CConstaterende datSudwest Fryslan
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2 - Reactienota op zienswijzen BGB-I

Raadsvergadering 28 september 2023, gemeente Sudwest FryslanBij agendapunt: Bestimmingsplan ‘Buitengebied Súdwest-Fryslân I’32.617 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 4

In de toelichting staat namelijk: Zo stelt de gemeente bij bestemmingsplannen cultuurhistorische analyses op en gaat de gemeente bij de bescherming van archeologische (verwachtings)waarden in bestemmingsplannen formeel uit van de gemeentelijke FAMKE (Friese Archeologische Monumentenkaart Extra), een uitsnede van de provinciale FAMKE. Voor de bekende en de te verwachten cultuurhistorische waarden gaat de gemeente uit van de Cultuur Historische kaart van de provincie Fryslân (CHK) en de Buitengebied Súdwest-Fryslân-I ontwerp 60 Landschapsbiografie Súdwesthoeke. Deze kaarten zijn daarmee onderlegger voor het in de Erfgoednota geformuleerde beleid. Er staat verder in de Erfgoedverordening 2021: De door de gemeente als archeologische beleidsadvieskaart vastgestelde gemeentelijke Friese Archeologische Monumentenkaart Extra (FAMKE) - dit is een uitsnede van de provinciale FAMKE voor het gemeentelijk grondgebied - dient daarbij als basis. En verder staat er in de Erfgoedverordening: Artikel 21. Gemeentelijke FAMKE Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening dient in het bestemmingsplan in de toelichting bij het bestemmingsplan een beschrijving opgenomen te worden van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten

monumenten rekening is gehouden. Met de invoering van deze verplichting is de bescherming archeologische waarden in beginsel ruimtelijk geborgd. Er zijn echter nog bestemmingsplannen van kracht van vóór de invoering van deze eisen. Gelet op de geldigheidstermijn van een bestemmingsplan van tien jaar, zal dit ook nog enige jaren mogelijk blijven. Om, mede gelet op de verplichtingen van het Verdrag van Malta, ook voor de gronden waar deze ‘oude’ bestemmingsplannen nog gelden de bescherming van archeologische waarden te verzekeren, is dit artikel opgenomen. De strekking van dit artikel is te waarborgen dat mogelijk in deze gronden aanwezige archeologische waarden niet worden verstoord, tenzij daaraan aandacht is besteed die gelijkwaardig is aan waartoe artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening verplicht, door middel van de verwachtingskaarten, een omgevingsvergunning of eigen onderzoek dat aan die eisen kan voldoen. Bij eventuele nadere regels van burgemeester en wethouders over het verrichten van archeologisch onderzoek kan bijvoorbeeld gedacht worden aan regels m.b.t. een programma van eisen of een plan van aanpak. Lid 1 De gemeentelijke FAMKE dient als basis voor zowel de erfgoedverordening als de bestemmingsplannen.

De door de gemeente vastgestelde Erfgoednota en Erfgoedverordening en de door het college vastgestelde gemeentelijke FAMKE vormen tezamen een consistent geheel. De kaderstelling kan vervolgens ook gebruikt worden bij de uitwerking van het beleid in bestemmingsplannen. Lid 2 De gemeentelijke FAMKE is geen statische kaart. Uitgevoerde archeologische onderzoeken kunnen namelijk nieuwe informatie opleveren voor de kaart. De intentie is om de kaart éénmaal in de vier jaar te actualiseren. Dit lid stelt dat de archeologische onderzoeken die nog niet zijn verwerkt op de FAMKE ook meegewogen dienen te worden bij de uitwerking c.q. toepassing van het archeologiebeleid. Voorwaarde hiervoor is wel dat de archeologische onderzoeken uitgevoerd moeten zijn door bedrijven die in het bezit zijn van een opgravingsvergunning verstrekt door de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. It Fliet en Heidenskipsterdyk 2 Op het terrein lag al en ligt nu nog een dubbelbestemming Waarde archeologie 2. Het is nu nog niet bekend of de eventuele uitbreiding van de huidige parkeerplaats daadwerkelijk gepaard gaat met ingrepen dieper dan 40 cm én een oppervlakte boven de 500 m2. Zo ja, dan is hier gewoon een Omgevingsvergunning voor benodigd en kan er alsnog een archeologisch onderzoek worden uitgevoerd. Ons inziens zijn hiermee de archeologische waarden voldoende geborgd.

Vooralsnog wordt met het nieuwe BP niet meer dan 300 m2 aan nieuwe bebouwing mogelijk gemaakt op grond van de regels aan hoofd- en bijgebouw bij nieuwbouw, behalve als hoofdgebouw bestaande oppervlakte meer is en dat is in dit geval zo, de romp kop boerderij is al 350 m2 en dan kan er dus nog maximaal 150 m2 aan

bijgebouw bij, dan kom je dus al op 500 m2. Het is verder niet bekend wat er nog wordt aangelegd aan leidingen, waterpartijen en groen, dus de kans is groot dat je boven de vrijstellingsgrens komt (dieper dan 40 cm over meer dan 500 m2). Voor de nieuwe woonboerderij op het perceel Heidenskipsterdyk 2 is een omgevingsvergunning afgegeven en de nieuwe woonboerderij is inmiddels gerealiseerd. De nieuwe woonboerderij is qua oppervlakte kleiner dan de bestaande, waarbij nu kan worden aangegeven dat de maximale oppervlakte van 500m² niet is overschreden. Conclusie: De zienswijze zal niet worden overgenomen. Natuur/Bos Binnen de bestemmingen ‘Bos’ en ‘Natuur’ kan een omgevingsvergunning aangevraagd worden voor werkzaamheden, zoals het verwijderen van houtgewassen, het aanbrengen van oppervlakteverhardingen, het graven van sloten en het aanleggen van voorzieningen ten behoeve van extensief dag-recreatief medegebruik. Als voorwaarde is nu in de regels opgenomen dat er geen sprake mag zijn van onevenredige afbreuk van de natuurlijke waarden. De provincie geeft aan dat de natuur- en bosgebieden veelal onderdeel uitmaken van de NNN of Natuur buiten de NNN. Dit vraagt een extra afweging of er sprake is van een ontwikkeling van openbaar belang.

Gevraagd wordt deze extra afweging in de regels op te nemen en in de toelichting te vermelden dat de provincie in voorkomende gevallen om advies kan worden gevraagd. Reactie gemeente In de voorwaarden wordt al genoemd dat de natuurlijke en landschappelijke waarden niet aangetast mogen worden. De voorwaarde wordt uitgebreid dat voor gebieden die deel uitmaken van het NNN-gebied of van Natuur buiten NNN een extra afweging moet worden gemaakt bij ruimtelijke ontwikkelingen. In de toelichting van het bestemmingsplan zal worden aangegeven dat de provincie om advies moet worden gevraagd. In sommige gevallen zal sprake zijn van compensatie. Conclusie: De zienswijze zal worden overgenomen. Detailhandel Binnen de bestemming ‘Detailhandel’ wordt het uitoefenen van detailhandel in het algemeen toegestaan. Gevraagd wordt om de specifieke vormen van detailhandel in het buitengebied te beperken tot de vorm van detailhandel ter plaatse. Dit kan door de percelen te voorzien van een aanduiding waaruit blijkt dat uitsluiten die vorm van detailhandel is toegestaan.

Reactie gemeente: De zienswijze is specifiek gericht op het perceel waar een tapijtboerderij was gevestigd. De eigenaar heeft aangegeven dat de detailhandelsactiviteiten t.b.v. de tapijtboerderij ter plaatse zijn beëindigd en heeft gevraagd de bestemming van het perceel te wijzigen naar de bestemming ‘Wonen – Woonboerderij’. De bedrijfsactiviteiten zijn verplaatst naar het bedrijventerrein in Bolsward. Het betreffende perceel krijgt de bestemming ‘Wonen – Woonboerderij’. Het bestemmingsplan wordt naar aanleiding van dit deel van de zienswijze gewijzigd vastgesteld. Kleinschalig kamperen Het bestemmingsplan staat maximaal 35 kampeerplaatsen toe op een kleinschalig kampeerterrein. Op grond van de Verordening Romte Fryslân zijn maximaal 25 kampeerplaatsen toegestaan. Gevraagd wordt het maximum aantal kampeerplaatsen aan te passen. Reactie gemeente: Bij het opstellen van het bestemmingsplan is geanticipeerd op de door Gedeputeerde Staten voorgestelde wijziging van de Verordening Romte Fryslân. Deze wijziging zou maximaal 35 kampeerplaatsen op een kleinschalig kampeerterrein mogelijk maken. Nu Provinciale Staten hebben besloten de Verordening Romte Fryslân niet te wijzigen zijn maximaal 25 kampeerplaatsen toegestaan. Conclusie: De zienswijze zal worden overgenomen.

Vrijwaringszone – dijk Op grond van de Verordening Romte Fryslân mag een uitbreiding van een bestaande woning, een bestaande recreatiewoning of een bestaand niet aan het beheer, onderhoud of productievermogen van het landelijk gebied gebonden bedrijf binnen de reserveringszone niet groter zijn dan 10% van het bestaand bebouwd oppervlak. Bij eventuele uitbreidingen moet hierbij rekening worden gehouden, zodat de uitbreidingen van genoemde functies beperkt zijn toegestaan. Reactie gemeente: In de bouwregels binnen de bestemming ‘Waarde – Cultuurhistorische lijnen’ is de bepaling opgenomen dat er geen nieuwe gebouwen of bouwwerken, geen gebouw zijnde mogen worden gebouwd anders dan ter vervanging van bestaande gebouwen of bouwwerken. Om te voorkomen dat bij een eventuele uitbreiding van bestaande functies fors worden uitgebreid wordt de eventuele uitbreiding gemaximaliseerd op 10% van de bestaande oppervlakte conform de Verordening Romte Fryslân. Conclusie: De zienswijze zal worden overgenomen.

Natuur – informatiecentrum Binnen de bestemming ‘Natuur’ heeft de veldschuur de aanduiding ‘specifieke vorm van natuur – informatiecentrum’. Om te voorkomen dat de veldschuur een ‘trekpleister’ wordt, vraagt de provincie om de gebruiksregels aan te scherpen zodat de veldschuur uitsluitend gebruikt mag worden voor extensief dagrecreatief – en educatief gebruik. Reactie gemeente: Om te voorkomen dat het informatiecentrum binnen de bestemming ‘Natuur’ ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van natuur – informatiecentrum’ wordt gebruikt voor meerdere publiek aantrekkende functies worden de gebruiksregels aangepast. De specifieke gebruiksregels wordt aangepast. Het gebouw ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van natuur – informatiecentrum’ mag uitsluitend worden gebruikt voor dagrecreatieve – en educatieve activiteiten. Horeca – activiteiten zijn niet toegestaan. Conclusie: De zienswijze zal worden overgenomen.

Carl Fellingerweg 2B Makkum Een strook grond aan de noordoostzijde van het perceel heeft in het ontwerpbestemmingsplan de bestemming ‘recreatie’ gekregen. Deze strook grond maakt echter onderdeel uit van Natuur buiten NNN. Voor Natuur buiten NNN moet sprake zijn van een passende bestemming die voorziet in gebruiksregels gericht op behoud, herstel en ontwikkeling van de natuurwaarden. Gelet op het feit er uitsluitend kan worden afgeweken als er sprake is van een noodzakelijke ruimtelijke ingreep, wordt voorgesteld de bestemming ‘Natuur’ te handhaven. Reactie gemeente: Hoewel de betreffende strook grond in eigendom is bij de eigenaar van het perceel. Deze strook maakt onderdeel uit van Natuur buiten NNN. Nu blijkt dat er geen geldige reden is, anders dan feitelijk gebruik om van de Verordening Romte Fryslân af te wijken, kennen wij de bestemming ‘Natuur’ toe aan deze gronden’ Conclusie: De zienswijze zal worden overgenomen. Filenserwei 1 Schettens en Carl Fellingerweg 2 Idsegahuizen Voor deze percelen is een uitgebreide omgevingsvergunning verleend. In de omgevingsvergunning is een voorwaardelijke bepaling opgenomen om de landschappelijke inpassing te borgen. Gevraagd wordt om de borging ook in het bestemmingsplan op te nemen.

Reactie gemeente: Ten behoeve van de landschappelijke inpassing van genoemde percelen die als voorwaardelijke bepaling was opgenomen bij de verleende omgevingsvergunning zal de specifieke gebruiksregel onder artikel 3.5, onder ‘i’ worden aangevuld. ‘het gebruik van gronden voor beplantingsstroken, met uitzondering van bestaande beplantingsstroken en beplantingsstroken welke op grond van dit plan – en eerder verleende omgevingsvergunningen – dienen te worden gerealiseerd ten behoeve van een landschappelijke inpassing. Conclusie: De zienswijze zal worden overgenomen. Noardermar 9 en 10 Stavoren In het ontwerpbestemmingsplan is de bestemming van beide percelen gewijzigd. In de toelichting is onvoldoende gemotiveerd waarom de gebruiksgerichte paardenhouderij op deze locatie, niet direct aansluitend aan bestaand stedelijk gebied, mogelijk is. Gezien de ligging van het bestemmingsvlak en het bouwvlak wordt gevraagd te voorkomen dat de bedrijfsactiviteiten voor de bedrijfswoning plaatsvinden. Dit kan door het bouw/bestemmingsvlak aan de voorzijde te verkleinen en aan de achterzijde van het perceel te vergroten. Reactie gemeente: Op het perceel Noardermar 10 is een pensionstalling gevestigd en geen manege. De bestemming ‘Agrarisch – Paardenhouderij’ maakt dit gebruik mogelijk.

Om een manege op deze locatie mogelijk te maken zou de bestemming ‘Agrarisch’ moeten worden gewijzigd naar de bestemming ‘Sport – Manege. Op grond van het gemeentelijk beleid moet een manege direct aansluiten bij een kern. De bestemming ‘Agrarisch – Paardenhouderij’ is passend in het landelijk gebied. Het verkleinen van het bestemmingsvlak aan de voorzijde van het perceel en het perceel vervolgens aan de achterzijde te vergroten is gezien de eigendomssituatie niet mogelijk. De gronden achter het perceel zijn niet van dezelfde eigenaar. Conclusie: Deze zienswijze zal niet worden overgenomen. Heidenskipsterdyk 50 It Heidenskip Op grond van de bestemming kan op het perceel een agrarisch bedrijf worden opgericht. De provincie stelt voor om de oppervlakte van de bestaande bebouwing vast te leggen en verdere uitbreiding of nieuwvestiging alleen toe te staan met toepassing van de Nije Pleats methode. Reactie gemeente: Het perceel heeft van oudsher een agrarische bestemming. Ook in het oorspronkelijke bestemmingsplan Buitengebied van de voormalige gemeente Nijefurd was de bestemming van het perceel ‘Agrarisch’ en was de vestiging van

een agrarisch bedrijf op deze locatie mogelijk. Hoewel de huidige bebouwing niet de uitstraling van een agrarisch bedrijf heeft, maakt het perceel wel onderdeel uit van een agrarisch bedrijf op nabij gelegen locatie. Het perceel is opgenomen in de geldende milieu- en natuurtoestemmingen van dit bedrijf. De ontwikkelingen die op grond van het vigerende – en het onderhavige bestemmingsplan mogelijk zijn, zijn uitsluitend gericht op een (volwaardig) agrarisch bedrijf. Conclusie: Deze zienswijze zal niet worden overgenomen.

38. Easthimmerwei 2, 8748 EE te Witmarsum, Namens de maatschap wordt de volgende zienswijze ingediend die betrekking heeft op 3 hoofdthema’s. Beleid Namens de maatschap wordt aangegeven dat het bestemmingsplan zou zijn gebaseerd op oud beleid en daarom geen of onvoldoende rekening houdt met de huidige ontwikkelingen binnen de agrarische sector. Met name op het gebied van de stikstofproblematiek en voorschriften met betrekking tot de natuur en natuurontwikkeling. Namens de Mts. wordt de vrees uitgesproken dat het voorliggende bestemmingsplan onvoldoende rekening houdt met de beleidskeuzes van de provincie zoals deze in de Omgevingsverordening is opgenomen. Hierdoor zou het bestemmingsplan belemmerend kunnen werken voor eventuele toekomstige ontwikkelingen van het agrarisch bedrijf. Stikstof De Mts. beschikt over een onherroepelijke Nb-vergunning, deze is niet opgenomen in Bijlage 7 behorende bij de planregels. Men is van mening dat de bestaande rechten van het bedrijf op deze wijze niet of onvoldoende zijn gerespecteerd. Hierdoor zal na de vaststelling van het bestemmingsplan een onredelijke – en onwerkbare praktijk ontstaan voor het bedrijf. Hierdoor ontstaat een situatie die ernstig in strijd is met de rechtszekerheid.

De voorgestelde regeling in de planregels van het bestemmingsplan is onrechtvaardig, in strijd met de rechtszekerheid en biedt absoluut onvoldoende perspectieven voor agrariërs gelet op de ontwikkelingen die landelijk op stapel staan. Gebruiken en (laten) gebruiken van gronden De Mts. kan zich niet vinden in de beperking die voortvloeit uit de planregels met betrekking tot het gebruiken of laten gebruiken van gronden waar geen ontwikkelingen plaatsvinden. Deze planregel geeft een extra beperking die niet noodzakelijk is. Overigens zijn deze regels ook niet handhaafbaar. Strijd met algemene beginselen van behoorlijk bestuur Bij het opstellen van het bestemmingsplan is onvoldoende rekening gehouden met de belangen van de agrariërs in het algemeen in het plangebied. Met name de gelet op de onzekerheden voor de agrariërs op dit moment met betrekking tot de stikstofproblematiek en de mogelijkheden voor hun bedrijfsvoering in de toekomst. Het bestemmingsplan is in strijd met diverse algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Reactie gemeente: Beleid Onderhavig bestemmingsplan is een actualisatie en harmonisatie van de nu geldende bestemmingsplannen. In de zienswijze wordt verwezen naar toekomstig beleid zoals de Omgevingsverordening van de provincie. De Omgevingsverordening

is dan wel vastgesteld maar is nog niet in werking getreden en is daarmee nog geen vastgesteld beleid. Overigens komt het ruimtelijk beleid zoals dit is opgesteld in nu geldende Verordening Romte Fryslân in grote lijnen overeen met het toekomstig beleid zoals nu is vastgelegd in de Omgevingsverordening. Ten aanzien van het stikstofbeleid is de provincie afhankelijk van het landelijk beleid in deze. Stikstof In algemeenheid valt aan te geven dat het opnemen van een zogenaamde stikstofregel in bestemmingsplannen in de afgelopen jaren lastig is gebleken. De landelijke stikstofregels veranderen meer dan eens en tot op heden is er nog geen landelijke duidelijkheid over hoe om te gaan met stikstofdepositie op basis van de natuurwetgeving. Dat zorgt er ook voor dat het opnemen van de juiste of optimale stikstofregels voor in je bestemmingsplan ook erg lastig is. In een bestemmingsplan is het vereist om een stikstofregel op te nemen. Dat heeft dan alleen te maken met het bestemmingsplan om daarmee te kunnen onderbouwen of er milieueffecten uitgaan vanuit het bestemmingsplan. Een stikstofregel in een bestemmingsplan verandert dan ook niets aan de bestaande natuurrechten die iemand heeft op basis van de Wet natuurbescherming. Voor de natuurtoestemmingen is de provincie Fryslân namelijk het bevoegde gezag. De gemeente is dat niet.

Een gemeente kan dus ook niet in een bestemmingsplan stikstofrechten die de provincie heeft gegeven afnemen. Als agrarische gemeente willen wij dat uiteraard ook niet. Voor wat betreft stikstof en het bestemmingsplan is het goed te weten dat de stikstofregel alleen maar aan de orde is als iemand wil gaan uitbreiden/nieuwe ontwikkeling wil gaan doen. Want alleen dan is er een toets aan het bestemmingsplan. Bijvoorbeeld een nieuwe stal. Indien er een natuurtoestemming is van de provincie, zal het bestemmingsplan niet beperkend zijn voor wat betreft stikstof. Daarbij hebben wij in het bestemmingsplan ook opgenomen dat er geen sprake is van stikstofemissie als de ontwikkeling misschien wel stikstofemissie veroorzaakt, maar dat er geen depositie op een (overbelast) beschermd natuurgebied is. Als een beschermd gebied niet (extra) wordt belast, dan ziet het bestemmingsplan dit sowieso niet als stikstofemissie (artikel 1.74 onder 2). Dus extra activiteiten (gebruik of bouwen) die op basis van de nieuwste AERIUScalculator geen stikstofdepositie laten zien op beschermde gebieden, zijn in de ogen van het bestemmingsplan dus geen stikstofemissie. Die kunnen dus (als er ook aan de andere regels van het bestemmingsplan wordt voldaan). Als gemeente hebben wij langere tijd moeten zoeken en nadenken over een goede stikstofregel in onze bestemmingsplannen.

In de afgelopen jaren is uit meerdere uitspraken van de Raad van State namelijk duidelijk geworden dat een goede stikstofregel in het bestemmingsplan niet makkelijk is. Onze stikstofregel is na bestudering van de verschillende uitspraken en buitengebied-bestemmingsplannen van andere gemeenten zo opgebouwd dat wij daarmee in onze ogen recht doen aan de verschillende belangen. Uiteindelijk willen wij een goed bestemmingsplan

vaststellen waarbij wij ook recht doen aan de natuurtoestemming. Dat hebben wij nu gedaan in onze ogen. Zoals de Afdeling standaard overweegt dient de gemeente bij de vaststelling van een bestemmingsplan de feitelijke, planologische legale situatie als referentiesituatie te beschouwen (o.a. ECLI:NL:RVS:2020:1110). Dit wordt dan ook in dit bestemmingsplan als uitgangspunt en hoofdregel geformuleerd. Dat deze hoofdregel in de praktijk onwenselijk kan zijn begrijpen wij, maar voor ons is het van belang dat wij in ons bestemmingsplan een goede hoofdregel vaststellen. Een uitzondering op deze hoofdregel is dan bijlage 7 waarin de bedrijven zijn opgenomen met een verleende Wnb-vergunning (of verleende omgevingsvergunning met een verklaring van geen bedenkingen op basis van de Wnb) welke ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan onherroepelijk was en waar een passende beoordeling aan ten grondslag heeft gelegen (o.a. ECLI:NL:RVS:2020:684). Een Wnb-vergunning (of afgegeven vvgb) welke op basis van de PAS-wetgeving passend is beoordeeld mag hiervoor niet gebruikt worden en kan niet opgenomen worden in bijlage 7. Ook niet indien dit onherroepelijke vergunningen zijn. Voor de vaststelling van een bestemmingsplan (ruimtelijke spoor) is dit niet toegestaan (ECLI:NL:RVS:2019:1603, r.o. 36 e.v.).

Conclusie is dat de artikelen inzake de vraag of er sprake is van toename van stikstofdepositie in het bestemmingsplan dusdanig zijn opgebouwd dat wij daarmee zoveel mogelijk recht doen aan de natuurtoestemmingen die er zijn. Wij zien geen mogelijkheden of goede andere voorbeelden op welke wijze wij deze bepalingen zouden kunnen aanpassen zonder dat hierbij de houdbaarheid van de bepaling onder druk komt te staan. Conclusie: De zienswijze zal niet worden overgenomen. Gebruik van gronden en bouwwerken In de zienswijze komt naar voren dat artikel 3.5 onder j en 1.7 van de planregels een onnodige beperking van het gebruik inhouden. De regel zou namelijk ook gelden voor agrarische cultuurgrond die dezelfde bestemming behoudt. Allereerst merken wij op dat de zienswijze in plaats van artikel 1.7 de begripsbepaling van toename van stikstofemissie zal bedoelen (artikel 1.74). Dit beschouwen wij als een kennelijke schrijffout. In het bestemmingsplan is opgenomen dat het gebruiken van gronden en/of bouwwerken, waarbij er sprake is van stikstofemissie vanuit deze gronden en/of bouwwerken, als strijdig gebruik wordt beschouwd (o.a. artikel 3.5 onder j). In artikel 1.74 staat de begripsbepaling wanneer er in het kader van het bestemmingsplan sprake is van “toename van stikstofemissie”.

Hieruit komt naar voren dat als er niets op de bedrijfslocatie verandert, er ook geen toename van stikstofemissie aan de orde is (in het kader van het bestemmingsplan). Dus deze

regel is pas aan de orde in het geval er een wijziging op het perceel gaat plaatsvinden, zoals bijvoorbeeld de bouw van een extra stal. In dat geval wordt er pas gekeken naar of deze stal extra stikstofdepositie heeft op een overbelast beschermd natuurgebied. Is het antwoord hierop nee, dan is er op basis van de definitie van het bestemmingsplan geen toename van stikstofemissie. Ook in die gevallen zal de stikstofregel dus geen belemmering opleveren. Mocht er wel een toename zijn, dan kan worden teruggevallen op de natuurtoestemming en wordt op basis daarvan bekeken of er een extra toename van stikstof is ten opzichte van deze natuurtoestemming. Naast de bouwpercelen, worden de weilanden nabij een boerderij ook agrarisch gebruikt. In de zienswijze wordt gesteld dat door de begripsbepaling van onze stikstofregel dit gebruik ook mogelijk een toename van stikstofemissie inhoudt en daarmee dat het bestemmingsplan onnodig beperkend is. Wij zijn het hier niet geheel mee eens. De eerste vraag is namelijk of er daadwerkelijk stikstofdepositie zal zijn op een (overbelast) beschermd natuurgebied bij het gebruik van die gronden. Dat zal in de meeste gevallen niet aan de orde zijn. Maar los daarvan beogen wij met onze bestemmingsplanregel niet om (mogelijk) beperkend te kunnen zijn.

Wij zien daarom aanleiding om voor de duidelijkheid de strijdig gebruiksbepaling van artikelen 3.5 en 4.5 waarin stikstofemissie als strijdig gebruik wordt aangemerkt, aan te passen (waarbij de onderstreepte delen zijn toegevoegd). Hierbij koppelen wij deze emissie aan een ruimtelijke ontwikkeling. Daarmee is in onze ogen tegemoet gekomen aan de gevraagde aanpassing in de zienswijze en doen wij recht aan de agrarische percelen die in de voorgaande bestemmingsplannen ook een agrarische bestemming hadden (en zo werden gebruikt). “het gebruiken en laten gebruiken van gronden en/of bouwwerken voor een ruimtelijke ontwikkeling, waarbij een toename van stikstofemissie plaatsvindt vanuit de betreffende gronden en/of bouwwerken. Onder een ruimtelijke ontwikkeling wordt in ieder geval niet verstaan het gebruik van onbebouwde agrarische gronden voor bemesten.” Conclusie: Dit deel van de zienswijze zal worden overgenomen. De planregel zal worden aangevuld. Algemene beginselen van behoorlijk bestuur Onderhavig bestemmingsplan respecteert de milieurechten en natuurtoestemmingen van het bedrijf. Het bestemmingsplan regelt de planologische (bouw)mogelijkheden. Een onherroepelijke milieurecht kan met een bestemmingsplan niet worden beperkt. Ook een onherroepelijke natuurtoestemming kan met een bestemmingsplan niet worden weggenomen.

De gemeente is geen bevoegd gezag inzake natuurtoestemmingen, deze ligt bij de

provincie. De belangen van het agrarisch bedrijf worden met dit bestemmingsplan gerespecteerd, er is daarom ons inziens geen sprake van onbehoorlijk bestuur.

39. Middelzeedijk 14, 8741 KD te Hartwerd. Namens de maatschap wordt de volgende zienswijze ingediend die betrekking heeft op de volgende hoofdthema’s. Beleid Namens belanghebbende wordt aangegeven dat het bestemmingsplan zou zijn gebaseerd op oud beleid en daarom geen of onvoldoende rekening houdt met de huidige ontwikkelingen binnen de agrarische sector. Met name op het gebied van de stikstofproblematiek en voorschriften met betrekking tot de natuur en natuurontwikkeling. Namens de Mts. wordt de vrees uitgesproken dat het voorliggende bestemmingsplan onvoldoende rekening houdt met de beleidskeuzes van de provincie zoals deze in de Omgevingsverordening is opgenomen. Hierdoor zou het bestemmingsplan belemmerend kunnen werken voor eventuele toekomstige ontwikkelingen van het agrarisch bedrijf. Stikstof Mts. beschikt over een onherroepelijke Nb-vergunning, deze is niet opgenomen in Bijlage 7 behorende bij de planregels. Men is van mening dat de bestaande rechten van het bedrijf op deze wijze niet of onvoldoende zijn gerespecteerd. Hierdoor zal na de vaststelling van het bestemmingsplan een onredelijke – en onwerkbare praktijk ontstaan voor het bedrijf. Hierdoor ontstaat een situatie die ernstig in strijd is met de rechtszekerheid.

De voorgestelde regeling in de planregels van het bestemmingsplan is onrechtvaardig, in strijd met de rechtszekerheid en biedt absoluut onvoldoende perspectieven voor agrariërs gelet op de ontwikkelingen die landelijk op stapel staan. Gebruiken en (laten) gebruiken van gronden Mts. kan zich niet vinden in de beperking die voortvloeit uit de planregels met betrekking tot het gebruiken of laten gebruiken van gronden waar geen ontwikkelingen plaatsvinden. Deze planregel geeft een extra beperking die niet noodzakelijk is. Overigens zijn deze regels ook niet handhaafbaar. Strijd met algemene beginselen van behoorlijk bestuur Bij het opstellen van het bestemmingsplan is onvoldoende rekening gehouden met de belangen van de agrariërs in het algemeen in het plangebied. Met name de gelet op de onzekerheden voor de agrariërs op dit moment met betrekking tot de stikstofproblematiek en de mogelijkheden voor hun bedrijfsvoering in de toekomst. Het bestemmingsplan is in strijd met diverse algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Reactie gemeente: Beleid Onderhavig bestemmingsplan is een actualisatie en harmonisatie van de nu geldende bestemmingsplannen. In de zienswijze wordt verwezen naar toekomstig beleid zoals de Omgevingsverordening van de provincie. De Omgevingsverordening is dan wel vastgesteld maar is nog niet in werking getreden en is daarmee nog geen

vastgesteld beleid. Overigens komt het ruimtelijk beleid zoals dit is opgesteld in nu geldende Verordening Romte Fryslân in grote lijnen overeen met het toekomstig beleid zoals nu is vastgelegd in de Omgevingsverordening. Ten aanzien van het stikstofbeleid is de provincie afhankelijk van het landelijk beleid in deze. Stikstof In algemeenheid valt aan te geven dat het opnemen van een zogenaamde stikstofregel in bestemmingsplannen in de afgelopen jaren lastig is gebleken. De landelijke stikstofregels veranderen meer dan eens en tot op heden is er nog geen landelijke duidelijkheid over hoe om te gaan met stikstofdepositie op basis van de natuurwetgeving. Dat zorgt er ook voor dat het opnemen van de juiste of optimale stikstofregels voor in je bestemmingsplan ook erg lastig is. In een bestemmingsplan is het vereist om een stikstofregel op te nemen. Dat heeft dan alleen te maken met het bestemmingsplan om daarmee te kunnen onderbouwen of er milieueffecten uitgaan vanuit het bestemmingsplan. Een stikstofregel in een bestemmingsplan verandert dan ook niets aan de bestaande natuurrechten die iemand heeft op basis van de Wet natuurbescherming. Voor de natuurtoestemmingen is de provincie Fryslân namelijk het bevoegde gezag. De gemeente is dat niet. Een gemeente kan dus ook niet in een bestemmingsplan stikstofrechten die de provincie heeft gegeven afnemen.

Als agrarische gemeente willen wij dat uiteraard ook niet. Voor wat betreft stikstof en het bestemmingsplan is het goed te weten dat de stikstofregel alleen maar aan de orde is als iemand wil gaan uitbreiden/nieuwe ontwikkeling wil gaan doen. Want alleen dan is er een toets aan het bestemmingsplan. Bijvoorbeeld een nieuwe stal. Indien er een natuurtoestemming is van de provincie, zal het bestemmingsplan niet beperkend zijn voor wat betreft stikstof. Daarbij hebben wij in het bestemmingsplan ook opgenomen dat er geen sprake is van stikstofemissie als de ontwikkeling misschien wel stikstofemissie veroorzaakt, maar dat er geen depositie op een (overbelast) beschermd natuurgebied is. Als een beschermd gebied niet (extra) wordt belast, dan ziet het bestemmingsplan dit sowieso niet als stikstofemissie (artikel 1.74 onder 2). Dus extra activiteiten (gebruik of bouwen) die op basis van de nieuwste AERIUScalculator geen stikstofdepositie laten zien op beschermde gebieden, zijn in de ogen van het bestemmingsplan dus geen stikstofemissie. Die kunnen dus (als er ook aan de andere regels van het bestemmingsplan wordt voldaan). Als gemeente hebben wij langere tijd moeten zoeken en nadenken over een goede stikstofregel in onze bestemmingsplannen.

In de afgelopen jaren is uit meerdere uitspraken van de Raad van State namelijk duidelijk geworden dat een goede stikstofregel in het bestemmingsplan niet makkelijk is. Onze stikstofregel is na bestudering van de verschillende uitspraken en buitengebied-bestemmingsplannen van andere gemeenten zo opgebouwd dat wij daarmee in onze ogen recht doen aan de verschillende belangen. Uiteindelijk willen wij een goed bestemmingsplan vaststellen waarbij wij ook recht doen aan de natuurtoestemming. Dat hebben wij nu gedaan in onze ogen.

Zoals de Afdeling standaard overweegt dient de gemeente bij de vaststelling van een bestemmingsplan de feitelijke, planologische legale situatie als referentiesituatie te beschouwen (o.a. ECLI:NL:RVS:2020:1110). Dit wordt dan ook in dit bestemmingsplan als uitgangspunt en hoofdregel geformuleerd. Dat deze hoofdregel in de praktijk onwenselijk kan zijn begrijpen wij, maar voor ons is het van belang dat wij in ons bestemmingsplan een goede hoofdregel vaststellen. Een uitzondering op deze hoofdregel is dan bijlage 7 waarin de bedrijven zijn opgenomen met een verleende Wnb-vergunning (of verleende omgevingsvergunning met een verklaring van geen bedenkingen op basis van de Wnb) welke ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan onherroepelijk was en waar een passende beoordeling aan ten grondslag heeft gelegen (o.a. ECLI:NL:RVS:2020:684). Een Wnb-vergunning (of afgegeven vvgb) welke op basis van de PAS-wetgeving passend is beoordeeld mag hiervoor niet gebruikt worden en kan niet opgenomen worden in bijlage 7. Ook niet indien dit onherroepelijke vergunningen zijn. Voor de vaststelling van een bestemmingsplan (ruimtelijke spoor) is dit niet toegestaan (ECLI:NL:RVS:2019:1603, r.o. 36 e.v.).

Conclusie is dat de artikelen inzake de vraag of er sprake is van toename van stikstofdepositie in het bestemmingsplan dusdanig zijn opgebouwd dat wij daarmee zoveel mogelijk recht doen aan de natuurtoestemmingen die er zijn. Wij zien geen mogelijkheden of goede andere voorbeelden op welke wijze wij deze bepalingen zouden kunnen aanpassen zonder dat hierbij de houdbaarheid van de bepaling onder druk komt te staan. Conclusie: De zienswijze zal niet worden overgenomen. Gebruik van gronden en bouwwerken In de zienswijze komt naar voren dat artikel 3.5 onder j en 1.7 van de planregels een onnodige beperking van het gebruik inhouden. De regel zou namelijk ook gelden voor agrarische cultuurgrond die dezelfde bestemming behoudt. Allereerst merken wij op dat de zienswijze in plaats van artikel 1.7 de begripsbepaling van toename van stikstofemissie zal bedoelen (artikel 1.74). Dit beschouwen wij als een kennelijke schrijffout. In het bestemmingsplan is opgenomen dat het gebruiken van gronden en/of bouwwerken, waarbij er sprake is van stikstofemissie vanuit deze gronden en/of bouwwerken, als strijdig gebruik wordt beschouwd (o.a. artikel 3.5 onder j). In artikel 1.74 staat de begripsbepaling wanneer er in het kader van het bestemmingsplan sprake is van “toename van stikstofemissie”.

Hieruit komt naar voren dat als er niets op de bedrijfslocatie verandert, er ook geen toename van stikstofemissie aan de orde is (in het kader van het bestemmingsplan). Dus deze regel is pas aan de orde in het geval er een wijziging op het perceel gaat plaatsvinden, zoals bijvoorbeeld de bouw van een extra stal.

In dat geval wordt er pas gekeken naar of deze stal extra stikstofdepositie heeft op een overbelast beschermd natuurgebied. Is het antwoord hierop nee, dan is er op basis van de definitie van het bestemmingsplan geen toename van stikstofemissie. Ook in die gevallen zal de stikstofregel dus geen belemmering opleveren. Mocht er wel een toename zijn, dan kan worden teruggevallen op de natuurtoestemming en wordt op basis daarvan bekeken of er een extra toename van stikstof is ten opzichte van deze natuurtoestemming. Naast de bouwpercelen, worden de weilanden nabij een boerderij ook agrarisch gebruikt. In de zienswijze wordt gesteld dat door de begripsbepaling van onze stikstofregel dit gebruik ook mogelijk een toename van stikstofemissie inhoudt en daarmee dat het bestemmingsplan onnodig beperkend is. Wij zijn het hier niet geheel mee eens. De eerste vraag is namelijk of er daadwerkelijk stikstofdepositie zal zijn op een (overbelast) beschermd natuurgebied bij het gebruik van die gronden. Dat zal in de meeste gevallen niet aan de orde zijn. Maar los daarvan beogen wij met onze bestemmingsplanregel niet om (mogelijk) beperkend te kunnen zijn. Wij zien daarom aanleiding om voor de duidelijkheid de strijdig gebruiksbepaling van artikelen 3.5 en 4.5 waarin stikstofemissie als strijdig gebruik wordt aangemerkt, aan te passen (waarbij de onderstreepte delen zijn toegevoegd).

Hierbij koppelen wij deze emissie aan een ruimtelijke ontwikkeling. Daarmee is in onze ogen tegemoet gekomen aan de gevraagde aanpassing in de zienswijze en doen wij recht aan de agrarische percelen die in de voorgaande bestemmingsplannen ook een agrarische bestemming hadden (en zo werden gebruikt). “het gebruiken en laten gebruiken van gronden en/of bouwwerken voor een ruimtelijke ontwikkeling, waarbij een toename van stikstofemissie plaatsvindt vanuit de betreffende gronden en/of bouwwerken. Onder een ruimtelijke ontwikkeling wordt in ieder geval niet verstaan het gebruik van onbebouwde agrarische gronden voor bemesten.” Conclusie: Dit deel van de zienswijze zal worden overgenomen. De planregel zal worden aangevuld. Algemene beginselen van behoorlijk bestuur Onderhavig bestemmingsplan respecteert de milieurechten en natuurtoestemmingen van het bedrijf. Het bestemmingsplan regelt de planologische (bouw)mogelijkheden. Een onherroepelijke milieurecht kan met een bestemmingsplan niet worden beperkt. Ook een onherroepelijke natuurtoestemming kan met een bestemmingsplan niet worden weggenomen. De gemeente is geen bevoegd gezag inzake natuurtoestemmingen, deze ligt bij de provincie. De belangen van het agrarisch bedrijf worden met dit bestemmingsplan gerespecteerd, er is daarom ons inziens geen sprake van onbehoorlijk bestuur.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13085747/3