Bijlage 10 - Bijlage bij toelichting BGB-II - Reactienota op zienswijzen BGB-II
Tekst van het document
Situering en nadere uitwerking haventje
Reactie gemeente Ruimtelijk gezien, is deze locatie naar onze mening zeker bespreekbaar. Het haventje sluit aan bij de openbare voorzieningen en heeft op deze plek weinig (negatieve) impact op de woonomgeving. Wat hier echter speelt is dat het haventje niet gelegen is in het thans aan de orde zijnde bestemmingsplan “Buitengebied SWF-II” maar in het bestemmingsplan “Sibrandabuorren en Tersoal”. Een fragment van de verbeelding is hieronder opgenomen. De grens van het bestemmingsplan ligt in het hart van de sloot (groene bestemming-links onder).
De Vereniging van Dorpsbelangen heeft gevraagd deze ontwikkeling mee te nemen in het bestemmingsplan Buitengebied SWF-II door de grens van het bestemmingsplan te verleggen. Probleem is echter dat het hier gaat om een actualisatieplan en dat nieuwe ontwikkelingen in principe niet meegenomen mogen worden. Wij zij echter de mening toegedaan dat het bestemmingsplan “Sibrandabuorren en Tersoal” openingen biedt. Voor het perceel geldt de bestemming “sport”. Water is in de bestemming begrepen. In die zin zouden ook activiteiten ten behoeve van de watersport mogelijk zijn. Zorgvuldigheidshalve zou dan wel een QuickScan met betrekking tot archeologie en ecologie uitgevoerd moeten worden. Deze zou dan onderdeel uit moeten maken van een aanvraag om een omgevingsvergunning. Uiteraard is het ook van belang dat Wetterskip Fryslân (eigenaar van de vaart) bij deze ontwikkeling wordt betrokken. Conclusie De zienswijze kan niet worden overgenomen maar desalniettemin geldt een positieve insteek zoals hiervoor genoemd.
9. Wolsumerketting 5, 8774 PK te Wolsum Zienswijze m.b.t. bestemmingen wonen/horeca In 2013 is door belanghebbenden richting gemeente aangegeven om de inrichting als horeca te exploiteren. Dit werd toen door de gemeente mogelijk gemaakt door het verstrekken van een exploitatievergunning en vergunning drank en horecawet. Inmiddels is er, naast de kano- en bootjesverhuur, 10 jaar legaal bestaand gebruik van de inrichting als horecabedrijf. De vergunningen voorzien in het schenken van licht- en sterk alcoholhoudende dranken en het serveren van maaltijden en buffetten. Echter zoals in het huidige bestemmingsplan is verwoord, wordt de uitoefening van het (ondergeschikte) horecabedrijf zodanig omschreven waardoor het zich niet meer verhoudt met het actuele gebruik hetgeen gevolgen zou kunnen hebben voor de exploitatie van het bedrijf. Daarom wordt verzocht binnen het vast te stellen bestemmingsplan, naast de functie ‘kanoverhuur’ de specifieke horecatheetuin’ te wijzigen in ‘horeca’. Reactie gemeente Belanghebbende geeft aan dat de verleende exploitatievergunning en Alcoholwetvergunning leidend zou moeten zijn voor hetgeen het bestemmingsplan mogelijk maakt. Ook geeft de specifieke aanduiding horeca-theetuin volgens belanghebbende geen duidelijkheid over wat er wel en niet is toegestaan.
Zoals ook in de inspraakreactie al naar voren is gekomen, is de hoofdbestemming op het perceel Wonen waarbij twee functieaanduidingen zijn opgenomen voor een theetuin en kanoverhuur. Op basis van deze aanduidingen is een theeschenkerij toegestaan en een kanoverhuurbedrijf, naast het wonen. In het huidige bestemmingsplan Buitengebied Wymbritseradiel heeft het perceel ook de bestemming Wonen. Binnen dit huidige bestemmingsplan zijn de horecaactiviteiten beperkt tot kleinschalige aan de verhuur van kano’s ondergeschikte horeca-activiteiten. Daarnaast is de bedrijfsmatige exploitatie van ten hoogste 20 vaartuigen (kano’s en/of kleine bootjes) toegestaan. In dit bestemmingsplan staat ook nadrukkelijk genoemd dat deze activiteiten ondergeschikt moeten blijven aan de woonbestemming en uitsluitend zijn toegestaan tussen 10.00 uur en 21.30 uur waarbij parkeren ook op eigen erf dient plaats te vinden. In de zienswijze wordt gevraagd om de functieaanduiding ‘specifieke vorm van horeca – theetuin’ te veranderen in ‘horeca’. Een functie horeca binnen de woonbestemming kennen wij planologisch niet in onze bestemmingsplannen. Wel is er een horecabestemming. In dat geval kan (en moet) het gehele perceel voor horeca worden gebruikt. Dit is bijvoorbeeld aan de orde bij een restaurant of een café.
Daarvan is hier geen sprake, laat staat dat dit binnen deze omgeving op deze plek ook onwenselijk is gelet op de woonbebouwing en de impact op de woon- en leefomgeving. Binnen de woonbestemming zijn ondergeschikte horeca-activiteiten onder voorwaarden mogelijk, zoals bijvoorbeeld een theetuin. Hiervoor is dan ook een specifieke functieaanduiding opgenomen. Aanpassen van deze
functieaanduiding naar horeca is ongewenst omdat daarmee alle vormen van horeca mogelijk worden gemaakt. En gelet op het huidige bestemmingsplan is een theetuin planologisch mogelijk gemaakt en is dit ook hetgeen wij weer willen gaan opnemen. Voor wat betreft de exploitatievergunning en de Alcoholwetvergunning kan nog worden aangegeven dat deze vergunningen regels stellen aan de leidinggevenden die alcohol schenken en of de zogenaamde lokaliteit voldoet aan de wettelijke eisen. Deze vergunningen geven de mogelijkheid voor het serveren van maaltijden en het schenken van (alcoholische) dranken. Belanghebbende geeft aan te vrezen voor onduidelijkheid over wat er nou wel en niet mag door de niet gedefinieerde aanduiding. Doel van belanghebbende is dat het bestaande legale gebruik ook mogelijk is in het nieuwe bestemmingsplan. Het bestemmingsplan zal worden aangepast in die zin dat de functieaanduiding theetuin zal worden aangevuld met de rechten die in de verleende vergunningen staan. Daarmee wordt er recht gedaan aan de bestaande rechten. De nieuwe omschrijving in de regels zal zijn (onderstreept is het aangevulde deel): “g.
een theetuin, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van horeca - theetuin', waarbij voor Wolsumerketting 5 te Wolsum geldt dat hieronder wordt verstaan het bedrijfsmatig verstrekken van maaltijden en (alcoholhoudende) dranken voor het gebruik ter plaatse in de schuur en het terras aan het water conform de verleende exploitatie- en Alcoholwetvergunning van 15 mei 2013;” Conclusie De zienswijze wordt overgenomen en de functieaanduiding theetuin zal worden aangevuld.
10. De Band 8 te Oudega Zienswijze stikstof De maatschap kan zich niet verenigen met artikel 3.5 onder j en 1.7 van de planregels. Onderhavige regels gelden ook voor het gebruik van de gronden waarop geen ruimtelijke ontwikkeling is voorzien (j.het gebruiken en laten gebruiken van gronden en/of bouwwerken waarbij een toename van stikstofemissie plaatsvindt vanuit de betreffende gronden en bouwwerken). Dat is bijvoorbeeld alle agrarische cultuurgrond die dezelfde bestemming behouden. Daar hoeven geen stikstofregels voor te worden opgenomen binnen het bestemmingsplan. Onderhavige regels vormen een onnodige beperking van het gebruik en zijn door de gemeente Súdwest-Fryslân ook niet te handhaven. In bijlage 7 zijn (nu slechts) 20 veehouderijen opgenomen. Na vaststelling van het bestemmingsplan ligt de lijst vast. Als een bedrijf daarna een Wvb-vergunning krijgt voor een project met een hogere stikstofemissie of depositie die wel juist passend is beoordeeld, dan moet voor dat project ook het bestemmingsplan worden gewijzigd (door een opname dan wel gewijzigde opname van die Wnb-vergunning in bijlage 7).
Hoe wil de gemeente dat gaan regelen zonder dat de ondernemer een zware planologische procedure moet doorlopen hoge leges moet betalen? Reactie gemeente In algemeenheid valt aan te geven dat het opnemen van een zogenaamde stikstofregel in bestemmingsplannen in de afgelopen jaren lastig is gebleken. De landelijke stikstofregels veranderen meer dan eens en tot op heden is er nog geen landelijke duidelijkheid over hoe om te gaan met stikstofdepositie op basis van de natuurwetgeving. Dat zorgt er ook voor dat het opnemen van de juiste of optimale stikstofregels voor in je bestemmingsplan ook erg lastig is. In een bestemmingsplan is het vereist om een stikstofregel op te nemen. Dat heeft dan alleen te maken met het bestemmingsplan om daarmee te kunnen onderbouwen of er milieueffecten uitgaan vanuit het bestemmingsplan. Een stikstofregel in een bestemmingsplan verandert dan ook niets aan de bestaande natuurrechten die iemand heeft op basis van de Wet natuurbescherming. Voor de natuurtoestemmingen is de provincie Fryslân namelijk het bevoegde gezag. De gemeente is dat niet. Een gemeente kan dus ook niet in een bestemmingsplan stikstofrechten die de provincie heeft gegeven afnemen. Als agrarische gemeente willen wij dat uiteraard ook niet.
Voor wat betreft stikstof en het bestemmingsplan is het goed te weten dat de stikstofregel alleen maar aan de orde is als iemand wil gaan uitbreiden/nieuwe ontwikkeling wil gaan doen. Want alleen dan is er een toets aan het bestemmingsplan. Bijvoorbeeld een nieuwe stal. Indien er een natuurtoestemming is van de provincie, zal het bestemmingsplan niet beperkend zijn voor wat betreft stikstof. Daarbij hebben wij in het bestemmingsplan ook opgenomen dat er geen sprake is van stikstofemissie als de ontwikkeling misschien wel stikstofemissie
veroorzaakt, maar dat er geen depositie op een (overbelast) beschermd natuurgebied is. Als een beschermd gebied niet (extra) wordt belast, dan ziet het bestemmingsplan dit sowieso niet als stikstofemissie (artikel 1.74 onder 2). Dus extra activiteiten (gebruik of bouwen) die op basis van de nieuwste AERIUScalculator geen stikstofdepositie laten zien op beschermde gebieden, zijn in de ogen van het bestemmingsplan dus geen stikstofemissie. Die kunnen dus (als er ook aan de andere regels van het bestemmingsplan wordt voldaan). Als gemeente hebben wij langere tijd moeten zoeken en nadenken over een goede stikstofregel in onze bestemmingsplannen. In de afgelopen jaren is uit meerdere uitspraken van de Raad van State namelijk duidelijk geworden dat een goede stikstofregel in het bestemmingsplan niet makkelijk is. Onze stikstofregel is na bestudering van de verschillende uitspraken en buitengebied-bestemmingsplannen van andere gemeenten zo opgebouwd dat wij daarmee in onze ogen recht doen aan de verschillende belangen. Uiteindelijk willen wij een goed bestemmingsplan vaststellen waarbij wij ook recht doen aan de natuurtoestemming. Dat hebben wij nu gedaan in onze ogen. Zoals de Afdeling standaard overweegt dient de gemeente bij de vaststelling van een bestemmingsplan de feitelijke, planologische legale situatie als referentiesituatie te beschouwen (o.a. ECLI:NL:RVS:2020:1110).
Dit wordt dan ook in dit bestemmingsplan als uitgangspunt en hoofdregel geformuleerd. Dat deze hoofdregel in de praktijk onwenselijk kan zijn begrijpen wij, maar voor ons is het van belang dat wij in ons bestemmingsplan een goede hoofdregel vaststellen. Een uitzondering op deze hoofdregel is dan bijlage 7 waarin de bedrijven zijn opgenomen met een verleende Wnb-vergunning (of verleende omgevingsvergunning met een verklaring van geen bedenkingen op basis van de Wnb) welke ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan onherroepelijk was en waar een passende beoordeling aan ten grondslag heeft gelegen (o.a. ECLI:NL:RVS:2020:684). Een Wnb-vergunning (of afgegeven vvgb) welke op basis van de PAS-wetgeving passend is beoordeeld mag hiervoor niet gebruikt worden en kan niet opgenomen worden in bijlage 7. Ook niet indien dit onherroepelijke vergunningen zijn. Voor de vaststelling van een bestemmingsplan (ruimtelijke spoor) is dit niet toegestaan (ECLI:NL:RVS:2019:1603, r.o. 36 e.v.). Conclusie is dat de artikelen inzake de vraag of er sprake is van toename van stikstofdepositie in het bestemmingsplan dusdanig zijn opgebouwd dat wij daarmee zoveel mogelijk recht doen aan de natuurtoestemmingen die er zijn.
Wij zien geen mogelijkheden of goede andere voorbeelden op welke wijze wij deze bepalingen zouden kunnen aanpassen zonder dat hierbij de houdbaarheid van de bepaling onder druk komt te staan. Wij nemen gelet hierop de zienswijze dan ook niet over.
Gebruik van gronden en bouwwerken In de zienswijze komt naar voren dat artikel 3.5 onder j en 1.7 van de planregels een onnodige beperking van het gebruik inhouden. De regel zou namelijk ook gelden voor agrarische cultuurgrond die dezelfde bestemming behoudt. Allereerst merken wij op dat de zienswijze in plaats van artikel 1.7 de begripsbepaling van toename van stikstofemissie zal bedoelen (artikel 1.74). Dit beschouwen wij als een kennelijke schrijffout. In het bestemmingsplan is opgenomen dat het gebruiken van gronden en/of bouwwerken, waarbij er sprake is van stikstofemissie vanuit deze gronden en/of bouwwerken, als strijdig gebruik wordt beschouwd (o.a. artikel 3.5 onder j). In artikel 1.74 staat de begripsbepaling wanneer er in het kader van het bestemmingsplan sprake is van “toename van stikstofemissie”. Hieruit komt naar voren dat als er niets op de bedrijfslocatie verandert, er ook geen toename van stikstofemissie aan de orde is (in het kader van het bestemmingsplan). Dus deze regel is pas aan de orde in het geval er een wijziging op het perceel gaat plaatsvinden, zoals bijvoorbeeld de bouw van een extra stal. In dat geval wordt er pas gekeken naar of deze stal extra stikstofdepositie heeft op een overbelast beschermd natuurgebied. Is het antwoord hierop nee, dan is er op basis van de definitie van het bestemmingsplan geen toename van stikstofemissie.
Ook in die gevallen zal de stikstofregel dus geen belemmering opleveren. Mocht er wel een toename zijn, dan kan worden teruggevallen op de natuurtoestemming en wordt op basis daarvan bekeken of er een extra toename van stikstof is ten opzichte van deze natuurtoestemming. Naast de bouwpercelen, worden de weilanden nabij een boerderij ook agrarisch gebruikt. In de zienswijze wordt gesteld dat door de begripsbepaling van onze stikstofregel dit gebruik ook mogelijk een toename van stikstofemissie inhoudt en daarmee dat het bestemmingsplan onnodig beperkend is. Wij zijn het hier niet geheel mee eens. De eerste vraag is namelijk of er daadwerkelijk stikstofdepositie zal zijn op een (overbelast) beschermd natuurgebied bij het gebruik van die gronden. Dat zal in de meeste gevallen niet aan de orde zijn. Maar los daarvan beogen wij met onze bestemmingsplanregel niet om (mogelijk) beperkend te kunnen zijn. Wij zien daarom aanleiding om voor de duidelijkheid de strijdig gebruiksbepaling van artikelen 3.5 en 4.5 waarin stikstofemissie als strijdig gebruik wordt aangemerkt, aan te passen (waarbij de onderstreepte delen zijn toegevoegd). Hierbij koppelen wij deze emissie aan een ruimtelijke ontwikkeling.
Daarmee is in onze ogen tegemoet gekomen aan de gevraagde aanpassing in de zienswijze en doen wij recht aan de agrarische percelen die in de voorgaande bestemmingsplannen ook een agrarische bestemming hadden (en zo werden gebruikt). “het gebruiken en laten gebruiken van gronden en/of bouwwerken voor een ruimtelijke ontwikkeling, waarbij een toename van stikstofemissie plaatsvindt
vanuit de betreffende gronden en/of bouwwerken. Onder een ruimtelijke ontwikkeling wordt in ieder geval niet verstaan het gebruik van onbebouwde agrarische gronden voor bemesten.” Voor dit gedeelte van de zienswijze nemen wij deze over en vullen wij de planregel aan. Alle Wnb-vergunningen opnemen in bijlage 7 In de zienswijze wordt het verzoek gedaan om alle onherroepelijke Wnbvergunningen in bijlage 7 op te nemen. Ongeacht of deze middels de PASwetgeving tot stand zijn gekomen. Zoals hierboven al is omschreven is onze hoofdregel en de uitzondering in bijlage 7 zo opgesteld dat het de rechterlijke toets kan doorstaan. Indien wij alle Wnbvergunningen gaan opnemen in bijlage 7, dus ook de PAS-vergunningen, dan is het niet zeker of deze bijlage (in een rechtszaak) in stand kan blijven. De bedrijven die nu in bijlage 7 zijn opgenomen komen daarmee dus in een minder zekere positie terecht. Daarnaast zal dit ook geen andere situatie (of verbeterde positie) opleveren dan dat er nu al aan de orde is op basis van het bestemmingsplan. Zoals al eerder is gesteld zijn wij van mening met dit bestemmingsplan recht te doen aan de natuurtoestemmingen die er liggen. Het zal dus geen toegevoegde waarde hebben om deze andere Wnb-vergunningen op te nemen in bijlage 7.
In bijlage 7 nemen wij uitsluitend de onherroepelijke natuurtoestemmingen op die niet middels de PAS passend zijn beoordeeld conform de eerder genoemde rechtspraak. De zienswijze wordt op dit punt niet overgenomen. Nieuwe Wnb-vergunningen in bijlage 7 In de zienswijze wordt gesteld dat, als er na de vaststelling van het bestemmingsplan een nieuwe Wnb-vergunning wordt verleend, het bedrijf zelf zorg moet dragen om deze nieuwe vergunning in bijlage 7 van het bestemmingsplan te krijgen. In de zienswijze wordt tevens aangegeven dat hiervoor het bestemmingsplan moet worden gewijzigd en dat hiermee hoge kosten voor de ondernemer aan de orde zijn. Ook in dit geval is het goed te beseffen dat er slechts een toets aan het bestemmingsplan aan de orde is, indien er een nieuwe ontwikkeling gepland is. Pas dan zal er aan het bestemmingsplan worden getoetst. De acute noodzaak om de nieuwe verleende Wnb-vergunning per direct op te laten nemen in bijlage 7 van het bestemmingsplan is daarmee dan ook niet aanwezig in onze ogen. Dat is pas mogelijk relevant indien er op korte termijn nog een nieuwe ontwikkeling beoogd is. Maar in dat geval zal dit bestemmingsplan niet belemmerd zijn indien er een natuurtoestemming ligt.
Los daarvan is het goed te weten dat er wettelijk gezien uiterlijk binnen 5 jaar (na vaststelling van een bestemmingsplan) een geactualiseerd bestemmingsplan moeten komen. Dat zal per 1 januari 2024 een Omgevingsplan gaan heten (onder de Omgevingswet). Deze nieuwe wet verplicht gemeenten om minimaal elke 5 jaar het Omgevingsplan te actualiseren. De nieuwe verleende Wnb-vergunningen worden dus bij die actualisatie automatisch (en gratis voor de bedrijven) opgenomen in bijlage 7. Het is goed denkbaar dat een actualisatie ook sneller dan deze 5 jaar aan de orde is. In die zin is het dus niet nodig om als agrarisch bedrijf zelf een wijziging op het bestemmingsplan op te starten (en te betalen) om daarmee de vergunning in bijlage 7 te krijgen. Dat gebeurt door de actualisatieplicht namelijk al automatisch. En de kans wordt klein geacht dat er in de periode tussen het verkrijgen van de nieuwe Wnb-vergunning en de actualisatie van het bestemmingsplan nog nieuwe ontwikkelingen bij een bedrijf zijn (waarbij stikstofemissie aan de orde kan zijn). Indien die er al zouden zijn, dan voorziet ons bestemmingsplan hier ook in aangezien wij recht doen aan de natuurtoestemmingen.
11. Mardyk 3, 8647 SZ te Sibrandabuorren Algemeen Het bestemmingsplan geeft de mogelijkheid een agrarische bestemming om te zetten in een woonbestemming met daarbij ruimte voor recreatievoorzieningen zoals een kleinschalige camping en bed & brochje. De toetsingscriteria zijn hierbij naar de mening van belanghebbende vaag gedefinieerd zoals bijvoorbeeld: wat is een goede landschappelijk inpassing. Verder is gesteld dat een uitbreiding mag plaatsvinden op een afstand van tenminste 500 meter van een bestaand kleinschalig kampeerterrein (art 27.5.1 c3). Op basis van dit bestemmingsplan kan een wildgroei van mini-kampeerterreinen niet voorkomen worden en kunnen op relatief korte afstanden een veelvoud van deze kampeerfaciliteiten ontstaan. Dit leidt tot verrommeling van het landschap en tast het specifieke ruimtelijke karakter van het Friese landschap ernstig aan. Daarbij wordt verzocht het beleid betreffende recreatieve faciliteiten bij Wonen -Woonboerderij aan te scherpen. Specifiek Het college van Burgemeester en Wethouders heeft een omgevingsvergunning verleend aan de eigenaar van Mardyk 3, 864SZ Sijbrandabuorren, vastgelegd in de ontwerpbeschikking omgevingsvergunning UV 20220848 op 2 maart 2023. Het betreft de herbouw van de bestaande boerderij, het realiseren van twee recreatie appartementen in de voormalige ligboxenstal en het verplaatsen van de werktuigen berging.
De aanvrager had een vergunning voor een minicamping onder het regiem "kleinschalig kamperen bij de boer". Het plan is getoetst aan bovengenoemd bestemmingsplan met de bestemming Wonen-Woonboerderij en voorzien van de aanduiding "Specifieke vorm van recreatie-kleinschalig kampeerterrein". Het bestemmingsplan "Buitengebied Boarnsterhim 2008" is nog steeds van kracht en geeft minder ruimte. Belanghebbende heeft op 13 april 2023 een zienswijze ingediend en heb het college van B&W verzocht de vergunning niet te verlenen. Kort samengevat heeft belanghebbende hiervoor de volgende argumenten: 1.Belanghebbende heeft bezwaar tegen de verlenging van de kampeervergunning onder het nieuweregiem "wonen-woonboerderij": » Door het weer in gebruik nemen van de camping wordt toegang tot de woning aan de Mardyk 5 verkeerstechnisch gevaarlijk en zwaar bemoeilijkt. De drie meter brede kwetsbare dijk met een steil dijktalud is ongeschikt voor camper-, caravanen boottrailer verkeer. Passeren is onmogelijk. Hier is geen sprake van een goede ruimtelijke ordening. * Door het in gebruik nemen van het pontje Sneekerhof-Terherne is de verkeerssituatie in die tussentijd drastisch veranderd. Met zeer druk fiets- en wandelverkeer kunnen op deze smalle dijk gevaarlijke verkeerssituaties ontstaan door het camper-, caravan- en boottrailer- verkeer.
Deze dijk is in zijn huidige vorm ongeschikt voor deze verkeersdrukte.
* Sinds de aankoop van de woning van belanghebbende in 2009 heeft de camping niet gefunctioneerd en was in vervallen staat zonder sanitaire en milieu hygiënische voorzieningen. De Kampeerverordening stelt dat een vergunning vervalt als een kleinschalige of landschapscamping gedurende twee achtereenvolgende kampeerseizoenen is gestaakt (art 8.1c). * Door verandering van de bestemming is een nieuwe situatie ontstaan en geldt het regiem "kamperen bij de boer" niet meer en vervalt volgens belanghebbende de bestaande vergunning. 2. De stikstof depositie van het plan incl. camping is onvolledig. Het project grenst aan een Natura 2000 gebied. Er is een onderbouwing gevraagd. Reactie gemeente: In het vigerende bestemmingsplan Buitengebied Boarnsterhim heeft het perceel Mardyk 3 te Sijbrandabuorren de bestemming “Agrarisch Gebied” met de nadere aanduiding ‘kampeerterrein’ (kt). In de regels (artikel 3.1 onder n) wordt aangegeven dat voor zover de gronden zijn aangeduid met ‘kampeerterrein’, tevens zijn bestemd voor verblijfsrecreatie in de vorm van 15 standplaatsen voor kampeermiddelen. Dit zijn vastgelegde rechten die wij als gemeente niet zonder meer bij ons neer kunnen leggen.
Wordt er naar de definitie gekeken van een kampeermiddel in het huidige bestemmingsplan dan vallen stacaravans hier ook onder. In het in voorbereiding zijnde bestemmingsplan is dit niet standaard opgenomen. Gelet op het huidige vigerende bestemmingsplan met de mogelijkheid van onder meer stacaravans, is er in het ontwerpbestemmingsplan een nadere aanduiding ‘specifieke vorm van recreatie - stacaravans toegestaan’ opgenomen. Daarmee kan er dus ook sprake zijn van stacaravans. Hiermee verandert overigens het totaal aantal kampeermiddelen (inclusief eventuele stacaravans) niet. Het aantal is in het huidige plan (15) en in het nieuwe plan gemaximaliseerd. Hoe deze aantallen worden ingevuld met soort kampeermiddelen is dan aan de eigenaar. Voor wat betreft de nieuwe ontwikkelingen waarvoor een ruimtelijke onderbouwing is aangeleverd geldt dat deze niet kan worden meegenomen in dit plan. Het betreft hier een conserverend plan en de ruimtelijke onderbouwing is nog niet volledig en zorgvuldig beoordeeld. Alleen de feitelijke situatie is gewijzigd in die zin dat de bestemming “Agrarisch Gebied” is gewijzigd in de bestemming “WonenWoonboerderij” waarbij het kampeerterrein conform de vigerende situatie is ingepast. De verbeeldingen van zowel het vigerend plan als het ontwerpplan zijn hieronder opgenomen.
Verbeelding vigerend plan
Verbeelding ontwerpplan
Conclusie De zienswijze wordt niet overgenomen
12. Louwewei 1 Jutrijp Zienswijze stikstof Client kan zich niet verenigen met artikel 3.5 onder j en 1.7 van de planregels. Onderhavige regels gelden ook voor het gebruik van de gronden waarop geen ruimtelijke ontwikkeling is voorzien (j.het gebruiken en laten gebruiken van gronden en/of bouwwerken waarbij een toename van stikstofemissie plaatsvindt vanuit de betreffende gronden en bouwwerken). Dat is bijvoorbeeld alle agrarische cultuurgrond die dezelfde bestemming behouden. Daar hoeven geen stikstofregels voor te worden opgenomen binnen het bestemmingsplan. Onderhavige regels vormen een onnodige beperking van het gebruik en zijn door de gemeente Súdwest-Fryslân ook niet te handhaven. In bijlage 7 zijn (nu slechts) 20 veehouderijen opgenomen. Na vaststelling van het bestemmingsplan ligt de lijst vast. Als een bedrijf daarna een Wvb-vergunning krijgt voor een project met een hogere stikstofemissie of depositie die wel juist passend is beoordeeld, dan moet voor dat project ook het bestemmingsplan worden gewijzigd (door een opname dan wel gewijzigde opname van die Wnb-vergunning in bijlage 7).
Hoe wil de gemeente dat gaan regelen zonder dat de ondernemer een zware planologische procedure moet doorlopen hoge leges moet betalen? Reactie gemeente In algemeenheid valt aan te geven dat het opnemen van een zogenaamde stikstofregel in bestemmingsplannen in de afgelopen jaren lastig is gebleken. De landelijke stikstofregels veranderen meer dan eens en tot op heden is er nog geen landelijke duidelijkheid over hoe om te gaan met stikstofdepositie op basis van de natuurwetgeving. Dat zorgt er ook voor dat het opnemen van de juiste of optimale stikstofregels voor in je bestemmingsplan ook erg lastig is. In een bestemmingsplan is het vereist om een stikstofregel op te nemen. Dat heeft dan alleen te maken met het bestemmingsplan om daarmee te kunnen onderbouwen of er milieueffecten uitgaan vanuit het bestemmingsplan. Een stikstofregel in een bestemmingsplan verandert dan ook niets aan de bestaande natuurrechten die iemand heeft op basis van de Wet natuurbescherming. Voor de natuurtoestemmingen is de provincie Fryslân namelijk het bevoegde gezag. De gemeente is dat niet. Een gemeente kan dus ook niet in een bestemmingsplan stikstofrechten die de provincie heeft gegeven afnemen. Als agrarische gemeente willen wij dat uiteraard ook niet.
Voor wat betreft stikstof en het bestemmingsplan is het goed te weten dat de stikstofregel alleen maar aan de orde is als iemand wil gaan uitbreiden/nieuwe ontwikkeling wil gaan doen. Want alleen dan is er een toets aan het bestemmingsplan. Bijvoorbeeld een nieuwe stal. Indien er een natuurtoestemming is van de provincie, zal het bestemmingsplan niet beperkend zijn voor wat betreft stikstof. Daarbij hebben wij in het bestemmingsplan ook opgenomen dat er geen sprake is van stikstofemissie als de ontwikkeling misschien wel stikstofemissie veroorzaakt, maar dat er geen depositie op een (overbelast) beschermd
natuurgebied is. Als een beschermd gebied niet (extra) wordt belast, dan ziet het bestemmingsplan dit sowieso niet als stikstofemissie (artikel 1.74 onder 2). Dus extra activiteiten (gebruik of bouwen) die op basis van de nieuwste AERIUScalculator geen stikstofdepositie laten zien op beschermde gebieden, zijn in de ogen van het bestemmingsplan dus geen stikstofemissie. Die kunnen dus (als er ook aan de andere regels van het bestemmingsplan wordt voldaan). Als gemeente hebben wij langere tijd moeten zoeken en nadenken over een goede stikstofregel in onze bestemmingsplannen. In de afgelopen jaren is uit meerdere uitspraken van de Raad van State namelijk duidelijk geworden dat een goede stikstofregel in het bestemmingsplan niet makkelijk is. Onze stikstofregel is na bestudering van de verschillende uitspraken en buitengebied-bestemmingsplannen van andere gemeenten zo opgebouwd dat wij daarmee in onze ogen recht doen aan de verschillende belangen. Uiteindelijk willen wij een goed bestemmingsplan vaststellen waarbij wij ook recht doen aan de natuurtoestemming. Dat hebben wij nu gedaan in onze ogen. Zoals de Afdeling standaard overweegt dient de gemeente bij de vaststelling van een bestemmingsplan de feitelijke, planologische legale situatie als referentiesituatie te beschouwen (o.a. ECLI:NL:RVS:2020:1110).
Dit wordt dan ook in dit bestemmingsplan als uitgangspunt en hoofdregel geformuleerd. Dat deze hoofdregel in de praktijk onwenselijk kan zijn begrijpen wij, maar voor ons is het van belang dat wij in ons bestemmingsplan een goede hoofdregel vaststellen. Een uitzondering op deze hoofdregel is dan bijlage 7 waarin de bedrijven zijn opgenomen met een verleende Wnb-vergunning (of verleende omgevingsvergunning met een verklaring van geen bedenkingen op basis van de Wnb) welke ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan onherroepelijk was en waar een passende beoordeling aan ten grondslag heeft gelegen (o.a. ECLI:NL:RVS:2020:684). Een Wnb-vergunning (of afgegeven vvgb) welke op basis van de PAS-wetgeving passend is beoordeeld mag hiervoor niet gebruikt worden en kan niet opgenomen worden in bijlage 7. Ook niet indien dit onherroepelijke vergunningen zijn. Voor de vaststelling van een bestemmingsplan (ruimtelijke spoor) is dit niet toegestaan (ECLI:NL:RVS:2019:1603, r.o. 36 e.v.). Conclusie is dat de artikelen inzake de vraag of er sprake is van toename van stikstofdepositie in het bestemmingsplan dusdanig zijn opgebouwd dat wij daarmee zoveel mogelijk recht doen aan de natuurtoestemmingen die er zijn.
Wij zien geen mogelijkheden of goede andere voorbeelden op welke wijze wij deze bepalingen zouden kunnen aanpassen zonder dat hierbij de houdbaarheid van de bepaling onder druk komt te staan. Wij nemen gelet hierop de zienswijze dan ook niet over.
Gebruik van gronden en bouwwerken
In de zienswijze komt naar voren dat artikel 3.5 onder j en 1.7 van de planregels een onnodige beperking van het gebruik inhouden. De regel zou namelijk ook gelden voor agrarische cultuurgrond die dezelfde bestemming behoudt. Allereerst merken wij op dat de zienswijze in plaats van artikel 1.7 de begripsbepaling van toename van stikstofemissie zal bedoelen (artikel 1.74). Dit beschouwen wij als een kennelijke schrijffout. In het bestemmingsplan is opgenomen dat het gebruiken van gronden en/of bouwwerken, waarbij er sprake is van stikstofemissie vanuit deze gronden en/of bouwwerken, als strijdig gebruik wordt beschouwd (o.a. artikel 3.5 onder j). In artikel 1.74 staat de begripsbepaling wanneer er in het kader van het bestemmingsplan sprake is van “toename van stikstofemissie”. Hieruit komt naar voren dat als er niets op de bedrijfslocatie verandert, er ook geen toename van stikstofemissie aan de orde is (in het kader van het bestemmingsplan). Dus deze regel is pas aan de orde in het geval er een wijziging op het perceel gaat plaatsvinden, zoals bijvoorbeeld de bouw van een extra stal. In dat geval wordt er pas gekeken naar of deze stal extra stikstofdepositie heeft op een overbelast beschermd natuurgebied. Is het antwoord hierop nee, dan is er op basis van de definitie van het bestemmingsplan geen toename van stikstofemissie.
Ook in die gevallen zal de stikstofregel dus geen belemmering opleveren. Mocht er wel een toename zijn, dan kan worden teruggevallen op de natuurtoestemming en wordt op basis daarvan bekeken of er een extra toename van stikstof is ten opzichte van deze natuurtoestemming. Naast de bouwpercelen, worden de weilanden nabij een boerderij ook agrarisch gebruikt. In de zienswijze wordt gesteld dat door de begripsbepaling van onze stikstofregel dit gebruik ook mogelijk een toename van stikstofemissie inhoudt en daarmee dat het bestemmingsplan onnodig beperkend is. Wij zijn het hier niet geheel mee eens. De eerste vraag is namelijk of er daadwerkelijk stikstofdepositie zal zijn op een (overbelast) beschermd natuurgebied bij het gebruik van die gronden. Dat zal in de meeste gevallen niet aan de orde zijn. Maar los daarvan beogen wij met onze bestemmingsplanregel niet om (mogelijk) beperkend te kunnen zijn. Wij zien daarom aanleiding om voor de duidelijkheid de strijdig gebruiksbepaling van artikelen 3.5 en 4.5 waarin stikstofemissie als strijdig gebruik wordt aangemerkt, aan te passen (waarbij de onderstreepte delen zijn toegevoegd). Hierbij koppelen wij deze emissie aan een ruimtelijke ontwikkeling.
Daarmee is in onze ogen tegemoet gekomen aan de gevraagde aanpassing in de zienswijze en doen wij recht aan de agrarische percelen die in de voorgaande bestemmingsplannen ook een agrarische bestemming hadden (en zo werden gebruikt). “het gebruiken en laten gebruiken van gronden en/of bouwwerken voor een ruimtelijke ontwikkeling, waarbij een toename van stikstofemissie plaatsvindt vanuit de betreffende gronden en/of bouwwerken. Onder een ruimtelijke
ontwikkeling wordt in ieder geval niet verstaan het gebruik van onbebouwde agrarische gronden voor bemesten.” Voor dit gedeelte van de zienswijze nemen wij deze over en vullen wij de planregel aan. Alle Wnb-vergunningen opnemen in bijlage 7 In de zienswijze wordt het verzoek gedaan om alle onherroepelijke Wnbvergunningen in bijlage 7 op te nemen. Ongeacht of deze middels de PASwetgeving tot stand zijn gekomen. Zoals hierboven al is omschreven is onze hoofdregel en de uitzondering in bijlage 7 zo opgesteld dat het de rechterlijke toets kan doorstaan. Indien wij alle Wnbvergunningen gaan opnemen in bijlage 7, dus ook de PAS-vergunningen, dan is het niet zeker of deze bijlage (in een rechtszaak) in stand kan blijven. De bedrijven die nu in bijlage 7 zijn opgenomen komen daarmee dus in een minder zekere positie terecht. Daarnaast zal dit ook geen andere situatie (of verbeterde positie) opleveren dan dat er nu al aan de orde is op basis van het bestemmingsplan. Zoals al eerder is gesteld zijn wij van mening met dit bestemmingsplan recht te doen aan de natuurtoestemmingen die er liggen. Het zal dus geen toegevoegde waarde hebben om deze andere Wnb-vergunningen op te nemen in bijlage 7. In bijlage 7 nemen wij uitsluitend de onherroepelijke natuurtoestemmingen op die niet middels de PAS passend zijn beoordeeld conform de eerder genoemde rechtspraak.
De zienswijze wordt op dit punt niet overgenomen. Nieuwe Wnb-vergunningen in bijlage 7 In de zienswijze wordt gesteld dat, als er na de vaststelling van het bestemmingsplan een nieuwe Wnb-vergunning wordt verleend, het bedrijf zelf zorg moet dragen om deze nieuwe vergunning in bijlage 7 van het bestemmingsplan te krijgen. In de zienswijze wordt tevens aangegeven dat hiervoor het bestemmingsplan moet worden gewijzigd en dat hiermee hoge kosten voor de ondernemer aan de orde zijn. Ook in dit geval is het goed te beseffen dat er slechts een toets aan het bestemmingsplan aan de orde is, indien er een nieuwe ontwikkeling gepland is. Pas dan zal er aan het bestemmingsplan worden getoetst. De acute noodzaak om de nieuwe verleende Wnb-vergunning per direct op te laten nemen in bijlage 7 van het bestemmingsplan is daarmee dan ook niet aanwezig in onze ogen. Dat is pas mogelijk relevant indien er op korte termijn nog een nieuwe ontwikkeling beoogd is. Maar in dat geval zal dit bestemmingsplan niet belemmerd zijn indien er een natuurtoestemming ligt.
Los daarvan is het goed te weten dat er wettelijk gezien uiterlijk binnen 5 jaar (na vaststelling van een bestemmingsplan) een geactualiseerd bestemmingsplan moeten komen. Dat zal per 1 januari 2024 een Omgevingsplan gaan heten (onder de Omgevingswet). Deze nieuwe wet verplicht gemeenten om minimaal elke 5 jaar het Omgevingsplan te actualiseren. De nieuwe verleende Wnb-vergunningen worden dus bij die actualisatie automatisch (en gratis voor de bedrijven) opgenomen in bijlage 7. Het is goed denkbaar dat een actualisatie ook sneller dan deze 5 jaar aan de orde is. In die zin is het dus niet nodig om als agrarisch bedrijf zelf een wijziging op het bestemmingsplan op te starten (en te betalen) om daarmee de vergunning in bijlage 7 te krijgen. Dat gebeurt door de actualisatieplicht namelijk al automatisch. En de kans wordt klein geacht dat er in de periode tussen het verkrijgen van de nieuwe Wnb-vergunning en de actualisatie van het bestemmingsplan nog nieuwe ontwikkelingen bij een bedrijf zijn (waarbij stikstofemissie aan de orde kan zijn). Indien die er al zouden zijn, dan voorziet ons bestemmingsplan hier ook in aangezien wij recht doen aan de natuurtoestemmingen. Zienswijze wijzigingsbevoegdheid Agrarisch-Wonen Ook kan cliënt zich niet verenigen met het antwoord uit de inspraakreactie over het opnemen van een wijzigingsbevoegdheid van agrarisch naar wonen.
De wijzigingsbevoegdheid zou ook moeten zien op agrarische gronden in bezit van cliënt. Reactie gemeente Het gaat hier dus niet om het agrarische bedrijf zelf maar om de omliggende agrarische gronden. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de gemeenteraad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de gemeenteraad uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Nieuwe ontwikkelingen ten opzichte van het huidige bestemmingsplan kunnen daarom alleen worden meegenomen indien deze nieuwe ontwikkelingen onderbouwd zijn middels een goede ruimtelijke onderbouwing. Wat de effecten van deze nieuwe ontwikkeling zijn, zullen onderbouwd moeten zijn om een goede afweging te kunnen maken of dit een wenselijke en aanvaardbare ontwikkeling is. Hierbij zal er op perceel niveau (maatwerk) moeten worden onderzocht of er aan de verschillende (milieu)regels wordt voldaan om te kunnen spreken van een goede ruimtelijke ordening. Nieuwe ontwikkelingen kunnen dus alleen worden meegenomen indien hiervoor reeds een geaccepteerde ruimtelijke onderbouwing (welke derhalve voldoet aan de wet- en regelgeving en aan de gemeentelijke beleidsuitgangspunten) aanwezig is. In alle andere gevallen kan de ontwikkeling niet worden meegenomen aangezien voor deze nieuwe ontwikkeling niet is onderbouwd dat er wordt voldaan aan een goede ruimtelijke ordening.
Bijvoorbeeld het effect op de omliggende omgeving en de ruimtelijke kwaliteit van
een gebied. Resumerend kan voor de gronden van belanghebbenden geen wijzigingsmogelijk binnen de bestemming “Agrarisch” naar “Wonen” worden opgenomen. Conclusie Deze zienswijze wordt niet overgenomen. Zienswijze “Functieaanduiding ‘Paardenbak” Tenslotte wil cliënt een functieaanduiding paardenbak binnen het bouwvlak/denkbeeldige rechthoek. Er is nog geen paardenbak maar cliënt wil deze mogelijkheid graag openhouden. Reactie gemeente De mogelijkheid voor de aanleg van een paardenbak/rijbak kan op grond van het thans voorliggende bestemmingsplan worden gefacilieerd. In het bestemmingsplan wordt een paardenbak als ‘rijbak’ aangemerkt (het komt op hetzelfde neer). De regels zullen worden aangepast in die zin dat een rijbak zonder meer gerealiseerd kan worden binnen een bouwvlak dan wel een denkbeeldige rechthoek van 1,5 Ha. Wel gelden daarbij enkele voorwaarden zoals een minimale afstand tot buurpercelen bijvoorbeeld. In het geval het voornemen bestaat om de rijbak buiten het bouwvlak dan wel denkbeeldige rechthoek van 1,5 hectare te realiseren, wordt verwezen naar artikel 3.6.1 onder b van de regels van het bestemmingsplan waarbij ontheffing kan worden verleend van de gebruiksregels. Daarbij kan dan een afweging van de belangen plaatsvinden op perceel niveau.
Een functieaanduiding ‘rijbak’ voor deze gevallen kan niet zonder meer worden opgenomen omdat er eerst een integrale beoordeling moet plaatsvinden of er kan worden afgeweken van de gebruiksregels danwel of deze bij recht kan worden gefaciliteerd. In het geval er al een vergunning is verleend voor een rijbak buiten de denkbeeldige rechthoek (of bouwvlak) dan heeft deze belangenafweging al plaatsgevonden en kan de functieaanduiding ‘rijbak’ op basis van deze verleende vergunning als bestaand recht in het bestemmingsplan worden opgenomen. Hiervan is in dit geval geen sprake. Daarvoor zal eerst een aanvraag om een omgevingsvergunning moeten zijn ingediend waarna de beoordeling plaats kan vinden. Er ligt op dit moment geen aanvraag. Conclusie Deze zienswijze wordt niet overgenomen.
13. Toarnwerterleane 3 Waaksens In het ontwerpbestemmingsplan heeft het perceel Toarnwerterleane 3 te Waaksens de bestemming “Bedrijf” met de aanduiding “specifieke vorm van bedrijf – agrarisch verzorgend bedrijf”. Omdat het loonbedrijf is gestopt in 2017, dient op dit punt een aanpassing van het bestemmingsplan plaats te vinden. De bedrijfspanden op het bedrijfsperceel Toarnwerterleane 3 worden thans door meerdere kleinschalige regionale en lokale ondernemers als bedrijfslocatie gebruikt. Delen van het ‘voorste’ bedrijfspand zijn in gebruik bij bedrijven die zich richten op respectievelijk natuursteenbewerking, houtbewerking en metaalbewerking. Tevens vinden in twee afzonderlijke bedrijfsunits hobbymatige autoreparatiewerkzaamheden plaats. Het 2e bedrijfspand wordt verhuurd aan bedrijven ten behoeve van respectievelijk de opslag van mallen (frame) die zijn toegepast bij de renovatie van de Afsluitdijk en de stalling van agrarisch materieel. Tevens bevindt zich in dit bedrijfspand ruimte dat gericht is op het hobbymatig houden van paarden. Hieronder een fragment van de verbeelding met een nadere uitleg van de bestemming op het perceel
Een agrarisch verzorgend bedrijf met een bruto oppervlakte > 500 m2, is een bedrijf waarop milieucategorie 3.1 met een richtafstand van 50 meter vanwege het aspect geluid van toepassing is. De gemeente heeft in haar brief (mail) van 25 mei 2023 aan de heer Bos bevestigd dat deze functieaanduiding is toegepast in het bestemmingsplan, omdat een hogere milieucategorie dan 1 of 2 op een loonbedrijf van toepassing is. Tevens heeft de gemeente in haar schrijven vermeld dat medewerking aan een wijziging van het ontwerpbestemmingsplan verleend kan worden, mits aangetoond wordt dat de werkzaamheden en activiteiten die thans plaatsvinden thuishoren in de milieucategorie 3.1 of een lagere milieucategorie. In de bijlage bij de zienswijze wordt nader toegelicht welke werkzaamheden en activiteiten op de locatie uitgevoerd worden, waar deze plaatsvinden, in welke milieucategorie de werkzaamheden en activiteiten per bedrijf (of hobby) thuishoren en welke richtafstanden van toepassing zijn.
-Reparatie en constructie: opp. 192 m2, Milieucategorie 3.1 – afstand 50 meter -Steenhouwerij: opp. 335 m2, Milieucategorie 3.1 – afstand 50 meter -Timmerwerkplaats: opp. 97 m2, milieucategorie 2 – afstand 30 meter -Hobbywerkplaats auto’s: opp. 127 m2, milieucategorie 2 – afstand 30 meter -Hobbywerkplaats auto’s: opp. 80 m2, milieucat. 2, afstand 30 meter -Paardenhouderij: opp. 319 m2, milieucat. 3.1, afstand 50 meter -Opslag machines: opp. 707 m2, milieucat. 2, afstand 30 meter Uitgaande van de bestaande rechten, namelijk een bestemming “Bedrijf” op grond waarvan op de locatie Toarnwersterleane 3 bedrijfsactiviteiten zijn toegestaan tot en met de milieucategorie 3.1., wenst belanghebbende deze rechten te behouden. Op die wijze namelijk kunnen kleinschalige regionale- en lokale mkb-bedrijven hun werkzaamheden dicht bij huis uit blijven oefenen. Goed voor de bedrijven, goed voor de leefbaarheid van het platteland Reactie gemeente Voor het perceel geldt de bestemming “Bedrijf” met de functieaanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf – agrarisch verzorgend bedrijf’. Zoals aangegeven in de zienswijze, is het loonbedrijf gestopt in 2017 en dient een aanpassing van het bestemmingsplan plaats te vinden. In dat geval zal de functieaanduiding van de verbeelding worden verwijderd. Het loonbedrijf dient te worden aangemerkt als een zogenaamd milieucategorie 3.1 bedrijf.
Dat is ook de reden dat het bedrijf als zodanig in de bestemmingsomschrijving is opgenomen. Daarmee wordt voorkomen dat andere bedrijven in de (zwaardere) milieucategorie 3.1 (en hoger) zich op dit perceel kunnen vestigen. Uitgangspunt is dat zich op de bedrijfspercelen (in het buitengebied) alleen milieucategorie 1 en 2 bedrijven kunnen vestigen. Concreet betekent dit dat alleen de timmerwerkplaats, de hobbywerkplaats voor auto’s en de opslag van machines op het perceel mogelijk zijn. Dit zijn activiteiten in de milieucategorie 2. Dat geldt echter niet voor de het reparatie- en constructiebedrijf, de steenhouwerij en de paardenhouderij die als categorie 3.1 bedrijven aangemerkt dienen te worden. In artikel 5.6 van de regels van het bestemmingsplan is een afwijkingsmogelijkheid van de gebruiksregels opgenomen. Het bevoegd gezag kan door middel van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 5.1, sub a (milieucategorie 1 en 2 bedrijven) ten behoeve de uitoefening van bedrijfsactiviteiten in een hogere categorie dan genoemd in artikel 5.1, sub a wanneer deze, gelet op de milieubelasting naar aard en invloed op de omgeving gelijkwaardig zijn aan de bedrijfsactiviteiten als bedoeld in artikel 5.1 sub a.
Bij een afwijking zoals hiervoor genoemd, worden de aard en invloed van de milieubelasting van een bedrijf of bedrijfsactiviteit en ook de aspecten geluid, geurproductie, stofuitworp, gevaar, luchtverontreiniging en bodemverorntreiniging beoordeeld en wordt gekeken naar de diversiteit, het continue karakter van het bedrijf, de visuele hinder en verkeersaantrekkende werking. Initiatiefnemer dient dan ook een aanvraag om een omgevingsvergunning in te dienen waarin een onderbouwing is opgenomen over de milieubelasting zoals hiervoor aangegeven.
Luchtfoto locatie Toarnwerterleane 3 te Waaksens
Conclusie De zienswijze wordt deels overgenomen in die zin dat de functieaanduiding “specifieke vorm van bedrijf – agrarisch verzorgend bedrijf” van de verbeelding wordt verwijderd. De zienswijze m.b.t. het faciliteren van de zogenaamde categorie 3.1 bedrijven wordt niet overgenomen. Daarvoor dient een aanvraag om een omgevingsvergunning te worden ingediend zoals hiervoor genoemd.
14. Nummer 11 Dearsum Zienswijze stikstof Hierbij wordt namens de heer K. van der Velde, wonende aan Nummer 11, 8644 VR te Dearsum een zienswijze ingediend. De gemeente Súdwest-Fryslân stelt in de beantwoording van de eerder ingediende inspraakreactie dat de Maatschap een onherroepelijke Wnb-vergunning heeft welke passend is beoordeeld op basis van de PAS. Gelet op bovenstaande en de heersende jurisprudentie wil de gemeente Súdwest-Fryslân deze PAS-vergunning niet opnemen binnen de bijlage 7, zoals de maatschap dat wenst. De feitelijke planologische legale situatie op het moment van vaststelling van het bestemmingsplan zal leidend zijn voor de vraag of niet een toename is van stikstofdepositie. Dit is voor de praktijk onredelijk en onwerkbaar. Het melkveehouderijbedrijf kan zich verder niet verenigen met artikel 3.5 onder j en 1.7 van de planregels. Onderhavige regels gelden ook voor het gebruik van de gronden waarop geen ruimtelijke ontwikkeling is voorzien (j.het gebruiken en laten gebruiken van gronden en/of bouwwerken waarbij een toename van stikstofemissie plaatsvindt vanuit de betreffende gronden en bouwwerken). Dat is bijvoorbeeld alle agrarische cultuurgrond die dezelfde bestemming behouden. Daar hoeven geen stikstofregels voor te worden opgenomen binnen het bestemmingsplan.
Onderhavige regels vormen een onnodige beperking van het gebruik en zijn door de gemeente Súdwest-Fryslân ook niet te handhaven. In bijlage 7 zijn (nu slechts) 20 veehouderijen opgenomen. Na vaststelling van het bestemmingsplan ligt de lijst vast. Als een bedrijf daarna een Wvb-vergunning krijgt voor een project met een hogere stikstofemissie of depositie die wel juist passend is beoordeeld, dan moet voor dat project ook het bestemmingsplan worden gewijzigd (door een opname dan wel gewijzigde opname van die Wnb-vergunning in bijlage 7). Hoe wil de gemeente dat gaan regelen zonder dat de ondernemer een zware planologische procedure moet doorlopen hoge leges moet betalen? De gemeenteraad wordt gevraagd de zienswijze gegrond te verklaren, het ontwerpbestemmingsplan Buitengebied SWF-II te heroverwegen, waarbij de planregels ten aanzien van de beperkingen in het kader van stikstof worden aangepast. Reactie gemeente: In algemeenheid valt aan te geven dat het opnemen van een zogenaamde stikstofregel in bestemmingsplannen in de afgelopen jaren lastig is gebleken. De landelijke stikstofregels veranderen meer dan eens en tot op heden is er nog geen landelijke duidelijkheid over hoe om te gaan met stikstofdepositie op basis van de natuurwetgeving. Dat zorgt er ook voor dat het opnemen van de juiste of optimale stikstofregels voor in je bestemmingsplan ook erg lastig is.
In een bestemmingsplan is het vereist om een stikstofregel op te nemen. Dat heeft dan alleen te maken met het bestemmingsplan om daarmee te kunnen onderbouwen of er milieueffecten uitgaan vanuit het bestemmingsplan. Een stikstofregel in een bestemmingsplan verandert dan ook niets aan de bestaande
natuurrechten die iemand heeft op basis van de Wet natuurbescherming. Voor de natuurtoestemmingen is de provincie Fryslân namelijk het bevoegde gezag. De gemeente is dat niet. Een gemeente kan dus ook niet in een bestemmingsplan stikstofrechten die de provincie heeft gegeven afnemen. Als agrarische gemeente willen wij dat uiteraard ook niet. Voor wat betreft stikstof en het bestemmingsplan is het goed te weten dat de stikstofregel alleen maar aan de orde is als iemand wil gaan uitbreiden/nieuwe ontwikkeling wil gaan doen. Want alleen dan is er een toets aan het bestemmingsplan. Bijvoorbeeld een nieuwe stal. Indien er een natuurtoestemming is van de provincie, zal het bestemmingsplan niet beperkend zijn voor wat betreft stikstof. Daarbij hebben wij in het bestemmingsplan ook opgenomen dat er geen sprake is van stikstofemissie als de ontwikkeling misschien wel stikstofemissie veroorzaakt, maar dat er geen depositie op een (overbelast) beschermd natuurgebied is. Als een beschermd gebied niet (extra) wordt belast, dan ziet het bestemmingsplan dit sowieso niet als stikstofemissie (artikel 1.74 onder 2). Dus extra activiteiten (gebruik of bouwen) die op basis van de nieuwste AERIUScalculator geen stikstofdepositie laten zien op beschermde gebieden, zijn in de ogen van het bestemmingsplan dus geen stikstofemissie.
Die kunnen dus (als er ook aan de andere regels van het bestemmingsplan wordt voldaan). Als gemeente hebben wij langere tijd moeten zoeken en nadenken over een goede stikstofregel in onze bestemmingsplannen. In de afgelopen jaren is uit meerdere uitspraken van de Raad van State namelijk duidelijk geworden dat een goede stikstofregel in het bestemmingsplan niet makkelijk is. Onze stikstofregel is na bestudering van de verschillende uitspraken en buitengebied-bestemmingsplannen van andere gemeenten zo opgebouwd dat wij daarmee in onze ogen recht doen aan de verschillende belangen. Uiteindelijk willen wij een goed bestemmingsplan vaststellen waarbij wij ook recht doen aan de natuurtoestemming. Dat hebben wij nu gedaan in onze ogen. Zoals de Afdeling standaard overweegt dient de gemeente bij de vaststelling van een bestemmingsplan de feitelijke, planologische legale situatie als referentiesituatie te beschouwen (o.a. ECLI:NL:RVS:2020:1110). Dit wordt dan ook in dit bestemmingsplan als uitgangspunt en hoofdregel geformuleerd. Dat deze hoofdregel in de praktijk onwenselijk kan zijn begrijpen wij, maar voor ons is het van belang dat wij in ons bestemmingsplan een goede hoofdregel vaststellen.
Een uitzondering op deze hoofdregel is dan bijlage 7 waarin de bedrijven zijn opgenomen met een verleende Wnb-vergunning (of verleende omgevingsvergunning met een verklaring van geen bedenkingen op basis van de Wnb) welke ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan onherroepelijk was en waar een passende beoordeling aan ten grondslag heeft gelegen (o.a. ECLI:NL:RVS:2020:684). Een Wnb-vergunning (of afgegeven vvgb) welke op basis van de PAS-wetgeving passend is beoordeeld mag hiervoor niet gebruikt worden en kan niet opgenomen worden in bijlage 7. Ook niet indien dit onherroepelijke vergunningen zijn. Voor de
vaststelling van een bestemmingsplan (ruimtelijke spoor) is dit niet toegestaan (ECLI:NL:RVS:2019:1603, r.o. 36 e.v.). Conclusie is dat de artikelen inzake de vraag of er sprake is van toename van stikstofdepositie in het bestemmingsplan dusdanig zijn opgebouwd dat wij daarmee zoveel mogelijk recht doen aan de natuurtoestemmingen die er zijn. Wij zien geen mogelijkheden of goede andere voorbeelden op welke wijze wij deze bepalingen zouden kunnen aanpassen zonder dat hierbij de houdbaarheid van de bepaling onder druk komt te staan. Wij nemen gelet hierop de zienswijze dan ook niet over. Gebruik van gronden en bouwwerken In de zienswijze komt naar voren dat artikel 3.5 onder j en 1.7 van de planregels een onnodige beperking van het gebruik inhouden. De regel zou namelijk ook gelden voor agrarische cultuurgrond die dezelfde bestemming behoudt. Allereerst merken wij op dat de zienswijze in plaats van artikel 1.7 de begripsbepaling van toename van stikstofemissie zal bedoelen (artikel 1.74). Dit beschouwen wij als een kennelijke schrijffout. In het bestemmingsplan is opgenomen dat het gebruiken van gronden en/of bouwwerken, waarbij er sprake is van stikstofemissie vanuit deze gronden en/of bouwwerken, als strijdig gebruik wordt beschouwd (o.a. artikel 3.5 onder j).
In artikel 1.74 staat de begripsbepaling wanneer er in het kader van het bestemmingsplan sprake is van “toename van stikstofemissie”. Hieruit komt naar voren dat als er niets op de bedrijfslocatie verandert, er ook geen toename van stikstofemissie aan de orde is (in het kader van het bestemmingsplan). Dus deze regel is pas aan de orde in het geval er een wijziging op het perceel gaat plaatsvinden, zoals bijvoorbeeld de bouw van een extra stal. In dat geval wordt er pas gekeken naar of deze stal extra stikstofdepositie heeft op een overbelast beschermd natuurgebied. Is het antwoord hierop nee, dan is er op basis van de definitie van het bestemmingsplan geen toename van stikstofemissie. Ook in die gevallen zal de stikstofregel dus geen belemmering opleveren. Mocht er wel een toename zijn, dan kan worden teruggevallen op de natuurtoestemming en wordt op basis daarvan bekeken of er een extra toename van stikstof is ten opzichte van deze natuurtoestemming. Naast de bouwpercelen, worden de weilanden nabij een boerderij ook agrarisch gebruikt. In de zienswijze wordt gesteld dat door de begripsbepaling van onze stikstofregel dit gebruik ook mogelijk een toename van stikstofemissie inhoudt en daarmee dat het bestemmingsplan onnodig beperkend is. Wij zijn het hier niet geheel mee eens.
De eerste vraag is namelijk of er daadwerkelijk stikstofdepositie zal zijn op een (overbelast) beschermd natuurgebied bij het gebruik van die gronden. Dat zal in de meeste gevallen niet aan de orde zijn. Maar los daarvan beogen wij met onze bestemmingsplanregel niet
om (mogelijk) beperkend te kunnen zijn. Wij zien daarom aanleiding om voor de duidelijkheid de strijdig gebruiksbepaling van artikelen 3.5 en 4.5 waarin stikstofemissie als strijdig gebruik wordt aangemerkt, aan te passen (waarbij de onderstreepte delen zijn toegevoegd). Hierbij koppelen wij deze emissie aan een ruimtelijke ontwikkeling. Daarmee is in onze ogen tegemoet gekomen aan de gevraagde aanpassing in de zienswijze en doen wij recht aan de agrarische percelen die in de voorgaande bestemmingsplannen ook een agrarische bestemming hadden (en zo werden gebruikt). “het gebruiken en laten gebruiken van gronden en/of bouwwerken voor een ruimtelijke ontwikkeling, waarbij een toename van stikstofemissie plaatsvindt vanuit de betreffende gronden en/of bouwwerken. Onder een ruimtelijke ontwikkeling wordt in ieder geval niet verstaan het gebruik van onbebouwde agrarische gronden voor bemesten.” Voor dit gedeelte van de zienswijze nemen wij deze over en vullen wij de planregel aan. Alle Wnb-vergunningen opnemen in bijlage 7 In de zienswijze wordt het verzoek gedaan om alle onherroepelijke Wnbvergunningen in bijlage 7 op te nemen. Ongeacht of deze middels de PASwetgeving tot stand zijn gekomen. Zoals hierboven al is omschreven is onze hoofdregel en de uitzondering in bijlage 7 zo opgesteld dat het de rechterlijke toets kan doorstaan.
Indien wij alle Wnbvergunningen gaan opnemen in bijlage 7, dus ook de PAS-vergunningen, dan is het niet zeker of deze bijlage (in een rechtszaak) in stand kan blijven. De bedrijven die nu in bijlage 7 zijn opgenomen komen daarmee dus in een minder zekere positie terecht. Daarnaast zal dit ook geen andere situatie (of verbeterde positie) opleveren dan dat er nu al aan de orde is op basis van het bestemmingsplan. Zoals al eerder is gesteld zijn wij van mening met dit bestemmingsplan recht te doen aan de natuurtoestemmingen die er liggen. Het zal dus geen toegevoegde waarde hebben om deze andere Wnb-vergunningen op te nemen in bijlage 7. In bijlage 7 nemen wij uitsluitend de onherroepelijke natuurtoestemmingen op die niet middels de PAS passend zijn beoordeeld conform de eerder genoemde rechtspraak. De zienswijze wordt op dit punt niet overgenomen. Nieuwe Wnb-vergunningen in bijlage 7 In de zienswijze wordt gesteld dat, als er na de vaststelling van het bestemmingsplan een nieuwe Wnb-vergunning wordt verleend, het bedrijf zelf zorg moet dragen om deze nieuwe vergunning in bijlage 7 van het bestemmingsplan te krijgen. In de zienswijze wordt tevens aangegeven dat hiervoor het
bestemmingsplan moet worden gewijzigd en dat hiermee hoge kosten voor de ondernemer aan de orde zijn. Ook in dit geval is het goed te beseffen dat er slechts een toets aan het bestemmingsplan aan de orde is, indien er een nieuwe ontwikkeling gepland is. Pas dan zal er aan het bestemmingsplan worden getoetst. De acute noodzaak om de nieuwe verleende Wnb-vergunning per direct op te laten nemen in bijlage 7 van het bestemmingsplan is daarmee dan ook niet aanwezig in onze ogen. Dat is pas mogelijk relevant indien er op korte termijn nog een nieuwe ontwikkeling beoogd is. Maar in dat geval zal dit bestemmingsplan niet belemmerd zijn indien er een natuurtoestemming ligt. Los daarvan is het goed te weten dat er wettelijk gezien uiterlijk binnen 5 jaar (na vaststelling van een bestemmingsplan) een geactualiseerd bestemmingsplan moeten komen. Dat zal per 1 januari 2024 een Omgevingsplan gaan heten (onder de Omgevingswet). Deze nieuwe wet verplicht gemeenten om minimaal elke 5 jaar het Omgevingsplan te actualiseren. De nieuwe verleende Wnb-vergunningen worden dus bij die actualisatie automatisch (en gratis voor de bedrijven) opgenomen in bijlage 7. Het is goed denkbaar dat een actualisatie ook sneller dan deze 5 jaar aan de orde is.
In die zin is het dus niet nodig om als agrarisch bedrijf zelf een wijziging op het bestemmingsplan op te starten (en te betalen) om daarmee de vergunning in bijlage 7 te krijgen. Dat gebeurt door de actualisatieplicht namelijk al automatisch. En de kans wordt klein geacht dat er in de periode tussen het verkrijgen van de nieuwe Wnb-vergunning en de actualisatie van het bestemmingsplan nog nieuwe ontwikkelingen bij een bedrijf zijn (waarbij stikstofemissie aan de orde kan zijn). Indien die er al zouden zijn, dan voorziet ons bestemmingsplan hier ook in aangezien wij recht doen aan de natuurtoestemmingen.
15. Makkum 4 Boazum Zienswijze stikstof Client kan zich niet verenigen met artikel 3.5 onder j en 1.7 van de planregels. Onderhavige regels gelden ook voor het gebruik van de gronden waarop geen ruimtelijke ontwikkeling is voorzien (j.het gebruiken en laten gebruiken van gronden en/of bouwwerken waarbij een toename van stikstofemissie plaatsvindt vanuit de betreffende gronden en bouwwerken). Dat is bijvoorbeeld alle agrarische cultuurgrond die dezelfde bestemming behouden. Daar hoeven geen stikstofregels voor te worden opgenomen binnen het bestemmingsplan. Onderhavige regels vormen een onnodige beperking van het gebruik en zijn door de gemeente Súdwest-Fryslân ook niet te handhaven. In bijlage 7 zijn (nu slechts) 20 veehouderijen opgenomen. Na vaststelling van het bestemmingsplan ligt de lijst vast. Als een bedrijf daarna een Wvb-vergunning krijgt voor een project met een hogere stikstofemissie of depositie die wel juist passend is beoordeeld, dan moet voor dat project ook het bestemmingsplan worden gewijzigd (door een opname dan wel gewijzigde opname van die Wnb-vergunning in bijlage 7). Hoe wil de gemeente dat gaan regelen zonder dat de ondernemer een zware planologische procedure moet doorlopen hoge leges moet betalen? Gevraagd wordt de planregels ten aanzien van beperkingen in het kader van stikstof aan te passen.