CConstaterende datSúdwest-Fryslân
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 10 - Bijlage bij toelichting BGB-II - Reactienota op zienswijzen BGB-II

Raadsvergadering 28 september 2023, gemeente Súdwest-FryslânBij agendapunt: Bestimmingsplan ‘Buitengebied Súdwest-Fryslân II’34.362 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 4

Hierdoor zouden grote windmolens tegen dorpskernen aan gesitueerd kunnen worden. Een minimale afstand van windmolens tot dorpskernen in relatie met de wiekhoogte van windmolens zou in dit plan moeten worden vastgelegd. Reactie gemeente In het bestemmingsplan Easterwierrum (2012) is de bedrijfslocatie als zodanig opgenomen. In 2015 is het bestemmingsplan Buitengebied Littenseradiel herzien. Daarbij is het achterste gedeelte van de bedrijfslocatie bestemd als “Agrarisch”. Dit gedeelte is echter altijd betrokken geweest bij het voorliggende bedrijf en daarom zou ‘deze fout’ hersteld kunnen worden door de actuele situatie in het thans aan de orde zijnde bestemmingsplan op te nemen

BP Easterwierrum

BP BG Littenseradiel

BP BG SWF-II (ontwerp)

Belanghebbende geeft aan dat op grond van het bestemmingsplan Easterwierrum een bouwhoogte wordt voorgestaan van 6 meter terwijl de bouwhoogte in de nieuwe situatie 85 meter (!) zou bedragen. Op grond van het bestemmingsplan Easterwierrum wordt binnen de bestemming “Bedrijf” een bouwhoogte voorgestaan van 8 meter dan wel de bestaande bouwhoogte indien deze meer is. In het bestemmingsplan Buitengebied SWF-II wordt uitgegaan van een bouwhoogte van 10 meter, dan wel de bestaande hoogte indien deze meer. Belanghebbende kan daardoor niet onevenredig in zijn belangen worden getroffen. Waar de hoogte van 85 meter vandaan komt, is niet te achterhalen. Verder spreekt belanghebbende de vrees uit voor grote windmolens. Echter, nieuwe grote windmolens worden in dit plan niet gefaciliteerd. Conclusie De zienswijze wordt niet overgenomen.

20. Lytshuzen 4, 8621 XG te Heeg Zienswijze mogelijkheden recreatie De locatie Lytshuzen 4 te Heeg heeft binnen het ontwerpbestemmingsplan de enkelbestemming “Wonen-Woonboerderij”. Op onderhavige locatie bevindt zich een ligboxenstal. Overwogen wordt deze ligboxenstal te zijner tijd te slopen of anders in te richten, mits daar passende compensatie in de vorm van planologisch vergunde recreatieve voorziening(en) voor terug kan/kunnen komen. Daarbij wordt gedacht aan recreatieappartementen. Op grond van de vrijstellingsbevoegdheid ex. artikel 27,5 lid d van de planvoorschriften behoort dit in de optiek van belanghebbende tot de mogelijkheden. Aanvullend wordt verzocht een aanduiding “recreatieve camperplaatsen toegestaan” voor de locatie Lytshuzen 4 te Heeg binnen de verbeelding/plankaart op te nemen. Binnen het ontwerpbestemmingsplan wordt nu nog niet iets specifieks voor recreatieve camperplaatsen geregeld, terwijl er in de omgeving van Heeg wel nadrukkelijk behoefte aan is. Gevraagd wordt de zienswijze gegrond te verklaren, het ontwerpbestemmingsplan Buitengebied SWF-II te heroverwegen, waarbij de aanduiding “recreatieve appartementen toegestaan” en/of “recreatieve camperplaatsen toegestaan” voor de locatie Lytshuzen 4 te Heeg op de verbeelding/plankaart wordt opgenomen. Reactie gemeente Het perceel Lytshuzen 4 te Heeg heeft de bestemming “Wonen-Woonboerderij”.

Binnen deze bestemming kunnen de nodige activiteiten worden gefaciliteerd met een zogenaamde binnenplanse afwijkingsmogelijkheid. Zoals bijvoorbeeld recreatieappartementen in de bestaande (voormalig) agrarische bebouwing. In die zin is het opnemen van een aanduiding dus ook niet nodig. Toekomstige plannen van belanghebbende kunnen niet nu al worden meegenomen in dit bestemmingsplan middels aanduidingen. Hiervoor dient er namelijk eerst een zorgvuldige afweging van de belangen gemaakt te worden waarbij er toetsing aan gemeentelijk maar ook aan provinciaal beleid noodzakelijk is. Om dit goed te kunnen doen is er een uitgewerkte aanvraag/verzoek nodig van belanghebbende waarin duidelijk staat omschreven wat waar zou moeten komen. Op basis daarvan kan namelijk de belangenafweging plaatsvinden. In het geval belanghebbende concrete en uitgewerkte plannen heeft, kunnen deze ingediend worden bij de gemeente zodat kan worden getoetst aan de criteria die gelden voor het verlenen van deze binnenplanse afwijkingsmogelijkheid waarna een besluit kan worden genomen over de afgifte van een vergunning. Door belanghebbende is echter (nog) geen aanvraag ingediend en die zin kunnen de aanduidingen ook niet opgenomen worden. Conclusie De zienswijze wordt niet overgenomen.

21. Riperwei 78, 8623 XP te Jutrijp Zienswijze denkbeeldige rechthoek Belanghebbende exploiteert op de locatie Riperwei 78 te Jutrijp een melkveehouderijbedrijf (functieaanduiding agrarisch bedrijf). Het perceel is ‘verplaatst’ van het bestemmingsplan “Wymbritseradiel Zuidwest” naar het bestemmingsplan “Buitengebied SWF-II”. Belanghebbende gaat er hierbij vanuit dat de 1,5 hectare denkbeeldige rechthoek bij recht, gelet op de brief d.d. 25 mei 2023 over de watergang in westelijke richting geprojecteerd kan worden, aansluitend aan de thans aanwezige bebouwing en zou dit graag bevestigd zien door de gemeente Súdwest-Fryslân. Reactie gemeente Het perceel Riperwei 78 is nu gelegen in het bestemmingsplan “Dorpen midden/oost gemeente SWF”. Hieronder is de verbeelding opgenomen waarop te zien is dat er sprake is van een gesloten bouwvlak waarbij het agrarische perceel begrensd wordt door het water “It Far” en de weg.

Verbeelding Dorpen midden-oost

Zoals bekend, worden alle agrarische bedrijven die nu nog in de bebouwde kom liggen en/of niet onderdeel uitmaken van het bestemmingsplan “Buitengebied SWF” alsnog opgenomen in dit bestemmingsplan. In dat kader vraagt aanvrager een bevestiging dat ook gebruik kan worden gemaakt van de zogenaamde denkbeeldige rechthoek van 1,5 hectare in westelijke richting welke aansluit bij de op het achterliggende perceel aanwezige mestzak. Bij nader inzien zijn wij de mening toegedaan dat een denkbeeldige rechthoek hier geen optie is omdat op basis van de aanwezige vaart geen (aansluitende) denkbeeldige rechthoek kan worden gecreëerd. Daarnaast zal er stedenbouwkundig gezien een ongewenste situatie ontstaan omdat aan de overzijde van It Far agrarisch bebouwing gerealiseerd zou kunnen worden hetgeen een aantasting betekent van de lintdorpen Hommerts/Jutrijp. Om een indicatie te geven, is hieronder een denkbeeldige

rechthoek opgenomen waarbij de mestzak is meegenomen. Deze situatie is voor ons ongewenst.

Conclusie De zienswijze wordt niet overgenomen waarbij de verbeelding wordt aangepast in die zin dat een gesloten bouwvlak wordt opgenomen. Zienswijze stikstof Verder stelt de gemeente Súdwest-Fryslân in de beantwoording van de eerder ingediende inspraakreactie dat de Maatschap een onherroepelijke Wnb-vergunning heeft welke passend is beoordeeld op basis van de PAS. Gelet op bovenstaande en de heersende jurisprudentie wil de gemeente Súdwest-Fryslân deze PAS-vergunning niet opnemen binnen de bijlage 7, zoals de maatschap dat wenst. De feitelijke planologische legale situatie op het moment van vaststelling van het bestemmingsplan zal leidend zijn voor de vraag of niet een toename is van stikstofdepositie. Dit is voor de praktijk onredelijk en onwerkbaar. Het melkveehouderijbedrijf kan zich verder niet verenigen met artikel 3.5 onder j en 1.7 van de planregels. Onderhavige regels gelden ook voor het gebruik van de gronden waarop geen ruimtelijke ontwikkeling is voorzien (j.het gebruiken en laten gebruiken van gronden en/of bouwwerken waarbij een toename van stikstofemissie plaatsvindt vanuit de betreffende gronden en bouwwerken). Dat is bijvoorbeeld alle agrarische cultuurgrond die dezelfde bestemming behouden. Daar hoeven geen stikstofregels voor te worden opgenomen binnen het bestemmingsplan.

Onderhavige regels vormen een onnodige beperking van het gebruik en zijn door de gemeente Súdwest-Fryslân ook niet te handhaven.

In bijlage 7 zijn (nu slechts) 20 veehouderijen opgenomen. Na vaststelling van het bestemmingsplan ligt de lijst vast. Als een bedrijf daarna een Wvb-vergunning krijgt voor een project met een hogere stikstofemissie of depositie die wel juist passend is beoordeeld, dan moet voor dat project ook het bestemmingsplan worden gewijzigd (door een opname dan wel gewijzigde opname van die Wnb-vergunning in bijlage 7). Hoe wil de gemeente dat gaan regelen zonder dat de ondernemer een zware planologische procedure moet doorlopen hoge leges moet betalen? De gemeenteraad wordt gevraagd de zienswijze gegrond te verklaren, het ontwerpbestemmingsplan Buitengebied SWF-II te heroverwegen, waarbij de planregels ten aanzien van de beperkingen in het kader van stikstof worden aangepast. Verder wordt gevraagd nadere informatie te verstrekken met betrekking tot de denkbeeldige rechthoek. Reactie gemeente In algemeenheid valt aan te geven dat het opnemen van een zogenaamde stikstofregel in bestemmingsplannen in de afgelopen jaren lastig is gebleken. De landelijke stikstofregels veranderen meer dan eens en tot op heden is er nog geen landelijke duidelijkheid over hoe om te gaan met stikstofdepositie op basis van de natuurwetgeving. Dat zorgt er ook voor dat het opnemen van de juiste of optimale stikstofregels voor in je bestemmingsplan ook erg lastig is.

In een bestemmingsplan is het vereist om een stikstofregel op te nemen. Dat heeft dan alleen te maken met het bestemmingsplan om daarmee te kunnen onderbouwen of er milieueffecten uitgaan vanuit het bestemmingsplan. Een stikstofregel in een bestemmingsplan verandert dan ook niets aan de bestaande natuurrechten die iemand heeft op basis van de Wet natuurbescherming. Voor de natuurtoestemmingen is de provincie Fryslân namelijk het bevoegde gezag. De gemeente is dat niet. Een gemeente kan dus ook niet in een bestemmingsplan stikstofrechten die de provincie heeft gegeven afnemen. Als agrarische gemeente willen wij dat uiteraard ook niet. Voor wat betreft stikstof en het bestemmingsplan is het goed te weten dat de stikstofregel alleen maar aan de orde is als iemand wil gaan uitbreiden/nieuwe ontwikkeling wil gaan doen. Want alleen dan is er een toets aan het bestemmingsplan. Bijvoorbeeld een nieuwe stal. Indien er een natuurtoestemming is van de provincie, zal het bestemmingsplan niet beperkend zijn voor wat betreft stikstof. Daarbij hebben wij in het bestemmingsplan ook opgenomen dat er geen sprake is van stikstofemissie als de ontwikkeling misschien wel stikstofemissie veroorzaakt, maar dat er geen depositie op een (overbelast) beschermd natuurgebied is.

Als een beschermd gebied niet (extra) wordt belast, dan ziet het bestemmingsplan dit sowieso niet als stikstofemissie (artikel 1.74 onder 2). Dus extra activiteiten (gebruik of bouwen) die op basis van de nieuwste AERIUScalculator geen stikstofdepositie laten zien op beschermde gebieden, zijn in de ogen van het bestemmingsplan dus geen stikstofemissie. Die kunnen dus (als er ook aan de andere regels van het bestemmingsplan wordt voldaan).

Als gemeente hebben wij langere tijd moeten zoeken en nadenken over een goede stikstofregel in onze bestemmingsplannen. In de afgelopen jaren is uit meerdere uitspraken van de Raad van State namelijk duidelijk geworden dat een goede stikstofregel in het bestemmingsplan niet makkelijk is. Onze stikstofregel is na bestudering van de verschillende uitspraken en buitengebied-bestemmingsplannen van andere gemeenten zo opgebouwd dat wij daarmee in onze ogen recht doen aan de verschillende belangen. Uiteindelijk willen wij een goed bestemmingsplan vaststellen waarbij wij ook recht doen aan de natuurtoestemming. Dat hebben wij nu gedaan in onze ogen. Zoals de Afdeling standaard overweegt dient de gemeente bij de vaststelling van een bestemmingsplan de feitelijke, planologische legale situatie als referentiesituatie te beschouwen (o.a. ECLI:NL:RVS:2020:1110). Dit wordt dan ook in dit bestemmingsplan als uitgangspunt en hoofdregel geformuleerd. Dat deze hoofdregel in de praktijk onwenselijk kan zijn begrijpen wij, maar voor ons is het van belang dat wij in ons bestemmingsplan een goede hoofdregel vaststellen.

Een uitzondering op deze hoofdregel is dan bijlage 7 waarin de bedrijven zijn opgenomen met een verleende Wnb-vergunning (of verleende omgevingsvergunning met een verklaring van geen bedenkingen op basis van de Wnb) welke ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan onherroepelijk was en waar een passende beoordeling aan ten grondslag heeft gelegen (o.a. ECLI:NL:RVS:2020:684). Een Wnb-vergunning (of afgegeven vvgb) welke op basis van de PAS-wetgeving passend is beoordeeld mag hiervoor niet gebruikt worden en kan niet opgenomen worden in bijlage 7. Ook niet indien dit onherroepelijke vergunningen zijn. Voor de vaststelling van een bestemmingsplan (ruimtelijke spoor) is dit niet toegestaan (ECLI:NL:RVS:2019:1603, r.o. 36 e.v.). Conclusie is dat de artikelen inzake de vraag of er sprake is van toename van stikstofdepositie in het bestemmingsplan dusdanig zijn opgebouwd dat wij daarmee zoveel mogelijk recht doen aan de natuurtoestemmingen die er zijn. Wij zien geen mogelijkheden of goede andere voorbeelden op welke wijze wij deze bepalingen zouden kunnen aanpassen zonder dat hierbij de houdbaarheid van de bepaling onder druk komt te staan. Wij nemen gelet hierop de zienswijze dan ook niet over. Gebruik van gronden en bouwwerken In de zienswijze komt naar voren dat artikel 3.5 onder j en 1.7 van de planregels een onnodige beperking van het gebruik inhouden.

De regel zou namelijk ook gelden voor agrarische cultuurgrond die dezelfde bestemming behoudt. Allereerst merken wij op dat de zienswijze in plaats van artikel 1.7 de begripsbepaling van toename van stikstofemissie zal bedoelen (artikel 1.74). Dit beschouwen wij als een kennelijke schrijffout.

In het bestemmingsplan is opgenomen dat het gebruiken van gronden en/of bouwwerken, waarbij er sprake is van stikstofemissie vanuit deze gronden en/of bouwwerken, als strijdig gebruik wordt beschouwd (o.a. artikel 3.5 onder j). In artikel 1.74 staat de begripsbepaling wanneer er in het kader van het bestemmingsplan sprake is van “toename van stikstofemissie”. Hieruit komt naar voren dat als er niets op de bedrijfslocatie verandert, er ook geen toename van stikstofemissie aan de orde is (in het kader van het bestemmingsplan). Dus deze regel is pas aan de orde in het geval er een wijziging op het perceel gaat plaatsvinden, zoals bijvoorbeeld de bouw van een extra stal. In dat geval wordt er pas gekeken naar of deze stal extra stikstofdepositie heeft op een overbelast beschermd natuurgebied. Is het antwoord hierop nee, dan is er op basis van de definitie van het bestemmingsplan geen toename van stikstofemissie. Ook in die gevallen zal de stikstofregel dus geen belemmering opleveren. Mocht er wel een toename zijn, dan kan worden teruggevallen op de natuurtoestemming en wordt op basis daarvan bekeken of er een extra toename van stikstof is ten opzichte van deze natuurtoestemming. Naast de bouwpercelen, worden de weilanden nabij een boerderij ook agrarisch gebruikt.

In de zienswijze wordt gesteld dat door de begripsbepaling van onze stikstofregel dit gebruik ook mogelijk een toename van stikstofemissie inhoudt en daarmee dat het bestemmingsplan onnodig beperkend is. Wij zijn het hier niet geheel mee eens. De eerste vraag is namelijk of er daadwerkelijk stikstofdepositie zal zijn op een (overbelast) beschermd natuurgebied bij het gebruik van die gronden. Dat zal in de meeste gevallen niet aan de orde zijn. Maar los daarvan beogen wij met onze bestemmingsplanregel niet om (mogelijk) beperkend te kunnen zijn. Wij zien daarom aanleiding om voor de duidelijkheid de strijdig gebruiksbepaling van artikelen 3.5 en 4.5 waarin stikstofemissie als strijdig gebruik wordt aangemerkt, aan te passen (waarbij de onderstreepte delen zijn toegevoegd). Hierbij koppelen wij deze emissie aan een ruimtelijke ontwikkeling. Daarmee is in onze ogen tegemoet gekomen aan de gevraagde aanpassing in de zienswijze en doen wij recht aan de agrarische percelen die in de voorgaande bestemmingsplannen ook een agrarische bestemming hadden (en zo werden gebruikt). “het gebruiken en laten gebruiken van gronden en/of bouwwerken voor een ruimtelijke ontwikkeling, waarbij een toename van stikstofemissie plaatsvindt vanuit de betreffende gronden en/of bouwwerken.

Onder een ruimtelijke ontwikkeling wordt in ieder geval niet verstaan het gebruik van onbebouwde agrarische gronden voor bemesten.” Voor dit gedeelte van de zienswijze nemen wij deze over en vullen wij de planregel aan.

Alle Wnb-vergunningen opnemen in bijlage 7 In de zienswijze wordt het verzoek gedaan om alle onherroepelijke Wnbvergunningen in bijlage 7 op te nemen. Ongeacht of deze middels de PASwetgeving tot stand zijn gekomen. Zoals hierboven al is omschreven is onze hoofdregel en de uitzondering in bijlage 7 zo opgesteld dat het de rechterlijke toets kan doorstaan. Indien wij alle Wnbvergunningen gaan opnemen in bijlage 7, dus ook de PAS-vergunningen, dan is het niet zeker of deze bijlage (in een rechtszaak) in stand kan blijven. De bedrijven die nu in bijlage 7 zijn opgenomen komen daarmee dus in een minder zekere positie terecht. Daarnaast zal dit ook geen andere situatie (of verbeterde positie) opleveren dan dat er nu al aan de orde is op basis van het bestemmingsplan. Zoals al eerder is gesteld zijn wij van mening met dit bestemmingsplan recht te doen aan de natuurtoestemmingen die er liggen. Het zal dus geen toegevoegde waarde hebben om deze andere Wnb-vergunningen op te nemen in bijlage 7. In bijlage 7 nemen wij uitsluitend de onherroepelijke natuurtoestemmingen op die niet middels de PAS passend zijn beoordeeld conform de eerder genoemde rechtspraak. De zienswijze wordt op dit punt niet overgenomen.

Nieuwe Wnb-vergunningen in bijlage 7 In de zienswijze wordt gesteld dat, als er na de vaststelling van het bestemmingsplan een nieuwe Wnb-vergunning wordt verleend, het bedrijf zelf zorg moet dragen om deze nieuwe vergunning in bijlage 7 van het bestemmingsplan te krijgen. In de zienswijze wordt tevens aangegeven dat hiervoor het bestemmingsplan moet worden gewijzigd en dat hiermee hoge kosten voor de ondernemer aan de orde zijn. Ook in dit geval is het goed te beseffen dat er slechts een toets aan het bestemmingsplan aan de orde is, indien er een nieuwe ontwikkeling gepland is. Pas dan zal er aan het bestemmingsplan worden getoetst. De acute noodzaak om de nieuwe verleende Wnb-vergunning per direct op te laten nemen in bijlage 7 van het bestemmingsplan is daarmee dan ook niet aanwezig in onze ogen. Dat is pas mogelijk relevant indien er op korte termijn nog een nieuwe ontwikkeling beoogd is. Maar in dat geval zal dit bestemmingsplan niet belemmerd zijn indien er een natuurtoestemming ligt. Los daarvan is het goed te weten dat er wettelijk gezien uiterlijk binnen 5 jaar (na vaststelling van een bestemmingsplan) een geactualiseerd bestemmingsplan moeten komen. Dat zal per 1 januari 2024 een Omgevingsplan gaan heten (onder de Omgevingswet). Deze nieuwe wet verplicht gemeenten om minimaal elke 5 jaar het Omgevingsplan te actualiseren.

De nieuwe verleende Wnb-vergunningen worden dus bij die actualisatie automatisch (en gratis voor de bedrijven) opgenomen in bijlage 7. Het is goed denkbaar dat een actualisatie ook sneller dan deze 5 jaar aan de orde is. In die zin is het dus niet nodig om als agrarisch bedrijf zelf een wijziging op het bestemmingsplan op te starten (en te betalen) om daarmee de vergunning in bijlage 7 te krijgen. Dat gebeurt door de actualisatieplicht namelijk al automatisch. En de kans wordt klein geacht dat er in de periode tussen het verkrijgen van de nieuwe Wnb-vergunning en de actualisatie van het bestemmingsplan nog nieuwe ontwikkelingen bij een bedrijf zijn (waarbij stikstofemissie aan de orde kan zijn). Indien die er al zouden zijn, dan voorziet ons bestemmingsplan hier ook in aangezien wij recht doen aan de natuurtoestemmingen.

22. Rige 18, 8617 LA te Abbega Zienswijze stikstof Belanghebbende kan zich ondanks het plaatsen van haar onherroepelijke Wnbvergunning binnen de bijlage 7 van het ontwerpbestemmingsplan niet verenigen met de stikstofparagraaf artikel 3.5 onder j. en 1.7 van de planregels. Momenteel loop voor belanghebbende een aanvraag voor extern salderen bij de provincie Fryslân. Mocht deze uitbreidingsaanvraag Wnb verleend worden, dan zal deze nieuwe Wnb-vergunning binnen bijlage 7 van het plan dienen te worden opgenomen. Na vaststelling van het bestemmingsplan ligt die lijst vast. Als een bedrijf, zoals nu concreet speelt bij belanghebbende, een Wnb-vergunning krijgt voor een project meteen hogere stikstofemissie of -depositie, dan moet voor het project ook het bestemmingsplan (straks: omgevingsplan) worden gewijzigd (door opname van de gewijzigde Wnb-vergunning in bijlage 7). Hoe wil de gemeente Súdwest-Fryslân dat gaan regelen zonder de ondernemer een zware planologische procedure moet doorlopen en hoge leges moet betalen? Het melkveehouderijbedrijf kan zich verder niet verenigen met artikel 3.5 onder j en 1.7 van de planregels.

Onderhavige regels gelden ook voor het gebruik van de gronden waarop geen ruimtelijke ontwikkeling is voorzien (j.het gebruiken en laten gebruiken van gronden en/of bouwwerken waarbij een toename van stikstofemissie plaatsvindt vanuit de betreffende gronden en bouwwerken). Dat is bijvoorbeeld alle agrarische cultuurgrond die dezelfde bestemming behouden. Daar hoeven geen stikstofregels voor te worden opgenomen binnen het bestemmingsplan. Onderhavige regels vormen een onnodige beperking van het gebruik en zijn door de gemeente Súdwest-Fryslân ook niet te handhaven. Gevraagd wordt de zienswijze gegrond te verklaren, het ontwerpbestemmingsplan Buitengebied SWF-II te heroverwegen, waarbij de planregels ten aanzien van de beperkingen in het kader van stikstof worden aangepast en de nog te verlenen Wnb-verginning binnen de bijlage 7 van het bestemmingsplan wordt opgenomen. Reactie gemeente Belanghebbende geeft aan dat de huidige Wnb-vergunning is opgenomen in bijlage 7 van het bestemmingsplan maar is ook bezig met een nieuwe Wnb-vergunning. Deze nieuwe vergunning is tot op heden nog niet verleend. Op basis daarvan kan deze nu ook nog niet worden meegenomen in bijlage 7. De reden is dat hier alleen verleende en onherroepelijke Wnb-vergunningen in opgenomen mogen worden (o.a. ECLI:NL:RVS:2020:684 en ECLI:NL:RVS:2019:1603, r.o. 36 e.v.).

Nieuwe Wnb-vergunningen in bijlage 7 In de zienswijze wordt gesteld dat, als er na de vaststelling van het bestemmingsplan een nieuwe Wnb-vergunning wordt verleend, het bedrijf zelf zorg moet dragen om deze nieuwe vergunning in bijlage 7 van het bestemmingsplan te krijgen. In de zienswijze wordt tevens aangegeven dat hiervoor het bestemmingsplan moet worden gewijzigd en dat hiermee hoge kosten voor de ondernemer aan de orde zijn.

Ook in dit geval is het goed te beseffen dat er slechts een toets aan het bestemmingsplan aan de orde is, indien er een nieuwe ontwikkeling gepland is. Pas dan zal er aan het bestemmingsplan worden getoetst. De acute noodzaak om de nieuwe verleende Wnb-vergunning per direct op te laten nemen in bijlage 7 van het bestemmingsplan is daarmee dan ook niet aanwezig in onze ogen. Dat is pas mogelijk relevant indien er op korte termijn nog een nieuwe ontwikkeling beoogd is. Maar in dat geval zal dit bestemmingsplan niet belemmerd zijn indien er een natuurtoestemming ligt. Los daarvan is het goed te weten dat er wettelijk gezien uiterlijk binnen 5 jaar (na vaststelling van een bestemmingsplan) een geactualiseerd bestemmingsplan moeten komen. Dat zal per 1 januari 2024 een Omgevingsplan gaan heten (onder de Omgevingswet). Deze nieuwe wet verplicht gemeenten om minimaal elke 5 jaar het Omgevingsplan te actualiseren. De nieuwe verleende Wnb-vergunningen worden dus bij die actualisatie automatisch (en gratis voor de bedrijven) opgenomen in bijlage 7. Het is goed denkbaar dat een actualisatie ook sneller dan deze 5 jaar aan de orde is. In die zin is het dus niet nodig om als agrarisch bedrijf zelf een wijziging op het bestemmingsplan op te starten (en te betalen) om daarmee de vergunning in bijlage 7 te krijgen. Dat gebeurt door de actualisatieplicht namelijk al automatisch.

En de kans wordt klein geacht dat er in de periode tussen het verkrijgen van de nieuwe Wnb-vergunning en de actualisatie van het bestemmingsplan nog nieuwe ontwikkelingen bij een bedrijf zijn (waarbij stikstofemissie aan de orde kan zijn). Indien die er al zouden zijn, dan voorziet ons bestemmingsplan hier ook in aangezien wij recht doen aan de natuurtoestemmingen. Gebruik van gronden en bouwwerken In de zienswijze komt naar voren dat artikel 3.5 onder j en 1.7 van de planregels een onnodige beperking van het gebruik inhouden. De regel zou namelijk ook gelden voor agrarische cultuurgrond die dezelfde bestemming behoudt. Allereerst merken wij op dat de zienswijze in plaats van artikel 1.7 de begripsbepaling van toename van stikstofemissie zal bedoelen (artikel 1.74). Dit beschouwen wij als een kennelijke schrijffout. In het bestemmingsplan is opgenomen dat het gebruiken van gronden en/of bouwwerken, waarbij er sprake is van stikstofemissie vanuit deze gronden en/of bouwwerken, als strijdig gebruik wordt beschouwd (o.a. artikel 3.5 onder j). In artikel 1.74 staat de begripsbepaling wanneer er in het kader van het bestemmingsplan sprake is van “toename van stikstofemissie”. Hieruit komt naar voren dat als er niets op de bedrijfslocatie verandert, er ook geen toename van stikstofemissie aan de orde is (in het kader van het bestemmingsplan).

Dus deze regel is pas aan de orde in het geval er een wijziging op het perceel gaat plaatsvinden, zoals bijvoorbeeld de bouw van een extra stal.

In dat geval wordt er pas gekeken naar of deze stal extra stikstofdepositie heeft op een overbelast beschermd natuurgebied. Is het antwoord hierop nee, dan is er op basis van de definitie van het bestemmingsplan geen toename van stikstofemissie. Ook in die gevallen zal de stikstofregel dus geen belemmering opleveren. Mocht er wel een toename zijn, dan kan worden teruggevallen op de natuurtoestemming en wordt op basis daarvan bekeken of er een extra toename van stikstof is ten opzichte van deze natuurtoestemming. Naast de bouwpercelen, worden de weilanden nabij een boerderij ook agrarisch gebruikt. In de zienswijze wordt gesteld dat door de begripsbepaling van onze stikstofregel dit gebruik ook mogelijk een toename van stikstofemissie inhoudt en daarmee dat het bestemmingsplan onnodig beperkend is. Wij zijn het hier niet geheel mee eens. De eerste vraag is namelijk of er daadwerkelijk stikstofdepositie zal zijn op een (overbelast) beschermd natuurgebied bij het gebruik van die gronden. Dat zal in de meeste gevallen niet aan de orde zijn. Maar los daarvan beogen wij met onze bestemmingsplanregel niet om (mogelijk) beperkend te kunnen zijn. Wij zien daarom aanleiding om voor de duidelijkheid de strijdig gebruiksbepaling van artikelen 3.5 en 4.5 waarin stikstofemissie als strijdig gebruik wordt aangemerkt, aan te passen (waarbij de onderstreepte delen zijn toegevoegd).

Hierbij koppelen wij deze emissie aan een ruimtelijke ontwikkeling. Daarmee is in onze ogen tegemoet gekomen aan de gevraagde aanpassing in de zienswijze en doen wij recht aan de agrarische percelen die in de voorgaande bestemmingsplannen ook een agrarische bestemming hadden (en zo werden gebruikt). “het gebruiken en laten gebruiken van gronden en/of bouwwerken voor een ruimtelijke ontwikkeling, waarbij een toename van stikstofemissie plaatsvindt vanuit de betreffende gronden en/of bouwwerken. Onder een ruimtelijke ontwikkeling wordt in ieder geval niet verstaan het gebruik van onbebouwde agrarische gronden voor bemesten.” Voor dit gedeelte van de zienswijze nemen wij deze over en vullen wij de planregel aan.

23. It Sân 4 te Itens. Zienswijze aanduiding mestzak Op onderhavig perceel is een mestzak aanwezig voor de opslag van drijfmest. In de planregels staat onder artikel 3.1., aanhef en sub e, het navolgende vermeld: De voor ‘Agrarisch’ aangewezen gronden zijn bestemd voor: (onder e) mestzak, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch-mestzak’. Strikt genomen kan uit voornoemde geconcludeerd worden dat voor iedere mestzak, zowel binnen als buiten een bouwvlak, een functieaanduiding opgenomen dient te zijn om strijdigheid met onderhavig bestemmingsplan te voorkomen. In onderhavige situatie is een dergelijke functieaanduiding niet op het perceel opgenomen. Uit artikel 3.2, sub k, zesde lid volgt weliswaar dat mestzakken uitsluitend binnen een bouwvlak gebouwd mogen worden dan wel uitsluitend ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch – mestzak’. Echter doet dit niets af aan de strikte formulering uit artikel 3.1, sub e. Verzocht wordt dan ook artikel 3.1 sub e in onderhavig bestemmingsplan zodanig te verduidelijken, zodat expliciet duidelijk is dat mestzakken/overige opslagen van drijfmest binnen een bouwvlak hiermee niet bedoeld worden. Reactie gemeente De betreffende mestzak is gesitueerd binnen het bouwvlak en hoeft dus niet als zodanig opgenomen te worden op de verbeelding.

De regels zorgen echter wel voor verwarring nu in artikel 3.1 onder e is aangegeven dat een mestzak, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding “specifieke vorm van agrarisch-mestzak” mogelijk is. In principe is de hiervoor genoemde aanduiding alleen van toepassing wanneer een mestzak aanwezig is buiten het bebouwingsvlak dan wel buiten een denkbeeldige rechthoek van 1,5 hectare. Conclusie De zienswijze wordt overgenomen in die zin dat de regels zullen worden aangepast zoals hiervoor genoemd. Zienswijze archeologie

Op het perceel is een dubbelbestemming met betrekking tot archeologie opgenomen, te weten “Archeologie 2”. Het bevreemd belanghebbende dat deze waarde ook op het bouwvlak is opgenomen. Er heeft ter plaatse al verstoring plaatsgevonden in verband met de realisatie van gebouwen en andere bouwwerken. Het beschermen van archeologische waarden op het bouwvlak is derhalve intussen volstrekt irrelevant geworden. Er wordt dan ook verzocht de dubbelbestemming “Archeologie 2” van onderhavig bouwvlak te verwijderen. Reactie gemeente: De dubbelbestemming Archeologie 2 wordt verwijderd. Op basis van de Friese Monumentenkaart Extra (FAMKE) geldt er voor zowel de periode steentijd-bronstijd alswel de periode ijzertijd-middeleeuwen geen onderzoeksplicht.

Conclusie De zienswijze wordt overgenomen in die zin dat de dubbelbestemming “Archeologie 2” op de verbeelding wordt verwijderd.

Zienswijze afwijkingsbevoegdheid bouwregels

Het perceel It Sân 4 te Itens beschikt over de functieaanduiding ‘intensieve veehouderij’. Daaruit kan geconcludeerd worden dat het vigerende gebruik onder het nieuwe bestemmingsplan ongewijzigd toegestaan is. Echter staat onder artikel 3.4.1 onder c een afwijkingsbevoegdheid van de bouwregels opgenomen welke twijfel veroorzaakt ten aanzien van het gestelde onder artikel 3.1, sub c. Verzocht wordt dan ook te verduidelijken dat artikel 3.4.1 sub c expliciet toeziet op ontwikkelingen buiten het bouwvlak en dat realisatie van nieuwe stalruimte binnen bouwvlakken bij rechte is toegestaan. Immers zijn bouwvlakken ook expliciet bedoeld om ontwikkelmogelijkheden voor onder andere agrarische bedrijven zoals varkenshouderijen te bieden. Een andere uitleg van voornoemde artikelen dan bovenstaande leidt volgens belanghebbenden onvermijdelijk tot planschade. Voor onderhavig perceel is reeds op 7 oktober 2020 een Wabo-aanvraag ingediend voor gewijzigde realisatie van de in 2018 reeds onherroepelijk vergunde tweede stalruimte. Op 12 april 2022 is een ontwerpbesluit genomen. Men is in afwachting van het besluit op voornoemde aanvraag. Reactie gemeente In artikel 3.1.

onder c is aangegeven dat de voor “Agrarisch” aangewezen gronden zijn bestemd voor niet grondgebonden agrarische bedrijven al dan niet in combinatie met grondgebonden agrarische bedrijven, uitsluitend ter plaatse van een bouwvlak met de aanduiding “intensieve veehouderij”. In artikel 3.4.1 onder c (na hernummering is dit in het definitieve plan artikel 3.4.1 onder b) is aangegeven dat afgeweken kan worden van de bouwregels voor het uitbreiden van stalruimte ten behoeve van intensieve veehouderij met ten hoogste 10% onder voorwaarden die in dit artikel zijn genoemd waarbij tevens geldt dat de overige bouwregels van lid 3.2 van overeenkomstige toepassing zijn. Het artikel is verduidelijkt om hiermee geen discussie te kunnen krijgen over wat er wel en niet wordt bedoeld. De 10% ziet op het oppervlakte van het bouwvlak welke buiten het bouwvlak mag worden gerealiseerd (op of direct gelegen nabij de aanduiding). Conclusie De zienswijze wordt overgenomen in die zin dat de regels worden aangepast zoals hiervoor genoemd.

Situatie It Sân 4 te Itens

BP BG Littenseradiel

Ontw. BP BG SWF-II

Zienswijze stikstof Voor het bedrijf is op 28 mei 2020 een toestemming op grond van de Wet natuurbescherming aangevraagd bij de provincie Fryslân. Middels een positief weigeringsbesluit heeft de provincie op 28 september 2021 geconcludeerd dat de beoogde situatie geen significant negatieve gevolgen heeft op de stikstofgevoelige habitattypen in Natura 2000-gebieden. Daar de betreffende vergunning na 2019 is aangevraagd en verleend, kan dus geconcludeerd worden dat het besluit uitdrukkelijk geen PAS-vergunning betreft. Op 18 oktober 2022 is door de rechtbank Gelderland in een uitspraak geconcludeerd dat een positief weigeringsbesluit tot dezelfde rechtsgevolgen leidt als een vergunning besluit op grond van de Wet natuurbescherming. In dat geval wordt verzocht het onherroepelijke besluit van 28 september 2021 op te nemen in bijlage 7 bij het bestemmingsplan. Reactie gemeente In de zienswijze wordt verwezen naar de uitspraak van rechtbank Gelderland van 18 oktober 2022 met vindplaats ECLI:NL:RBGEL:2022:5829. Deze uitspraak biedt echter geen basis om de positieve weigering die belanghebbende in 2021 heeft ontvangen als een Wnb-vergunning in bijlage 7 op te nemen.

Zoals de rechtbank al overweegt, is er sinds de zogenaamde Logtsebaan-uitspraak (ECLI:NL:RVS:2021:71) geen vergunningplicht meer aan de orde indien er sprake is van intern salderen. Dat betekent dat indien de stikstofdepositie ten opzichte van de referentiesituatie niet toeneemt met een ontwikkeling, hiervoor geen nieuwe Wnb-vergunning kan worden verkregen. Het is als het ware vergunningvrij. Een aanvraag voor een Wnb-vergunning op basis van intern salderen zal dan ook geweigerd moeten worden. Dat wordt ook een positieve weigering genoemd. Daarin wordt de aanvraag geweigerd met als motivering dat er sprake is van intern salderen. In de zienswijze wordt gesteld dat er hiermee een onherroepelijk besluit is van 28 september 2021 en dat deze ook opgenomen zou moeten worden in bijlage 7. Wij nemen deze zienswijze niet over. Een positieve weigering is weliswaar een besluit, echter het is niet een Wnb-vergunning. Het geeft uitsluitend aan dat er geen vergunning nodig is voor het betreffende project ten opzichte van de referentiesituatie in de natuurwetgeving (de eerder afgegeven Wnb-vergunning). Het leidt volgens de rechtbank tot dezelfde rechtsgevolgen als de oorspronkelijke Wnb-vergunning (in het kader van de natuurwetgeving). De positieve weigering waarnaar wordt verwezen dateert van 28 september 2021 en heeft het provinciale kenmerk 01912530.

In deze positieve weigering staat omschreven dat de Wnb-vergunning van 7 september 2018 (met kenmerk 01545301) als referentiesituatie geldt. Dit betreft een Wnb-vergunning welke passend is beoordeeld middels de PAS-wetgeving. Dus als dezelfde rechtsgevolgen al van toepassing zouden zijn op de positieve weigering als de Wnb-vergunning (in het bestemmingsplanspoor), dan zal dat nog niet kunnen betekenen dat de PAS-toestemming wordt opgenomen in bijlage 7 van het bestemmingsplan. Een Wnb-vergunning (of afgegeven vvgb) welke op basis van de PAS-wetgeving passend is beoordeeld mag hiervoor niet gebruikt worden en kan niet opgenomen worden in bijlage 7. Ook niet indien dit onherroepelijke vergunningen zijn. Voor de vaststelling van een bestemmingsplan (ruimtelijke spoor) is dit niet toegestaan (ECLI:NL:RVS:2019:1603, r.o. 36 e.v.). Laat staan dat wij van mening zijn dat positieve weigeringen zondermeer geen plek in deze bijlage kunnen krijgen nu dit geen formele vergunning besluiten zijn maar een bestuurlijk rechtsoordeel over een situatie waarvoor geen vergunning is vereist in het natuurspoor. Conclusie De zienswijze wordt niet overgenomen.

24. nr. 55 te Koufurderrige Zienswijze stikstof Hierbij wordt namens de maatschap de heer K.A. Steenbeek, br. 55 te Koufurderrige een zienswijze ingediend. De gemeente Súdwest-Fryslân stelt in de beantwoording van de eerder ingediende inspraakreactie dat de Maatschap een onherroepelijke Wnb-vergunning heeft welke passend is beoordeeld op basis van de PAS. Gelet op bovenstaande en de heersende jurisprudentie wil de gemeente Súdwest-Fryslân deze PAS-vergunning niet opnemen binnen de bijlage 7, zoals de maatschap dat wenst. De feitelijke planologische legale situatie op het moment van vaststelling van het bestemmingsplan zal leidend zijn voor de vraag of niet een toename is van stikstofdepositie. Dit is voor de praktijk onredelijk en onwerkbaar. Het melkveehouderijbedrijf kan zich verder niet verenigen met artikel 3.5 onder j en 1.7 van de planregels. Onderhavige regels gelden ook voor het gebruik van de gronden waarop geen ruimtelijke ontwikkeling is voorzien (j.het gebruiken en laten gebruiken van gronden en/of bouwwerken waarbij een toename van stikstofemissie plaatsvindt vanuit de betreffende gronden en bouwwerken). Dat is bijvoorbeeld alle agrarische cultuurgrond die dezelfde bestemming behouden. Daar hoeven geen stikstofregels voor te worden opgenomen binnen het bestemmingsplan.

Onderhavige regels vormen een onnodige beperking van het gebruik en zijn door de gemeente Súdwest-Fryslân ook niet te handhaven. In bijlage 7 zijn (nu slechts) 20 veehouderijen opgenomen. Na vaststelling van het bestemmingsplan ligt de lijst vast. Als een bedrijf daarna een Wvb-vergunning krijgt voor een project met een hogere stikstofemissie of depositie die wel juist passend is beoordeeld, dan moet voor dat project ook het bestemmingsplan worden gewijzigd (door een opname dan wel gewijzigde opname van die Wnb-vergunning in bijlage 7). Hoe wil de gemeente dat gaan regelen zonder dat de ondernemer een zware planologische procedure moet doorlopen hoge leges moet betalen? De gemeenteraad wordt gevraagd de zienswijze gegrond te verklaren, het ontwerpbestemmingsplan Buitengebied SWF-II te heroverwegen, waarbij de planregels ten aanzien van de beperkingen in het kader van stikstof worden aangepast. Reactie gemeente In algemeenheid valt aan te geven dat het opnemen van een zogenaamde stikstofregel in bestemmingsplannen in de afgelopen jaren lastig is gebleken. De landelijke stikstofregels veranderen meer dan eens en tot op heden is er nog geen landelijke duidelijkheid over hoe om te gaan met stikstofdepositie op basis van de natuurwetgeving. Dat zorgt er ook voor dat het opnemen van de juiste of optimale stikstofregels voor in je bestemmingsplan ook erg lastig is.

In een bestemmingsplan is het vereist om een stikstofregel op te nemen. Dat heeft dan alleen te maken met het bestemmingsplan om daarmee te kunnen onderbouwen of er milieueffecten uitgaan vanuit het bestemmingsplan. Een stikstofregel in een bestemmingsplan verandert dan ook niets aan de bestaande

natuurrechten die iemand heeft op basis van de Wet natuurbescherming. Voor de natuurtoestemmingen is de provincie Fryslân namelijk het bevoegde gezag. De gemeente is dat niet. Een gemeente kan dus ook niet in een bestemmingsplan stikstofrechten die de provincie heeft gegeven afnemen. Als agrarische gemeente willen wij dat uiteraard ook niet. Voor wat betreft stikstof en het bestemmingsplan is het goed te weten dat de stikstofregel alleen maar aan de orde is als iemand wil gaan uitbreiden/nieuwe ontwikkeling wil gaan doen. Want alleen dan is er een toets aan het bestemmingsplan. Bijvoorbeeld een nieuwe stal. Indien er een natuurtoestemming is van de provincie, zal het bestemmingsplan niet beperkend zijn voor wat betreft stikstof. Daarbij hebben wij in het bestemmingsplan ook opgenomen dat er geen sprake is van stikstofemissie als de ontwikkeling misschien wel stikstofemissie veroorzaakt, maar dat er geen depositie op een (overbelast) beschermd natuurgebied is. Als een beschermd gebied niet (extra) wordt belast, dan ziet het bestemmingsplan dit sowieso niet als stikstofemissie (artikel 1.74 onder 2). Dus extra activiteiten (gebruik of bouwen) die op basis van de nieuwste AERIUScalculator geen stikstofdepositie laten zien op beschermde gebieden, zijn in de ogen van het bestemmingsplan dus geen stikstofemissie.

Die kunnen dus (als er ook aan de andere regels van het bestemmingsplan wordt voldaan). Als gemeente hebben wij langere tijd moeten zoeken en nadenken over een goede stikstofregel in onze bestemmingsplannen. In de afgelopen jaren is uit meerdere uitspraken van de Raad van State namelijk duidelijk geworden dat een goede stikstofregel in het bestemmingsplan niet makkelijk is. Onze stikstofregel is na bestudering van de verschillende uitspraken en buitengebied-bestemmingsplannen van andere gemeenten zo opgebouwd dat wij daarmee in onze ogen recht doen aan de verschillende belangen. Uiteindelijk willen wij een goed bestemmingsplan vaststellen waarbij wij ook recht doen aan de natuurtoestemming. Dat hebben wij nu gedaan in onze ogen. Zoals de Afdeling standaard overweegt dient de gemeente bij de vaststelling van een bestemmingsplan de feitelijke, planologische legale situatie als referentiesituatie te beschouwen (o.a. ECLI:NL:RVS:2020:1110). Dit wordt dan ook in dit bestemmingsplan als uitgangspunt en hoofdregel geformuleerd. Dat deze hoofdregel in de praktijk onwenselijk kan zijn begrijpen wij, maar voor ons is het van belang dat wij in ons bestemmingsplan een goede hoofdregel vaststellen.

Een uitzondering op deze hoofdregel is dan bijlage 7 waarin de bedrijven zijn opgenomen met een verleende Wnb-vergunning (of verleende omgevingsvergunning met een verklaring van geen bedenkingen op basis van de Wnb) welke ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan onherroepelijk was en waar een passende beoordeling aan ten grondslag heeft gelegen (o.a. ECLI:NL:RVS:2020:684). Een Wnb-vergunning (of afgegeven vvgb) welke op basis van de PAS-wetgeving passend is beoordeeld mag hiervoor niet gebruikt worden en kan niet opgenomen worden in bijlage 7. Ook niet indien dit onherroepelijke vergunningen zijn. Voor de

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13086303/3