Bijlage 2 - Reactienota op zienswijzen BGB-I
Tekst van het document
Een Wnb-vergunning (of afgegeven vvgb) welke op basis van de PAS-wetgeving passend is beoordeeld mag hiervoor niet gebruikt worden en kan niet opgenomen worden in bijlage 7. Ook niet indien dit onherroepelijke vergunningen zijn. Voor de vaststelling van een bestemmingsplan (ruimtelijke spoor) is dit niet toegestaan (ECLI:NL:RVS:2019:1603, r.o. 36 e.v.).
Conclusie is dat de artikelen inzake de vraag of er sprake is van toename van stikstofdepositie in het bestemmingsplan dusdanig zijn opgebouwd dat wij daarmee zoveel mogelijk recht doen aan de natuurtoestemmingen die er zijn. Wij zien geen mogelijkheden of goede andere voorbeelden op welke wijze wij deze bepalingen zouden kunnen aanpassen zonder dat hierbij de houdbaarheid van de bepaling onder druk komt te staan. Conclusie De zienswijze zal niet worden overgenomen. Gebruik van gronden en bouwwerken In de zienswijze komt naar voren dat artikel 3.5 onder j en 1.7 van de planregels een onnodige beperking van het gebruik inhouden. De regel zou namelijk ook gelden voor agrarische cultuurgrond die dezelfde bestemming behoudt. Allereerst merken wij op dat de zienswijze in plaats van artikel 1.7 de begripsbepaling van toename van stikstofemissie zal bedoelen (artikel 1.74). Dit beschouwen wij als een kennelijke schrijffout. In het bestemmingsplan is opgenomen dat het gebruiken van gronden en/of bouwwerken, waarbij er sprake is van stikstofemissie vanuit deze gronden en/of bouwwerken, als strijdig gebruik wordt beschouwd (o.a. artikel 3.5 onder j). In artikel 1.74 staat de begripsbepaling wanneer er in het kader van het bestemmingsplan sprake is van “toename van stikstofemissie”.
Hieruit komt naar voren dat als er niets op de bedrijfslocatie verandert, er ook geen toename van stikstofemissie aan de orde is (in het kader van het bestemmingsplan). Dus deze regel is pas aan de orde in het geval er een wijziging op het perceel gaat plaatsvinden, zoals bijvoorbeeld de bouw van een extra stal. In dat geval wordt er pas gekeken naar of deze stal extra stikstofdepositie heeft op een overbelast beschermd natuurgebied. Is het antwoord hierop nee, dan is er op basis van de definitie van het bestemmingsplan geen toename van stikstofemissie. Ook in die gevallen zal de stikstofregel dus geen belemmering opleveren. Mocht er wel een toename zijn, dan kan worden teruggevallen op de natuurtoestemming en wordt op basis daarvan bekeken of er een extra toename van stikstof is ten opzichte van deze natuurtoestemming. Naast de bouwpercelen, worden de weilanden nabij een boerderij ook agrarisch gebruikt. In de zienswijze wordt gesteld dat door de begripsbepaling van onze stikstofregel dit gebruik ook mogelijk een toename van stikstofemissie inhoudt en daarmee dat het bestemmingsplan onnodig beperkend is. Wij zijn het hier niet geheel mee eens. De eerste vraag is namelijk of er daadwerkelijk stikstofdepositie zal zijn op een (overbelast) beschermd natuurgebied bij het gebruik van die gronden. Dat zal in de meeste gevallen niet aan de orde zijn.
Maar los daarvan beogen wij met onze bestemmingsplanregel niet om (mogelijk) beperkend te kunnen zijn. Wij zien daarom aanleiding om voor de
duidelijkheid de strijdig gebruiksbepaling van artikelen 3.5 en 4.5 waarin stikstofemissie als strijdig gebruik wordt aangemerkt, aan te passen (waarbij de onderstreepte delen zijn toegevoegd). Hierbij koppelen wij deze emissie aan een ruimtelijke ontwikkeling. Daarmee is in onze ogen tegemoet gekomen aan de gevraagde aanpassing in de zienswijze en doen wij recht aan de agrarische percelen die in de voorgaande bestemmingsplannen ook een agrarische bestemming hadden (en zo werden gebruikt). “het gebruiken en laten gebruiken van gronden en/of bouwwerken voor een ruimtelijke ontwikkeling, waarbij een toename van stikstofemissie plaatsvindt vanuit de betreffende gronden en/of bouwwerken. Onder een ruimtelijke ontwikkeling wordt in ieder geval niet verstaan het gebruik van onbebouwde agrarische gronden voor bemesten.” Conclusie Dit deel van de zienswijze zal worden overgenomen. De planregel zal worden aangevuld. Alle Wnb-vergunningen opnemen in bijlage 7 In de zienswijze wordt het verzoek gedaan om alle onherroepelijke Wnbvergunningen in bijlage 7 op te nemen. Ongeacht of deze middels de PASwetgeving tot stand zijn gekomen. Zoals hierboven al is omschreven is onze hoofdregel en de uitzondering in bijlage 7 zo opgesteld dat het de rechterlijke toets kan doorstaan.
Indien wij alle Wnbvergunningen gaan opnemen in bijlage 7, dus ook de PAS-vergunningen, dan is het niet zeker of deze bijlage (in een rechtszaak) in stand kan blijven. De bedrijven die nu in bijlage 7 zijn opgenomen komen daarmee dus in een minder zekere positie terecht. Daarnaast zal dit ook geen andere situatie (of verbeterde positie) opleveren dan dat er nu al aan de orde is op basis van het bestemmingsplan. Zoals al eerder is gesteld zijn wij van mening met dit bestemmingsplan recht te doen aan de natuurtoestemmingen die er liggen. Het zal dus geen toegevoegde waarde hebben om deze andere Wnb-vergunningen op te nemen in bijlage 7. In bijlage 7 nemen wij uitsluitend de onherroepelijke natuurtoestemmingen op die niet middels de PAS passend zijn beoordeeld conform de eerder genoemde rechtspraak. Conclusie De zienswijze zal niet worden overgenomen. Nieuwe Wnb-vergunningen in bijlage 7 In de zienswijze wordt gesteld dat, als er na de vaststelling van het bestemmingsplan een nieuwe Wnb-vergunning wordt verleend, het bedrijf zelf zorg moet dragen om deze nieuwe vergunning in bijlage 7 van het bestemmingsplan te krijgen. In de zienswijze wordt tevens aangegeven dat hiervoor het
bestemmingsplan moet worden gewijzigd en dat hiermee hoge kosten voor de ondernemer aan de orde zijn. Ook in dit geval is het goed te beseffen dat er slechts een toets aan het bestemmingsplan aan de orde is, indien er een nieuwe ontwikkeling gepland is. Pas dan zal er aan het bestemmingsplan worden getoetst. De acute noodzaak om de nieuwe verleende Wnb-vergunning per direct op te laten nemen in bijlage 7 van het bestemmingsplan is daarmee dan ook niet aanwezig in onze ogen. Dat is pas mogelijk relevant indien er op korte termijn nog een nieuwe ontwikkeling beoogd is. Maar in dat geval zal dit bestemmingsplan niet belemmerd zijn indien er een natuurtoestemming ligt. Los daarvan is het goed te weten dat er wettelijk gezien uiterlijk binnen 5 jaar (na vaststelling van een bestemmingsplan) een geactualiseerd bestemmingsplan moeten komen. Dat zal per 1 januari 2024 een Omgevingsplan gaan heten (onder de Omgevingswet). Deze nieuwe wet verplicht gemeenten om minimaal elke 5 jaar het Omgevingsplan te actualiseren. De nieuwe verleende Wnb-vergunningen worden dus bij die actualisatie automatisch (en gratis voor de bedrijven) opgenomen in bijlage 7. Het is goed denkbaar dat een actualisatie ook sneller dan deze 5 jaar aan de orde is.
In die zin is het dus niet nodig om als agrarisch bedrijf zelf een wijziging op het bestemmingsplan op te starten (en te betalen) om daarmee de vergunning in bijlage 7 te krijgen. Dat gebeurt door de actualisatieplicht namelijk al automatisch. En de kans wordt klein geacht dat er in de periode tussen het verkrijgen van de nieuwe Wnb-vergunning en de actualisatie van het bestemmingsplan nog nieuwe ontwikkelingen bij een bedrijf zijn (waarbij stikstofemissie aan de orde kan zijn). Indien die er al zouden zijn, dan voorziet ons bestemmingsplan hier ook in aangezien wij recht doen aan de natuurtoestemmingen. Conclusie De zienswijze zal niet worden overgenomen.
27. Angterperlaan 7, 8763 MB Parrega. Indiener is van mening dat de bouwregels voor woningen buiten de bebouwde kom gelijk gesteld moeten worden met de bouwregels binnen de bebouwde kom. Met name op het gebied van vergunningsvrij bouwen. Verzocht wordt om de mogelijkheid om vergunningsvrij te bouwen bij een woning gelijk te trekken als een woning binnen de bebouwde kom. Reactie gemeente Vergunningsvrij bouwen is gebaseerd op het Besluit omgevingsrecht (Bor). In het Bor is bepaald dat de regeling van vergunningsvrij bouwen niet van toepassing is op percelen in het buitengebied. Als gemeente kunnen wij niet de regels voor vergunningvrij overrulen middels een bestemmingsplan. Deze regels zijn landelijk bepaald. Conclusie De zienswijze wordt niet overgenomen.
28. Pasfeardyk 6, 8631 SK Loënga. Namens Camping Pasveer V.O.F. wordt verzocht de toekomstige uitbreiding en upgrading van de camping op te nemen in het voorliggende bestemmingsplan. Uit de zienswijze en bijbehorende bijlage blijkt dat een naastgelegen perceel grond is aangekocht en men voornemens is de camping uit te breiden op deze locatie. De beoogde uitbreiding is niet opgenomen in het ontwerpbestemmingsplan. Naast het feit dat de voorgenomen uitbreiding niet is opgenomen in het bestemmingsplan vraagt men bijlage 3 bij de planregels aan te passen door voor Camping Pasveer v.o.f. het aantal kampeereenheden te verhogen naar maximaal 110. Reactie gemeente: De voormalige gemeente Sneek heeft in verleden meegewerkt aan het realiseren van stadscamping ‘Camping Pasveer’. Ooit begonnen als ondergeschikte neventak, maar later uitgegroeid tot 70 staanplaatsen. De agrarische bedrijfsactiviteiten zijn afgebouwd en sinds enkele jaren helemaal beëindigd. Bij het opstellen van het bestemmingsplan ‘Buitengebied Súdwest-Fryslân’ is ‘Camping Pasveer’ bestemd als ‘Recreatie – recreatiebedrijf. Het bestemmingsplan Buitengebied Súdwest-Fryslân-I moet worden gezien als een actualisatieplan. In principe worden nieuwe ontwikkelingen niet meegenomen.
Een uitzondering wordt gemaakt wanneer bij een nieuwe ontwikkeling de ruimtelijke onderbouwing reeds is ingediend en de reacties in het kader van vooroverleg zijn verwerkt. Een ruimtelijke onderbouwing is nodig om aan te tonen dat er sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Zo moeten de gevolgen voor een ontwikkeling ten aanzien van alle (relevante) omgevingsaspecten worden onderzocht. In de ‘Toekomstvisie Camping Pasveer’ zijn de toekomstplannen van ‘Camping Pasveer’ nader uitgewerkt. De camping wil verder groeien. Om een dergelijke groei mogelijk te maken moet de bestemming van de omliggende gronden worden gewijzigd. Zoals aangegeven is het onderhavige bestemmingsplan een herziening van de bestaande planologische regeling, waarin geen nieuwe ontwikkelingen worden opgenomen, tenzij met een goede ruimtelijke onderbouwing is aangetoond dat er sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Naast de ‘Toekomstvisie Camping Pasveer’ is geen aanvraag omgevingsvergunning of nader onderbouwing ingediend waaruit blijkt dat de beoogde plannen uitvoerbaar zijn. De beoogde uitbreiding of ontwikkeling kan daarom niet in dit bestemmingsplan worden opgenomen. Conclusie De zienswijze zal niet worden overgenomen.
29. Allengaweg 11, 8822 WJ te Arum. Beleid Namens de Mts. wordt aangegeven dat het bestemmingsplan zou zijn gebaseerd op oud beleid en daarom geen of onvoldoende rekening houdt met de huidige ontwikkelingen binnen de agrarische sector. Met name op het gebied van de stikstofproblematiek en voorschriften met betrekking tot de natuur en natuurontwikkeling. Namens de Mts. wordt de vrees uitgesproken dat het voorliggende bestemmingsplan onvoldoende rekening houdt met de beleidskeuzes van de provincie zoals deze in de Omgevingsverordening is opgenomen. Hierdoor zou het bestemmingsplan belemmerend kunnen werken voor eventuele toekomstige ontwikkelingen van het agrarisch bedrijf. Ook blijkt uit het bestemmingsplan niet hoe rekening is gehouden met de inhoudelijke keuzes zoals vastgelegd in de NOVI. Stikstof Mts. beschikt over een onherroepelijke Nb-vergunning, deze is niet opgenomen in Bijlage 7 behorende bij de planregels. Men is van mening dat de bestaande rechten van het bedrijf op deze wijze niet of onvoldoende zijn gerespecteerd. Hierdoor zal na de vaststelling van het bestemmingsplan een onredelijke – en onwerkbare praktijk ontstaan voor het bedrijf. Hierdoor ontstaat een situatie die ernstig in strijd is met de rechtszekerheid.
De voorgestelde regeling in de planregels van het bestemmingsplan is onrechtvaardig, in strijd met de rechtszekerheid en biedt absoluut onvoldoende perspectieven voor agrariërs gelet op de ontwikkelingen die landelijk op stapel staan. Gebruiken en (laten) gebruiken van gronden Mts. kan zich niet vinden in de beperking die voortvloeit uit de planregels met betrekking tot het gebruiken of laten gebruiken van gronden waar geen ontwikkelingen plaatsvinden. Deze planregel geeft een extra beperking die niet noodzakelijk is. Overigens zijn deze regels ook niet handhaafbaar. Bij het opstellen van het bestemmingsplan is onvoldoende rekening gehouden met de belangen van de agrariërs in het algemeen in het plangebied. Met name de gelet op de onzekerheden voor de agrariërs op dit moment met betrekking tot de stikstofproblematiek en de mogelijkheden voor hun bedrijfsvoering in de toekomst. Het bestemmingsplan is in strijd met diverse algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Reactie gemeente Beleid Onderhavig bestemmingsplan is een actualisatie en harmonisatie van de nu geldende bestemmingsplannen. In de zienswijze wordt verwezen naar toekomstig beleid zoals de Omgevingsverordening van de provincie. De Omgevingsverordening is dan wel vastgesteld maar is nog niet in werking getreden en is daarmee nog geen vastgesteld beleid. Overigens komt het ruimtelijk beleid zoals dit is opgesteld in nu
geldende Verordening Romte Fryslân in grote lijnen overeen met het toekomstig beleid zoals nu is vastgelegd in de Omgevingsverordening. Ten aanzien van het stikstofbeleid is de provincie afhankelijk van het landelijk beleid in deze. Stikstof In algemeenheid valt aan te geven dat het opnemen van een zogenaamde stikstofregel in bestemmingsplannen in de afgelopen jaren lastig is gebleken. De landelijke stikstofregels veranderen meer dan eens en tot op heden is er nog geen landelijke duidelijkheid over hoe om te gaan met stikstofdepositie op basis van de natuurwetgeving. Dat zorgt er ook voor dat het opnemen van de juiste of optimale stikstofregels voor in je bestemmingsplan ook erg lastig is. In een bestemmingsplan is het vereist om een stikstofregel op te nemen. Dat heeft dan alleen te maken met het bestemmingsplan om daarmee te kunnen onderbouwen of er milieueffecten uitgaan vanuit het bestemmingsplan. Een stikstofregel in een bestemmingsplan verandert dan ook niets aan de bestaande natuurrechten die iemand heeft op basis van de Wet natuurbescherming. Voor de natuurtoestemmingen is de provincie Fryslân namelijk het bevoegde gezag. De gemeente is dat niet. Een gemeente kan dus ook niet in een bestemmingsplan stikstofrechten die de provincie heeft gegeven afnemen. Als agrarische gemeente willen wij dat uiteraard ook niet.
Voor wat betreft stikstof en het bestemmingsplan is het goed te weten dat de stikstofregel alleen maar aan de orde is als iemand wil gaan uitbreiden/nieuwe ontwikkeling wil gaan doen. Want alleen dan is er een toets aan het bestemmingsplan. Bijvoorbeeld een nieuwe stal. Indien er een natuurtoestemming is van de provincie, zal het bestemmingsplan niet beperkend zijn voor wat betreft stikstof. Daarbij hebben wij in het bestemmingsplan ook opgenomen dat er geen sprake is van stikstofemissie als de ontwikkeling misschien wel stikstofemissie veroorzaakt, maar dat er geen depositie op een (overbelast) beschermd natuurgebied is. Als een beschermd gebied niet (extra) wordt belast, dan ziet het bestemmingsplan dit sowieso niet als stikstofemissie (artikel 1.74 onder 2). Dus extra activiteiten (gebruik of bouwen) die op basis van de nieuwste AERIUScalculator geen stikstofdepositie laten zien op beschermde gebieden, zijn in de ogen van het bestemmingsplan dus geen stikstofemissie. Die kunnen dus (als er ook aan de andere regels van het bestemmingsplan wordt voldaan). Als gemeente hebben wij langere tijd moeten zoeken en nadenken over een goede stikstofregel in onze bestemmingsplannen. In de afgelopen jaren is uit meerdere uitspraken van de Raad van State namelijk duidelijk geworden dat een goede stikstofregel in het bestemmingsplan niet makkelijk is.
Onze stikstofregel is na bestudering van de verschillende uitspraken en buitengebied-bestemmingsplannen van andere gemeenten zo opgebouwd dat wij daarmee in onze ogen recht doen aan de verschillende belangen. Uiteindelijk willen wij een goed bestemmingsplan vaststellen waarbij wij ook recht doen aan de natuurtoestemming. Dat hebben wij nu gedaan in onze ogen.
Zoals de Afdeling standaard overweegt dient de gemeente bij de vaststelling van een bestemmingsplan de feitelijke, planologische legale situatie als referentiesituatie te beschouwen (o.a. ECLI:NL:RVS:2020:1110). Dit wordt dan ook in dit bestemmingsplan als uitgangspunt en hoofdregel geformuleerd. Dat deze hoofdregel in de praktijk onwenselijk kan zijn begrijpen wij, maar voor ons is het van belang dat wij in ons bestemmingsplan een goede hoofdregel vaststellen. Een uitzondering op deze hoofdregel is dan bijlage 7 waarin de bedrijven zijn opgenomen met een verleende Wnb-vergunning (of verleende omgevingsvergunning met een verklaring van geen bedenkingen op basis van de Wnb) welke ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan onherroepelijk was en waar een passende beoordeling aan ten grondslag heeft gelegen (o.a. ECLI:NL:RVS:2020:684). Een Wnb-vergunning (of afgegeven vvgb) welke op basis van de PAS-wetgeving passend is beoordeeld mag hiervoor niet gebruikt worden en kan niet opgenomen worden in bijlage 7. Ook niet indien dit onherroepelijke vergunningen zijn. Voor de vaststelling van een bestemmingsplan (ruimtelijke spoor) is dit niet toegestaan (ECLI:NL:RVS:2019:1603, r.o. 36 e.v.).
Conclusie is dat de artikelen inzake de vraag of er sprake is van toename van stikstofdepositie in het bestemmingsplan dusdanig zijn opgebouwd dat wij daarmee zoveel mogelijk recht doen aan de natuurtoestemmingen die er zijn. Wij zien geen mogelijkheden of goede andere voorbeelden op welke wijze wij deze bepalingen zouden kunnen aanpassen zonder dat hierbij de houdbaarheid van de bepaling onder druk komt te staan. Conclusie De zienswijze zal niet worden overgenomen. Gebruik van gronden en bouwwerken In de zienswijze komt naar voren dat artikel 3.5 onder j en 1.7 van de planregels een onnodige beperking van het gebruik inhouden. De regel zou namelijk ook gelden voor agrarische cultuurgrond die dezelfde bestemming behoudt. Allereerst merken wij op dat de zienswijze in plaats van artikel 1.7 de begripsbepaling van toename van stikstofemissie zal bedoelen (artikel 1.74). Dit beschouwen wij als een kennelijke schrijffout. In het bestemmingsplan is opgenomen dat het gebruiken van gronden en/of bouwwerken, waarbij er sprake is van stikstofemissie vanuit deze gronden en/of bouwwerken, als strijdig gebruik wordt beschouwd (o.a. artikel 3.5 onder j). In artikel 1.74 staat de begripsbepaling wanneer er in het kader van het bestemmingsplan sprake is van “toename van stikstofemissie”.
Hieruit komt naar voren dat als er niets op de bedrijfslocatie verandert, er ook geen toename van stikstofemissie aan de orde is (in het kader van het bestemmingsplan). Dus deze regel is pas aan de orde in het geval er een wijziging op het perceel gaat plaatsvinden, zoals bijvoorbeeld de bouw van een extra stal.
In dat geval wordt er pas gekeken naar of deze stal extra stikstofdepositie heeft op een overbelast beschermd natuurgebied. Is het antwoord hierop nee, dan is er op basis van de definitie van het bestemmingsplan geen toename van stikstofemissie. Ook in die gevallen zal de stikstofregel dus geen belemmering opleveren. Mocht er wel een toename zijn, dan kan worden teruggevallen op de natuurtoestemming en wordt op basis daarvan bekeken of er een extra toename van stikstof is ten opzichte van deze natuurtoestemming. Naast de bouwpercelen, worden de weilanden nabij een boerderij ook agrarisch gebruikt. In de zienswijze wordt gesteld dat door de begripsbepaling van onze stikstofregel dit gebruik ook mogelijk een toename van stikstofemissie inhoudt en daarmee dat het bestemmingsplan onnodig beperkend is. Wij zijn het hier niet geheel mee eens. De eerste vraag is namelijk of er daadwerkelijk stikstofdepositie zal zijn op een (overbelast) beschermd natuurgebied bij het gebruik van die gronden. Dat zal in de meeste gevallen niet aan de orde zijn. Maar los daarvan beogen wij met onze bestemmingsplanregel niet om (mogelijk) beperkend te kunnen zijn. Wij zien daarom aanleiding om voor de duidelijkheid de strijdig gebruiksbepaling van artikelen 3.5 en 4.5 waarin stikstofemissie als strijdig gebruik wordt aangemerkt, aan te passen (waarbij de onderstreepte delen zijn toegevoegd).
Hierbij koppelen wij deze emissie aan een ruimtelijke ontwikkeling. Daarmee is in onze ogen tegemoet gekomen aan de gevraagde aanpassing in de zienswijze en doen wij recht aan de agrarische percelen die in de voorgaande bestemmingsplannen ook een agrarische bestemming hadden (en zo werden gebruikt). “het gebruiken en laten gebruiken van gronden en/of bouwwerken voor een ruimtelijke ontwikkeling, waarbij een toename van stikstofemissie plaatsvindt vanuit de betreffende gronden en/of bouwwerken. Onder een ruimtelijke ontwikkeling wordt in ieder geval niet verstaan het gebruik van onbebouwde agrarische gronden voor bemesten.” Conclusie Dit deel van de zienswijze zal worden overgenomen. De planregel zal worden aangevuld.
30. Koaidyk 6A, 8724 LJ, It Heidenskip. Beleid Namens belanghebbende wordt aangegeven dat het bestemmingsplan zou zijn gebaseerd op oud beleid en daarom geen of onvoldoende rekening houdt met de huidige ontwikkelingen binnen de agrarische sector. Met name op het gebied van de stikstofproblematiek en voorschriften met betrekking tot de natuur en natuurontwikkeling. Namens de Mts. wordt de vrees uitgesproken dat het voorliggende bestemmingsplan onvoldoende rekening houdt met de beleidskeuzes van de provincie zoals deze in de Omgevingsverordening is opgenomen. Hierdoor zou het bestemmingsplan belemmerend kunnen werken voor eventuele toekomstige ontwikkelingen van het agrarisch bedrijf. Stikstof Mts. beschikt over een onherroepelijke Nb-vergunning, deze is niet opgenomen in Bijlage 7 behorende bij de planregels. Men is van mening dat de bestaande rechten van het bedrijf op deze wijze niet of onvoldoende zijn gerespecteerd. Hierdoor zal na de vaststelling van het bestemmingsplan een onredelijke – en onwerkbare praktijk ontstaan voor het bedrijf. Hierdoor ontstaat een situatie die ernstig in strijd is met de rechtszekerheid. De voorgestelde regeling in de planregels van het bestemmingsplan is onrechtvaardig, in strijd met de rechtszekerheid en biedt absoluut onvoldoende perspectieven voor agrariërs gelet op de ontwikkelingen die landelijk op stapel staan.
Gebruiken en (laten) gebruiken van gronden Mts. kan zich niet vinden in de beperking die voortvloeit uit de planregels met betrekking tot het gebruiken of laten gebruiken van gronden waar geen ontwikkelingen plaatsvinden. Deze planregel geeft een extra beperking die niet noodzakelijk is. Overigens zijn deze regels ook niet handhaafbaar. Bij het opstellen van het bestemmingsplan is onvoldoende rekening gehouden met de belangen van de agrariërs in het algemeen in het plangebied. Met name de gelet op de onzekerheden voor de agrariërs op dit moment met betrekking tot de stikstofproblematiek en de mogelijkheden voor hun bedrijfsvoering in de toekomst. Het bestemmingsplan is in strijd met diverse algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Reactie gemeente: Beleid Onderhavig bestemmingsplan is een actualisatie en harmonisatie van de nu geldende bestemmingsplannen. In de zienswijze wordt verwezen naar toekomstig beleid zoals de Omgevingsverordening van de provincie. De Omgevingsverordening is dan wel vastgesteld maar is nog niet in werking getreden en is daarmee nog geen vastgesteld beleid. Overigens komt het ruimtelijk beleid zoals dit is opgesteld in nu geldende Verordening Romte Fryslân in grote lijnen overeen met het toekomstig
beleid zoals nu is vastgelegd in de Omgevingsverordening. Ten aanzien van het stikstofbeleid is de provincie afhankelijk van het landelijk beleid in deze. Stikstof In algemeenheid valt aan te geven dat het opnemen van een zogenaamde stikstofregel in bestemmingsplannen in de afgelopen jaren lastig is gebleken. De landelijke stikstofregels veranderen meer dan eens en tot op heden is er nog geen landelijke duidelijkheid over hoe om te gaan met stikstofdepositie op basis van de natuurwetgeving. Dat zorgt er ook voor dat het opnemen van de juiste of optimale stikstofregels voor in je bestemmingsplan ook erg lastig is. In een bestemmingsplan is het vereist om een stikstofregel op te nemen. Dat heeft dan alleen te maken met het bestemmingsplan om daarmee te kunnen onderbouwen of er milieueffecten uitgaan vanuit het bestemmingsplan. Een stikstofregel in een bestemmingsplan verandert dan ook niets aan de bestaande natuurrechten die iemand heeft op basis van de Wet natuurbescherming. Voor de natuurtoestemmingen is de provincie Fryslân namelijk het bevoegde gezag. De gemeente is dat niet. Een gemeente kan dus ook niet in een bestemmingsplan stikstofrechten die de provincie heeft gegeven afnemen. Als agrarische gemeente willen wij dat uiteraard ook niet.
Voor wat betreft stikstof en het bestemmingsplan is het goed te weten dat de stikstofregel alleen maar aan de orde is als iemand wil gaan uitbreiden/nieuwe ontwikkeling wil gaan doen. Want alleen dan is er een toets aan het bestemmingsplan. Bijvoorbeeld een nieuwe stal. Indien er een natuurtoestemming is van de provincie, zal het bestemmingsplan niet beperkend zijn voor wat betreft stikstof. Daarbij hebben wij in het bestemmingsplan ook opgenomen dat er geen sprake is van stikstofemissie als de ontwikkeling misschien wel stikstofemissie veroorzaakt, maar dat er geen depositie op een (overbelast) beschermd natuurgebied is. Als een beschermd gebied niet (extra) wordt belast, dan ziet het bestemmingsplan dit sowieso niet als stikstofemissie (artikel 1.74 onder 2). Dus extra activiteiten (gebruik of bouwen) die op basis van de nieuwste AERIUScalculator geen stikstofdepositie laten zien op beschermde gebieden, zijn in de ogen van het bestemmingsplan dus geen stikstofemissie. Die kunnen dus (als er ook aan de andere regels van het bestemmingsplan wordt voldaan). Als gemeente hebben wij langere tijd moeten zoeken en nadenken over een goede stikstofregel in onze bestemmingsplannen. In de afgelopen jaren is uit meerdere uitspraken van de Raad van State namelijk duidelijk geworden dat een goede stikstofregel in het bestemmingsplan niet makkelijk is.
Onze stikstofregel is na bestudering van de verschillende uitspraken en buitengebied-bestemmingsplannen van andere gemeenten zo opgebouwd dat wij daarmee in onze ogen recht doen aan de verschillende belangen. Uiteindelijk willen wij een goed bestemmingsplan vaststellen waarbij wij ook recht doen aan de natuurtoestemming. Dat hebben wij nu gedaan in onze ogen.
Zoals de Afdeling standaard overweegt dient de gemeente bij de vaststelling van een bestemmingsplan de feitelijke, planologische legale situatie als referentiesituatie te beschouwen (o.a. ECLI:NL:RVS:2020:1110). Dit wordt dan ook in dit bestemmingsplan als uitgangspunt en hoofdregel geformuleerd. Dat deze hoofdregel in de praktijk onwenselijk kan zijn begrijpen wij, maar voor ons is het van belang dat wij in ons bestemmingsplan een goede hoofdregel vaststellen. Een uitzondering op deze hoofdregel is dan bijlage 7 waarin de bedrijven zijn opgenomen met een verleende Wnb-vergunning (of verleende omgevingsvergunning met een verklaring van geen bedenkingen op basis van de Wnb) welke ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan onherroepelijk was en waar een passende beoordeling aan ten grondslag heeft gelegen (o.a. ECLI:NL:RVS:2020:684). Een Wnb-vergunning (of afgegeven vvgb) welke op basis van de PAS-wetgeving passend is beoordeeld mag hiervoor niet gebruikt worden en kan niet opgenomen worden in bijlage 7. Ook niet indien dit onherroepelijke vergunningen zijn. Voor de vaststelling van een bestemmingsplan (ruimtelijke spoor) is dit niet toegestaan (ECLI:NL:RVS:2019:1603, r.o. 36 e.v.).
Conclusie is dat de artikelen inzake de vraag of er sprake is van toename van stikstofdepositie in het bestemmingsplan dusdanig zijn opgebouwd dat wij daarmee zoveel mogelijk recht doen aan de natuurtoestemmingen die er zijn. Wij zien geen mogelijkheden of goede andere voorbeelden op welke wijze wij deze bepalingen zouden kunnen aanpassen zonder dat hierbij de houdbaarheid van de bepaling onder druk komt te staan. Conclusie: De zienswijze zal niet worden overgenomen. Gebruik van gronden en bouwwerken In de zienswijze komt naar voren dat artikel 3.5 onder j en 1.7 van de planregels een onnodige beperking van het gebruik inhouden. De regel zou namelijk ook gelden voor agrarische cultuurgrond die dezelfde bestemming behoudt. Allereerst merken wij op dat de zienswijze in plaats van artikel 1.7 de begripsbepaling van toename van stikstofemissie zal bedoelen (artikel 1.74). Dit beschouwen wij als een kennelijke schrijffout. In het bestemmingsplan is opgenomen dat het gebruiken van gronden en/of bouwwerken, waarbij er sprake is van stikstofemissie vanuit deze gronden en/of bouwwerken, als strijdig gebruik wordt beschouwd (o.a. artikel 3.5 onder j). In artikel 1.74 staat de begripsbepaling wanneer er in het kader van het bestemmingsplan sprake is van “toename van stikstofemissie”.
Hieruit komt naar voren dat als er niets op de bedrijfslocatie verandert, er ook geen toename van stikstofemissie aan de orde is (in het kader van het bestemmingsplan). Dus deze regel is pas aan de orde in het geval er een wijziging op het perceel gaat plaatsvinden, zoals bijvoorbeeld de bouw van een extra stal.
In dat geval wordt er pas gekeken naar of deze stal extra stikstofdepositie heeft op een overbelast beschermd natuurgebied. Is het antwoord hierop nee, dan is er op basis van de definitie van het bestemmingsplan geen toename van stikstofemissie. Ook in die gevallen zal de stikstofregel dus geen belemmering opleveren. Mocht er wel een toename zijn, dan kan worden teruggevallen op de natuurtoestemming en wordt op basis daarvan bekeken of er een extra toename van stikstof is ten opzichte van deze natuurtoestemming. Naast de bouwpercelen, worden de weilanden nabij een boerderij ook agrarisch gebruikt. In de zienswijze wordt gesteld dat door de begripsbepaling van onze stikstofregel dit gebruik ook mogelijk een toename van stikstofemissie inhoudt en daarmee dat het bestemmingsplan onnodig beperkend is. Wij zijn het hier niet geheel mee eens. De eerste vraag is namelijk of er daadwerkelijk stikstofdepositie zal zijn op een (overbelast) beschermd natuurgebied bij het gebruik van die gronden. Dat zal in de meeste gevallen niet aan de orde zijn. Maar los daarvan beogen wij met onze bestemmingsplanregel niet om (mogelijk) beperkend te kunnen zijn. Wij zien daarom aanleiding om voor de duidelijkheid de strijdig gebruiksbepaling van artikelen 3.5 en 4.5 waarin stikstofemissie als strijdig gebruik wordt aangemerkt, aan te passen (waarbij de onderstreepte delen zijn toegevoegd).
Hierbij koppelen wij deze emissie aan een ruimtelijke ontwikkeling. Daarmee is in onze ogen tegemoet gekomen aan de gevraagde aanpassing in de zienswijze en doen wij recht aan de agrarische percelen die in de voorgaande bestemmingsplannen ook een agrarische bestemming hadden (en zo werden gebruikt). “het gebruiken en laten gebruiken van gronden en/of bouwwerken voor een ruimtelijke ontwikkeling, waarbij een toename van stikstofemissie plaatsvindt vanuit de betreffende gronden en/of bouwwerken. Onder een ruimtelijke ontwikkeling wordt in ieder geval niet verstaan het gebruik van onbebouwde agrarische gronden voor bemesten.” Conclusie: Dit deel van de zienswijze zal worden overgenomen. De planregel zal worden aangevuld.
31.’t Sou 61, 8721 EV te Warns. Een bestemmingsplan mag niet ouder zijn dan 10 jaar en daarom is de gemeente verplicht iedere 10 jaar een nieuw bestemmingsplan vast te stellen. Aangegeven wordt dat deze verplichting niet geldt wanneer: - een bestemmingsplan digitaal beschikbaar is via www.ruimtelijkeplannen.nl; - of een gescande versie van een niet digitaal raadpleegbaar bestemmingsplan beschikbaar is op www.ruimtelijkeplannen.nl. Het vigerende bestemmingsplan voor het perceel ’t Sou 61 te Warns is vastgesteld op 5 oktober 2017 en nog steeds actueel en voor het perceel Noordenlaan 20 nog steeds actueel. Er is derhalve geen noodzaak om een nieuw bestemmingsplan vast te stellen. Verzocht wordt om het perceel ’t Sou 61 te Warns niet op te nemen in onderhavige herziening. Reactie gemeente: De gemeenteraad heeft de beleidsvrijheid om voor haar grondgebied een bestemmingsplan vast te stellen en is niet gebonden aan een wettelijke termijn. Onderhavig bestemmingsplan is opgesteld om de planregels voor alle agrarische bedrijven in de gemeente Súdwest-Fryslân een uniforme en eenduidige juridische – en planologische regeling op te nemen. De planologische regeling in onderhavig bestemmingsplan komt in grote lijnen overeen met de vigerende planologische regeling. In de vigerende planologische regeling werd echter nog verwezen naar de Programmatische Aanpak Stikstof (PAS).
Sinds de uitspraak van de Afdeling op 29 mei 2019 is de PAS niet meer van toepassing en mag een dergelijke regeling niet meer een bestemmingsplan worden opgenomen. Het feit dat de vigerende planologische nog up-to-date is voor het perceel ’t Sou 61 te Warns doet daar niet aan af. Conclusie: De zienswijze zal niet worden overgenomen.
32. Helspaed 3, 8724 HS It Heidenskip Een bestemmingsplan mag niet ouder zijn dan 10 jaar en daarom is de gemeente verplicht iedere 10 jaar een nieuw bestemmingsplan vast te stellen. Aangegeven wordt dat deze verplichting niet geldt wanneer: - een bestemmingsplan digitaal beschikbaar is via www.ruimtelijkeplannen.nl; - of een gescande versie van een niet digitaal raadpleegbaar bestemmingsplan beschikbaar is op www.ruimtelijkeplannen.nl. Het vigerende bestemmingsplan voor het perceel Helspaed 3 te It Heidenskip is vastgesteld op 5 oktober 2017 en nog steeds actueel en voor het perceel Noordenlaan 20 nog steeds actueel. Er is derhalve geen noodzaak om een nieuw bestemmingsplan vast te stellen. Verzocht wordt om het perceel Helspaed 3 te It Heidenskip niet op te nemen in onderhavige herziening. Reactie gemeente De gemeenteraad heeft de beleidsvrijheid om voor haar grondgebied een bestemmingsplan vast te stellen en is niet gebonden aan een wettelijke termijn. Onderhavig bestemmingsplan is opgesteld om de planregels voor alle agrarische bedrijven in de gemeente Súdwest-Fryslân een uniforme en eenduidige juridische – en planologische regeling op te nemen. De planologische regeling in onderhavig bestemmingsplan komt in grote lijnen overeen met de vigerende planologische regeling.
In de vigerende planologische regeling werd echter nog verwezen naar de Programmatische Aanpak Stikstof (PAS). Sinds de uitspraak van de Afdeling op 29 mei 2019 is de PAS niet meer van toepassing en mag een dergelijke regeling niet meer een bestemmingsplan worden opgenomen. Het feit dat de vigerende planologische nog up-to-date is voor het perceel Helspaed 3 te It Heidenskip doet daar niet aan af. Conclusie: De zienswijze zal niet worden overgenomen.
33. Nesserlaan 2, 8748 ED te Witmarsum. Een bestemmingsplan mag niet ouder zijn dan 10 jaar en daarom is de gemeente verplicht iedere 10 jaar een nieuw bestemmingsplan vast te stellen. Aangegeven wordt dat deze verplichting niet geldt wanneer: - een bestemmingsplan digitaal beschikbaar is via www.ruimtelijkeplannen.nl; - of een gescande versie van een niet digitaal raadpleegbaar bestemmingsplan beschikbaar is op www.ruimtelijkeplannen.nl. Het vigerende bestemmingsplan voor het perceel Nesserlaan 2 te Witmarsum is vastgesteld op 5 oktober 2017 en nog steeds actueel en voor het perceel Noordenlaan 20 nog steeds actueel. Er is derhalve geen noodzaak om een nieuw bestemmingsplan vast te stellen. Verzocht wordt om het perceel Nesserlaan 2 te Witmarsum niet op te nemen in onderhavige herziening. Reactie gemeente: De gemeenteraad heeft de beleidsvrijheid om voor haar grondgebied een bestemmingsplan vast te stellen en is niet gebonden aan een wettelijke termijn. Onderhavig bestemmingsplan is opgesteld om de planregels voor alle agrarische bedrijven in de gemeente Súdwest-Fryslân een uniforme en eenduidige juridische – en planologische regeling op te nemen. De planologische regeling in onderhavig bestemmingsplan komt in grote lijnen overeen met de vigerende planologische regeling.
In de vigerende planologische regeling werd echter nog verwezen naar de Programmatische Aanpak Stikstof (PAS). Sinds de uitspraak van de Afdeling op 29 mei 2019 is de PAS niet meer van toepassing en mag een dergelijke regeling niet meer een bestemmingsplan worden opgenomen. Het feit dat de vigerende planologische nog up-to-date is voor het perceel Nesserlaan 2 te Witmarsum doet daar niet aan af. Conclusie: De zienswijze zal niet worden overgenomen.
34. Dorpsweg 8, 8753 JC te Cornwerd. De eigenaar van het perceel vindt het een positieve ontwikkeling dat voor alle agrarische bedrijven in de gemeente Súdwest-Fryslân een uniforme planologische regeling van toepassing is, maar betreurd dat deze uniforme regels niet geld voor de kleine windturbines. Op basis van een landschappelijke analyse is het betreffende perceel uitgesloten voor het realiseren van een kleine windturbine. Sleufsilo’s De beoogde uitbreiding van het agrarisch bedrijf met twee sleufsilo’s zijn niet meegenomen in het ontwerpbestemmingsplan. Hiervoor is een ruimtelijke onderbouwing opgesteld en aangeleverd bij de gemeente. Met de bouw van de sleufsilo’s wordt de maximale oppervlakte van 2ha die op grond van het bestemmingsplan mogelijk is overschreden. De eerste sleufsilo past met moeite binnen de 2ha, maar voor de tweede sleufsilo moet een partiële herziening worden doorlopen. Uit de aangeleverde ruimtelijke onderbouwing blijkt dat er ruimtelijk geen bezwaren zijn om beide sleufsilo’s op te nemen in onderhavig bestemmingsplan. Windturbine weg bestemd In het Provinciaal InpassingsPlan ‘Nij Hiddum Houw’ is de solitaire windturbine op het perceel van indiener weg bestemd. In het latere bestemmingsplan ‘Dorpen Noord/West 2’ is echter de mogelijkheid om een windturbine op het perceel weer opgenomen.
In het onderhavige ontwerpbestemmingsplan is deze mogelijkheid voor een windturbine niet meer opgenomen. Vervolgens wordt aangegeven dat de nieuwe planologische regeling nadelig is en dat men in aanmerking kan komen voor planschade. Reactie gemeente: De ruimtelijke onderbouwing die in het kader van de bouw van de twee sleufsilo’s is ingediend was nog niet volledig en moet worden aangevuld met een landschappelijk inpassingsplan. Vervolgens zal de beoogde uitbreiding van het agrarisch bedrijf met de twee sleufsilo’s als ambtelijke wijziging in het bestemmingsplan worden opgenomen. De bestaande windturbine op het perceel is in het kader van het Provinciaal InpassingsPlan ‘Nij Hiddum Houw’ (PIP) gesaneerd. Vervolgens deze nieuwe planologisch situatie die met het PIP is ontstaan niet correct overgenomen in het bestemmingsplan ‘Dorpen Noord/West 2’. Op grond van dit laatste plan zou de bouw van een windturbine weer mogelijk zijn. In het onderhavige bestemmingsplan is de planologische situatie van het PIP weer correct opgenomen op de verbeelding. De bouw van een kleine windturbine, hoewel deze op grond van de planregels van het onderhavige bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt, is echter niet toegestaan. Het perceel Dorpsweg 8 ligt in het uitzonderingsgebied dat met het PIP is vastgesteld.
Agrarische percelen die binnen dit uitzonderingsgebied liggen zijn uitgesloten van de bouw van een kleine windturbine.
Conclusie: Het bestemmingsplan wordt naar aanleiding van de zienswijze gewijzigd door het bouwvlak op de verbeelding uit te breiden ten behoeve van de 2 sleufsilo’s.
35. Meerswal 2, 8754 JA te Makkum. Namens het bedrijf wordt aangegeven dat geen antwoord op de inspraakreactie is ontvangen. De inspraakreactie is daarom ook in de zienswijze opgenomen. ontvangstruimte Het bedrijf is gevraagd door de geitenmelkfabriek in Heerenveen om buitenlandse gasten van de melkfabriek op het bedrijf te ontvangen en rond te leiden. Het bedrijf wil daarom naast de boerderijwinkel een ontvangstruimte realiseren voor de buitenlandse gasten. In deze ruimte worden presentaties gegeven over de geitenhouderij ter plaatse en de gehele sector. Boerderijwinkel Op het bedrijf is tevens een boerderijwinkel gevestigd, hiervoor is een omgevingsvergunning aangevraagd en verleend. De boerderijwinkel is echter niet op de verbeelding weergegeven. Stikstof De geitenhouderij beschikt over een onherroepelijke Nb-vergunning welke niet in Bijlage 7 behorende bij de planregels is opgenomen. Het betreft een zogenaamde PAS-vergunning. In de zienswijze wordt aangegeven dat de onherroepelijke milieuen Nb-vergunning niet gerespecteerd worden door deze niet in Bijlage 7 van het bestemmingsplan op te nemen. Gebruik gronden De eigenaar van de geitenhouderij kan zich ook niet verenigen met de strikte regeling dat er geen toename mag zijn van stikstofemissie bij gebruik van of het laten gebruiken van gronden. Dit is een te beperkende maatregel die niet te handhaven is voor de gemeente.
Reactie gemeente: Voor de boerderijwinkel is een omgevingsvergunning verleend. Het is echter niet nodig om voor de boerderijwinkel een specifieke aanduiding op de verbeelding op te nemen. Op grond van het geldende – en het toekomstige bestemmingsplan is een boerderijwinkel met een oppervlakte van maximaal 100m² als nevenactiviteit bij recht toegestaan. Het inrichten van een ontvangstruimte voor het ontvangen en rondleiden van gasten van de melkfabriek op de geitenhouderij zien wij eveneens als een ondergeschikte nevenactiviteit met een duidelijke relatie met de geitenhouderij ter plaatse. Op grond van het geldende – en toekomstige bestemmingsplan mogen op het agrarisch bedrijf nevenactiviteiten plaatsvinden. Om te waarborgen dat er sprake is van nevenactiviteiten bij de agrarische hoofdfunctie mag de maximale oppervlakte van de nevenactiviteiten niet meer ruimte in beslag nemen dan 1/3 van de bedrijfsgebouwen met een maximum van 500m². Op grond van de geldende – en toekomstige planregels is het niet nodig het bestemmingsplan op dit punt aan te passen. Stikstof
In algemeenheid valt aan te geven dat het opnemen van een zogenaamde stikstofregel in bestemmingsplannen in de afgelopen jaren lastig is gebleken. De landelijke stikstofregels veranderen meer dan eens en tot op heden is er nog geen landelijke duidelijkheid over hoe om te gaan met stikstofdepositie op basis van de natuurwetgeving. Dat zorgt er ook voor dat het opnemen van de juiste of optimale stikstofregels voor in je bestemmingsplan ook erg lastig is. In een bestemmingsplan is het vereist om een stikstofregel op te nemen. Dat heeft dan alleen te maken met het bestemmingsplan om daarmee te kunnen onderbouwen of er milieueffecten uitgaan vanuit het bestemmingsplan. Een stikstofregel in een bestemmingsplan verandert dan ook niets aan de bestaande natuurrechten die iemand heeft op basis van de Wet natuurbescherming. Voor de natuurtoestemmingen is de provincie Fryslân namelijk het bevoegde gezag. De gemeente is dat niet. Een gemeente kan dus ook niet in een bestemmingsplan stikstofrechten die de provincie heeft gegeven afnemen. Als agrarische gemeente willen wij dat uiteraard ook niet. Voor wat betreft stikstof en het bestemmingsplan is het goed te weten dat de stikstofregel alleen maar aan de orde is als iemand wil gaan uitbreiden/nieuwe ontwikkeling wil gaan doen. Want alleen dan is er een toets aan het bestemmingsplan. Bijvoorbeeld een nieuwe stal.
Indien er een natuurtoestemming is van de provincie, zal het bestemmingsplan niet beperkend zijn voor wat betreft stikstof. Daarbij hebben wij in het bestemmingsplan ook opgenomen dat er geen sprake is van stikstofemissie als de ontwikkeling misschien wel stikstofemissie veroorzaakt, maar dat er geen depositie op een (overbelast) beschermd natuurgebied is. Als een beschermd gebied niet (extra) wordt belast, dan ziet het bestemmingsplan dit sowieso niet als stikstofemissie (artikel 1.74 onder 2). Dus extra activiteiten (gebruik of bouwen) die op basis van de nieuwste AERIUScalculator geen stikstofdepositie laten zien op beschermde gebieden, zijn in de ogen van het bestemmingsplan dus geen stikstofemissie. Die kunnen dus (als er ook aan de andere regels van het bestemmingsplan wordt voldaan). Als gemeente hebben wij langere tijd moeten zoeken en nadenken over een goede stikstofregel in onze bestemmingsplannen. In de afgelopen jaren is uit meerdere uitspraken van de Raad van State namelijk duidelijk geworden dat een goede stikstofregel in het bestemmingsplan niet makkelijk is. Onze stikstofregel is na bestudering van de verschillende uitspraken en buitengebied-bestemmingsplannen van andere gemeenten zo opgebouwd dat wij daarmee in onze ogen recht doen aan de verschillende belangen.
Uiteindelijk willen wij een goed bestemmingsplan vaststellen waarbij wij ook recht doen aan de natuurtoestemming. Dat hebben wij nu gedaan in onze ogen. Zoals de Afdeling standaard overweegt dient de gemeente bij de vaststelling van een bestemmingsplan de feitelijke, planologische legale situatie als referentiesituatie te beschouwen (o.a. ECLI:NL:RVS:2020:1110). Dit wordt dan ook in dit bestemmingsplan als uitgangspunt en hoofdregel geformuleerd. Dat deze
hoofdregel in de praktijk onwenselijk kan zijn begrijpen wij, maar voor ons is het van belang dat wij in ons bestemmingsplan een goede hoofdregel vaststellen. Een uitzondering op deze hoofdregel is dan bijlage 7 waarin de bedrijven zijn opgenomen met een verleende Wnb-vergunning (of verleende omgevingsvergunning met een verklaring van geen bedenkingen op basis van de Wnb) welke ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan onherroepelijk was en waar een passende beoordeling aan ten grondslag heeft gelegen (o.a. ECLI:NL:RVS:2020:684). Een Wnb-vergunning (of afgegeven vvgb) welke op basis van de PAS-wetgeving passend is beoordeeld mag hiervoor niet gebruikt worden en kan niet opgenomen worden in bijlage 7. Ook niet indien dit onherroepelijke vergunningen zijn. Voor de vaststelling van een bestemmingsplan (ruimtelijke spoor) is dit niet toegestaan (ECLI:NL:RVS:2019:1603, r.o. 36 e.v.). Conclusie is dat de artikelen inzake de vraag of er sprake is van toename van stikstofdepositie in het bestemmingsplan dusdanig zijn opgebouwd dat wij daarmee zoveel mogelijk recht doen aan de natuurtoestemmingen die er zijn. Wij zien geen mogelijkheden of goede andere voorbeelden op welke wijze wij deze bepalingen zouden kunnen aanpassen zonder dat hierbij de houdbaarheid van de bepaling onder druk komt te staan. Conclusie: De zienswijze zal niet worden overgenomen.
Gebruik van gronden en bouwwerken In de zienswijze komt naar voren dat artikel 3.5 onder j en 1.7 van de planregels een onnodige beperking van het gebruik inhouden. De regel zou namelijk ook gelden voor agrarische cultuurgrond die dezelfde bestemming behoudt. Allereerst merken wij op dat de zienswijze in plaats van artikel 1.7 de begripsbepaling van toename van stikstofemissie zal bedoelen (artikel 1.74). Dit beschouwen wij als een kennelijke schrijffout. In het bestemmingsplan is opgenomen dat het gebruiken van gronden en/of bouwwerken, waarbij er sprake is van stikstofemissie vanuit deze gronden en/of bouwwerken, als strijdig gebruik wordt beschouwd (o.a. artikel 3.5 onder j). In artikel 1.74 staat de begripsbepaling wanneer er in het kader van het bestemmingsplan sprake is van “toename van stikstofemissie”. Hieruit komt naar voren dat als er niets op de bedrijfslocatie verandert, er ook geen toename van stikstofemissie aan de orde is (in het kader van het bestemmingsplan). Dus deze regel is pas aan de orde in het geval er een wijziging op het perceel gaat plaatsvinden, zoals bijvoorbeeld de bouw van een extra stal. In dat geval wordt er pas gekeken naar of deze stal extra stikstofdepositie heeft op een overbelast beschermd natuurgebied. Is het antwoord hierop nee, dan is er op basis van de definitie van het bestemmingsplan geen toename van stikstofemissie.
Ook in die gevallen zal de stikstofregel dus geen belemmering opleveren. Mocht er
wel een toename zijn, dan kan worden teruggevallen op de natuurtoestemming en wordt op basis daarvan bekeken of er een extra toename van stikstof is ten opzichte van deze natuurtoestemming. Naast de bouwpercelen, worden de weilanden nabij een boerderij ook agrarisch gebruikt. In de zienswijze wordt gesteld dat door de begripsbepaling van onze stikstofregel dit gebruik ook mogelijk een toename van stikstofemissie inhoudt en daarmee dat het bestemmingsplan onnodig beperkend is. Wij zijn het hier niet geheel mee eens. De eerste vraag is namelijk of er daadwerkelijk stikstofdepositie zal zijn op een (overbelast) beschermd natuurgebied bij het gebruik van die gronden. Dat zal in de meeste gevallen niet aan de orde zijn. Maar los daarvan beogen wij met onze bestemmingsplanregel niet om (mogelijk) beperkend te kunnen zijn. Wij zien daarom aanleiding om voor de duidelijkheid de strijdig gebruiksbepaling van artikelen 3.5 en 4.5 waarin stikstofemissie als strijdig gebruik wordt aangemerkt, aan te passen (waarbij de onderstreepte delen zijn toegevoegd). Hierbij koppelen wij deze emissie aan een ruimtelijke ontwikkeling. Daarmee is in onze ogen tegemoet gekomen aan de gevraagde aanpassing in de zienswijze en doen wij recht aan de agrarische percelen die in de voorgaande bestemmingsplannen ook een agrarische bestemming hadden (en zo werden gebruikt).
“het gebruiken en laten gebruiken van gronden en/of bouwwerken voor een ruimtelijke ontwikkeling, waarbij een toename van stikstofemissie plaatsvindt vanuit de betreffende gronden en/of bouwwerken. Onder een ruimtelijke ontwikkeling wordt in ieder geval niet verstaan het gebruik van onbebouwde agrarische gronden voor bemesten.” Conclusie: Dit deel van de zienswijze zal worden overgenomen. De planregel zal worden aangevuld.
36. Heidenskipsterdyk 12, 8724 HS It Heidenskip. Indiener is van mening dat er geen reden is om het geldende bestemmingsplan te vervangen en vraagt op welke punten dit nodig is. Indiener kan zich niet vinden in het opnemen van stikstofregels in het bestemmingsplan. De provincie is het bevoegd gezag inzake de natuurvergunningen, daar heeft de gemeente niets over te zeggen en vraagt zich af waar de verplichting om een stikstofregel op te nemen in het bestemmingsplan. Tijdens de informatiebijeenkomst is aangegeven dat het bestemmingsplan voor alle agrarische bedrijven dezelfde regels krijgen en geen inperking of afname van natuurrechten. Door de begripsbepaling ‘toename van de stikstofdepositie’ worden de rechten van agrarische bedrijven ingeperkt door de datum van vaststelling van het bestemmingsplan als referentiedatum te kiezen. Het bedrijf beschikt over een onherroepelijke Nb-vergunning welke niet in Bijlage 7 van de planregels is opgenomen en daarmee worden deze rechten niet gerespecteerd. Indiener is van mening dat, wanneer een agrarisch bedrijf beschikt over een milieuen natuurtoestemming dat het bestemmingsplan beperkend zal zijn, omdat er geen stikstoftoename mag zijn. Indiener vraagt daarom geen regels op te nemen inzake de stikstofdepositie of de onherroepelijke Nb-vergunningen te respecteren. Er heerst heel veel onzekerheid in de agrarische sector.
In de zienswijze wordt vervolgens het RAV-lijsten onderzoek genoemd en de bezwaarprocedure inzake de aanwijzing van de Oudegaaster Brekken, Fluessen en omgeving als stikstofgevoelige habitat. De gevolgen hiervan zijn op dit moment niet te overzien. Daarom wordt gevraagd het geldende bestemmingsplan niet te wijzigen en het voorleggende bestemmingsplan niet vast te stellen. Reactie gemeente: Tegen de vaststelling van het geldende bestemmingsplan Buitengebied, vastgesteld in 2017, is beroep ingesteld. Naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling moet een bestemmingsplan worden herzien. Bij een dergelijke herziening worden dan ook eventuele beleidswijzigingen van zowel Rijk, provincie als gemeente opgenomen en worden ook de verleende vergunningen opgenomen. De gemeente wil voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet over een actueel en digitaal bestemmingsplan beschikken, dat recht doet aan de huidige situatie. De stikstofregel die in het geldende bestemmingsplan was opgenomen was gebaseerd op de Programmatische Aanpak Stikstof (PAS). Dit is na de uitspraak van de Afdeling op 29 mei 2019 niet meer toegestaan en zou het bestemmingsplan worden vernietigd. Overigens was in het vigerende bestemmingsplan ook een regel opgenomen waaruit bleek dat een ontwikkeling geen toename van de stikstofdepositie tot gevolg mocht hebben, tenzij hiervoor een vergunning kon worden verleend.
Feitelijk is in het voorliggende bestemmingsplan een vergelijkbare regeling opgenomen. Een uitbreiding of ruimtelijke ontwikkeling is mogelijk, mits er geen sprake is van een toename van de stikstofdepositie of hiervoor een Wnb-vergunning kan worden verleend.
In algemeenheid valt aan te geven dat het opnemen van een zogenaamde stikstofregel in bestemmingsplannen in de afgelopen jaren lastig is gebleken. De landelijke stikstofregels veranderen meer dan eens en tot op heden is er nog geen landelijke duidelijkheid over hoe om te gaan met stikstofdepositie op basis van de natuurwetgeving. Dat zorgt er ook voor dat het opnemen van de juiste of optimale stikstofregels voor in je bestemmingsplan ook erg lastig is. In een bestemmingsplan is het vereist om een stikstofregel op te nemen. Dat heeft dan alleen te maken met het bestemmingsplan om daarmee te kunnen onderbouwen of er milieueffecten uitgaan vanuit het bestemmingsplan. Een stikstofregel in een bestemmingsplan verandert dan ook niets aan de bestaande natuurrechten die iemand heeft op basis van de Wet natuurbescherming. Voor de natuurtoestemmingen is de provincie Fryslân namelijk het bevoegde gezag. De gemeente is dat niet. Een gemeente kan dus ook niet in een bestemmingsplan stikstofrechten die de provincie heeft gegeven afnemen. Als agrarische gemeente willen wij dat uiteraard ook niet. Voor wat betreft stikstof en het bestemmingsplan is het goed te weten dat de stikstofregel alleen maar aan de orde is als iemand wil gaan uitbreiden/nieuwe ontwikkeling wil gaan doen. Want alleen dan is er een toets aan het bestemmingsplan. Bijvoorbeeld een nieuwe stal.
Indien er een natuurtoestemming is van de provincie, zal het bestemmingsplan niet beperkend zijn voor wat betreft stikstof. Daarbij hebben wij in het bestemmingsplan ook opgenomen dat er geen sprake is van stikstofemissie als de ontwikkeling misschien wel stikstofemissie veroorzaakt, maar dat er geen depositie op een (overbelast) beschermd natuurgebied is. Als een beschermd gebied niet (extra) wordt belast, dan ziet het bestemmingsplan dit sowieso niet als stikstofemissie (artikel 1.74 onder 2). Dus extra activiteiten (gebruik of bouwen) die op basis van de nieuwste AERIUScalculator geen stikstofdepositie laten zien op beschermde gebieden, zijn in de ogen van het bestemmingsplan dus geen stikstofemissie. Die kunnen dus (als er ook aan de andere regels van het bestemmingsplan wordt voldaan). Als gemeente hebben wij langere tijd moeten zoeken en nadenken over een goede stikstofregel in onze bestemmingsplannen. In de afgelopen jaren is uit meerdere uitspraken van de Raad van State namelijk duidelijk geworden dat een goede stikstofregel in het bestemmingsplan niet makkelijk is. Onze stikstofregel is na bestudering van de verschillende uitspraken en buitengebied-bestemmingsplannen van andere gemeenten zo opgebouwd dat wij daarmee in onze ogen recht doen aan de verschillende belangen.
Uiteindelijk willen wij een goed bestemmingsplan vaststellen waarbij wij ook recht doen aan de natuurtoestemming. Dat hebben wij nu gedaan in onze ogen. Zoals de Afdeling standaard overweegt dient de gemeente bij de vaststelling van een bestemmingsplan de feitelijke, planologische legale situatie als referentiesituatie te beschouwen (o.a. ECLI:NL:RVS:2020:1110). Dit wordt dan ook in dit bestemmingsplan als uitgangspunt en hoofdregel geformuleerd. Dat deze
hoofdregel in de praktijk onwenselijk kan zijn begrijpen wij, maar voor ons is het van belang dat wij in ons bestemmingsplan een goede hoofdregel vaststellen. Een uitzondering op deze hoofdregel is dan bijlage 7 waarin de bedrijven zijn opgenomen met een verleende Wnb-vergunning (of verleende omgevingsvergunning met een verklaring van geen bedenkingen op basis van de Wnb) welke ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan onherroepelijk was en waar een passende beoordeling aan ten grondslag heeft gelegen (o.a. ECLI:NL:RVS:2020:684). Een Wnb-vergunning (of afgegeven vvgb) welke op basis van de PAS-wetgeving passend is beoordeeld mag hiervoor niet gebruikt worden en kan niet opgenomen worden in bijlage 7. Ook niet indien dit onherroepelijke vergunningen zijn. Voor de vaststelling van een bestemmingsplan (ruimtelijke spoor) is dit niet toegestaan (ECLI:NL:RVS:2019:1603, r.o. 36 e.v.). Conclusie is dat de artikelen inzake de vraag of er sprake is van toename van stikstofdepositie in het bestemmingsplan dusdanig zijn opgebouwd dat wij daarmee zoveel mogelijk recht doen aan de natuurtoestemmingen die er zijn. Wij zien geen mogelijkheden of goede andere voorbeelden op welke wijze wij deze bepalingen zouden kunnen aanpassen zonder dat hierbij de houdbaarheid van de bepaling onder druk komt te staan. Conclusie: De zienswijze zal niet worden overgenomen.
37. Provincie Fryslân, Postbus 20120, 8900 HM te Leeuwarden. Weidevogelkansengebied In weidevogelkansengebied is alleen ruimte voor niet-agrarische ontwikkelingen mits deze ontwikkelingen geen extra verstoring van het gebied van openheid en rust tot gevolg hebben. Ontwikkelingen die op een bestaand perceel plaatsvinden zullen geen extra verstoring van openheid en rust tot gevolg hebben. Om het weidevogelkansengebied beter te beschermen is het nodig om nadere beoordeling in het bestemmingsplan op te nemen. Deze nadere beoordelingsmaatregel is met name nodig als een niet-agrarisch perceel wordt uitgebreid of bij niet-agrarische ontwikkelingen in het landelijk gebied. Voorgesteld wordt om een algemene regel in het bestemmingsplan op te nemen om de regels ten aanzien van het Weidevogelkansengebied in de Verordening Romte Fryslân te waarborgen. Voor ontwikkelingen die aansluiten op het stedelijk gebied geldt een verstoringsafstand van 300m. Voor ontwikkelingen in het landelijk gebied geldt een verstoringsafstand van 200m. Reactie gemeente: Ten behoeve van de bescherming van het weidevogelkansengebied bij nietagrarische ontwikkelingen wordt voorgesteld om hiervoor een extra criteria op te nemen. In de algemene afwijkingsregels worden extra criteria opgenomen om het weidevogelkansengebied beter te beschermen bij eventuele niet-agrarische ontwikkelingen in het landelijk gebied.
Conclusie: De zienswijze zal worden overgenomen. Beschermen landschap Om de kernkwaliteiten van het landschap, zoals bestaande houtelementen waaronder erfbeplanting rondom bouwpercelen te bewaren dan wel te beschermen vraagt de provincie een omgevingsvergunningplicht op te nemen voor het kappen van houtopstanden in de regels. Reactie gemeente: In enkele vigerende bestemmingsplannen was een omgevingsvergunningplicht opgenomen voor het kappen van houtsingels en andere houtopstanden. In het kader van een goede landschappelijke inpassing wordt voor een erfomvang groter dan 1,5ha een Nije Pleats methode gevraagd. Het is daarom voor de hand liggend om de landschappelijke inpassing te waarborgen een omgevingsvergunningplicht op te nemen. Conclusie: De zienswijze zal worden overgenomen.
Archeologie In de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 1’ en ‘Waarde – Archeologie 2’ wordt verwezen naar de ‘gemeentelijke FAMKE’. Er wordt echter niet aangegeven wat de ‘gemeentelijke FAMKE’ inhoudt. Met betrekking tot de wijziging van de bestemming ter plaatse van het perceel It Fliet 3 in Witmarsum en het perceel Heidenskipsterdyk 2 in It Heidenskip geeft de provincie aan dat op basis van de FAMKE een archeologisch onderzoek zou moeten plaatsvinden. Hiervan kan worden afgeweken wanneer onderbouwd kan worden dat de archeologische waarden op een andere manier worden beschermd. Ten aanzien van de aanleg van het parkeerterrein bij It Fliet 3 kan een dubbelbestemming voldoende zijn als de ingreep ten behoeve van de aanleg van het parkeerterrein niet dieper gaat dan 0,40m. Als een diepere ingreep noodzakelijk is, is een archeologisch onderzoek nodig. Met betrekking tot het perceel Heidenskipsterdyk 2 is een archeologisch onderzoek niet nodig als de totale oppervlakte van de beoogde ingrepen op de locatie niet meer bedraagt dan 500m². Reactie gemeente: Er is wel nader beschreven wat dit precies inhoud.