Bijlage 2 - Bijlagenbundel Businesscase versie 22-11-2021
Tekst van het document
3.10.2 Naamloze vennootschap Er is geen reguliere gemeentelijke bijdrage aan de NV nodig. Hierbij is nog niet het duurzaamheidsvraagstuk betrokken. Afhankelijk van de invulling daarvan is het aannemelijk dat hieruit een investeringsvraag zal voortvloeien dat gevolgen kan hebben op het resultaat van Empatec. Hierover zal, onder andere tijdens het opstellen van het implementatieplan, nader overleg tussen de samenwerkende partijen plaatsvinden. 3.11 Vier aanvullende opties In aanvulling op het basisscenario zijn ook enkele opties opgesteld. Voor elk van deze opties is berekend, welk effect deze hebben op het financieel resultaat van het Werkleerbedrijf. 1. Extra nieuw beschut werken plekken In deze optie wordt het volume nieuw beschut verhoogd, bijvoorbeeld door wijzigingen in landelijk beleid als gevolg van het initiatiefvoorstel ‘Aan de slag in Sociaal Ontwikkelbedrijven’. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat de extra inzet van 10 plekken van De Fryske Marren in dat geval komt te vervallen. 2. Tijdelijk dienstverband Pw.-kandidaten detachering In deze optie laten wordt zichtbaar wat het effect is als gemeenten meer andere kwetsbare kandidaten uit de doelgroep Pwet een (tijdelijk) dienstverband bieden bij het Werkleerbedrijf en via een detacheringsfaciliteit detacheren bij werkgevers (route 2A beschreven bij de dienstverlening Perspectiefrijk). 3.
Tijdelijk dienstverband Pw.-kandidaten in vakbedrijven In deze optie wordt duidelijk wat het effect is als gemeenten meer andere kwetsbare kandidaten uit de doelgroep Pwet een (tijdelijk) dienstverband bieden bij het Werkleerbedrijf en tijdelijk laten werken bij de vakbedrijven met als doel om zo snel mogelijk door te stromen naar een betaalde baan bij een werkgever (route 2B beschreven bij de dienstverlening Perspectiefrijk). 4. Extra ambitie re-integratieactiviteiten Perspectiefrijk via het Werkleerbedrijf
Bijlagenbundel Businesscase 22 november 2021
30
Deze optie laat zien wat het effect op het financieel resultaat van het Werkleerbedrijf is, als de ambitie voor Perspectiefrijk wordt verhoogd. 3.12 Uitwerking optie 1: In deze optie wordt zichtbaar wat het effect op de vier onderdelen van de businesscase is, wanneer het aantal nieuw beschut plekken bij het Werkleerbedrijf wordt verdubbeld t.o.v. de huidige taakstelling. De inzet van 10 extra plekken boven de taakstelling door De Fryske Marren komt in deze optie dus te vervallen. Daarbij zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd: - De NTW per fte is gemiddeld 3.500 euro lager dan voor de Wsw-medewerkers. Dit is gebaseerd op een raming van de huidige verdeling van de nieuw beschut medewerkers over de verschillende vakbedrijven. Nieuw beschut medewerkers zullen meer dan de Wsw-medewerkers werkzaam zijn in vakbedrijven met een lagere NTW per fte. - Voor de kosten voor ongesubsidieerd personeel en de overige bedrijfskosten per fte nieuw beschut werken is uitgegaan van de gemiddelde integrale kosten per gesubsidieerde fte in het basisscenario. Vervolgens is aangenomen, analoog aan de krimp van het aantal gesubsidieerde medewerkers in het basisscenario, dat de uitbreiding van nieuw beschut werk met 1 fte leidt tot een toename van de kosten met de helft van de integrale kosten voor 1 fte omdat er vanuit de krimp van de Wsw overcapaciteit in de organisatie bestaat.
In de hierna opgenomen tabel 15 is een samenvatting van deze optie: Tabel 15 Samenvatting met optie 1 (in euro 1.000)
2022
2023
2024
2025
2026
Subsidieresultaat Wsw
-546
-147
275
806
1 331
Subsidieresultaat NBW en LKS
-798
-867
-881
-897
-955
Bedrijfsresultaat Werkleerbedrijf
-1 114
-985
-905
-671
-807
Financieel resultaat re-integratie
-
-
-
-
-
Totaal financieel resultaat
-2.458
-2.000
-1.511
-762
-431
Per arbeidsjaar Wsw (in euro 1)
-2.902
-2.507
-1.998
-1.083
-658
De tabel geeft het volgende beeld: - Het subsidieresultaat Wsw wijzigt niet t.o.v. het basisscenario. - Het subsidieresultaat Nieuw Beschut Werk/LKS wordt negatiever. Dit weerspiegelt de beperkte middelen die de Rijksoverheid ter beschikking stelt voor deze voorziening. - Het bedrijfsresultaat verbetert met deze optie t.o.v. het basisscenario doordat de netto toegevoegde waarde sterker toeneemt dan de kosten voor het ongesubsidieerd personeel en de overige bedrijfskosten. - Het totaalresultaat verbetert iets ten opzichte van het basisscenario, met circa 40.000 tot 55.000 euro per jaar. - Per saldo leidt deze optie dus tot a) meer mensen met een beperking werkzaam in Nieuw Beschut Werk en b) een beperkte verbetering van het financieel resultaat van het Werkleerbedrijf met circa 40.000 tot 50.000 euro in elk jaar. - Het laatste kan verder worden verbeterd als gemeenten voor elke nieuw beschut werkende een loonkostensubsidie van 70% van het wettelijk minimumloon verstrekt. Nu is dat gemiddeld van 58%. Dat betekent dat gemeenten het tekort op Nieuw Beschut Werk voor een groter deel aan de voorkant gaan financieren in plaats van aan de achterkant via de gemeentelijke bijdrage. 3.13 Uitwerking optie 2 Het komt voor dat werkgevers een kandidaat uit de categorie Perspectiefrijk een kans willen geven, maar dat aarzelen om direct een arbeidsovereenkomst aan te bieden.
Vaak omdat ze het risico te groot achten. Veel Participatiebedrijven in Nederland hebben de mogelijkheid om in zo’n situatie een kandidaat gedurende maximaal twee jaar te detacheren. Ook het keuzedocument bepreekt deze mogelijkheid. Het uiteindelijke doel om de kandidaat na het tijdelijk dienstverband, in dienst te laten treden bij de werkgever.
Bijlagenbundel Businesscase 22 november 2021
31
Het gaat om een beperkt volume. Optie 2 gaat uit van 10 tijdelijke dienstverbanden in 2022. Dit loopt elk jaar op met 10 tijdelijke dienstverbanden tot 50 in 2026. Met deze aantallen kan, zonder al te grote risico’s, ervaring worden opgedaan met het detacheren van kandidaten uit de categorie Perspectiefrijk en kan worden gevolgd wat de effecten zijn voor kandidaten en gemeenten. Eventueel kan deze optie als pilot of experiment worden ingezet. Bij deze optie zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd: - Het gaat om tijdelijke dienstverbanden met een maximale (opeenvolgende) duur van 2 jaar. - De kandidaten wordt het wettelijk minimumloon betaald. - De kosten voor ongesubsidieerd personeel en de overige bedrijfskosten zijn voor detacheringen doorgaans aanmerkelijk lager dan voor interne plekken bij vakbedrijven. Er is daarom gerekend met de landelijk gemiddelde kosten in 2019, die lager zijn dan de kosten in het basisscenario voor het Werkleerbedrijf. - Er wordt aangenomen dat een uitbreiding van 1 fte LKS leidt tot verhoging van de kosten met de helft van de integrale kosten voor 1 fte, vanwege de overcapaciteit die er is vanuit de krimp van de Wsw en de niet evenredig afname van de kosten op grond daarvan. - Er is vanuit gegaan dat het gaat om mensen met een arbeidsbeperking uit de doelgroep garantiebanen.
Voor deze mensen geldt de no-risk polis en kan aanspraak worden gemaakt op een loonkostenvoordeel van 2.000 euro per jaar voor een periode van maximaal 3 jaar. - Er is uitgegaan van het gemiddelde detacheringstarief voor Wsw-medewerkers in 2019 (15.200 euro per fte) met een risico-opslag van 20%. - De gemeenten betalen gemiddeld een loonkostensubsidie van 50% van het wettelijk minimumloon aan het Werkleerbedrijf; - De gemeenten betalen een begeleidingsvergoeding van 4.000 euro per jaar per baan van gemiddeld 25,5 uur (de Rijksoverheid gaat ervan uit dat een banenafspraakbaan of garantiebaan voor gemiddeld 25,5 uur per week is) aan het Werkleerbedrijf. In tabel 16 zijn de effecten van deze optie op de onderdelen van het basisscenario opgenomen: Tabel 16 Samenvatting met optie 2 (in euro 1.000)
2022
2023
2024
2025
2026
Subsidieresultaat Wsw
-546
-147
275
806
1 331
Subsidieresultaat NBW en LKS
-669
-789
-857
-923
-1 035
Bedrijfsresultaat Werkleerbedrijf
-1 223
-986
-793
-452
-475
Financieel resultaat re-integratie
-
-
-
-
-
Totaal financieel resultaat
-2.438
-1.923
-1.375
-569
-180
Per arbeidsjaar Wsw (in euro 1)
-2.879
-2.410
-1.819
-809
-275
De tabel geeft het volgende beeld: -
-
Het subsidieresultaat Wsw wijzigt niet t.o.v. het basisscenario. Het subsidieresultaat Nieuw Beschut Werk en LKS wordt ten opzichte van het basisscenario negatiever. Het effect is bijna 70.000 euro in 2022 en 345.000 euro in 2026. Daar staat tegenover dat het bedrijfsresultaat van het Werkleerbedrijf verbetert ten opzichte van het basisscenario. Het voordelige effect is circa 130.000 euro in 2022 en 650.000 euro in 2026. Per saldo leidt dit tot een verbetering van het financieel resultaat van het Werkleerbedrijf. Het effect is ruim 60.000 euro in 2022 en ruim 300.000 in 2026. Randvoorwaarde hiervoor is wel dat de werkgevers gemiddeld genomen de detacheringsvergoeding betalen waarmee is gerekend (gemiddeld tarief Wsw + 20% risico-opslag). Het belangrijkste effect is echter dat er meer kandidaten uit de Participatiewet duurzaam aan het werk kunnen komen. Zie hiervoor bijlage 3 voor micro-businesscases voor Nieuw Beschut Werk, LKS detachering en LKS met werk in de vakbedrijven.
Bijlagenbundel Businesscase 22 november 2021
32
3.14 Uitwerking optie 3 Voor sommige kandidaten is een vrij lang traject nodig bij Pastiel. Aan het eind van het traject wordt iemand geplaatst bij een werkgever. Voor sommige kandidaten blijkt dit dan nog steeds een brug te ver. Als de kandidaat wel gemotiveerd is en ook nog stapjes maakt in zijn/haar ontwikkeling, kan een tussenstap zijn dat hij/zij een tijdelijke baan krijgt bij het Werkleerbedrijf en gaat werken in één van de vakbedrijven. Het doel is om zo snel mogelijk de stap te maken naar een baan bij een werkgever, al dan niet tijdelijk via de detacheringsfaciliteit (zie optie 2). Optie 3 gaat uit van 5 fte in 2022 en 25 fte in 2026. De verdere uitgangspunten zijn gelijk aan de uitgangspunten de optie 2, behalve voor de uitvoeringskosten en de netto toegevoegde waarde: - Voor de kosten voor ongesubsidieerd personeel en overige personeelskosten is gerekend met de gemiddelde kosten per gesubsidieerde fte in het basisscenario en vervolgens weer met de elasticiteit van 0,5. - In deze optie werken de mensen in één van de vakbedrijven. Voor de NTW is de gemiddelde NTW per gesubsidieerde fte in 2019 gehanteerd (2020 is geen representatief jaar vanwege Corona). In onderstaande tabel zijn de effecten van deze optie op de onderdelen van het basisscenario opgenomen: Tabel 17 Samenvatting met optie 3 (in euro 1.000)
2022
2023
2024
2025
2026
Subsidieresultaat Wsw
-546
-147
275
806
1 331
Subsidieresultaat NBW en LKS
-635
-720
-754
-785
-863
Bedrijfsresultaat Werkleerbedrijf
-1 309
-1 158
-1 051
-796
-905
Financieel resultaat re-integratie
-
-
-
-
-
Totaal financieel resultaat
-2.490
-2.025
-1.530
-775
-437
Per arbeidsjaar Wsw (in euro 1)
-2.940
-2.539
-2.023
-1.101
-667
De tabel geeft het volgende beeld: - Met deze optie wijzigt het subsidieresultaat Wsw niet t.o.v. het basisscenario. - Het subsidieresultaat nieuw beschut werken / LKS wordt negatiever: 35.000 euro in 2022 en 175.000 euro in 2026. - Het bedrijfsresultaat van het Werkleerbedrijf verbetert ook in optie 3 ten opzichte van het basisscenario: het effect is bijna 45.000 euro in 2022 en ruim 220.000 euro in 2026. - Het totaal financieel resultaat wijkt hierdoor niet veel af van het basisscenario. - Het belangrijkste effect is ook in optie 3 dat er meer mensen uit de categorie Perspectiefrijk met een arbeidsbeperking aan het werk zijn. 3.15 Uitwerking optie 4 Optie 4 gaat uit van een verhoogd niveau van de re-integratieactiviteiten die de gemeenten via het Werkleerbedrijf uitvoeren. Op de uitvoering van re-integratie wordt vaak geen marge of winst gemaakt. Een verhoogd niveau van activiteiten heeft echter wel als effect dat een groter deel van de kosten en de overhead van het Werkleerbedrijf kunnen worden gedekt door de opbrengsten uit reintegratieactiviteiten. Hierdoor wordt de overcapaciteit die ontstaat door de krimp van de Wsw deels opgevangen. Dit kan natuurlijk niet onbeperkt; daarom wordt in deze optie uitgegaan een toename van het niveau van re-integratie van 750.000 euro t.o.v. van het evenredig en boven-evenredig deel. Dit om te laten zien wat de potentiële effecten zijn.
Er is in deze optie aangenomen dat van de extra personele inzet inclusief overhead die nodig is om het verhoogde niveau van re-integratie uit te voeren, de helft kan worden ingezet vanuit de overcapaciteit die ontstaat door de krimp van de Wsw. Bij de overige kosten is daarvoor een percentage van 70% aangenomen omdat de overige kosten voor een groot deel op korte termijn vast zijn en onafhankelijk van een uitbreiding van het activiteitenniveau.
Bijlagenbundel Businesscase 22 november 2021
33
In onderstaande tabel zijn de effecten van deze optie op de onderdelen van het basisscenario opgenomen: Tabel 18 Samenvatting met optie 4 (in euro 1.000)
2022
2023
2024
2025
2026
Subsidieresultaat Wsw
-546
-147
275
806
1 331
Subsidieresultaat NBW en LKS
-600
-651
-650
-647
-690
Bedrijfsresultaat Werkleerbedrijf
-946
-840
-778
-566
-720
Financieel resultaat re-integratie
-
-
-
-
-
Totaal financieel resultaat
-2.092
-1.638
-1.152
-407
-79
Per arbeidsjaar Wsw (in euro 1)
-2.471
-2.054
-1.524
-579
-121
De tabel geeft het volgende beeld: - Deze optie heeft invloed op uitsluitend het bedrijfsresultaat van het Werkleerbedrijf omdat een groter deel van de kosten gedekt worden door het onderdeel re-integratie. Het bedrijfsresultaat is elk jaar zo’n 400.000 euro gunstiger dan in het basisscenario. 3.16 Uitwerking businesscases vier aanvullende opties. Voor de vier aanvullende opties zijn separate micro-businesscases opgesteld. Deze zijn als bijlage 4 bij de businesscase gevoegd.
Bijlagenbundel Businesscase 22 november 2021
34
4
Businesscases Nieuw Beschut werk, banenafspraakbaan detachering en vakbedrijven
In deze bijlage zijn de micro-businesscases nieuw beschut werk en banenafspraakbanen met loonkostensubsidie bij het Werkleerbedrijf opgenomen. 4.1
Inleiding
Deze bijlage bevat drie micro businesscases: 1) Nieuw beschut werk. 2) Tijdelijke banenafspraakbaan bij WLB en detacheren bij werkgever. 3) Tijdelijke banenafspraakbaan bij WLB en werken de vakbedrijven van het Werkleerbedrijf. Deze gegevens zijn onderliggend gebruikt voor de doorrekeningen van de aanvullende opties 1, 2 en 3 4.2
Optie 1: Nieuw beschut werk
Tabel A geeft voor nieuw beschut werk de kosten en opbrengsten voor het Werkleerbedrijf en de kosten en dekking van de gemeente. Uitgegaan wordt van een FTE van 36 uur per week. Ook wordt ervan uitgegaan dat de medewerker die aan de slag gaat daaraan voorafgaand een bijstandsuitkering heeft. Er kan worden vastgesteld dat voor het Werkleerbedrijf de businesscase nieuw beschut werk nadelig is. Voor het Werkleerbedrijf is de businesscase ruim 7.000 euro negatief. De gemeente heeft een beperkt positief dekkingssaldo. Dat de businesscase voor het Werkleerbedrijf negatief is, geldt niet alleen voor Fryslân-West. De sector en brancheorganisaties zijn van mening dat de financiële voorwaarden vanuit het Rijk voor nieuw beschut werk onvoldoende zijn om het kostendekkend te kunnen organiseren. Na de tabel zijn de verschillende opbrengsten- en kostenposten toegelicht. Tabel A Nieuw beschut werk
fte 36 uur Integrale kosten Werkleerbedrijf 1 Bruto loonkosten 2 Werkgeverslasten 3 Reservering transitievergoeding (bij beëindiging) 4 Begeleidingskosten 4a - Personeel 4b - Overige kosten 5 Kosten Werkleerbedrijf Opbrengsten Werkleerbedrijf 6 Loonkostensubsidie 7 Laag inkomensvoordeel 8 Begeleidingsvergoeding gemeente 9 Loonkostenvoordeel wanneer persoon uit specifieke groep 10 Netto toegevoegde waarde medewerker 11 Opbrengsten Werkleerbedrijf
24.249 6.062 612 8.600 7.400 46.924
17.370 960 9.058 12.280 39.668
12 Saldo Werkleerbedrijf op basis van integrale kosten
-7.256
Kosten gemeente 13 Loonkostensubsidie 14 Begeleidingsvergoeding 15 Kosten gemeente
17.370 9.058 26.428
Dekking gemeente 16 Bespaarde uitkering 17 Dekking begeleidingskosten vanuit Participatiebudget 18 Besparing uitvoeringskosten Werk en Inkomen 19 Besparing op overige domeinen gemeente 20 Dekking gemeente
14.700 9.058 3.000 1.500 28.258
21 Dekkingssaldo gemeente (wanneer persoon uit uitkering)
1.830
Bijlagenbundel Businesscase 22 november 2021
35
4.3
Toelichting per regel bij tabel A:
1) Bij de loonkosten is uitgegaan van 110% van het wettelijk minimumloon en 8% vakantiegeld. 2) De werkgeverslasten zijn berekend op basis van ervaringscijfers voor de Wsw. De gemiddelde werkgeverslasten zijn ongeveer 25% van de bruto loonkosten. 3) De kans bestaat dat dienstverbanden op enig moment moeten worden beëindigd. In een aantal gevallen moet een transitievergoeding aan de medewerker worden betaald. Er wordt van uitgegaan dat hiervoor maandelijks een reservering wordt gemaakt. De transitievergoeding bedraagt 1/3 maandsalaris inclusief 8% vakantiegeld voor elk jaar dat het dienstverband heeft geduurd. De reservering per jaar is dus 1/3 bruto maandsalaris. 4) In regel zijn de gemiddelde begeleidingskosten voor 1 fte in het Werkleerbedrijf opgenomen. Ze bestaan uit kosten voor het ongesubsidieerde personeel (4a) en de overige bedrijfskosten (4b) voor de infrastructuur. Uitgegaan is van het gemiddelde niveau van deze kosten per fte gesubsidieerd in het basisscenario voor het Werkleerbedrijf. In de doorrekening van de aanvullende optie 1 is gerekend met de helft van deze kosten omdat de afbouw van bestaande kosten niet gelijk op kan gaan met de afname van het aantal Wsw-ers waardoor er ‘overcapaciteit’ bestaat in de organisatie. 5) Hier zijn de gemiddelde integrale kosten voor 1 fte nieuw beschut werk bij het Werkleerbedrijf opgenomen.
6) De gemeenten betalen een loonkostensubsidie aan het Werkleerbedrijf voor elke nieuw beschut medewerker. De gemiddelde loonkostensubsidie bedraagt momenteel 58% van het minimumloon inclusief 23,5% werkgeverslasten. Daarmee is hier ook gerekend. 7) Voor medewerkers met een loon tot 125% van het wettelijk minimumloon krijgt de werkgever achteraf een korting op de loonheffing van maximaal 960 euro per jaar. Dit heet het laag inkomensvoordeel (LIV). 8) De gemeenten vergoeden momenteel de begeleidingskosten met een bedrag van 7.800 euro voor een baan van gemiddeld 31 uur. Voor 36 uur houdt dat een vergoeding van 9.058 euro in. Gemeenten krijgen hiervoor budget in het deelbudget begeleiding nieuwe doelgroep in de integratieuitkering Participatie. 9) Het loonkostenvoordeel (waarvoor werkgevers in aanmerking komen wanneer ze bijvoorbeeld een medewerker met een arbeidsbeperking aannemen) is niet van toepassing voor de Wsw en nieuw beschut werk. 10) Door de inzet van de nieuw beschut medewerkers wordt door het Werkleerbedrijf netto toegevoegde waarde (NTW) gerealiseerd. Gerekend is met een NTW die ongeveer 3.500 euro per jaar lager is dan gemiddeld voor de Wsw-medewerkers. Dit is gebaseerd op een inschatting van de verdeling van de huidige nieuw beschut medewerkers over de vakbedrijven.
Het is een inschatting omdat Empatec de precieze verdeling niet kon verstrekken, alleen een verdeling inclusief medewerkers uit andere doelgroepen. 11) Dit geeft de gemiddelde opbrengsten voor het Werkleerbedrijf van 1 fte nieuw beschut medewerker. 12) Dit geeft het gemiddelde saldo van kosten en opbrengsten voor het Werkleerbedrijf per fte nieuw beschut. 13) De loonkostensubsidie die de gemeente aan het Werkleerbedrijf betaalt. Dit is voor het Werkleerbedrijf een opbrengst, maar voor de gemeente zijn het kosten. 14) De begeleidingsvergoeding die de gemeente aan het Werkleerbedrijf betaalt. Ook hiervoor geldt dat het een opbrengst is voor het Werkleerbedrijf, maar voor de gemeente zijn het kosten. Gemeenten krijgen hiervoor budget in het deelbudget begeleiding nieuwe doelgroep in de integratie-uitkering Participatie. 15) Dit geeft de totale kosten voor de gemeente van 1 fte nieuw beschut werk. 16) Dit is de bespaarde uitkering wanneer de medewerker voorafgaand aan nieuw beschut werk een bijstandsuitkering had. Het bedrag van 14.700 euro is gebaseerd op de kosten van een gemiddelde uitkering volgens het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (toelichting macrobudget 2021). 17) De gemeente ontvangt voor de begeleidingskosten nieuw beschut werk middelen in het deelbudget begeleiding nieuwe doelgroep in de integratie-uitkering Participatie.
18) Besparing op de uitvoeringskosten Werk en Inkomen. De 3.000 euro is gebaseerd op Capel (2020). 19) Dit bedrag weerspiegelt de besparingen voor de gemeente op andere domeinen. Dit is gebaseerd op een onderzoek van het CPB en het SCP naar de bredere baten van werk (maart 2020). Het CPB
Bijlagenbundel Businesscase 22 november 2021
36
en SCP hebben berekend dat het krijgen van werk door een persoon met een arbeidsbeperking leidt tot een besparing van 5.000 euro per jaar op andere domeinen. Het CPB en SCP geven aan dat dit een ondergrens is. Meer dan de helft van deze baten slaat neer bij de Rijksoverheid of zorgverzekeraars. Er is hier een behoedzame aanname gepleegd door er van uit te gaan dat 30% van de baten neerslaat bij de gemeente (bijvoorbeeld WMO en overige gunstige maatschappelijke effecten). Dus 30% van 5.000 euro = 1.500 euro. 20) Geeft de totale dekking voor 1 fte nieuw beschut werk voor de gemeenten in het geval dat het om een bijstandsgerechtigde gaat. 21) Geeft het saldo van dekking en kosten van 1 fte nieuw beschut werk voor de gemeente weer. Overigens is het zo dat met de wijziging in de financiering van loonkostensubsidies er extra dekking mogelijk is voor gemeenten. De wijziging moet er toe leiden dat gemeenten vaker loonkostensubsidie gaan inzetten voor nuggers en mensen met een relatief lage loonwaarde. Hiervoor wordt het macrobudget voor loonkostensubsidies vanaf 2022 op basis van realisaties verdeeld over gemeenten. De verdeling over gemeenten van het macrobudget voor loonkostensubsidies vindt plaats op basis van de laatst bekende realisaties. Daarmee is niet gezegd dat het macrobudget wordt aangepast op de realisatie in het voorgaande jaar. Dat is nog maar de vraag.
SZW, VNG en gemeenten hebben daarover afgesproken om de toereikendheid van het LKS-budget voor alle gemeenten samen goed te monitoren. Hier bestaat dus een risico. Wanneer de omvang van het macrobudget wel wordt aangepast aan de realisaties, dan hebben gemeenten voor LKS niet alleen dekking vanuit een bespaarde uitkering maar ook vanuit een hoger budget voor LKS. Is dat niet het geval, dan zal de gemeente voor een deel van de loonkostensubsidies andere dekking moeten organiseren. Het bovenstaande is ook van toepassing op de optie 2 en 3. 4.4
Optie 2: tijdelijke banenafspraakbaan bij het Werkleerbedrijf en detacheren bij een werkgever
Tabel B geeft de kosten en opbrengsten voor het Werkleerbedrijf en de kosten en dekking voor de gemeente van een tijdelijke banenafspraakbaan (ook wel garantiebaan genoemd) bij het Werkleerbedrijf waarbij de medewerker wordt gedetacheerd bij een werkgever. Uitgegaan wordt van een FTE van 36 uur per week. Ook wordt ervan uitgegaan dat de medewerker die aan de slag gaat daaraan voorafgaand een bijstandsuitkering heeft. Er kan worden vastgesteld dat voor het Werkleerbedrijf de businesscase van zo’n tijdelijke baan licht voordelig is, mits gemiddeld het juiste detacheringstarief bij werkgevers in rekening wordt gebracht. Voor de gemeente is sprake van een dekkingsoverschot.
Bijlagenbundel Businesscase 22 november 2021
37
Na de tabel zijn de verschillende opbrengsten- en kostenposten toegelicht. Tabel B Banenafspraakbaan bij WLB tijdelijk -> detachering bij werkgever gericht op dienstverband bij zelfde of andere werkgever fte 36 uur Integrale kosten Werkleerbedrijf 1 Bruto loonkosten 2 Werkgeverslasten 3 Reservering transitievergoeding (bij beëindiging) 4 Begeleidingskosten 4a - Ongesubsidieerd personeel 4b - Overige kosten 5 Kosten Opbrengsten Werkleerbedrijf 6 Loonkostensubsidie 7 Laag inkomensvoordeel 8 Begeleidingsvergoeding gemeente 9 Loonkostenvoordeel wanneer persoon uit specifieke groep 10 Gerealiseerde detacheringsvergoeding 11 Opbrengsten 12 Saldo Werkleerbedrijf op basis van integrale kosten
4.5
22.045 5.511 612 6.700 3.700 38.569
13.613 5.647 2.000 18.240 39.500 931
Kosten gemeente 13 Loonkostensubsidie 14 Begeleidingsvergoeding 15 Kosten gemeente
13.613 5.647 19.260
Dekking gemeente 16 Bespaarde uitkering 17 Dekking begeleidingskosten vanuit Participatiebudget 18 Besparing uitvoeringskosten Werk en Inkomen 19 Besparing op overige domeinen gemeente 20 Dekking gemeente
14.700 5.647 3.000 1.500 24.847
21 Dekkingssaldo gemeente (wanneer persoon uit uitkering)
5.587
Toelichting per regel bij tabel B:
Voor de meeste posten is de toelichting gelijk aan de toelichting bij nieuw beschut werk. Hier wordt alleen ingegaan op posten waarvoor de toelichting afwijkend is t.o.v. nieuw beschut werk. 1) 4)
6) 7)
Voor de tijdelijke banenafspraakbaan is uitgegaan van het wettelijk minimumloon. Het doel is om door te stromen naar een dienstverband bij de inlener of een andere werkgever. Bij de begeleidingskosten is uitgegaan van de landelijk gemiddelde kosten voor een Wsw-SE. Dit is lager dan de gemiddelde kosten per gesubsidieerde fte in het basisscenario voor het Werkleerbedrijf. De begeleidingskosten voor detacheringen zijn doorgaans veel lager dan de begeleidingskosten voor beschut werk in Sociaal Werkbedrijven. In de doorrekening van de aanvullende optie 2 is gerekend met de helft van de weergegeven kosten omdat de afbouw van bestaande kosten niet gelijk op kan gaan met de afname van het aantal Wsw-ers waardoor er ‘overcapaciteit’ bestaat in de organisatie. Hierdoor kunnen de tijdelijke banenafspraakbanen tegen marginale/incrementele kosten worden gerealiseerd. Bij de loonkostensubsidie is uitgegaan van gemiddeld 50% van het wettelijk minimumloon inclusief 23,5% werkgeverslasten. Het laag inkomensvoordeel is niet van toepassing omdat aanspraak kan worden gemaakt op het loonkostenvoordeel voor een medewerker met een arbeidsbeperking (post 9).
Bijlagenbundel Businesscase 22 november 2021
38
8)
9)
10)
De vergoeding van de gemeente is gebaseerd op de bedragen waarmee het Rijk rekent. Het Rijk gaat uit van 4.000 euro begeleidingskosten voor een banenafspraakbaan van gemiddeld 25,5 uur. Voor 1 fte van 36 uur is dat dan 5.647 euro. Gemeenten ontvangen hiervoor budget in het deelbudget begeleiding nieuwe doelgroep in de integratie-uitkering Participatie (zie ook regel 17). Het loonkostenvoordeel voor een werkgever is maximaal 2.000 euro per jaar voor een medewerker met een arbeidsbeperking die wordt aangenomen. De maximale termijn van het loonkostenvoordeel is 3 jaar. Bij de detacheringsvergoeding die aan de werkgever gemiddeld moet worden gevraagd is uitgegaan van de gemiddelde detacheringsvergoeding van een Wsw-fte bij Empatec in 2019. Daar is een (risico) opslag van 20% boven op gezet.
Een risico is dat de detachering van een medewerker door een werkgever wordt beëindigd en het Werkleerbedrijf niet in staat is om een nieuwe detacheringsplek voor deze medewerker te vinden. Dan lopen de loonkosten door. Dit risico is te beperken door langlopende detacheringsovereenkomsten aan te gaan met werkgevers. 4.6
Optie 3: tijdelijke banenafspraakbaan bij het Werkleerbedrijf en werken in één van de vakbedrijven
Tabel C geeft de kosten en opbrengsten voor het Werkleerbedrijf en de kosten en dekking voor de gemeente van een tijdelijke banenafspraakbaan bij het Werkleerbedrijf waarbij de medewerker werkt in één van de vakbedrijven van het Werkleerbedrijf. De tijdelijke baan is uitdrukkelijk gericht op doorstroom naar een baan bij een werkgever. Uitgegaan wordt van een FTE van 36 uur per week. Ook wordt ervan uitgegaan dat de medewerker die aan de slag gaat daaraan voorafgaand een bijstandsuitkering heeft. Er kan worden vastgesteld dat voor het Werkleerbedrijf de businesscase van een dergelijke tijdelijke banenafspraakbaan (wanneer wordt gekeken naar integrale kosten) nadelig is. Voor de gemeente is sprake van een dekkingsoverschot. Na de tabel zijn de verschillende opbrengsten- en kostenposten toegelicht.
Bijlagenbundel Businesscase 22 november 2021
39
Tabel C Banenafspraakbaan bij WLB tijdelijk -> werken bij een vakbedrijf gericht op doorstroom naar een werkgever fte 36 uur Integrale kosten Werkleerbedrijf 1 Bruto loonkosten 2 Werkgeverslasten 3 Reservering transitievergoeding (bij beëindiging) 4 Begeleidingskosten 4a - Ongesubsidieerd personeel 4b - Overige kosten 5 Kosten Werkleerbedrijf Opbrengsten Werkleerbedrijf 6 Loonkostensubsidie 7 Laag inkomensvoordeel 8 Begeleidingsvergoeding gemeente 9 Loonkostenvoordeel wanneer persoon uit specifieke groep 10 Gerealiseerde netto toegevoegde waarde 11 Opbrengsten Werkleerbedrijf
4.7
22.045 5.511 612 8.600 7.400 44.169
13.613 5.647 2.000 16.900 38.160
12 Saldo Werkleerbedrijf per jaar op basis van integrale kosten
-6.009
Kosten gemeente 13 Loonkostensubsidie 14 Begeleidingsvergoeding 15 Kosten gemeente
13.613 5.647 19.260
Dekking gemeente 16 Bespaarde uitkering 17 Dekking begeleidingskosten vanuit Participatiebudget 18 Besparing uitvoeringskosten Werk en Inkomen 19 Besparing op overige domeinen gemeente 20 Dekking gemeente
14.700 5.647 3.000 1.500 24.847
21 Dekkingssaldo gemeente (wanneer persoon uit uitkering)
5.587
Toelichting per regel bij tabel C.
Voor de meeste posten is de toelichting gelijk aan de toelichting bij LKS en detacheren via de detacheringsfaciliteit (LKS detachering). Hier wordt alleen ingegaan op posten waarvoor de toelichting afwijkend is t.o.v. LKS detachering: 4) Dit geeft de gemiddelde begeleidingskosten voor 1 fte in het Werkleerbedrijf weer, bestaande uit kosten voor het ongesubsidieerde personeel (4a) en de overige bedrijfskosten (4b) voor de infrastructuur. Uitgegaan is van het gemiddelde niveau van deze kosten per fte gesubsidieerd in het basisscenario voor het Werkleerbedrijf. In de doorrekening van optie 3 is gerekend met de helft van deze kosten omdat de afbouw van bestaande kosten niet gelijk op kan gaan met de afname van het aantal Wsw-ers waardoor er ‘overcapaciteit’ bestaat in de organisatie. Hierdoor kunnen de tijdelijke banenafspraakbanen tegen marginale/incrementele kosten worden gerealiseerd. 10) De NTW is gebaseerd op de gemiddelde NTW per gesubsidieerde fte in de vakbedrijven (zonder detachering en coaching) van Empatec in 2019.
Bijlagenbundel Businesscase 22 november 2021
40
4.8
Langere termijn gevolgen voor gemeenten van de tijdelijke banenafspraakbanen
In het voorafgaande is gekeken naar de directe gevolgen voor het Werkleerbedrijf en de gemeente wanneer een kandidaat bij het Werkleerbedrijf voor maximaal 2 jaar in dienst wordt genomen in een tijdelijke banenafspraakbaan. Er is daarbij uitsluitend gekeken naar de periode van maximaal 2 jaar. Maar er treden voor de gemeente ook gevolgen op na de tijdelijke baan van maximaal 2 jaar: 1) Voor de medewerkers die na die twee jaar aan het werk blijven bij een werkgever blijven de besparingen voor de gemeente op het gebied van uitvoeringskosten Werk en Inkomen van toepassing. Dat geldt ook positieve effecten op de overige leefgebieden in het sociaal domein. 2) Voor zover de tijdelijke banen bij het Werkleerbedrijf ervoor zorgen dat mensen vaker aan het werk komen en blijven kan ook het effect op de bijstandsuitkeringen op langere termijn als besparing worden meegerekend. 3) Medewerkers die na die twee jaar onverhoopt werkloos worden, kunnen voor een korte periode (één kwartaal) aanspraak maken op WW en komen dus niet direct ten laste van de bijstand. Om deze effecten te berekenen moeten aannames worden gedaan over: - het aandeel medewerkers dat na 2 jaar aan het werk blijft bij een werkgever. - het aandeel van deze medewerkers dat zonder de tijdelijke banenafspraakbaan op dat moment ook betaald werk zouden hebben.
- hoe lang de medewerkers gemiddeld betaald werk blijven houden na afloop van de tijdelijke banenafspraakbaan. Het doen van aannames over deze zaken is lastig omdat goed onderbouwde ervaringscijfers ontbreken. Wat wel kan worden gesteld is dat het aandeel van de medewerkers met een arbeidsbeperking dat zonder de tijdelijke banenafspraakbaan aan het werk zou zijn gekomen laag zou zijn. Voor mensen in de bijstand met een grote afstand tot de arbeidsmarkt is de kans op het vinden van werk klein. Het zal hooguit 10% per jaar zijn. Dus aan het eind van een periode van 2 jaar zouden dan hooguit 2 van elke 10 van deze mensen zonder de inzet van een tijdelijke banenafspraakbaan betaald werk hebben gevonden. 4.9
Financieel effect banenafspraakbanen
Ook al is het effect van de tijdelijke banenafspraakbanen op de baankans beperkt, toch zijn er al belangrijke financiële effecten voor de gemeente. Stel dat er door de inzet van de tijdelijke banenafspraakbanen na 2 jaar van elke 10 mensen er 4 mensen aan het werk blijven bij een werkgever. Dat zijn er twee mensen meer aan het werk dan zonder inzet van de tijdelijke banenafspraakbanen: -
Na 2 jaar zijn na de inzet van de tijdelijke banenafspraakbanen 4 van elke 10 betrokken personen betaald aan het werk; Zonder inzet van de banenafspraakbanen zouden dat 2 van elke 10 personen zijn; Het verschil is 2 mensen meer aan het werk. Dit is het zogenaamde netto effect van de inzet van de tijdelijke banenafspraakbanen.
Bijlagenbundel Businesscase 22 november 2021
41
En stel nu dat deze 2 extra mensen vanaf dat moment gemiddeld 3 jaar betaald werk blijven houden. Dan zijn de netto financiële effecten voor de gemeente als volgt te berekenen: Berekening per groep van 10 medewerkers die een tijdelijke banenafspraakbaan hebben gehad bij het Werkleerbedrijf Na 2 jaar netto 2 extra mensen van de groep van 10 aan het werk voor gemiddeld een duur van 3 jaar -
Besparing op uitvoeringskosten Werk en Inkomen Besparing gemeente op andere domeinen Besparing op bijstandsuitkeringen Besparing op bijstandsuitkering door één kwartaal WW voor mensen die na 2 jaar geen werk hebben
Berekening 2 personen * 3 jaar * 3.000 euro
Besparing 18.000 euro
2 personen * 3 jaar * 1.500
9.000 euro
2 personen * 3 jaar * 14.700
88.200 euro
6 personen * 0,25 jaar * 14.700
22.050 euro
137.250 euro Hieruit volgt dus een totale besparing van 137.250 euro op langere termijn. De besparing is ook nog aanzienlijk wanneer wordt uitgegaan van een kleiner netto-effect van de tijdelijke banenafspraakbanen. Wordt uitgegaan van een netto-effect van 1 persoon extra die betaald werk heeft aan het einde van de periode van 2 jaar en dat deze persoon 2 jaar aan het werk blijft, dan is de besparing nog altijd ruim 64.000 euro.
Bijlagenbundel Businesscase 22 november 2021
42
5
Voor- en nadelen governance opties
5.1.1
Voor- en nadelen van de opties voor de gemeenten/GR
In onderstaand overzicht zijn de voor- en nadelen van de opties opgenomen zoals die in de werkgroep governance zijn geïdentificeerd. Optie 1. Aanpassen statuten N.V. en B.V.’s 2. N.V. opheffen en Werkleerbedrijf onder de GR brengen
Voordelen gemeenten/GR § Toezicht op N.V. en B.V.’s voldoet aan voorwaarden inbesteding § Relatief snel te realiseren § Toezicht op N.V. en B.V.’s voldoet aan voorwaarden inbesteding § Minder bestuurlijke drukte § Meeste democratische legitimiteit
3. GR opheffen en overname aandelen N.V. door de gemeenten, aanpassing statuten N.V. en B.V.’s5
§
4. Wanneer statutenwijziging in optie 1 en 3 alleen niet voldoende is: Empaselect B.V. en Empathiek B.V. direct onder de GR/gemeenten brengen.
§
5.1.2
§ §
Toezicht op N.V. en B.V.’s voldoet aan voorwaarden inbesteding Minder bestuurlijke drukte Meer invloed politiek
Toezicht op N.V. en B.V.’s voldoet aan voorwaarden inbesteding
Nadelen gemeenten/GR § Mogelijk B.V.’s nog te ver verwijderd van toezicht gemeenten/GR (dan optie 4) § Een bedrijfsmatige activiteit in de GR § Mogelijk verdergaande juridische/fiscale gevolgen (tenzij overgang van onderneming) § Minder snel te realiseren § N.V. staat niet, zoals een GR, onder democratische controle, en juist de GR wordt er in deze optie tussenuit gehaald. § Wsw-ers komen formeel in dienst van de gemeenten. § Minder snel te realiseren. § Aandachtspunt is stemverhouding tussen gemeenten. § Meer bestuurlijke drukte § 3 RvC’s (mogelijk wel met zelfde leden) § Check: RvC bij B.V.’s een kan bepaling? Ja, in BW wel.
Voor- en nadelen van de opties voor de N.V. en B.V.’s
Optie 1. Aanpassen statuten N.V. en B.V.’s
Voordelen N.V./B.V.’s § Geen aanbesteding nodig § Relatief snel door te voeren
2. NV opheffen en Werkleerbedrijf onder de GR brengen
§ § §
Geen aanbesteding nodig Minder bestuurlijke drukte Het wordt minder complex
Nadelen N.V./B.V.’s § AvA moet goedkeuring verlenen aan meer besluiten van de directie § Stroperiger, er zijn meer samenwerkingsafspraken nodig § NV wordt opgeheven § Besluitvorming stroperiger § Mogelijk elke vier jaar (na verkiezingen) een nieuwe wind. § Mogelijk verdergaande juridische/fiscale gevolgen (tenzij overgang van onderneming) § Minder snel te realiseren
Een moge jkhe d s om de GR alleen laten bestaan voor Wsw-dienstverbanden en dienstverbanden ambtenaren.
5
Bijlagenbundel Businesscase 22 november 2021
43
Optie 3. GR opheffen en overname aandelen N.V. door de gemeenten, aanpassing statuten N.V. en B.V.’s
Voordelen N.V./B.V.’s § Geen aanbesteding nodig § Minder bestuurlijke drukte § Het wordt iets minder complex
Nadelen N.V./B.V.’s § Andere eigenaren § Samenwerkingsafspraken maken § Minder snel te realiseren
4. Wanneer statutenwijziging in optie 1 en 3 alleen niet voldoende is: Empaselect BV en Empathiek BV direct onder de GR/de gemeenten brengen
• Geen aanbesteding nodig
• Besluitvorming stroperiger • Mogelijk elke vier jaar (na verkiezingen) een nieuwe wind. • Meer bestuurlijke drukte. • Meer verantwoordingsdruk en financiële druk (drie jaarrekeningen en drie accountantscontroles)
Bijlagenbundel Businesscase 22 november 2021
44
6
Advies Rotshuizen Geense
Aan : Van : Datum : Betreft :
kernteam Gemeenschappelijke Regeling 25 november 2021 GR Fryslân-West/Empatec/200206
nleiding Met een notitie d.d. 16 juli 2021 ontvingen wij de vraagstelling inzake de Gemeenschappelijke Regeling Fryslân-West (hierna ook wel de GR) aan ons kantoor. Uitgaande van de door het kernteam benoemde opties voor de juridische structuur voor Empatec in verband met toezicht en governance, is gevraagd: 1. een toetsingskader op te stellen voor die opties; 2. is gevraagd naar de volledigheid van de opties en; 3. is gevraagd om de verschillende opties te toetsen aan het kader en te komen tot een advies; Naar aanleiding van een vraag over toezicht en inbesteding zijn er door het kernteam drie scenario’s uitgewerkt, waar een opinie over gevraagd is. In het hiernavolgende zullen de vragen worden uitgewerkt. Daarna volgt de conclusie en het advies. Aan de hand van de conclusie wordt toegelicht wat de gevolgen zijn voor de invloed van de gemeente(raden) op de GR, waarna de, ongeacht de keuze voor een optie, noodzakelijke wijzigingen in de statuten van de N.V., de B.V.’s, en in de GR worden toegelicht. De routekaart om te komen tot de statutenwijziging is opgenomen en afgesloten wordt met een kort overzicht van de gevolgen van de implementatie van ons advies. Ad 1. - Toetsingskader Het huidige Empatec wordt doorontwikkeld naar een toekomstbestendig Werkleerbedrijf.
Met de ervaringen uit het verleden bij Empatec, kunnen er duidelijke keuzes gemaakt worden voor de juridische structuur voor Werkleerbedrijf Fryslan-West. Allereerst dient met de nieuwe structuur dus voldaan te kunnen worden aan de relevante regelgeving. Dit betreft met name de Wet gemeenschappelijke regelingen (Wgr) inclusief de aanhangige wetswijziging, de governance, waaronder begrepen de aanbevelingen uit het rapport KokxDeVoogd en het aanbestedingsrecht. Deze drie categorieën van regelingen houden verband met elkaar en grijpen op elkaar in. Daarnaast moeten de door te voeren wijzigingen, zorgen voor een voldoende mate van flexibiliteit, een bedrijfseconomische slagvaardigheid en daarmee een afdoende mate van bestendigheid hebben voor de toekomst. Ook dat is onderdeel van het toetsingskader. Tot slot moet rekening gehouden worden met de gevolgen voor het personeel, de uitvoerbaarheid van de wijzigingen, de snelheid waarmee één en ander te realiseren is en tot slot ook de kosten. Daarbij kan onder meer gedacht worden aan de eenvoud van door te voeren maatregelen zelf, maar ook, en wellicht vooral, op de gevolgen die bepaalde opties hebben voor het personeel, de overdracht van activa, overeenkomsten en overige aanspraken en fiscaliteit.
Bij de keuze voor de optie en de uitvoering daarvan moet altijd voorop blijven staan dat het uiteindelijk niet gaat om de GR en haar organen of Empatec en haar organen, maar om de mensen die door Werkleerbedrijf Fryslan-West aan het werk geholpen worden.
Bijlagenbundel Businesscase 22 november 2021
45
Zoals gezegd grijpen de aspecten van de regelgeving op elkaar in en houden zij verband met elkaar. De wetswijziging voor de Wgr is ingegeven om een grotere legitimatie voor de gemeenschappelijke regeling te creëren. Gemeenteraden stonden en staan te veel op afstand en de democratische controle op gemeenschappelijke regelingen was te mager. Er was vanuit de gemeenteraad te weinig toezicht en sturingsmogelijkheden. Op dit moment (15 november 2021) is het wetsvoorstel goedgekeurd door de Tweede Kamer, maar bevindt het zich bij de Eerste kamer nog in de schriftelijke voorbereidingsfase. Een Eerste Kamercommissie kan vragen stellen aan de indieners van het wetsvoorstel, aan de hand van de beantwoording daarvan wordt een eindverslag opgesteld waarna het voorstel plenair zal worden besproken. Daarna vindt stemming plaats. De afdeling advisering van de Raad van State heeft flinke kritiek geuit op het voorstel, hetgeen reden kan zijn voor de Eerste Kamer om kritisch te zijn. Of het wetsvoorstel – zoals dat er nu ligt – zal worden aangenomen is dus nog onzeker. Een tekort aan toezicht en sturingsmogelijkheden geldt voor alle gemeenschappelijke regelingen, vandaar de wetswijziging, maar het gold en geldt ook voor de GR. Vanuit de deelnemende gemeenten is er onvoldoende toezicht en grip.
Daarmee zijn de raden niet, of althans onvoldoende, in staat om de kaders te stellen voor de wijze waarop het bedrijf het werk uitvoert voor de doelgroep en met het (gemeente)budget omgaat. De gemeenten nemen deel in de GR en de GR is “slechts” aandeelhouder van Empatec. De directie van Empatec wordt benoemd door de raad van commissarissen en nieuwe leden voor de raad van commissarissen worden benoemd op voordracht van de raad van commissarissen door de AVA. Schorsing en ontslag van een lid van de raad van commissarissen gaat door het opzeggen van het vertrouwen in de hele raad van commissarissen, waarbij het dienaangaande te nemen besluit 30 dagen voor het nemen ervan aan het bestuur en aan de OR moet worden meegedeeld. Een vennootschapsrechtelijke controlemogelijkheid voor de GR als aandeelhouder is er niet afdoende, kijkend naar hetgeen wenselijk is vanuit een goede governance. Vanuit de GR, de deelnemende gemeenten en de raden zijn er te weinig mogelijkheden om de (financiële) kaders te stellen voor de uitvoering van de taken en te weinig mogelijkheden om te sturen. Verderop in deze notitie zal worden aangegeven op welke wijze de voorgestelde wijzigingen de controle en sturingsmogelijkheden verbeteren. Daarnaast is er onvoldoende toezicht om te kunnen voldoen aan de regels omtrent quasi-inbesteden.
Om, zonder de noodzaak om een aanbestedingsprocedure te volgen, opdrachten rechtstreeks bij Empatec neer te kunnen leggen vanuit de deelnemende gemeenten, dient enerzijds Empatec 80% van haar werk uit te voeren in het kader van de opdracht van de gemeente, en anderzijds dienen de gemeenten toezicht op Empatec te kunnen houden als op haar eigen organisatie. Dat laatste ontbrak en ontbreekt in de huidige structuur. Het kernteam heeft een viertal opties uitgewerkt en vraagt daar een toets op. Allereerst zal de tweede vraag beantwoord worden, of er nog meerdere mogelijkheden zijn. Ad 2. - Zijn er nog andere opties? Met een bepaalde mate van creativiteit zijn er diverse andere opties te bedenken. Dit zijn dan over het algemeen varianten op de reeds bedachte opties. Zo zou ervoor gekozen kunnen worden om de dochtermaatschappijen van Empatec op te laten gaan in de Empatec en/of de GR om zo die dochters onder directere invloed van de GR te brengen. Op deze optie wordt hieronder nader ingegaan, waarbij die optie wordt geduid als 4c. Ook zou ervoor gekozen kunnen worden om het Werkleerbedrijf juist verder te privatiseren en meer risicodragend aan de markt te laten deelnemen. Deze optie is niet wenselijk gelet op de bewuste keuze die is gemaakt voor een publiek Werkleerbedrijf.
Uit de conclusie aan het slot van deze notitie volgt dat het niet nodig wordt geacht om nader onderzoek te doen naar andere opties, omdat er binnen de bestaande opties een goede keus te maken is.
Bijlagenbundel Businesscase 22 november 2021
46
Ad 3. - Toetsing van de opties Optie 1: aanpassen statuten N.V. en B.V.’s regelgeving Met het doorvoeren van de noodzakelijke aanpassingen van de statuten en daarnaast het aanpassen van de GR, zal optie 1 voldoen aan de eisen van de toepasselijke regelgeving. Voor een verdere toelichting van de door te voeren aanpassingen wordt verwezen naar hetgeen daarover verderop in deze notitie is opgenomen. Het is bij het wijzigen van de statuten van de N.V. noodzaak om niet alleen rekening te houden met de gewenste invloed vanuit de raden en de governance, maar ook om aandacht te schenken aan de bepalingen uit de aanbestedingswet omtrent quasi-inbesteden. Voorts dienen bij de B.V.’s dan de noodzakelijke wijzigingen door te voeren om te garanderen dat de gemeentes ook bij de B.V.’s afdoende toezicht hebben. Hoewel in de notitie wordt ingegaan op de noodzakelijke statutenwijzigingen, behoeft ook de GR zelf in dit verband aanpassing. Daarvoor verwijs ik naar hetgeen hierna over de wijzigingen in de GR wordt opgemerkt. flexibiliteit en toekomstbestendigheid De structuur met een gemeenschappelijke regeling en een N.V., met B.V.’s als dochtervennootschappen biedt, mits goed ingericht, voldoende flexibiliteit om in te spelen op wijzigingen in toekomstige regelgeving, zowel op het gebied van de gemeentelijke samenwerking in een GR, als op het gebied van aanbestedingsrecht.
uitvoerbaarheid Het wijzigen van de gemeenschappelijke regeling zelf, en van de statuten van de N.V. en de B.V.’s, is relatief eenvoudig. De gemeenschappelijke regeling wordt gewijzigd door eensluidende besluiten van de colleges van burgemeester en wethouders van tenminste tweederde van de gemeenten, welke colleges daar toestemming voor moeten hebben gekregen van hun gemeenteraad. Die besluitvorming vraagt dus afstemming. Voor de wijziging van de statuten is een besluit van de aandeelhoudersvergadering nodig, waar drie vierde van het geplaatst kapitaal aanwezig is. Omdat de GR de enige aandeelhouder is, wordt daar aan voldaan. Besluitvorming vindt normaliter plaats aan de hand van een conceptstatuten die de notaris al heeft opgesteld. Omdat de organisatiestructuur voor het overige in stand wordt gelaten zijn de gevolgen voor het overige beperkt. Er hoeven geen activa, overeenkomsten of andere aanspraken overgedragen te worden. Optie 2: Opheffen van de N.V. regelgeving Met het opheffen van de N.V. en het onderbrengen van het Werkleerbedrijf in de GR wordt voldaan aan de eisen vanuit de Aanbestedingswet. Wel moet de gemeenschappelijke regeling zelf nog gewijzigd worden om te voldoen aan de huidige en toekomstige wetgeving flexibiliteit en toekomstbestendigheid Het voordeel van werken met een N.V.
onder een GR, is dat de GR de hoofdlijnen van beleid vaststelt en zich niet bezig hoeft te houden met de dagelijkse gang van zaken. Een N.V. kan op een zakelijke wijze, binnen de gegeven kaders, deelnemen aan het maatschappelijke en economische verkeer en is daarmee wellicht in staat efficiënter te werken dan een Werkleerbedrijf dat in een gemeenschappelijke regeling wordt uitgevoerd. Dat voordeel vervalt met het opheffen van de N.V. Als de N.V. wordt opgeheven, wordt het Werkleerbedrijf in de GR ondergebracht. Het werken met een gemeenschappelijke regeling geeft de raden de nodige invloed op de kaders waarbinnen het werk voor de doelgroep moet worden uitgevoerd en controle op de besteding van publieke middelen enerzijds. Dit temeer na de wetswijziging. Dat geeft de flexibiliteit om op toekomstige wijzigingen door te voeren die gewenst of noodzakelijk zijn. uitvoerbaarheid
Bijlagenbundel Businesscase 22 november 2021
47
Als de N.V. wordt opgeheven, komt het Werkleerbedrijf in de GR. De B.V.’s komen dan direct onder de GR, of worden er ook in onder gebracht. Dat betekent dat binnen de GR er een organisatie ingericht moet worden voor de dagelijkse gang van zaken, zoals dat nu door de organisatie van de N.V. wordt uitgevoerd. Personeel dat nu in dienst is bij de NV zal over moeten gaan naar de GR. De bepalingen van Titel 2, Boek 2 BW over fusie en splitsing zijn niet van toepassing op een gemeenschappelijke regeling. Het is dus niet mogelijk om het opheffen van de N.V. en het laten overgaan van alle activa, rechten en verplichtingen door middel van een juridische fusie vorm te geven. Dat brengt mee dat de overdracht van alle activa, rechten en plichten steeds op de daartoe geëigende wijze zal moeten gebeuren. Aan de overdracht van overeenkomsten, zal de wederpartij bij die overeenkomst steeds mee moeten werken. Het is dan voorts zaak om de fiscale gevolgen nader te onderzoeken. Na voornoemde overdracht zal de vennootschap geliquideerd moeten worden. Dit kan een kostbaar proces zijn. Optie 3: opheffen GR regelgeving Met het opheffen van de GR kan door de thans in de GR deelnemende gemeenten uiteindelijk worden voldaan aan de eisen uit de diverse regelgeving. De Wgr is dan niet meer van toepassing en dat is mijns inziens een nadeel.
De Wgr geeft bij een intergemeentelijke samenwerking de nodige kaders voor toezicht, zeker gelet op de aanstaande wetswijziging. Die geeft de GR de nodige democratische legitimatie en invloed voor de raden. Als de GR wordt opgeheven, dan zullen al deze aspecten geregeld moeten worden in de statuten van de N.V. Als de N.V. zich niet aan de spelregels houdt die in de statuten staan, dan kan daar bij de civiele rechter tegen opgekomen worden. Er is dan geen plaats voor de bestuursrechter. Die laatste rechter ligt echter wel meer voor de hand als het gaat om de uitoefening van een publieke taak en de invloed daarop door de raden. Besluiten van organen van een GR zijn besluiten waartegen bezwaar en beroep open staat, in tegenstelling tot besluiten van organen van een N.V., zodat ook daarin een sterkere democratische legitimatie te vinden is. De statuten van de N.V. moeten, net als bij een keuze voor optie 1, aangepast worden, zoals hieronder nader beschreven. Teneinde te kunnen voldoen aan het toezichtcriterium zullen de gemeenten de bestuurder moeten kunnen benoemen, schorsen en ontslaan. Daarnaast zullen strategische en overige belangrijke beslissingen niet zonder goedkeuring van de Algemene vergadering van aandeelhouders, de gemeenten, genomen moeten kunnen worden.
flexibiliteit en toekomstbestendigheid Bij veranderende opvattingen over governance en toezicht, zullen statuten aangepast moeten worden. Als deze veranderende opvattingen tot een wijziging in de Wgr leidt, dan zal die wijziging immers niet automatisch doorwerken in de N.V., daar waar dat wel zou doorwerken in een gemeenschappelijke regeling. Denk bijvoorbeeld aan de in te voeren mogelijkheid van een adviescommissie voor de raden van deelnemende gemeenten. Die mogelijkheid komt er op basis van de wet, daarvoor hoeft een gemeenschappelijke regeling niet te worden aangepast. Verder moet de gemeenschappelijke regeling bepalingen hebben over de toetreding, wijziging, voorwaarden waaronder uittreding mogelijk is en de gevolgen van uittreding. Die duidelijkheid hoeven statuten van een N.V. niet te bevatten. Bij wijziging van het aantal deelnemende gemeenten en/of de verhoudingen van aantallen werknemers, is de herverdeling van stemrecht in een N.V. omslachtiger dan in een GR vanwege de noodzakelijke statutenwijziging. uitvoerbaarheid Hiervoor geldt mutatis mutandis hetzelfde als voor de optie waarbij de N.V. wordt opgeheven. Opheffen van de GR zal daarnaast ook leiden tot overgang van personeel.
Bijlagenbundel Businesscase 22 november 2021
48
Optie 4a (variant op optie 1) en 4b (variant op optie 3) - B.V.’s onder GR Allereerst verwijs ik naar hetgeen hiervoor voor de opties 1 en 3 naar voren is gebracht. In aanvulling daarop het volgende. Empatec N.V, is 100% aandeelhouder van Empaselect B.V. en van Empathiek B.V. Om te kunnen voldoen aan het toezichtcriterium, moet er wat dat betreft op het niveau van Empatec N.V. het nodige veranderen, maar als dat eenmaal gebeurd is, dan kan via Empatec N.V. als aandeelhouder en bestuurder volledig toezicht worden gehouden op de daar onder liggende dochtervennootschappen. Daarbij dienen de statuten van de B.V.’s nog gewijzigd te worden. En als de gemeenten via de GR op de N.V. toezicht hebben als op hun eigen organisatie dan hebben ze dat dan ook via de N.V. op de dochtervennootschappen. Het “naar boven brengen” van de dochtervennootschappen van Empatec N.V., in die zin dat zij dochters worden van de GR en een zuster van Empatec N.V., is juridisch niet noodzakelijk. Optie 4c - Opheffen B.V.’s Anderzijds is Empathiek B.V. opgericht voor de medewerkers die vallen onder de Participatiewet. Deze medewerkers zijn destijds in een aparte rechtspersoon ondergebracht omdat ze onder een andere pensioenregeling vielen dan de SW-ers. Deze medewerkers vallen nu sinds kort onder een eigen cao, de cao ‘aan de slag’.
Hiermee lijkt de oorspronkelijke noodzaak voor deze separate vennootschap niet langer te bestaan. Het is dan ook de moeite waard te onderzoeken of deze medewerkers, met behoud van eigen cao en pensioenregeling, onder de GR kunnen worden gebracht. In de GR zijn nu ook twee cao’s en twee pensioenregelingen van toepassing, de werkingssferen van de diverse cao’s lijken zich niet te verzetten tegen toepassing naast elkaar binnen de GR nu zij allen toegespitst zijn op een specifieke doelgroep. Empaselect B.V. is opgericht om de financiële stromen vanuit de merknamen Pastiel en Wurkjouwer te kunnen scheiden van de N.V. Met de juiste administratieve inrichting kan dit ook zonder een separate vennootschap. Een aandachtspunt is echter dat de medewerkers van Empaselect B.V. bij een ander pensioenfonds zijn ondergebracht. Er zou in overleg getreden kunnen worden met de betrokken pensioenfondsen om te onderzoeken of de medewerkers van Empaselect B.V. ondergebracht kunnen worden bij het pensioenfonds van de NV. Overigens zal ook de OR zich hierover uit moeten laten. Kortom, als het mogelijk is om de verschillende groepen werknemers met verschillende cao’s en pensioenregelingen, in één entiteit onder te brengen (dan wel de NV, dan wel de GR), dan zouden de twee besloten vennootschappen opgeheven kunnen worden.
Dat heeft financiële voordelen, er zijn bijvoorbeeld minder accountantskosten, de organisatiestructuur wordt overzichtelijker en alle onderdelen vallen in de NV en daarmee rechtstreeks onder de GR. Het toezicht is daarmee dichter bij de deelnemende gemeenten en de raden gebracht. Of opheffing van de besloten vennootschappen mogelijk is, is derhalve in ieder geval afhankelijk van de uitkomst van het overleg met de betrokken pensioenfondsen. Hoewel ons geen andere belemmeringen voor een opheffing van de besloten vennootschappen of een fusie tussen de B.V.’s en N.V. bekend zijn, merken wij op dat wel onderzocht zal moeten worden of zich op fiscaal gebied evenmin belemmeringen voordoen. Aanvulling op vraag 3 uit de notitie inzake inbesteden en toezicht. Het kernteam heeft in een aanvulling op haar derde vraag verzocht om aan te geven op welke wijze per optie voldaan kan worden aan de voorwaarden voor inbesteden. Daarbij moet voldaan worden aan het 80% criterium, het toezichtcriterium en in principe mag er geen private participatie zijn. Om aan het toezichtcriterium te voldoen, moeten de deelnemende gemeenten (gezamenlijk) in staat zijn om een bepalende rol in strategische doelstellingen en belangrijke beslissingen te krijgen. Dat is er bijna automatisch bij het opheffen van de N.V., omdat dan de GR de uitvoerende organisatie wordt.
Als de GR wordt opgeheven, dan is het nog steeds van belang dat de gemeenten een grotere rol krijgen dan zij thans via de GR hebben. Bij de drie varianten die genoemd zijn in de aanvulling op vraag wordt aangegeven dat de gemeente (middellijk) aandeelhouder, maar geen bestuurder is. Dat is ook niet vereist. Wel is vereist dat de gemeenten invloed hebben op de bestuurder en het te voeren beleid. Dat hebben de gemeenten als ze in staat zijn de bestuurder te benoemen, schorsen en ontslaan. Daarnaast is het niet vereist dat de
Bijlagenbundel Businesscase 22 november 2021
49
gemeenten ieder voor zich die invloed hebben om te kunnen voldoen aan het toezichtcriterium, maar is het afdoende dat ze dat gezamenlijk hebben. Conclusie en advies naar aanleiding van de opties Als ik de verschillende opties langs het toetsingskader leg, dan kunnen ze uiteindelijk allemaal voldoen aan de toepasselijke regelgeving. Echter kom ik tot de conclusie dat optie 1, met indien dit mogelijk is de variant zoals hiervoor verwoord, waarbij de twee dochtervennootschappen worden opgeheven, al dan niet door fusie, het meest passend en voor de hand liggend is. Ik licht dit toe. De Wgr, inclusief de daarin opgenomen wijzigingen en de versterking van de legitimatie van de gemeenschappelijke regeling en toezicht door de gemeenteraden, maakt het wel voor de hand liggend dat er gebruik van een gemeenschappelijke regeling wordt gemaakt. Deze wet biedt immers een duidelijk toetsingskader van invloed en controle. Daarmee valt optie 3 wat mij betreft af. Een voordeel van het gebruik van de GR is daarnaast ook nog een grotere mate van eenvoud voor wat betreft toe- en uittreding en aanpassing bij toe- en afname van een aantal SW-ers in een bepaalde gemeente. Als dat via aandeelverhoudingen moet worden geregeld, is dat omslachtiger en kostbaarder.
Het handhaven van de huidige structuur met een gemeenschappelijke regeling, is ook meer toekomstbestendig dan het opheffen van de gemeenschappelijke regeling. Wijzigingen in de regelgeving, toe- en uittreding en wijziging in aantallen SW-ers per gemeente kunnen makkelijker in een gemeenschappelijke regeling worden gewijzigd dan in een N.V. Zoals hiervoor aangegeven is er ook geen noodzaak of toegevoegde waarde om de N.V. op te heffen. Ook met de huidige structuur, met aanpassing van statuten en de gemeenschappelijke regeling, kan tot een situatie worden gekomen die voldoet aan de regelgeving en aan de wensen van de gemeenten ten aanzien van de governance. Het opheffen van de N.V. en het inbrengen van het werkleerbedrijf in de GR heeft consequenties voor de overdracht van activa, overeenkomsten en met name personeel en lijkt fiscale consequenties te hebben, met name op het gebied van btw. Ook optie 2 valt wat mij betreft derhalve af. Het kernteam heeft als nadeel bij optie 1 genoemd dat mogelijkerwijs de B.V.’s te ver af staan voor het toezichtcriterium. Zoals ik hiervoor al aangaf ben ik van mening dat dat probleem in juridische zin opgelost kan worden. Maar het kan wenselijk worden geacht om alle activiteiten directer onder de invloed van de deelnemende gemeentes en de raden te brengen.
Naar de wijze waarop deze B.V.’s opgeheven of gefuseerd kunnen worden en naar mogelijke arbeidsrechtelijke problemen die daarbij in verband met cao’s en pensioenen kunnen spelen zal dan nader onderzoek gedaan moeten worden. Het aanpassen van de statuten van Empatec N.V., de B.V.’s (indien de B.V.’s wel blijven bestaan), en de gemeenschappelijke regeling is tot slot ook relatief eenvoudig uit te voeren. Het vraagt enige gecoördineerde voorafgaande besluitvorming, maar het heeft voor het overige geen gevolgen voor overdracht van goederen of andere activa. Evenmin zijn er fiscale consequenties. Om te kunnen voldoen aan een goede governance en het toezichtcriterium is aanpassing van de statuten en de GR echter niet afdoende. Er moeten ook weer (jaar)afspraken met KPI’s overeen gekomen worden. Vanuit de WSW hebben de deelnemende gemeenten de uitvoering gedelegeerd aan de GR. De GR heeft de NV aangewezen als uitvoerder. Tussen de GR en de NV moeten een samenwerkingsovereenkomst en een jaarovereenkomst worden opgesteld. Over de uitvoering van de overeenkomsten moet worden gerapporteerd aan de GR. In de samenwerkingsovereenkomst moeten termijnen staan voor het sluiten van de jaarovereenkomst voor het daaropvolgende jaar. Vanuit de Participatiewet verstrekken de deelnemende gemeenten rechtstreeks opdracht aan de NV.