Bijlage 12 - PlanMER bestemmingsplan BGB-II
Tekst van het document
het bestaand recreatief medegebruik Het aandeel van stikstofuitstoot ten opzichte van agrarische bedrijven is zeer beperkt De stikstofuitstoot door ontwikkelingsmogelijkheden van agrarische bedrijven niet leidt tot depositietoename in kwalificerende, stikstofgevoelige habitattypen
Intensivering recreatief medegebruik: verstoring door betreding Ontwikkelingsmogelijkheden voor recreatief medegebruik van het agrarisch buitengebied kunnen leiden tot een toename van recreanten in Natura 2000-gebied, wat kan leiden tot verstoring van kwalificerende habitat- en vogelrichtlijnsoorten. Effecten op instandhoudingsdoelen zijn echter uitgesloten omdat: De verwachte toename aan recreatief medegebruik is verwaarloosbaar klein ten opzichte van het bestaand recreatief medegebruik
Recreanten zullen zich vooral beperken tot de bestaande (vaar)wegen en paden in natuurgebieden. Deze liggen niet in de meest verstoringsgevoelige delen van het gebied
5.7.3 Conclusie Het bestemmingsplan is aangaande de bescherming van Natura 2000-gebieden uitvoerbaar. De gebieden zijn gepast bestemd. Ontwikkelingsmogelijkheden zoals uitbreiding van agrarische bouwvlakken c.q. stippen en recreatief medegebruik, leiden niet tot (significant) negatieve effecten op instandhoudingsdoelen of ‘oude doelen’. Het effect op Natura 2000-gebieden is dus als ‘neutraal’ beoordeeld. In de navolgende paragraaf worden de effecten vanuit stikstofdepositie beschouwd.
5.8
Stikstof en Natura2000 (Passende Beoordeling deel 2)
In de omgeving van het plangebied liggen diverse Natura 2000-gebieden die gevoelig zijn voor stikstof. Daarom zijn daar effecten van veranderingen in de stikstofdepositie niet op voorhand uit te sluiten. Stikstofdepositie draagt op dit moment sterk bij aan verzuring en vermesting in natuurgebieden. Met name landbouw, industrie en verkeer vormen de belangrijkste bronnen van stikstofuitstoot. Bebouwing op bestaande bouwvlakken en het gebruik van die bebouwing kan leiden tot toename van stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden. Het bestemmingsplan maakt het bebouwen van agrarische bouwvlakken mogelijk onder de voorwaarde dat er vooraf dient te worden aangetoond
83/147
Kenmerk
R002-1272479LBE-V01-hme-NL
dat er geen sprake is van een significante toename van de ammoniakdepositie in een Natura 2000-gebied, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen van het betreffende Natura 2000-gebied. (Significant negatieve) effecten op instandhoudingsdoelen door uitbreiding van de bebouwing binnen de bouwvlakken zijn echter uitgesloten doordat uitbreiding van de bebouwing alleen onder voorwaarde van een per saldo afname van de depositie is toegestaan. Voor de onderbouwing van deze conclusie wordt verwezen naar hoofdstuk 4.
6 Effecten van de overige thema’s In hoofdstuk 5 staan de effecten voor natuur beschreven. Dit hoofdstuk geeft de effecten voor de andere thema’s weer. De volgende thema’s komen achtereenvolgens aan de orde: Landschap, Cultuurhistorie, Archeologie, Bodem en water, Verkeer, Geluid, Geur, Luchtkwaliteit, Lichthinder, Recreatie, Gezondheid en -bevordering, Klimaat, Duurzaamheid en Energie.
6.1
Methodiek en effectenonderzoek
De milieueffecten hebben betrekking op het plan- en studiegebied. De reikwijdte van het studiegebied kan per aspect verschillen. Om effecten correct te kunnen bepalen, moet eerst een goede referentiesituatie worden vastgelegd. De referentiesituatie betreft de huidige situatie en de autonome ontwikkeling. Deze zijn eerder in hoofdstuk 3 al globaal beschreven. In dit hoofdstuk wordt voor elk milieuaspect de meer specifieke referentiesituatie toegelicht. Voor een beschrijving van de beoordelingsmethodiek wordt verwezen naar paragraaf 3.4.
6.2
Landschap
6.2.1
Inleiding
In deze paragraaf staat de landschappelijke karakteristiek van het plangebied en de mogelijke effecten op die karakteristiek door de ontwikkelingen zoals deze in het bestemmingsplan worden mogelijk gemaakt. De worstcase situatie is hierbij het uitgangspunt. Opgemerkt wordt dat de gemeente voor het plaatsen van kleine windturbines en landschappelijke inpassing daarvan regels beperkende regels heeft opgenomen. Voor de plaatsing van deze windturbines geldt dat vooraf onderzoek nodig is naar de landschappelijke inpassing. 6.2.2 Huidige situatie In figuur 6.1 wordt de ligging van de landschappelijk karakteristieke eenheden weergegeven. Het landschap binnen het plangebied valt uiteen in twee landschappelijke deelgebieden. Kleigebied Veengebied Het landschap van de klei- en veengebieden wordt hierna verder beschreven.
84/147
Kenmerk
R002-1272479LBE-V01-hme-NL
Kleilandschap Het kleigebied is een open en grootschalig landschap met structurerende elementen als dijken, terpen, eendenkooien, paden en vaarten. Het grondgebruik bestaat voor het overgrote deel uit grasland. Boerderijen en gehuchten liggen omlijst met beplanting als punten in het weidse landschap. Typerend voor het kleigebied zijn de Hemmen met de Hemdijken. Deze vormen een krans rondom de voormalige Middelzee, gelegen tussen Sneek en Bolsward zoals zichtbaar op figuur 6.2. Naast de Hemdijken liggen er ook een aantal slaperdijken. Het open kleiterpengebied kent een hoge dichtheid aan terpen en terpdorpen en vaak verhoogde boerderijerven.
85/147
Kenmerk
R002-1272479LBE-V01-hme-NL
Figuur 6.1 Landschapskaart plangebied (Visie Ruimtelijke Kwaliteit, Gemeente Súdwest-Fryslân)
86/147
Kenmerk
R002-1272479LBE-V01-hme-NL
Figuur 6.2 Karakteristieken van het kleigebied (Visie Ruimtelijke Kwaliteit, Gemeente Súdwest-Fryslân)
87/147
Kenmerk
R002-1272479LBE-V01-hme-NL
Elementen en structuren in het kleigebied Verkaveling Het kleigebied bestaat uit een grote variatie van verschillende verkavelingstypen. De zogenaamde hempolders hebben over het algemeen een blok- of strookverkaveling als kenmerkende indeling. Deze verkaveling vormt de geleidelijke overgang naar de opstrekkende verkaveling van de veengebieden in het zuiden van het plangebied. Door overstromingen raakten de veenlagen onder het kleipakket geïnfiltreerd met zout water. Bewoners groeven putten of geulen door de kleilaag van waaruit zij turf omhoog haalden om die na droging te verbranden en zo het zout er uit te winnen. Deze activiteiten hebben bijgedragen aan het microreliëf in het kleigebied. In het kleigebied in het noorden en westen van de gemeente komt een blokvormige verkaveling voor. De onregelmatige verkaveling is vaak ouder en wordt gekenmerkt door kronkelende waterlopen die teruggaan op natuurlijke kreken en prielen in het kwelderlandschap. Het slotenpatroon vertelt veel over het natuurlijke landschap en de ingebruikname ervan. Dit verkavelingstype is kenmerkend voor grote delen van Fryslân. Het gebied van de Marneslenk en de voormalige Middelzee wordt gerekend tot de oude zeepolders en wordt gekenmerkt door een regelmatige blokverkaveling. In de zogenaamde moederpolders is sprake van een onregelmatig blokvorming.
Het onregelmatige karakter is deels het gevolg van de aanwezigheid van de vele (voormalige) geulen in het gebied. Hemdijken Vanwege de lage ligging telt het klei- en hemmengebied een groot aantal binnendijken die verdeeld kunnen worden in hemdijken en slaperdijken. De hemdijken onder Bolsward en Sneek zijn bijzonderheden in dit totale dijkensysteem. De hemdijken liggen nog goeddeels in het landschap, zo niet als verhoogd dijklichaam, dan wel nog zichtbaar als tracé. Deze aaneenschakeling van 12e eeuwse hemdijken bezit meestal nog het oude profiel en dijkshoogte. Slaperdijken werden aangelegd als secundaire waterkering, om de gevolgen van eventuele overstromingen te beperken.
Figuur 6.3 De hemdijken en westen en noorden van Blauwhuis (Bron: Visie Ruimtelijke Kwaliteit Gemeente Súdwest-Fryslân)
88/147
Kenmerk
R002-1272479LBE-V01-hme-NL
Vaarten Het watersysteem was van oudsher het belangrijkste vervoersysteem. In het klei- en veengebied was een fijnmazig stelsel van vaarten en opvaarten aanwezig, allemaal onderdeel van het boezemsysteem waarvan ook de meren deel uitmaken. In de loop der jaren is het transport over water steeds minder belangrijk geworden en zijn met name veel opvaarten in onbruik geraakt en van de boezem afgesloten. Terpen Zoals zichtbaar in figuur 6.2 liggen er verspreid over het plangebied veel terpen. De eerste terpen werden vanaf 500 voor Christus opgeworpen. Met de komst van de eerste dijken zo rond 1000, werden er geen nieuwe terpen meer opgeworpen. Aan het begin van de 20ste eeuw werden veel terpen (gedeeltelijk) afgegraven. De vrijgekomen grond werd onder andere gebruikt om elders de landbouwgronden te verrijken. De belangrijkste nederzettingsvorm die nog altijd te herkennen is, is dan ook het terpdorp. Een terpdorp heeft met verspreide bebouwing rondom de kerk op een centrale positie een individuele verschijningsvorm die zich door onregelmatige bebouwingsreeksen met vaak verspringende rooilijn kenmerkt. Veel terpdorpen kennen open veldjes of dorpsweides. Het groene silhouet, de doorkijkjes naar het landschap, de open veldjes en het reliëf geven de terpdorpen hun kenmerkende groene en open structuur. De kerktorens steken boven het groen uit en maken het dorp herkenbaar.
Behalve de vele kleine dorpen liggen in het kleigebied de Friese Elfsteden, waaronder Bolsward, Sneek en Workum. Belangrijkste kenmerken en kwaliteiten van het kleigebied
Openheid en grootschalig met structurerende elementen als (hem- en slaper)dijken, terpen, terpdorpen, paden en vaarten Wisselend gebieden met een onregelmatige en regelmatige blokverkaveling Beplanting puntvormig geconcentreerd rondom boerderijen en dorpen en langs hoofdontsluitingswegen Aanwezigheid van grasland in lagere delen en akker- en tuinbouw op de kwelderwallen. Door de wijze van verkaveling de herkenbare ligging van de voormalige Middelzee. Het gebied heeft een relatief regelmatige blokverkaveling, opstrekkend vanuit de kwelderwallen
Het Veengebied Kenmerkend aan het veengebied is de grootschalige openheid en weidsheid. Binnen deze weidsheid liggen puntvormige of lineaire verdichtingen zoals dorpen, gehuchten en boerderijen met erfbeplanting. Juist deze kleinschaligheid van gehuchten en dorpjes binnen het grootschalig landschap is karakteristiek voor het veengebied. Het grondgebruik bestaat voor het grootste deel uit grasland, met afwisselend water en natuur van uiteenlopende omvang. De randen van meren en vaarten worden omzoomd door brede rietkragen. De veengronden zijn ontgonnen in een opstrekkende verkaveling. Elementen en structuren in het veengebied
89/147
Kenmerk
R002-1272479LBE-V01-hme-NL
Verkaveling De opstrekkende verkaveling is qua oriëntatie veelal nog goed intact, maar veel van de sloten die in de kenmerkende verkaveling hoorde, zijn verschraald. Door de landinrichting zijn veel onregelmatigheden in de percelering opgeruimd. Belangrijke elementen in dit landschap zijn de oude grenzen van de ontginningsblokken. Waar ze onderdeel uitmaken van grotere vaarwegen, is hun voortbestaan meestal gewaarborgd. Maar omdat de ontginningsgrenzen vaak niet makkelijk zijn waar te nemen in het veld, dreigt het gevaar dat er bij nieuwe ontwikkelingen geen rekening wordt gehouden met deze voor het landschap belangrijke lijnen. In het landschap is het eigenlijk niet waarneembaar, op de kaart valt het pas op: de doorlopende lijnen van de ontginningen aan weerskanten van de meren. Op sommige plekken zijn veenriviertje nog te herkennen in een oud slootrestant, dat door zijn onregelmatigheid opvalt.
Figuur 6.4 De verschillende veenontginningsblokken met de opstrekkende verkaveling (Bron: Visie Ruimtelijke Kwaliteit Gemeente Súdwest-Fryslân)
Veenstromen en meren In de 9e eeuw lag er ten zuiden van de kleigebieden een grote hoogveenkoepel, waaruit enkele veenriviertjes ontsprongen en naar het noorden afwaterden. De meest oostelijke veenbeek in het Friese veengebied gebied was het Ges. Het stroomde richting Sneek waarna het samenvloeide met de Drylster Ie, de belangrijkste veenstroom in het gebied, om uit te monden in de Middelzee. De veenstroompjes vormden de oorsprong van de verschillende verkavelingsblokken; ze zijn de uitgangspunten geweest voor de ontginning. Van deze oorspronkelijke veenriviertjes die als basis voor de ontginningen dienden is weinig overgebleven. Het watersysteem was van oudsher het belangrijkste vervoerssysteem in het veengebied. De meren in dit gebied zijn zeer kenmerkend. Ze zijn bijna allemaal ontstaan in de Middeleeuwen als gevolg van de ontginning van het veengebied door de mens en klimaatverandering. Er is onderscheid te maken in grote open meren, zoals de Fluezen en het Hegemer Mar, en in kleinere
90/147
Kenmerk
R002-1272479LBE-V01-hme-NL
meren waarvan langs de randen vaak beplanting is opgeslagen, zoals het gebied rond de Aldegeaster Brekken. Kenmerkend zijn de zogenaamde bûtlannen. Deze bûtlannen liggen voor de boezem omgeven door een lage kade. ‘s Winters loopt een deel van deze bûtlannen onder. Vroeger als extra ruimte voor de boezem, nu ook vanwege natuurbeheer. Belangrijkste kenmerken en kwaliteiten van de veengebieden Grootschalige openheid en weidsheid, met een grote afwisseling tussen overwegend
grasland, natuur en water van gevarieerde omvang Water met oeverbegroeiing (rietkragen) langs meren, vaarten en kanalen Ondergeschikte puntvormige verdichtingen (vaart)dorpen, (agrarische) bebouwing met
erfbeplanting Onregelmatige, opstrekkende strokenverkaveling Aanwezigheid van grasland
Aardkundige waarden Binnen het plangebied ligt een ten oosten van Raerd een klein gedeelte van een waardevol oeverwallensysteem. Deze oeverwallen zijn van grote waarde, omdat ze een representatief voorbeeld zijn van een mondingsgebied van een rivier (de oude Boorne) in een door getijden beheerste binnenzee. Overige aardkundig waardevolle gebieden liggen volgens de cultuurhistorische kaart Fryslân buiten het plangebied. 6.2.3
Autonome ontwikkeling
Het grootste deel van de landbouw in het plangebied is veeteelt. Een belangrijke (autonome) ontwikkeling in de veeteelt is schaalvergroting. Schaalvergroting leidt tot de vraag naar grotere bouwpercelen. In het proces van schaalvergroting zijn reguliere ontwikkelingen en schaalsprongen te onderscheiden. Reguliere ontwikkelingen bestaan uit de doorgroei in kleine stappen. In ruimtelijke zin betekent dit, dat bestaande stallen en bebouwing worden uitgebreid. Een schaalsprong betekent een uitbreiding in één of meerdere grote stappen waarbij een nieuwe moderne ligboxenstal met bijbehorende ruwvoeropslag en werktuigenloods worden gebouwd, afgestemd op de gewenste schaalgrootte. 6.2.4 Effecten Zoals beschreven bestaat uit plangebied uit een divers en waardevol landschap. De inpassing van nieuwe ontwikkelingen binnen de in de voorgaande paragraaf benoemde kenmerken en kwaliteiten zijn van belang voor het behoud van deze unieke landschappen. Zoals benoemd onder de autonome ontwikkeling leidt een schaalvergroting in het landschap in veel gevallen tot een negatieve beïnvloeding. Het zorgvuldiger inpassen van nieuwe ontwikkelingen en de kaders/ handreikingen die het nieuwe bestemmingsplan hiervoor biedt zijn van invloed op de beoordeling in dit MER. Dit kan zelfs leiden tot een versterking van het bestaande landschap.
Uitgangspunt van het bestemmingsplan is dat met betrekking tot het voorkomen van verrommeling van het landelijk gebied de bouw van nieuwe losstaande veestallingen dan wel agrarische loodsen moet worden voorkomen. De bestaande losstaande veestallingen worden in
91/147
Kenmerk
R002-1272479LBE-V01-hme-NL
het plan opgenomen (zonder uitbreidingsmogelijkheden). Het gebruik beperkt zich tot agrarische activiteiten en inpandige opslag. Voor niet losstaande veestallingen geldt dat een maat van 14 meter als maximum voor de bouwhoogte worden gehanteerd. De goothoogte van agrarische bedrijfsgebouwen bedraagt 5 meter. Middels een binnenplanse afwijkingsmogelijkheid kan medewerking worden verleend voor een goothoogte tot ten hoogste 6,5 meter voor gebouwen die worden gebruikt als werktuigberging29. Deze bouwregels zijn afgestemd op de traditionele bedrijfsgebouwen in de bestemmingsplannen voor het buitengebied. De serrestal komt niet overeen met deze bouwregels. Om sturend op te kunnen treden, heeft de gemeente de mogelijkheid om voor serrestallen en boogstallen een binnenplanse afwijkingsmogelijkheid op te nemen met betrekking tot goothoogte en dakhelling. Verder geldt bij de vergroting van het bouwvlak dat om medewerking te kunnen verlenen aan een aanvraag omgevingsvergunning een landschappelijke inpassing conform de werkwijze van “De Nije Pleats” vereist is30. Dit geldt zowel voor een partiële herziening van het bestemmingsplan tot 3 hectare als voor een afwijking tot maximaal 2 hectare op grond van het bestemmingsplan.
Met een binnenplanse afwijkingsprocedure kunnen biogasinstallaties als nevenactiviteit bij alle agrarische bedrijven worden toegestaan indien de installatie is gericht op het verwerken van eigen geproduceerde mest (met eventuele toevoeging van derden afkomstige cosubstraten). In het bestemmingsplan is een aparte regeling opgenomen voor biomassa / vergistingsinstallaties zodat uit ruimtelijk oogpunt sturing aan deze ontwikkeling kan worden gegeven”. Wat betreft kleinschalig kamperen geldt dat opschaling naar 25 kampeermiddelen alleen mogelijk is wanneer een goede landschappelijke inpassing gegarandeerd moet worden (geen gebouwde objecten zoals stacaravans en chalets). Dit geldt ook voor jachthavens en overige recreatieve ontwikkelingen. Daarnaast zijn alle hoog en zeer hoog gewaardeerde verkavelingsblokken zijn beschermd middels een dubbelbestemming Waarde-landschap verkaveling. In de omgevingvergunning voor werkzaamheden moet een afweging worden gemaakt in hoeverre een waardevolle verkavelingsstructuur wordt aangetast. Ook is een dubbelbestemming Cultuurhistorisch waardevolle lijnen opgenomen. Wat betreft het plaatsen van kleine windmolens geldt dat een zeker effect op het landschap niet is uit te sluiten. Echter, met name door de beperkingen wat betreft het aantal (niet meer dan 3) en de hoogte (niet hoger dan 15 meter), blijven de effecten beperkt tot een aanvaardbaar niveau.
29
Dubbellaags gebruik van dierenverblijfsplaatsen is en blijft niet mogelijk Een in 2009 in opdracht van de provincie Fryslan ontwikkelde werkwijze om de landschappelijke inpasbaarheid van de ruimtelijke schaalvergroting in de landbouw te borgen 30
92/147
Kenmerk
R002-1272479LBE-V01-hme-NL
Conclusie De schaalvergroting die ook dit bestemmingsplan niet in de wegstaat kan bij een onzorgvuldige inpassing leiden tot een verdere achteruitgang van de kwaliteiten van het landschap. Daarom moet per opgave een zorgvuldige afweging plaatsvinden hoe een initiatief ingepast kan worden in het betreffende landschapstype rekening houdend met de specifieke kwaliteiten van de plek. In het veengebied leidt dit tot een andere afweging dan bijvoorbeeld het stuwwallandschap. Iedere opgave blijft dus maatwerk en vraagt om een nader landschappelijk inpassingsonderzoek. In het bestemmingsplan is in principe voor alle ruimtelijke ontwikkelingen die in het kader van het nieuwe bestemmingsplan worden gerealiseerd een zorgvuldige landschappelijke inpassing als voorwaarde opgenomen. Hiermee zijn landschappelijke waarden in het gebied geborgd. Het effect op het landschap is neutraal (0). Aardkundige waarden Voor de belangrijkste aardkundige waarden in het plangebied worden voorwaardelijke bepalingen opgenomen in het bestemmingsplan. Hiermee wordt de aantasting van deze waarden zoveel mogelijk beperkt. Het effect is neutraal (0).
6.3
Cultuurhistorie inclusief archeologie
6.3.1 Huidige situatie Cultuurhistorie; historische geografie en historische stedenbouw De gemeente Súdwest-Fryslân heeft een rijke geschiedenis. Deze geschiedenis is in de huidige situatie veelal nog af te lezen aan cultuurhistorische elementen. Het buitengebied kent een lange historie, heeft een fraai landschap en bijzondere gebouwen. Voor het behoud en ontwikkeling van dit erfgoed heeft de gemeente Súdwest-Fryslân erfgoedbeleid31 opgesteld. Op het gebied van gebouwd erfgoed is de gemeente landelijk de grootste op het gebied van beschermde stads- en dorpsgezichten. De gemeente kent 20 rijks- en 8 gemeentelijk beschermde stads- en dorpsgezichten. Op grond van de bekende en te verwachten cultuurhistorische waarden is de provinciale cultuurhistorische kaart (CHK) opgesteld. Op deze kaart staan ook de bekende en te verwachten cultuurhistorisch waarden binnen Súdwest-Fryslân aangegeven. De CHK bestaat uit meerdere lagen waarin informatie over de cultuurhistorische waarden wordt verstrekt. De CHK dient als één van de instrumenten om beslissingen te kunnen nemen ten aanzien van bekende en te verwachten cultuurhistorische waarden. Daarnaast heeft de gemeente een gedetailleerde cultuurhistorische inventarisatie en waardering uit laten voeren in 2014, 2021 en 202232. Ook is de Landschapsbiografie Súdwesthoeke opgesteld.
31
Erfgoednota 2021-2026, Cultureel erfgoed is geen keus! April 2021 Gemeente Súdwest-Fryslân Historisch-geografische inventarisatie en waardering van het buitengebied (2014), historische verkaveling in de gemeente Sudwest Fryslân (2021) en historische wegen en paden in de gemeente Sudwest Fryslân (2022) 32
93/147
Kenmerk
R002-1272479LBE-V01-hme-NL
Archeologische waarden De gemeente ligt in een cultuurlandschap dat grotendeels is aangewezen als Nationaal Landschap. In het gebied is een groot aantal terreinen met archeologische waarde aanwezig, die nationaal erkend zijn. De verantwoordelijkheid voor de bescherming van archeologische waarden ligt bij de gemeente. Dit is zo geregeld via De Erfgoedwet. De taken voor de gemeente binnen de Erfgoedwet zijn het meenemen van archeologische waarden in ruimtelijke procedures en de koppeling maken tussen archeologisch (verwachtings)waarden en het bestemmingsplan. De archeologische waardevolle terreinen en de verwachtingszones zijn in het bestemmingsplan beschermd via een dubbelbestemming archeologie. FAMKE – Friese Archeologische Monumentenkaart Extra Voor een zo goed mogelijk inzicht in de verwachting, verspreiding en de aard van het bodemarchief is de Friese Archeologische Monumentenkaart Extra opgesteld. De FAMKE De FAMKE is in eerste instantie gebaseerd op twee bestaande landelijke kaarten: de Archeologische Monumentenkaart (AMK) en de Indicatieve Kaart Archeologische Waarden (IKAW). Daarnaast houdt de FAMKE rekening met de kans dat de mogelijk aanwezige archeologische resten verstoord zijn. Aan de andere kant houdt de FAMKE ook rekening met de omvang van de bodemingreep.
Dit alles bij elkaar is vertaald in kaarten van geheel Fryslân waarin is aangeven hoe er het beste met het bodemarchief kan worden omgegaan. De FAMKE bestaat uit twee advieskaarten, één voor de periode steentijd - bronstijd (300.000 800 voor Christus), en één voor de periode ijzertijd- middeleeuwen (800 voor Christus- 1500 na Christus). Voor deze indeling in twee perioden is gekozen omdat de adviezen voor mogelijke vindplaatsen uit de steentijd vaak verschillen van die voor mogelijke jongere vindplaatsen. De adviezen die voor de verschillende zones in Fryslân gegeven worden variëren van ‘streven naar behoud' tot ‘geen nader onderzoek nodig'. Deze adviezen geven aan welke vervolgstappen noodzakelijk zijn om op een verantwoorde manier om te gaan met het bodemarchief in een nieuw te maken bestemmingsplan, een bestemmingsplanwijziging, een ontgronding of een sanering. Een uitsnede van beide kaarten voor de gemeente Súdwest-Fryslân is hieronder opgenomen.
94/147
Kenmerk
R002-1272479LBE-V01-hme-NL
Figuur 6.5 FAMKE Advieskaart steentijd-bronstijd
Figuur 6.6 FAMKE Advieskaart ijzertijd-middeleeuwen
95/147
Kenmerk
6.3.2
R002-1272479LBE-V01-hme-NL
Effecten op cultuurhistorie inclusief archeologie
Cultuurhistorie De binnen het plangebied gelegen cultuurhistorische waarden worden beschermd door een dubbelbestemming of aanduiding waar specifieke regels voor gelden (onder meer voor karakteristieke panden). Daarnaast zijn deze waarden ook opgenomen in een omgevingsvergunning opgenomen voor een werk geen bouwwerk zijnde waarin in aangetoond dient te worden op welke wijze waarden worden ontzien. Op deze wijze in combinatie met de bepalingen op het gebied van landschap zijn historische geografische waarden in het gebied geborgd. De bescherming van rijks- en gemeentelijke monumenten in het plangebied geschiedt via sectorale regelgeving in de Erfgoedwet en het vastgesteld gemeentelijke beleid. Het effect op dit thema is neutraal (0). Archeologie Het belangrijkste beleid met betrekking tot behoud van archeologische waarden is behoud “in situ”. Dit betekent dat de waarden behouden blijven door ze toegedekt te laten in de bodem en ze niet te verstoren. Indien wordt besloten wordt tot het opgraven van archeologische waarden of anderzijds het verstoren van waarden heeft dit een negatief effect. Ten aanzien van uitbreiding van bestaande bedrijven is er een kleine kans op aantasting van archeologische waarden ter plaatse.
In het bestemmingsplan is een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden’ opgenomen voor gebieden met een archeologische verwachtingswaarde, inclusief de verplichting tot archeologisch onderzoek. Daardoor is de kans op aantasting van archeologische waarden zoveel mogelijk beperkt binnen de mogelijkheden die het bestemmingsplan biedt. Aantasting van archeologische waarden is niet aannemelijk. Het effect is neutraal (0).
6.4
Bodem en water
6.4.1 Huidige situatie bodem en water In deze paragraaf wordt de huidige situatie en autonome ontwikkeling van bodem en water besproken aan de hand van de beoordelingscriteria: bodemopbouw, drinkwaterwinning- en beschermingsgebieden, geschiktheid voor WKO-systemen en waterkeringen. 6.4.1.1 Bodemopbouw Bodembescherming De Wet bodembescherming richt zich op de bescherming van de bodem tegen verontreiniging en andere vormen van aantasting. De Wet bodembescherming verplicht eenieder die op of in de bodem handelingen verricht en die weet of redelijkerwijs had kunnen vermoeden dat die handelingen de bodem verontreinigen of aantasten om alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd om die verontreiniging of aantasting te voorkomen. Om dit te bereiken worden op grond van de Wet milieubeheer regels gesteld om verontreinigingen door bedrijven te voorkomen.
96/147
Kenmerk
R002-1272479LBE-V01-hme-NL
Bodemkwaliteit Bij het opstellen van bestemmingsplannen is de vraag of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het huidige of toekomstige gebruik van die bodem en of deze optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Het uitgangspunt hierbij is dat aanwezige bodemverontreiniging geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem en dat de bodemkwaliteit niet verslechtert door grondverzet (bijvoorbeeld grondwerkzaamheden). Omdat het bestemmingsplan verder in hoofdzaak een conserverend plan is, waarin uitsluitend op perceelsniveau kleinschalige ontwikkelingen worden toegestaan, is in het kader van het plan geen nader onderzoek op het gebied van de bodemkwaliteit uitgevoerd. Bodemopbouw en grondgebruik De bodemopbouw binnen het plangebied is erg divers. In onderstaande figuur 6.7 is te zien dat in het plangebied de grondsoorten voornamelijk bestaan uit zware en lichte klei en meer in het zuiden uit veengebied. Op figuur 6.8 zijn de bodemtypes in het veenweidegebied aangegeven.
Figuur 6.7 Bodemopbouw (Bron: www.fryslan.maps.arcgis.com)
97/147
Kenmerk
R002-1272479LBE-V01-hme-NL
Figuur 6.8 Veenweidebodemkaart
In figuur 6.8 is ook aangegeven wat ontwikkel- en kansrijke ontwikkelgebieden zijn. In deze gebieden wordt gezamenlijk met relevante actoren gekeken naar de mogelijkheden voor een ander peilbeheer. Op onderstaande figuur 6.9 is het grondgebruik in het plangebied te zien. Het gaat met name om grasland en verbouw van maïs, bieten en andere landbouwgewassen.
98/147
Kenmerk
R002-1272479LBE-V01-hme-NL
Figuur 6.9 Uitsnede Grondgebruikskaart (Bron: www.fryslan.maps.arcgis.com)
6.4.1.2 Water De gemeente Súdwest-Fryslân valt onder het Wetterskip Fryslân. Het Wetterskip is verantwoordelijk voor het beheer van dijken, water en wegen. In het plangebied is sprake van een groot aantal hoofdwateren en meren/ plassen, welke onderling verbonden zijn. Ten behoeve van de waterhuishouding zijn in het plangebied ook een groot aantal kunstwerken (inlaten, stuwen, gemalen en sluizen) aanwezig, waardoor een groot deel van het waternetwerk bevaarbaar is voor de recreatie vaart. Navolgend figuur geeft de verschillende klasse vaarwegen in het plangebied weer. Het watergerelateerde toerisme vormt een belangrijke economische drager voor het plangebied, waardoor het borgen van de toegankelijkheid van de waterwegen van belang is.
99/147
Kenmerk
R002-1272479LBE-V01-hme-NL
Figuur 6.10 Vaarwegennetwerk (Bron: www.fryslan.maps.arcgis.com
100/147