Bijlage 12 - PlanMER bestemmingsplan BGB-II
Tekst van het document
Definitief
Vogelrichtlijnsoorten (niet-broedvogels) A040 – Kleine rietgans
Definitief
20500 (max)
=
=
A041 – Kolgans
Definitief
6700 (max)
=
=
A045 – Brandgans
Definitief
39300 (max)
=
=
A050 – Smient
Definitief
2700 (gem)
=
=
C (< 2 %)
A061 – Kuifeend
Definitief
2400 (gem)
=
=
B1 (2-6 %)
A068 – Nonnetje
Definitief
50 (gem)
=
=
B2 (6-15 %)
A151 – Kemphaan
Definitief
2300 (max)
=
=
A160 – Wulp
Definitief
Behoud
=
=
*Prioritaire soort
Max = gemiddelde seizoensmaximum (gemiddelde van de maximale aantallen die in een periode van meerdere jaren zijn geteld, meestal in januari)
Gem = gemiddelde seizoensgemiddelde (per jaar wordt een gemiddelde berekend over de gehele verblijfsperiode, dát wordt vervolgens gemiddeld over meerdere jaren)
Natura 2000-gebied Witte en Zwarte Brekken Het zeer open gebied bestaat uit voor de veenwinning gegraven plassen en smalle en bredere wateren, zomerpolders, graslanden en moeraszones. De Witte en Zwarte Brekken en Oudhof vormen een waterhuishoudkundige eenheid met het Sneekermeer. Het gebied heeft zijn ontstaan
57/147
Kenmerk
R002-1272479LBE-V01-hme-NL
te danken aan de verveningen die in dit gebied reeds omstreeks de 8e eeuw zijn begonnen. Tabel 5.6 geeft de instandhoudingsdoelen voor dit Natura 2000-gebied weer. Tabel 5.6 Soorten met een instandhoudingsdoel in Natura 2000-gebied Witte en Zwarte Brekken Soort
Status
Populatie /
Omvang
Kwaliteit
Relatieve
doel
Broedparen
leefgebied
leefgebied
bijdrage
Vogelrichtlijnsoorten (niet-broedvogels)
A040 – Kleine rietgans
Definitief
7700 (max)
=
=
A041 – Kolgans
Definitief
9700 (max)
=
=
A045 – Brandgans
Definitief
6200 (max)
=
=
A050 – Smient
Definitief
1100 (gem)
=
=
C (< 2 %)
A051 – Krakeend
Definitief
70 (gem)
=
=
C (< 2 %)
A052 – Wintertaling
Definitief
340 (gem)
=
=
C (< 2 %)
A056 – Slobeend
Definitief
100 (gem)
=
=
C (< 2 %)
A151 – Kemphaan
Definitief
6300 (max)
=
=
A156 - Grutto
Definitief
940 (max)
=
=
Max = gemiddelde seizoensmaximum (gemiddelde van de maximale aantallen die in een periode van meerdere jaren zijn geteld, meestal in januari)
Gem = gemiddelde seizoensgemiddelde (per jaar wordt een gemiddelde berekend over de gehele verblijfsperiode, dát wordt vervolgens gemiddeld over meerdere jaren)
Natura 2000-gebied Sneekermeergebied Het Sneekermeergebied bestaat uit het Sneekermeer, Goëngarijpsterpoelen, Terkaplesterpoelen en Akmarijp. Deze gebieden zijn historisch en geomorfologisch te beschouwen als één gebied. Het landschap is er vrijwel open. Kenmerkend voor het centrale merengebied van Fryslân is de afwisseling tussen grote en kleinere wateroppervlakten, omgeven door kades en rietkragen en uitgestrekte graslandpolders. De waterdiepte varieert overwegend tussen de 1 en 2 meter. In het gebied komen diverse eilandpolders voor. Hoewel in de loop van deze eeuw vele duizenden hectares door bemaling en bekading tot winterpolder zijn omgevormd, komen in het gebied nog relatief veel boezemlanden en zomerpolders voor. Veel boezemlanden liggen hier nog hoog genoeg om 's zomers via slootjes en greppels vrij op de boezem te kunnen afwateren. Tabel 5.7 geeft de instandhoudingsdoelen voor dit Natura 2000-gebied weer. Tabel 5.7 Soorten met een instandhoudingsdoel in Natura 2000-gebied Sneekermeergebied Soort
Status
Populatie /
Omvang
Kwaliteit
Relatieve
doel
Broedparen
leefgebied
leefgebied
bijdrage
Vogelrichtlijnsoorten (broedvogel) A119 – Porseleinhoen
Definitief
2
=
=
C (< 2 %)
A122 – Kwartelkoning
Definitief
2
=
=
C (< 2 %)
A151 – Kemphaan
Definitief
20
>
>
B1 (2-6 %)
A295 – Rietzanger
Definitief
370
=
=
C (< 2 %)
580 (max)
=
=
Vogelrichtlijnsoorten (niet-broedvogels) A040 – Kleine rietgans
Definitief
58/147
Kenmerk
R002-1272479LBE-V01-hme-NL
Soort
Status
Populatie /
Omvang
Kwaliteit
Relatieve
doel
Broedparen
leefgebied
leefgebied
bijdrage
A041 – Kolgans
Definitief
1400 (gem)
=
=
C (< 2 %)
A041 – Kolgans
Definitief
91800 (max)
=
=
C (< 2 %)
A045 – Brandgans
Definitief
740 (gem)
=
=
C (< 2 %)
A045 – Brandgans
Definitief
60300 (max)
=
=
C (< 2 %)
A050 – Smient
Definitief
5900 (gem)
=
=
B1 (2-6 %)
A051 – Krakeend
Definitief
220 (gem)
=
=
B1 (2-6 %)
A052 – Wintertaling
Definitief
890 (gem)
=
=
B1 (2-6 %)
A053 – Wilde eend
Definitief
1500 (gem)
=
=
C (< 2 %)
A056 – Slobeend
Definitief
150 (gem)
=
=
C (< 2 %)
A125 – Meerkoet
Definitief
1700 (gem)
=
=
B1 (2-6 %)
A140 – Goudplevier
Definitief
520 (gem)
=
=
C (< 2 %)
A142 – Kievit
Definitief
3500 (gem)
=
=
B1 (2-6 %)
A151 – Kemphaan
Definitief
5200 (max)
=
=
A151 – Kemphaan
Definitief
960 (max)
=
=
A156 – Grutto
Definitief
970 (max)
=
=
C (< 2 %)
A156 – Grutto
Definitief
110 (gem)
=
=
C (< 2 %)
A160 – Wulp
Definitief
1000 (max)
=
=
Max = gemiddelde seizoensmaximum (gemiddelde van de maximale aantallen die in een periode van meerdere jaren zijn geteld, meestal in januari)
Gem = gemiddelde seizoensgemiddelde (per jaar wordt een gemiddelde berekend over de gehele verblijfsperiode, dát wordt vervolgens gemiddeld over meerdere jaren)
Natura 2000-gebied IJsselmeer Het IJsselmeer is in zijn huidige vorm ontstaan door afsluiting van de voormalige Zuiderzee door de aanleg van de Afsluitdijk, de aanleg van de IJsselmeerpolders en de Houtribdijk. Na de aanleg van de Afsluitdijk is het water binnen enkele maanden verzoet, en sindsdien ontbreekt een brakke overgangszone naar zee. De buitendijkse kweldergebieden hebben zilte en brakke milieus. In de natte terreindelen treedt moerasvorming op in de vorm van biezenstroken. Op de overgang van water en land en op de laagliggende delen van de oude platen komt rietland voor. Bij verdere successie verruigt het rietland en vindt opslag van wilg plaats. Vooral op de hogere delen ontwikkelen struwelen en bos. De graslanden zijn soortenrijk, vooral op kalkrijk vochtig substraat. Tabel 5.8 en 5.9 geven de instandhoudingsdoelen voor dit Natura 2000-gebied weer. Tabel 5.8 Habitattypen met een instandhoudingsdoel in Natura 2000-gebied IJsselmeer Habitattype
Habitatsubtype
H1330B – Schorren en zilte
Binnendijks
Status
Oppervlakt
Kwalitei
Relatieve
doel
e
t
bijdrage
Ontwerp
=
=
C (< 2 %)
Ontwerp
=
=
B2 (6-15
graslanden H3140 - Kranswierwateren
%)
59/147
Kenmerk
R002-1272479LBE-V01-hme-NL
Habitattype
Habitatsubtype
H3150 – Meren met
Status
Oppervlakt
Kwalitei
Relatieve
doel
e
t
bijdrage
Definitief
=
=
A1 (15-30
krabbenscheer en
%)
fonteinkruiden H6430A – Ruigten en zomen
Moerasspirea
Definitief
=
=
C (< 2 %)
H6430B – Ruigten en zomen
Harig
Definitief
=
=
C (< 2 %)
Definitief
=
=
C (< 2 %)
wilgenroosje H7140A – Overgangs- en
Trilvenen
trilvenen
Tabel 5.9 Soorten met een instandhoudingsdoel in Natura 2000-gebied IJsselmeer Soort
Status
Populatie /
Omvang
Kwaliteit
Relatieve
doel
Broedparen
leefgebied
leefgebied
bijdrage
H1163 – Rivierdonderpad
Definitief
=
=
=
H1318 – Meervleermuis
Definitief
=
=
=
B1 (2-6 %)
H1340 – Noordse woelmuis*
Definitief
>
>
=
C (< 2 %)
H1903 - Groenknolorchis
Definitief
=
=
=
C (< 2 %)
Habitatrichtlijnsoorten
Vogelrichtlijnsoorten (broedvogel) A017 – Aalscholver
Definitief
8000**
=
=
B2 (6-15 %)
A021 – Roerdomp
Definitief
7
>
>
B1 (2-6 %)
A034 – Lepelaar
Definitief
25
=
=
C (< 2 %)
A081 – Bruine kiekendief
Definitief
25
=
=
C (< 2 %)
A119 – Porseleinhoen
Definitief
18
>
>
B1 (2-6 %)
A137 – Bontbekplevier
Definitief
13
>
>
B1 (2-6 %)
A151 – Kemphaan
Definitief
20
>
>
C (< 2 %)
A193 – Visdief
Definitief
3300
=
=
B2 (6-15 %)
A292 – Snor
Definitief
40
=
=
B1 (2-6 %)
A295 – Rietzanger
Definitief
990
=
=
B1 (2-6 %)
Vogelrichtlijnsoorten (niet-broedvogels) A005 – Fuut
Definitief
2200 (gem)
>
>
B2 (6-15 %)
A017 – Aalscholver
Definitief
8100 (gem)
=
=
A2 (3-50 %)
A034 – Lepelaar
Definitief
30 (gem)
=
=
B1 (2-6 %)
A037 – Kleine zwaan
Definitief
20 (gem)
=
=
A037 – Kleine zwaan
Definitief
1600 (max)
=
=
A040 – Kleine rietgans
Definitief
30 (gem)
=
=
A041 – Kolgans
Definitief
4400 (gem)
=
=
A041 – Kolgans
Definitief
19000 (max)
=
=
A043 – Grauwe gans
Definitief
580 (gem)
=
=
A045 – Brandgans
Definitief
26200 (max)
=
=
A045 – Brandgans
Definitief
1500 (gem)
=
=
A048 – Bergeend
Definitief
210 (gem)
=
=
C (< 2 %)
C (< 2 %)
C (< 2 %)
60/147
Kenmerk
R002-1272479LBE-V01-hme-NL
Soort
Status
Populatie /
Omvang
Kwaliteit
Relatieve
doel
Broedparen
leefgebied
leefgebied
bijdrage
A050 – Smient
Definitief
10300 (gem)
=
=
B1 (2-6 %)
A051 – Krakeend
Definitief
200 (gem)
=
=
C (< 2 %)
A052 – Wintertaling
Definitief
280
=
=
C (< 2 %)
A053 – Wilde eend
Definitief
3800
=
=
B1 (2-6 %)
A054 – Pijlstaart
Definitief
60 (gem)
=
=
C (< 2 %)
A056 – Slobeend
Definitief
60 (gem)
=
=
C (< 2 %)
A059 – Tafeleend
Definitief
310 (gem)
=
=
C (< 2 %)
A061 – Kuifeend
Definitief
11300 (gem)
=
=
B2 (6-15 %)
A062 – Toppereend
Definitief
15800 (gem)
=
=
A4 (> 75 %)
A067 – Brilduiker
Definitief
310 (gem)
=
=
B2 (6-15 %)
A068 – Nonnetje
Definitief
180 (gem)
>
>
A1 (15-30 %)
A070 – Grote zaagbek
Definitief
1850 (gem)
>
>
A3 (50-75 %)
A125 – Meerkoet
Definitief
3600 (gem)
=
=
B1 (2-6 %)
A132 – Kluut
Definitief
20 (gem)
=
=
C (< 2 %)
A140 – Goudplevier
Definitief
9700 (max)
=
=
A151 – Kemphaan
Definitief
17300 (max)
=
=
A151 – Kemphaan
Definitief
2100 (max)
=
=
A156 – Grutto
Definitief
2200 (max)
=
=
A156 – Grutto
Definitief
290 (gem)
=
=
A160 – Wulp
Definitief
3500 (max)
=
=
A160 – Wulp
Definitief
310 (gem)
=
=
A177 – Dwergmeeuw
Definitief
85 (gem)
>
>
A190 – Reuzenstern
Definitief
40 (max)
=
=
A2 (30-50 %)
A197 – Zwarte stern
Definitief
73200 (max)
>
>
A4 (> 75 %)
A702 – Toendrarietgans
Definitief
Behoud
=
=
*Prioritaire soort **Regionaal doel
Max = gemiddelde seizoensmaximum (gemiddelde van de maximale aantallen die in een periode van meerdere jaren zijn geteld, meestal in januari)
Gem = gemiddelde seizoensgemiddelde (per jaar wordt een gemiddelde berekend over de gehele verblijfsperiode, dát wordt vervolgens gemiddeld over meerdere jaren)
Natura 2000-gebied Alde Feanen Dit gebied betreft een deels vergraven en ontgonnen laagveengebied. Het is één van de weinige overgebleven restanten van een omvangrijk complex van laagveenmoerassen en petgaten landschappen. Landschappelijk wordt het gebied gekenmerkt door moerasvegetaties, omgeven door zomerpolders en boezemlanden en doorsneden door tal van watergangen. Het gebied bestaat uit open water, rietlanden, laagveenverlandingsmoeras, moerasbos en schrale graslanden op restveen. De petgaten, die vaak verscholen liggen tussen riet en moerasbossen, verkeren in diverse stadia van verlanding. In deze petgaten komt dikwijls drijftilvorming voor. Op andere plaatsen is de verlanding wat verder voortgeschreden in de richting van een trilveen of
61/147
Kenmerk
R002-1272479LBE-V01-hme-NL
blauwgrasland. In de meeste petgaten is na beëindiging van het rietmaaibeheer een elzenbroekbos tot ontwikkeling gekomen. Tabel 5.10 en 5.11 geven de instandhoudingsdoelen voor dit Natura 2000-gebied weer. Tabel 5.10 Habitattypen met een instandhoudingsdoel in Natura 2000-gebied Alde Feanen Habitattype
Habitatsubtype
Status
Oppervlakte
Kwaliteit
doel H3150 – Meren met
Relatieve bijdrage
Definitief
=
>
C (< 2 %)
Definitief
>
>
C (< 2 %)
krabbenscheer en fonteinkruiden H4010B – Vochtige heiden
Laagveengebied
H64010 – Blauwgraslanden
Definitief
=
>
C (< 2 %)
H6430A – Ruigten en zomen
Moerasspirea
Ontwerp
=
=
C (< 2 %)
H6430B – Ruigten en zomen
Harig wilgenroosje
Ontwerp
=
=
H7140A – Overgangs- en
Trilvenen
Ontwerp
=
=
C (< 2 %)
Veenmosrietlanden
Definitief
>
>
B1 (2-6 %)
H7210 – Galigaanmoerassen*
Definitief
=
=
C (< 2 %)
H91D0 – Hoogveenbossen*
Definitief
>
>
B1 (2-6 %)
trilvenen H7140B – Overgangs- en trilvenen
*Prioritair habitattype Tabel 5.11 Soorten met een instandhoudingsdoel in Natura 2000-gebied Alde Feanen Soort
Status
Populatie /
Omvang
Kwaliteit
Relatieve
doel
Broedparen
leefgebied
leefgebied
bijdrage
H1042 – Gevlekte witsnuitlibel
Ontwerp
>
>
>
C (< 2 %)
H1134 – Bittervoorn
Definitief
=
=
=
C (< 2 %)
H1145 – Grote modderkruiper
Definitief
=
=
=
H1149 – Kleine modderkruiper
Definitief
=
=
=
H1163 – Rivierdonderpad
Definitief
=
=
=
H1318 – Meervleermuis
Definitief
=
=
=
B1 (2-6 %)
H1340 – Noordse woelmuis*
Definitief
>
>
=
C (< 2 %)
H1355 – Otter*
Aanmelding
Habitatrichtlijnsoorten
Vogelrichtlijnsoorten (broedvogel) A017 – Aalscholver
Definitief
910
=
=
B1 (2-6 %)
A021 – Roerdomp
Definitief
6
=
=
C (< 2 %)
A029 – Purperreiger
Definitief
20
>
>
C (< 2 %)
A081 – Bruine kiekendief
Definitief
20
>
>
C (< 2 %)
A119 – Porseleinhoen
Definitief
15
>
>
B1 (2-6 %)
A151 – Kemphaan
Definitief
10
=
=
C (< 2 %)
A197 – Zwarte stern
Definitief
60
>
>
C (< 2 %)
A292 – Snor
Definitief
40
=
=
B1 (2-6 %)
A295 – Rietzanger
Definitief
800
=
=
B1 (2-6 %)
62/147
Kenmerk
R002-1272479LBE-V01-hme-NL
Soort
Status
Populatie /
Omvang
Kwaliteit
Relatieve
doel
Broedparen
leefgebied
leefgebied
bijdrage
Vogelrichtlijnsoorten (niet-broedvogels) A017 – Aalscholver
Definitief
60 (gem)
=
=
C (< 2 %)
A041 – Kolgans
Definitief
2700 (gem)
=(<)
=
C (< 2 %)
A043 – Grauwe gans
Definitief
280 (gem)
=(<)
=
C (< 2 %)
A045 – Brandgans
Definitief
430 (gem)
=(<)
=
C (< 2 %)
A045 – Brandgans
Definitief
6100 (max)
=
=
C (< 2 %)
A050 – Smient
Definitief
2700 (gem)
=(<)
=
C (< 2 %)
A051 – Krakeend
Definitief
120 (gem)
=
=
C (< 2 %)
A052 - Wintertaling
Definitief
140 (gem)
=
=
C (< 2 %)
A056 – Slobeend
Definitief
140 (gem)
=
=
C (< 2 %)
A059 – Tafeleend
Definitief
90 (gem)
=
=
C (< 2 %)
A061 – Kuifeend
Definitief
470 (gem)
=
=
C (< 2 %)
A068 – Nonnetje
Definitief
30 (gem)
=
=
B1 (2-6 %)
A156 – Grutto
Definitief
880 (max)
=
=
C (< 2 %)
A156 – Grutto
Definitief
90 (gem)
=
=
C (< 2 %)
*Prioritaire soort
Max = gemiddelde seizoensmaximum (gemiddelde van de maximale aantallen die in een periode van meerdere jaren zijn geteld, meestal in januari)
Gem = gemiddelde seizoensgemiddelde (per jaar wordt een gemiddelde berekend over de gehele verblijfsperiode, dát wordt vervolgens gemiddeld over meerdere jaren)
Natura 2000-gebied Waddenzee De Waddenzee bestaat uit een complex van diepe geulen en ondiep water met zand- en slibbanken waarvan grote delen bij eb droogvallen. Deze banken worden doorsneden door een fijn vertakt stelsel van geulen. Langs het vaste land en de eilanden liggen verspreid kweldergebieden, die door grote verschillen in vocht- en zoutgehalte bijdragen aan een zeer diverse vegetatie. Er is een nagenoeg ongestoorde hydrodynamiek en geomorfologie aanwezig, waarin natuurlijke processen zorgen voor instandhouding en ontwikkeling van karakteristieke ecotopen en habitats en de grenzen van land en water voortdurend wijzigen. Tabel 5.12 en 5.13 geven de instandhoudingsdoelen voor dit Natura 2000-gebied weer. Tabel 5.12 Habitattypen met een instandhoudingsdoel in Natura 2000-gebied Waddenzee Habitattype
Habitatsubtype
H1110A – Permanent
Getijdengebied
Status
Oppervlakte
Kwaliteit
Definitief
=
>
A4 (> 75 %)
doel
Relatieve bijdrage
overstroomde zandbanken H1130 – Estuaria
Definitief
=
>
A2 (30-50 %)
H1140A – Slik- en zandplaten
Getijdengebied
Definitief
=
>
A4 (> 75 %)
H1310A – Zilte pionier
Zeekraal
Definitief
=
=
A3 (50-75 %)
begroeiingen
63/147
Kenmerk
R002-1272479LBE-V01-hme-NL
Habitattype
Habitatsubtype
H1310B – Zilte pionier
Zeevetmuur
Status
Oppervlakte
Kwaliteit
Definitief
=
=
B2 (6-15 %)
Definitief
=
=
A2 (30-50 %)
Buitendijks
Definitief
=
>
A3 (50-75 %)
Binnendijks
Definitief
=
=
B1 (2-6 %)
H2110 – Embryonale duinen
Definitief
=
=
A1 (15-30 %)
H2120 – Witte duinen
Definitief
=
=
B2 (6-15 %)
doel
Relatieve bijdrage
begroeiingen H1320 – Slijkgrasvelden H1330A – Schorren en zilte graslanden H1330B – Schorren en zilte graslanden
H2130A – Grijze duinen*
Kalkrijk
Definitief
=
=
C (< 2 %)
H2130B – Grijze duinen*
Kalkarm
Definitief
=
>
B1 (2-6 %)
H2160 – Duindoornstruwelen
Definitief
=
=
C (< 2 %)
H2170 – Kruipwilgstruwelen
Ontwerp
=
=
C (< 2 %)
Definitief
=
=
C (< 2 %)
H2190B – Vochtige duinvalleien
Kalkrijk
*Prioritair habitattype Tabel 5.13 Soorten met een instandhoudingsdoel in Natura 2000-gebied Waddenzee Soort
Status
Populatie /
Omvang
Kwaliteit
Relatieve
doel
Broedparen
leefgebied
leefgebied
bijdrage
H1014 – Nauwe korfslak
Definitief
=
=
=
C (< 2 %)
H1095 – Zeeprik
Definitief
>
=
=
B1 (2-6 %)
H1099 – Rivierprik
Definitief
>
=
=
B1 (2-6 %)
H1103 – Fint
Definitief
>
=
=
A1 (15-30 %)
H1340 – Noordse woelmuis*
Ontwerp
=
=
=
C (< 2 %)
H1351 – Bruinvis
Ontwerp
=
=
=
C (< 2 %)
H1364 – Grijze zeehond
Definitief
=
=
=
A3 (50-75 %)
H1365 – Gewone zeehond
Definitief
>
=
=
A3 (50-75 %)
H1903 – Groenknolorchis
Ontwerp
=
=
=
C (< 2 %)
Habitatrichtlijnsoorten
Vogelrichtlijnsoorten (broedvogel) A034 – Lepelaar
Definitief
430
=
=
A2 (30-50 %)
A063 – Eider
Definitief
5000
=
>
A3 (50-75 %)
A081 – Bruine kiekendief
Definitief
30
=
=
B1 (2-6 %)
A082 – Blauwe kiekendief
Definitief
3
=
=
B1 (2-6 %)
A132 – Kluut
Definitief
3800
=
>
A2 (30-50%)
A137 – Bontbekplevier
Definitief
60
=
=
A1 (15-30 %)
A138 – Strandplevier
Definitief
50
>
>
B2 (6-15 %)
A183 – Kleine mantelmeeuw
Definitief
19000
=
=
A1 (15-30 %)
A191 – Grote stern
Definitief
16000
=
=
A3 (50-75 %)
A193 – Visdief
Definitief
5300
=
=
A1 (15-30 %)
64/147
Kenmerk
R002-1272479LBE-V01-hme-NL
Soort
Status
Populatie /
Omvang
Kwaliteit
Relatieve
doel
Broedparen
leefgebied
leefgebied
bijdrage
A194 – Noordse stern
Definitief
1500
=
=
A4 (> 75 %)
A195 – Dwergstern
Definitief
200
>
>
A2 (30-50 %)
A222 – Velduil
Definitief
5
=
=
A1 (15-30 %)
Vogelrichtlijnsoorten (niet-broedvogels) A005 – Fuut
Definitief
310 (gem)
=
=
B1 (2-6 %)
A017 – Aalscholver
Definitief
4200 (gem)
=
=
A1 (15-30 %)
A034 – Lepelaar
Definitief
520 (gem)
=
=
A2 (30-50 %)
A037 – Kleine zwaan
Definitief
1600 (max)
=
=
A2 (30-50 %)
A043 – Grauwe gans
Definitief
7000 (gem)
=
=
B2 (6-15 %)
A045 – Brandgans
Definitief
36800 (gem)
=
=
A1 (15-30 %)
A046 – Rotgans
Definitief
26400 (gem)
=
=
A4 (> 75 %)
A048 – Bergeend
Definitief
38400 (gem)
=
=
A3 (50-75 %)
A050 – Smient
Definitief
33100 (gem)
=
=
A051 – Krakeend
Definitief
320 (gem)
=
=
B1 (2-6 %)
A052 – Wintertaling
Definitief
5000 (gem)
=
=
A1 (15-30 %)
A053 – Wilde eend
Definitief
25400 (gem)
=
=
A1 (15-30 %)
A054 – Pijlstaart
Definitief
5900 (gem)
=
=
A3 (50-75 %)
A056 – Slobeend
Definitief
750 (gem)
=
=
B2 (6-15 %)
A062 – Toppereend
Definitief
3100 (gem)
=
>
A1 (15-30 %)
A063 – Eider
Definitief
90000 – 15000 (mw)
=
>
A4 (> 75 %)
A067 – Brilduiker
Definitief
100 (gem)
=
=
B1 (2-6 %)
A069 – Middelste zaagbek
Definitief
150 (gem)
=
=
B1 (2-6 %)
A070 – Grote zaagbek
Definitief
70 (gem)
=
=
B1 (2-6 %)
A103 – Slechtvalk
Definitief
40 (max)
=
=
A1 (15-30 %)
A130 – Scholekster
Definitief
140000-16000 (gem)
=
>
A4 (> 75 %)
A132 – Kluut
Definitief
6700 (gem)
=
=
A3 (50-75 %)
A137 – Bontbekplevier
Definitief
1800 (gem)
=
=
A3 (50-75 %)
A140 – Goudplevier
Definitief
19200 (gem)
=
=
A3 (50-75 %)
A141 – Zilverplevier
Definitief
22300 (gem)
=
=
A4 (> 75 %)
A142 – Kievit
Definitief
10800 (gem)
=
=
A1 (15-30 %)
A143 – Kanoetstrandloper
Definitief
44400 (gem)
=
>
A4 (> 75 %)
A144 – Drieteenstrandloper
Definitief
3700 (gem)
=
=
A2 (30-50 %)
A147 – Krombekstrandloper
Definitief
2000 (max)
=
=
A4 (> 75 %)
A149 – Bonte strandloper
Definitief
206000 (gem)
=
=
A4 (> 75 %)
A156 – Grutto
Definitief
1100 (gem)
=
=
A1 (15-30 %)
A157 – Rosse grutto
Definitief
54400 (gem)
=
=
A4 (> 75 %)
A160 – Wulp
Definitief
96200 (gem)
=
=
A4 (> 75 %)
A161 – Zwarte ruiter
Definitief
1200 (gem)
=
=
A3 (50-75 %)
A162 – Tureluur
Definitief
16500 (gem)
=
=
A4 (> 75 %)
A164 – Groenpootruiter
Definitief
1900 (gem)
=
=
A4 (> 75 %)
65/147
Kenmerk
R002-1272479LBE-V01-hme-NL
Soort
Status
Populatie /
Omvang
Kwaliteit
Relatieve
doel
Broedparen
leefgebied
leefgebied
bijdrage
A169 – Steenloper
Definitief
2300-3000 (gem)
=
>
A3 (50-75 %)
A197 – Zwarte stern
Definitief
23000 (max)
=
=
A3 (50-75 %)
A702 – Toendrarietgans
Definitief
Behoud
=
=
A3 (50-75 %)
*Prioritaire soort
Max = gemiddelde seizoensmaximum (gemiddelde van de maximale aantallen die in een periode van meerdere jaren zijn geteld, meestal in januari)
Gem = gemiddelde seizoensgemiddelde (per jaar wordt een gemiddelde berekend over de gehele verblijfsperiode, dát wordt vervolgens gemiddeld over meerdere jaren)
Mw = Midwinteraantal
Natura 2000-gebied Deelen Het gebied Deelen vormt één van de weinige overgebleven restanten van een omvangrijk complex van laagveenmoerassen en petgatenlandschappen, dat in de vroegere eeuwen noordwest Overijssel en het Lage Midden van Fryslân besloeg. Het is een laagveengebied in de vroegere benedenloop van de Boorne (of Koningsdiep), dat bestaat uit een stelsel van petgaten, rietland, struweel en graslandvegetaties, waarvan plaatselijk schraallanden. De petgaten zijn betrekkelijk jong. Er wordt nog steeds veen gewonnen. In het kader van natuurontwikkeling worden ook nieuwe petgaten gegraven. Als gevolg van hiervan ontstond een moerasgebied met een groot oppervlak aan ondiep open water. Daardoor zijn in de successiereeks van open water naar land verschillende stadia aanwezig. Tabel 5.14 geeft de instandhoudingsdoelen voor dit Natura 2000-gebied weer. Tabel 5.14 Soorten met een instandhoudingsdoel in Natura 2000-gebied Deelen Soort
Status
Populatie /
Omvang
Kwaliteit
Relatieve
doel
Broedparen
leefgebied
leefgebied
bijdrage
Vogelrichtlijnsoorten (broedvogel) A021 – Roerdomp
Definitief
5
=
=
C (< 2 %)
A029 – Purperreiger
Definitief
5
=
=
C (< 2 %)
A081 – Bruine kiekendief
Definitief
5
>
>
C (< 2 %)
A197 – Zwarte stern
Definitief
50
>
>
B1 (2-6 %)
A295 – Rietzanger
Definitief
200
=
=
C (< 2 %)
Vogelrichtlijnsoorten (niet-broedvogels)
A027 – Grote zilverreiger
Definitief
40 (max)
=
=
A041 – Kolgans
Definitief
17600 (max)
=
=
A043 – Grauwe gans
Definitief
480 (gem)
=
=
A045 – Brandgans
Definitief
9900 (max)
=
=
A050 – Smient
Definitief
1700 (gem)
=
=
C (< 2 %)
A056 – Slobeend
Definitief
80 (gem)
=
=
C (< 2 %)
A068 – Nonnetje
Definitief
20 (gem)
=
=
B1 (2-6 %)
C (< 2 %)
Max = gemiddelde seizoensmaximum (gemiddelde van de maximale aantallen die in een periode van meerdere jaren zijn geteld, meestal in januari)
66/147
Kenmerk
R002-1272479LBE-V01-hme-NL
Gem = gemiddelde seizoensgemiddelde (per jaar wordt een gemiddelde berekend over de gehele verblijfsperiode, dát wordt vervolgens gemiddeld over meerdere jaren)
5.3.3
Provinciale natuurbescherming Fryslân – EHS
Deze paragraaf gaat over provinciaal beschermde natuurgebieden. Hiervan is het Natuurnetwerk Nederland (NNN) het meest van belang bij het toetsen van een bestemmingsplan. De Ecologische hoofdstructuur (EHS) is de uitwerking van het NNN in de provincie Fryslân. Echter zijn er naast de EHS ook andere natuurgebieden vanuit de provincie beschermd. In deze paragraaf wordt daarom achtereenvolgens het provinciaal beleid van de EHS en van overige natuur beschreven. Nationaal beleid: Nota Ruimte - NNN Alle grotere natuurgebieden, ook de gebieden die niet zijn aangewezen als Natura 2000-gebied, zijn in Nederland planologisch beschermd. Deze gebieden maken deel uit van het NNN, het samenhangend netwerk van natuurgebieden in Nederland. Het beleid voor het NNN is gericht op behoud en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden. Daarom geldt in het NNN het ‘nee, tenzij’-regime. Ruimtelijke ingrepen in het NNN met negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied zijn in beginsel niet toegestaan. Een dergelijk project kan alleen doorgaan, als er geen reële alternatieven mogelijk zijn én er sprake is van redenen van groot openbaar belang. Een initiatiefnemer is in dit geval verplicht om de negatieve effecten te mitigeren. Dit houdt in dat het optreden van negatieve effecten wordt voorkomen of beperkt door aanvullende maatregelen te treffen.
Bij overblijvende negatieve effecten is compensatie de laatste stap om de optredende schade te herstellen [ministerie van LNV, 2007]. De verantwoordelijkheid voor nadere begrenzing en realisatie van het NNN liggen bij de Provincies. Deze zijn tevens bevoegd gezag op dit onderdeel. Provinciaal beleid: Verordening Romte Fryslân – EHS De EHS is de uitwerking van het NNN in de provincie Fryslân. Provincie Friesland heeft haar regels over de EHS vastgelegd in hoofdstuk 7 van de Verordening Romte Fryslân (2014). De verordening stelt regels voor de volgende typen natuur:
Ecologische hoofdstructuur (EHS) -
-
Gronden die deel uitmaken van de EHS worden voorzien van een passende bescherming gericht op de wezenlijke kenmerken en waarden. Het plan maakt geen ontwikkelingen mogelijk die leiden tot een significante aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden of samenhang, of tot een significante vermindering van het areaal Op gronden nabij de EHS kan het plan nieuwe niet-agrarische activiteiten en ontwikkelingen mogelijk maken, mits die niet leiden tot een significante aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden
Natuur buiten de EHS -
Een ruimtelijk plan dat betrekking heeft op natuurgebieden buiten EHS, voorziet in een passende bestemming met gebruiksregels gericht op behoud, herstel of ontwikkeling van natuurwaarden
67/147
Kenmerk
-
R002-1272479LBE-V01-hme-NL
Weidevogelgebieden: Gronden gelegen in of grenzend aan weidevogelgebieden: het plan stelt regels ter behoud van openheid en rust voor vogels, met dien verstande dat de agrarische productiefunctie inclusief de ontwikkelingsmogelijkheden van bestaande agrarische
-
bedrijven zijn toegestaan Agrarische gronden met bestaande natuurwaarden: Het plan licht toe hoe bestaande agrarische natuurwaarden zijn opgenomen
De ligging van deze provinciale natuurgebieden is weergegeven in figuur 5.2.
Figuur 5.2 De ligging van het plangebied ten opzichte van de Ecologische hoofstructuur (EHS) en overige natuurgebieden van de provincie Friesland
5.3.4 Beschermde soorten Diverse dier- en plantensoorten zijn via de Wet natuurbescherming beschermd. Deze soorten zijn genoemd in de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn bijlage IV, Conventie van Bern bijlage I en II en Conventie van Bonn bijlage I, en de bijlage onderdeel A en B van de Wet natuurbescherming. De bescherming houdt in dat bij werkzaamheden of ruimtelijke ingrepen, schade aan deze soorten moet worden voorkomen, mogelijk met inbegrip van mitigerende (verzachtende) maatregelen. Als dit niet mogelijk is, dan moeten vooraf compenserende maatregelen worden genomen en een ontheffing Wnb worden aangevraagd. Vogelnesten die in gebruik zijn, zijn altijd beschermd. De nesten van een aantal soorten vogels zijn ook buiten de broedperiode beschermd. Dit zijn de zogeheten jaarrond beschermde vogelnesten (Wnb artikel 3.1, categorie 1 tot en met 4).
68/147
Kenmerk
R002-1272479LBE-V01-hme-NL
In categorie 5 zijn meer algemeen voorkomende vogels opgenomen. De nesten van deze soorten zijn jaarrond beschermd als er sprake is van ecologisch zwaarwegende redenen. Van deze soorten is voorafgaand aan ruimtelijke ontwikkelingen met mogelijke effecten op natuur een inventarisatie gewenst. In sommige gevallen, bijvoorbeeld als de soort lokaal zeer beperkt broedt, is ook van deze soorten jaarronde instandhouding van het nest noodzakelijk. Omdat deze soorten vrij algemeen voorkomen, zijn zij in deze toetsing verder niet afzonderlijk benoemd. In tabel 5.15 is weergegeven welke beschermde soorten en vogelnesten (categorie 1 tot en met 4) van de Wet natuurbescherming kunnen voorkomen in het plangebied. Hierbij is onderscheid gemaakt tussen soorten waarvoor het agrarisch gebied belangrijk is als leefgebied en soorten die zich in hun verspreiding vooral beperken tot de bos- en natuurgebieden. Dit onderscheid is gemaakt, omdat het bestemmingsplan vooral ontwikkelingsruimte biedt in het agrarisch gebied. Het open water van de Waddenzee en het IJsselmeer wordt ook als natuurgebied beschouwd. Het belang van het agrarisch leefgebied voor de verwachte soorten is in de navolgende alinea’s nader toegelicht. Tabel 5.15 Beschermde soorten die op basis van verspreidingsgegevens en biotoopeisen worden verwacht voor te komen in het agrarisch buitengebied van Súdwest-Fryslân. Bron: NDFF, 2022
Niet cursief: soorten die in de regel uitsluitend voorkomen in natuurgebied en bosgebied Cursief: soorten die daarnaast ook kunnen voorkomen in agrarisch gebied Soortgroep Soort Beschermd onder Wnb Vaatplanten
Grondgebonden zoogdieren
Vleermuizen
Groenknolorchis
Artikel 3.5
Knolspirea (niet wild)
Artikel 3.10
Muurbloem (niet wild)
Artikel 3.10
Bever
Artikel 3.5
Boommarter
Artikel 3.10
Bunzing
Artikel 3.10
Das
Artikel 3.10
Eekhoorn
Artikel 3.10
Hermelijn
Artikel 3.10
Otter
Artikel 3.5
Steenmarter
Artikel 3.10
Waterspitsmuis
Artikel 3.10
Wezel
Artikel 3.10
Noordse woelmuis
Artikel 3.5
Franjestaart
Artikel 3.5
Gewone dwergvleermuis
Artikel 3.5
Gewone grootoorvleermuis
Artikel 3.5
Kleine dwergvleermuis
Artikel 3.5
Laatvlieger
Artikel 3.5
Meervleermuis
Artikel 3.5
Rosse vleermuis
Artikel 3.5
Ruige dwergvleermuis
Artikel 3.5
69/147
Kenmerk
R002-1272479LBE-V01-hme-NL
Soortgroep
Soort
Beschermd onder Wnb
Tweekleurige vleermuis
Artikel 3.5
Watervleermuis
Artikel 3.5
Vogels
Aalscholver
Artikel 3.1 (cat. 2)
(jaarrond beschermd cat. 1 t/m 4)
Blauwe reiger
Artikel 3.1 (cat. 2)
Boomvalk
Artikel 3.1 (cat. 4)
Bosuil
Artikel 3.1 (cat. 3)
Buizerd
Artikel 3.1 (cat. 4)
Draaihals
Artikel 3.1 (cat. 4)
Gierzwaluw
Artikel 3.1 (cat. 2)
Grote gele kwikstaart
Artikel 3.1 (cat. 3)
Grote zilverreiger
Artikel 3.1 (cat. 2)
Havik
Artikel 3.1 (cat. 4)
Huismus
Artikel 3.1 (cat. 1)
Huiszwaluw
Artikel 3.1 (cat. 2)
IJsvogel
Artikel 3.1 (cat. 3)
Kerkuil
Artikel 3.1 (cat. 1)
Lepelaar
Artikel 3.1 (cat. 2)
Ooievaar
Artikel 3.1 (cat. 3)
Purperreiger
Artikel 3.1 (cat. 2)
Ransuil
Artikel 3.1 (cat. 4)
Ringmus
Artikel 3.1 (cat. 2)
Roek
Artikel 3.1 (cat. 2)
Slechtvalk
Artikel 3.1 (cat. 3)
Sperwer
Artikel 3.1 (cat. 4)
Steenuil
Artikel 3.1 (cat. 1)
Stormmeeuw
Artikel 3.1 (cat. 2)
Torenvalk
Artikel 3.1 (cat. 3)
Wespendief
Artikel 3.1 (cat. 4)
Zeearend
Artikel 3.1 (cat. 4)
Zwarte stern
Artikel 3.1 (cat. 2)
Zwartkopmeeuw
Artikel 3.1 (cat. 2)
Reptielen
Ringslang
Artikel 3.10
Amfibieën
Heikikker
Artikel 3.5
Rugstreeppad
Artikel 3.5
Grote modderkruiper
Artikel 3.10
Kwabaal
Artikel 3.10
Gevlekte witsnuitlibel
Artikel 3.5
Groene glazenmaker
Artikel 3.5
Noordse winterjuffer
Artikel 3.5
Sierlijke witsnuitlibel
Artikel 3.5
Kempense heidelibel
Artikel 3.10
Vissen Libellen
70/147
Kenmerk
R002-1272479LBE-V01-hme-NL
Soortgroep
Soort
Beschermd onder Wnb
Dagvlinders
Grote vos
Artikel 3.10
Vaatplanten Het plangebied ligt buiten het natuurlijke verspreidingsgebied van de meeste beschermde vaatplanten. Alleen van knolspirea en muurbloem zijn groeiplaatsen bekend in de nabije omgeving van het plangebied. Het betreft groeiplaatsen van exemplaren waarvan is vast komen te staan dat deze niet wild zijn. Planten die niet tot een wilde populatie behoren zijn niet beschermd, ook als deze soorten wel op de lijsten van de Wet natuurbescherming staan. In dit geval zijn knolspirea en muurbloem dus niet bekend. Daarnaast zijn groeiplaatsen van groenknolorchis bekend uit de omgeving van het plangebied. Deze soort is afhankelijk van basenrijk grondwater en komt in de regel uitsluitend voor in bos- en natuurgebieden, zoals duinvalleien, trilvenen, kalkmoerassen, veenmosrietlanden en aan randen van rietlanden. Grondgebonden zoogdieren Een aantal grondgebonden zoogdieren kan voorkomen in het agrarisch gebied, waaronder boommater, bunzing, das, eekhoorn, hermelijn, steenmarter, waterspitsmuis en wezel. Steenmarter heeft onder meer verblijfplaatsen in gebouwen zoals agrarische schuurtjes. Bunzing, hermelijn en wezel hebben een scala aan verblijfplaatsen in holen zoals oude konijnen- of muizenholen, of onder boomwortels, maar ook oude gebouwen en schuren.
Ze foerageren vaak op randzones tussen bos en agrarisch gebied en maken gebruik van lijnelementen zoals watergangen en structuren met voldoende dekking als houtwallen. Boommarter en eekhoorn hebben verblijfplaatsen in bomen, maar foerageren hierbij soms ook in het agrarisch gebied. Das maakt verblijfplaatsen in vergraafbare grond, vaak in niet-verstoorde delen van bosschages, maar ook op de rand van agrarische percelen. De das foerageert ook in het agrarisch gebied. Bever kan voorkomen in het gebied in de nabijheid van waterlichamen. Vaste rust- en verblijfplaatsen worden niet verwacht op of direct rondom bestaande bouwvlakken van veehouderijen. Waterspitsmuis komt voor in schone wateren, met voldoende onderwater- en oevervegetatie. Daarnaast moet er voldoende schuilmogelijkheden in de buurt van de oever aanwezig zijn. De soort kan daarom in watergangen nabij agrarische percelen voorkomen. De otter leeft in diverse soorten wateren met een goede dekking op de oever en rust. De soort kan in dergelijke wateren ook nabij agrarische percelen leven of deze passeren, maar komt in de regel uitsluitend voor in bos- en natuurgebieden met voldoende rust en een goede waterkwaliteit. Dat geldt ook noordse woelmuis die in zijn voortbestaan afhankelijk is van rietland, moeras, zeer extensief gebruikte weilanden, drassige hooilanden, vochtige duinvalleien en periodiek overstroomde terreinen.
Vleermuizen Diverse vleermuissoorten kunnen voorkomen in het agrarisch buitengebied. Deze soorten maken gebruik van bebouwing of bomen als vaste rust- en verblijfplaats. Daarnaast kunnen alle
71/147
Kenmerk
R002-1272479LBE-V01-hme-NL
genoemde soorten gebruik maken van bijvoorbeeld bomenrijen of watergangen als vliegroute of als foerageergebied. Vogels met jaarrond beschermde nesten (categorie 1 tot en met 4) In het agrarisch buitengebied kunnen een aantal vogelsoorten broeden waarvan de nesten jaarrond beschermd zijn. Zo broedt de kerkuil in grotere schuren, de steenuil in grotere schuren en oude knotwilgen en de huismus, ringmus, gierzwaluw en huiszwaluw in en onder dakbedekking. Van huiszwaluw is bekend dat deze soort ook nesten maakt aan of onder andere kunstwerken, zoals bruggen of sluizen. Boomvalk, buizerd, havik, roek, sperwer en ransuil broeden in hogere bomen, zoals in houtwallen in het agrarisch buitengebied. Torenvalk broedt in oude nesten of halfopen kasten. De soort gebruikt het agrarisch buitengebied ook om te foerageren. Bosuil komt hoofdzakelijk voor in bosachtige terreinen of groene woonwijken, maar kan ook voorkomen op agrarische erven met voldoende rust en houtachtige beplanting. Ooievaar broedt in oude bomen of op palen nabij agrarische percelen en bosterreinen of op hoge schoorstenen van gebouwen. Slechtvalk broedt op hoge gebouwen en objecten zoals hoogspanningsmasten. Grote gele kwikstaart broedt bij stromend water in nissen van bruggen en muren of tussen boomwortels in de oever. IJsvogel broedt in oevers en wanden langs het water.
De soort kan de wateren en kleine bosschages in het agrarisch gebied gebruiken om te foerageren en verblijven. Draaihals broedt meestal in oude en deels verrotte loofbomen met spechtholen. De soort broedt vooral in open loofbos op zandgrond (veelal grenzend aan open terrein, zoals heidevelden). De Wespendief wordt in Nederland vooral als doortrekker waargenomen, maar lokaal wordt in grotere bosgebieden ook gebroed. De soort is in Nederland aanwezig in de periode mei tot en met oktober. Grote zilverreiger, lepelaar, purperreiger, blauwe reiger en aalscholver zijn voor het broeden afhankelijk van uitgestrekte rietlanden, moeras, oeverzones langs ondiepe plassen en meren en struikgewas of ooibossen. Het zijn koloniebroeders die in de regel uitsluitend broeden in bos- en natuurterreinen en niet in het open agrarisch gebied. Zeearend is voor het broeden afhankelijk van rust en ruimte in natuurgebieden en broedt hoofdzakelijk in bomen. Bij wijze van uitzondering wordt ook op de grond gebroed. Belangrijk is de combinatie van geschikte (grote, stevige) nestbomen op rustige plaatsen met vis- en watervogelrijke wetlands. Zwarte stern broedt in kleine kolonies en is voor het broeden afhankelijk van drijvende vegetatie in zoetwatermilieus om op te nestelen. Dergelijk broedbiotoop komt tegenwoordig in de regel uitsluitend nog voor in natuurgebieden.
Stormmeeuw en zwartkopmeeuw broeden hoofdzakelijk in gebieden met schaars begroeide ondergronden, zoals langs de kust en op daken van bedrijventerreinen. Het voorkomen van broedbiotoop van deze soorten binnen het agrarisch buitengebied kan redelijkerwijs worden uitgesloten. Reptielen Het plangebied ligt op de rand van het natuurlijke verspreidingsgebied van ringslang. Ringslang is gebonden aan waterrijke habitats en overgangen van zandgrond naar veen- en kleigronden. Grote oppervlaktes laag gelegen, nat gebied worden gemeden, omdat de soort daar vaak niet alle stadia van zijn levenscyclus kan doorlopen. Ringslangen zonnen vaak op dijkjes, taluds of legakkers in
72/147
Kenmerk
R002-1272479LBE-V01-hme-NL
de buurt van water, waar ze jagen op voornamelijk amfibieën en soms andere gewervelde dieren zoals vissen. Amfibieën Heikikker en rugstreeppad kunnen voorkomen in het agrarisch buitengebied. Heikikker wordt slechts beperkt aangetroffen in té intensief agrarisch landschap. Het is vooral een vennensoort, maar dieren kunnen ook voorkomen in kleine geïsoleerde wateren in sloten in laagveengebieden en klei-op-veen of komkleigebieden. Rugstreeppad komt voor in het agrarisch buitengebied. Deze soort bevolkt relatief eenvoudig tijdelijke habitats, vooral wanneer sprake is van ondiepe en vergaven zandige terreinen of tijdelijke ondergelopen weilanden. Vissen Grote Modderkruiper kan voorkomen in waterlopen in het agrarisch gebied. Meestal betreft het e wat bredere watergangen met hogere kwaliteit van watervegetatie. Kwabaal is een zeer zeldzame soort die uitsluitend voorkomt in grotere wateren die doorgaans een beschermde natuurstatus hebben. Libellen Groene glazenmaker is voor het voortbestaan afhankelijk van stilstaande wateren met dichte krabbenscheervelden zoals: plassen, sloten en petgaten in laagveengebieden en sloten in veenweidegebieden. Hoewel de soort vooral wordt waargenomen in natuurgebieden met een goede waterkwaliteit kan de kan ook in agrarisch gebied geschikt biotoop voorkomen.
Soorten als sierlijke witsnuitlibel, noordse winterjuffer en Kempense heidelibel komen in de regel uitsluitend voor in beschermde natuurgebieden met voldoende moerasvegetaties, verlandingszones en beschutte plaatsen in halfopen (moeras)bossen met voldoende ondergroei. Dagvlinders Grote vos komt vooral voor in bosrijke omgevingen met voldoende overwinteringsplekken als holle bomen of stapels hout. De soort gebruikt iep, zoete kers en bepaalde wilgensoorten als waardplant. Het voorkomen van de soort in het agrarisch buitengebied is niet volledig uit te sluiten, maar in de regel komt de soort vooral voor in bos- en natuurgebieden waar geschikt biotoop aanwezig is voor de ei-afzet en verpopping. 5.3.5
Beschermde houtopstanden
Bomenrijen langer dan 20 bomen en houtopstanden groter dan 10 are zijn beschermd, met enkele uitzonderingen. Dit heeft als doel het totale bosoppervlakte in Nederland te behouden. De wet verbiedt het vellen van een houtopstand buiten de bebouwde kom, buiten erven of tuinen zonder voorafgaande melding, uitzonderingen daargelaten. Daarnaast kent de wet een herplantplicht. Het agrarisch buitengebied is veelal open maar bevat lokaal houtopstanden groter dan 10 are of bomenrijn langer dan 20 bomen, waarvan de natuurwaarden zijn beschermd op basis van een enkelbestemming ‘bos’, enkelbestemming ‘natuur’ en/of dubbelbestemming ‘waarde-ecologie’.
73/147
Kenmerk
5.4
R002-1272479LBE-V01-hme-NL
Effecten op de EHS
In deze paragraaf is getoetst hoe de EHS is bestemd en wat de effecten van het bestemmingsplan zijn op de EHS en agrarisch natuurbeheergebied. 5.4.1 Gronden binnen de EHS Binnen de EHS zijn geen uitbreidingen van agrarische bouwvlakken. Het bestemmingsplan maakt daarom geen vermindering van het oppervlak aan EHS mogelijk. De gronden binnen de EHSgebieden hebben een passende bestemming gekregen. Het plan maakt geen ontwikkelingen mogelijk die leiden tot een significante aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden of samenhang. 5.4.2 Gronden nabij de EHS In de Verordening Romte 2014 worden voor gronden nabij de EHS alleen beperkingen opgelegd als sprake is van niet-agrarische activiteiten. Agrarische activiteiten buiten de EHS hoeven niet getoetst te worden en blijven verder buiten beschouwing. Een uitzondering hierbij zijn effecten door stikstofdepositie. De effecten van stikstofdepositie door agrarische ontwikkelingen zijn hieronder in kaart gebracht. Effecten stikstof door agrarische ontwikkelingen Effecten door stikstofdepositie binnen de EHS zijn uitgesloten doordat: De voor verzuring zeer gevoelige gebieden (WAV-gebieden) liggen buiten de invloedssfeer van het plan, hier vindt geen toename in stikstofdepositie plaats
De delen van de EHS die gevoelig zijn voor stikstofdepositie liggen binnen de Natura 2000gebieden en komen overeen met gevoelige habitattypen. Uit de modellering is gebleken dat op gevoelige habitattypen geen toename in stikstof plaatsvindt. Effecten op de EHS zijn daarom tevens uitgesloten
Niet-agrarische activiteiten en ontwikkelingen in of nabij de EHS zijn alleen toegestaan als deze niet leiden tot een significante aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden. De enige niet-agrarische ontwikkelingen die het bestemmingsplan mogelijk maakt is een intensivering van recreatief medegebruik. Dit kan in theorie leiden tot een toename in verstoring door betreding en een toename in stikstofdepositie door verkeer. Intensivering recreatief medegebruik: stikstofuitstoot van verkeer Het bestemmingsplan maakt het mogelijk om recreatief medegebruik van het agrarisch buitengebied uit te breiden. Hierdoor kan de stikstofdepositie ten gevolge van recreatief verkeer toenemen. Effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden van de EHS zijn echter uitgesloten omdat: De verwachte toename aan recreatief medegebruik is verwaarloosbaar klein ten opzichte van het bestaand recreatief medegebruik
Het aandeel van stikstofuitstoot ten opzichte van agrarische bedrijven is zeer beperkt De stikstofuitstoot door ontwikkelingsmogelijkheden van agrarische bedrijven niet leidt tot depositietoename in kwalificerende, stikstofgevoelige habitattypen
74/147
Kenmerk
R002-1272479LBE-V01-hme-NL
Intensivering recreatief medegebruik: verstoring door betreding Ontwikkelingsmogelijkheden voor recreatief medegebruik van het agrarisch buitengebied kunnen leiden tot een toename van recreanten in de EHS, wat in theorie kan leiden tot verstoring. Effecten zijn echter uitgesloten omdat:
De verwachte toename aan recreatief medegebruik is verwaarloosbaar klein ten opzichte van het bestaand recreatief medegebruik Recreanten zullen zich vooral beperken tot de bestaande (vaar)wegen en paden in natuurgebieden. Deze liggen niet in de meest verstoringsgevoelige delen van de gebieden
5.4.3
Ontwikkelingen binnen en nabij overige provinciale natuurgebieden
In het bestemmingsplangebied liggen ‘weidevogelgebieden’ en gebieden met ‘agrarisch natuurbeheer’. De weidevogelgebieden hebben in het bestemmingsplan de aanduiding natuur met agrarisch medegebruik gekregen. Om effecten te voorkomen, worden er beperkingen gesteld aan de mogelijkheid om verstorende activiteiten, buiten de huidige agrarische activiteiten, te verrichten die het weidevogelleefgebied verstoren. Er geldt een vergunningenstelsel, waarbij als voorwaarde geldt dat activiteiten zijn toegestaan indien deze de ‘instandhouding van de in het gebied voorkomen danwel daaraan eigen faunische en vegetatieve waarden’ niet onevenredig aantasten. Zowel binnen de weidevogelgebieden als binnen het agrarisch natuurbeheer zijn er diverse ontwikkelingen mogelijk binnen de bouwvlakken c.q. stippen. Dit kan plaatselijk een effect hebben op de natuurwaarden. Het betreft natuurwaarden die goed samen kunnen gaan met een agrarisch gebruik wanneer rekening met die natuurwaarden wordt gehouden. In de Verordening Romte 2014 staat daarom ook een agrarische productiefunctie, inclusief de ontwikkelingsmogelijkheden, toe. Gelet hierop en op het lokale karakter van de ontwikkelingen (alleen in de bouwvlakken c.q. stippen, en indien daarbuiten enkel middels een vergunningenstelsel) zijn effecten op de openheid, rust en (agrarische) natuurwaarden uitgesloten. 5.4.4
Conclusie
Het bestemmingsplan heeft de bescherming van de EHS voldoende ingepast in de planregels. De ontwikkelingsmogelijkheden leiden niet tot aantasting van de EHS. Ook zijn plaatselijke effecten op andere provinciale natuurgebieden geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. Het effect is dus als ‘neutraal’ beoordeeld.
5.5
Effecten op beschermde soorten
Bij toetsing aan soortenbescherming onder de Wet natuurbescherming wordt doorgaans gekeken naar overtreding van verbodsbepalingen, en de mogelijk hieruit volgende ontheffingsplicht. Bij een bestemmingsplan zal hiervan geen sprake zijn. In dit geval wordt bepaald of de ontwikkelingen die het bestemmingsplan mogelijk maakt redelijkerwijs uitvoerbaar zijn op dit punt. 5.5.1 Belang van het plangebied als leefgebied Het leefgebied van zwaarder beschermde soorten die kunnen voorkomen in het plangebied is grofweg onder de te verdelen in twee groepen (zie ook §5.3.4): Bos- en natuurgebieden
75/147
Kenmerk
R002-1272479LBE-V01-hme-NL
Het agrarisch buitengebied
Bos- en natuurgebieden Effecten op soorten die vooral voorkomen in bos- en natuurgebieden (zie niet-cursieve regels in tabel 5.15) worden voorkomen door de beperkende bouw- en gebruiksregels in deze gebieden (bestemming natuur). Hierbinnen worden dusdanig weinig ontwikkelingen mogelijk gemaakt, dat er geen belemmeringen zijn voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. Het agrarisch buitengebied Een groot deel van de soorten die voorkomen in het agrarisch gebied (zie cursieve regels in tabel 5.15) leeft vooral in en om landschapselementen. Dit leefgebied wordt beschermd door de beperkende bouwregels in landschapstypen, de ontwikkeling moet namelijk landschappelijk worden ingepast. Deze bestemming biedt gepaste bescherming van soorten die er leven. Veel van de soorten die leven in landschapselementen, komen ook voor in overige delen van het agrarisch buitengebied, bijvoorbeeld om te foerageren. Bescherming van het leefgebied van soorten in overige delen van het agrarisch gebied (zie cursieve regels in tabel 5.15) is in de bestemmingsplanregels slechts beperkt vastgelegd. Dit is ook niet noodzakelijk. Ontwikkelingsmogelijkheden die effect kunnen hebben op deze soorten zijn vooral beperkt tot agrarische bouwvlakken (denkbeeldige rechthoeken).
Lokaal kunnen de volgende typen werkzaamheden effect hebben op beschermde soorten: bouw- en sloopwerkzaamheden, het kappen van beplanting of het kleinschalig aanpassen van ontwatering. Hoewel door het lokale karakter van deze ontwikkelingen die duurzame instandhouding op gebiedsniveau niet snel in het geding is, kan bij uitvoering wel sprake zijn van een overtreding van verbodsbepalingen uit de Wnb en een daaruit volgende ontheffingsplicht. Uitvoeringspraktijk Voor alle genoemde beschermde soorten bestaan er in de praktijk (ruime) mogelijkheden om effecten te voorkomen of te minimaliseren (mitigatie) door een passende locatiekeuze, inrichting en uitvoeringstijdstip. Zo nodig kunnen aanvullend ook compenserende maatregelen worden getroffen zoals het aanbieden van alternatieve broed- of verblijfsgelegenheid (bijvoorbeeld nestkasten) en kan de kwaliteit van het omringende leefgebied worden behouden of zelfs verbeterd (zie tabel 5.16). Dit betekent wel dat bij de aanwezigheid van beschermde soorten een gericht plan en/of werkprotocol opgesteld moet worden, waarbij de aanwezige waarden worden ontzien en het leefgebied wordt ingepast in de ruimtelijke ontwikkeling.
76/147
Kenmerk
R002-1272479LBE-V01-hme-NL
Tabel 5.16 Inschatting van geschikt leefgebied, effectbepaling en voorbeelden mogelijke mitigerende en compenserende maatregelen van enkele soorten (niet limitatief) Soort
Inschatting geschikt
Mogelijke effecten
leefgebied Vaatplanten
Mogelijke mitigerende maatregelen
Beschermde vaatplanten
Effecten worden niet
worden niet verwacht voor te
verwacht
Niet van toepassing
komen in het plangebied. Boommarter,
Verblijfplaatsen in bossen en
Kleinschalige effecten in
Niet nodig, betreft
das, eekhoorn
foerageergebied (deels) in
foerageergebied
kleinschalige effecten in
agrarische gebieden
foerageergebied. Voldoende leefgebied blijft aanwezig en verblijfplaatsen blijven onaangetast.
Bunzing,
Verblijfplaatsen en essentieel
Bij rooien van struweel,
Aanbieden alternatieve
hermelijn, wezel
leefgebied in bossen,
hagen of andere ruigtes
verblijfplaatsen en
struweel, hagen en andere
kunnen verblijfplaatsen en
alternatief leefgebied.
ruigtes onder andere in
essentieel leefgebied
Optimalisatie bestaand of
agrarische gebieden
verdwijnen
inrichten nieuw leefgebied.
Verblijfplaatsen in gebouwen
Bij sloop of grootschalige
Inventariseren van territoria.
en foerageergebied (deels) in
verbouwing kunnen
Plekken waar geen
agrarische gebieden
verblijfplaatsen verdwijnen
steenmarters zitten of waar
Steenmarter
gebouwd wordt geschikt maken voor steenmarters in combinatie met het aanbieden van alternatieve vast verblijfplaatsen Waterspitsmuis
Mogelijk verblijfplaatsen en
Bij werkzaamheden aan
Aanbieden alternatieve
functioneel leefgebied in
oevers kunnen
verblijfplaatsen en
watergangen nabij agrarische
verblijfplaatsen en
alternatief leefgebied.
percelen
functioneel leefgebied
Optimalisatie bestaand of
verdwijnen
inrichten nieuw leefgebied.
Boomvalk,
Op en direct rond agrarische
Bij het kappen van hoge
Aanbieden kunstnest,
buizerd, havik,
bouwvlakken is doorgaans
bomen op en langs
verplaatsen nesten en soms
sperwer,
hoog opgaande beplanting
agrarische bouwvlakken
niet van toepassing mits
aanwezig. Boombalk,
verdwijnt nestgelegenheid
voldoende bomen en
buizerd, havik en sperwer
en mogelijk een jaarrond
bosschages op en rond
kunnen in deze erfbeplanting
beschermd nest.
deze agrarische
tot broeden komen.
bouwvlakken blijven staan. Eventueel aanplanten van bomen en bosschages. Zie
77/147
Kenmerk
Soort
R002-1272479LBE-V01-hme-NL
Inschatting geschikt
Mogelijke effecten
leefgebied
Mogelijke mitigerende maatregelen ook kennisdocumenten BIJ12
Ransuil, bosuil
Bosschages en dichte
Door het kappen van bomen
Aanbieden kunstnest,
naaldbomen / holtebomen in
verdwijnt broedgelegenheid
verplaatsen nesten. Behoud
tuinen zijn geschikt als
en mogelijk een jaarrond
van voldoende bosschages
nestlocatie en rust- en
beschermde verblijfplaats.
en open landschap om te
verblijfplaats. Voldoende
foerageren. Eventueel
nesten van zwarte kraai en
aanplanten van bomen in
ekster die als nest van de
de nabijheid van geschikt
ransuil kunnen dienen.
foerageergebied.
Uitgestrekt agrarisch gebied biedt voldoende foerageermogelijkheden. Steenuil
Het plangebied biedt geschikt
Zeer gevoelig voor
Inventariseren van territoria
leefgebied in de vorm van
ruimtelijke ontwikkelingen
van steenuilen. Plekken
erven met schuren die in
door de onlosmakelijke
waar geen steenuilen zitten
nestgelegenheid voorzien.
samenhang tussen de vaste
of waar gebouwd wordt
Boerderijen met bomenrijen,
verblijfplaats en de
geschikt maken voor
paaltjes, grasland,
functionele leefomgeving
steenuilen in combinatie
rommelhoekjes voorzien in
(foerageergebied) in de
met het aanbieden van
geschikt foerageergebied.
directe omgeving van de
alternatieve vaste
vaste verblijfplaats.
verblijfplaatsen (nestkasten). Zie ook kennisdocument BIJ12.
Kerkuil
Het plangebied biedt geschikt
Gevoelig voor ruimtelijke
Inventariseren van territoria
leefgebied in de vorm van
ontwikkelingen.
van kerkuilen. Op plekken
erven met schuren die in
Vergelijkbaar met steenuil
waar geen kerkuilen zitten
nestgelegenheid voorzien.
maar kerkuil is in staat om
of waar gebouwd wordt kan
Boerderijen met bomenrijen,
foerageergebieden te
een alternatieve vaste
paaltjes, grasland,
bereiken die verder van zijn
verblijfplaats (nestkast)
rommelhoekjes en uitgestrekt
vaste verblijfplaats af liggen.
worden aangeboden in een
agrarisch gebied voorzien in
gebouw dat geschikt is als
geschikt foerageergebied.
broedlocatie en binnen het bereik van geschikt foerageergebied ligt. Zie ook kennisdocument BIJ12.
Gierzwaluw,
Veel type gebouwen
Bij aantasting vaste rust- en
Inventariseren van
huismus,
(woningen, schuren etc.)
voortplantingsplaatsen
verblijfplaatsen en
huiszwaluw en
herbergen potentiële rust- en
(sloop, renovatie,
functionele
ringmus
voortplantingsplaatsen.
onderhoud gebouwen)
leefomgeving.
Daarnaast kunnen de bomen
kunnen effecten optreden.
Mitigerende maatregelen
78/147
Kenmerk
Soort
R002-1272479LBE-V01-hme-NL
Inschatting geschikt
Mogelijke effecten
leefgebied
Mogelijke mitigerende maatregelen
en struiken op en om
Het bestemmingsplan maakt
bestaan uit het
agrarische bouwvlakken een
dat niet rechtstreeks
aanbrengen van
onderdeel zijn van essentieel
mogelijk. Kap van bomen en
alternatieve
leefgebied
het verwijderen van struiken
verblijfplaatsen
kan resulteren in aantasting
(vogelkasten) en
van essentieel leefgebied
optimaliseren leefgebied. Zie ook kennisdocumenten BIJ12
Ooievaar
Nestelt op speciale
Bij aantasting (sloop,
Aanbieden kunstnest,
ooievaarspalen of op speciale
renovatie of grote
verplaatsen nesten. Behoud
geprepareerde plekken op
verbouwingen) kunnen
van voldoende open
daken. Bomen in het
effecten optreden. Het
landschap om te
plangebied lijken niet geschikt
bestemmingsplan maakt dat
foerageren. Eventueel
te zijn.
niet rechtstreeks mogelijk
plaatsen nestpaal in de nabijheid van geschikt foerageergebied.
Roek
Bosjes of bomenrijen in
Koloniebroeder, daardoor
Inventariseren
agrarisch gebied zijn
gevoelig voor kap van
broedkolonies. Zo nodig
geschikte locaties voor
bomen. Hierdoor kan een
bomen met broedkolonie
broedkolonies
hele broedkolonie
ontzien, verplaatsen of
verdwijnen
aanbieden alternatieve nestlocaties.
Slechtvalk
Slechtvalken hebben hoge
Mogelijke effecten zijn naar
Werken buiten de
masten en hoge gebouwen
verwachting beperkt tot een
broedperiode om eventuele
(met daarin nestkasten) nodig
lichte mate van verstoring.
verstoring op broedende
om in te broeden. Deze soort
Nesten worden binnen
dieren te voorkomen
zal incidenteel in het
agrarische bouwvlakken niet
plangebied aanwezig zijn
verwacht
Begroeide oevers met
Bij werkzaamheden langs
In beeld brengen
verticale wandjes zijn
steile oevers kunnen
broedlocaties, werken
geschikt als broedbiotoop en
effecten optreden op
buiten broedseizoen en
leefgebied
verblijfplaats
realisatie nieuwe steilrand.
Grote gele
Nestlocaties onder
Mogelijke effecten zijn naar
Niet van toepassing
kwikstaart
kunstwerken als bruggen
verwachting beperkt
Torenvalk
Het plangebied biedt geschikt
Bij aantasting vaste rust- en
Inventariseren van territoria
leefgebied in de vorm groene
voortplantingsplaatsen
van torenvalk. Op plekken
erven en bosschages.
kunnen effecten optreden.
waar geen torenvalken
Boerderijen met bomenrijen,
Het bestemmingsplan maakt
zitten of waar gebouwd
paaltjes, grasland,
dat niet rechtstreeks
wordt kan een alternatieve
rommelhoekjes en uitgestrekt
mogelijk. Kap van bomen en
vaste verblijfplaats
het verwijderen van struiken
(nestkast) worden
IJsvogel
79/147
Kenmerk
Soort
R002-1272479LBE-V01-hme-NL
Inschatting geschikt
Mogelijke effecten
leefgebied
Mogelijke mitigerende maatregelen
agrarisch gebied voorzien in
kan resulteren in aantasting
aangeboden dat geschikt is
geschikt foerageergebied.
van essentieel leefgebied
als broedlocatie en binnen het bereik van geschikt foerageergebied ligt.
Vleermuizen
Veel type gebouwen
Bij aantasting
Gebiedsdekkende
(woningen, schuren et cetera)
verblijfplaatsen (sloop,
inventarisatie. Mitigerende
herbergen potentiële
renovatie, onderhoud
maatregelen bestaan uit het
verblijfplaatsen. Daarnaast
woningen en kap bomen)
aanbrengen van
kunnen de bomen op en om
kunnen effecten optreden.
alternatieve verblijfplaatsen
agrarische bouwvlakken een
Het bestemmingsplan maakt
(onder andere
rol spelen als verblijfplaats
dat niet rechtstreeks
vleermuiskasten) en
voor vleermuizen,
mogelijk. Kap van bomen
behouden, versterken en/of
foerageergebied en als
kan resulteren in aantasting
compenseren
onderdeel van vliegroutes.
van verblijfplaatsen,
groenstructuren. Zie ook
foerageergebied en
kennisdocumenten BIJ12
vliegroutes. Ringslang
Rugstreeppad
Watergangen en oevers van
Aantasting functioneel
Instandhouden
watergangen in het agrarisch
leefgebied door
oevervegetaties en
buitengebied vormen mogelijk
werkzaamheden langs
oppervlaktewateren
geschikt foerageergebied.
watergangen
Geschikt leefgebied komt
In staat om snel nieuw
Afschermen van
voor in het gehele gebied.
leefgebied te koloniseren.
werkgebieden zodat
Voortplantingswateren
Bij de beperkte ruimtelijke
kolonisatie wordt
bestaan uit de -kleine-
ontwikkelingen die het
voorkomen.
watergangen en ondiepe
bestemmingsplan toestaat is
Eventueel aanwezige
poelen. Landhabitat kan
een kans dat de
dieren wegvangen en in
onder andere bestaan uit
rugstreeppad het gebied
tijdelijk alternatief habitat
schuilplaatsen onder of nabij
koloniseert, voortzetting van
(eventueel nieuwe
bebouwing, rommelhoekjes
de werkzaamheden is dan
watergangen) uit zetten. Bij
en dergelijke
in overtreding van de Wnb.
vergraven van watergangen
Bij vergraven van
dient aangrenzend
watergangen kan schade
alternatief leefgebied
optreden.
voorhanden te zijn en/of kunnen de watergangen geschikt gehouden blijven. Zie ook kennisdocument BIJ12
Heikikker
Geschikt leefgebied in de
Aantasting van
Afschermen van
vorm van voortplantingswater
voortplantingswater door
werkgebied zodat amfibieën
als watergangen met rijke
werkzaamheden aan
(in de trektijd) niet worden
oever- en
waterpartijen en aantasting
gedood. Behouden van
80/147
Kenmerk
R002-1272479LBE-V01-hme-NL
Soort
Inschatting geschikt
Mogelijke effecten
leefgebied
Mogelijke mitigerende maatregelen
onderwatervegetatie en
van winterhabitat door
voldoende leefgebied of
poelen. Landhabitat kan
aantasten van locaties met
creëren van voldoende
onder andere bestaan uit
geschikte
leefgebied in de directe
schuilplaatsen onder stronken
schuilmogelijkheden.
nabijheid van het huidige
hout, holtes in de grond of
leefgebied. Zie ook
onder en nabij bebouwing.
kennisdocument BIJ12
Grote
Sporadisch: brede
Alleen bij aantasting van
Inventariseren en ontzien
modderkruiper
(geïsoleerde) watergangen
genoemde watergangen
van geschikte leefgebieden.
met goed ontwikkelde
Bij effecten:
watervegetaties
Mitigerende maatregelen bestaan uit het creëren van geschikt alternatief leefgebied (watergangen) en/of geschikt houden van de te vergraven watergang en tijdens uitvoering voorkomen van verwonding en doding van individuen. Zie ook kennisdocument BIJ12
Groene
Sporadisch: brede
Alleen bij aantasting van
Inventarisatie en ontzien
glazenmaker
watergangen met
brede watergangen met
van geschikte
krabbenscheer
krabbenscheer is een effect
voortplantingswateren
mogelijk
5.5.2 Conclusie Op basis van de eisen die aan individuele ontwikkelingen worden gesteld en de praktische mogelijkheden om beschermde soorten in te passen in lokale ontwikkelingen, zijn als gevolg van het bestemmingsplan geen wezenlijke effecten op beschermde soorten te verwachten. Dit betekent dat ook geen belemmeringen voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan aan de orde zijn. Het effect is dus als ‘neutraal’ beoordeeld.
5.6
Effecten op beschermde houtopstanden
Het bestemmingsplan heeft een overwegend conserverend karakter, en maakt geen ontwikkelingen mogelijk waarvan op voorhand een negatief effect op beschermde houtopstanden wordt verwacht. Incidenteel kunnen ruimtelijke ontwikkelingen, die voortvloeien uit het nieuwe bestemmingsplan, een effect hebben op beschermde houtopstanden. In dit geval kan door in- en aanpassing van de ontwikkeling overtreding van de wet worden voorkomen. Indien dit niet mogelijk is volgt hieruit een kapmelding en herplantplicht. Vanwege het conserverende karakter van het bestemmingsplan en een parallel lopend beleidsspoor onder de Wnb is het effect als ‘neutraal’ beoordeeld.
81/147
Kenmerk
5.7
R002-1272479LBE-V01-hme-NL
Effecten op Natura 2000-gebieden (Passende Beoordeling deel 1)
5.7.1 Bestemming Binnen het plangebied liggen de Natura 2000-gebieden: Oudegaasterbrekken, Fluessen en omgeving: 0 kilometer
Witte en zwarte Brekken: 0 kilometer Sneekermeergebied: 0 kilometer
Alle bovenstaande gebieden hebben de gepaste bestemming ‘natuur’ (al dan niet gecombineerd met water) gekregen. Daarmee is de bestemming van de Natura 2000-gebieden in orde. 5.7.2 Ontwikkelingsmogelijkheden De ontwikkelingsmogelijkheden die het bestemmingsplan biedt, kunnen van invloed zijn op verschillende typen gevoeligheden van Natura 2000-gebieden. Deze mogelijke effecten zijn schematisch weergegeven in tabel 5.17. In de navolgende alinea’s zijn de effecten toegelicht. De effecten zijn beoordeeld aan de hand van instandhoudingsdoelen van de nabijgelegen Natura 2000-gebieden. Tabel 5.17 Mogelijke effecten van ontwikkelingen op gevoeligheden van nabijgelegen Natura 2000-gebieden. Legenda: ‘X’ = mogelijk effect, ‘-’ = geen effect. De nabijgelegen Natura 2000-gebieden zijn benoemd in tabel 5.3 Gevoeligheid Ontwikkelingsmogelijkheid
Mogelijk effect
Vermesting
Verstoring
Uitbreiding agrarisch
Toename stikstofdepositie
X
-
bouwvlakken
Toename lichtuitstraling
-
X
Intensivering recreatief
Toename betreding
-
X
medegebruik
Toename stikstofdepositie
X
-
Alle nabijgelegen
Alle nabijgelegen
gebieden
gebieden
door recreatief verkeer Mogelijk beïnvloede gebieden
Uitbreiding agrarische bouwvlakken nabij Natura 2000-gebied In Natura 2000-gebieden liggen geen agrarische bouwvlakken c.q. stippen. Uitbreiding van oppervlakte aan bouwvlak is evenmin toegestaan binnen Natura 2000-gebieden. Effecten beperken zich daarom tot een mogelijke toename in stikstofdepositie of lichtuitstraling. Dit wordt in de volgende alinea’s behandeld. Stikstofuitstoot van bedrijven De gebiedsgerichte modellering wordt behandeld in paragraaf 5.8. Toename lichtuitstraling Bij nieuwbouw van stallen wordt steeds meer gebruik gemaakt van meer open stalsystemen in plaats van de traditionele stalsystemen. Daardoor bestaat er ook kans op meer lichtuitstraling vanuit de nieuwe stallen naar het buitengebied. Een toename van licht binnen het Natura 2000gebied kan voor verschillende soorten verstorend werken. Lichtuitstraling naar Natura 2000-
82/147
Kenmerk
R002-1272479LBE-V01-hme-NL
gebieden is doorgaans eenvoudig te voorkomen door het nemen van maatregelen. Voor bouwvlakken c.q. stippen binnen 500 meter van een Natura 2000-gebied moet daarom worden onderzocht of lichthinder optreedt. Passende maatregelen zijn beschikbaar om lichthinder te voorkomen. Een significante verstoring wordt dan voorkomen. Intensivering recreatief medegebruik: stikstofuitstoot van verkeer Het bestemmingsplan maakt het mogelijk om recreatief medegebruik van het agrarisch buitengebied uit te breiden. Hierdoor kan de stikstofdepositie ten gevolge van recreatief verkeer toenemen. Effecten op instandhoudingsdoelen van habitattypen zijn echter uitgesloten omdat: De verwachte toename aan recreatief medegebruik is verwaarloosbaar klein ten opzichte van