Bijlage 12 - PlanMER bestemmingsplan BGB-II
Tekst van het document
De gemeente Súdwest-Fryslân wil de landbouw ontwikkelingsmogelijkheden bieden, maar wil tegelijkertijd aandacht besteden aan het behoud en versterking van het landschappelijke karakter en de daarbij horende landschapswaarden van het buitengebied. De belangrijkste agrarische en recreatieve ontwikkelingen die het bestemmingsplan Buitengebied Súdwest-Fryslân II mogelijk maakt staan hieronder puntsgewijs vermeld. Een en ander is mede gebaseerd op de Uitgangspuntennotitie Buitengebieden 2.0. De belangrijkste agrarische en recreatieve ontwikkelingen die het bestemmingsplan in het buitengebied mogelijk maakt staan hieronder puntsgewijs vermeld:
28/147
Kenmerk
R002-1272479LBE-V01-hme-NL
Bij recht krijgen bestaande grondgebonden agrarische bedrijven een denkbeeldige rechthoek
aan bebouwing met een oppervlakte van 1,5 hectare. Het is toegestaan om ongebruikte ruimte te benutten op de bestaande bouwvlakken7 De bebouwde oppervlakte van een bestaand niet-grondgebonden agrarisch bedrijf mag niet
meer bedragen dan 1,5 hectare, dan wel het al bestaande bebouwd oppervlakte Middels een afwijkings-bevoegdheid bestaat de mogelijkheid de denkbeeldige rechthoek (voorheen bouwvlak) voor grondgebonden agrarische bedrijven te vergroten tot maximaal 2
hectare Middels een partiële herziening van het bestemmingsplan kan een verdere schaalvergroting van grondgebonden agrarische bedrijven tot 3 hectare mogelijk worden gemaakt onder voorwaarde dat de emissie/depositie niet toe neemt. Hier is dus een volledig eigen procedure voor nodig: het onderhavige bestemmingsplan maakt niet meer mogelijk dan 2 hectare per veehouderij
Nieuwvestiging van een niet-grondgebonden veehouderij is niet mogelijk Bij een bestaand grondgebonden agrarisch bedrijf is (als neventak) vestiging van een nietgrondgebonden tak mogelijk met een oppervlakte van maximaal 500 m²
Eén bedrijfswoning per agrarisch bedrijf Middels een binnenplanse afwijkingsprocedure kunnen monovergistingsinstallaties als nevenactiviteit bij alle agrarische bedrijven worden toegestaan indien de installatie is gericht
op het verwerken van de op het eigen bedrijf geproduceerde mest Verbreding van de bedrijfsactiviteiten van agrarische bedrijven is mogelijk onder de voorwaarde dat de nevenactiviteiten ondergeschikt zijn aan het agrarisch bedrijf. Daarbij gaat het onder andere om het realiseren van een bed & breakfast, niet agrarische bedrijfsactiviteiten (milieucategorie 1 en 2), inpandige recreatieappartementen, een groepsaccommodatie en maatschappelijke / recreatieve voorzieningen. De uitbreiding is ten
hoogste 1/3 deel van de bedrijfsgebouwen, niet zijnde kassen, en bedrijfswoningen tot een maximale oppervlakte van 500 m² Bij vrijkomende agrarische bedrijven is een functiewijziging naar niet-agrarische functies mogelijk onder voorwaarden (onder andere geen onevenredige verkeersaantrekkende werking, geen afbreuk doen aan de ontwikkelingsmogelijkheden van aanwezige (agrarische) bedrijven
Bij sloop van minimaal 1.000 m² aan beeldverstorende agrarische bebouwing of minimaal 3.000 m² aan kassen mag één woning worden teruggebouwd in of direct aansluitend aan de bebouwde kommen
Bij (voormalig) agrarische bedrijven wordt de mogelijkheid geboden kleinschalig kamperen8 te ontwikkelen onder strenge voorwaarden Op basis van artikel 2, lid 6 van bijlage II, behorend bij het Besluit omgevingsrecht (Bor) is het
op basis van een aantal voorwaarden mogelijk om vergunningsvrij zonnecollectoren te plaatsen op daken van gebouwen zoals bedrijven en (bedrijfs)woningen. Dit kan niet worden uitgesloten met een bestemmingsplan
7
In de nieuwe systematiek wordt niet meer gewerkt met bouwvlakken maar met een denkbeeldige rechthoek. Alleen bij uitzondering en/of specifieke gevallen wordt nog een bouwvlak op de verbeelding aangeduid. 8 Het aantal staplaatsen op een kleinschalige camping is beperkt tot 25.
29/147
Kenmerk
R002-1272479LBE-V01-hme-NL
Er wordt ruimte geboden voor zonneweides onder kwalitatieve voorwaarden. Zonneweides kunnen ontwikkeld worden in en aansluitend aan stad en dorp. Daarbuiten wordt vastgehouden aan de lijn van ‘meervoudig ruimtegebruik’. Dit betekent dat op zichzelf staande opstellingen in het landelijk gebied niet mogelijk zijn omdat deze te veel invloed hebben op het landschap. Een zonneweide is wel mogelijk wanneer deze een plaats krijgt op het terrein van een andere, bestaande functie, zoals infra (restruimtes langs wegen) en grootschalige nutsvoorzieningen. Historische infrastructuur, zoals dijklichamen vallen daar
niet onder. De historische en landschappelijke kwaliteiten hiervan moeten voorop blijven staan Bij vergroting van bouwvlakken tot meer dan 1,5 hectare dient expliciet aandacht besteed te worden aan de landschappelijke inpassing, omdat gewerkt dient te worden conform (of vergelijkbaar met) de werkwijze van ‘De Nije Pleats’
Op 4 april 2019 heeft de gemeenteraad van Súdwest-Fryslân een motie aangenomen waarin het college is verzocht bij het college van Gedeputeerde Staten er op aan te dringen om meer ruimte te bieden voor de plaatsing van kleine solitaire windmolens met een masthoogte tot 15 meter in het landelijk gebied. In de geldende bestemmingsplannen in de gemeente Súdwest-Fryslân zijn nog geen specifieke regels voor kleinschalige windturbines opgenomen. Daarom is hiervoor het Paraplubestemmingsplan Súdwest-Fryslân - kleine windturbines vastgesteld op 3 maart 2022. De regelingen uit het parapluplan worden consoliderend overgenomen in het bestemmingsplan Buitengebied Súdwest Fryslân II. Het nieuwe bestemmingsplan Buitengebied Súdwest-Fryslân II maakt het volgende expliciet niet mogelijk: Nieuwvestiging van maneges
Mogelijkheid voor de vestiging van nieuwe (niet-)grondgebonden landbouw Ruimte voor nieuwe detailhandel (behoudens ondergeschikte nevenactiviteiten) Verdere uitbreiding van reguliere kampeerterreinen die niet aansluiten bij een kern
De nieuwvestiging van reguliere kampeerterreinen.
In het algemeen geldt dat nieuwe ontwikkelingen (geen uitbreidingen zijnde) geen onderdeel vormen van het nieuwe bestemmingsplan buitengebied. Daarnaast heeft de Gemeenteraad op 3 juni 2021 en op 9 mei 2022 een voorbereidingsbesluit genomen waardoor de komst en uitbreiding van geitenhouderijen op slot komt te staan in afwachting van nader onderzoek, waarvan de resultaten pas in 2024 worden verwacht. Naar aanleiding van het besluit van de gemeenteraad van Súdwest-Fryslân wordt in het bestemmingsplan geregeld dat het zonder omgevingsvergunning niet is toegestaan om een geitenhouderij op te richten dan wel uit te breiden. Eveneens is zonder omgevingsvergunning de omschakeling van een bestaand agrarisch bedrijf tot geitenhouderij niet toegestaan. Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning hiervan afwijken indien uit onderzoek in voldoende mate is gebleken dat gezondheidsrisico’s van personen die verblijven in nabij gelegen functies, zijn uit te sluiten. Het bevoegd gezag betrekt bij het al dan niet verlenen van de omgevingsvergunning in ieder geval:
30/147
Kenmerk
R002-1272479LBE-V01-hme-NL
De afstand van de geitenhouderij tot bestaande of geprojecteerde woonfuncties of andere
gevoelige verblijfsfuncties Een advies van de GGD of andere onafhankelijke deskundige, zo lang er geen algemene nieuwe inzichten zijn
3.4
Beoordelingsmethodiek van de effecten
Het detailniveau sluit aan bij het detailniveau van het plan: het nieuwe bestemmingsplan voor deelgebied 2 van het buitengebied Súdwest-Fryslân. 3.4.1
De te onderzoeken aspecten
Gezien de aard van het bestemmingsplan worden de effecten veelal op hoofdlijnen in beeld worden gebracht, dit vanwege het ‘hoofdlijnen’ karakter van het plan. De effecten van veehouderij op Natura2000-gebieden worden wel gedetailleerd in beeld gebracht. Rekenresultaten helpen hierbij (output rekenmodule AERIUS2022). De overige thema’s worden (semi) kwalitatief beschouwd. In onderstaande tabel 3.1 staan de te beschouwen thema’s, de bijbehorende beoordelingsaspecten en -criteria weergegeven. Tabel 3.1 De thema’s die worden beschouwd inclusief de beoordelingscriteria Relevante te beschouwen aspecten
Beoordelingscriteria
Natuur
Aantasting c.q. kwaliteitsimpuls Natura2000-gebieden, Nationaal Natuurnetwerk en soorten
Landschap
Aantasting/versterking landschappelijke waarden. Toetsingscriteria worden onder meer ontleend aan bestaande bronnen over het landschap en ruimtelijke kwaliteit
Cultuurhistorie / archeologie
Aantasting/kwaliteitbehoud waardevolle cultuurhistorische elementen, respecteren archeologische verwachting
Water en bodem
Aantasting/verduurzaming waterstructuren, ontstaan knelpunten/oplossingen waterhuishouding
Woon- en leefmilieu
Verslechtering en verbetering niveaus geluid, geur, luchtkwaliteit
Verkeer
Knelpunten binnen verkeersstructuur, onderscheid in (recreatieve en agrarische) verkeersstromen
Gezondheid
Gevolgen uitvoering bestemmingsplan voor luchtkwaliteit, geur, geluid en zoönosen9, bezien vanuit gezondheidsperspectief
9
Een zoönose is een ziekte die kan worden overgedragen van dieren op mensen, denk aan Q-koorts of MRSA
31/147
Kenmerk
R002-1272479LBE-V01-hme-NL
Relevante te beschouwen aspecten
Beoordelingscriteria
Klimaat en duurzaamheid
Robuustheid plan voor klimaatverandering Bijdrage plan aan duurzaamheidsdoelstellingen (kwalitatieve beoordeling)
3.4.2
Wijze van effectwaardering
De te verwachte effecten worden in tabellen gewaardeerd (gescoord). Hierbij worden de volgende waarderingen onderscheiden: Tabel 3.2 Effectwaardering Symbool
Betekenis
-
Negatief effect
0/-
Licht negatief effect
0
Geen effect (neutraal)
0/+
Licht positief effect
+
Positief effect
4 Onderzoek stikstof emissies Het onderzoek naar de verzurende en eutrofiërende10 werking van stikstof richt zich in eerste instantie op de emissies vanuit het gebied. Daarbij geldt (nog steeds) als leidraad dat er bij het bepalen van de effecten uitgegaan moet worden van de maximale mogelijkheden die het plan biedt aan elk van de ondernemers die nu nog actief zijn binnen het plangebied. Op macro-economisch niveau wordt gewerkt aan beleid dat er op is gericht de (emissies uit) de veestapel terug te brengen. Dit streven laat zich echter nog niet vertalen in de ruimtelijke kaders zoals die in dit bestemmingsplan Buitengebied SúdwestFryslân II worden vastgesteld. Wel richt het onderhavig onderzoek naar de gebiedsemissies zich ook op de vraag wat de (technische) mogelijkheden zijn om de emissies uit het plangebied verder terug te brengen dan de huidige situatie.
4.1
Gebiedsgerichte benadering
Het onderzoek wordt uitgevoerd in het kader van een ruimtelijk plan. Dit betekent dat de effecten op ‘strategisch niveau’ duidelijk moeten worden. Dit vraagt om een gebiedsgerichte benadering passend bij het abstractieniveau van het te nemen ruimtelijk besluit. In bijlage 4 zijn de uitgangspunten opgenomen die ten grondslag liggen aan het berekenen van het emissieprofiel van het plangebied. 4.1.1 Algemene toelichting op de methodiek Om een gebiedsgericht onderzoek efficiënt in te kunnen richten, is het noodzakelijk om een zekere standaardisering aan te brengen. De bronsterkte voor stikstofemissies vanuit het gebied 10
Eutrofiërend = vermestend, door het vergroten van de voedselrijkdom van de bodem
32/147
Kenmerk
R002-1272479LBE-V01-hme-NL
wordt bepaald door het staltype11 en het aantal dierplaatsen. Het aantal dierplaatsen wordt grotendeels bepaald door de beschikbare omvang van het bouwvlak. Per stal zijn deze kentallen bepaald. De basis hiervoor is de door de gemeente in 2021/2022 geïnventariseerde (vergunning) situatie. 4.1.2 Vaststellen van de referentie situatie en autonome ontwikkeling De basis van het model is de inventarisatie van de vergunningen/meldingen dossiers zoals die bij de afdeling handhaving van de omgevingsdienst en gemeente geregistreerd staan. De dossierkennis van de afdeling handhaving is hierin verwerkt zodat zo veel als mogelijk wordt aangesloten bij de huidige feitelijke situatie. De belangrijkste aanpassing waar voor is gecorrigeerd is de verhoging van de emissies genoemd in de Regeling ammoniak en veehouderij uit een gangbare melkveestal (A1.100) van 9,5 naar 13 kg/jaar. Deze aanpassing van de emissies in het gebiedsmodel is generiek toegepast. Als er in een vergunning nog sprake is van een A1.100 emissie van 9,5 kg/jaar, dan is deze aangepast naar 13 kg/jaar. Opgemerkt wordt dat de Raad van State uitspraak van 7 september 2022 ook aanleiding zou kunnen geven voor het aanpassen van de emissiefactoren voor de melkrundveestallen met de RAV-codes A1.13 en A1.2812.
Voor de volledigheid is de referentie situatie voor de gebiedsemissies dubbel berekend voor deze twee staltypes: Voor de emissiearme factor zoals die nu nog in de RAV staat (6 kg/jaar)13 Maar ook voor de worst case waarde van 13 kg/jaar In de overige berekeningen is voor dierverblijfplaatsen RAV A 1.13 en A 1.28 een emissiefactor van 13 kg/jaar gebruikt. In het model zijn de emissiegegevens uit het inrichtingenbestand (vergunde/ gemelde dieraantallen/ diercategorieën/ stalsystemen) gekoppeld aan de plankaart. Opgemerkt wordt dat er met ruim 20 veehouderijen nog geen overeenkomst is over het al dan niet beëindigen van het bedrijfsmatig houden van dieren. De bruto lijst is het uitgangspunt geweest voor de uitgevoerde berekeningen zodat er geen sprake kan zijn van het onderschatten van de emissies. De op deze manier vastgestelde Huidige Situatie is opgenomen in bijlage 6 - met de aanduiding ‘emissieprofiel van de huidige situatie’. Deze data set zou een gebiedsemissie opleveren van 690.000/704.000 kg/jaar vanuit alle bedrijven14. Op basis van deze gegevens is ook een globale schatting gemaakt van de latente ruimte die nog beschikbaar is binnen de bestaande/vergunde dierverblijfplaatsen. Deze expert judgement van de autonome ontwikkeling die er nog mogelijk is binnen al gerealiseerde stallen levert een gebieds-
11
De emissies vanuit de verschillende staltypes staan vastgelegd in de Rav, deze kentallen zijn de basis voor de berekeningen Deze twee emissie arme stallen staan nu nog in de RAV met een emissiefactor van 6 kg/jaar. Er zijn redenen om aan te nemen dat onder praktijkomstandigheden de techniek in de vloeren van deze stallen niet optimaal werkt en dat dit eigenlijk 13 kg/jaar zou moeten zijn 13 Voor het vaststellen van de referentie gelden de vergunde waardes; onduidelijk is vooralsnog of op basis van de uitspraak van 7 september 2022 er in de vergunningeninventarisatie gebruik gemaakt dient te worden van aangepaste emissie-kentallen. Door met beiden te rekenen wordt ook het effect van de uitspraak op gebiedsniveau duidelijk 14 De emissie vanuit de bedrijven waar nog geen overeenstemming is bereikt over het al dan niet beëindigen van het bedrijfsmatig houden van dieren bedraagt ongeveer 40.000 kg/jaar 12
33/147
Kenmerk
R002-1272479LBE-V01-hme-NL
emissie op van in totaal ongeveer 800.000 kg/jaar. De depositie op de omgeving neemt in de autonome ontwikkeling dus iets toe (met 10-20 %) ten opzichte van de huidige situatie15. Omdat het plangebied slechts een deel van het buitengebied van de gemeente betreft is een vergelijking met de door het CBS gerapporteerde statistieken niet goed mogelijk. 4.1.3
Kenmerken van de bouwvlakken
Op basis van de beschikbare informatie is een grafische analyse gemaakt van de omvang van de bebouwing binnen de agrarische bouwvlakken (niet IV) zoals die nu bij recht bestaat. De in de huidige situatie gerealiseerde bebouwing voor de niet grondgebonden bedrijven is weergegeven in onderstaande grafiek. Opgemerkt wordt dat in de huidige situatie de ruimte die beschikbaar is binnen de bouwvlakken nog niet overal volledig is benut. Zoals in bijlage 5 is onderbouwd is een gangbare maximaal haalbare vulgraad16 ongeveer 50 % voor niet-IV en ongeveer 80 % voor IV-bedrijven. Een meer realistisch maximum is echter 20 % voor niet-IV en ongeveer 50 % voor IV-bedrijven.
Verdeling oppervlak bebouwing (bouwvlakken nietIV) 60
Aantal bedrijven
50 40 30 20 10 0
Omvang bebouwing binnen bouwvlak [m2]
15 16
Ter vergelijking: de worst case komt uit op een emissie toename van ongeveer 350 % (zie paragraaf 4.3) Vulgraad is de mate waarin een bouwvlak wordt gevuld (= bebouwd) met dierverblijfplaatsen, uitgedrukt als percentage.
34/147
Kenmerk
4.1.4
R002-1272479LBE-V01-hme-NL
Andere bronnen
Naast de bronnen van stikstof die onderdeel uitmaken van het gebiedsmodel zijn er ook andere bronnen actief in het buitengebied, zoals mestaanwending en -bewerking, beweiding, overig verkeer en stookinstallaties. De te verwachten omvang vanuit deze bronnen wordt in deze paragraaf in het perspectief geplaatst van (de nauwkeurigheid van) het beschikbare gebiedsmodel. Grondgebonden emissies Vanuit het agrarisch gebruik van de gronden in het buitengebied kunnen stikstof emissies optreden die voort komen uit het aanwenden van natuurlijke mest en kunstmest. Ook vanuit beweiding komen emissies voort. De hoeveelheid stikstof die vrij komt uit het gebruik van natuurlijke mest en kunstmest wordt bepaald door de gewassen die worden geteeld en de omvang van het gebruikte areaal. Zoals blijkt uit de tabel met de stikstofgebruiksnormen17 wordt aan grasland de hoogste stikstof gift toegediend, te weten 250 kg N/ha/jaar. In het NEMA-model dat is ontwikkeld door de WUR18 wordt een range aan aanwendingsverliezen aangehouden. De verliezen waar rekening mee wordt gehouden gaan uit van ongeveer 2 - 5 %. Bij een worst case stikstof aanwending van 250 kg/ha voor weiland zijn de grondgebonden emissies dus ongeveer 5 - 12,5 kg N/ha/jaar.
Omdat het plangebied ongeveer 25.000 hectare groot is, waarvan ongeveer 15.000 hectare landbouwgrond is, zijn de grondgebonden verliezen ongeveer 75.000 – 190.000 kg/jaar. Echter, de voorgenomen activiteit (i.c. het bestemmingsplan) heeft geen gevolgen voor de omvang van het voor bemesting beschikbare areaal. Het bevat ook geen mechanisme waardoor er ten gevolge van het plan meer areaal in gebruik genomen zal worden voor weiland (met een relatief hoge stikstofgebruiksnorm). Als er al sprake zou zijn van een gevolg voor het beschikbare areaal dan zou het bestemmingsplan ervoor zorgen dat het areaal afneemt ten opzichte van het huidig feitelijk gebruik: het opvullen met gebouwen van de nog beschikbare ruimte in de bij recht te gebruiken bouwvlakken. Het beschikbare gebiedsmodel is gebaseerd op standaard uitgangspunten en aannames, en de werkelijke gebiedsemissie wordt dus met een relatief grote onnauwkeurigheidsmarge benaderd. Los van het feit dat het bestemmingsplan geen mechanisme in zich heeft waardoor de omvang van de mestaanwending zou kunnen toenemen is de berekende bijdrage vanuit mestaanwending van een dusdanige orde grote (10-25 %) dat deze past binnen de onzekerheidsmarge van het beschikbare gebiedsmodel. Het toevoegen van deze stikstofbron aan het model zou de nauwkeurigheid van de modelleringen niet aanwijsbaar vergroten.
Mestvergisting Op basis van een afwijkingsprocedure zijn biogasinstallaties als nevenactiviteit toegestaan indien de installatie is gericht op het verwerken van eigen geproduceerde mest. Het betreft daarmee het 17 18
Tabel 1 behorende bij het Mestbeleid 2019-2021 Emissies naar lucht uit de landbouw in 2014 - Berekeningen met het model NEMA - WOt-technical report 90
35/147
Kenmerk
R002-1272479LBE-V01-hme-NL
lokaal bewerken van de vrijkomende mest. Jurisprudentie19 leert dat het gebruik van dergelijke mestvergistingsinstallaties ten behoeve van het eigen agrarische bedrijf niet betrokken hoeven te worden in PlanMER’s en de passende beoordelingen omdat het een ondergeschikt onderdeel van de agrarische bedrijfsvoering is dat niet afzonderlijk behoeft te worden onderzocht. Ook omdat de inzet van een dergelijke installatie naar verwachting voor een afname van de bedrijfsemissies20 zal zorgen is deze ontwikkeling niet meegenomen in de gebiedsgerichte modellering. Beweiden in het planMER Door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna te noemen: de Afdeling) is op 29 mei 2019 uitgesproken dat er geen rechtsgeldige reden was om voor het beweiden van vee een vrijstelling te verlenen van de vergunningplicht op grond van de Wnb21. Wel is aangetoond dat voor een goede bedrijfsvoering beweiden (en bemesten) noodzakelijk zijn. Dit sluit aan bij het advies bemesten en beweiden van het Adviescollege Remkes. Voor beweiden en bemesten was eerder ook geen vergunning nodig. Het effect vanuit (eventuele veranderingen in) beweiden is daarom nihil. Overigens geldt dat, zowel bij de berekening van de referentie situatie, als bij de berekening van de worst case, is uitgegaan van het gedurende 100 % van de tijd op stal houden van het rundvee.
De absolute gebiedsemissie is daarom in beide gevallen een overschatting van de werkelijke situatie waarin het rundvee wel een deel van de tijd in het weiland staat. Het effect van het worst case alternatief op de depositie is vervolgens bepaald door beide alternatieven van elkaar af te trekken. Als de differentiatie voor beweiding wel aangebracht zou zijn, dan zou dat geen gevolgen hebben gehad voor de resultaten van het onderzoek zoals die in het PlanMER zijn gepresenteerd. Het worst case scenario betekent immers altijd een behoorlijke toename van stikstof ten opzichte van de referentie situatie ook al zouden beide gecorrigeerd worden voor beweiding. Daar komt bij dat het bestemmingsplan er niet op is gericht om het areaal dat gebruikt wordt voor agrarisch gebruik, dan wel (meer specifiek) voor beweiding, te beïnvloeden. In het licht van de te verwachten ontwikkelingen in de sector in het algemeen is het aannemelijk dat dat areaal in de planperiode eerder af dan toe zal nemen. Bemesten in het PlanMER De Afdeling sprak op 29 mei 2019 ook uit dat er geen rechtsgeldige reden is om voor het bemesten van gronden een vrijstelling te verlenen van de vergunningplicht op grond van de Wnb. Eerder22 stelde de Afdeling echter al vast dat het bemesten van gronden niet onlosmakelijk samenhangt met de exploitatie, oprichting en uitbreiding van een agrarisch bedrijf.
Het uitrijden van mest is namelijk niet noodzakelijk voor de afvoer van mest van een agrarisch bedrijf, omdat er
19
RvS-uitspraak ‘Buitengebied’ van de gemeente Oisterwijk’, 14 augustus 2013 / ECLI:NL:RVS:2013:697 Door de snelle verwerking van mest in een vergister wordt de emissie verlaagd; deze effecten zijn nog niet in een Ravemissiefactor verdisconteerd. Dit betekent dat de nu berekende gebiedsemissie een overschatting is van de werkelijke situatie 21 ECLI:NL:RVS:2019:1603 22 ABRvS 17 mei 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1260 20
36/147
Kenmerk
R002-1272479LBE-V01-hme-NL
alternatieven zijn zoals de verwerking ervan op een andere locatie dan de gronden van het bedrijf. Ook geldt dat, in het plangebied het areaal aan landbouwgrond in het plangebied niet toeneemt ten opzichte van het vorige bestemmingsplan en is evenmin sprake van een feitelijke toename van landbouwgrond. Eerder is er sprake van een geleidelijke afname daarvan. Daarnaast geldt dat uitrijden van mest op zichzelf, in het nieuwe stikstofbeleid, geen vergunningsplichtige activiteit is die ook los staat van het in gebruik hebben van dierenverblijfplaatsen in het buitengebied, waar het PlanMER over gaat. Overigens geldt dat het toepassen van moderne mest injectie technieken de ammoniakverliezen aan de atmosfeer heeft teruggebracht van 74 % naar 2 %23. Uit de conclusie van commissie Remkes volgt ook dat de wettelijke gebruiksnormen voor gewassen de afgelopen decennia zijn verlaagd en dus in de meeste gevallen lager zijn dan de referentiedatum. Uit het advies van de commissie Remkes volgt dat er in principe geen vergunningplicht is voor het bemesten. Zoals hierboven is beschreven zijn de grondgebonden verliezen vanuit de bemesting van weilanden naar verwachting ongeveer 75.000 – 190.000 kg/jaar. Overig verkeer (niet landbouw gebonden) In de TNO Factsheet d.d.
oktober 2019 over de emissies en depositie van stikstof in Nederland wordt kort samengevat welke bronnen in welke mate bijdragen aan de depositie in Nederland. TNO rapporteert dat de belangrijkste bijdrage aan de totale depositie wordt veroorzaakt door de landbouw (= 45 %). Het Nederlands wegverkeer draagt slechts 6 % bij aan de totale depositie. Er wordt ook ingegaan op mogelijke regionale verschillen. Uit figuur 4.1 blijkt dat de variabele sectorbijdrage voor landbouw in Friesland ongeveer 11 kg/ha bedraagt (142 mol/ha). Het wegverkeer in Friesland draagt ongeveer 1,5 kg/ha bij (14 mol/ha). Deze door TNO gerapporteerde regionale variabele sectorbijdragen komen redelijk overeen met het landelijke beeld zoals geschetst door TNO.
23
Emissies naar lucht uit de landbouw, 1990-2013; WOt-technical report 46
37/147
Kenmerk
R002-1272479LBE-V01-hme-NL
Figuur 4.1 Variabele sectorbijdragen aan de stikstofdepositie (bron: Factsheet emissies en depositie van stikstof in Nederland - oktober 2019)
Bovenstaande geeft weer dat in de huidige situatie in Friesland de bijdrage aan de depositie vanuit het wegverkeer ongeveer 10 % is ten opzichte van de bijdrage aan de depositie vanuit de landbouw. Het is echter de vraag welke bijdrage de ontwikkelingsmogelijkheden die het plan biedt levert aan de groei van het verkeer. Opgemerkt wordt dat de ontwikkeling van de veehouderij zich tot recente datum vooral kenmerkte door een steeds verdergaande schaalvergroting. De schaalgrootte van de bedrijven nam toe, al lijkt het redelijk om aan te nemen dat dit zal gaan veranderen. Het ligt dus in de lijn der verwachting dat de omvang van de veehouderij structureel verder af zal nemen. Ook dit zal per saldo zorgen voor minder verkeer. Dus, los van het feit dat het vooralsnog onduidelijk is of het bestemmingsplan wel een mechanisme in zich heeft waardoor de omvang van het lokale verkeer zou kunnen toenemen, is de te verwachten bijdrage vanuit het verkeer van een dusdanige orde van grootte dat deze weg zou vallen in de onzekerheidsmarge van het beschikbare gebiedsmodel. Het toevoegen van deze stikstofbron aan het model zou de nauwkeurigheid van de modelleringen niet aanwijsbaar vergroten. Stookinstallaties Voor het verwarmen van dierenverblijfplaatsen zijn stookinstallaties van beperkte omvang nodig.
De mogelijke groei van het aantal dieren in het plangebied (als die al gerealiseerd zou kunnen worden) kan zorgen voor een beperkte groei van de opgestelde verwarmingscapaciteit. Gezien het geringe effect op de depositie vanuit een toename van de veehouderij is het niet erg aannemelijk dat de groei van de stookinstallaties in de dierenverblijfplaatsen binnen het plangebied van een dusdanige orde van grootte zou zijn dat deze uit zal stijgen boven de onzekerheidsmarge van het beschikbare gebiedsmodel. Het toevoegen van deze stikstofbron aan het model zou de nauwkeurigheid van de modelleringen niet aanwijsbaar vergroten.
38/147
Kenmerk
4.1.5
R002-1272479LBE-V01-hme-NL
De verspreidingsberekeningen
In het planMER is, op basis van de inventarisaties van de vergunning/melding dossiers een gebiedsmodel gebouwd. In dat gebiedsmodel zijn de kenmerken van de verschillende veehouderijen opgenomen. Het model richt zich met name op de gegevens die van belang zijn voor het vaststellen van de huidige stikstofemissie vanuit het gebied. Dit is gedaan op een dusdanige manier dat, op een abstractieniveau passend bij een bestemmingsplan, de data gebruikt kunnen worden om de stikstofdepositie vanuit het gebied op Natura 2000-gebieden met voldoende nauwkeurigheid vast te kunnen stellen. De bepalende parameters waar rekening mee is gehouden zijn het soort dieren, het aantal dieren, het soort stal en de omvang van het bouwvlak. Detailgegevens over het stalontwerp vallen buiten het gebiedsmodel. Voor berekeningen ten behoeve van een (vergunningaanvraag voor) een individueel bedrijf doen detailgegevens over het stal ontwerp er wel toe. Maar het onderzoek op gebiedsniveau vindt plaats op een ander abstractieniveau. In het planMER is, gebruik makend van het verspreidingsmodel AERIUS2022, doorgerekend hoe groot de stikstofdepositie vanuit het plangebied is in de huidige situatie.
Vervolgens is, vanuit het in het PlanMER beschreven worst-case alternatief, vastgesteld hoe groot de toename van de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden zou kunnen zijn als rekening wordt gehouden met de maximale groeimogelijkheden die er nog zijn binnen de toe te kennen bouwvlakken, zonder de emissiereducerende techniek aan te passen. Vastgesteld is dat, los van de huidige onzekerheden met betrekking tot de te gebruiken emissie-factoren voor sommige melkveestallen, er in het Worst Case alternatief altijd sprake zal zijn van een toename van de stikstofdepositie. In het kader van de passende beoordeling is daarmee vastgesteld dat het Worst Case alternatief voor een toename van de stikstofdepositie zal zorgen. Zonder maatregelen te nemen geeft dit aanleiding tot significant negatieve effecten. Overigens wordt opgemerkt dat ook niet-agrarische bedrijvigheid weliswaar een (beperkt) stikstofeffect kan hebben, maar dat die niet-agrarische bedrijvigheid niet is gemodelleerd voor de stikstofberekening. Het ten opzichte van agrarische bedrijven ondergeschikte stikstofeffect in relatie tot de onnauwkeurigheidsmarges in het model maakt dat een verdergaande modellering niet tot wezenlijk andere resultaten zal leiden.
Het uitvoeren van meer gedetailleerd verspreidingsberekeningen zal dus geen ander resultaat opleveren: ook nieuwe berekeningen zullen laten zien dat de maximale mogelijkheden van het plan ongewenste effecten op de stikstofdepositie tot gevolg zullen hebben.
4.2
Referentiesituatie nader uitgewerkt
In dit PlanMER wordt invulling gegeven aan de vereisten die voortvloeien uit de Wet milieubeheer en de Wet natuurbescherming. De referentiesituaties die gehanteerd worden voor de effectbeschouwingen zijn echter voor beide kaders verschillend. Hieronder wordt aangegeven op welke wijze dit onderscheid in het PlanMER wordt ingevuld.
39/147
Kenmerk
4.2.1
R002-1272479LBE-V01-hme-NL
Referentie vanuit de Wet natuurbescherming (Wnb)
Vanuit de directe en indirecte kaders die worden gesteld vanuit de (jurisprudentie met betrekking tot de) Wet natuurbescherming zijn de uitgevoerde inventarisaties erop gericht om de voorgenomen activiteit te kunnen vergelijken met het ‘huidig gebruik’. De basis voor de bepaling van het huidige gebruik in dit PlanMER zijn de vergunningen/meldingen geweest zoals die staan geregistreerd bij de gemeente. Het betreft een interne gemeentelijke inventarisatie uit 2021/2022. In de onderstaande figuur is verder toegelicht hoe de oorspronkelijke data zijn bewerkt om tot een valide referentie te kunnen komen.
Figuur 4.2 Toelichting op het vaststellen van de referentiesituatie van de Wet natuurbescherming
Op basis van de geregistreerde gebruiksgegevens is een eerste gebiedskaart gemaakt. Deze is vervolgens gecorrigeerd naar de feitelijke situatie, gebruik makend van de gebiedskennis zoals die bij de handhavers beschikbaar is. Na de boven aangegeven correcties is vastgesteld dat de gebiedsemissie ten opzichte waarvan in de passende beoordeling getoetst wordt ruim 700.000 kg/jaar is. De depositie op de stikstofgevoelige habitats die daaruit voortkomt is berekend in AERIUS2022 (zie figuur 4.3). Daarmee is bewerkstelligd dat deze referentiesituatie zo goed als mogelijk overeenkomt met de definitie van ‘huidig gebruik’ zoals die voortkomt uit de Wet natuurbescherming. Het gaat dus om de feitelijke, planologisch legale situatie op het moment van publicatie van het ontwerpbestemmingsplan.
40/147
Kenmerk
R002-1272479LBE-V01-hme-NL
Figuur 4.3 Resultaten van de gebiedsgerichte modelleringen van het huidig gebruik met een gebiedsemissie vanuit de melkveehouderij en de intensieve veehouderij, zoals berekend met AERIUS2022
41/147
Kenmerk
4.2.2
R002-1272479LBE-V01-hme-NL
Referentie vanuit de Wet milieubeheer (Wm): de Autonome Ontwikkeling
Vanuit de eisen die de Wet milieubeheer aan een planMER stelt wordt de voorgenomen activiteit vergeleken met de autonome ontwikkeling. Daarvoor geldt dat in eerste instantie de huidige situatie in het referentiejaar 2021/2022 beschreven moet worden en vervolgens de te verwachte autonome ontwikkelingen. Het gaat om de ontwikkelingen die voortkomen uit autonoom (reeds vastgesteld) beleid. De referentiesituatie24 bestaat uit: De huidige feitelijke situatie (vertrekpunt is geweest alle vergunde activiteiten die zijn gerealiseerd, uitgezonderd illegale activiteiten)
De toekomstige, zekere ontwikkelingen binnen en buiten het plangebied: dit zijn bestemde en vergunde activiteiten die zeker binnenkort ingevuld worden Generieke, plan overstijgende ontwikkelingen: die spelen niet in deze casus
Figuur 4.4 Toelichting op de manier waarop de referentiesituatie vanuit de Wm is vastgesteld
Vanuit het ruimtelijk spoor zijn er geen relevante autonome ontwikkelingen waar rekening mee gehouden moet worden, anders dan het benutten van de latent aanwezige stalruimte. Opgemerkt wordt dat als de latent aanwezige stalruimte ten volle zou worden benut er sprake is van een gebiedsemissie van ongeveer 800.000 kg/jaar. De depositie op de omgeving neemt in de autonome ontwikkeling dus toe ten opzichte van de huidige situatie.
4.3
Worstcase alternatief: maximale ontwikkelmogelijkheden landbouwsector
Nadat de referentie situatie is vastgesteld wordt onderzocht wat het maximaal mogelijke effect kan zijn vanuit dit deel van het buitengebied van de gemeente (‘worstcase’). Dat is gedaan door voor de melkveehouderij (MVH) uit te gaan van de maximale groei van de bouwvlakken tot 2 hectare25. Voor het maximaal opvullen van elk bouwvlak is daarbij uitgegaan van de maximale toename die nog past binnen de planologische randvoorwaarden. Zo geldt bijvoorbeeld (op basis van
24
Bron van deze opsomming is de Factsheet Referentiesituatie in MER voor bestemmingsplan van de Commissie voor de m.e.r. van 29 mei 2012 25 Beleidsmatig zijn uitbreidingen tot 3 hectare (onder voorwaarden) toegestaan; maar deze dienen een eigen buitenplanse procedure te doorlopen.
42/147
Kenmerk
R002-1272479LBE-V01-hme-NL
provinciaal beleid) dat binnen gebouwen ten hoogste één bouwlaag mag worden gebruikt voor het houden van dieren. In bijlage 6 staat het worst case alternatief in detail uitgewerkt. Vanuit de huidige situatie is het maximaal aantal dieren dat gehouden kan worden uitgerekend door de bebouwing op te rekken tot 80 % respectievelijk 50 % voor intensieve dan wel grondgebonden veehouderij; hier komt een emissie-vracht uit voort in combinatie met het daarbij behorende aantal dieren. Een worst case gebiedsemissie is aldus berekend van ongeveer 2.454.000 kg/jaar26. Het effect van deze toename op de depositie ten opzichte van de huidige situatie staat weergegeven in de onderstaande figuur. Vastgesteld is dat, los van de huidige onzekerheden met betrekking tot de te gebruiken emissiefactoren voor sommige melkveestallen, er in het Worst Case alternatief altijd sprake zal zijn van een toename van de stikstofdepositie. Berekend is dat deze toename van de depositie op de stikstofgevoelige habitats meer dan 10 mol/ha/jaar zal kunnen zijn (zie figuur 4.5).
26
Opgemerkt wordt dat bij een lagere vulgraad (50 % IV versus 20 % niet-IV) de gebiedsemissie ongeveer 1.000.000 kg/jaar zou zijn
43/147
Kenmerk
R002-1272479LBE-V01-hme-NL
Figuur 4.5 Verschil van de depositie vanuit het worstcase gebruik van de huidige bouwvlakken ten opzichte van de huidige situatie (dus groei zonder het aanpassen van de emissie-factoren)
44/147
Kenmerk
4.4
R002-1272479LBE-V01-hme-NL
Planalternatief
In de worstcase kunnen significant negatieve effecten op dichtbij zijnde Natura 2000-gebieden niet worden uitgesloten. Daarom is onderzocht, als onderdeel van de Passende Beoordeling, met welke maatregelen die effecten kunnen worden voorkomen. 4.4.1 Planologisch slot op de muur voor de veehouderij In eerste instantie is onderzocht wat de effecten zouden kunnen zijn van het aanbrengen van een planologisch slot-op-de-muur voor de veehouderij. Een dergelijk slot-op-de-muur heeft gevolgen voor de omgeving, maar vooral voor de bedrijfsvoering. Het eindbeeld kan langs drie sporen worden bereikt: Fixeren van het aantal dierplaatsen
Fixeren van de harde veestalmuren op de nu geldende situatie Fixeren dan wel reduceren van de emissie/ depositie ten opzichte van de huidige situatie
Opgemerkt wordt dat in alle drie varianten het depositieprofiel van de huidige situatie niet verandert. Deze planregels kunnen dus, na invoering, significante effecten voorkomen ten opzichte van het huidig gebruik. 4.4.2 Fixeren van het aantal dierplaatsen, ook in de melkveehouderij Als het vanuit ruimtelijke overwegingen noodzakelijk is, kan worden overwogen om het aantal dierplaatsen vast te leggen in het bestemmingsplan. De uitspraak van 8 mei 2013 - nr. 201208118/1/R1 - bevestigt dat het vastleggen van een maximum aantal dieren in het bestemmingsplan juridisch mogelijk is. Een dergelijke invulling van een slot-op-de-muur geeft aan de ondernemers in het plangebied de mogelijkheid om verbeteringen aan te brengen in de bedrijfsgebouwen. Groei van de onderneming geldt nog steeds als randvoorwaarde om ontwikkelingen mogelijk te maken. Die groei is in dit spoor echter alleen mogelijk door (uitgebreide) planologische procedures te doorlopen of in ieder geval een omgevingsvergunning aan te vragen. Dit spoor levert een zekere flexibiliteit maar zorgt ook voor procedurele verplichtingen met alle nadelen van dien. Dit handvat biedt te weinig perspectief en zal niet worden aangegrepen.
4.4.3 Fixeren van de harde (stal)muren Het is in principe mogelijk om binnen het plangebied geen uitbreiding toe te staan van de ruimte die nu wordt gebruikt door gebouwen waarin dieren gehouden kunnen worden. In dat geval zou voor elke verbouwing een (uitgebreide) planologische procedure doorlopen moeten worden. Ten minste zou een omgevingsvergunning nodig zijn die het toe staat om, in afwijking van de bestemming, een dergelijke uitbreiding toe te staan. Een dergelijk planologisch slot op de muur garandeert dat het aantal dierplaatsen niet toe kan nemen op basis van het onderhavige plan. Het zorgt echter ook voor een zware procedurele last voor de ondernemers die, om gezond te kunnen blijven boeren, de mogelijkheid moeten hebben
45/147
Kenmerk
R002-1272479LBE-V01-hme-NL
om (kleine) veranderingen / verbeteringen aan te kunnen brengen in de manier waarop de bedrijfsvoering plaats vindt. Het fixeren van de harde (stal)muren biedt te weinig perspectief en zal niet worden aangegrepen. 4.4.4 Fixeren dan wel reduceren van de gebiedsemissies Een slot-op-de-muur kan ook langs een derde spoor worden bereikt, namelijk door in de planregels een voorwaardelijke verplichting op te nemen ook wel aangeduid als een ‘verbale regeling’ of een ‘vangnet constructie’. In materiële zin laat een dergelijk regeling alleen ontwikkelingen toe als is aangetoond dat de depositie in de nieuwe situatie niet zal toenemen ten opzichte van de huidige depositie. Het voordeel van een dergelijke regeling is dat er voor bedrijfsontwikkelingen geen aanvullende procedures doorlopen hoeven te worden. Opgemerkt wordt dat in het huidige politiek/bestuurlijke klimaat een pas-op-de-plaats van de emissies niet langer lijkt te volstaan. Daarom is het stikstof-gebiedsmodel in dit planMER ingezet met een tweeledig doel: Aantonen of, en zo ja hoeveel, er ontwikkelruimte voor de sector beschikbaar is vanuit een
interne saldering in het gebied, zonder dat er sprake is van een toename van de emissie Een gevoel krijgen van (verdergaande) emissiereducerende maatregelen die er in het gebied nodig zijn om de gebiedsemissies te verlagen ten opzichte van de huidige situatie
Voor het berekenen van de gebiedsemissies zijn de volgende variabelen gebruikt: De maximale omvang van het perceel voor een (grondgebonden) melkveehouderij is 2
hectare (worst case) Naast de worst case voor de maat van de percelen is ook gerekend met percelen van 1,5 hectare (bij recht toe te kennen) Om invulling te geven aan de doelstellingen van de nieuwe stikstofwet is – ter oriëntatie – ook een reductie van de maximale maat tot 1 hectare toegevoegd aan de set berekeningen Voor de inzet van techniek in de Intensieve Veehouderij (IV) is uitgegaan van een reductie van de emissies met respectievelijk 0 %, 70 % en 90 % Voor de inzet van techniek in de grondgebonden melkveehouderij (MVH) is uitgegaan van een reductie van de emissies met respectievelijk 0 %, 26 %, 54 % en 72 % Voor de vulgraad is gebruik gemaakt van twee scenario’s: Een maximaal mogelijke vulgraad-percentage van 80/50 voor respectievelijk IV en MVH Een meer realistische vulgraad van 50/20 voor respectievelijk IV en MVH
De uitkomsten van de berekeningen zijn gepresenteerd in drie matrixen: Ontwikkelruimte tot 2 hectare Gebruik van de bij recht toegekende 1,5 hectare
Het beperken van de ontwikkelruimte tot 1 hectare
Percelen tot 2 hectare De eerste set berekeningen hebben betrekking op de emissies uit het gebied als een groei van de MVH-sector tot percelen van 2 hectare mogelijk zou zijn.
46/147
Kenmerk
R002-1272479LBE-V01-hme-NL
Legenda:
Bij een maximale vulgraad van 80/50 kan door de inzet van de zwaarste emissie reductie in de melkveehouderij (72 % reductie), in combinatie met 70-90 procent emissie reductie in de IVsector, een ontwikkeling tot MVH-bouwvlakken van 2 hectare worden gerealiseerd zonder dat de gebiedsemissie toeneemt. Er zijn technieken beschikbaar in de RAV die een dergelijke intensivering mogelijk maken zonder dat de gebiedsemissies toenemen. Opgemerkt wordt dat er in die gevallen wel sprake is van een reductie van de emissie uit het gebied, maar deze afname is minder dan 25 %.
47/147
Kenmerk
R002-1272479LBE-V01-hme-NL
Bij een meer realistische vulgraad van 50/20 kan door de inzet van minder vergaande emissiereducerende technieken (54 % emissiereductie in de melkveehouderij) de gebiedsemissie afnemen tot 431.000-513.000 kg/jaar. Dit is een afname van 25-50 % waarmee aan de provinciale reductiedoelstelling voldaan kan worden. Met de inzet van de meest vergaande technieken kan de gebiedsemissie afnemen tot 266.000 kg/jaar als de vulgraad van de percelen beperkt blijft tot 50 %/ 20 %. In dat geval kunnen de gebiedsemissies afnemen tot 266.000 kg/jaar. Dit is een afname van de gebiedsemissie van meer dan 50 % waarmee ruim aan de provinciale reductiedoelstelling voldaan kan worden. Percelen tot 1,5 hectare De tweede set berekeningen hebben betrekking op de emissies uit het gebied als een groei van de MVH-sector tot percelen van 1,5 hectare mogelijk zou zijn. De resultaten van deze tweede set berekeningen worden hieronder kort samengevat. Bij een maximale vulgraad van 80/50 kan door de inzet van de zwaarste emissie reductie in de melkveehouderij (72 % reductie), een ontwikkeling tot MVH-bouwvlakken van 1,5 hectare worden gerealiseerd zonder dat de gebiedsemissies toenemen. Als de zwaarste emissie reductie in de melkveehouderij wordt gecombineerd met een reductie inspanning van 70-90 % in de intensieve veehouderij dan kan de gebiedsemissie afnemen tot 496.000-527.000 kg/jaar.
Dit is een afname van 25-50 % waarmee aan de provinciale reductiedoelstelling voldaan kan worden. Bij een meer realistische vulgraad van 50/20 kan door de inzet van minder vergaande emissiereducerende technieken in de melkveehouderij (26 % reductie) de gebiedsemissies afnemen met 25-50 % waarmee aan de provinciale reductiedoelstelling voldaan kan worden.
48/147
Kenmerk
R002-1272479LBE-V01-hme-NL
Legenda:
Als in de intensieve veehouderij gebruik gemaakt wordt van de meest vergaande maatregelen (70-90 % reductie) in combinatie met 54 % emissie reductie in de melkveehouderij, dan kan de gebiedsemissie afnemen met meer dan 50 %. Door de inzet van de meest vergaande maatregelen zou de gebiedsemissie af kunnen nemen tot 201.000 kg/jaar. Voorwaarde is wel dat de vulgraad op de percelen beperkt blijft tot een vulgraad van 50 %/ 20 %. Percelen tot 1 hectare De derde set berekeningen hebben betrekking op de emissies uit het gebied als de omvang van de ontwikkeling van kleine percelen beperkt blijft tot 1 hectare. De resultaten van deze derde set berekeningen worden hieronder kort samengevat.
49/147
Kenmerk
R002-1272479LBE-V01-hme-NL
Bij een maximale vulgraad van 80/50 kan de gebiedsemissie met meer dan 25 % afnemen als er in de melkveehouderij ten minste 54 % emissiereductie wordt gerealiseerd. Bij een meer realistische vulgraad van 50/20 kan door de inzet van minder vergaande emissiereducerende technieken in de melkveehouderij (26 % reductie) de gebiedsemissies afnemen met 25-50 % waarmee aan de provinciale reductiedoelstelling voldaan kan worden. Bij de inzet van de meest vergaande emissiereducerende technieken kan in dit scenario de gebiedsemissie met meer dan 50 % afnemen.
Legenda:
50/147
Kenmerk
4.5
R002-1272479LBE-V01-hme-NL
Mogelijkheden en effecten van het fixeren van de emissie/depositie
In deze paragraaf wordt ingegaan op de mogelijkheden die geboden worden door het fixeren van de stikstofemissie/ depositie op het referentieniveau. Daarbij wordt ook gekeken naar eventuele onwenselijke gevolgen van een dergelijke maatregel. 4.5.1 Mogelijke maatregelen die de effecten kunnen voorkomen Om de negatieve effecten uit de worstcase te voorkomen zijn (planologische) maatregelen noodzakelijk. De emissieberekeningen gepresenteerd in paragraaf 4.4.4 hebben aangetoond dat bij de inzet van emissiebeperkende maatregelen op bestaande en nieuwe dierverblijfplaatsen, het redelijkerwijs mogelijk is alle bestaande veehouderij percelen te vergroten tot 2 hectare zonder dat er sprake is van een toename van de stikstofemissies vanuit het plangebied. Het is daarom niet onredelijk om een voorwaardelijke beperking in het bestemmingsplan op te nemen: uitbreidingen van de bestaande dierverblijfplaatsen zijn mogelijk, binnen een perceel van maximaal 2 hectare, met dien verstande dat het gebruik van de bestaande en nieuwe dierverblijfplaatsen onmogelijk is als er sprake zou zijn van een toename van de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden (als gevolg van emissies uit het bouwvlak) ten opzichte van de referentiesituatie.
Opgemerkt wordt dat het toepassen van deze regeling op basis van de uitspraak 201201041/1/R4 van 1 juni 2016 (in zake het bestemmingsplan Weststellingwerf) beschouwd kan worden als in lijn met de geldende jurisprudentie. 4.5.2
Een toelichting op de gebruiksregel
In de hierboven beschreven gebruiksregel worden stikstofeffecten voorkomen door een toename van de stikstofemissie/-depositie tot strijdig gebruik te verklaren. De kern van de beoogde regeling is dat een gebruik van land en gebouwen, waardoor de stikstofemissie/-depositie toeneemt ten opzichte van het gebruik ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan27, geldt als strijdig gebruik. Een dergelijke regeling “strijdig gebruik” is door de RvS gunstig beoordeeld in de casus 21501041/1/R4 (Weststellingwerf). In deze casus is ook beoordeeld door de RvS of de door Weststellingwerf opgevoerde uitzonderingsbepaling rechtsgeldig was. De RvS benoemt in deze uitspraak dat een toename van de emissie/depositie op basis van een vergunning Wnb alleen onder strikte voorwaarden mag worden opgevoerd als uitzonderingsgrondslag voor “strijdig gebruik”: een toename van de emissie/depositie ten opzichte van de referentiedatum kan (bij uitzondering) als inpasbaar worden beoordeeld onder voorwaarde dat: Uit een passende beoordeling blijkt dat de beoogde toename van de emissie/depositie geen significant effect heeft op de instandhoudingsdoelen van betreffende Natura 2000-gebieden
De Wnb-vergunning waarin dit is vastgelegd expliciet in het bestemmingsplan wordt benoemd (datum en referentie van de beschikking) Een Wnb-vergunning (of afgegeven vvgb) welke op basis van de PAS-wetgeving passend is beoordeeld mag hiervoor niet gebruikt worden. Ook niet indien dit onherroepelijke vergunningen
27
Het moment van vaststelling van het bestemmingsplan = de referentie datum van het Bestemmingsplan
51/147
Kenmerk
R002-1272479LBE-V01-hme-NL
zijn. Voor de vaststelling van een bestemmingsplan (ruimtelijk spoor) is dit niet toegestaan (ECLI:NL:RVS:2019:1603), r.o. 36 en verder). Dit staat juridisch gezien los van de referentiesituatie die gehanteerd moet worden op basis van de Wet natuurbescherming. Deze uitzondering op de hoofdregel is gebaseerd op artikel 2.8, lid 2 Wnb. In het bestemmingsplan zijn daarom enkele bepalingen opgenomen om uit te sluiten dat er een significant gevolg is op een beschermd gebied op basis van de Wnb. In de bijlage bij de regels van het bestemmingsplan is een lijst opgenomen met onherroepelijke Wnb-vergunningen waarbij er sprake is van een passende beoordeling (niet zijnde de PAS). Deze lijst is opgenomen vanwege de uitzondering op de hoofdregel inzake het strijdig gebruik in relatie tot stikstofdepositie. Voor die opgenomen vergunningen geldt dat er voor de vraag of er een toename van stikstofdepositie is, deze verleende vergunning als referentie wordt gehanteerd.
4.6
De resultaten van de emissieberekeningen samengevat
Door emissieberekeningen is vastgesteld dat er maatregelen nodig zijn om de (agrarische) bouwvlakken in het bestemmingsplan volledig te kunnen benutten zonder dat daar significante effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van de kwalificerende habitats in Natura 2000gebieden uit voortvloeien. Door in een generieke gebruiksbeperking de toename van stikstofdepositie tot strijdig gebruik te verklaren worden significante effecten voorkomen. In het opgestelde gebiedsmodel is aangetoond dat er gangbare emissie reducerende maatregelen beschikbaar zijn die, bij een IV-ontwikkeling tot 1,5 hectare en een MVH-ontwikkeling tot 2 hectare, er voor kunnen zorgen dat de gebiedsemissie toch afneemt. Aangetoond is dat als groei van de sector zoals hierboven beschreven wordt gecombineerd met een IV-emissiereductie van 70 % en een MVH-emissiereductie van 54 %, de totale emissies uit het plangebied met ongeveer één derde af kunnen nemen. Randvoorwaarde is wel dat de bebouwing van de bouwvlakken beperkt blijft tot 50 % van het bouwvlak voor IVdierverblijfplaatsen in combinatie met een bebouwingsgraad van 20 % voor MVHdierverblijfplaatsen.
Opgemerkt wordt dat als in het hele plangebied de meest vergaande emissie reducerende maatregelen zouden worden ingezet, in combinatie met de boven beschreven ontwikkeling van alle bouwpercelen, een verdergaande reductie van de gebiedsemissie gerealiseerd zou kunnen worden. Bij een dergelijke zware inzet van de beschikbare technologie kan de gebiedsemissie afnemen met twee derde ten opzichte van de huidige situatie. Berekend is dat het terugbrengen van de maximale mogelijk omvang van een bouwvlak (tot 1,5 dan wel 1,0 hectare) slechts in beperkte mate een aanvullende reductie van de gebiedsemissies tot gevolg heeft.
52/147
Kenmerk
R002-1272479LBE-V01-hme-NL
5 Natuur Belangrijk onderwerp van dit milieueffectrapport is het aspect natuur. Inzichtelijk is gemaakt of door ontwikkelingsmogelijkheden in het bestemmingsplan significante negatieve effecten kunnen worden uitgesloten op relevante natuurwaarden. Belangrijk is daarbij ook of eventuele effecten een probleem kunnen vormen voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan in het licht van natuurwetgeving, zoals de Wet natuurbescherming. Dit hoofdstuk gaat in op de effecten op beschermde soorten, beschermde houtopstanden en (provinciaal) beschermde gebieden. De toetsing van effecten op Natura 2000-gebieden betreft (in combinatie met hoofdstuk 4) een passende beoordeling zoals bedoeld in artikel 2.8 van de Wet natuurbescherming. Daarbij is ondermeer ruime aandacht besteed aan uitbreidingsmogelijkheden van agrarische bouwvlakken (denkbeeldige rechthoeken) in relatie tot de milieukwaliteit binnen het Natura 2000-areaal (met name stikstofdepositie).
5.1
Beoordelingskader
De ontwikkelingsruimte van het bestemmingsplan kan op verschillende manieren van invloed zijn op beschermde natuur. In onderstaande tabel is aangegeven welke beoordelingskaders zijn toegepast voor dit onderdeel. Tabel 5.1 Wijze van beoordeling effecten op natuur
Natuur Aspect
Criterium
Beoordeling
Gebiedsbescherming:
Redelijke uitvoerbaarheid bestemmingsplan,
Kwantitatief en
Natura 2000-gebieden
betreft:
kwalitatief
Effecten op instandhoudingsdoelen door mogelijk gemaakte ontwikkelingen Gebiedsbescherming:
Redelijke uitvoerbaarheid bestemmingsplan,
Provinciaal beleid, onder andere
betreft:
Natuurnetwerk Nederland (NNN).
Effecten op wezenlijke waarden en kenmerken door
In Friesland uitgedrukt als de
mogelijk gemaakte ontwikkelingen
Kwalitatief
Ecologische hoofdstructuur (EHS) Soortenbescherming:
Redelijke uitvoerbaarheid bestemmingsplan,
Beschermde flora en fauna
betreft:
Kwalitatief
Effecten op beschermde soorten, mogelijkheid overtreding verbodsbepalingen door mogelijk gemaakte ontwikkelingen Beschermde houtopstanden
Uitvoerbaarheid bestemmingsplan, betreft:
Kwalitatief
Effecten op beschermde houtopstanden, mogelijkheid kappen beschermde houtopstanden door mogelijk gemaakte ontwikkelingen
53/147
Kenmerk
R002-1272479LBE-V01-hme-NL
De bovenstaande beoordelingskaders komen in dit hoofdstuk achtereenvolgens aan bod. Hiermee wordt een volledig beeld gevormd van de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan op het gebied van de natuurwetgeving.
5.2
Wijze van effectwaardering
De te verwachte effecten worden in tabellen gewaardeerd (gescoord). Dit gebeurt met behulp van plussen en minnen in een vijfpuntsschaal. De volgende waarderingen worden onderscheiden: Tabel 5.2 Effectwaardering Symbool
Betekenis
-
Negatief effect
0/-
Licht negatief effect
0
Geen effect (neutraal)
0/+
Licht positief effect
+
Positief effect
5.3
Huidige situatie en autonome ontwikkeling
De natuurwaarden binnen het buitengebied van Súdwest-Fryslân zijn voornamelijk afhankelijk van de bos- en natuurgebieden, maar ook van landschapselementen en bebouwing in het agrarisch gebied. Er zijn natuurwaarden aanwezig die zijn beschermd onder de Wet natuurbescherming (Natura 2000-gebieden, soorten en houtopstanden) en provinciale gebiedsbescherming (EHS). 5.3.1 Algemeen Bij de beschrijving van de natuurwaarden voor het buitengebied van Súdwest-Fryslân is geen nadrukkelijk onderscheid gemaakt tussen de huidige situatie en de autonome ontwikkeling. De onderbouwing van deze keuze leest u in de volgende alinea’s. Autonome ontwikkeling biodiversiteit Uit de balans van de Leefomgeving 2020 [BPL, 202028] blijkt dat de Nederlandse natuur zich langzaam herstelt, maar dat dit vooralsnog onvoldoende is om gestelde doelen binnen Europa te behalen. Dit gemiddelde beeld van herstel wordt echter sterk gekleurd door de toename van algemenere soorten. Voor veel zeldzame soorten is sprake van een aanhoudende teruggang. Met name soorten die hoge eisen stellen aan de kwaliteit van het leefgebied en soorten die kenmerkend zijn voor het agrarisch landschap nemen in veel gevallen nog steeds sterk af. Deze negatieve trend valt onder andere te verklaren doordat ruimtelijke en milieucondities nog onvoldoende zijn voor herstel.
Door aanhoudende verdroging, vermesting, verzuring en een gebrek aan ruimtelijke samenhang blijft sprake van een ‘vervlakking’ van de biodiversiteit. Wetgeving Er mag van worden uitgegaan dat de gebieds- en soortenbescherming in het kader van de Wet natuurbescherming, behoud en ontwikkeling van het NNN/EHS en andere ruimtelijke
28
PBL, 2020. Balans van de Leefomgeving 2020. Burger in zicht, overheid aan zet, PLB-publicatienummer 4165
54/147
Kenmerk
R002-1272479LBE-V01-hme-NL
beschermingsregimes een belangrijke bijdrage leveren aan het remmen van de achteruitgang van biodiversiteit. Dat er desondanks toch nog steeds sprake is van een vervlakking van de biodiversiteit hangt, zoals hiervoor omschreven, dus vooral samen met een onvoldoende verbetering van duurzame ruimtelijke en milieucondities. Hoewel de milieucondities de laatste decennia wel verbeterd zijn, is momenteel sprake van een afvlakking van de snelheid van verbetering. Op korte termijn zullen daardoor de gestelde doelen voor duurzame milieucondities voor behoud van biodiversiteit nog niet gehaald worden. Hoewel er veel onzekerheid is over de doelstellingen in de tijd, geldt wel dat de ambities voor het realiseren van het NNN/EHS grotendeels overeind blijven. In het kader van de Habitat- en Vogelrichtlijn heeft Nederland zich verder verplicht om zorg te dragen voor het behalen van de instandhoudingsdoelen voor Natura 2000-gebieden. Ook voor veel Europees en nationaal bedreigde soorten geldt dat sprake blijft van een passende bescherming via de Wet natuurbescherming, waar het gaat om bijvoorbeeld ruimtelijke ingrepen zowel binnen als buiten natuurgebieden. Inpassing in ruimtelijk beleid en toetsing Beïnvloeding van milieucondities hangt veelal samen met langlopende beleidsambities en ontwikkelingen op landelijke of zelfs internationale schaal.
Deze worden niet wezenlijk beïnvloed door het ruimtelijke ordeningsspoor op lokale schaal, en blijven hier verder buiten beschouwing. Vanuit het perspectief van het bestemmingsplan hanteren we daarom als uitgangspunt dat de autonome ontwikkeling van natuurwaarden op basis van geldend beleid en geldende wetgeving minimaal neutraal zal (moeten) zijn. Dit betekent concreet dat we de autonome ontwikkeling gelijk stellen aan de huidige situatie. De toetsing van effecten op natuur vindt daarom plaats op basis van de huidige situatie. 5.3.2 Natura 2000-gebieden In en in de ruime omgeving van het plangebied liggen diverse gebieden die zijn beschermd onder de Wet natuurbescherming (zie figuur 5.1). Dit zijn Natura 2000-gebieden die zijn aangewezen onder de Habitat- en/of Vogelrichtlijn. Effecten op gebieden die op circa 10 kilometer of meer van het plangebied liggen zijn, met uitzondering van effecten als gevolg van stikstof, uitgesloten. Dit vanwege de tussengelegen afstand. In tabel 5.3 zijn de Natura 2000-gebieden opgenomen die zich bevinden binnen een straal van 10 kilometer rondom het plangebied. Daaronder is per Natura 2000-gebied een gebiedsbeschrijving opgenomen alsook een korte beschrijving van de instandhoudingsdoelen per aangewezen Natura 2000-gebied.
55/147
Kenmerk
R002-1272479LBE-V01-hme-NL
Figuur 5.1 De ligging van het plangebied ten opzichte van Natura 2000-gebieden Tabel 5.3 Natura 2000-gebieden in en rondom het plangebied (<10 kilometer). Per gebied is de minimale tussengelegen afstand (indicatief) weergegeven tot het bestemmingsplangebied. VR = Vogelrichtlijn; HR = Habitatrichtlijn Natura 2000-gebieden
Type gebied
Afstand tot plangebied (km)
Oudegaasterbrekken, Fluessen en omgeving
HR+VR
Deels binnen plangebied
Witte en Zwarte Brekken
VR
Deels binnen plangebied
Sneekermeergebied
VR
Deels binnen plangebied
IJsselmeer
VR
5
Alde Feanen
HR+VR
6,5
Waddenzee
HR+VR
8
Deelen
VR
8
Natura 2000-gebied Oudegaasterbrekken, Fluessen en omgeving Het Natura 2000-gebied ‘Oudegaasterbrekken, Fluessen en omgeving’ is een gebied van circa drieduizend hectare. Het is een open gebied met een afwisseling van intensief gebruikte graslanden, extensief gebruikte zomerpolders en boezemlanden en vaarten, plassen en grote meren, met daarlangs plaatselijk brede rietkragen. De plassen met open water zijn ontstaan door vervening. Tabel 5.4 en 5.5 geven de instandhoudingsdoelen voor dit Natura 2000-gebied weer.
56/147
Kenmerk
R002-1272479LBE-V01-hme-NL
Tabel 5.4 Habitattypen met een instandhoudingsdoel in Natura 2000-gebied Oudegaasterbrekken, Fluessen en omstreken Habitattype
Habitatsubtype
Status
Oppervlakte
Kwaliteit
Relatieve
Definitief
=
=
C (< 2 %)
doel H3150 – Meren met
bijdrage
krabbenscheer en fonteinkruiden H6430A – Ruigten en zomen
Moerasspirea
Definitief
=
=
C (< 2 %)
H6430B – Ruigten en zomen
Harig wilgenroosje
Definitief
=
=
C (< 2 %)
H7140B – Overgangs- en
Veenmosrietlanden
Ontwerp
=
=
C (< 2 %)
Ontwerp
=
=
C (< 2 %)
trilvenen H91D0 – Hoogveenbossen* *Prioritair habitattype Tabel 5.5 Soorten met een instandhoudingsdoel in Natura 2000-gebied Oudegaasterbrekken, Fluessen e.o. Soort
Status
Populatie /
Omvang
Kwaliteit
Relatieve
doel
Broedparen
leefgebied
leefgebied
bijdrage
H1149 – Kleine modderkruiper
Ontwerp
=
=
=
H1163 – Rivierdonderpad
Ontwerp
=
=
=
H1318 – Meervleermuis
Definitief
=
=
=
B2 (6-15 %)
H1340 – Noordse woelmuis*
Definitief
>
>
>
C (< 2 %)
H1355 – Otter
Aanmelding
x
x
x
x
1
=
=
C (< 2 %)
Habitatrichtlijnsoorten
Vogelrichtlijnsoorten (broedvogel) A119 – Porseleinhoen