Bijlage 2 - Reactienota op zienswijzen BGB-I
Tekst van het document
Ook in dit geval is het goed te beseffen dat er slechts een toets aan het bestemmingsplan aan de orde is, indien er een nieuwe ontwikkeling gepland is. Pas dan zal er aan het bestemmingsplan worden getoetst. De acute noodzaak om de nieuwe verleende Wnb-vergunning per direct op te laten nemen in bijlage 7 van het bestemmingsplan is daarmee dan ook niet aanwezig in onze ogen. Dat is pas mogelijk relevant indien er op korte termijn nog een nieuwe ontwikkeling beoogd is. Maar in dat geval zal dit bestemmingsplan niet belemmerd zijn indien er een natuurtoestemming ligt. Los daarvan is het goed te weten dat er wettelijk gezien uiterlijk binnen 5 jaar (na vaststelling van een bestemmingsplan) een geactualiseerd bestemmingsplan moeten komen. Dat zal per 1 januari 2024 een Omgevingsplan gaan heten (onder de Omgevingswet). Deze nieuwe wet verplicht gemeenten om minimaal elke 5 jaar het Omgevingsplan te actualiseren. De nieuwe verleende Wnb-vergunningen worden dus bij die actualisatie automatisch (en gratis voor de bedrijven) opgenomen in bijlage 7. Het is goed denkbaar dat een actualisatie ook sneller dan deze 5 jaar aan de orde is. In die zin is het dus niet nodig om als agrarisch bedrijf zelf een wijziging op het bestemmingsplan op te starten (en te betalen) om daarmee de vergunning in
bijlage 7 te krijgen. Dat gebeurt door de actualisatieplicht namelijk al automatisch. En de kans wordt klein geacht dat er in de periode tussen het verkrijgen van de nieuwe Wnb-vergunning en de actualisatie van het bestemmingsplan nog nieuwe ontwikkelingen bij een bedrijf zijn (waarbij stikstofemissie aan de orde kan zijn). Indien die er al zouden zijn, dan voorziet ons bestemmingsplan hier ook in aangezien wij recht doen aan de natuurtoestemmingen. Conclusie De zienswijze zal niet worden overgenomen.
16-1. Heidenskipsterdyk 48, 8724 HX It Heidenskip Het perceel Heidenskipsterdyk 48 heeft op grond van het geldende bestemmingsplan de bestemming ‘paardenhouderij’. Men is voornemens om dit perceel te betrekken bij het agrarisch bedrijf op het perceel Heidenskipsterdyk 48. Het huidige gebruik zal worden beëindigd en de bedrijfsgebouwen worden dan gebruikt als veestalling t.b.v. het agrarisch bedrijf. Mts. vraagt de bestemming van het perceel te wijzigen naar ‘Agrarisch’, het bouwvlak te vergroten en een woning mogelijk te maken. Reactie gemeente Het wijzigen van de bestemming, het uitbreiden van het perceel en de bebouwing en het bouwen van een bedrijfswoning is een nieuwe ontwikkeling. Met onderhavig bestemmingsplan worden de juridische en planologische regels van de verschillende en geldende bestemmingsplannen buitengebied die in de gemeente van toepassing zijn geactualiseerd en geharmoniseerd. In onderhavige actualisatie van de vigerende bestemmingsplannen worden geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt. Een uitzondering wordt alleen gemaakt wanneer het college heeft ingestemd met een nieuwe ontwikkeling en voor een nieuwe ontwikkeling een complete aanvraag omgevingsvergunning inclusief de ruimtelijke onderbouwing is ingediend en de reacties in het kader van vooroverleg zijn verwerkt.
Als de reacties zijn verwerkt is er sprake van een definitief plan dat op alle omgevingsaspecten is onderzocht en uit de resultaten is gebleken dat de nieuwe ontwikkeling uitvoerbaar is. Conclusie De zienswijze zal niet worden overgenomen.
16-2. Heidenskipsterdyk 48, 8724 HX It Heidenskip. De provincie Fryslân heeft in het kader van de Natuurbeschermingswet een Verklaring Van Geen Bedenkingen (VVGB) afgegeven ten behoeve van een omgevingsvergunning. De omgevingsvergunning is op 18 november 2014 verleend. Deze zogenaamde natuurtoestemming is op grond van de hoofdstuk IX Natuurbeschermingswet 1998 verleend en is onherroepelijk. Deze onherroepelijke natuurtoestemming is echter niet opgenomen in Bijlage 7 behorend bij de planregels van het bestemmingsplan. Gevraagd wordt de onherroepelijke natuurtoestemming in de vorm van de VVGB als nog op te nemen. Reactie gemeente De vvgb, gekoppeld aan de omgevingsvergunning heeft, wanneer blijkt dat er geen toename is van de stikstofdepositie heeft een vergelijkbare status als een Wnbvergunning die niet verleend is onder de PAS. De omgevingsvergunning (waar de vvgb integraal onderdeel vanuit maakt, met kenmerk UV20140350) kan daarom in Bijlage 7 worden opgenomen. Conclusie De zienswijze zal worden overgenomen. De verleende omgevingsvergunning (inclusief de vvgb van de provincie) zal worden toegevoegd aan bijlage 7 behorende bij de regels van het bestemmingsplan.
17. Sytzamaweg 43a 8822 VB Arum De Maatschap exploiteert op de locatie Sytzamaweg 43a, 8822 VB te Arum een akkerbouwbedrijf (functieaanduiding agrarisch bedrijf). De gemeente wordt er op geattendeerd dat er op deze locatie een boerderijwinkel is gevestigd met een oppervlakte kleiner dan 100 m2. Dit is een boerderijwinkel waar regionale producten van diverse producenten worden verkocht aan de consument, local for local. In dat kader wordt verzocht om de aanduiding “specifieke vorm van detailhandel-boerderijwinkel” voor de locatie Sytzamaweg 43a op de verbeelding op te nemen. De maatschap verzoekt eveneens de functieaanduiding “bedrijfswoning uitgesloten” van de verbeelding te schrappen om reden dat een persoon uit de maatschap voornemens is om mettertijd op onderhavige locatie te wonen. Enerzijds vloeit dat voort uit de aanwezigheid van de boerderijwinkel en de daarmee samenhangende aanloop/werkzaamheden, anderzijds vanwege de toezichtfunctie op het akkerbouwbedrijf (koeling etc.). Naast deze locatie voert de Maatschap nog een akkerbouwbedrijf aan de Blokken 2 te Pingjum. Daarbij vloeit onderhavige functieaanduiding voort uit de historische situatie, waarbij de vorige eigenaar van de locatie Sytzamaweg 43a te Arum al beschikte over een bedrijfswoning in de onmiddellijke nabijheid.
Reactie gemeente Het bestemmingsplan Buitengebied Súdwest-Fryslân-I moet worden gezien als een actualisatieplan. In principe mogen nieuwe ontwikkelingen niet meegenomen worden. Een uitzondering wordt alleen gemaakt wanneer het college heeft ingestemd met een nieuwe ontwikkeling en voor een nieuwe ontwikkeling een complete aanvraag omgevingsvergunning inclusief de ruimtelijke onderbouwing is ingediend en de reacties in het kader van vooroverleg zijn verwerkt. Als de reacties zijn verwerkt is er sprake van een definitief plan dat op alle omgevingsaspecten is onderzocht en uit de resultaten is gebleken dat de nieuwe ontwikkeling uitvoerbaar is. Conclusie De zienswijze zal niet worden overgenomen.
18. Meerweg 10, 8758 LC Allingawier Indiener vraagt met enkele citaten uit het bestemmingsplan aandacht voor zijn bedrijfssituatie. De indiener heeft in 2020 een aanvraag Wnb-vergunning ingediend bij de provincie. Als reactie heeft de provincie aangegeven dat voor de bedrijfssituatie van de indiener geen Wnb-vergunning nodig heeft en heeft daarvoor een ‘positieve weigering’ gekregen. Indiener beschikt dus over een milieu- en een natuurtoestemming voor het houden van 30 melkkoeien en 15 stuks jongvee. Indiener wil niet het risico lopen dat hij wordt gehouden aan het aantal stuks vee dat overeenkomt met het aantal dat op de peildatum aanwezig is. Reactie gemeente In algemeenheid valt aan te geven dat het opnemen van een zogenaamde stikstofregel in bestemmingsplannen in de afgelopen jaren lastig is gebleken. De landelijke stikstofregels veranderen meer dan eens en tot op heden is er nog geen landelijke duidelijkheid over hoe om te gaan met stikstofdepositie op basis van de natuurwetgeving. Dat zorgt er ook voor dat het opnemen van de juiste of optimale stikstofregels voor in je bestemmingsplan ook erg lastig is. In een bestemmingsplan is het vereist om een stikstofregel op te nemen. Dat heeft dan alleen te maken met het bestemmingsplan om daarmee te kunnen onderbouwen of er milieueffecten uitgaan vanuit het bestemmingsplan.
Een stikstofregel in een bestemmingsplan verandert dan ook niets aan de bestaande natuurrechten die iemand heeft op basis van de Wet natuurbescherming. Voor de natuurtoestemmingen is de provincie Fryslân namelijk het bevoegde gezag. De gemeente is dat niet. Een gemeente kan dus ook niet in een bestemmingsplan stikstofrechten die de provincie heeft gegeven afnemen. Als agrarische gemeente willen wij dat uiteraard ook niet. In het bestemmingsplan zijn de artikelen inzake de vraag of er sprake is van toename van stikstofemissie in het bestemmingsplan dusdanig opgebouwd dat wij daarmee zoveel mogelijk recht doen aan de natuurtoestemmingen die er zijn. Als er een provinciale toestemming is voor de (eventuele) stikstofdepositie dan vormt dit bestemmingsplan voor de bedrijfsvoering. Ook niet als er op de datum van vaststelling van het bestemmingsplan minder dieren op het perceel aanwezig zijn. Als gemeente willen wij recht doen aan de natuurtoestemming die u heeft van de provincie. Conclusie De zienswijze zal niet worden overgenomen.
19. Blokken 2 8749 te Pingjum De aanwezige bebouwing van Mts. Sijtsma op het perceel Blokken 2 heeft een oppervlakte van bijna 2ha. Zeker als de twee kleine windmolens meegerekend worden is de omvang van het bouwvlak om en nabij 2ha. Mts. vraagt daarom het perceel Blokken 2 een bouwvlak van 2ha bij recht toe te kennen. Reactie gemeente Het perceel beschikt thans over een denkbeeldige rechthoek. Op grond van artikel 3.2 onder b mogen bouwwerken uitsluitend gebouwd worden binnen een denkbeeldige rechthoek van maximaal 1,5 ha dat gelegen is op en rondom de gronden ter plaatse van de aanduiding ‘agrarisch bedrijf’. Dat is hier van toepassing. In het bestemmingsplan is in artikel 3.4 (afwijken van de bouwregels) de mogelijkheid opgenomen om bouwwerken te realiseren buiten de denkbeeldige rechthoek die maximaal 2 hectare bedraagt en die gelegen is op en rondom de gronden ter plaatse van de aanduiding ‘agrarisch bedrijf’. De gemeente stelt in dat geval een aantal voorwaarden waaraan moet worden voldaan. Daartoe dient eerst een aanvraag om een omgevingsaanvraag te worden ingediend waarna een afweging plaats dient te vinden of aan deze voorwaarden kan worden voldaan. Er ligt thans geen aanvraag bij de gemeente. Laat staan dat er een vergunde situatie geldt die een rechtvaardiging uitspreekt om ter plaatse een bouwvlak van 2 ha te faciliteren.
Wij hebben de denkbeeldige rechthoek van de vergunde bouwwerken ter plaatse van het agrarische bedrijf globaal opgemeten. Daarbij hebben wij geconstateerd dat de denkbeeldige rechthoek een oppervlakte heeft van ± 1,72 hectare. Zie onderstaande luchtfoto.
Het opnemen van een bouwvlak van 2 Ha bij recht past niet binnen onze uitgangspunten en ons beleid. Ten eerste is het nu vastleggen van een bouwvlak van 2,0 Ha moeilijk te doen omdat niet duidelijk is welke toekomstige ontwikkelingen het bedrijf zal doormaken en aan welke kant van het perceel deze nieuwe bebouwing wordt geplaatst. Nu vastleggen van een harde grens zorgt ervoor dat er geen flexibiliteit meer is buiten dat vlak, terwijl dat juist een belangrijk aspect is van onze bestemmingsplannen door ruimte en flexibiliteit te geven. Flexibiliteit in waar de nieuwe bebouwing moet komen waarbij het agrarisch bedrijf optimaal gebruik kan maken van de meest wenselijke uitbreidingsrichting doordat er een denkbeeldige rechthoek is en niet een harde grens van een bouwvlak. Daarnaast vinden wij het vanuit de algemene en ruimtelijke belangen die het bestemmingsplan nastreeft ook gewenst om maatwerk per perceel te kunnen toepassen voor dergelijke uitbreidingen. Hierbij moet bijvoorbeeld gedacht worden aan de landschappelijke inpassing. Niet voor niets is onder meer de Nije Pleats sessie als randvoorwaarde voor deze vergroting van de denkbeeldige rechthoek naar 2 Ha opgenomen. Uitbreiding faciliteren wij graag maar dat moet dan wel met respect voor de directe (open en landschappelijke) omgeving.
Een dergelijke belangenafweging en maatwerkoplossing voor het betreffende perceel is bij het standaard opnemen van een bouwvlak van 2 Ha niet mogelijk. Tenslotte betreft het een conserverend plan en nemen wij alleen vergunde rechten op. Belanghebbende heeft geen bestaand recht op een vast bouwvlak van 2 Ha en daarom is opnemen van een dergelijk bouwvlak ook niet passend. Conclusie De zienswijze zal niet worden overgenomen.
20. Weersterweg 4, 8754 JD te Makkum. De mts. is eigenaar van een perceel grond, kadastraal bekend gemeente Makkum, sectie H, nummer 13. Dit perceel is in gebruik als grasland en heeft op grond van het ontwerpbestemmingsplan de bestemming ‘Natuur’. De mts. is van mening dat de bestemming moet worden gewijzigd naar ‘Agrarisch’ overeenkomstig het feitelijk gebruik. Indiener is van mening dat de bestemming ‘Natuur’ niet passend is bij het gebruik en vraagt de bestemming aan te passen. Reactie gemeente Onderhavig bestemmingsplan is een actualisatie van verschillende bestemmingsplannen buitengebied in de gemeente Súdwest-Fryslân. De bestemming van het perceel, kadastraal bekend gemeente Makkum, sectie H, nummer 13 is ten opzichte van de huidige bestemming op grond van het nu geldende bestemmingsplan ‘Buitengebied Súdwest-Fryslân’ vastgesteld op 5 oktober 2017 niet gewijzigd. Op grond van het nu geldende bestemmingsplan en op grond van het ontwerpbestemmingsplan is voor het betreffende perceel de bestemming ‘Natuur’ van toepassing. Op grond van deze bestemming is agrarisch medegebruik mogelijk. Daarnaast is het perceel op grond van de provinciale Verordening Romte 2014 aangewezen als ‘Natuur’. Een bestemmingsplan mag niet in strijd zijn met het provinciaal beleid. Dit is de reden dat deze gronden de bestemming ‘Natuur’ is toegekend.
Conclusie De zienswijze zal niet worden overgenomen.
21. Oosterlaan 2 8746 ND te Schraard. Namens de familie wordt gevraagd de bestemming ‘Wonen – Woonboerderij’ weer te wijzigen naar de bestemming ‘Agrarisch’. Het perceel heeft op grond van het recent vastgestelde bestemmingsplan ‘Doarpen Noord/West 2’ de bestemming ‘Agrarisch’. Het perceel wordt nog gebruikt voor agrarische bedrijfsactiviteiten in de vorm van het opslaan van mest. Het bestemmingsplan ‘Doarpen Noord/West 2’ is nog van recente datum. De eigenaar van het perceel vindt het vreemd dat de bestemming van zijn perceel zo kort na de inwerkingtreding van het geldende bestemmingsplan al weer gewijzigd wordt. De familie kan instemmen met de bestemming ‘Wonen – Woonboerderij’ als binnen deze bestemming de mogelijkheid wordt geboden om extra woningen (3) te realiseren in de bestaande stal. Met het toekennen van extra woningen kan worden voorzien in de huidige woningkrapte. Reactie gemeente Binnen de bestemming ‘Wonen – Woonboerderij’ is een afwijkingsbevoegdheid opgenomen voor het college om een omgevingsvergunning te verlenen voor het realiseren van maximaal 3 woningen voor permanente bewoning in de oorspronkelijke stelpboerderij. Het realiseren van woningen voor permanente bewoning in de overige voormalige bedrijfsgebouwen is niet toegestaan. Dit is een nieuwe ontwikkeling.
Onderhavig bestemmingsplan is een actualisatie van de bestemmingsplannen buitengebied die voor het grondgebied van de gemeente Súdwest-Fryslân van toepassing zijn. Door de bestemmingsplannen te actualiseren en te harmoniseren ontstaat er meer eenduidigheid van de juridische en planologische regels. Nieuwe ontwikkelingen worden niet in dit bestemmingsplan opgenomen. Voor nieuwe ontwikkelingen zijn vaak verschillende onderzoeken nodig om aan te tonen dat er sprake is van een goede ruimtelijke ordening. In verband met een juridisch planologische regeling voor de geitenstop in onze gemeente zijn alle agrarische bedrijfspercelen in de gemeente Súdwest-Fryslân in het bestemmingsplan ‘Buitengebied Súdwest-Fryslân I’ of in het bestemmingsplan ‘Buitengebied Súdwest-Fryslân II’ opgenomen. Ook de percelen waar de agrarische bedrijfsactiviteiten zijn beëindigd zijn in deze bestemmingsplannen opgenomen om te voorkomen dat de bestemming van deze percelen ongewijzigd blijft en de vestiging van een geitenhouderij mogelijk maakt. Binnen de bestemming ‘Wonen – Woonboerderij’ zijn verschillende gebruiksmogelijkheden opgenomen. Op grond van deze bestemming kunnen onder andere recreatieappartementen gerealiseerd worden in de bestaande bedrijfsgebouwen. Ook wordt de opslag van mest binnen de bestaande mestopslagen op het perceel mogelijk gemaakt. Conclusie De zienswijze zal niet worden overgenomen.
22. Boerestreek 16, 8757 JS te Gaast. De Mts. beschikt voor de bedrijfslocatie Boerestreek 16 niet over een onherroepelijke Wet natuurbeschermingsvergunning die in Bijlage 7 behorende bij de planregels zijn opgenomen. In de zienswijze wordt aangegeven dat het veehouderijbedrijf beschikt over een Hinderwetvergunning d.d. 25 oktober 1989. Deze vergunning is afgegeven voor de aanwijsdatum van Natura 2000-gebieden. Gelet op het feit dat er sindsdien geen wijzigingen zijn geweest in de bedrijfsvoering zodat de afgegeven Hinderwetvergunning kan worden gezien als referentie voor de toegestane stikstofdepositie. Gevraagd wordt om de Hinderwetvergunning op te nemen in Bijlage 7 behorende bij de planregels anders wordt onvoldoende rekening gehouden met de bestaande rechten. Hiermee wordt voorkomen dat de mts. een wijziging van het bestemmingsplan moet doorlopen om aan Bijlage 7 te worden toegevoegd, wanneer de bedrijfssituatie zou wijzigen waarvoor een vergunning wordt verleend. Reactie gemeente In algemeenheid valt aan te geven dat het opnemen van een zogenaamde stikstofregel in bestemmingsplannen in de afgelopen jaren lastig is gebleken. De landelijke stikstofregels veranderen meer dan eens en tot op heden is er nog geen landelijke duidelijkheid over hoe om te gaan met stikstofdepositie op basis van de natuurwetgeving.
Dat zorgt er ook voor dat het opnemen van de juiste of optimale stikstofregels voor in je bestemmingsplan ook erg lastig is. In een bestemmingsplan is het vereist om een stikstofregel op te nemen. Dat heeft dan alleen te maken met het bestemmingsplan om daarmee te kunnen onderbouwen of er milieueffecten uitgaan vanuit het bestemmingsplan. Een stikstofregel in een bestemmingsplan verandert dan ook niets aan de bestaande natuurrechten die iemand heeft op basis van de Wet natuurbescherming. Voor de natuurtoestemmingen is de provincie Fryslân namelijk het bevoegde gezag. De gemeente is dat niet. Een gemeente kan dus ook niet in een bestemmingsplan stikstofrechten die de provincie heeft gegeven afnemen. Als agrarische gemeente willen wij dat uiteraard ook niet. Voor wat betreft stikstof en het bestemmingsplan is het goed te weten dat de stikstofregel alleen maar aan de orde is als iemand wil gaan uitbreiden/nieuwe ontwikkeling wil gaan doen. Want alleen dan is er een toets aan het bestemmingsplan. Bijvoorbeeld een nieuwe stal. Indien er een natuurtoestemming is van de provincie, zal het bestemmingsplan niet beperkend zijn voor wat betreft stikstof. Daarbij hebben wij in het bestemmingsplan ook opgenomen dat er geen sprake is van stikstofemissie als de ontwikkeling misschien wel stikstofemissie veroorzaakt, maar dat er geen depositie op een (overbelast) beschermd natuurgebied is.
Als een beschermd gebied niet (extra) wordt belast, dan ziet het bestemmingsplan dit sowieso niet als stikstofemissie (artikel 1.74 onder 2). Dus extra activiteiten (gebruik of bouwen) die op basis van de nieuwste AERIUScalculator geen stikstofdepositie laten zien op beschermde gebieden, zijn in de
ogen van het bestemmingsplan dus geen stikstofemissie. Die kunnen dus (als er ook aan de andere regels van het bestemmingsplan wordt voldaan). Als gemeente hebben wij langere tijd moeten zoeken en nadenken over een goede stikstofregel in onze bestemmingsplannen. In de afgelopen jaren is uit meerdere uitspraken van de Raad van State namelijk duidelijk geworden dat een goede stikstofregel in het bestemmingsplan niet makkelijk is. Onze stikstofregel is na bestudering van de verschillende uitspraken en buitengebied-bestemmingsplannen van andere gemeenten zo opgebouwd dat wij daarmee in onze ogen recht doen aan de verschillende belangen. Uiteindelijk willen wij een goed bestemmingsplan vaststellen waarbij wij ook recht doen aan de natuurtoestemming. Dat hebben wij nu gedaan in onze ogen. Zoals de Afdeling standaard overweegt dient de gemeente bij de vaststelling van een bestemmingsplan de feitelijke, planologische legale situatie als referentiesituatie te beschouwen (o.a. ECLI:NL:RVS:2020:1110). Dit wordt dan ook in dit bestemmingsplan als uitgangspunt en hoofdregel geformuleerd. Dat deze hoofdregel in de praktijk onwenselijk kan zijn begrijpen wij, maar voor ons is het van belang dat wij in ons bestemmingsplan een goede hoofdregel vaststellen.
Een uitzondering op deze hoofdregel is dan bijlage 7 waarin de bedrijven zijn opgenomen met een verleende Wnb-vergunning (of verleende omgevingsvergunning met een verklaring van geen bedenkingen op basis van de Wnb) welke ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan onherroepelijk was en waar een passende beoordeling aan ten grondslag heeft gelegen (o.a. ECLI:NL:RVS:2020:684). Een Wnb-vergunning (of afgegeven vvgb) welke op basis van de PAS-wetgeving passend is beoordeeld mag hiervoor niet gebruikt worden en kan niet opgenomen worden in bijlage 7. Ook niet indien dit onherroepelijke vergunningen zijn. Voor de vaststelling van een bestemmingsplan (ruimtelijke spoor) is dit niet toegestaan (ECLI:NL:RVS:2019:1603, r.o. 36 e.v.). Conclusie is dat de artikelen inzake de vraag of er sprake is van toename van stikstofdepositie in het bestemmingsplan dusdanig zijn opgebouwd dat wij daarmee zoveel mogelijk recht doen aan de natuurtoestemmingen die er zijn. Wij zien geen mogelijkheden of goede andere voorbeelden op welke wijze wij deze bepalingen zouden kunnen aanpassen zonder dat hierbij de houdbaarheid van de bepaling onder druk komt te staan. Conclusie De zienswijze zal niet worden overgenomen.
23. Boerestreek 41, 8757 JR te Gaast. De Mts. heeft twee bedrijfslocaties. Het perceel Boerestreek 41 is naast de locatie Boerestreek 16 de hoofdvestiging. Voor de uitbreiding van het agrarisch bedrijf op het perceel Boerestreek 41 is op 3 september 2020 een omgevingsvergunning verleend. Dit jaar is een omgevingsvergunning verleend voor een kleine windturbine. Door de recente uitbreidingen is de oppervlakte van de denkbeeldige rechthoek meer dan 2ha en wordt gevraagd het perceel een bouwvlak van 2ha toe te kennen. Ten behoeve van de uitbreiding van de ligboxenstal is een verklaring van geen bedenkingen (vvgb) afgegeven door de Provincie Fryslân. Gevraagd wordt om de vvgb op te nemen in bijlage 7 behorende bij de planregels. Reactie gemeente In artikel 3.2. onder b is opgenomen dat bouwwerken uitsluitend gebouwd mogen worden binnen een denkbeeldige rechthoek van maximaal 1,5 hectare dat gelegen is op en rondom de gronden ter plaatse van de aanduiding ‘agrarisch bedrijf’ of binnen een bouwvlak ter plaatse van de aanduiding ‘agrarisch bedrijf’ of binnen een bouwvlak met de aanduiding ‘intensieve veehouderij’. In artikel 3.2 onder c2 is aangegeven dat per denkbeeldige rechthoek of bouwvlak uitsluitend bedrijfsgebouwen ten behoeve van 1 agrarisch bedrijf mogen worden gebouwd. In artikel 3.4.1.
kan met een omgevingsvergunning worden afgeweken van het bepaalde in artikel 3.2 sub b en c onder 2 voor het bouwen van bouwwerken buiten de denkbeeldige rechthoek van 1,5 hectare, mits de bebouwing ten behoeve van een grondgebonden agrarisch bedrijf wordt gesitueerd binnen een denkbeeldige rechthoek die maximaal 2 hectare bedraagt en die gelegen is op en rondom de gronden ter plaatse van de aanduiding ‘agrarisch bedrijf’. De hiervoor genoemde binnenplanse afwijkingsmogelijkheid kan alleen worden toegepast wanneer er sprake is van een denkbeeldige rechthoek met de aanduiding ‘agrarisch bedrijf’. Niet indien er een bouwvlak is. Alle bouwwerken die worden geplaatst buiten de denkbeeldige rechthoek van 1,5 hectare dienen te worden beoordeeld op basis van de in het bestemmingsplan opgenomen afwijkingsmogelijkheid zoals hiervoor omschreven, ondanks van het feit dat de denkbeeldige rechthoek van 1,5 hectare reeds is overschreden. Wij hebben de denkbeeldige rechthoek van de vergunde bouwwerken ter plaatse van het agrarische bedrijf opgemeten. Daarbij hebben wij geconstateerd dat de denkbeeldige rechthoek een oppervlakte heeft van ± 1,78 hectare. Zie onderstaande luchtfoto.
Belanghebbende is van mening dat de huidige omvang (als bestaande situatie) vastgelegd dient te worden op de verbeelding behorende bij het bestemmingsplan. Dat laatste lijkt ons een niet voor de hand liggende optie. Sterker nog, hierdoor wordt belanghebbende beperkt in zijn toekomstige ontwikkelingen door de huidige 1,78 hectare vast te leggen. Immers, uitbreiding met de genoemde flexibele binnenplanse afwijkingsmogelijkheid tot maximaal 2 hectare is alleen mogelijk indien er een denkbeeldige rechthoek is en niet in het geval er een bouwvlak is. Als er conform het verzoek een bouwvlak wordt opgenomen van de huidige bedrijfsvoering, betekent dat ook dat er binnen het bestemmingsplan geen uitbreidingsmogelijkheden meer zijn voor het perceel in tegenstelling tot de agrarische percelen die wel een denkbeeldige rechthoek hebben. Daar komt bij dat er in de rechten van belanghebbende niets positiefs verandert door het opnemen van het bouwvlak rondom de bestaande bebouwing (welke onder de 2 ha is). Daar komt bij dat het opnemen van een bouwvlak tussen de 1,5 ha en 2,0 ha voor een grondgebonden agrarisch bedrijf niet past binnen onze algemene uitgangspunten en dit op basis daarvan al onwenselijk is. Hierbij wordt de beoogde flexibiliteit die wij nastreven om te kunnen groeien naar de 2,0 ha door het opnemen van het bouwvlak teniet gedaan.
Er wordt geen inbreuk gedaan op de rechten van belanghebbende door te werken met een denkbeeldige rechthoek waarbij er tot 2 Ha kan worden vergroot. Conclusie De zienswijze zal niet worden overgenomen.
Reactie gemeente stikstof: Belanghebbende vraagt om de verklaring van geen bedenkingen (vvgb) afgegeven door de Provincie Fryslân op te nemen in bijlage 7 behorende bij de planregels. Op 23 juni 2020 (met kenmerk 01775163) heeft de provincie een verklaring van geen bezwaar afgegeven voor het bouwplan ten behoeve van de realisatie van een nieuwe ligboxenstal. Deze vvgb is integraal onderdeel gaan uitmaken van de verleende omgevingsvergunning van 3 september 2020 met kenmerk UV20190917. Deze vvgb is niet passend beoordeeld op basis van de PAS-wetgeving en kan derhalve de basis bieden voor de verleende (en) onherroepelijke omgevingsvergunning voor in de bijlage. Conclusie De verleende omgevingsvergunning (waar de vvgb integraal onderdeel vanuit maakt) wordt opgenomen in bijlage 7.
24. Carl Fellingerweg 2 te Idsegahuizum Voor vrijwel alle agrarische bedrijven is de referentie de stikstofemissie van de feitelijke bestaande planologische situatie op datum vaststelling bestemmingsplan waarvan de onherroepelijke natuurvergunningen voor slechts 20 bedrijven zijn opgenomen. Een verleende milieuvergunning, een onherroepelijke Wnb-vergunning zonder passende beoordeling of een PAS-melding wordt dus niet gerespecteerd hetgeen in strijd is met diverse algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Bovendien is deze situatie voor de praktijk onredelijk en onwerkbaar. Belanghebbende beschikt immers over een onherroepelijk natuurvergunning (kenmerk 01286844) en alle noodzakelijke vergunningen ten behoeve van de bedrijfsvoering. Om diverse redenen zijn de vergunde aantallen nog niet feitelijk ten uitvoering gebracht. Voor het melkvee is de invoering van de fosfaatrechten bepalend geweest voor een rem op de aantallen. Het melkveebestand kan pas groeien als hier ook fosfaatrechten voor worden aangekocht. Het melkveehouderijbedrijf kan zich verder niet verenigen met artikel 3.5 onder j en 1.7 van de planregels. Onderhavige regels gelden ook voor het gebruik van de gronden waarop geen ruimtelijke ontwikkeling is voorzien (j.
het gebruiken en laten gebruiken van gronden en/of bouwwerken waarbij een toename van stikstofemissie plaatsvindt vanuit de betreffende gronden en bouwwerken). Dat is bijvoorbeeld alle agrarische cultuurgrond die dezelfde bestemming behouden. Daar hoeven geen stikstofregels voor te worden opgenomen binnen het bestemmingsplan. Onderhavige regels vormen een onnodige beperking van het gebruik en zijn door de gemeente Súdwest-Fryslân ook niet te handhaven. In bijlage 7 zijn (nu slechts) 20 veehouderijen opgenomen. Na vaststelling van het bestemmingsplan ligt de lijst vast. Als een bedrijf daarna een Wvb-vergunning krijgt voor een project met een hogere stikstofemissie of depositie die wel juist passend is beoordeeld, dan moet voor dat project ook het bestemmingsplan worden gewijzigd (door een opname dan wel gewijzigde opname van die Wnb-vergunning in bijlage 7). Hoe wil de gemeente dat gaan regelen zonder dat de ondernemer een zware planologische procedure moet doorlopen hoge leges moet betalen? De gemeenteraad wordt gevraagd de zienswijze gegrond te verklaren, het ontwerpbestemmingsplan Buitengebied SWF-II te heroverwegen, waarbij de planregels ten aanzien van de beperkingen in het kader van stikstof worden aangepast. Reactie gemeente In algemeenheid valt aan te geven dat het opnemen van een zogenaamde stikstofregel in bestemmingsplannen in de afgelopen jaren lastig is gebleken.
De landelijke stikstofregels veranderen meer dan eens en tot op heden is er nog geen landelijke duidelijkheid over hoe om te gaan met stikstofdepositie op basis van de natuurwetgeving. Dat zorgt er ook voor dat het opnemen van de juiste of optimale stikstofregels voor in je bestemmingsplan ook erg lastig is.
In een bestemmingsplan is het vereist om een stikstofregel op te nemen. Dat heeft dan alleen te maken met het bestemmingsplan om daarmee te kunnen onderbouwen of er milieueffecten uitgaan vanuit het bestemmingsplan. Een stikstofregel in een bestemmingsplan verandert dan ook niets aan de bestaande natuurrechten die iemand heeft op basis van de Wet natuurbescherming. Voor de natuurtoestemmingen is de provincie Fryslân namelijk het bevoegde gezag. De gemeente is dat niet. Een gemeente kan dus ook niet in een bestemmingsplan stikstofrechten die de provincie heeft gegeven afnemen. Als agrarische gemeente willen wij dat uiteraard ook niet. Voor wat betreft stikstof en het bestemmingsplan is het goed te weten dat de stikstofregel alleen maar aan de orde is als iemand wil gaan uitbreiden/nieuwe ontwikkeling wil gaan doen. Want alleen dan is er een toets aan het bestemmingsplan. Bijvoorbeeld een nieuwe stal. Indien er een natuurtoestemming is van de provincie, zal het bestemmingsplan niet beperkend zijn voor wat betreft stikstof. Daarbij hebben wij in het bestemmingsplan ook opgenomen dat er geen sprake is van stikstofemissie als de ontwikkeling misschien wel stikstofemissie veroorzaakt, maar dat er geen depositie op een (overbelast) beschermd natuurgebied is.
Als een beschermd gebied niet (extra) wordt belast, dan ziet het bestemmingsplan dit sowieso niet als stikstofemissie (artikel 1.74 onder 2). Dus extra activiteiten (gebruik of bouwen) die op basis van de nieuwste AERIUScalculator geen stikstofdepositie laten zien op beschermde gebieden, zijn in de ogen van het bestemmingsplan dus geen stikstofemissie. Die kunnen dus (als er ook aan de andere regels van het bestemmingsplan wordt voldaan). Als gemeente hebben wij langere tijd moeten zoeken en nadenken over een goede stikstofregel in onze bestemmingsplannen. In de afgelopen jaren is uit meerdere uitspraken van de Raad van State namelijk duidelijk geworden dat een goede stikstofregel in het bestemmingsplan niet makkelijk is. Onze stikstofregel is na bestudering van de verschillende uitspraken en buitengebied-bestemmingsplannen van andere gemeenten zo opgebouwd dat wij daarmee in onze ogen recht doen aan de verschillende belangen. Uiteindelijk willen wij een goed bestemmingsplan vaststellen waarbij wij ook recht doen aan de natuurtoestemming. Dat hebben wij nu gedaan in onze ogen. Zoals de Afdeling standaard overweegt dient de gemeente bij de vaststelling van een bestemmingsplan de feitelijke, planologische legale situatie als referentiesituatie te beschouwen (o.a. ECLI:NL:RVS:2020:1110). Dit wordt dan ook in dit bestemmingsplan als uitgangspunt en hoofdregel geformuleerd.
Dat deze hoofdregel in de praktijk onwenselijk kan zijn begrijpen wij, maar voor ons is het van belang dat wij in ons bestemmingsplan een goede hoofdregel vaststellen. Een uitzondering op deze hoofdregel is dan bijlage 7 waarin de bedrijven zijn opgenomen met een verleende Wnb-vergunning (of verleende omgevingsvergunning met een verklaring van geen bedenkingen op basis van de Wnb) welke ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan onherroepelijk was en waar een passende
beoordeling aan ten grondslag heeft gelegen (o.a. ECLI:NL:RVS:2020:684). Een Wnb-vergunning (of afgegeven vvgb) welke op basis van de PAS-wetgeving passend is beoordeeld mag hiervoor niet gebruikt worden en kan niet opgenomen worden in bijlage 7. Ook niet indien dit onherroepelijke vergunningen zijn. Voor de vaststelling van een bestemmingsplan (ruimtelijke spoor) is dit niet toegestaan (ECLI:NL:RVS:2019:1603, r.o. 36 e.v.). Conclusie is dat de artikelen inzake de vraag of er sprake is van toename van stikstofdepositie in het bestemmingsplan dusdanig zijn opgebouwd dat wij daarmee zoveel mogelijk recht doen aan de natuurtoestemmingen die er zijn. Wij zien geen mogelijkheden of goede andere voorbeelden op welke wijze wij deze bepalingen zouden kunnen aanpassen zonder dat hierbij de houdbaarheid van de bepaling onder druk komt te staan. Conclusie De zienswijze zal niet worden overgenomen. Gebruik van gronden en bouwwerken In de zienswijze komt naar voren dat artikel 3.5 onder j en 1.7 van de planregels een onnodige beperking van het gebruik inhouden. De regel zou namelijk ook gelden voor agrarische cultuurgrond die dezelfde bestemming behoudt. Allereerst merken wij op dat de zienswijze in plaats van artikel 1.7 de begripsbepaling van toename van stikstofemissie zal bedoelen (artikel 1.74). Dit beschouwen wij als een kennelijke schrijffout.
In het bestemmingsplan is opgenomen dat het gebruiken van gronden en/of bouwwerken, waarbij er sprake is van stikstofemissie vanuit deze gronden en/of bouwwerken, als strijdig gebruik wordt beschouwd (o.a. artikel 3.5 onder j). In artikel 1.74 staat de begripsbepaling wanneer er in het kader van het bestemmingsplan sprake is van “toename van stikstofemissie”. Hieruit komt naar voren dat als er niets op de bedrijfslocatie verandert, er ook geen toename van stikstofemissie aan de orde is (in het kader van het bestemmingsplan). Dus deze regel is pas aan de orde in het geval er een wijziging op het perceel gaat plaatsvinden, zoals bijvoorbeeld de bouw van een extra stal. In dat geval wordt er pas gekeken naar of deze stal extra stikstofdepositie heeft op een overbelast beschermd natuurgebied. Is het antwoord hierop nee, dan is er op basis van de definitie van het bestemmingsplan geen toename van stikstofemissie. Ook in die gevallen zal de stikstofregel dus geen belemmering opleveren. Mocht er wel een toename zijn, dan kan worden teruggevallen op de natuurtoestemming en wordt op basis daarvan bekeken of er een extra toename van stikstof is ten opzichte van deze natuurtoestemming. Naast de bouwpercelen, worden de weilanden nabij een boerderij ook agrarisch gebruikt. In de zienswijze wordt gesteld dat door de begripsbepaling van onze
stikstofregel dit gebruik ook mogelijk een toename van stikstofemissie inhoudt en daarmee dat het bestemmingsplan onnodig beperkend is. Wij zijn het hier niet geheel mee eens. De eerste vraag is namelijk of er daadwerkelijk stikstofdepositie zal zijn op een (overbelast) beschermd natuurgebied bij het gebruik van die gronden. Dat zal in de meeste gevallen niet aan de orde zijn. Maar los daarvan beogen wij met onze bestemmingsplanregel niet om (mogelijk) beperkend te kunnen zijn. Wij zien daarom aanleiding om voor de duidelijkheid de strijdig gebruiksbepaling van artikelen 3.5 en 4.5 waarin stikstofemissie als strijdig gebruik wordt aangemerkt, aan te passen (waarbij de onderstreepte delen zijn toegevoegd). Hierbij koppelen wij deze emissie aan een ruimtelijke ontwikkeling. Daarmee is in onze ogen tegemoet gekomen aan de gevraagde aanpassing in de zienswijze en doen wij recht aan de agrarische percelen die in de voorgaande bestemmingsplannen ook een agrarische bestemming hadden (en zo werden gebruikt). “het gebruiken en laten gebruiken van gronden en/of bouwwerken voor een ruimtelijke ontwikkeling, waarbij een toename van stikstofemissie plaatsvindt vanuit de betreffende gronden en/of bouwwerken.
Onder een ruimtelijke ontwikkeling wordt in ieder geval niet verstaan het gebruik van onbebouwde agrarische gronden voor bemesten.” Conclusie Dit deel van de zienswijze zal worden overgenomen. De planregel zal worden aangevuld. Nieuwe Wnb-vergunningen in bijlage 7 In de zienswijze wordt gesteld dat, als er na de vaststelling van het bestemmingsplan een nieuwe Wnb-vergunning wordt verleend, het bedrijf zelf zorg moet dragen om deze nieuwe vergunning in bijlage 7 van het bestemmingsplan te krijgen. In de zienswijze wordt tevens aangegeven dat hiervoor het bestemmingsplan moet worden gewijzigd en dat hiermee hoge kosten voor de ondernemer aan de orde zijn. Ook in dit geval is het goed te beseffen dat er slechts een toets aan het bestemmingsplan aan de orde is, indien er een nieuwe ontwikkeling gepland is. Pas dan zal er aan het bestemmingsplan worden getoetst. De acute noodzaak om de nieuwe verleende Wnb-vergunning per direct op te laten nemen in bijlage 7 van het bestemmingsplan is daarmee dan ook niet aanwezig in onze ogen. Dat is pas mogelijk relevant indien er op korte termijn nog een nieuwe ontwikkeling beoogd is. Maar in dat geval zal dit bestemmingsplan niet belemmerd zijn indien er een natuurtoestemming ligt.
Los daarvan is het goed te weten dat er wettelijk gezien uiterlijk binnen 5 jaar (na vaststelling van een bestemmingsplan) een geactualiseerd bestemmingsplan moeten komen. Dat zal per 1 januari 2024 een Omgevingsplan gaan heten (onder
de Omgevingswet). Deze nieuwe wet verplicht gemeenten om minimaal elke 5 jaar het Omgevingsplan te actualiseren. De nieuwe verleende Wnb-vergunningen worden dus bij die actualisatie automatisch (en gratis voor de bedrijven) opgenomen in bijlage 7. Het is goed denkbaar dat een actualisatie ook sneller dan deze 5 jaar aan de orde is. In die zin is het dus niet nodig om als agrarisch bedrijf zelf een wijziging op het bestemmingsplan op te starten (en te betalen) om daarmee de vergunning in bijlage 7 te krijgen. Dat gebeurt door de actualisatieplicht namelijk al automatisch. En de kans wordt klein geacht dat er in de periode tussen het verkrijgen van de nieuwe Wnb-vergunning en de actualisatie van het bestemmingsplan nog nieuwe ontwikkelingen bij een bedrijf zijn (waarbij stikstofemissie aan de orde kan zijn). Indien die er al zouden zijn, dan voorziet ons bestemmingsplan hier ook in aangezien wij recht doen aan de natuurtoestemmingen. Conclusie De zienswijze zal niet worden overgenomen.
25. Rijkswaterstaat, ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, Postbus 2232, 3500 GE Utrecht. Het ontwerpbestemmingsplan ‘Buitengebied Súdwest-Fryslân – I’ omvat een plangebied waarin het rijksbeleid op een aantal locaties van toepassing is. In haar rol als beheerder van rijkswegen, Rijks vaarwegen, het hoofdwatersysteem en het Natura 2000-gebied vraagt Rijkswaterstaat de toelichting op de volgende punten aan te passen. Ligging van het plangebied: Het IJsselmeer en de Waddenzee is als onderdeel van het plangebied niet volwaardig beschreven. Een deel van het IJsselmeer is volgens het bestemmingsplan onderdeel van het plangebied, maar de focus ligt meer op het landdeel. Verzocht wordt het IJsselmeer en de Waddenzee duidelijk te vermelden in de toelichting. Wegen: In de paragraaf voor het aspect ‘Wegen’ worden de provinciale wegen en gebiedsontsluitingswegen en erftoegangswegen wel genoemd maar de stroomwegen A7/N7 en de N31 worden niet genoemd. Verzocht wordt om de stroomwegen ook te noemen. Besluit algemene regels voor ruimtelijke ontwikkeling (Barro): Het IJsselmeergebied is ook een belangrijk onderdeel van het Barro, maar wordt niet in de opsomming genoemd. Verzocht wordt om het IJsselmeergebied te vermelden als onderdeel van het Barro. Beleidskader: In deze paragraaf wordt niet verwezen naar de Kamerbrief Water en Bodem.
Water en Bodem worden sturend voor het ruimtelijke ordeningsprincipe. Verzocht wordt de kamerbrief te vermelden en aandacht te schenken aan de relevante onderwerpen. In deze paragraaf mist voor de Waddenzee als deel van het plangebied het richtinggevend document Structuurvisie Waddenzee en tevens een verwijzing naar het Uitvoeringsprogramma Waddengebied 2021 – 2026. Water: In plaats van het recent vastgestelde Nationaal Waterprogramma 2022 – 2027 wordt het Nationaal Waterplan 2016 – 2021 vermeld. Er wordt verzocht het Nationaal Waterprogramma 2021 – 2027 te verwerken. Ook wordt verzocht te vermelden dat het beheer van het IJsselmeergebied en de Waddenzee een taak van Rijkswaterstaat is en aan te vullen dat er een vergunnings – of meldingsplicht geldt. Gebiedsbescherming: Het Natura 2000 beheerplan IJsselmeergebied 2017 – 2023 wordt niet vermeld. Het Natura 2000-gebied wordt in de toelichting niet goed weergegeven. Gevraagd wordt dit aan te passen.
Externe veiligheid: Verzocht wordt om aan te geven dat gevaarlijke stoffen ook getransporteerd worden over rijksvaarwegen in het IJsselmeergebied en Waddenzee. Reactie gemeente: Het bestemmingsplan is omgezet van Veegplan Buitengebied naar een algehele herziening van het vigerende bestemmingsplan. Het ‘Veegplan buitengebied’ was gericht op een aantal individuele percelen naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling, het aanpassen van beleid en herstellen van enkele omissies, daarbij was het niet nodig om de toelichting in zijn geheel aan te passen. De aanvullingen die Rijkswaterstaat heeft aangegeven zullen alsnog worden opgenomen in het bestemmingsplan. De zienswijze zal worden overgenomen.
26. Aylvaweg 77, 8748 CG te Witmarsum Bouwvlak In de bouwregels is bepaald dat de bedrijfsgebouwen binnen een denkbeeldige rechthoek dan wel binnen een bouwvlak, wanneer op de verbeelding een bouwvlak is aangegeven, moet worden gebouwd. De maximale oppervlakte van de denkbeeldige rechthoek bedraagt bij recht 1,5 hectare. In de regels is een afwijkingsbevoegdheid opgenomen om de oppervlakte van de denkbeeldige rechthoek te vergroten tot maximaal 2 hectare. In de situatie van de maatschap is het huidige fictieve bouwvlak ten behoeve van de vergunde en gerealiseerde bedrijfsvoering nu al groter dan 1,5 hectare, namelijk 1,8 hectare. De V.O.F. bepleit, om een einde te maken aan de rechtsonzekerheid, dat de bestemmingsregels met betrekking tot het bouwvlak wordt gewijzigd en in ieder geval voor de bestaande, vergunde en dus planologisch legale situatie een bouwvlak met een oppervlakte van 2 hectare wordt opgenomen. Stikstof Voor vrijwel alle agrarische bedrijven is de referentie de stikstofemissie van de feitelijke bestaande planologische situatie op datum vaststelling bestemmingsplan waarvan de onherroepelijke natuurvergunningen voor slechts 20 bedrijven zijn opgenomen.
Een verleende milieuvergunning, een onherroepelijke Wnb-vergunning zonder passende beoordeling of een PAS-melding wordt dus niet gerespecteerd hetgeen in strijd is met diverse algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Bovendien is deze situatie voor de praktijk onredelijk en onwerkbaar. Belanghebbende beschikt immers over een onherroepelijk natuurvergunning (kenmerk 01286844) en alle noodzakelijke vergunningen ten behoeve van de bedrijfsvoering. Om diverse redenen zijn de vergunde aantallen nog niet feitelijk ten uitvoering gebracht. Voor het melkvee is de invoering van de fosfaatrechten bepalend geweest voor een rem op de aantallen. Het melkveebestand kan pas groeien als hier ook fosfaatrechten voor worden aangekocht. Het melkveehouderijbedrijf kan zich verder niet verenigen met artikel 3.5 onder j en 1.7 van de planregels. Onderhavige regels gelden ook voor het gebruik van de gronden waarop geen ruimtelijke ontwikkeling is voorzien (j. het gebruiken en laten gebruiken van gronden en/of bouwwerken waarbij een toename van stikstofemissie plaatsvindt vanuit de betreffende gronden en bouwwerken). Dat is bijvoorbeeld alle agrarische cultuurgrond die dezelfde bestemming behouden. Daar hoeven geen stikstofregels voor te worden opgenomen binnen het bestemmingsplan.
Onderhavige regels vormen een onnodige beperking van het gebruik en zijn door de gemeente Súdwest-Fryslân ook niet te handhaven. In bijlage 7 zijn (nu slechts) 20 veehouderijen opgenomen. Na vaststelling van het bestemmingsplan ligt de lijst vast. Als een bedrijf daarna een Wvb-vergunning krijgt voor een project met een hogere stikstofemissie of depositie die wel juist passend is beoordeeld, dan moet voor dat project ook het bestemmingsplan worden gewijzigd (door een opname dan wel gewijzigde opname van die Wnb-vergunning in
bijlage 7). Hoe wil de gemeente dat gaan regelen zonder dat de ondernemer een zware planologische procedure moet doorlopen hoge leges moet betalen? Reactie gemeente Bouwvlak In artikel 3.2. onder b is opgenomen dat bouwwerken uitsluitend gebouwd mogen worden binnen een denkbeeldige rechthoek van maximaal 1,5 hectare dat gelegen is op en rondom de gronden ter plaatse van de aanduiding ‘agrarisch bedrijf’ of binnen een bouwvlak ter plaatse van de aanduiding ‘agrarisch bedrijf’ of binnen een bouwvlak met de aanduiding ‘intensieve veehouderij’. In artikel 3.2 onder c2 is aangegeven dat per denkbeeldige rechthoek of bouwvlak uitsluitend bedrijfsgebouwen ten behoeve van 1 agrarisch bedrijf mogen worden gebouwd. In artikel 3.4.1. kan met een omgevingsvergunning worden afgeweken van het bepaalde in artikel 3.2 sub b en c onder 2 voor het bouwen van bouwwerken buiten de denkbeeldige rechthoek van 1,5 hectare, mits de bebouwing ten behoeve van een grondgebonden agrarisch bedrijf wordt gesitueerd binnen een denkbeeldige rechthoek die maximaal 2 hectare bedraagt en die gelegen is op en rondom de gronden ter plaatse van de aanduiding ‘agrarisch bedrijf’. De hiervoor genoemde binnenplanse afwijkingsmogelijkheid kan alleen worden toegepast wanneer er sprake is van een denkbeeldige rechthoek met de aanduiding ‘agrarisch bedrijf’. Niet indien er een bouwvlak is.
Alle bouwwerken die worden geplaatst buiten de denkbeeldige rechthoek van 1,5 hectare dienen te worden beoordeeld op basis van de in het bestemmingsplan opgenomen afwijkingsmogelijkheid zoals hiervoor omschreven, ondanks van het feit dat de denkbeeldige rechthoek van 1,5 hectare reeds is overschreden. Wij hebben de denkbeeldige rechthoek van de vergunde bouwwerken ter plaatse van het agrarische bedrijf opgemeten. Daarbij hebben wij geconstateerd dat de denkbeeldige rechthoek een oppervlakte heeft van ± 1,75 hectare. Zie onderstaande luchtfoto.
Belanghebbende is van mening dat de huidige omvang (als bestaande situatie) vastgelegd dient te worden op de verbeelding behorende bij het bestemmingsplan. Dat laatste lijkt ons een niet voor de hand liggende optie. Sterker nog, hierdoor wordt belanghebbende beperkt in zijn toekomstige ontwikkelingen door de huidige 1,75 hectare vast te leggen. Immers, uitbreiding met de genoemde flexibele binnenplanse afwijkingsmogelijkheid tot maximaal 2 hectare is alleen mogelijk indien er een denkbeeldige rechthoek is en niet in het geval er een bouwvlak is. Als er conform het verzoek een bouwvlak wordt opgenomen van de huidige bedrijfsvoering, betekent dat ook dat er binnen het bestemmingsplan geen uitbreidingsmogelijkheden meer zijn voor het perceel in tegenstelling tot de agrarische percelen die wel een denkbeeldige rechthoek hebben. Daar komt bij dat er in de rechten van belanghebbende niets positiefs verandert door het opnemen van het bouwvlak rondom de bestaande bebouwing (welke onder de 2 Ha is). Daar komt bij dat het opnemen van een bouwvlak tussen de 1,5 Ha en 2,0 Ha voor een grondgebonden agrarisch bedrijf niet past binnen onze algemene uitgangspunten en dit op basis daarvan al onwenselijk is. Hierbij is de beoogde flexibiliteit die wij nastreven om te kunnen groeien naar de 2,0 Ha door het opnemen van het bouwvlak teniet gedaan.
Er wordt geen inbreuk gedaan op de rechten van belanghebbende door te werken met een denkbeeldige rechthoek waarbij er tot 2 Ha kan worden vergroot.
Conclusie De zienswijze zal niet worden overgenomen. Stikstof In algemeenheid valt aan te geven dat het opnemen van een zogenaamde stikstofregel in bestemmingsplannen in de afgelopen jaren lastig is gebleken. De landelijke stikstofregels veranderen meer dan eens en tot op heden is er nog geen landelijke duidelijkheid over hoe om te gaan met stikstofdepositie op basis van de natuurwetgeving. Dat zorgt er ook voor dat het opnemen van de juiste of optimale stikstofregels voor in je bestemmingsplan ook erg lastig is. In een bestemmingsplan is het vereist om een stikstofregel op te nemen. Dat heeft dan alleen te maken met het bestemmingsplan om daarmee te kunnen onderbouwen of er milieueffecten uitgaan vanuit het bestemmingsplan. Een stikstofregel in een bestemmingsplan verandert dan ook niets aan de bestaande natuurrechten die iemand heeft op basis van de Wet natuurbescherming. Voor de natuurtoestemmingen is de provincie Fryslân namelijk het bevoegde gezag. De gemeente is dat niet. Een gemeente kan dus ook niet in een bestemmingsplan stikstofrechten die de provincie heeft gegeven afnemen. Als agrarische gemeente willen wij dat uiteraard ook niet. Voor wat betreft stikstof en het bestemmingsplan is het goed te weten dat de stikstofregel alleen maar aan de orde is als iemand wil gaan uitbreiden/nieuwe ontwikkeling wil gaan doen.
Want alleen dan is er een toets aan het bestemmingsplan. Bijvoorbeeld een nieuwe stal. Indien er een natuurtoestemming is van de provincie, zal het bestemmingsplan niet beperkend zijn voor wat betreft stikstof. Daarbij hebben wij in het bestemmingsplan ook opgenomen dat er geen sprake is van stikstofemissie als de ontwikkeling misschien wel stikstofemissie veroorzaakt, maar dat er geen depositie op een (overbelast) beschermd natuurgebied is. Als een beschermd gebied niet (extra) wordt belast, dan ziet het bestemmingsplan dit sowieso niet als stikstofemissie (artikel 1.74 onder 2). Dus extra activiteiten (gebruik of bouwen) die op basis van de nieuwste AERIUScalculator geen stikstofdepositie laten zien op beschermde gebieden, zijn in de ogen van het bestemmingsplan dus geen stikstofemissie. Die kunnen dus (als er ook aan de andere regels van het bestemmingsplan wordt voldaan). Als gemeente hebben wij langere tijd moeten zoeken en nadenken over een goede stikstofregel in onze bestemmingsplannen. In de afgelopen jaren is uit meerdere uitspraken van de Raad van State namelijk duidelijk geworden dat een goede stikstofregel in het bestemmingsplan niet makkelijk is. Onze stikstofregel is na bestudering van de verschillende uitspraken en buitengebied-bestemmingsplannen van andere gemeenten zo opgebouwd dat wij daarmee in onze ogen recht doen aan de verschillende belangen.
Uiteindelijk willen wij een goed bestemmingsplan vaststellen waarbij wij ook recht doen aan de natuurtoestemming. Dat hebben wij nu gedaan in onze ogen.
Zoals de Afdeling standaard overweegt dient de gemeente bij de vaststelling van een bestemmingsplan de feitelijke, planologische legale situatie als referentiesituatie te beschouwen (o.a. ECLI:NL:RVS:2020:1110). Dit wordt dan ook in dit bestemmingsplan als uitgangspunt en hoofdregel geformuleerd. Dat deze hoofdregel in de praktijk onwenselijk kan zijn begrijpen wij, maar voor ons is het van belang dat wij in ons bestemmingsplan een goede hoofdregel vaststellen. Een uitzondering op deze hoofdregel is dan bijlage 7 waarin de bedrijven zijn opgenomen met een verleende Wnb-vergunning (of verleende omgevingsvergunning met een verklaring van geen bedenkingen op basis van de Wnb) welke ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan onherroepelijk was en waar een passende beoordeling aan ten grondslag heeft gelegen (o.a. ECLI:NL:RVS:2020:684). Een Wnb-vergunning (of afgegeven vvgb) welke op basis van de PAS-wetgeving passend is beoordeeld mag hiervoor niet gebruikt worden en kan niet opgenomen worden in bijlage 7. Ook niet indien dit onherroepelijke vergunningen zijn. Voor de vaststelling van een bestemmingsplan (ruimtelijke spoor) is dit niet toegestaan (ECLI:NL:RVS:2019:1603, r.o. 36 e.v.).
Conclusie is dat de artikelen inzake de vraag of er sprake is van toename van stikstofdepositie in het bestemmingsplan dusdanig zijn opgebouwd dat wij daarmee zoveel mogelijk recht doen aan de natuurtoestemmingen die er zijn. Wij zien geen mogelijkheden of goede andere voorbeelden op welke wijze wij deze bepalingen zouden kunnen aanpassen zonder dat hierbij de houdbaarheid van de bepaling onder druk komt te staan. Conclusie De zienswijze zal niet worden overgenomen. Gebruik van gronden en bouwwerken In de zienswijze komt naar voren dat artikel 3.5 onder j en 1.7 van de planregels een onnodige beperking van het gebruik inhouden. De regel zou namelijk ook gelden voor agrarische cultuurgrond die dezelfde bestemming behoudt. Allereerst merken wij op dat de zienswijze in plaats van artikel 1.7 de begripsbepaling van toename van stikstofemissie zal bedoelen (artikel 1.74). Dit beschouwen wij als een kennelijke schrijffout. In het bestemmingsplan is opgenomen dat het gebruiken van gronden en/of bouwwerken, waarbij er sprake is van stikstofemissie vanuit deze gronden en/of bouwwerken, als strijdig gebruik wordt beschouwd (o.a. artikel 3.5 onder j). In artikel 1.74 staat de begripsbepaling wanneer er in het kader van het bestemmingsplan sprake is van “toename van stikstofemissie”.
Hieruit komt naar voren dat als er niets op de bedrijfslocatie verandert, er ook geen toename van stikstofemissie aan de orde is (in het kader van het bestemmingsplan). Dus deze regel is pas aan de orde in het geval er een wijziging op het perceel gaat plaatsvinden, zoals bijvoorbeeld de bouw van een extra stal.
In dat geval wordt er pas gekeken naar of deze stal extra stikstofdepositie heeft op een overbelast beschermd natuurgebied. Is het antwoord hierop nee, dan is er op basis van de definitie van het bestemmingsplan geen toename van stikstofemissie. Ook in die gevallen zal de stikstofregel dus geen belemmering opleveren. Mocht er wel een toename zijn, dan kan worden teruggevallen op de natuurtoestemming en wordt op basis daarvan bekeken of er een extra toename van stikstof is ten opzichte van deze natuurtoestemming. Naast de bouwpercelen, worden de weilanden nabij een boerderij ook agrarisch gebruikt. In de zienswijze wordt gesteld dat door de begripsbepaling van onze stikstofregel dit gebruik ook mogelijk een toename van stikstofemissie inhoudt en daarmee dat het bestemmingsplan onnodig beperkend is. Wij zijn het hier niet geheel mee eens. De eerste vraag is namelijk of er daadwerkelijk stikstofdepositie zal zijn op een (overbelast) beschermd natuurgebied bij het gebruik van die gronden. Dat zal in de meeste gevallen niet aan de orde zijn. Maar los daarvan beogen wij met onze bestemmingsplanregel niet om (mogelijk) beperkend te kunnen zijn. Wij zien daarom aanleiding om voor de duidelijkheid de strijdig gebruiksbepaling van artikelen 3.5 en 4.5 waarin stikstofemissie als strijdig gebruik wordt aangemerkt, aan te passen (waarbij de onderstreepte delen zijn toegevoegd).
Hierbij koppelen wij deze emissie aan een ruimtelijke ontwikkeling. Daarmee is in onze ogen tegemoet gekomen aan de gevraagde aanpassing in de zienswijze en doen wij recht aan de agrarische percelen die in de voorgaande bestemmingsplannen ook een agrarische bestemming hadden (en zo werden gebruikt). “het gebruiken en laten gebruiken van gronden en/of bouwwerken voor een ruimtelijke ontwikkeling, waarbij een toename van stikstofemissie plaatsvindt vanuit de betreffende gronden en/of bouwwerken. Onder een ruimtelijke ontwikkeling wordt in ieder geval niet verstaan het gebruik van onbebouwde agrarische gronden voor bemesten.” Voor dit gedeelte van de zienswijze nemen wij deze over en vullen wij de planregel aan. In algemeenheid valt aan te geven dat het opnemen van een zogenaamde stikstofregel in bestemmingsplannen in de afgelopen jaren lastig is gebleken. De landelijke stikstofregels veranderen meer dan eens en tot op heden is er nog geen landelijke duidelijkheid over hoe om te gaan met stikstofdepositie op basis van de natuurwetgeving. Dat zorgt er ook voor dat het opnemen van de juiste of optimale stikstofregels voor in je bestemmingsplan ook erg lastig is. In een bestemmingsplan is het vereist om een stikstofregel op te nemen. Dat heeft dan alleen te maken met het bestemmingsplan om daarmee te kunnen onderbouwen of er milieueffecten uitgaan vanuit het bestemmingsplan.
Een stikstofregel in een bestemmingsplan verandert dan ook niets aan de bestaande natuurrechten die iemand heeft op basis van de Wet natuurbescherming. Voor de natuurtoestemmingen is de provincie Fryslân namelijk het bevoegde gezag. De
gemeente is dat niet. Een gemeente kan dus ook niet in een bestemmingsplan stikstofrechten die de provincie heeft gegeven afnemen. Als agrarische gemeente willen wij dat uiteraard ook niet. Voor wat betreft stikstof en het bestemmingsplan is het goed te weten dat de stikstofregel alleen maar aan de orde is als iemand wil gaan uitbreiden/nieuwe ontwikkeling wil gaan doen. Want alleen dan is er een toets aan het bestemmingsplan. Bijvoorbeeld een nieuwe stal. Indien er een natuurtoestemming is van de provincie, zal het bestemmingsplan niet beperkend zijn voor wat betreft stikstof. Daarbij hebben wij in het bestemmingsplan ook opgenomen dat er geen sprake is van stikstofemissie als de ontwikkeling misschien wel stikstofemissie veroorzaakt, maar dat er geen depositie op een (overbelast) beschermd natuurgebied is. Als een beschermd gebied niet (extra) wordt belast, dan ziet het bestemmingsplan dit sowieso niet als stikstofemissie (artikel 1.74 onder 2). Dus extra activiteiten (gebruik of bouwen) die op basis van de nieuwste AERIUScalculator geen stikstofdepositie laten zien op beschermde gebieden, zijn in de ogen van het bestemmingsplan dus geen stikstofemissie. Die kunnen dus (als er ook aan de andere regels van het bestemmingsplan wordt voldaan). Als gemeente hebben wij langere tijd moeten zoeken en nadenken over een goede stikstofregel in onze bestemmingsplannen.
In de afgelopen jaren is uit meerdere uitspraken van de Raad van State namelijk duidelijk geworden dat een goede stikstofregel in het bestemmingsplan niet makkelijk is. Onze stikstofregel is na bestudering van de verschillende uitspraken en buitengebied-bestemmingsplannen van andere gemeenten zo opgebouwd dat wij daarmee in onze ogen recht doen aan de verschillende belangen. Uiteindelijk willen wij een goed bestemmingsplan vaststellen waarbij wij ook recht doen aan de natuurtoestemming. Dat hebben wij nu gedaan in onze ogen. Zoals de Afdeling standaard overweegt dient de gemeente bij de vaststelling van een bestemmingsplan de feitelijke, planologische legale situatie als referentiesituatie te beschouwen (o.a. ECLI:NL:RVS:2020:1110). Dit wordt dan ook in dit bestemmingsplan als uitgangspunt en hoofdregel geformuleerd. Dat deze hoofdregel in de praktijk onwenselijk kan zijn begrijpen wij, maar voor ons is het van belang dat wij in ons bestemmingsplan een goede hoofdregel vaststellen. Een uitzondering op deze hoofdregel is dan bijlage 7 waarin de bedrijven zijn opgenomen met een verleende Wnb-vergunning (of verleende omgevingsvergunning met een verklaring van geen bedenkingen op basis van de Wnb) welke ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan onherroepelijk was en waar een passende beoordeling aan ten grondslag heeft gelegen (o.a. ECLI:NL:RVS:2020:684).