CConstaterende datSúdwest-Fryslân
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 10 - Bijlage bij toelichting BGB-II - Reactienota op zienswijzen BGB-II

Raadsvergadering 28 september 2023, gemeente Súdwest-FryslânBij agendapunt: Bestimmingsplan ‘Buitengebied Súdwest-Fryslân II’34.362 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Reactie gemeente In algemeenheid valt aan te geven dat het opnemen van een zogenaamde stikstofregel in bestemmingsplannen in de afgelopen jaren lastig is gebleken. De landelijke stikstofregels veranderen meer dan eens en tot op heden is er nog geen landelijke duidelijkheid over hoe om te gaan met stikstofdepositie op basis van de natuurwetgeving. Dat zorgt er ook voor dat het opnemen van de juiste of optimale stikstofregels voor in je bestemmingsplan ook erg lastig is. In een bestemmingsplan is het vereist om een stikstofregel op te nemen. Dat heeft dan alleen te maken met het bestemmingsplan om daarmee te kunnen onderbouwen of er milieueffecten uitgaan vanuit het bestemmingsplan. Een stikstofregel in een bestemmingsplan verandert dan ook niets aan de bestaande natuurrechten die iemand heeft op basis van de Wet natuurbescherming. Voor de natuurtoestemmingen is de provincie Fryslân namelijk het bevoegde gezag. De gemeente is dat niet. Een gemeente kan dus ook niet in een bestemmingsplan stikstofrechten die de provincie heeft gegeven afnemen. Als agrarische gemeente willen wij dat uiteraard ook niet. Voor wat betreft stikstof en het bestemmingsplan is het goed te weten dat de stikstofregel alleen maar aan de orde is als iemand wil gaan uitbreiden/nieuwe ontwikkeling wil gaan doen. Want alleen dan is er een toets aan het bestemmingsplan. Bijvoorbeeld een nieuwe stal.

Indien er een natuurtoestemming is van de provincie, zal het bestemmingsplan niet beperkend zijn voor wat betreft stikstof. Daarbij hebben wij in het bestemmingsplan ook opgenomen dat er geen

sprake is van stikstofemissie als de ontwikkeling misschien wel stikstofemissie veroorzaakt, maar dat er geen depositie op een (overbelast) beschermd natuurgebied is. Als een beschermd gebied niet (extra) wordt belast, dan ziet het bestemmingsplan dit sowieso niet als stikstofemissie (artikel 1.74 onder 2). Dus extra activiteiten (gebruik of bouwen) die op basis van de nieuwste AERIUScalculator geen stikstofdepositie laten zien op beschermde gebieden, zijn in de ogen van het bestemmingsplan dus geen stikstofemissie. Die kunnen dus (als er ook aan de andere regels van het bestemmingsplan wordt voldaan). Als gemeente hebben wij langere tijd moeten zoeken en nadenken over een goede stikstofregel in onze bestemmingsplannen. In de afgelopen jaren is uit meerdere uitspraken van de Raad van State namelijk duidelijk geworden dat een goede stikstofregel in het bestemmingsplan niet makkelijk is. Onze stikstofregel is na bestudering van de verschillende uitspraken en buitengebied-bestemmingsplannen van andere gemeenten zo opgebouwd dat wij daarmee in onze ogen recht doen aan de verschillende belangen. Uiteindelijk willen wij een goed bestemmingsplan vaststellen waarbij wij ook recht doen aan de natuurtoestemming. Dat hebben wij nu gedaan in onze ogen.

Zoals de Afdeling standaard overweegt dient de gemeente bij de vaststelling van een bestemmingsplan de feitelijke, planologische legale situatie als referentiesituatie te beschouwen (o.a. ECLI:NL:RVS:2020:1110). Dit wordt dan ook in dit bestemmingsplan als uitgangspunt en hoofdregel geformuleerd. Dat deze hoofdregel in de praktijk onwenselijk kan zijn begrijpen wij, maar voor ons is het van belang dat wij in ons bestemmingsplan een goede hoofdregel vaststellen. Een uitzondering op deze hoofdregel is dan bijlage 7 waarin de bedrijven zijn opgenomen met een verleende Wnb-vergunning (of verleende omgevingsvergunning met een verklaring van geen bedenkingen op basis van de Wnb) welke ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan onherroepelijk was en waar een passende beoordeling aan ten grondslag heeft gelegen (o.a. ECLI:NL:RVS:2020:684). Een Wnb-vergunning (of afgegeven vvgb) welke op basis van de PAS-wetgeving passend is beoordeeld mag hiervoor niet gebruikt worden en kan niet opgenomen worden in bijlage 7. Ook niet indien dit onherroepelijke vergunningen zijn. Voor de vaststelling van een bestemmingsplan (ruimtelijke spoor) is dit niet toegestaan (ECLI:NL:RVS:2019:1603, r.o. 36 e.v.).

Conclusie is dat de artikelen inzake de vraag of er sprake is van toename van stikstofdepositie in het bestemmingsplan dusdanig zijn opgebouwd dat wij daarmee zoveel mogelijk recht doen aan de natuurtoestemmingen die er zijn. Wij zien geen mogelijkheden of goede andere voorbeelden op welke wijze wij deze bepalingen zouden kunnen aanpassen zonder dat hierbij de houdbaarheid van de bepaling onder druk komt te staan. Wij nemen gelet hierop de zienswijze dan ook niet over.

Gebruik van gronden en bouwwerken In de zienswijze komt naar voren dat artikel 3.5 onder j en 1.7 van de planregels een onnodige beperking van het gebruik inhouden. De regel zou namelijk ook gelden voor agrarische cultuurgrond die dezelfde bestemming behoudt. Allereerst merken wij op dat de zienswijze in plaats van artikel 1.7 de begripsbepaling van toename van stikstofemissie zal bedoelen (artikel 1.74). Dit beschouwen wij als een kennelijke schrijffout. In het bestemmingsplan is opgenomen dat het gebruiken van gronden en/of bouwwerken, waarbij er sprake is van stikstofemissie vanuit deze gronden en/of bouwwerken, als strijdig gebruik wordt beschouwd (o.a. artikel 3.5 onder j). In artikel 1.74 staat de begripsbepaling wanneer er in het kader van het bestemmingsplan sprake is van “toename van stikstofemissie”. Hieruit komt naar voren dat als er niets op de bedrijfslocatie verandert, er ook geen toename van stikstofemissie aan de orde is (in het kader van het bestemmingsplan). Dus deze regel is pas aan de orde in het geval er een wijziging op het perceel gaat plaatsvinden, zoals bijvoorbeeld de bouw van een extra stal. In dat geval wordt er pas gekeken naar of deze stal extra stikstofdepositie heeft op een overbelast beschermd natuurgebied. Is het antwoord hierop nee, dan is er op basis van de definitie van het bestemmingsplan geen toename van stikstofemissie.

Ook in die gevallen zal de stikstofregel dus geen belemmering opleveren. Mocht er wel een toename zijn, dan kan worden teruggevallen op de natuurtoestemming en wordt op basis daarvan bekeken of er een extra toename van stikstof is ten opzichte van deze natuurtoestemming. Naast de bouwpercelen, worden de weilanden nabij een boerderij ook agrarisch gebruikt. In de zienswijze wordt gesteld dat door de begripsbepaling van onze stikstofregel dit gebruik ook mogelijk een toename van stikstofemissie inhoudt en daarmee dat het bestemmingsplan onnodig beperkend is. Wij zijn het hier niet geheel mee eens. De eerste vraag is namelijk of er daadwerkelijk stikstofdepositie zal zijn op een (overbelast) beschermd natuurgebied bij het gebruik van die gronden. Dat zal in de meeste gevallen niet aan de orde zijn. Maar los daarvan beogen wij met onze bestemmingsplanregel niet om (mogelijk) beperkend te kunnen zijn. Wij zien daarom aanleiding om voor de duidelijkheid de strijdig gebruiksbepaling van artikelen 3.5 en 4.5 waarin stikstofemissie als strijdig gebruik wordt aangemerkt, aan te passen (waarbij de onderstreepte delen zijn toegevoegd). Hierbij koppelen wij deze emissie aan een ruimtelijke ontwikkeling.

Daarmee is in onze ogen tegemoet gekomen aan de gevraagde aanpassing in de zienswijze en doen wij recht aan de agrarische percelen die in de voorgaande bestemmingsplannen ook een agrarische bestemming hadden (en zo werden gebruikt). “het gebruiken en laten gebruiken van gronden en/of bouwwerken voor een ruimtelijke ontwikkeling, waarbij een toename van stikstofemissie plaatsvindt vanuit de betreffende gronden en/of bouwwerken. Onder een ruimtelijke

ontwikkeling wordt in ieder geval niet verstaan het gebruik van onbebouwde agrarische gronden voor bemesten.” Voor dit gedeelte van de zienswijze nemen wij deze over en vullen wij de planregel aan. Alle Wnb-vergunningen opnemen in bijlage 7 In de zienswijze wordt het verzoek gedaan om alle onherroepelijke Wnbvergunningen in bijlage 7 op te nemen. Ongeacht of deze middels de PASwetgeving tot stand zijn gekomen. Zoals hierboven al is omschreven is onze hoofdregel en de uitzondering in bijlage 7 zo opgesteld dat het de rechterlijke toets kan doorstaan. Indien wij alle Wnbvergunningen gaan opnemen in bijlage 7, dus ook de PAS-vergunningen, dan is het niet zeker of deze bijlage (in een rechtszaak) in stand kan blijven. De bedrijven die nu in bijlage 7 zijn opgenomen komen daarmee dus in een minder zekere positie terecht. Daarnaast zal dit ook geen andere situatie (of verbeterde positie) opleveren dan dat er nu al aan de orde is op basis van het bestemmingsplan. Zoals al eerder is gesteld zijn wij van mening met dit bestemmingsplan recht te doen aan de natuurtoestemmingen die er liggen. Het zal dus geen toegevoegde waarde hebben om deze andere Wnb-vergunningen op te nemen in bijlage 7. In bijlage 7 nemen wij uitsluitend de onherroepelijke natuurtoestemmingen op die niet middels de PAS passend zijn beoordeeld conform de eerder genoemde rechtspraak.

De zienswijze wordt op dit punt niet overgenomen. Nieuwe Wnb-vergunningen in bijlage 7 In de zienswijze wordt gesteld dat, als er na de vaststelling van het bestemmingsplan een nieuwe Wnb-vergunning wordt verleend, het bedrijf zelf zorg moet dragen om deze nieuwe vergunning in bijlage 7 van het bestemmingsplan te krijgen. In de zienswijze wordt tevens aangegeven dat hiervoor het bestemmingsplan moet worden gewijzigd en dat hiermee hoge kosten voor de ondernemer aan de orde zijn. Ook in dit geval is het goed te beseffen dat er slechts een toets aan het bestemmingsplan aan de orde is, indien er een nieuwe ontwikkeling gepland is. Pas dan zal er aan het bestemmingsplan worden getoetst. De acute noodzaak om de nieuwe verleende Wnb-vergunning per direct op te laten nemen in bijlage 7 van het bestemmingsplan is daarmee dan ook niet aanwezig in onze ogen. Dat is pas mogelijk relevant indien er op korte termijn nog een nieuwe ontwikkeling beoogd is. Maar in dat geval zal dit bestemmingsplan niet belemmerd zijn indien er een natuurtoestemming ligt.

Los daarvan is het goed te weten dat er wettelijk gezien uiterlijk binnen 5 jaar (na vaststelling van een bestemmingsplan) een geactualiseerd bestemmingsplan moeten komen. Dat zal per 1 januari 2024 een Omgevingsplan gaan heten (onder de Omgevingswet). Deze nieuwe wet verplicht gemeenten om minimaal elke 5 jaar het Omgevingsplan te actualiseren. De nieuwe verleende Wnb-vergunningen worden dus bij die actualisatie automatisch (en gratis voor de bedrijven) opgenomen in bijlage 7. Het is goed denkbaar dat een actualisatie ook sneller dan deze 5 jaar aan de orde is. In die zin is het dus niet nodig om als agrarisch bedrijf zelf een wijziging op het bestemmingsplan op te starten (en te betalen) om daarmee de vergunning in bijlage 7 te krijgen. Dat gebeurt door de actualisatieplicht namelijk al automatisch. En de kans wordt klein geacht dat er in de periode tussen het verkrijgen van de nieuwe Wnb-vergunning en de actualisatie van het bestemmingsplan nog nieuwe ontwikkelingen bij een bedrijf zijn (waarbij stikstofemissie aan de orde kan zijn). Indien die er al zouden zijn, dan voorziet ons bestemmingsplan hier ook in aangezien wij recht doen aan de natuurtoestemmingen. Zienswijze denkbeeldige rechthoek Er worden vraagtekens geplaatst bij de beantwoording van de inspraakreactie ten aanzien van de omvang van de denkbeeldige rechthoek.

Bij de intekening van de denkbeeldige rechthoek komt de gemeente Súdwest-Fryslân uit op circa 1,78 hectare. Deze bestaande omvang (nog los van de paardenbak) komt ruim boven de gestelde 1,5 hectare (bij recht) uit. Belanghebbende is van mening dat de huidige omvang (als bestaande situatie) vastgelegd dient te worden binnen de verbeelding op de plankaart behorende bij het ontwerpbestemmingsplan. Reactie gemeente In artikel 3.2. onder b is opgenomen dat bouwwerken uitsluitend gebouwd mogen worden binnen een denkbeeldige rechthoek van maximaal 1,5 hectare dat gelegen is op en rondom de gronden ter plaatse van de aanduiding ‘agrarisch bedrijf’ of binnen een bouwvlak ter plaatse van de aanduiding ‘agrarisch bedrijf’ of binnen een bouwvlak met de aanduiding ‘intensieve veehouderij’. In artikel 3.2 onder c2 is aangegeven dat per denkbeeldige rechthoek of bouwvlak uitsluitend bedrijfsgebouwen ten behoeve van 1 agrarisch bedrijf mogen worden gebouwd. In artikel 3.4.1.

onder b kan met een omgevingsvergunning worden afgeweken van het bepaalde in artikel 3.2 sub b en c onder 2 voor het bouwen van bouwwerken buiten de denkbeeldige rechthoek van 1,5 hectare, mits de bebouwing ten behoeve van een grondgebonden agrarisch bedrijf wordt gesitueerd binnen een denkbeeldige rechthoek die maximaal 2 hectare bedraagt en die gelegen is op en rondom de gronden ter plaatse van de aanduiding ‘agrarisch bedrijf’. De hiervoor genoemde binnenplanse afwijkingsmogelijkheid kan alleen worden toegepast wanneer er sprake is van een denkbeeldige rechthoek met de aanduiding ‘agrarisch bedrijf’. Alle bouwwerken die worden geplaatst buiten de denkbeeldige

rechthoek van 1,5 hectare dienen te worden beoordeeld op basis van de in het bestemmingsplan opgenomen afwijkingsmogelijkheid zoals hiervoor omschreven, ondanks van het feit dat de denkbeeldige rechthoek van 1,5 hectare reeds is overschreden. Wij hebben de denkbeeldige rechthoek van de vergunde bouwwerken ter plaatse van het agrarische bedrijf opgemeten. Daarbij hebben wij geconstateerd dat de denkbeeldige rechthoek een oppervlakte heeft van ± 1,78 hectare. Zie onderstaande luchtfoto.

Luchtfoto met de denkbeeldige rechthoek van 1,78 ha

Belanghebbende is van mening dat de huidige omvang (als bestaande situatie) vastgelegd dient te worden binnen de verbeelding op de plankaart behorende bij het ontwerpbestemmingsplan. Dat laatste lijkt ons een niet voor de hand liggende optie. Sterker nog, hierdoor wordt belanghebbende beperkt in zijn toekomstige ontwikkelingen door de huidige 1,78 hectare vast te leggen. Daarmee kan met de flexibele binnenplanse afwijkingsmogelijkheid niet meer uitbreiden naar 2 hectare. Als er conform het verzoek een bouwvlak wordt opgenomen van de huidige bedrijfsvoering, betekent dat ook dat er binnen het bestemmingsplan geen uitbreidingsmogelijkheden meer zijn voor het perceel in tegenstelling tot de agrarische percelen die wel een denkbeeldige rechthoek hebben. Daar komt bij dat er in de rechten van belanghebbende niets positiefs verandert door het opnemen van het bouwvlak rondom de bestaande bebouwing (welke onder de 2 Ha is).

Daar komt bij dat het opnemen van een bouwvlak tussen de 1,5 Ha en 2,0 Ha voor een grondgebonden agrarisch bedrijf niet past binnen onze algemene uitgangspunten en dit op basis daarvan al onwenselijk is. Hierbij is de beoogde flexibiliteit die wij nastreven om te kunnen groeien naar de 2,0 Ha door het opnemen van het bouwvlak teniet gedaan. Omdat er geen inbreuk op de rechten van belanghebbende wordt gedaan door te werken met een denkbeeldige rechthoek waarbij er tot 2 Ha kan worden vergroot, gaan wij niet mee in deze zienswijze. Conclusie De zienswijze wordt niet overgenomen Zienswijze paardenbak/rijbak Tenslotte heeft belanghebbende gevraagd om een antwoord op de vraag “of de functieaanduiding paardenrijbak binnen de contouren van het bouwvlak/denkbeeldige rechthoek moet worden opgenomen of dat de paardenrijbak buiten de contour denkbeeldige rechthoek kan vallen”. Er is nog geen paardenbak maar cliënt wil deze mogelijkheid graag openhouden. Reactie gemeente In tegenstelling tot hetgeen aangegeven door belanghebbende, hebben wij geconstateerd dat er reeds een paardenbak is gerealiseerd (zie onderstaande luchtfoto).

In ons systeem hebben wij geen verleende vergunning voor de paardenbak/rijbak aangetroffen. Belanghebbende zal derhalve hiertoe een aanvraag in moeten dienen omdat deze niet zonder vergunning kan worden opgericht. Binnen een gesloten bouwvlak en een denkbeeldige rechthoek van 1,5 h dan wel een denkbeeldige rechthoek van 1,5 m2 bij onder voorwaarden de rijbak ‘bij recht’ worden gerealiseerd (in het bestemmingsplan is een paardenbak ‘rijbak’ genoemd).

De regels in het bestemmingsplan zullen dienovereenkomstig worden aangepast. In het geval de rijbak niet binnen de denkbeeldige rechthoek of het bouwvlak valt, zal moeten worden beoordeeld of gebruik kan worden gemaakt van de binnenplanse afwijkingsmogelijkheid die ten aanzien van rijbakken. Daarvoor wordt verwezen naar de regels in het bestemmingsplan. Het zal duidelijk zijn dat de bestaande rijbak in dit stadium nog niet beoordeeld kan worden om reden dat niet aangegeven is waar deze paardenbak gerealiseerd moet worden laat staan dat er een onherroepelijke vergunning ligt. Voor wat betreft de inhoud van de zienswijze (waar mag een rijbak komen te liggen) merken wij op dat een rijbak bij recht binnen de denkbeeldige rechthoek van 1,5 Ha mag komen te liggen (mits aan de randvoorwaarden wordt voldaan zoals bijvoorbeeld een minimale afstand tot perceelsgrenzen naar buren) en buiten deze denkbeeldige rechthoek is het onder voorwaarden die zijn genoemd in de binnenplanse afwijkingsmogelijkheid ook mogelijk een rijbak te realiseren. Conclusie De zienswijze wordt niet overgenomen.

16. Blankendalwei 8 Scharnegoutum Zienswijze stikstof Hierbij wordt namens de maatschap Terpstra-Gerbrandy, Blankendalwei 8 te Scharnegoutum een zienswijze ingediend. De gemeente Súdwest-Fryslân stelt in de beantwoording van de eerder ingediende inspraakreactie dat de Maatschap een onherroepelijke Wnb-vergunning heeft welke passend is beoordeeld op basis van de PAS. Gelet op bovenstaande en de heersende jurisprudentie wil de gemeente Súdwest-Fryslân deze PAS-vergunning niet opnemen binnen de bijlage 7, zoals de maatschap dat wenst. De feitelijke planologische legale situatie op het moment van vaststelling van het bestemmingsplan zal leidend zijn voor de vraag of niet een toename is van stikstofdepositie. Dit is voor de praktijk onredelijk en onwerkbaar. Het melkveehouderijbedrijf kan zich verder niet verenigen met artikel 3.5 onder j en 1.7 van de planregels. Onderhavige regels gelden ook voor het gebruik van de gronden waarop geen ruimtelijke ontwikkeling is voorzien (j.het gebruiken en laten gebruiken van gronden en/of bouwwerken waarbij een toename van stikstofemissie plaatsvindt vanuit de betreffende gronden en bouwwerken). Dat is bijvoorbeeld alle agrarische cultuurgrond die dezelfde bestemming behouden. Daar hoeven geen stikstofregels voor te worden opgenomen binnen het bestemmingsplan.

Onderhavige regels vormen een onnodige beperking van het gebruik en zijn door de gemeente Súdwest-Fryslân ook niet te handhaven. In bijlage 7 zijn (nu slechts) 20 veehouderijen opgenomen. Na vaststelling van het bestemmingsplan ligt de lijst vast. Als een bedrijf daarna een Wvb-vergunning krijgt voor een project met een hogere stikstofemissie of depositie die wel juist passend is beoordeeld, dan moet voor dat project ook het bestemmingsplan worden gewijzigd (door een opname dan wel gewijzigde opname van die Wnb-vergunning in bijlage 7). Hoe wil de gemeente dat gaan regelen zonder dat de ondernemer een zware planologische procedure moet doorlopen hoge leges moet betalen? Gevraagd wordt de planregels ten aanzien van beperkingen in het kader van stikstof aan te passen. Reactie gemeente In algemeenheid valt aan te geven dat het opnemen van een zogenaamde stikstofregel in bestemmingsplannen in de afgelopen jaren lastig is gebleken. De landelijke stikstofregels veranderen meer dan eens en tot op heden is er nog geen landelijke duidelijkheid over hoe om te gaan met stikstofdepositie op basis van de natuurwetgeving. Dat zorgt er ook voor dat het opnemen van de juiste of optimale stikstofregels voor in je bestemmingsplan ook erg lastig is. In een bestemmingsplan is het vereist om een stikstofregel op te nemen.

Dat heeft dan alleen te maken met het bestemmingsplan om daarmee te kunnen onderbouwen of er milieueffecten uitgaan vanuit het bestemmingsplan. Een stikstofregel in een bestemmingsplan verandert dan ook niets aan de bestaande natuurrechten die iemand heeft op basis van de Wet natuurbescherming. Voor de natuurtoestemmingen is de provincie Fryslân namelijk het bevoegde gezag. De

gemeente is dat niet. Een gemeente kan dus ook niet in een bestemmingsplan stikstofrechten die de provincie heeft gegeven afnemen. Als agrarische gemeente willen wij dat uiteraard ook niet. Voor wat betreft stikstof en het bestemmingsplan is het goed te weten dat de stikstofregel alleen maar aan de orde is als iemand wil gaan uitbreiden/nieuwe ontwikkeling wil gaan doen. Want alleen dan is er een toets aan het bestemmingsplan. Bijvoorbeeld een nieuwe stal. Indien er een natuurtoestemming is van de provincie, zal het bestemmingsplan niet beperkend zijn voor wat betreft stikstof. Daarbij hebben wij in het bestemmingsplan ook opgenomen dat er geen sprake is van stikstofemissie als de ontwikkeling misschien wel stikstofemissie veroorzaakt, maar dat er geen depositie op een (overbelast) beschermd natuurgebied is. Als een beschermd gebied niet (extra) wordt belast, dan ziet het bestemmingsplan dit sowieso niet als stikstofemissie (artikel 1.74 onder 2). Dus extra activiteiten (gebruik of bouwen) die op basis van de nieuwste AERIUScalculator geen stikstofdepositie laten zien op beschermde gebieden, zijn in de ogen van het bestemmingsplan dus geen stikstofemissie. Die kunnen dus (als er ook aan de andere regels van het bestemmingsplan wordt voldaan). Als gemeente hebben wij langere tijd moeten zoeken en nadenken over een goede stikstofregel in onze bestemmingsplannen.

In de afgelopen jaren is uit meerdere uitspraken van de Raad van State namelijk duidelijk geworden dat een goede stikstofregel in het bestemmingsplan niet makkelijk is. Onze stikstofregel is na bestudering van de verschillende uitspraken en buitengebied-bestemmingsplannen van andere gemeenten zo opgebouwd dat wij daarmee in onze ogen recht doen aan de verschillende belangen. Uiteindelijk willen wij een goed bestemmingsplan vaststellen waarbij wij ook recht doen aan de natuurtoestemming. Dat hebben wij nu gedaan in onze ogen. Zoals de Afdeling standaard overweegt dient de gemeente bij de vaststelling van een bestemmingsplan de feitelijke, planologische legale situatie als referentiesituatie te beschouwen (o.a. ECLI:NL:RVS:2020:1110). Dit wordt dan ook in dit bestemmingsplan als uitgangspunt en hoofdregel geformuleerd. Dat deze hoofdregel in de praktijk onwenselijk kan zijn begrijpen wij, maar voor ons is het van belang dat wij in ons bestemmingsplan een goede hoofdregel vaststellen. Een uitzondering op deze hoofdregel is dan bijlage 7 waarin de bedrijven zijn opgenomen met een verleende Wnb-vergunning (of verleende omgevingsvergunning met een verklaring van geen bedenkingen op basis van de Wnb) welke ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan onherroepelijk was en waar een passende beoordeling aan ten grondslag heeft gelegen (o.a. ECLI:NL:RVS:2020:684).

Een Wnb-vergunning (of afgegeven vvgb) welke op basis van de PAS-wetgeving passend is beoordeeld mag hiervoor niet gebruikt worden en kan niet opgenomen worden in bijlage 7. Ook niet indien dit onherroepelijke vergunningen zijn. Voor de vaststelling van een bestemmingsplan (ruimtelijke spoor) is dit niet toegestaan (ECLI:NL:RVS:2019:1603, r.o. 36 e.v.).

Conclusie is dat de artikelen inzake de vraag of er sprake is van toename van stikstofdepositie in het bestemmingsplan dusdanig zijn opgebouwd dat wij daarmee zoveel mogelijk recht doen aan de natuurtoestemmingen die er zijn. Wij zien geen mogelijkheden of goede andere voorbeelden op welke wijze wij deze bepalingen zouden kunnen aanpassen zonder dat hierbij de houdbaarheid van de bepaling onder druk komt te staan. Wij nemen gelet hierop de zienswijze dan ook niet over. Gebruik van gronden en bouwwerken In de zienswijze komt naar voren dat artikel 3.5 onder j en 1.7 van de planregels een onnodige beperking van het gebruik inhouden. De regel zou namelijk ook gelden voor agrarische cultuurgrond die dezelfde bestemming behoudt. Allereerst merken wij op dat de zienswijze in plaats van artikel 1.7 de begripsbepaling van toename van stikstofemissie zal bedoelen (artikel 1.74). Dit beschouwen wij als een kennelijke schrijffout. In het bestemmingsplan is opgenomen dat het gebruiken van gronden en/of bouwwerken, waarbij er sprake is van stikstofemissie vanuit deze gronden en/of bouwwerken, als strijdig gebruik wordt beschouwd (o.a. artikel 3.5 onder j). In artikel 1.74 staat de begripsbepaling wanneer er in het kader van het bestemmingsplan sprake is van “toename van stikstofemissie”.

Hieruit komt naar voren dat als er niets op de bedrijfslocatie verandert, er ook geen toename van stikstofemissie aan de orde is (in het kader van het bestemmingsplan). Dus deze regel is pas aan de orde in het geval er een wijziging op het perceel gaat plaatsvinden, zoals bijvoorbeeld de bouw van een extra stal. In dat geval wordt er pas gekeken naar of deze stal extra stikstofdepositie heeft op een overbelast beschermd natuurgebied. Is het antwoord hierop nee, dan is er op basis van de definitie van het bestemmingsplan geen toename van stikstofemissie. Ook in die gevallen zal de stikstofregel dus geen belemmering opleveren. Mocht er wel een toename zijn, dan kan worden teruggevallen op de natuurtoestemming en wordt op basis daarvan bekeken of er een extra toename van stikstof is ten opzichte van deze natuurtoestemming. Naast de bouwpercelen, worden de weilanden nabij een boerderij ook agrarisch gebruikt. In de zienswijze wordt gesteld dat door de begripsbepaling van onze stikstofregel dit gebruik ook mogelijk een toename van stikstofemissie inhoudt en daarmee dat het bestemmingsplan onnodig beperkend is. Wij zijn het hier niet geheel mee eens. De eerste vraag is namelijk of er daadwerkelijk stikstofdepositie zal zijn op een (overbelast) beschermd natuurgebied bij het gebruik van die gronden. Dat zal in de meeste gevallen niet aan de orde zijn.

Maar los daarvan beogen wij met onze bestemmingsplanregel niet om (mogelijk) beperkend te kunnen zijn. Wij zien daarom aanleiding om voor de duidelijkheid de strijdig gebruiksbepaling van artikelen 3.5 en 4.5 waarin

stikstofemissie als strijdig gebruik wordt aangemerkt, aan te passen (waarbij de onderstreepte delen zijn toegevoegd). Hierbij koppelen wij deze emissie aan een ruimtelijke ontwikkeling. Daarmee is in onze ogen tegemoet gekomen aan de gevraagde aanpassing in de zienswijze en doen wij recht aan de agrarische percelen die in de voorgaande bestemmingsplannen ook een agrarische bestemming hadden (en zo werden gebruikt). “het gebruiken en laten gebruiken van gronden en/of bouwwerken voor een ruimtelijke ontwikkeling, waarbij een toename van stikstofemissie plaatsvindt vanuit de betreffende gronden en/of bouwwerken. Onder een ruimtelijke ontwikkeling wordt in ieder geval niet verstaan het gebruik van onbebouwde agrarische gronden voor bemesten.” Voor dit gedeelte van de zienswijze nemen wij deze over en vullen wij de planregel aan. Alle Wnb-vergunningen opnemen in bijlage 7 In de zienswijze wordt het verzoek gedaan om alle onherroepelijke Wnbvergunningen in bijlage 7 op te nemen. Ongeacht of deze middels de PASwetgeving tot stand zijn gekomen. Zoals hierboven al is omschreven is onze hoofdregel en de uitzondering in bijlage 7 zo opgesteld dat het de rechterlijke toets kan doorstaan. Indien wij alle Wnbvergunningen gaan opnemen in bijlage 7, dus ook de PAS-vergunningen, dan is het niet zeker of deze bijlage (in een rechtszaak) in stand kan blijven.

De bedrijven die nu in bijlage 7 zijn opgenomen komen daarmee dus in een minder zekere positie terecht. Daarnaast zal dit ook geen andere situatie (of verbeterde positie) opleveren dan dat er nu al aan de orde is op basis van het bestemmingsplan. Zoals al eerder is gesteld zijn wij van mening met dit bestemmingsplan recht te doen aan de natuurtoestemmingen die er liggen. Het zal dus geen toegevoegde waarde hebben om deze andere Wnb-vergunningen op te nemen in bijlage 7. In bijlage 7 nemen wij uitsluitend de onherroepelijke natuurtoestemmingen op die niet middels de PAS passend zijn beoordeeld conform de eerder genoemde rechtspraak. De zienswijze wordt op dit punt niet overgenomen. Nieuwe Wnb-vergunningen in bijlage 7 In de zienswijze wordt gesteld dat, als er na de vaststelling van het bestemmingsplan een nieuwe Wnb-vergunning wordt verleend, het bedrijf zelf zorg moet dragen om deze nieuwe vergunning in bijlage 7 van het bestemmingsplan te krijgen. In de zienswijze wordt tevens aangegeven dat hiervoor het bestemmingsplan moet worden gewijzigd en dat hiermee hoge kosten voor de ondernemer aan de orde zijn.

Ook in dit geval is het goed te beseffen dat er slechts een toets aan het bestemmingsplan aan de orde is, indien er een nieuwe ontwikkeling gepland is. Pas dan zal er aan het bestemmingsplan worden getoetst. De acute noodzaak om de nieuwe verleende Wnb-vergunning per direct op te laten nemen in bijlage 7 van het bestemmingsplan is daarmee dan ook niet aanwezig in onze ogen. Dat is pas mogelijk relevant indien er op korte termijn nog een nieuwe ontwikkeling beoogd is. Maar in dat geval zal dit bestemmingsplan niet belemmerd zijn indien er een natuurtoestemming ligt. Los daarvan is het goed te weten dat er wettelijk gezien uiterlijk binnen 5 jaar (na vaststelling van een bestemmingsplan) een geactualiseerd bestemmingsplan moeten komen. Dat zal per 1 januari 2024 een Omgevingsplan gaan heten (onder de Omgevingswet). Deze nieuwe wet verplicht gemeenten om minimaal elke 5 jaar het Omgevingsplan te actualiseren. De nieuwe verleende Wnb-vergunningen worden dus bij die actualisatie automatisch (en gratis voor de bedrijven) opgenomen in bijlage 7. Het is goed denkbaar dat een actualisatie ook sneller dan deze 5 jaar aan de orde is. In die zin is het dus niet nodig om als agrarisch bedrijf zelf een wijziging op het bestemmingsplan op te starten (en te betalen) om daarmee de vergunning in bijlage 7 te krijgen. Dat gebeurt door de actualisatieplicht namelijk al automatisch.

En de kans wordt klein geacht dat er in de periode tussen het verkrijgen van de nieuwe Wnb-vergunning en de actualisatie van het bestemmingsplan nog nieuwe ontwikkelingen bij een bedrijf zijn (waarbij stikstofemissie aan de orde kan zijn). Indien die er al zouden zijn, dan voorziet ons bestemmingsplan hier ook in aangezien wij recht doen aan de natuurtoestemmingen. Zienswijze denkbeeldige rechthoek/bouwvlak De maatschap voorziet op de locatie Blankendalwei 8 te Scharnegoutum op relatief korte termijn een bedrijfsontwikkeling, die de bij recht gestelde bouwblokgrootte (denkbeeldige rechthoek) van 1,5 hectare zal overstijgen. Nu al zit de denkbeeldige rechthoek op bijna 1,5 hectare (1.47 ha). De maatschap verzoekt gelet op de op korte termijn voorziene bedrijfsontwikkeling om een bouwvlak van 2 hectare ter plaatse van de “aanduiding bedrijf”. Reactie gemeente De gemeente kan niet zonder meer een bebouwingsvlak opnemen van 2 ha. In het geval een agrarisch bedrijf uitbreidt buiten de denkbeeldige rechthoek van 1,5 hectare dient worden afgeweken van de bouwregels. Daarvoor is een omgevingsvergunning vereist waarbij getoetst dient te worden aan de criteria die zijn opgenomen in artikel 3.4.1 van de regels van het bestemmingsplan. Hierbij is bijvoorbeeld de landschappelijke inpassing van belang.

Zondermeer opnemen van een bouwvlak van 2 Ha zonder dat hier aan de randvoorwaarden kan worden getoetst is onwenselijk en niet passend binnen het ruimtelijk beleid van de

gemeente. Dergelijke uitbreidingen van de bedrijfsactiviteiten moeten goed worden ingepast in het landschap. Conclusie Deze zienswijze wordt gelet op bovenstaande niet overgenomen. Zienswijze agrarisch bedrijf in relatie tot de woonbestemming Blankendalwei 8 Op relatief korte afstand van de locatie Blankendalwei 8 te Scharnegoutum is een voorheen “agrarisch” bestemde bedrijfslocatie omgezet naar de functie enkelbestemming “Wonen” (Blankendalwei 6 te Scharnegoutum). De maatschap is van mening dat zij hier in haar bedrijfsvoering geen belemmeringen van mogen ondervinden. Bij een doelmatige invulling van de denkbeeldige rechthoek of situering bouwvlak zou het melkveehouderijbedrijf van de maatschap binnen de invloedsfeer van de woonfunctie op de locatie Blankendalwei 6 kunnen komen te vallen met alle nadelige gevolgen van dien. Gevraagd wordt de negatieve gevolgen te ondervangen. Reactie gemeente: Het woonperceel Blankendalwei 6 heeft zowel op grond van het vigerende bestemmingsplan Buitengebied Wymbritseradiel als het thans aan de orde zijnde bestemmingsplan Buitengebied SWF-II de bestemming “Wonen”. De afstand tussen het agrarische bedrijf Blankendalwei 8 en de woning Blankendalwei 6 bedraagt 150 meter. In die zin zal het agrarische bedrijf niet direct in haar belangen worden aangetast. In ieder geval niet meer dan reeds in de bestaande situatie al aan de orde kan zijn.

Belanghebbende wordt in die zin dus niet geschaad. Conclusie De zienswijze wordt niet overgenomen.

Situering Blankendalwei 6 en 8

Fragment verbeelding BP BG Wymbritseradiel

Fragment verbeelding BP BG SWF-II

17. De Terpen 2 te IJlst Zienswijze stikstof Hierbij wordt namens de maatschap De Vries-Van der Hout, De Terpen 2 te IJlst een zienswijze ingediend. De gemeente Súdwest-Fryslân stelt in de beantwoording van de eerder ingediende inspraakreactie dat de Maatschap een onherroepelijke Wnb-vergunning heeft welke passend is beoordeeld op basis van de PAS. Gelet op bovenstaande en de heersende jurisprudentie wil de gemeente Súdwest-Fryslân deze PAS-vergunning niet opnemen binnen de bijlage 7, zoals de maatschap dat wenst. De feitelijke planologische legale situatie op het moment van vaststelling van het bestemmingsplan zal leidend zijn voor de vraag of niet een toename is van stikstofdepositie. Dit is voor de praktijk onredelijk en onwerkbaar. Het melkveehouderijbedrijf kan zich verder niet verenigen met artikel 3.5 onder j en 1.7 van de planregels. Onderhavige regels gelden ook voor het gebruik van de gronden waarop geen ruimtelijke ontwikkeling is voorzien (j.het gebruiken en laten gebruiken van gronden en/of bouwwerken waarbij een toename van stikstofemissie plaatsvindt vanuit de betreffende gronden en bouwwerken). Dat is bijvoorbeeld alle agrarische cultuurgrond die dezelfde bestemming behouden. Daar hoeven geen stikstofregels voor te worden opgenomen binnen het bestemmingsplan.

Onderhavige regels vormen een onnodige beperking van het gebruik en zijn door de gemeente Súdwest-Fryslân ook niet te handhaven. In bijlage 7 zijn (nu slechts) 20 veehouderijen opgenomen. Na vaststelling van het bestemmingsplan ligt de lijst vast. Als een bedrijf daarna een Wvb-vergunning krijgt voor een project met een hogere stikstofemissie of depositie die wel juist passend is beoordeeld, dan moet voor dat project ook het bestemmingsplan worden gewijzigd (door een opname dan wel gewijzigde opname van die Wnb-vergunning in bijlage 7). Hoe wil de gemeente dat gaan regelen zonder dat de ondernemer een zware planologische procedure moet doorlopen hoge leges moet betalen? De gemeenteraad wordt gevraagd de zienswijze gegrond te verklaren, het ontwerpbestemmingsplan Buitengebied SWF-II te heroverwegen, waarbij de planregels ten aanzien van de beperkingen in het kader van stikstof worden aangepast. Reactie gemeente In algemeenheid valt aan te geven dat het opnemen van een zogenaamde stikstofregel in bestemmingsplannen in de afgelopen jaren lastig is gebleken. De landelijke stikstofregels veranderen meer dan eens en tot op heden is er nog geen landelijke duidelijkheid over hoe om te gaan met stikstofdepositie op basis van de natuurwetgeving. Dat zorgt er ook voor dat het opnemen van de juiste of optimale stikstofregels voor in je bestemmingsplan ook erg lastig is.

In een bestemmingsplan is het vereist om een stikstofregel op te nemen. Dat heeft dan alleen te maken met het bestemmingsplan om daarmee te kunnen onderbouwen of er milieueffecten uitgaan vanuit het bestemmingsplan. Een stikstofregel in een bestemmingsplan verandert dan ook niets aan de bestaande

natuurrechten die iemand heeft op basis van de Wet natuurbescherming. Voor de natuurtoestemmingen is de provincie Fryslân namelijk het bevoegde gezag. De gemeente is dat niet. Een gemeente kan dus ook niet in een bestemmingsplan stikstofrechten die de provincie heeft gegeven afnemen. Als agrarische gemeente willen wij dat uiteraard ook niet. Voor wat betreft stikstof en het bestemmingsplan is het goed te weten dat de stikstofregel alleen maar aan de orde is als iemand wil gaan uitbreiden/nieuwe ontwikkeling wil gaan doen. Want alleen dan is er een toets aan het bestemmingsplan. Bijvoorbeeld een nieuwe stal. Indien er een natuurtoestemming is van de provincie, zal het bestemmingsplan niet beperkend zijn voor wat betreft stikstof. Daarbij hebben wij in het bestemmingsplan ook opgenomen dat er geen sprake is van stikstofemissie als de ontwikkeling misschien wel stikstofemissie veroorzaakt, maar dat er geen depositie op een (overbelast) beschermd natuurgebied is. Als een beschermd gebied niet (extra) wordt belast, dan ziet het bestemmingsplan dit sowieso niet als stikstofemissie (artikel 1.74 onder 2). Dus extra activiteiten (gebruik of bouwen) die op basis van de nieuwste AERIUScalculator geen stikstofdepositie laten zien op beschermde gebieden, zijn in de ogen van het bestemmingsplan dus geen stikstofemissie.

Die kunnen dus (als er ook aan de andere regels van het bestemmingsplan wordt voldaan). Als gemeente hebben wij langere tijd moeten zoeken en nadenken over een goede stikstofregel in onze bestemmingsplannen. In de afgelopen jaren is uit meerdere uitspraken van de Raad van State namelijk duidelijk geworden dat een goede stikstofregel in het bestemmingsplan niet makkelijk is. Onze stikstofregel is na bestudering van de verschillende uitspraken en buitengebied-bestemmingsplannen van andere gemeenten zo opgebouwd dat wij daarmee in onze ogen recht doen aan de verschillende belangen. Uiteindelijk willen wij een goed bestemmingsplan vaststellen waarbij wij ook recht doen aan de natuurtoestemming. Dat hebben wij nu gedaan in onze ogen. Zoals de Afdeling standaard overweegt dient de gemeente bij de vaststelling van een bestemmingsplan de feitelijke, planologische legale situatie als referentiesituatie te beschouwen (o.a. ECLI:NL:RVS:2020:1110). Dit wordt dan ook in dit bestemmingsplan als uitgangspunt en hoofdregel geformuleerd. Dat deze hoofdregel in de praktijk onwenselijk kan zijn begrijpen wij, maar voor ons is het van belang dat wij in ons bestemmingsplan een goede hoofdregel vaststellen.

Een uitzondering op deze hoofdregel is dan bijlage 7 waarin de bedrijven zijn opgenomen met een verleende Wnb-vergunning (of verleende omgevingsvergunning met een verklaring van geen bedenkingen op basis van de Wnb) welke ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan onherroepelijk was en waar een passende beoordeling aan ten grondslag heeft gelegen (o.a. ECLI:NL:RVS:2020:684). Een Wnb-vergunning (of afgegeven vvgb) welke op basis van de PAS-wetgeving passend is beoordeeld mag hiervoor niet gebruikt worden en kan niet opgenomen worden in bijlage 7. Ook niet indien dit onherroepelijke vergunningen zijn. Voor de

vaststelling van een bestemmingsplan (ruimtelijke spoor) is dit niet toegestaan (ECLI:NL:RVS:2019:1603, r.o. 36 e.v.). Conclusie is dat de artikelen inzake de vraag of er sprake is van toename van stikstofdepositie in het bestemmingsplan dusdanig zijn opgebouwd dat wij daarmee zoveel mogelijk recht doen aan de natuurtoestemmingen die er zijn. Wij zien geen mogelijkheden of goede andere voorbeelden op welke wijze wij deze bepalingen zouden kunnen aanpassen zonder dat hierbij de houdbaarheid van de bepaling onder druk komt te staan. Wij nemen gelet hierop de zienswijze dan ook niet over. Gebruik van gronden en bouwwerken In de zienswijze komt naar voren dat artikel 3.5 onder j en 1.7 van de planregels een onnodige beperking van het gebruik inhouden. De regel zou namelijk ook gelden voor agrarische cultuurgrond die dezelfde bestemming behoudt. Allereerst merken wij op dat de zienswijze in plaats van artikel 1.7 de begripsbepaling van toename van stikstofemissie zal bedoelen (artikel 1.74). Dit beschouwen wij als een kennelijke schrijffout. In het bestemmingsplan is opgenomen dat het gebruiken van gronden en/of bouwwerken, waarbij er sprake is van stikstofemissie vanuit deze gronden en/of bouwwerken, als strijdig gebruik wordt beschouwd (o.a. artikel 3.5 onder j).

In artikel 1.74 staat de begripsbepaling wanneer er in het kader van het bestemmingsplan sprake is van “toename van stikstofemissie”. Hieruit komt naar voren dat als er niets op de bedrijfslocatie verandert, er ook geen toename van stikstofemissie aan de orde is (in het kader van het bestemmingsplan). Dus deze regel is pas aan de orde in het geval er een wijziging op het perceel gaat plaatsvinden, zoals bijvoorbeeld de bouw van een extra stal. In dat geval wordt er pas gekeken naar of deze stal extra stikstofdepositie heeft op een overbelast beschermd natuurgebied. Is het antwoord hierop nee, dan is er op basis van de definitie van het bestemmingsplan geen toename van stikstofemissie. Ook in die gevallen zal de stikstofregel dus geen belemmering opleveren. Mocht er wel een toename zijn, dan kan worden teruggevallen op de natuurtoestemming en wordt op basis daarvan bekeken of er een extra toename van stikstof is ten opzichte van deze natuurtoestemming. Naast de bouwpercelen, worden de weilanden nabij een boerderij ook agrarisch gebruikt. In de zienswijze wordt gesteld dat door de begripsbepaling van onze stikstofregel dit gebruik ook mogelijk een toename van stikstofemissie inhoudt en daarmee dat het bestemmingsplan onnodig beperkend is. Wij zijn het hier niet geheel mee eens.

De eerste vraag is namelijk of er daadwerkelijk stikstofdepositie zal zijn op een (overbelast) beschermd natuurgebied bij het gebruik van die gronden. Dat zal in de meeste gevallen niet aan de orde zijn. Maar los daarvan beogen wij met onze bestemmingsplanregel niet

om (mogelijk) beperkend te kunnen zijn. Wij zien daarom aanleiding om voor de duidelijkheid de strijdig gebruiksbepaling van artikelen 3.5 en 4.5 waarin stikstofemissie als strijdig gebruik wordt aangemerkt, aan te passen (waarbij de onderstreepte delen zijn toegevoegd). Hierbij koppelen wij deze emissie aan een ruimtelijke ontwikkeling. Daarmee is in onze ogen tegemoet gekomen aan de gevraagde aanpassing in de zienswijze en doen wij recht aan de agrarische percelen die in de voorgaande bestemmingsplannen ook een agrarische bestemming hadden (en zo werden gebruikt). “het gebruiken en laten gebruiken van gronden en/of bouwwerken voor een ruimtelijke ontwikkeling, waarbij een toename van stikstofemissie plaatsvindt vanuit de betreffende gronden en/of bouwwerken. Onder een ruimtelijke ontwikkeling wordt in ieder geval niet verstaan het gebruik van onbebouwde agrarische gronden voor bemesten.” Voor dit gedeelte van de zienswijze nemen wij deze over en vullen wij de planregel aan. Alle Wnb-vergunningen opnemen in bijlage 7 In de zienswijze wordt het verzoek gedaan om alle onherroepelijke Wnbvergunningen in bijlage 7 op te nemen. Ongeacht of deze middels de PASwetgeving tot stand zijn gekomen. Zoals hierboven al is omschreven is onze hoofdregel en de uitzondering in bijlage 7 zo opgesteld dat het de rechterlijke toets kan doorstaan.

Indien wij alle Wnbvergunningen gaan opnemen in bijlage 7, dus ook de PAS-vergunningen, dan is het niet zeker of deze bijlage (in een rechtszaak) in stand kan blijven. De bedrijven die nu in bijlage 7 zijn opgenomen komen daarmee dus in een minder zekere positie terecht. Daarnaast zal dit ook geen andere situatie (of verbeterde positie) opleveren dan dat er nu al aan de orde is op basis van het bestemmingsplan. Zoals al eerder is gesteld zijn wij van mening met dit bestemmingsplan recht te doen aan de natuurtoestemmingen die er liggen. Het zal dus geen toegevoegde waarde hebben om deze andere Wnb-vergunningen op te nemen in bijlage 7. In bijlage 7 nemen wij uitsluitend de onherroepelijke natuurtoestemmingen op die niet middels de PAS passend zijn beoordeeld conform de eerder genoemde rechtspraak. De zienswijze wordt op dit punt niet overgenomen. Nieuwe Wnb-vergunningen in bijlage 7 In de zienswijze wordt gesteld dat, als er na de vaststelling van het bestemmingsplan een nieuwe Wnb-vergunning wordt verleend, het bedrijf zelf zorg moet dragen om deze nieuwe vergunning in bijlage 7 van het bestemmingsplan te krijgen. In de zienswijze wordt tevens aangegeven dat hiervoor het

bestemmingsplan moet worden gewijzigd en dat hiermee hoge kosten voor de ondernemer aan de orde zijn. Ook in dit geval is het goed te beseffen dat er slechts een toets aan het bestemmingsplan aan de orde is, indien er een nieuwe ontwikkeling gepland is. Pas dan zal er aan het bestemmingsplan worden getoetst. De acute noodzaak om de nieuwe verleende Wnb-vergunning per direct op te laten nemen in bijlage 7 van het bestemmingsplan is daarmee dan ook niet aanwezig in onze ogen. Dat is pas mogelijk relevant indien er op korte termijn nog een nieuwe ontwikkeling beoogd is. Maar in dat geval zal dit bestemmingsplan niet belemmerd zijn indien er een natuurtoestemming ligt. Los daarvan is het goed te weten dat er wettelijk gezien uiterlijk binnen 5 jaar (na vaststelling van een bestemmingsplan) een geactualiseerd bestemmingsplan moeten komen. Dat zal per 1 januari 2024 een Omgevingsplan gaan heten (onder de Omgevingswet). Deze nieuwe wet verplicht gemeenten om minimaal elke 5 jaar het Omgevingsplan te actualiseren. De nieuwe verleende Wnb-vergunningen worden dus bij die actualisatie automatisch (en gratis voor de bedrijven) opgenomen in bijlage 7. Het is goed denkbaar dat een actualisatie ook sneller dan deze 5 jaar aan de orde is.

In die zin is het dus niet nodig om als agrarisch bedrijf zelf een wijziging op het bestemmingsplan op te starten (en te betalen) om daarmee de vergunning in bijlage 7 te krijgen. Dat gebeurt door de actualisatieplicht namelijk al automatisch. En de kans wordt klein geacht dat er in de periode tussen het verkrijgen van de nieuwe Wnb-vergunning en de actualisatie van het bestemmingsplan nog nieuwe ontwikkelingen bij een bedrijf zijn (waarbij stikstofemissie aan de orde kan zijn). Indien die er al zouden zijn, dan voorziet ons bestemmingsplan hier ook in aangezien wij recht doen aan de natuurtoestemmingen.

18. Tsjaerddyk 3 Nijland Zienswijze stikstof Hierbij wordt namens de maatschap Terpstra-Gerbrandy een zienswijze ingediend die betrekking heeft op het perceel Tsjaerddyk 3 te Nijland. De gemeente SúdwestFryslân stelt in de beantwoording van de eerder ingediende inspraakreactie dat de Maatschap een onherroepelijke Wnb-vergunning heeft welke passend is beoordeeld op basis van de PAS. Gelet op bovenstaande en de heersende jurisprudentie wil de gemeente Súdwest-Fryslân deze PAS-vergunning niet opnemen binnen de bijlage 7, zoals de maatschap dat wenst. De feitelijke planologische legale situatie op het moment van vaststelling van het bestemmingsplan zal leidend zijn voor de vraag of niet een toename is van stikstofdepositie. Dit is voor de praktijk onredelijk en onwerkbaar. Het melkveehouderijbedrijf kan zich verder niet verenigen met artikel 3.5 onder j en 1.7 van de planregels. Onderhavige regels gelden ook voor het gebruik van de gronden waarop geen ruimtelijke ontwikkeling is voorzien (j.het gebruiken en laten gebruiken van gronden en/of bouwwerken waarbij een toename van stikstofemissie plaatsvindt vanuit de betreffende gronden en bouwwerken). Dat is bijvoorbeeld alle agrarische cultuurgrond die dezelfde bestemming behouden. Daar hoeven geen stikstofregels voor te worden opgenomen binnen het bestemmingsplan.

Onderhavige regels vormen een onnodige beperking van het gebruik en zijn door de gemeente Súdwest-Fryslân ook niet te handhaven. In bijlage 7 zijn (nu slechts) 20 veehouderijen opgenomen. Na vaststelling van het bestemmingsplan ligt de lijst vast. Als een bedrijf daarna een Wvb-vergunning krijgt voor een project met een hogere stikstofemissie of depositie die wel juist passend is beoordeeld, dan moet voor dat project ook het bestemmingsplan worden gewijzigd (door een opname dan wel gewijzigde opname van die Wnb-vergunning in bijlage 7). Hoe wil de gemeente dat gaan regelen zonder dat de ondernemer een zware planologische procedure moet doorlopen hoge leges moet betalen? De gemeenteraad wordt gevraagd de zienswijze gegrond te verklaren, het ontwerpbestemmingsplan Buitengebied SWF-II te heroverwegen, waarbij de planregels ten aanzien van de beperkingen in het kader van stikstof worden aangepast. Reactie gemeente In algemeenheid valt aan te geven dat het opnemen van een zogenaamde stikstofregel in bestemmingsplannen in de afgelopen jaren lastig is gebleken. De landelijke stikstofregels veranderen meer dan eens en tot op heden is er nog geen landelijke duidelijkheid over hoe om te gaan met stikstofdepositie op basis van de natuurwetgeving. Dat zorgt er ook voor dat het opnemen van de juiste of optimale stikstofregels voor in je bestemmingsplan ook erg lastig is.

In een bestemmingsplan is het vereist om een stikstofregel op te nemen. Dat heeft dan alleen te maken met het bestemmingsplan om daarmee te kunnen onderbouwen of er milieueffecten uitgaan vanuit het bestemmingsplan. Een

stikstofregel in een bestemmingsplan verandert dan ook niets aan de bestaande natuurrechten die iemand heeft op basis van de Wet natuurbescherming. Voor de natuurtoestemmingen is de provincie Fryslân namelijk het bevoegde gezag. De gemeente is dat niet. Een gemeente kan dus ook niet in een bestemmingsplan stikstofrechten die de provincie heeft gegeven afnemen. Als agrarische gemeente willen wij dat uiteraard ook niet. Voor wat betreft stikstof en het bestemmingsplan is het goed te weten dat de stikstofregel alleen maar aan de orde is als iemand wil gaan uitbreiden/nieuwe ontwikkeling wil gaan doen. Want alleen dan is er een toets aan het bestemmingsplan. Bijvoorbeeld een nieuwe stal. Indien er een natuurtoestemming is van de provincie, zal het bestemmingsplan niet beperkend zijn voor wat betreft stikstof. Daarbij hebben wij in het bestemmingsplan ook opgenomen dat er geen sprake is van stikstofemissie als de ontwikkeling misschien wel stikstofemissie veroorzaakt, maar dat er geen depositie op een (overbelast) beschermd natuurgebied is. Als een beschermd gebied niet (extra) wordt belast, dan ziet het bestemmingsplan dit sowieso niet als stikstofemissie (artikel 1.74 onder 2).

Dus extra activiteiten (gebruik of bouwen) die op basis van de nieuwste AERIUScalculator geen stikstofdepositie laten zien op beschermde gebieden, zijn in de ogen van het bestemmingsplan dus geen stikstofemissie. Die kunnen dus (als er ook aan de andere regels van het bestemmingsplan wordt voldaan). Als gemeente hebben wij langere tijd moeten zoeken en nadenken over een goede stikstofregel in onze bestemmingsplannen. In de afgelopen jaren is uit meerdere uitspraken van de Raad van State namelijk duidelijk geworden dat een goede stikstofregel in het bestemmingsplan niet makkelijk is. Onze stikstofregel is na bestudering van de verschillende uitspraken en buitengebied-bestemmingsplannen van andere gemeenten zo opgebouwd dat wij daarmee in onze ogen recht doen aan de verschillende belangen. Uiteindelijk willen wij een goed bestemmingsplan vaststellen waarbij wij ook recht doen aan de natuurtoestemming. Dat hebben wij nu gedaan in onze ogen. Zoals de Afdeling standaard overweegt dient de gemeente bij de vaststelling van een bestemmingsplan de feitelijke, planologische legale situatie als referentiesituatie te beschouwen (o.a. ECLI:NL:RVS:2020:1110). Dit wordt dan ook in dit bestemmingsplan als uitgangspunt en hoofdregel geformuleerd.

Dat deze hoofdregel in de praktijk onwenselijk kan zijn begrijpen wij, maar voor ons is het van belang dat wij in ons bestemmingsplan een goede hoofdregel vaststellen. Een uitzondering op deze hoofdregel is dan bijlage 7 waarin de bedrijven zijn opgenomen met een verleende Wnb-vergunning (of verleende omgevingsvergunning met een verklaring van geen bedenkingen op basis van de Wnb) welke ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan onherroepelijk was en waar een passende beoordeling aan ten grondslag heeft gelegen (o.a. ECLI:NL:RVS:2020:684). Een Wnb-vergunning (of afgegeven vvgb) welke op basis van de PAS-wetgeving passend is beoordeeld mag hiervoor niet gebruikt worden en kan niet opgenomen worden in

bijlage 7. Ook niet indien dit onherroepelijke vergunningen zijn. Voor de vaststelling van een bestemmingsplan (ruimtelijke spoor) is dit niet toegestaan (ECLI:NL:RVS:2019:1603, r.o. 36 e.v.). Conclusie is dat de artikelen inzake de vraag of er sprake is van toename van stikstofdepositie in het bestemmingsplan dusdanig zijn opgebouwd dat wij daarmee zoveel mogelijk recht doen aan de natuurtoestemmingen die er zijn. Wij zien geen mogelijkheden of goede andere voorbeelden op welke wijze wij deze bepalingen zouden kunnen aanpassen zonder dat hierbij de houdbaarheid van de bepaling onder druk komt te staan. Wij nemen gelet hierop de zienswijze dan ook niet over. Gebruik van gronden en bouwwerken In de zienswijze komt naar voren dat artikel 3.5 onder j en 1.7 van de planregels een onnodige beperking van het gebruik inhouden. De regel zou namelijk ook gelden voor agrarische cultuurgrond die dezelfde bestemming behoudt. Allereerst merken wij op dat de zienswijze in plaats van artikel 1.7 de begripsbepaling van toename van stikstofemissie zal bedoelen (artikel 1.74). Dit beschouwen wij als een kennelijke schrijffout. In het bestemmingsplan is opgenomen dat het gebruiken van gronden en/of bouwwerken, waarbij er sprake is van stikstofemissie vanuit deze gronden en/of bouwwerken, als strijdig gebruik wordt beschouwd (o.a. artikel 3.5 onder j).

In artikel 1.74 staat de begripsbepaling wanneer er in het kader van het bestemmingsplan sprake is van “toename van stikstofemissie”. Hieruit komt naar voren dat als er niets op de bedrijfslocatie verandert, er ook geen toename van stikstofemissie aan de orde is (in het kader van het bestemmingsplan). Dus deze regel is pas aan de orde in het geval er een wijziging op het perceel gaat plaatsvinden, zoals bijvoorbeeld de bouw van een extra stal. In dat geval wordt er pas gekeken naar of deze stal extra stikstofdepositie heeft op een overbelast beschermd natuurgebied. Is het antwoord hierop nee, dan is er op basis van de definitie van het bestemmingsplan geen toename van stikstofemissie. Ook in die gevallen zal de stikstofregel dus geen belemmering opleveren. Mocht er wel een toename zijn, dan kan worden teruggevallen op de natuurtoestemming en wordt op basis daarvan bekeken of er een extra toename van stikstof is ten opzichte van deze natuurtoestemming. Naast de bouwpercelen, worden de weilanden nabij een boerderij ook agrarisch gebruikt. In de zienswijze wordt gesteld dat door de begripsbepaling van onze stikstofregel dit gebruik ook mogelijk een toename van stikstofemissie inhoudt en daarmee dat het bestemmingsplan onnodig beperkend is. Wij zijn het hier niet geheel mee eens.

De eerste vraag is namelijk of er daadwerkelijk stikstofdepositie zal zijn op een (overbelast) beschermd natuurgebied bij het gebruik van die gronden. Dat zal in de meeste gevallen niet

aan de orde zijn. Maar los daarvan beogen wij met onze bestemmingsplanregel niet om (mogelijk) beperkend te kunnen zijn. Wij zien daarom aanleiding om voor de duidelijkheid de strijdig gebruiksbepaling van artikelen 3.5 en 4.5 waarin stikstofemissie als strijdig gebruik wordt aangemerkt, aan te passen (waarbij de onderstreepte delen zijn toegevoegd). Hierbij koppelen wij deze emissie aan een ruimtelijke ontwikkeling. Daarmee is in onze ogen tegemoet gekomen aan de gevraagde aanpassing in de zienswijze en doen wij recht aan de agrarische percelen die in de voorgaande bestemmingsplannen ook een agrarische bestemming hadden (en zo werden gebruikt). “het gebruiken en laten gebruiken van gronden en/of bouwwerken voor een ruimtelijke ontwikkeling, waarbij een toename van stikstofemissie plaatsvindt vanuit de betreffende gronden en/of bouwwerken. Onder een ruimtelijke ontwikkeling wordt in ieder geval niet verstaan het gebruik van onbebouwde agrarische gronden voor bemesten.” Voor dit gedeelte van de zienswijze nemen wij deze over en vullen wij de planregel aan. Alle Wnb-vergunningen opnemen in bijlage 7 In de zienswijze wordt het verzoek gedaan om alle onherroepelijke Wnbvergunningen in bijlage 7 op te nemen. Ongeacht of deze middels de PASwetgeving tot stand zijn gekomen.

Zoals hierboven al is omschreven is onze hoofdregel en de uitzondering in bijlage 7 zo opgesteld dat het de rechterlijke toets kan doorstaan. Indien wij alle Wnbvergunningen gaan opnemen in bijlage 7, dus ook de PAS-vergunningen, dan is het niet zeker of deze bijlage (in een rechtszaak) in stand kan blijven. De bedrijven die nu in bijlage 7 zijn opgenomen komen daarmee dus in een minder zekere positie terecht. Daarnaast zal dit ook geen andere situatie (of verbeterde positie) opleveren dan dat er nu al aan de orde is op basis van het bestemmingsplan. Zoals al eerder is gesteld zijn wij van mening met dit bestemmingsplan recht te doen aan de natuurtoestemmingen die er liggen. Het zal dus geen toegevoegde waarde hebben om deze andere Wnb-vergunningen op te nemen in bijlage 7. In bijlage 7 nemen wij uitsluitend de onherroepelijke natuurtoestemmingen op die niet middels de PAS passend zijn beoordeeld conform de eerder genoemde rechtspraak. De zienswijze wordt op dit punt niet overgenomen. Nieuwe Wnb-vergunningen in bijlage 7 In de zienswijze wordt gesteld dat, als er na de vaststelling van het bestemmingsplan een nieuwe Wnb-vergunning wordt verleend, het bedrijf zelf zorg moet dragen om deze nieuwe vergunning in bijlage 7 van het bestemmingsplan te krijgen. In de zienswijze wordt tevens aangegeven dat hiervoor het

bestemmingsplan moet worden gewijzigd en dat hiermee hoge kosten voor de ondernemer aan de orde zijn. Ook in dit geval is het goed te beseffen dat er slechts een toets aan het bestemmingsplan aan de orde is, indien er een nieuwe ontwikkeling gepland is. Pas dan zal er aan het bestemmingsplan worden getoetst. De acute noodzaak om de nieuwe verleende Wnb-vergunning per direct op te laten nemen in bijlage 7 van het bestemmingsplan is daarmee dan ook niet aanwezig in onze ogen. Dat is pas mogelijk relevant indien er op korte termijn nog een nieuwe ontwikkeling beoogd is. Maar in dat geval zal dit bestemmingsplan niet belemmerd zijn indien er een natuurtoestemming ligt. Los daarvan is het goed te weten dat er wettelijk gezien uiterlijk binnen 5 jaar (na vaststelling van een bestemmingsplan) een geactualiseerd bestemmingsplan moeten komen. Dat zal per 1 januari 2024 een Omgevingsplan gaan heten (onder de Omgevingswet). Deze nieuwe wet verplicht gemeenten om minimaal elke 5 jaar het Omgevingsplan te actualiseren. De nieuwe verleende Wnb-vergunningen worden dus bij die actualisatie automatisch (en gratis voor de bedrijven) opgenomen in bijlage 7. Het is goed denkbaar dat een actualisatie ook sneller dan deze 5 jaar aan de orde is.

In die zin is het dus niet nodig om als agrarisch bedrijf zelf een wijziging op het bestemmingsplan op te starten (en te betalen) om daarmee de vergunning in bijlage 7 te krijgen. Dat gebeurt door de actualisatieplicht namelijk al automatisch. En de kans wordt klein geacht dat er in de periode tussen het verkrijgen van de nieuwe Wnb-vergunning en de actualisatie van het bestemmingsplan nog nieuwe ontwikkelingen bij een bedrijf zijn (waarbij stikstofemissie aan de orde kan zijn). Indien die er al zouden zijn, dan voorziet ons bestemmingsplan hier ook in aangezien wij recht doen aan de natuurtoestemmingen.

19. Doarpsstrjitte 15, 9021 CK te Easterwierrum Zienswijze m.b.t. bouwregels bedrijventerrein In het bestemmingsplan Easterwierrum worden landschappelijke eisen gesteld aan de bebouwing en inrichting van het terrein. In het ontwerpbestemmingsplan Buitengebied SWF-II worden ten onrechte helemaal geen eisen gesteld aan de inrichting van dit terrein en daardoor wordt de wildgroei op het terrein gelegaliseerd. De ontsluitingswegen van het terrein bevinden zich (alle drie) binnen de bebouwde kom van Easterwierrum. Het terrein hoort daarom niet toe te worden gerekend aan het buitengebied en hoort daarom geen deel uit te maken van het plangebied Buitengebied. Door het terrein toe te bedelen aan het plangebied wordt de maximum gebouwhoogte 85 meter, terwijl die nu 6 meter is. De extreme bouwhoogte is onaanvaardbaar binnen de bebouwde kom van het dorp. Het bedrijfsterrein zou gelijk behandeld moeten worden als het bedrijventerrein aan De Eker. Op het bedrijventerrein aan De Eker is onder andere een agrarisch loonbedrijf gevestigd. Er is daar dus wel een agrarische verbinding met het buitengebied. Dit bedrijventerrein is opmerkelijk genoeg echter niet toegevoegd aan het plangebied. Voor het Buitengebied is een maximale bouwhoogte van 85 meter vastgesteld. De plangrens van het buitengebied loopt langs de dorpskernen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13086303/3