden de volgende regels: 1
de gebouwen worden gebouwd in één bouwlaag met kap, waarbij de bouwhoogte niet meer dan 10 m mag bedragen, met dien verstande dat van 1 gebouw per bestemmingsvlak, tot een maximum oppervlakte van 1.000 m², de bouwhoogte niet meer dan 14 m mag bedragen;
2
de totale gezamenlijke oppervlakte van bedrijfsgebouwen mag niet meer dan 70% van het bestemmingsvlak bedragen;
3
het aantal bedrijfswoningen per bestemmingsvlak mag niet meer dan 1 bedragen;
4
de oppervlakte van een niet-inpandige bedrijfswoning mag niet meer dan 150 m² bedragen;
5
de afstand van de voorgevel van een bedrijfswoning tot de as van een weg met de bestemming 'Verkeer - Wegverkeer' mag niet minder dan de bestaande afstand bedragen.
c. Met betrekking tot bijbehorende bouwwerken en overkappingen bij bedrijfswoningen geldt dat: 1
bijbehorende bouwwerken en overkappingen op niet minder dan 3 m achter (het verlengde van) de naar de weg gekeerde gevel van de bedrijfswoning mogen worden gebouwd;
2
de goothoogte van aangebouwde bijbehorende bouwwerken en overkappingen niet meer dan 3 m mag bedragen, dan wel niet meer dan de hoogte van de bovenzijde van de afgewerkte vloer van de eerste verdieping van de bedrijfswoning waaraan wordt gebouwd;
3
de goothoogte van vrijstaande bijbehorende bouwwerken niet meer dan 3 m mag bedragen;
4
de bouwhoogte van vrijstaande bijbehorende bouwwerken niet meer dan 5,5 m mag bedragen;
5
de bouwhoogte van aan de bedrijfswoning gebouwde bijbehorende bouwwerken en overkappingen niet meer dan 7 m mag bedragen, met dien verstande dat: − de bouwhoogte van aan de bedrijfswoning gebouwde bijbehorende bouwwerken en overkappingen minimaal 1 m lager is dan de bouwhoogte van de bedrijfswoning, en; − de bouwhoogte van aan de bedrijfswoning gebouwde bijbehorende bouwwerken en overkappingen welke maximaal 1 wand hebben, niet meer dan 5,5 meter mag bedragen;
6
de gezamenlijke oppervlakte van bijbehorende bouwwerken en overkappingen per bedrijfswoning niet meer dan 100 m² mag bedragen, met dien verstande dat: − indien er meerdere bedrijfswoningen aanwezig zijn, de totale oppervlakte van bijbehorende bouwwerken en overkappingen per bestemmingsvlak niet dan 150 m2 mag bedragen; − de gezamenlijke oppervlakte van bijbehorende bouwwerken en overkappingen niet meer dan 90% van de oppervlakte van de bedrijfswoning mag bedragen.
d. Voor het bouwen van een windturbine, ter plaatse van de aanduiding "windturbine" gelden de volgende regels: 1
de bouwhoogte van een windturbine mag niet meer bedragen dan de bestaande bouwhoogte;
2
de diameter van een windturbine mag niet meer bedragen dan de bestaande diameter.
e. Voor het bouwen van gebouwen ten behoeve van openbare nutsvoorzieningen en voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding geldt de volgende regel: −
de inhoud per gebouw mag niet meer dan 50 m³ bedragen.
f. Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels: 1
de bouwhoogte van terrein- en erfafscheidingen mag niet meer dan 2 m bedragen;
2
bouwwerken geen gebouw zijnde ten behoeve van een rijbak (de rijbak) als hobby bij de bedrijfswoning in het bestemmingsvlak zijn alleen toegestaan als aan alle onderstaande randvoorwaarden wordt voldaan:
- de afstand van de rijbak tot het eigen erf niet meer dan 30 m mag bedragen, en; - de afstand van de rijbak tot het erf van derden ten minste 15 m dient te bedragen, en; - de afstand van de rijbak tot de woning van derden ten minste 30 m dient te bedragen, en; - de oppervlakte per rijbak niet meer dan 1.250 m² mag bedragen, en; - de hoogte van omheiningen niet meer dan 2 m mag bedragen, en; - het aantal lichtmasten niet meer dan 4 mag bedragen, en; - de hoogte van lichtmasten niet meer mag bedragen dan 5 meter; 3
7.3
de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer dan 3 m bedragen. Nadere eisen
Burgemeester en Wethouders kunnen met het oog op het voorkomen van een onevenredige aantasting van: −
de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;
−
de milieusituatie;
−
het straat- en bebouwingsbeeld;
−
de verkeersveiligheid;
−
de watersituatie;
−
de (openlucht) recreatiemogelijkheden;
−
het landschappelijk beeld.
nadere eisen stellen aan: a. de dakhelling van een niet-inpandige bedrijfswoning in die zin dat deze tussen de 30° en de 55° dient te bedragen; b. de plaats van gebouwen; c. de goothoogte van bedrijfsgebouwen indien deze meer dan 3,5 m bedraagt; d. de plaats en bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, indien de bouwhoogte meer dan 1,5 m bedraagt. 7.4
Afwijken van de bouwregels
Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in: a. lid 7.2 onder c, sub 1 het bouwen op minder dan 3 m achter (het verlengde van ) de naar de weg gekeerde gevel van de bedrijfswoning; b. lid 7.2 onder b, sub 4 voor het bouwen van een bedrijfswoning met een oppervlakte >150 m2, mits: 1
er in geringe mate wordt afgeweken van de bestaande maatvoeringen en gevelindeling van de karakteristieke bebouwing in de vorm van een stelp, kophals-rompboerderij of kop-rompboerderij;
7.4.1
Toetsingscriteria
a. De in lid 7.4 genoemde omgevingsvergunning kan slechts worden verleend, mits geen afbreuk wordt gedaan aan: −
de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;
−
de milieusituatie;
−
het straat- en bebouwingsbeeld;
−
de verkeersveiligheid;
−
de watersituatie;
−
de (openlucht) recreatie mogelijkheden;
−
cultuurhistorische waarden;
−
het landschappelijk beeld.
7.5
Specifieke gebruiksregels
Tot een gebruik strijdig met deze bestemming wordt begrepen het gebruik dat afwijkt van de bestemmingsomschrijving, waaronder in elk geval wordt begrepen: a. het gebruik van bijgebouwen voor zelfstandige bewoning; b. het splitsen van een bedrijfswoning zodanig dat er meer dan één woning ontstaat; c. het gebruik van de gronden en bouwwerken voor detailhandel, anders dan in de vorm van productiegebonden detailhandel; d. het gebruik van gedeelten van een bedrijfswoning, inclusief aan- en uitbouwen, aangebouwde bijgebouwen en aangebouwde overkappingen bij de bedrijfswoning, voor aan-huis-verbonden beroepen, indien de beroeps-/bedrijfsvloeroppervlakte in de bedrijfswoning meer bedraagt dan 30% van de begane vloeroppervlakte van de bedrijfswoning, met een maximum van 50 m²; e. het gebruik van de gronden en bouwwerken ten behoeve van verblijfsrecreatieve doeleinden anders dan logiesverstrekking voor recreatieve bewoning in de bedrijfswoning op de wijze van bêd en brochje ten behoeve waarvan maximaal twee kamers worden ingericht voor ten hoogste vijf logiesgasten.