Bijlage 3 - Bestemmingsplan Hindeloopen
Tekst van het document
Voordat gestart wordt met de uitvoering van bepaalde maatregelen worden deze dan ook aan direct belanghebbenden voorgelegd. De gevolgen vanuit het GVVP voor het bestemmingsplan zijn gericht op de wegcategorisering. Voor het plangebied is deze beschreven in paragraaf 2.2.1.
Bestemmingsplan Hindeloopen ontwerp
28
3.3.9.2
Parkeren
Op basis van het parkeerbeleid van de gemeente of de kencijfers van CROW kan berekend worden hoeveel parkeerplaatsen er benodigd zijn. Vervolgens moet aangetoond worden dat er voldoende parkeergelegenheid aanwezig is of gerealiseerd kan worden. Tot voor kort waren de parkeernormen geregeld in de bouwverordening. Met de inwerkingtreding van de Reparatiewet BZK 2014 (op 29 november 2014) is de Woningwet gewijzigd. De wijziging heeft betrekking heeft op de intrekking van de grondslag voor de stedenbouwkundige voorschriften in een bouwverordening. De stedenbouwkundige voorschriften, zoals het parkeren, moeten nu in het bestemmingsplan zelf geregeld worden. Aan het Besluit ruimtelijke ordening is mede in verband met het intrekken van toetsing aan de bouwverordening de mogelijkheid opgenomen om voor de invulling van de eis van voldoende parkeren in concrete situaties gebruik te maken van beleidsregels (zie artikel 3.1.2 lid 2 onder a Bro), zoals dit ook onder de werking van de bouwverordening mogelijk was. Zowel gemeentelijk parkeerbeleid als de CROW-normen kunnen van toepassing worden verklaard op basis van het bestemmingsplan. Als van een van toepassing zijnde norm wordt afgeweken moet dat goed worden gemotiveerd. De gemeente Súdwest-Fryslân heeft op 12 november 2018 de ‘Parkeernormennota Súdwest-Fryslân 2018’ vastgesteld.
In deze nota is voor een groot aantal functies bepaald hoeveel parkeerruimte nodig is bij een ontwikkeling. Voor de functies die niet zijn genoemd in de Parkeernormennota wordt op basis van de door de CROW vastgestelde richtlijnen (meest recente publicatie) bepaald of er sprake is van voldoende parkeergelegenheid. 3.3.10
Visie Recreatie en Toerisme
Súdwest-Fryslân staat bekend als een kwalitatief hoogwaardig gebied voor (actieve vormen van) toerisme en recreatie met een zeer gevarieerd en levendig aanbod. Deze variatie en levendigheid is gerealiseerd door een gezamenlijke inzet met de sector op betere verbindingen tussen toeristisch aanbod op het gebied van land en water, kunst en cultuur. De ontwikkelingsstrategieën uit de visie zijn gericht op het creëren van meer (afwisseling in) belevenissen door verbindingen te leggen tussen het bestaande aanbod en door verbindingen te leggen tussen alle partijen die daarbij betrokken zijn: −
Geef de bezoeker een gevoel van ‘thuiskomen’ en ‘zichzelf kunnen zijn’.
−
Benut de rijkdom van het ‘water’, het landschap en de steden.
−
Organiseer avontuurlijker actieve vormen van recreatie.
−
Gebruik verhaallijnen om de gast nieuwe ervaringen te laten beleven.
Actie, Gastheerschap en Samenwerking zijn de kernwoorden van de strategieën: De samenhang wordt gerealiseerd door te kiezen voor de kracht van het lokale verhaal, te investeren in aantrekkingskracht en door één sterk toeristisch samenwerkingsverband neer te zetten voor de regio. Er wordt koers gezet op Gastheerschap vanuit de invalshoeken: −
Meer aansprekende watersportactiviteiten voor de jeugd en sportstimulering.
−
Het bevorderen van elektrisch varen en fietsen.
Bestemmingsplan Hindeloopen ontwerp
29
−
Verleiding tot gezelligheid en vermaak in de kernen.
−
Jaarlijks terugkerende sportieve en culturele events.
Er wordt gekoerst op meer beleving van het weidse landschap en de bijzondere natuur door: −
Op de kop van Afsluitdijk een ‘uitzichtpunt’ van formaat te realiseren.
−
Het creëren van belevenissen binnen de kwalificatie Nationaal Landschap.
−
De optimalisatie van de bestaande routenetwerken.
In het plangebied is op enkele plaatsen sprake van recreatieve en toeristische functies en voorzieningen, bijvoorbeeld camping Hindeloopen. Omdat dit bestemmingsplan een conserverend karakter heeft worden in dit gebied geen ontwikkelingen voorzien die niet al eerder afgewogen zijn. 3.3.11 Visie Ruimtelijke Kwaliteit De in het kader van het Nationaal Landschap Zuidwest-Fryslân opgestelde ‘Landschapsontwikkelingsvisie’ (2009) heeft als basis gediend voor de “Visie Ruimtelijke Kwaliteit Gemeente Súdwest-Fryslân” die op 23 juni 2013 is vastgesteld. De visie hanteert als uitgangspunt dat het landschap het product is van de ontwikkelingen in de landbouw, de natuur, de economie en de samenleving door de eeuwen heen; en dat dit ook in de toekomst zo zal zijn. Die veranderingen kunnen in beginsel bijdragen aan de landschappelijke kwaliteit, mits ze goed op elkaar worden afgestemd. Met het gekozen abstractieniveau vormt de visie een basis voor andere sectorale beleidsvisies en andere ruimtelijke plannen, zoals gebiedsvisies, bestemmingsplannen, maar ook bijvoorbeeld de welstandsnota of beheer- en onderhoudsplannen. De visie dient als één van de toetsingskaders bij concrete initiatieven. Hoofduitgangspunt is dat bij alle ruimtelijke ontwikkelingen de kernkwaliteiten van de verschillende landschapstypen leidend zijn.
De omschrijving hiervan is in paragraaf 2.3 van dit bestemmingsplan overgenomen. Daarnaast worden ontwikkelingen gestuurd met specifieke aandacht voor de volgende uitgangspunten: −
Versterken van de grootse openheid van het klei- en veengebied en de meren.
−
Aandacht voor detail binnen het grootschalig landschap.
−
Versterken van het contrast tussen binnendijks en buitendijks gebied.
−
Behoud van authenticiteit en eenvoud.
−
Ruimte voor dynamiek, experiment en contrast.
Het bestemmingsplan heeft een conserverend karakter. In het plangebied worden daarom geen ontwikkelingen voorzien, die niet al eerder afgewogen zijn. Bij eventuele herbouw activiteiten zal rekening worden gehouden met de uitgangspunten van de visie Ruimtelijke Kwaliteit. 3.3.12 Woonvisie 2017 - 2022 De gemeente vindt het belangrijk dat alle inwoners van de gemeente goed kunnen wonen. Daarom heeft de gemeenteraad in juli 2017 een Woonvisie vastgesteld waarin de gemeentelijke ambities voor een rechtvaardige en evenwichtige woonruimteverdeling zijn vastgelegd voor de sociale huurvoorraad en de particuliere woningvoorraad. In de Woonvisie is vastgelegd hoe de gemeente zorgt voor een optimaal functioneren van de woningmarkt. Hierbij is bijzondere aandacht voor de volgende thema’s:
Bestemmingsplan Hindeloopen ontwerp
30
−
Beschikbaarheid en betaalbaarheid van woningen voor alle doelgroepen.
−
Wonen, zorg en participatie.
−
Kwaliteit en duurzaamheid.
De Woonvisie vormt de basis voor het maken van prestatieafspraken tussen woningbouwcorporaties, huurdersverenigingen en gemeente. De visie geeft geen uitgangspunten voor de regeling van dit bestemmingsplan. Bij ontwikkelingen in het huidige woningbestand of bij een combinatie van wonen en zorg vormt de woonvisie wel een toetsingskader.
Bestemmingsplan Hindeloopen ontwerp
31
HOOFDSTUK 4 Omgevingsaspecten 4.1
Vormvrije mer-beoordeling
In bijlage C en D van het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van het bestemmingsplan planmer-plichtig (bijlage C en D), projectmer-plichtig (bijlage C) of mer-beoordelingsplichtig (bijlage D) zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Het plan maakt geen ontwikkelingen mogelijk die in de bijlagen van het Besluit m.e.r. zijn opgenomen. Daarnaast maakt het plan geen deel uit van Natura 2000-gebieden, waarop kleinschalige ontwikkelingen invloed kunnen hebben. Voor dit bestemmingsplan is dan ook geen vormvrije m.e.r.-beoordeling of milieueffectrapport nodig. In de volgende paragrafen wordt per milieu-aspect een beschrijving gegeven van de mogelijke gevolgen van en voor dit bestemmingsplan.
4.2
Milieuzonering
Milieuzonering zorgt ervoor dat milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen op een verantwoorde afstand van elkaar worden gesitueerd. Op deze wijze wordt gevaar en hinder voor de milieugevoelige functies voorkomen dan wel zoveel mogelijk beperkt en omgekeerd wordt voldoende zekerheid aan milieubelastende activiteiten geboden dat deze activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden uitgeoefend kunnen worden. Bij dit bestemmingsplan hoort een Staat van Bedrijfsactiviteiten. Deze is gebaseerd op de categorale indeling van bedrijfstypen uit de publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ (2009) van de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG). Bij deze indeling is de Standaard Bedrijfsindeling (SBI) van het Centraal Bureau voor de Statistiek gevolgd. Elk bedrijfstype heeft een eigen code. Naast een omschrijving van de bedrijfstypen is per type aangegeven welke richtafstanden gelden voor de aspecten geur, stof, geluid en gevaar. Dit is een indicatie van de minimale afstand die in beginsel, vanuit een bedrijf tot een rustige woonwijk, aangehouden moet worden. De grootste afstand is bepalend voor de indeling van een bedrijfstype in een milieucategorie. Milieucategorie
Aan te houden afstand tot woonwijken (zone)
1
0 tot 10 meter
2
30 meter
3.1
50 meter
3.2
100 meter
4.1
200 meter
4.2
300 meter
5.1
500 meter
5.2
700 meter
5.3
1000 meter
6
1500 meter
Bestemmingsplan Hindeloopen ontwerp
32
Voor het plangebied van dit bestemmingsplan zijn de milieucategorieën 1 en 2, 3.1 en 4.1 van belang. De individuele bedrijven tussen woningen en in de gemengde gebieden hebben maximaal een milieucategorie 2 en zijn goed verenigbaar met een woonomgeving. Op bedrijventerrein Indijk zijn bedrijven toegestaan in de milieucategorie 1, 2 en 3.1. Op dit bedrijventerrein is ook een scheepswerf toegestaan. Deze valt in categorie 4.1 en is op de verbeelding met een specifieke aanduiding aangegeven.
4.3
Bodem
Het uitgangspunt is dat de kwaliteit van de bodem in het plangebied zodanig moet zijn dat er geen risico’s zijn voor de volksgezondheid bij het gebruik van het plangebied voor wonen of een andere functie voor het verblijf van mensen. Op 13 december 2012 heeft de gemeenteraad van Súdwest-Fryslân de Nota bodembeheer en de bodemkwaliteitskaart Zuidwest Fryslân vastgesteld. De bodemkwaliteitskaart is een kaart waarop de kwaliteit van de bodem is aangegeven per deelgebied. De Nota bodembeheer beschrijft het beleid voor hergebruik of toepassen van grond als bodem. Het Besluit Bodemkwaliteit is hierin leidend. In de nota is ook een vrijstellingenbeleid opgenomen voor het uitvoeren van bodemonderzoek bij een omgevingsvergunning met de activiteiten bouw. Op basis hiervan kan de gemeente vrijstelling verlenen voor het uitvoeren van bodemonderzoek. Hier volgen een aantal uitzonderingen waarbij géén vrijstelling kan worden verleend: −
Locaties met een bekende verontreiniging, of locaties gelegen nabij (binnen een straal van 25 meter) een puntbron van bodemverontreiniging.
−
Verdachte locaties of locaties binnen een straal van 25 meter van verdachte locaties, waarvan een vermoeden bestaat van bodemverontreiniging, tenzij door een historisch onderzoek (uitgevoerd volgens NVN 5725) wordt aangetoond dat de locatie onverdacht is.
−
De bodemkwaliteit van het plangebied geeft aanleiding om een risico te verwachten bij het geplande gebruik.
In dit bestemmingsplan worden geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt. De bestaande situatie wordt slechts voorzien van een actuele regeling. In het plangebied zijn geen nieuwe ontwikkelingen voorzien. Bij nieuwe ontwikkelingen moet – wanneer deze niet in dit bestemmingsplan passen – een overweging van de gevolgen voor de bodem worden opgenomen. Dit heeft geen gevolgen voor het bestemmingsplan.
4.4 4.4.1
Cultuurhistorie inclusief archeologie Toetsingskader en beleid
Op 1 juli 2016 is de Erfgoedwet van kracht geworden. De Monumentenwet 1988 is met ingang van 1 juli 2016 dan ook vervallen. De bepalingen uit de Monumentenwet 1988 zijn deels overgegaan naar de Erfgoedwet en – zodra die wet in werking treedt – deels naar de Omgevingswet. De bepalingen en vergunningen uit de Monumentenwet 1988 die overgaan naar de Omgevingswet blijven van toepassing tot de datum dat de Omgevingswet in werking treedt. Deze artikelen gelden tot dat moment als overgangsrecht op grond van de Erfgoedwet en tenzij expliciet vermeld, veranderen deze niet van inhoud. Tot die tijd blijft de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo)
Bestemmingsplan Hindeloopen ontwerp
33
het wettelijke kader voor de omgang met gebouwde en aangelegde rijksmonumenten en de Monumentenwet 1988 voor de omgang met de archeologische rijksmonumenten. Tot cultuurhistorie worden voor dit bestemmingsplan gebouwde monumenten inclusief beschermde stads- en dorpsgezichten, archeologie en cultuurlandschap gerekend. In deze paragraaf wordt een analyse gemaakt van de cultuurhistorische (verwachtings)waarden en het eventueel noodzakelijke beschermingsregime. Bij deze analyse wordt volgens de gemeentelijke erfgoednota uitgegaan van de Landschapsbiografie Súdwesthoeke, de Cultuur Historisch kaart van de provincie Fryslân (CHK), waar ook de Friese Archeologische Monumentenkaart Extra (FAMKE) deel van uit maakt. 4.4.2
Archeologie
Algemeen Bij het opstellen en uitvoeren van ruimtelijke plannen wordt rekening gehouden met de bekende en de te verwachten archeologische waarden. Op welke plaatsen archeologisch onderzoek aan de orde is, wordt op grond van het gemeentelijk beleid bepaald. De gemeente volgt hiertoe de provinciale Friese Archeologische Monumentenkaart Extra (FAMKE). Op deze kaart worden voor de perioden Steentijd - Bronstijd en IJzertijd Middeleeuwen adviezen gegeven over eventueel te verrichten onderzoeken (zie figuren 13 en 14). Uit de gemeentelijke uitsnede van de FAMKE blijkt dat de historische kern in een streven naar behoud zone ligt voor de periode ijzertijd-middeleeuwen en voor de rest geldt voor deze periode voor bijna het gehele plangebied een archeologische verwachting. Voor de periode steentijd-bronstijd geldt er voor het plangebied een archeologische verwachting en is er dus geen sprake van bekende vindplaatsen.
Figuur 13: Uitsnede van de FAMKE steentijd-bronstijd
Bestemmingsplan Hindeloopen ontwerp
34
Figuur 14: Uitsnede van de FAMKE ijzertijd-middeleeuwen
De archeologische waardevolle terreinen en de verwachtingszones zijn beschermd via een dubbelbestemming archeologie, afhankelijk van de toegekende waarde. Zoals gezegd wordt gebruikt gemaakt van twee soorten archeologische waarden. Het betreft de dubbelbestemmingen “Waarde - Archeologie 1” en “Waarde - Archeologie 2”. Waarde Archeologie 1 wordt gehanteerd voor terreinen of gebieden die op de FAMKE het advies ‘streven naar behoud’ en ‘waarderend onderzoek’ hebben meegekregen, dus de bekende archeologisch waardevolle terreinen. Waarde - Archeologie 2 wordt gehanteerd voor gebieden die op de FAMKE het advies ‘karterend onderzoek’ en ‘quickscan’ hebben gekregen en zijn dan ook gebieden met een archeologische verwachtingswaarde. Archeologie en waterbodems De FAMKE houdt echter nog geen rekening met de archeologische waarden in waterbodems. Dit is echter wel wettelijk verplicht op basis van de Erfgoedwet (2016). Daarom wordt in dit BP voor het IJsselmeer een archeologische waarde (Waarde Archeologie 1) gehanteerd voor waterbodems. Voor de binnenwateren in de vorm van vaarten geldt een lagere trefkans en hier wordt gewerkt met een Waarde-archeologie 2 regime. Want ook in de bodem kunnen nog waardevolle resten aanwezig zijn, denk hierbij aan wrakken, oude dijken en verdronken nederzettingen. Hierbij wordt een vergunningsplicht gehanteerd voor ingrepen vanaf 50 m2.
Wel geldt er altijd een meldingsplicht voor werkzaamheden in en op de bodem ongeacht de grootte van de ingreep.. In en op de bodem van het IJsselmeer bevinden zich namelijk nog diverse wrakken van schepen en vliegtuigen of andersoortige vindplaatsen als oerbossen en verdronken nederzettingen. Een aantal Deze zijn overigens nog niet aangegeven op de plankaart, ook omdat men nog bezig is met de inventarisatie ervan. Tevens is een weergave van de puntlocaties niet wenselijk in verband met schatduiken.
Bestemmingsplan Hindeloopen ontwerp
35
Figuur 15: Op de verbeelding heeft het archeologisch waardevolle gebied een dubbelbestemming Waarde-Archeologie 1 meegekregen en het verwachtingsgebied de dubbelbestemming WaardeArcheologie 2.
Vrijstellingsgrenzen In gebieden met een archeologische waarde (Waarde – Archeologie 1), zoals de historische stadskern, zijn in principe ingrepen vanaf 50 m2 vergunningplichtig en moet een archeologisch onderzoek uitgevoerd worden voorafgaand aan de vergunningverlening. Dit om de archeologische behoudenswaardigheid in voldoende mate te kunnen bepalen. Het vaststellen van de archeologische waarde wordt gedaan aan de hand van één of meerdere archeologische vooronderzoeken. In eerste instantie moet door een bureau een booronderzoek worden uitgevoerd. Eventueel volgt hierop nog een proefsleuvenonderzoek. Na iedere onderzoeksfase wordt de rapportage van het betreffende onderzoek ter beoordeling aan de gemeente voorgelegd. Het vooronderzoek wordt afgesloten als uit de beoordeling van de rapportage blijkt dat de waarde van het te verstoren terrein in voldoende mate is vastgesteld. Vervolgens wordt namelijk besloten of voorwaarden aan de omgevingsvergunning worden verbonden (opgraven, begeleiden en/of planaanpassing) óf dat het plangebied archeologisch wordt vrijgegeven ten behoeve van de werkzaamheden. Voor de gebieden in een archeologische verwachtingszone (Waarde – Archeologie 2) zijn de vrijstellingsgrenzen ruimer en speelt mogelijk archeologisch onderzoek bij ingrepen vanaf 500 m2.
Wanneer sprake is van bodemverstorende ingrepen dieper dan 40 cm, afhankelijk van de omvang van de ingreep, dan is archeologisch onderzoek nodig: -
Voor zover het plangebied op de FAMKE is aangegeven als ‘karterend onderzoek 1’ dan moet een karterend onderzoek worden uitgevoerd indien er ingrepen zijn die voorzien in een oppervlak van meer dan 500 m2.
-
Voor zover het plangebied op de FAMKE is aangegeven als ‘karterend onderzoek 2’ dan moet een karterend onderzoek worden uitgevoerd indien er ingrepen zijn die voorzien in een oppervlak van meer dan 2.500 m2.
Bestemmingsplan Hindeloopen ontwerp
36
-
Voor zover het plangebied op de FAMKE is aangegeven als ‘karterend onderzoek 3’ dan moet een karterend onderzoek worden uitgevoerd indien er ingrepen zijn voorzien met een oppervlak van meer dan 5.000 m2.
Uitgevoerd archeologisch onderzoek en noodzaak van verder onderzoek Een aantal gebieden binnen het bestemmingsplangebied zijn in het verleden al archeologisch onderzocht, maar dit is nog niet verwerkt op de FAMKE. Alleen de gebieden waarbij een volledige vrijstelling geldt, oftewel geen archeologische waarde meer, zijn opgenomen op de verbeelding zonder archeologische bestemming (figuur 16).
Figuur 16: Vrijgegeven gebieden (paars) en gebieden met afwijkende verstoringsdiepte (blauw)
Voor de overige al onderzochte gebieden geldt dat er beperkingen zijn in de vorm van vrijstellingsdiepten. Vanaf die diepten blijft een archeologische verwachtingswaarde gelden. De Waarde-archeologie 2 blijft om deze reden voor deze terreinen gehandhaafd, alleen de verstoringsdiepte wijkt af van de standaard 40 cm. Dit wordt middels een aanduiding op de verbeelding aangegeven. Dit geldt voor de volgende terreinen: onderzoeksgebied camping Hindeloopen en onderzoeksgebied langs de Suderseewei. Hier gelden dus ontgravingsbeperkingen. Hier kan men echter wel tot 1,2 m – NAP en tot respectievelijk 2,5 m – NAP ontgraven zonder beperkingen (figuur 16). Door de dubbelbestemmingen is het aspect archeologie voorzien van een dekkend beschermingsregime. Aangezien het daarbij een conserverend bestemmingsplan betreft, zijn er met betrekking tot archeologie er geen onderzoeken noodzakelijk voorafgaand aan de vaststelling van dit bestemmingsplan. 4.4.3
Cultuurhistorie
Algemeen In 2019 heeft de gemeente Súdwest-Fryslân (samen met de gemeente De Fryske Marren, provincie Fryslân en de stichting Mar en Klif) in 2019 een Landschapsbiografie van de Friese Súdwesthoeke laten opstellen. Vrijwel heel Súdwest-Fryslân maakt deel uit van het Nationaal Landschap Zuidwest-Friesland. Dit gebied wordt gekenmerkt door een grote verscheidenheid aan landschapstypen, waaronder het stuwwallenlandschap in Gaasterland, de IJsselmeerkust van Makkum tot Lemmer, de kleizone met de wel bekende terpen en het veengebied van de Friese Meren. Ieder landschapstype kent een eigen ontstaansgeschiedenis en cultuurhistorische elementen die van grote waarde zijn voor de
Bestemmingsplan Hindeloopen ontwerp
37
beleving van het landschap in de Súdwesthoeke. De waardevolle cultuurhistorische elementen in het buitengebied en het Nationale Landschap zijn op regionaal niveau geïnventariseerd en in kaart gebracht in de landschapsbiografie. Deze vormt een aanvulling op de reeds bestaande Cultuurhistorische kaart van Fryslân en sluit aan bij de door de provincie Fryslân uitgegeven “Wordingsgeschiedenis van Fryslân”. Hiermee is de feitelijke basis gelegd voor het ruimtelijk beleid en het “beter vertellen” van de historie van de Súdwesthoeke. Voor wat betreft met name het gebouwde erfgoed: in het hoofdlijnenakkoord 2018-2022 is aangegeven dat er gekozen is om een inventarisatie van het cultureel erfgoed in de kernen en het buitengebied per deelgebied uit te laten voeren. Op basis van deze inventarisatie kunnen in het bestemmingsplan karakteristieke panden en andersoortige objecten worden aangewezen. Analyse Hindeloopen is rijk aan cultuurhistorische waarden. Hierbij gaat het onder andere om een groot aantal panden. In het plangebied zijn geen rijks- en gemeentelijke monumenten aanwezig maar in het plangebied zijn wel een twaalftal karakteristieke bouwwerken aanwezig. Op basis van de bekende informatie en geldende regeling hebben deze een aanduiding 'karakteristiek' gekregen op de verbeelding. In de planregels is hiervoor een vergunningstelsel voor werken en/of werkzaamheden aan gekoppeld.
In bijlage 4 bij de regels is een overzicht van de karakteristieke bouwwerken en monumenten opgenomen. Naast gebouwd erfgoed zijn ook andere cultuurhistorische waarden terug te vinden in het plangebied. Op basis van de Cultuurhistorische kaart en Landschapsbiografie zijn ook nog andere waarden vast te stellen in de plangebieden. Deze worden wanneer nodig beschermd in dit bestemmingsplan. Hieronder volgt een analyse. Geomorfologie en ontstaansgeschiedenis – Het westelijk deel van het plangebied ligt in het zogenaamde platen en slikken deel van het IJsselmeergebied. Dit zijn open en grootschalige gebieden overgaand in zeer grootschalige ruimte van het IJsselmeer (figuur 17). De huidige kustzone langs het IJsselmeer is ontstaan door de geleidelijke verruiming van de Zuiderzee. Het IJsselmeergebied is als gebiedsnaam feitelijk pas ontstaan in 1932, na de voltooiing van de Afsluitdijk, waarmee de Zuiderzee werd afgesloten van de Waddenzee en Noordzee. Tot die tijd was er sprake van aanslibbing en erosie langs de kustlijn. Er kwamen met het verdwijnen van eb en vloed zandplaten deels boven water te liggen en ontstonden er op een aantal plaatsen gradiënten van hogere gronden via moerassen naar ondiepe oeverzones (platen en slikken). Het oostelijk deel van het plangebied is gelegen op een kwelderwal en behoort tot het kleigebied van Westergo.
De relatief jonge kwelderwal die hier ligt, is gevormd doordat materiaal (klei en zand) hier in de Middeleeuwen werd afgezet door de Zuiderzee. Dit gebied kent een vrij dichte bewoning, er zijn zelfs een aantal steden ontstaan. Door de ligging aan de zee was scheepvaart en transport over water een belangrijke ontwikkeling voor de stedelijke kernen en havens.
Bestemmingsplan Hindeloopen ontwerp
38
Figuur 17: Landschapstypen (bron: CHK Fryslân)
Verkaveling - Het stedelijk plangebied grenst aan 1 verkavelingszone: de zogenaamde overgangszone van blokverkaveling/opstrekkende verkaveling op basis van het verkavelingsonderzoek van Cultuurland Advies. Voor wat betreft de sloten in het plangebied: er zijn geen hoog of zeer hoog gewaardeerde sloten op basis van de waarderingskaart van de Landschapsbiografie (figuur 18). Er is dus geen dubbelbestemming voor de historische verkaveling opgenomen in dit bestemmingsplan.
Figuur 18: Waardering verkaveling (bron: Landschapsbiografie)
Dijken en strekdammen – Voor Fryslân als kustgebied is de bescherming tegen de zee noodzakelijk. De eerste zeedijken langs de Zuiderzee werden in de 13e eeuw aangelegd. Door aanhoudende overstromingen werden de dijken vanaf de 16e eeuw verder landinwaarts gelegd. In de loop der eeuwen zijn de dijken steeds verhoogd en versterkt. Aanvankelijk wierp men dijken op ter bescherming van het oude land, maar in de loop van de middeleeuwen werden dijken ook gebruikt om het landbouwareaal uit te breiden. De landaanwinning gebeurde op steeds grotere schaal. Deze ontwikkeling veroorzaakte een voor Fryslân belangrijke verandering in het cultuurlandschap.
Bestemmingsplan Hindeloopen ontwerp
39
De zeedijk rondom Hindeloopen is nog intact en functioneel. Ze is hoog gewaardeerd in de Landschapsbiografie en heeft samen met de bijbehorende strekdammen een dubbelbestemming Waarde-Cultuurhistorisch waardevolle lijnen gekregen, naast de enkelbestemming- Waterstaat - Waterkering.
Figuur 19 Zeedijk (in oranje en grijs) (bron: Landschapsbiografie)
Vaarwegen – Tot ver in de 19de eeuw vormden waterwegen de belangrijkste transportroutes op het grondgebied van de gemeente Súdwest-Fryslân. Het land beschikte van nature al over een dicht netwerk van geulen, prielen en kreken. Naast een strijd tegen het zeewater heeft men in Westergo voortdurend geworsteld met de binnenwaterhuishouding. In de periode van vóór de bedijkingen was er sprake van een goede natuurlijke afwatering. Om de afwatering te verbeteren werden talloze vaarten gegraven en natuurlijke waterlopen aangepast. Deze oudste vaarten waren gebaseerd op de bochtige kreken en geulen, heel anders dan de rechte vaarten die in een latere periode werden aangelegd. Qua vaarwegen zijn een aantal vaarten waaronder de Yndyk, , de Zijlroede, de Westervaart, en de Aesterfeart nog aanwezig (figuur 20). Deze zijn grotendeels hoog tot zeer hoog gewaardeerd in de Landschapsbiografie en hebben een dubbelbestemming Waarde-Cultuurhistorisch waardevolle lijnen gekregen, naast de enkelbestemming-Water.
Figuur 20: Vaarwegen (bron: CHK Fryslân)
Bestemmingsplan Hindeloopen ontwerp
40
Paden en Wegen – Verkeer over land heeft zich tot halverwege de 19de eeuw beperkt tot wegen over dijken, de hoger gelegen kwelderwallen en jaagpaden. De wegen gelegen op het oorspronkelijke maaiveld waren grote delen van het jaar onbegaanbaar omdat het te drassig was. Halverwege de 19de eeuw werd echter de kwaliteit van de bestaande landwegen sterk verbeterd en nieuwe verharde wegen aangelegd. Een aantal paden zijn verdwenen en een aantal wegen functioneren thans als openbare weg en hebben in dit bestemmingsplan de enkelbestemming: Verkeer-Verblijf gekregen. Er is verder geen aparte dubbelbestemming opgenomen, omdat er geen integrale waardering is geweest van historische infrastructuur in de kernen, dit in tegenstelling tot het buitengebied.
Figuur 21: Oude paden en wegen (bron: CHK Fryslân)
Boerderijplaatsen-In het plangebied bevindt zich 1 historische boerderijplaats (figuur 22). Boerderijplaatsen verschaffen ons, omdat zij de kern vormden van de toenmalige agrarische samenleving, kennis over de bewoningsgeschiedenis en over de ontwikkeling van het cultuurlandschap op lokaal, regionaal en provinciaal niveau. De ondergrond kent doorgaans bescherming middels een archeologische dubbelbestemming op grond van de FAMKE.
Figuur 22: Boerderijplaats (bron: Landschapsbiografie)
Beschermd gezicht - Een groot deel van het centrum van Hindeloopen is op grond van de Monumentenwet in 1988 aangewezen als Beschermd Stadsgezicht. Deze aanwijzing is een erkenning van het bijzondere historische karakter van de stad. De bedoeling van de aanwijzing is om deze bijzondere historische karakteristieken te behouden en nadrukkelijk een plaats te geven in toekomstige ontwikkelingen.
Bestemmingsplan Hindeloopen ontwerp
41
Voor het in het plangebied liggende rijksbeschermde stadsgezicht is een aanwijzingsbesluit genomen, deze is opgenomen in bijlage 1 bij deze toelichting. De historische kern van de stad is rijk aan cultuurhistorische waarden. De historische binnenstad van Hindeloopen is aangewezen als beschermd stadsgezicht. Belangrijke waardevolle elementen zijn de stedenbouwkundige structuur; de traditionele materialisering van de openbare ruimte; de eigen bouwwijze van woonhuizen die veelal een of twee bouwlagen met kap hebben; het grachten- en slotenpatroon; de bruggen; de groene dijken; de groenelementen langs de grachtbermen en in particuliere tuinen en het open weiland direct grenzend aan de Nieuwstad. Op de verbeelding is een dubbelbestemming ‘Waarde Beschermd gezicht’ opgenomen en in de planregels zijn hier regels aangekoppeld, die gericht zijn op de instandhouding van de cultuurhistorische waarden binnen de historische kern van Hindeloopen. Monumentale en karakteristieke bebouwing – Waardevolle bebouwing in Hindeloopen heeft een beschermde status gekregen. Een deel is aangewezen als rijksmonument en wordt beschermd via wetgeving. Ter signalering van deze panden is op de verbeelding per rijksmonument een specifieke bouwaanduiding rijksmonument opgenomen. In bijlage 4 bij de regels is een overzicht van de rijksmonumenten opgenomen.
Bijzondere rijksmonumenten zijn onder andere de vele kerkgebouwen, de schutssluis, het reddingboothuis, de steiger bij de haven, het badpaviljoen en de vele woonhuizen. In dit bestemmingsplan zijn een dertigtal bouwwerken aangewezen als ‘karakteristiek bouwwerk’. Hierbij is een onderscheid aangebracht in: -
Bouwwerken met de omschrijving K1 die een zodanige monumentale waarde vertegenwoordigen, dat behoud van bouwwerk gewenst is. Hierbij valt te denken aan het behoud van een bepaalde geleding in de bouwmassa, een specifieke dakvorm en geveltype. Voor het slopen is een omgevingsvergunning verreist omdat behoud van het historisch materiaal gewenst is.
-
Bouwwerken met de omschrijving K2. Deze zijn tijdens het onderzoek naar karakteristieke bouwwerken beoordeeld als waardevol. Deze bouwwerken vertegenwoordigen een zodanige waarde, dat het van belang is om de hoofdvorm van het bouwwerk in hoofdzaak in stand te houden. Hierbij valt te denken aan het behoud van een bepaalde geleding in de bouwmassa, een specifieke dakvorm en geveltype.
Onder de karakteristieke bouwwerken bevinden zich vooral woningen. Een volledige opsomming van de karakteristieke bouwwerken in het plangebied is opgenomen als bijlage 4 bij de regels. Delfts rood – In Hindeloopen zijn na de oorlog een tweetal woonhuizen gebouwd die aangemerkt kunnen worden als ‘Delfts rood’. Op pandniveau vertegenwoordigen deze echter niet een zodanige waarde dat deze aanvullende bescherming verdienen middels dit bestemmingsplan. Wederopbouwwijken – Rondom de Tweede Wereldoorlog zijn er in meerdere periodes woningen gebouwd binnen het plangebied. De panden in deze wijken vertegenwoordigen echter niet een zodanige waarde dat deze aanvullende bescherming verdienen middels dit bestemmingsplan.
Bestemmingsplan Hindeloopen ontwerp
42
4.4.4
Conclusie
Het betreft hier een herziening van de bestaande conserverende bestemmingsplannen. Aanwezige en verwachte cultuurhistorische en archeologische waarden worden wanneer nodig beschermd door middel van een dubbelbestemming en/of een aanduiding. Het bestemmingsplan is vanuit cultuurhistorisch oogpunt dan ook uitvoerbaar. Nadere onderzoeken zijn niet nodig. In alle gevallen blijft de archeologische meldingsplicht van toevalvondsten van kracht (artikel 5.10, lid 1 Erfgoedwet). Concreet houdt dit in dat wanneer bij graafwerkzaamheden vondsten worden aangetroffen waarvan de vinder redelijkerwijs moet kunnen weten dat het archeologie betreft, dit gemeld moet worden bij het bevoegd gezag, zijnde de gemeente.
4.5 4.5.1
Ecologie Wet- en regelgeving
Bij elk ruimtelijk plan moet er rekening worden gehouden met beschermingswaardige natuurwaarden. Hiertoe is er regelgeving op het gebied van gebiedsbescherming en soortenbescherming opgenomen in de Wet natuurbescherming. Gebiedsbescherming De gebiedsbescherming is vastgelegd in hoofdstuk 2 van de Wet natuurbescherming. De wet bundelt de gebiedsbescherming van nationaal begrensde natuurgebieden met de Europese Vogel- en habitatrichtlijn. Er zijn een tweetal type natuurgebieden die door de Wet natuurbescherming worden beschermd. Dit zijn de Wetlands en de Natura 2000gebieden. Verder vormt de Wet natuurbescherming de basis voor het nationale Natuurbeleidsplan waarin het Natuurnetwerk Nederland in is verwerkt. Het Natuurnetwerk Nederland is een samenhangend netwerk van bestaande en nog te ontwikkelen belangrijke natuurgebieden in Nederland. Voorheen stond het Natuurnetwerk Nederland bekend als de Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Het Natuurnetwerk Nederland is als beleidsdoel opgenomen in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) en is uitgewerkt in het Streekplan Fryslân. Soortenbescherming De bescherming van soorten is geregeld hoofdstuk 3 van de Wet natuurbescherming. De wet is gericht op de bescherming, instandhouding en het behoud van plant- en diersoorten in het wild en hun directe leefomgeving.
Het uitgangspunt is dat schadelijke activiteiten in beginsel niet zijn toegestaan, tenzij er een uitzondering voor is gemaakt. Dat is het zogenaamde “Nee, tenzij-principe” en is in de wet opgenomen als een algemeen verbod op schadelijke effecten voor plant- en diersoorten, de zorgplicht. De zorgplicht geldt voor iedere beschermde soort die is opgenomen in de Vogel- en Habitatrichtlijn of opgenomen in de lijst van Nationale Soorten (onderdeel A en B, bijlage Wet natuurbescherming). Om een ontheffing te krijgen moet worden voldaan aan een aantal voorwaarden zoals opgenomen in artikel 3.3, vierde lid en artikel 5.8 vijfde lid van de Wet Natuurbescherming. De voorwaarden voor het verkrijgen van een ontheffing zijn daarnaast afhankelijk van het beschermingsregime van de soort.
Bestemmingsplan Hindeloopen ontwerp
43
In de Wet natuurbescherming is er een driedeling gemaakt in het beschermingsregime voor soorten. Het gaat om de volgende beschermingsregimes: 1.
Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn (artikel 3.1 Wet natuurbescherming). Alle van nature in Nederland in het wild levende vogels, zoals opgenomen in artikel 1 van de Vogelrichtlijn.
2.
Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn (artikel 3.5 Wet natuurbescherming). Het gaat om de soorten genoemd in Bijlage IV, onderdeel a van de Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het Verdrag van Bern en Bijlage I van het Verdrag van Bonn. In de bijlagen van de verdragen van Bern en Bonn worden ook vogelsoorten genoemd.
3.
Beschermingsregime Andere Soorten (artikel 3.10 Wet natuurbescherming). Alle soorten genoemd in onderdelen A en B van de bijlage van de Wet natuurbescherming.
De soorten genoemd onder punt 3 vallen onder een lager beschermingsregime dan een soorten genoemd onder punt 1 en 2. In principe geldt voor alle beschermde soorten een ontheffingsplicht, ook voor de algemenere Andere Soorten. De Wet natuurbescherming biedt provincies de mogelijkheid om een vrijstellingsbesluit op te stellen. In dit besluit staat onder andere voor welke soorten een vrijstelling geldt van de verbodsbepalingen in artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming. Voor vogels geldt een aanvullend beschermingsregime, waarbij er extra regels kunnen worden gesteld voor bijvoorbeeld jaarrond beschermde nesten. Naar verwachting blijft de bescherming van vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten gelijk onder de Wet natuurbescherming. Voor het verstoren van vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten geldt dat er meestal geen ontheffing wordt verleend. 4.5.2
Gebiedsbescherming
Binnen een straal van drie kilometer van het plangebied bevindt zich het gebied IJsselmeer. Dit gebied maakt onderdeel uit van het Natuurnetwerk Nederland en is een Natura 2000-gebied. Natura 2000-gebieden zijn wettelijk beschermd onder de Wet natuurbescherming. Verstoring van het gebied of ontwikkelingen in het gebied zijn niet mogelijk zonder een ontheffing of vrijstelling van het bevoegd gezag. Overige Natura 2000 gebieden bevinden zich op een dusdanige afstand van het plangebied (>3 km) dat effecten op deze gebieden zijn uit te sluiten. Rondom en in het plangebied zijn ook meerdere natuurgebieden (EHS water, EHS overige natuur, beheergebied en natuur buiten EHS en ganzenfoerageergebied) aanwezig. Het plangebied grenst aan weidevogelgebied.
Bestemmingsplan Hindeloopen ontwerp
44
Figuur 23: Contouren Natura 2000 gebied, Natuurnetwerk Nederland (voorheen EHS) en natuur buiten EHS en Ganzenfoerageergebied.
Het Natuurnetwerk Nederland (voorheen EHS) en weidevogelgebieden zijn planologisch vastgelegd in de Verordening Romte. Ganzenfoerageergebied is opgenomen in De Fryske Guozzenaanpak 2017-2020 en het Faunabeheerplan Winterganzen Fryslân 2018-2020. In artikel 7.1 van de Verordening Romte staat het beleid ten aanzien van de ecologische hoofdstructuur en weidevogelgebieden opgenomen en in artikel 7.2 het beleid ten aanzien van natuur buiten de ecologische hoofdstructuur.
Figuur 24: Weidevogelgebieden Verordening Romte 2014
Bestemmingsplan Hindeloopen ontwerp
45
Effecten Het bestemmingsplan betreft een plan dat vooral een nieuwe actuele regeling biedt voor bestaande gebieden waarin geen ontwikkelingen plaatsvinden. Effecten op de Natura 2000- en NNN-gebieden rondom het plangebied zijn dan ook uit te sluiten. Ook zijn effecten op de natuurgebieden buiten EHS uit te sluiten, omdat het bestemmingsplan in de directe omgeving geen ontwikkelingen mogelijk maakt. Voor de in het plangebied aanwezige natuurgebieden wordt waar nodig een beschermende regeling opgenomen. Door de ruime afstand en doordat er geen ontwikkeling plaatsvindt worden effecten op het ganzenfoerageer- en weidevogelgebied niet voorzien. Conclusie Vanwege het bovenstaande en het feit dat er geen nieuwe of ingrijpende ontwikkelingen worden uitgevoerd binnen of rondom een natuurgebied, worden negatieve effecten vanuit het bestemmingsplan niet verwacht. Nieuwe projecten of activiteiten, waarbij een mogelijk negatief effect op de natuurgebieden is, moeten altijd worden getoetst aan de Wet natuurbescherming. 4.5.3
Soortenbescherming
In het plangebied kunnen op verschillende plaatsen beschermde soorten (waaronder vleermuizen en vogels) voorkomen. Wanneer hier sprake van is, dan vindt bescherming plaats via de Wet natuurbescherming. Ontwikkelingen leiden mogelijk tot schade aan bijvoorbeeld de verblijfplaatsen of foerageergebieden van beschermde soorten, wat leidt tot overtreding van de verbodsbepalingen van de genoemde wet. Bij toekomstige initiatieven is een onderzoek dan ook vaak noodzakelijk, afhankelijk van de werkzaamheden die hiervoor verricht worden. Effecten In het bestemmingsplan worden geen nieuwe of ingrijpende planologische ontwikkelingen mogelijk worden gemaakt. Het betreft immers een conserverend bestemmingsplan. Voor de mogelijk aanwezige beschermde soorten in en in nabijheid van het plangebied bestaan bovendien voldoende mogelijkheden om effecten op beschermde soorten te voorkomen of te mitigeren. Hierbij moet men denken aan het werken buiten kwetsbare perioden en het waarborgen van het functionele leefgebied van de soort. Vanwege de ruime mogelijkheden om effecten op mogelijk aanwezige beschermde soorten te voorkomen of mitigeren en het slechts lokale karakter van mogelijk toekomstige ontwikkelingen, worden negatieve effecten niet verwacht. Conclusie De herziening van het bestemmingsplan wordt niet belemmerd op basis van ecologie.
Mocht sprake zijn van ontwikkelingen, dan moet per ontwikkeling en de daaraan gekoppelde werkzaamheden bepaald worden in hoeverre een ecologisch onderzoek nodig is. Dat heeft geen gevolgen voor dit bestemmingsplan.
Bestemmingsplan Hindeloopen ontwerp
46
4.6 4.6.1
Externe veiligheid Algemeen toetsingskader
Externe veiligheid gaat om het beperken van de kans op en het effect van een ernstig ongeval voor de omgeving door de volgende risicobronnen: •
Het gebruik, de opslag en de productie van gevaarlijke stoffen (in inrichtingen).
•
Het transport van gevaarlijke stoffen (buisleidingen, wegen, waterwegen en spoorwegen).
•
Het gebruik van luchthavens.
Het externe veiligheidsbeleid richt zich op het beperken van de risico’s voor de burger door bovengenoemde activiteiten. Hiertoe zijn risico’s gekwantificeerd, namelijk het plaatsgevonden risico en het groepsrisico. Plaatsgebonden risico (PR) Het PR is de berekende kans per jaar, dat een persoon overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval bij een risicobron, aangenomen dat hij op die plaats permanent en onbeschermd verblijft. Groepsrisico (GR) Dit is de kans dat een groep mensen overlijdt door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het GR moet worden gezien als een maat voor maatschappelijke ontwrichting. Het externe veiligheidsbeleid is verankerd in diverse wet- en regelgeving. De volgende besluiten zijn relevant: 1. Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) Met het Bevi zijn risiconormen voor externe veiligheid met betrekking tot bedrijven met gevaarlijke stoffen wettelijk vastgelegd. 2. Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) Op basis van het Bevb dienen plannen, vergelijkbaar met het Bevi, te worden getoetst aan de grens- en richtwaarde voor het PR en de oriëntatiewaarde voor het GR. 3. Wet basisnet Het basisnet is een landelijk aangewezen netwerk voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Binnen bepaalde grenzen wordt dit vervoer over de weg, binnenwater en spoor gegarandeerd.
Het basisnet heeft betrekking op de Rijksinfrastructuur: hoofdwegen (snelwegen), hoofdwaterwegen (binnenwateren) en hoofdspoorwegen (enkele uitzonderingen daargelaten). De wetgeving over het basisnet wordt de Wet basisnet genoemd. 4. Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) Voor ruimtelijke ordening in relatie tot de transportroutes is het Bevt opgesteld. Hierin zijn de regels voor de ruimtelijke ordening rondom het basisnet wettelijk vastgelegd.
Bestemmingsplan Hindeloopen ontwerp
47
5. Activiteitenbesluit milieubeheer (Activiteitenbesluit) Het Activiteitenbesluit en de daarbij behorende regeling is de opvolger van een groot aantal AMvB’s. In het Activiteitenbesluit staan algemene regels voor verschillende milieuaspecten, zoals veiligheidsafstanden waaraan voldaan moet worden. Verantwoordingsplicht In het Bevi, Bevb en Bevt is onder andere een verantwoordingsplicht voor het groepsrisico opgenomen. Deze verantwoording houdt in dat in bepaalde gevallen planologische keuzes moeten worden onderbouwd en verantwoord door het bevoegd gezag. In de volgende paragrafen wordt hierop verder ingegaan. Dit bestemmingsplan is voor advies opgestuurd naar de Fryske Utfieringstsjinst Miljeu en Omjouwing (FUMO). Het advies van de FUMO is ontvangen op 29 maart 2019 en toegevoegd in bijlage 2 bij deze toelichting. Het advies is verwerkt in de volgende paragrafen. 4.6.2
Risicobronnen
4.6.2.1
Risicovolle inrichtingen
De inventarisatie van eventueel aanwezige risicobronnen die van invloed kunnen zijn op het plangebied is uitgevoerd aan de hand van de EV-signaleringskaart/Risicokaart. Volgens de Signaleringskaart/Risicokaart bevinden zich binnen het plangebied geen risicobronnen. Ook in de nabijheid van het plangebied zijn geen stationaire risicobronnen (installaties met gevaarlijke stoffen) aanwezig. 4.6.2.2
Transportroutes gevaarlijke stoffen
Binnen en nabij het plangebied zijn geen transportroutes, waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd, aanwezig. 4.6.2.3
Hoge druk aardgastransportleidingen
Binnen het plangebied liggen geen hoge druk buisleidingen voor het transport van gevaarlijke stoffen. In de nabijheid van het plangebied en relevant zijn voor het bestemmingsplan zijn drie hoge druk aardgastransportleidingen van de Gasunie. Deze buisleidingen liggen ten noordwesten van het plangebied onder het IJsselmeer. Zie figuur 25.
Bestemmingsplan Hindeloopen ontwerp
48
Figuur 25: Uitsnede EV-signaleringskaart (29-03-2019)
Risicoanalyse In noordwestelijke richting liggen de volgende hoge druk aardgastransportleiding van Gasunie met de volgende specificaties: Kenmerk leiding
Druk
Diameter
Invloedsgebie d
Afstand plangebied
A-545
66,2 bar
914 mm
430 m
560 m
A-546
66,2 bar
1067 mm
490 m
360 m
A-653
79,9 bar
1219 mm
580 m
460 m
Uit de tabel valt op te maken dat de noordwestelijke punt van het plangebied binnen het invloedsgebied van de twee meest nabij gelegen buisleidingen (A-546 en A-653) ligt. Het plangebied ligt ruimschoots buiten de 100% letaliteitszone, maar gedeeltelijk binnen de 1% letaliteitszone. In de figuur hierna is ingezoomd op het deel van het plangebied dat binnen het invloedsgebied ligt. Hieruit valt op te maken dat binnen het invloedsgebied vrijwel geen verblijfsobjecten aanwezig zijn. Slechts één woning aan de Dijkweg 16 grenst aan of ligt voor een klein gedeelte binnen het invloedsgebied. Zie figuur 26 hieronder.
Bestemmingsplan Hindeloopen ontwerp
49
Figuur 26: Ligging van plangebied binnen invloedsgebied
Verder voorziet het bestemmingsplan niet in nieuwe ontwikkelingen binnen het invloedsgebied van de buisleidingen. De personen die binnen de woning aan de Dijkweg 16 kunnen verblijven dragen niet bij aan het groepsrisico. Deze woning grenst namelijk juist aan of ligt slechts voor een klein gedeelte binnen het invloedsgebied. Vanwege het ontbreken van verblijfsobjecten en het niet projecteren van verblijfsobjecten binnen het invloedsgebied is er geen sprake van groepsrisico. Een verantwoording van het groepsrisico is dan ook niet aan de orde. 4.6.3
Advies brandweer Fryslân
Externe veiligheid: Brandweer Fryslân ziet geen noodzaak om bij dit voorontwerpbestemmingsplan opmerkingen te plaatsen. Dit omdat er geen risicovolle activiteiten zoals bedoeld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) op het plangebied van invloed zijn. Wel is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) relevant, maar door het conserverende karakter van het plan ziet de brandweer geen meerwaarde in het plaatsen van opmerkingen. Uit figuur 15 valt op te maken dat een klein deel van het invloedsgebied van een van de voor de kust gelegen buisleidingen over het plangebied valt. Feitelijk betekent dit dat er sprake is van de noodzaak tot het verantwoorden van het groepsrisico. Het Bevb stelt echter in artikel 12, lid 3, dat hiervan afgeweken kan worden wanneer het groepsrisico zeer laag is of nauwelijks toeneemt. In het voorliggende geval voorziet Brandweer Fryslân geen toename van het groepsrisico doordat het plan conserverend van aard is. Daarnaast zal het bestaande groepsrisico zeer laag zijn door het geringe aantal objecten waar personen verblijven wat binnen het invloedsgebied is gelegen. Repressief advies Brandweer Fryslân heeft de mogelijkheid een repressief advies te geven in het kader van bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen.
In een dergelijk advies komen aspecten aan bod die van belang zijn voor de basisbrandweerzorg. Hierbij valt te denken aan onder meer bereikbaarheid, de beschikbaarheid van bluswater en de opkomsttijden.
Bestemmingsplan Hindeloopen ontwerp
50
Aangezien het zich hier om een conserverend plan handelt, ziet Brandweer Fryslân af van de mogelijkheid tot het geven van een repressief advies.
4.7
Geluid
In de Wet geluidhinder (Wgh) is bepaald dat elke (spoor)weg in principe een zone heeft waar aandacht aan geluidhinder moet worden besteed. De Wgh maakt onderscheid tussen geluidsgevoelige gebouwen/functies en niet-geluidsgevoelige gebouwen. (Bedrijfs)woningen zijn geluidsgevoelige gebouwen. Als geluidsgevoelige gebouwen binnen een zone bij een behorend bij een zoneplichtige (spoor)weg worden geprojecteerd bij een bestemmingsplanprocedure, moet met een akoestisch onderzoek worden aangetoond dat voldaan wordt aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB (voor wegen) of 55 dB (voor spoorwegen). Wegen waar deze zone in principe niet geldt, zijn: −
Wegen die gelegen zijn binnen een als woonerf aangeduid gebied.
−
Wegen waarvoor een maximumsnelheid geldt van 30 km/uur.
Dit bestemmingsplan is gericht op het vastleggen van de bestaande feitelijke situatie. Nieuwe ontwikkelingen zijn niet voorzien. De akoestische situatie verandert niet. Om deze reden hoeft er geen akoestisch onderzoek uitgevoerd te worden.
4.8
Kabels en leidingen
In het plangebied zijn geen kabels en leidingen aanwezig waarmee in planologische zin rekening gehouden dient te worden.
4.9
Lichthinder
Op het aspect lichthinder is geen wettelijk toetsingskader van toepassing. Ook is er geen gemeentelijk beleid. Uit het oogpunt van de bescherming van ecologische- en landschapswaarden is het echter wenselijk om lichthinder zoveel mogelijk te voorkomen of in ieder geval zo veel mogelijk te beperken. Dit geldt met name voor gebieden waar het nog relatief donker wordt. Het gaat dan vooral om het buitengebied. De gemeente Súdwest-Fryslân wil dan ook graag dat initiatiefnemers aandacht besteden aan het aspect lichthinder zodat dit tot een minimum beperkt kan worden.
Bestemmingsplan Hindeloopen ontwerp
51
Figuur 27: Fragment hemelhelderheidskaart (Bron: Provinsje Fryslân, 2014)
In de provincie Fryslân is meer dan de helft van het grondgebied (56%) donker of erg donker. Op 87% van het grondgebied is de Melkweg nog te zien. De provincie Fryslân is één van de donkerste provincies. 15% van Fryslân is donkerder dan ieder ander gebied in Nederland, waar tot nu toe de hemelhelderheid gemeten is. Binnen de gemeente zijn vooral de stedelijke gebieden Sneek en in minder mate Bolsward grote bronnen van licht. Het betreft hier een actualisering van de bestaande situatie binnen stedelijk gebied van de gemeente Súdwest-Fryslân. In het plan is hierom verder geen aandacht besteed aan het aspect lichthinder.
4.10
Luchtkwaliteit
Nederland heeft de Europese regels ten aanzien van luchtkwaliteit geïmplementeerd in de Wet milieubeheer. De wet is bedoeld om de negatieve effecten op de volksgezondheid aan te pakken door te hoge niveaus van luchtverontreiniging. De wet heeft ook tot doel mogelijkheden te creëren voor ruimtelijke ontwikkeling, ondanks overschrijdingen van de Europese grenswaarden voor luchtkwaliteit. De Wet milieubeheer voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). De programma-aanpak zorgt voor een flexibele koppeling tussen ruimtelijke activiteiten en milieugevolgen. Luchtkwaliteitseisen vormen onder de Wet milieubeheer geen belemmering voor ruimtelijke ontwikkelingen als: a. Er geen sprake is van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde. b. Een project, al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit leidt. c. Een project ’niet in betekenende mate’ bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Dit bestemmingsplan geeft in principe alleen een nieuwe juridische regeling aan de huidige situatie. Er worden geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt die bijdragen aan een verslechtering van de luchtkwaliteit.
Bestemmingsplan Hindeloopen ontwerp
52
Er zijn binnen de gemeente Súdwest-Fryslân geen knelpunten bekend over de luchtkwaliteit.
4.11
Verkeer
Hindeloopen wordt via de Oosterdijk ontsloten op de provinciale weg N359. Aan het einde van de Oosterdijk ligt een groot openbaar parkeerterrein voor bezoekers; De Mekuljes. Via de Suderseewei (weg rond Hindeloopen) kan het tweede openbare parkeerterrein aan de zuidkant van Hindeloopen worden bereikt. Via deze route loopt tevens de route voor verkeer richting Schuilenburg en Molkwerum. In Hindeloopen geldt ter hoogte van de brug éénrichtingsverkeer om doorgaand verkeer door het stadje tegen te gaan. De route voor doorgaand verkeer is in west-oost richting. Binnen de bebouwde kom geldt een snelheidsregime van 30 km/u. Voor de gehele oude kern van Hindeloopen geldt een zone voor parkeren voor vergunninghouders. Bewoners kunnen hiermee in de kern parkeren en toeristen kunnen gebruik maken van de grote openbare parkeerplaatsen (Mekuljes en Suderseewei) net buiten de oude kern. De verkeersstructuur in en om het plangebied blijft gelijk, omdat het hier gaat om een conserverend bestemmingsplan. De bestaande verkeershoofdstructuur is omschreven in paragraaf 2.3. De beleidsuitgangspunten voor verkeer en parkeren staan in paragraaf 3.3.7.
4.12
Water
Waterwet Binnen de Waterwet is het beheer van oppervlaktewater en grondwater geregeld en de wet verbetert de samenhang tussen ruimtelijke ordening en waterbeleid. Een watervergunning voor het uitvoeren van werkzaamheden aan een waterstaatswerk zal moeten worden aangevraagd bij de waterbeheerder, Wetterskip Fryslân. Een waterstaatswerk is een oppervlaktewaterlichaam, bergingsgebied, waterkering of ondersteunend kunstwerk. Legger Wetterskip Fryslân Het onderhoud en beheer van waterstaatswerken wordt uitgevoerd door de waterbeheerder; het Wetterskip Fryslân. Het Wetterskip heeft voor het beheer en onderhoud van de waterstaatswerken een Legger opgesteld. In de Legger worden de minimaal benodigde afmetingen van keringen beschreven om aan de veiligheidsnormen te voldoen. In de Legger wordt voor de wateren binnen het Wetterskip haar beheersgebied, de minimale eisen beschreven om een goede aan- en afvoer van water te realiseren. Naast het stellen van eisen aan de waterstaatswerken, vervult de Legger een functie in de handhaving van verbodsbepalingen die staan beschreven in de Keur. Dit betekent dat het zonder toestemming van het waterschap verboden is om gebruik te maken van een waterstaatswerk, inclusief beschermingszones.
Bestemmingsplan Hindeloopen ontwerp
53
Wet ruimtelijke ordening en de Watertoets Op basis van het Bro, moet een paragraaf worden opgenomen waarin wordt beschreven hoe er rekening is gehouden met de waterhuishouding binnen het bestemmingsplan. Voor de schriftelijke onderbouwing van de waterhuishouding binnen het bestemmingsplan, is gebruik gemaakt van de wettelijk verplichte ‘Watertoets’. In de Watertoets wordt door het Wetterskip advies gegeven hoe om te gaan met de waterhuishouding, zodat deze wordt gewaarborgd. Bij ruimtelijke ontwikkelingen is het van belang dat het Wetterskip vroegtijdig betrokken wordt. Watertoets nieuwe aanvragen Voor de herziening van het bestemmingsplan is op 30 mei 2022 door het Wetterskip een wateradvies gegeven. Dit advies is als bijlage 3 bij de toelichting opgenomen. Bij het opstellen van de Watertoets is het Wetterskip van de geldende bestemmingsplannen en de huidige situatie uitgegaan. Hierbij is aangenomen dat geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk worden gemaakt, het plan betreft immers een actualisatie van de oude plannen. Wanneer sprake is van nieuwe ontwikkelingen in het plangebied, dan wordt hiervoor een nieuw wateradvies aangevraagd. Het wateradvies van Wetterskip Fryslân is hierna beschreven. Advies Wetterskip Uit de watertoets blijkt dat er geen sprake is van geen waterschapsbelang, omdat het plan geen invloed heeft op het watersysteem en de waterketen.
Procesafspraken Wetterskip Fryslân gaat er vanuit dat de gegeven adviezen worden opgevolgd bij de verdere uitvoering van het bestemmingsplan. Als de adviezen worden opgevolgd heeft het Wetterskip geen bezwaren tegen het bestemmingsplan, hiermee is de watertoetsprocedure positief afgerond. Conclusie De gemeente volgt de adviezen van Wetterskip Fryslân zo veel mogelijk op, onder meer door in het plan rekening te houden met de beheerszones rond de hoofdwatergangen en regionale waterkeringen. Hierdoor zijn voor het aspect water geen belemmeringen binnen het bestemmingsplan. Bij nieuwe ontwikkelingen binnen het plangebied moet opnieuw een watertoets worden uitgevoerd.
Bestemmingsplan Hindeloopen ontwerp
54
HOOFDSTUK 5 Juridische toelichting 5.1
Inleiding
Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding (plankaart), planregels en deze plantoelichting. De verbeelding en planregels vormen samen het juridische deel van het bestemmingsplan. Deze vormen het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van gronden en bebouwing. In de regels worden de mogelijkheden in artikelen vastgelegd. Op de verbeelding worden de bestemmingen, bouwen gebruiksmogelijkheden per locatie aangeduid. Het bestemmingsplan is opgesteld in aansluiting op de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012. In dit hoofdstuk wordt de juridische systematiek van het bestemmingsplan toegelicht. Ook wordt een beschrijving per bestemming en een toelichting op de algemene bepalingen en de overgangs- en slotbepalingen gegeven.
5.2
Planregels
In deze paragraaf wordt de algemeen gehanteerde indeling van de bestemmingsregels aan de orde gesteld. Deze ziet er als volgt uit: Hoofdstuk 1: Inleidende regels −
Begrippen
−
Wijze van meten
Hoofdstuk 2: Bestemmingsregels −
Bestemmingen
−
Voorlopige bestemmingen
−
Uit te werken bestemmingen
−
Dubbelbestemmingen
Hoofdstuk 3: Algemene regels −
Antidubbeltelregel
−
Algemene bouwregels
−
Algemene gebruiksregels
−
Algemene aanduidingsregels
−
Algemene afwijkingsregels
−
Algemene wijzigingsregels
−
Verwerkelijking in de naaste toekomst
−
Algemene procedureregels
−
Overige regels
Hoofdstuk 4: Overgangs- en slotregels −
Overgangsrecht
−
Slotregel
Bestemmingsplan Hindeloopen ontwerp
55
5.2.1 Inleidende regels Dit onderdeel bestaat uit de begrippen en de wijze van meten. In de begripsomschrijving wordt aangegeven wat in de regels onder bepaalde begrippen moet worden verstaan. De gemeente Súdwest-Fryslân heeft een standaardbegrippenlijst waarvan alleen in uitzonderingsgevallen mag worden afgeweken. In het bestemmingsplan worden alleen de begrippen opgenomen die van toepassing zijn op het plan. Ook de wijze van meten zal in het bestemmingsplan worden beschreven. 5.2.2 Bestemmingsregels Een bestemming is een omschrijving van aan de grond toegekende functies, zoals wonen, bedrijven, groenvoorzieningen, etc. In de bestemmingsregel wordt aangegeven waarvoor en – wanneer nodig - hoe de betreffende gronden mogen worden gebruikt en bebouwd. Voor de bevordering van de leesbaarheid en de raadpleegbaarheid moet een vaste volgorde worden gehanteerd. Voor zover het voor het betrokken bestemmingsplan van toepassing is, geldt dit voor alle soorten bestemmingen, zoals bestemmingen, dubbelbestemmingen, uit te werken bestemmingen en voorlopige bestemmingen. In de bestemmingsplan van de gemeente Súdwest-Fryslân zijn verschillende bestemmingen te onderscheiden. Aan deze bestemmingen zijn bepaalde regelingen gekoppeld, zoals de bestemmingsomschrijving, bouwregels, gebruik, etc..
De volgende indelingen worden bij de gemeente Súdwest-Fryslân gebruikt voor het opstellen van bestemmingsregels. Artikel (nummer) Bestemmingsnaam Bestemmingsomschrijving In de bestemmingsomschrijving wordt een nadere omschrijving gegeven van de aan de gronden toegekende functie(s). De bestemmingsomschrijving is voornamelijk functioneel, maar bevat ook enkele inrichtingsaspecten. Bouwregels In de bouwregels worden de bebouwingsbepalingen voor alle bouwwerken geregeld. Het gaat daarbij onder meer om oppervlakten, hoogten en afstanden ten opzichte van naburige functie(s). Nadere eisen Wanneer nodig worden nadere eisen gesteld voor bepaalde kwalitatief omschreven criteria, zoals woonsituatie, straat- en bebouwingsbeeld en verkeersveiligheid. De nadere eisen bieden de mogelijk om sturend op te treden wanneer dit nodig is in concrete situaties in het kader van het verlenen van een omgevingsvergunning. De nadere eisen worden meestal gesteld aan de plaats en de afmeting van bebouwing. Om deze reden en omdat het gaat om een aanvulling op een basiseis, volgt dit onderdeel op de bouwregels. Specifieke gebruiksregels In dit onderdeel wordt aangegeven welke vormen van gebruik in ieder geval strijdig zijn met de bestemming. Niet alle mogelijke strijdige gebruiksvormen worden genoemd, maar vooral die, waarvan het niet meteen duidelijk is of deze in strijd is met de bestemming.
Bestemmingsplan Hindeloopen ontwerp
56
Afwijken van de gebruiksregels Hier is aangegeven of en in hoeverre kan worden afgeweken van de gebruiksregels. De voorwaarden moeten objectief begrensd zijn. Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde of van werkzaamheden Voor het uitvoeren van bepaalde werken en/of werkzaamheden, zoals graven of planten, vereist de gemeente hierin dat een vergunning wordt verleend, voordat hiermee wordt gestart. Ook kunnen deze werken/werkzaamheden worden verboden. Dit is bedoeld om aanwezige waarden (cultuurhistorie, landschap etc.) te beschermen. In dit onderdeel staat wanneer een vergunning nodig is en welke voorwaarden hieraan zijn gesteld. Omgevingsvergunning voor slopen Volgens artikel 3.3 Wro kan in het bestemmingsplan worden bepaald, dat het verboden is om binnen een bij dat plan aangegeven gebied zonder of in afwijking van een vergunning van burgemeester en wethouders bouwwerken te slopen. In dit onderdeel staat wanneer een vergunning nodig is en welke voorwaarden hieraan kunnen worden gesteld. Het gaat meestal over gebouwen die niet zijn aangewezen als rijks-, provinciale of gemeentelijke monumenten. Op de verbeelding zijn deze panden voorzien van een aanduiding. Wijzigingsbevoegdheid Wijzigingsbevoegdheden kunnen gaan over het wijzigen van een functie of van bebouwing.