CConstaterende datSúdwest-Fryslân
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 10 - Bijlage bij toelichting BGB-I - planMER

Raadsvergadering 28 september 2023, gemeente Súdwest-FryslânBij agendapunt: Bestimmingsplan ‘Buitengebied Súdwest-Fryslân I’25.829 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Kenmerk R002-1211027FEE-efm-V02-NL

Natura 2000-gebied Witte en zwarte brekken Het zeer open gebied bestaat uit voor de veenwinning gegraven plassen en smalle en bredere wateren, zomerpolders, graslanden en moeraszones. De Witte en Zwarte Brekken en Oudhof vormen een waterhuishoudkundige eenheid met het Sneekermeer. Het gebied heeft zijn ontstaan te danken aan de verveningen die in dit gebied reeds omstreeks de 8e eeuw zijn begonnen. Tabel 5.7 Witte en zwarte brekken: aangewezen Vogelrichtlijnsoorten Habitattypen

KDW (mol N/ha/jr)

Habitatrichtlijnsoorten

N.v.t.

N.v.t.

N.v.t.

Vogelrichtlijnsoorten broedvogels N.v.t

Vogelrichtlijnsoorten niet-broedvogels Kleine Rietgans Wintertaling Kolgans Slobeend Brandgans Kemphaan Smient Grutto Krakeend

Natura 2000-gebied Deelen Het gebied Deelen vormt één van de weinige overgebleven restanten van een omvangrijk complex van laagveenmoerassen en petgatenlandschappen, dat in de vroegere eeuwen noordwest Overijssel en het Lage Midden van Fryslân besloeg. Het is een laagveengebied in de vroegere benedenloop van de Boorne (of Koningsdiep), dat bestaat uit een stelsel van petgaten, rietland, struweel en graslandvegetaties, waarvan plaatselijk schraallanden. De petgaten zijn betrekkelijk jong. Er wordt ook nog steeds veen gewonnen. In het kader van natuurontwikkeling worden ook nieuwe petgaten gegraven. Tabel 5.8 Deelen: aangewezen Vogelrichtlijnsoorten Habitattypen

KDW (mol N/ha/jr)

Habitatrichtlijnsoorten

N.v.t.

N.v.t

N.v.t.

Vogelrichtlijnsoorten broedvogels Roerdomp Purperreiger Bruine Kiekendief Zwarte Stern Rietzanger

Vogelrichtlijnsoorten niet-broedvogels Grote Zilverreiger Smient Kolgans Slobeend Grauwe Gans Nonnetje Brandgans

planMER buitengebied SWF

65\137

Kenmerk R002-1211027FEE-efm-V02-NL

5.2.3

Provinciale natuurbescherming Fryslân - NNN

Deze paragraaf gaat over de provinciaal beschermde natuurgebieden. Hiervan is het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen Ecologische Hoofdstructuur) het meest van belang bij het toetsen van een bestemmingsplan. Naast het NNN zijn er ook andere natuurgebieden vanuit de provincie beschermd. In deze paragraaf wordt achtereenvolgens het provinciaal beleid van het NNN en overige natuur beschreven. Nationaal beleid NNN: Nota Ruimte Alle grotere natuurgebieden, ook de gebieden die niet zijn aangemerkt als Natura 2000-gebied, zijn in Nederland planologisch beschermd. Deze gebieden maken deel uit van het NNN, het samenhangende netwerk van natuurgebieden in Nederland. Het beleid voor het NNN is gericht op behoud en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden. Daarom geldt in het NNN het ‘nee, tenzij’-regime. Ruimtelijke ingrepen in het NNN met negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied zijn in beginsel niet toegestaan. Een dergelijk project kan alleen doorgaan, als er geen reële alternatieven mogelijk zijn en er sprake is van redenen van groot openbaar belang. Een initiatiefnemer is in dit geval verplicht om de negatieve effecten te mitigeren. Dit houdt in dat het optreden van negatieve effecten wordt voorkomen of beperkt door aanvullende maatregelen te treffen.

Bij overblijvende negatieve effecten is compensatie de laatste stap om de optredende schade te herstellen [Ministerie van LNV, 2007]. De verantwoordelijkheid voor nadere begrenzing en realisatie van het NNN liggen bij de provincies. Deze zijn tevens het bevoegd gezag op dit onderdeel. Provinciaal beleid: Verordening Romte Fryslân (2014) Provincie Friesland heeft haar regels over het NNN vastgelegd in de Verordening Romte Fryslân (2014), artikel 7. De verordening stelt regels voor de volgende typen natuur: NNN 

Gronden die deel uitmaken van het NNN worden voorzien van een passende bescherming gericht op de wezenlijke kenmerken en waarden. Het plan maakt geen ontwikkelingen mogelijk die leiden tot een significante aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden of samenhang, of tot een significante vermindering van het

areaal. ‘Eén op één begrensde beheergebieden’ maken onderdeel uit van de NNN maar hebben een minder streng beschermingsregime. Dit zijn meestal graslanden met natuurlijke waarde waarop normaal agrarisch gebruik mogelijk is. Voor waterhuishoudingskunde inrichting en ingrepen in de bodemstructuur moet rekening worden gehouden met natuurwaarden.

66\137

planMER buitengebied SWF

Kenmerk R002-1211027FEE-efm-V02-NL

Op gronden nabij het NNN kan het plan nieuwe niet-agrarische activiteiten en ontwikkelingen mogelijk maken, mits die niet leiden tot een significante aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden of de realisatie van het NNN in de weg staan.

Natuur buiten het NNN 

Een ruimtelijk plan dat betrekking heeft op natuurgebieden buiten het NNN, voorziet in een passende bestemming met gebruiksregels gericht op behoud, herstel of ontwikkeling

van natuurwaarden. Weidevogelgebieden, bestaande uit weidevogelkerngebieden en –kansgebieden en enkele zelfstandige ‘parels’. Gronden gelegen in of grenzend aan weidevogelgebieden: het plan stelt regels ter behoud van openheid en rust voor vogels, met dien verstande dat de agrarische productiefunctie inclusief de ontwikkelingsmogelijkheden van bestaande agrarische bedrijven zijn toegestaan.

Agrarische gronden met bestaande natuurwaarden (kleinere natuurelementen): Het plan licht toe hoe bestaande agrarische natuurwaarden zijn opgenomen.

De ligging van deze provinciale natuurgebieden is weergegeven in figuur 5.2.

planMER buitengebied SWF

67\137

Kenmerk R002-1211027FEE-efm-V02-NL

Figuur 5.2 Ecologische Hoofdstructuur en overige natuurgebieden van Friesland, binnen het plangebied (fryslan.maps.arcgis.com 2016)

68\137

planMER buitengebied SWF

Kenmerk R002-1211027FEE-efm-V02-NL

5.2.4

Soortbescherming

Diverse dier- en plantsoorten zijn door de Wet natuurbescherming zwaarder beschermd. Deze soorten zijn genoemd in de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn bijlage IV, Conventie van Bern bijlage I en II en Conventie van Bonn bijlage I, en de bijlage onderdeel A en B van de Wet natuurbescherming. De bescherming houdt in dat bij werkzaamheden of ruimtelijke ingrepen, schade aan deze soorten moet worden voorkomen, mogelijk met inbegrip van mitigerende (verzachtende) maatregelen. Als dit niet mogelijk is, dan moet er worden gewerkt met een compenserende maatregelen en een ontheffing. Vogelnesten die in gebruik zijn, zijn altijd beschermd. De nesten van een aantal soorten vogels zijn ook buiten de broedperiode beschermd. Onder de Wnb zijn dit, net als daarvoor in de Ffw, de vogelnesten uit categorie 1 tot en met 4 (LNV, 2009). In de tabellen 5.8 en 5.9 is weergegeven welke beschermde soorten en vogelnesten (categorie 1 tot en met 4) van de Wet natuurbescherming kunnen voorkomen in het plangebied. Hierbij is onderscheid gemaakt tussen soorten waarvoor het agrarisch gebied belangrijk is als leefgebied en soorten die zich in hun verspreiding vooral beperken tot de bos- en natuurgebieden. Dit onderscheid is gemaakt omdat het bestemmingsplan vooral ontwikkelingsruimte biedt in het agrarisch gebied.

Het belang van het agrarisch leefgebied voor de verwachte soorten is in de navolgende alinea’s nader toegelicht. Tabel 5.9: Beschermde soorten (Wnb) die in of nabij het plangebied te verwachten zijn. Niet cursief: soorten die voorkomen in natuurgebieden (inclusief Waddenzee en IJsselmeer), bossen en anders niet-agrarische gebieden Cursief en onderstreept: soorten die ook kunnen voorkomen in agrarisch gebied Agrarisch gebied Soortgroep

Soortnaam

Bescherming Wnb

Vaatplanten

Groenknolorchis

Artikel 3.5

Zoogdieren

Bever

Artikel 3.5

Boommarter

Artikel 3.10

Das

Artikel 3.10

Eekhoorn

Artikel 3.10

Noordse woelmuis

Artikel 3.5

Otter

Artikel 3.5

Steenmarter

Artikel 3.10

Waterspitsmuis

Artikel 3.10

Bruinvis

Artikel 3.5

Gestreepte dolfijn

Artikel 3.5

Gewone dolfijn

Artikel 3.5

Gewone spitsdolfijn

Artikel 3.5

Zeezoogdieren

planMER buitengebied SWF

69\137

Kenmerk R002-1211027FEE-efm-V02-NL

Agrarisch gebied Soortgroep

Vleermuizen

Jaarrond beschermde vogelnesten (categorie 1-4)

Libellen

Amfibieën Reptielen

70\137

planMER buitengebied SWF

Soortnaam

Bescherming Wnb

Gewone zeehond

Artikel 3.10

Grijze dolfijn

Artikel 3.5

Grijze zeehond

Artikel 3.10

Spitsdolfijn van Gray

Artikel 3.5

Tuimelaar

Artikel 3.5

Witflankdolfijn

Artikel 3.5

Witsnuitdolfijn

Artikel 3.5

Witte dolfijn Baardvleermuis

Artikel 3.5

Franjestaart

Artikel 3.5

Gewone dwergvleermuis

Artikel 3.5

Gewone grootoorvleermuis

Artikel 3.5

Kleine dwergvleermuis

Artikel 3.5

Laatvlieger

Artikel 3.5

Meervleermuis

Artikel 3.5

Ruige dwergvleermuis

Artikel 3.5

Tweekleurige vleermuis

Artikel 3.5

Watervleermuis

Artikel 3.5

Rosse vleermuis

Artikel 3.5

Boomvalk Buizerd Gierzwaluw

Artikel 3.1 Artikel 3.1 Artikel 3.1

Havik Huismus Kerkuil

Artikel 3.1 Artikel 3.1 Artikel 3.1

Ooievaar

Artikel 3.1

Ransuil

Artikel 3.1

Roek Slechtvalk Sperwer Steenuil

Artikel 3.1 Artikel 3.1 Artikel 3.1 Artikel 3.1

Gevlekte witsnuitlibel

Artikel 3.5

Groene glazenmaker

Artikel 3.5

Noordse winterjuffer

Artikel 3.5

Heikikker

Artikel 3.5

Rugstreeppad

Artikel 3.5

Dikkopschildpad

Artikel 3.5

Kemp’s zeeschildpad

Artikel 3.5

Levendbarende hagedis

Artikel 3.10

Ringslang

Artikel 3.10

Artikel 3.5

Kenmerk R002-1211027FEE-efm-V02-NL

Agrarisch gebied Soortgroep Vissen

Soortnaam

Bescherming Wnb

Soepschildpad

Artikel 3.5

Grote modderkruiper

Artikel 3.10

Houting

Artikel 3.5

Vaatplanten Groenknolorchis is een plant van (tril)venen en duingebieden, en komt niet in agrarisch gebied voor. Zoogdieren (m.u.v. vleermuizen) Een aantal zoogdieren kan voorkomen in het agrarisch gebied, waaronder steenmarter, boommarter, eekhoorn, das en waterspitsmuis. Steenmarter heeft verblijfplaatsen in gebouwen zoals agrarische schuurtjes. Boommarter en eekhoorn hebben verblijfplaatsen in bomen, maar foerageren hierbij ook in het agrarisch gebied. Ook de das foerageert in het agrarisch gebied. Het leefgebied van waterspitsmuis bevindt zich langs waterpartijen met natuurvriendelijke oevers en een rijke onderwater- en oevervegetatie. Vleermuizen Diverse vleermuissoorten kunnen voorkomen in het agrarisch buitengebied. Deze soorten maken gebruik van bebouwing of bomen als vaste rust- en verblijfplaats. Daarnaast kunnen alle genoemde soorten gebruik maken van bijvoorbeeld bomenrijen of watergangen als vliegroute of als foerageergebied. Vogels met jaarrond beschermde nesten (categorie 1 t/m 4) In het agrarisch buitengebied kunnen een aantal vogelsoorten broeden waarvan de nesten jaarrond beschermd zijn (categorie 1 t/m 4). Zo broedt de kerkuil in bebouwing o.a. in schuren en de huismus en gierzwaluw onder dakbedekking. Slechtvalk broedt ook in bebouwing maar dan alleen zeer hoge gebouwen zoals schoorstenen van energiecentrales.

Boomvalk, buizerd, havik, ransuil, roek, sperwer en steenuil broeden in bomen, zoals in houtwallen in het agrarisch gebied. Ooievaar broedt op hoge bouwwerken zoals schoorstenen of op palen. Amfibieën De rugstreeppad komt voor in het agrarisch buitengebied. Deze soort bevolkt relatief eenvoudig tijdelijke (pionier)habitats, vooral wanneer sprake is van ondiepe wateren en vergraven zandige terreinen zoals bij braakliggende bouwterreinen. Reptielen De levendbarende hagedis komt voor in structuurrijke weg- en spoorbermen en ruigten. Ook ringslang leeft in onder meer spoorbermen, maar wel in nabijheid van water.

planMER buitengebied SWF

71\137

Kenmerk R002-1211027FEE-efm-V02-NL

Vissen Grote modderkruiper is vrij zeldzaam maar kan ook in waterlopen in agrarisch gebied voorkomen. Dit geldt met name voor (verlande) waterlopen met een uitbundige oever- en onderwatervegetatie. Houting is een soort van de grote(re) rivieren Overige soortgroepen Gevlekte witsnuitlibel en noordse winterjuffer komt voor in laagveenmoerassen, vennen en duinplassen. Het voortplantingswater van de groene glazenmaker bestaat uit water met een dichte begroeiing van krabbenscheer. Ook in agrarisch gebied kan dergelijk voortplantingswater aanwezig zijn.

5.3

Effecten Natura 2000-gebieden

5.3.1

Bestemming van de speciale beschermingszone

Binnen het plangebied liggen de Natura 2000-gebieden:  IJsselmeer 

Oudegaasterbrekken, Fluessen en omgeving

 

Sneekermeergebied Waddenzee

Witte en Zwarte brekken

Alle bovenstaande gebieden hebben de gepaste bestemming ‘natuur’ (al dan niet gecombineerd met water) gekregen. Daarmee is de bestemming van de Natura 2000-gebieden in orde. 5.3.2

Ontwikkelingsmogelijkheden

De ontwikkelingsmogelijkheden die het bestemmingsplan biedt, kunnen van invloed zijn op verschillende typen gevoeligheden van Natura 2000-gebieden. Deze mogelijke effecten zijn schematisch weergegeven in tabel 5.9. In de navolgende alinea’s zijn de effecten toegelicht. De effecten zijn beoordeeld aan de hand van de instandhoudingsdoelen van de nabijgelegen Natura 2000-gebieden.

72\137

planMER buitengebied SWF

Kenmerk R002-1211027FEE-efm-V02-NL

Tabel 5.10 Mogelijke effecten van ontwikkelingsmogelijkheden op gevoeligheden van Natura 2000gebieden. Legenda: ‘X’ = mogelijk effect. ‘-‘ = geen effect. De nabijgelegen gebieden zijn genoemd in tabel 5.2.

mogelijkheid

Uitbreiding agrarische bouwvlakken

Verstoring

Ontwikkelings-

Vermesting

Gevoeligheid

X

-

Toename lichtuitstraling

-

X

Toename betreding

-

X

X

-

Alle

Alle

nabijgelegen

nabijgelegen

gebieden

gebieden

Mogelijk effect

Toename stikstofdepositie

Intensivering recreatief

Toename

medegebruik

stikstofdepositie door recreatief verkeer

Mogelijk beïnvloede gebieden

Uitbreiding agrarische bouwvlakken nabij Natura 2000-gebied In Natura 2000-gebieden liggen agrarische bedrijven. Effecten beperken zich daarom tot een mogelijke toename in stikstofdepositie of lichtuitstraling. Dit wordt in de volgende alinea’s behandeld. Stikstofuitstoot van bedrijven De gebiedsgerichte modellering wordt behandeld in paragraaf 5.5. Toename lichtuitstraling Bij nieuwbouw van stallen wordt steeds meer gebruik gemaakt van meer open stalsystemen dan de traditionele stalsystemen. Daardoor bestaat er ook kans op meer lichtuitstraling vanuit de nieuwe stallen naar het buitengebied. Een toename van licht binnen het Natura 2000-gebied kan voor verschillende soorten verstorend werken. Lichtuitstraling naar Natura 2000-gebieden is doorgaans eenvoudig te voorkomen door het nemen van maatregelen. Voor bouwvlakken c.q. stippen binnen 500 meter van een Natura 2000-gebied wordt daarom aangeraden te onderzoeken of lichthinder optreedt en welke maatregelen genomen moeten worden lichthinder voorkomen. Een significante verstoring wordt dan voorkomen.

planMER buitengebied SWF

73\137

Kenmerk R002-1211027FEE-efm-V02-NL

Intensivering recreatief medegebruik: stikstofuitstoot van verkeer Het bestemmingsplan maakt het mogelijk om recreatief medegebruik van het agrarisch buitengebied uit te breiden. Hierdoor kan de stikstofdepositie ten gevolge van recreatief verkeer toenemen. Effecten op instandhoudingsdoelen van habitattypen zijn echter uitgesloten omdat:  De verwachte toename aan recreatief medegebruik is verwaarloosbaar klein ten opzichte van het bestaand recreatief medegebruik  

Het aandeel van stikstofuitstoot ten opzichte van agrarische bedrijven is zeer beperkt De stikstofuitstoot door ontwikkelingsmogelijkheden van agrarische bedrijven niet leidt tot depositietoename in kwalificerende, stikstofgevoelige habitattypen

Intensivering recreatief medegebruik: verstoring door betreding Ontwikkelingsmogelijkheden voor recreatief medegebruik van het agrarisch buitengebied kunnen leiden tot een toename van recreanten in Natura 2000-gebied, wat kan leiden tot verstoring van kwalificerende habitat- en vogelrichtlijnsoorten. Effecten op instandhoudingsdoelen zijn echter uitgesloten omdat: 

De verwachte toename aan recreatief medegebruik is verwaarloosbaar klein ten opzichte van het bestaand recreatief medegebruik

Recreanten zullen zich vooral beperken tot de bestaande (vaar)wegen en paden in natuurgebieden. Deze liggen niet in de meest verstoringsgevoelige delen van het gebied

Conclusie Het bestemmingsplan is aangaande de bescherming van Natura 2000-gebieden redelijkerwijs uitvoerbaar. De gebieden zijn gepast bestemd. Ontwikkelingsmogelijkheden zoals uitbreiding van agrarische bouwvlakken c.q. stippen en recreatief medegebruik, leiden naar verwachting niet tot (significant) negatieve effecten op instandhoudingsdoelen. Het effect op Natura 2000-gebieden is dus als ‘neutraal’ beoordeeld. In de navolgende paragraaf worden de effecten vanuit stikstofdepositie beschouwd.

5.4 5.4.1

Effecten op verzuring en eutrofiering Effecten vanuit de veehouderij

De toetsing van effecten op Natura 2000-gebieden betreft een passende beoordeling. Daarbij is onder meer ruime aandacht besteed aan uitbreidingsmogelijkheden van agrarische bouwvlakken in relatie tot de milieukwaliteit binnen het Natura2000-areaal (met name ammoniakdepositie). De huidige achtergronddepositie is vrijwel in alle Natura 2000-gebieden in Nederland hoger dan de kritische depositiewaarde. Dit betekent dat alleen een bestemmingsplan dat de huidige gebiedsemissie borgt ook uitvoerbaar is. Als alle ontwikkelingsmogelijkheden in het bestemmingsplan zouden worden ingezet, zijn negatieve effecten namelijk niet uit te sluiten. Zo is

74\137

planMER buitengebied SWF

Kenmerk R002-1211027FEE-efm-V02-NL

gebleken uit voorliggende planMER bij beoordeling van het planalternatief waarbij uitbreiding mogelijk is van de nu aanwezige agrarische percelen. Het stikstofonderzoek heeft aangetoond dat er redelijkerwijs wel technische maatregelen beschikbaar zijn op basis waarvan de huidige agrarische ondernemers zouden opschalen tot de grenzen die het plan stelt. In hoofdstuk 4 is aangetoond dat er mogelijkheden zijn om in het bestemmingsplan te regelen dat er gebruik gemaakt kan worden van de flexibiliteit van het PAS zonder dat dit, door bijvoorbeeld een cumulatie van parallelle ontwikkelingen, tot significante effecten aanleiding zou geven. Het plan, inclusief de voorgestelde regeling heeft dus mogelijk wel een zekere toename van de depositie tot gevolg. Maar omdat geborgd is dat er geen sprake is van een significant effect geldt dat er ten opzichte van de referentiesituatie vanuit de Wet natuurbescherming sprake is van een neutraal effect voor verzuring en eutrofiering. In de autonome ontwikkeling zal er, door de werking van het nieuwe besluit huisvesting, sprake zijn van een zekere daling van de gebiedsemissies. Deze daling is onderdeel van alle maatregelen die op macro-niveau genomen zijn om het PAS mogelijk te maken.

Dit betekent dat het plan-effect voor verzuring en eutrofiering ten opzichte van de autonome ontwikkeling iets groter zal zijn dan ten opzichte van de huidige situatie. Om een onderscheidend vermogen aan te brengen kan dit als een negatief effect worden aangemerkt. 5.4.2

Mogelijke effecten vanuit de glastuinbouw

In het plangebied wordt ook aan de bestaande glastuinbouw, in zekere mate, de mogelijkheid geboden uit te breiden. In de huidige situatie is er sprake van 4 bouwvlakken waarop de bestemming glastuinbouw is gevestigd. Het totaal areaal gerealiseerde glastuinbouw bedraagt ongeveer 55.300 m2 waarvan ongeveer 2 ha verouderde complexen zijn. Op basis van de omvang van de bouwvlakken in het bestaande plan is uitbreiding met 37.000 m2 nieuw te bouwen glastuinbouw mogelijk. Ook in de glastuinbouw wordt de bedrijfsvoering dus uitgebreid, in combinatie met een modernisering van de bedrijfsvoering, resulterend in het verlagen van de emissies zoals gedocumenteerd in het aangehaalde onderzoek uit 2005 (zie paragraaf 4.7 voor de rekenkundige aannames en onderbouwingen). Op basis van het emissie-kental uit 2005 zal ten gevolge van het nieuw bouwen van 3,7 ha kassencomplex, de gebiedemissie maximaal toenemen met 9,25 ton/jaar als er geen modernisering van de bestaande complexen tegenover staat. Dit is dus een overschatting van de te verwachten toename vanuit het gebied, omdat er ook sprake zal zijn van een modernisering van een deel van de bestaande, verouderde kassen. Echter, ook deze maximaal mogelijke toename, is kleiner dan de berekende afname voor het meest omvangrijke veehouderij dat uit gaat van een wijzigingsbevoegdheid tot 2,0 ha.

planMER buitengebied SWF

75\137

Kenmerk R002-1211027FEE-efm-V02-NL

Dit betekent dat er op gebiedsniveau, ook na cumulatie van veehouderij en glastuinbouw, er sprake zal zijn een afname van de gebiedsemissie. Zoals hierboven is aangeven is het niet goed mogelijk om op basis van perceel-eigenschappen de effecten vanuit de glastuinbouw op de piekemissies te modelleren. Echter, de bijdrage vanuit de glastuinbouw is zo gering ten opzichte van de huidige gebiedsemissies (minder dan 5%) dat essentiële verschuivingen van de piekemissies niet zijn te verwachten zodat significante effecten op de Natura 2000 gebieden uitgesloten kunnen worden. Om te voorkomen dat de gecumuleerde effecten (veehouderij inclusief glastuinbouw) ongewenste lokale effecten kunnen veroorzaken, is het nodig om de gebruiks-regeling in het plan ook expliciet van toepassing te laten zijn op het in gebruik nemen van nieuwe glastuinbouw.

5.5

Effecten op het Natuurnetwerk Nederland (NNN)

In deze paragraaf is getoetst hoe het Natuurnetwerk Nederland (NNN – voorheen EHS) is bestemd en wat de effecten van het bestemmingsplan zijn op het NNN en agrarisch natuurbeheergebied. 5.5.1

Gronden binnen het NNN

Binnen het NNN zijn geen uitbreidingen mogelijk van agrarische bouwvlakken. Het bestemmingsplan maakt daarom geen vermindering van het oppervlak aan NNN mogelijk. De gronden binnen het NNN en gebieden hebben een passende bestemming gekregen. Het plan maakt geen ontwikkelingen mogelijk die leiden tot een significante aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden of samenhang. 5.5.2

Gronden nabij het NNN

In de Verordening Rômte 2014 worden voor gronden nabij het NNN alleen beperkingen opgelegd als sprake is van niet-agrarische activiteiten. Agrarische activiteiten buiten het NNN hoeven niet getoetst te worden en blijven verder buiten beschouwing. Een uitzondering hierbij zijn effecten door stikstofdepositie. De effecten van stikstofdepositie door agrarische ontwikkelingen zijn hieronder in kaart gebracht. Effecten stikstof door agrarische ontwikkelingen Effecten door stikstofdepositie binnen het NNN zijn uitgesloten doordat: 

De voor verzuring zeer gevoelige gebieden (WAV-gebieden) liggen buiten de invloedsfeer

van het plan, hier vind geen toename in stikstofdepositie plaats De delen van het NNN die gevoelig zijn voor stikstofdepositie liggen binnen de Natura 2000gebieden en komen overeen met gevoelige habitattypen. Uit de modellering is gebleken dat op gevoelige habitattypen geen toename in stikstof plaatsvindt. Effecten op het NNN zijn daarom tevens uitgesloten

76\137

planMER buitengebied SWF

Kenmerk R002-1211027FEE-efm-V02-NL

Niet-agrarische activiteiten en ontwikkelingen in of nabij het NNN zijn alleen toegestaan als deze niet leiden tot een significante aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden. De enige niet-agrarische ontwikkeling die het bestemmingsplan mogelijk maakt is een intensivering van recreatief medegebruik. Dit kan in theorie leiden tot een toename in verstoring door betreding en een toename in stikstofdepositie door verkeer. Intensivering recreatief medegebruik: stikstofuitstoot van verkeer Het bestemmingsplan maakt het mogelijk om recreatief medegebruik van het agrarisch buitengebied uit te breiden. Hierdoor kan de stikstofdepositie ten gevolge van recreatief verkeer toenemen. Effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN zijn echter uitgesloten omdat:  De verwachte toename aan recreatief medegebruik is verwaarloosbaar klein ten opzichte van het bestaand recreatief medegebruik  

Het aandeel van stikstofuitstoot ten opzichte van agrarische bedrijven is zeer beperkt De stikstofuitstoot door ontwikkelingsmogelijkheden van agrarische bedrijven niet leidt tot depositietoename in kwalificerende, stikstofgevoelige habitattypen

Intensivering recreatief medegebruik: verstoring door betreding Ontwikkelingsmogelijkheden voor recreatief medegebruik van het agrarisch buitengebied kunnen leiden tot een toename van recreanten in het NNN, wat in theorie kan leiden tot verstoring. Effecten zijn echter uitgesloten omdat: 

De verwachte toename aan recreatief medegebruik is verwaarloosbaar klein ten opzichte van

het bestaand recreatief medegebruik Recreanten zullen zich vooral beperken tot de bestaande (vaar)wegen en paden in natuurgebieden. Deze liggen niet in de meest verstoringsgevoelige delen van de gebieden

5.5.3

Ontwikkelingen binnen en nabij overige provinciale natuurgebieden

In het bestemmingsplangebied liggen ‘weidevogelgebieden’ en gebieden met ‘agrarisch natuurbeheer’. De weidevogelgebieden hebben in het bestemmingsplan de aanduiding natuur met agrarisch medegebruik gekregen. Om effecten te voorkomen, worden er beperkingen gesteld aan de mogelijkheid om verstorende activiteiten, buiten de huidige agrarische activiteiten, te verrichten die het weidevogelleefgebied verstoren. Er geldt een vergunningenstelsel, waarbij als voorwaarde geldt dat activiteiten zijn toegestaan indien deze de ‘instandhouding van de in het gebied voorkomende danwel daaraan eigen faunische en vegatieve waarden’ niet onevenredig aantasten. Zowel binnen de weidevogelgebieden als binnen het agrarisch natuurbeheer zijn er diverse ontwikkelingen mogelijk binnen de bouwvlakken c.q. stippen. Dit kan plaatselijk een effect hebben op de natuurwaarden. Het betreft natuurwaarden die goed samengaan met een agrarisch gebruik. In de Verordening Rômte 2014 staat daarom ook een agrarische productiefunctie, inclusief de ontwikkelingsmogelijkheden, toe. Gelet hierop en op het lokale karakter van de

planMER buitengebied SWF

77\137

Kenmerk R002-1211027FEE-efm-V02-NL

ontwikkelingen (alleen in de bouwvlakken c.q. stippen, en indien daarbuiten enkel middels een vergunningenstelsel) zijn effecten op de openheid, rust en (agrarische) natuurwaarden uitgesloten. 5.5.4

Conclusie

Het bestemmingsplan heeft de bescherming van het NNN voldoende ingepast in de planregels. De ontwikkelingsmogelijkheden leiden niet tot aantasting van het NNN. Ook zijn plaatselijke effecten op andere provinciale natuurgebieden geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. Het effect is dus als ‘neutraal’ beoordeeld.

5.6

Effecten beschermde soorten Wet natuurbescherming

Bij toetsing aan de Wet natuurbescherming wordt doorgaans gekeken naar overtreding van verbodsbepalingen, en de hieruit volgende ontheffingsplicht. Bij een bestemmingsplan zal hiervan geen sprake zijn. In dit geval wordt bepaald of de ontwikkelingen die het bestemmingsplan mogelijk maakt redelijkerwijs uitvoerbaar zijn op dit punt. 5.6.1

Belang van het plangebied als leefgebied

Het leefgebied van zwaarder beschermde soorten die kunnen voorkomen in het plangebied is grofweg onder te verdelen in twee groepen (zie ook §5.2.4):  

Bos- en natuurgebieden Het agrarisch gebied

Bos- en natuurgebieden Effecten op soorten die vooral voorkomen in bos- en natuurgebieden (zie tabel 5.8) worden voorkomen door de beperkende bouw- en gebruiksregels in deze gebieden (bestemming natuur). Hierbinnen worden dusdanig weinig ontwikkelingen mogelijk gemaakt, dat er geen belemmeringen zijn voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. Het agrarisch buitengebied Bescherming van het leefgebied van soorten die tevens voorkomen in overige delen van het agrarisch gebied is in de bestemmingsplanregels slechts beperkt vastgelegd. Dit is ook niet noodzakelijk. Ontwikkelingsmogelijkheden die effect kunnen hebben op deze soorten zijn vooral beperkt tot agrarische bouwblokken. Lokaal kunnen de volgende typen werkzaamheden effect hebben op beschermde soorten: bouw- en sloopwerkzaamheden, het kappen van beplanting of het kleinschalig aanpassen van ontwatering. Hoewel door het lokale karakter van deze ontwikkelingen de duurzame instandhouding op gebiedsniveau niet snel in het geding is, kan bij uitvoering wel sprake zijn van een overtreding van verbodsbepalingen Wet natuurbescherming. Hierdoor kan het nodig zijn mitigerende (verzachtende) maatregelen te treffen, of indien dit niet afdoende is, compenserende maatregelen te treffen en te voldoen aan de daaruit volgende ontheffingsplicht.

78\137

planMER buitengebied SWF

Kenmerk R002-1211027FEE-efm-V02-NL

Uitvoeringspraktijk De uitvoeringspraktijk van ontheffing verlening leert dat er doorgaans een duidelijke voorkeur is voor het zoveel mogelijk voorkomen of beperken van de negatieve effecten. Dit geldt dan ook als voorwaarde voor het voorkomen van een ontheffingsplicht of het verkrijgen van een ontheffing als dit onverhoopt toch nodig is. Voor alle genoemde beschermde soorten bestaan er in de praktijk (ruime) mogelijkheden om effecten te voorkomen of te minimaliseren door een passende locatiekeuze, inrichting en uitvoeringstijdstip. Zo nodig kunnen aanvullend ook andere mitigerende (verzachtende) maatregelen worden getroffen zoals het aanbieden van alternatieve broedgelegenheid (bijvoorbeeld nestkasten) en kan de kwaliteit van het omringende leefgebied worden behouden of zelfs verbeterd. Dit betekent wel dat bij de aanwezigheid van beschermde soorten een gericht plan en/of werkprotocol dient te worden ontwikkeld, waarbij de aanwezige waarden worden ontzien en het leefgebied wordt ingepast in de ruimtelijke ontwikkeling. Tabel 5.11 Inschatting van geschikt leefgebied, effectbepaling en voorbeelden mogelijke mitigerende maatregelen van enkele soorten (niet limitatief). Soort

Inschatting geschikt leefgebied Verblijfplaatsen in bossen foerageergebied (deels) in agrarische gebieden

Mogelijke effecten

Mogelijke mitigerende maatregelen Boommarter, das, Kleinschalige Niet nodig, betreft kleinschalige eekhoorn ontwikkelingen in effecten in foerageergebied. foerageergebied Voldoende leefgebied blijft aanwezig en verblijfplaatsen blijven onaangetast. Steenmarter Verblijfplaatsen in gebouwen, Slopen van gebouwen Inventariseren van territoria. foerageergebied (deels) in kan leiden tot vernietigen Plekken waar geen steenmarters agrarische gebieden van verblijfplaatsen zitten of waar gebouwd wordt geschikt maken voor steenmarters in combinatie met het aanbieden van alternatieve vaste verblijfplaatsen. Buizerd, havik, Op en direct rond agrarische Bij het kappen van hoge Niet van toepassing mits voldoende slechtvalk, sperwer, bouwvlakken is doorgaans bomen en bosschages op en rond bomen op en langs boomvalk agrarische bouwvlakken deze agrarische bouwvlakken hoogopgaande beplanting blijven staan. Eventueel aanplanten verdwijnt aanwezig. Buizerd, havik, van bomen en bosschages. Zie ook sperwer en boomvalk zijn wat nestgelegenheid en soortenstandaard 16[1]. mogelijk een jaarrond minder kritisch qua locatiekeuze kunnen in deze beschermd nest. erfbeplanting tot broeden komen. Slechtvalken hebben hoge masten en hoge gebouwen met daarin nestkasten nodig om in te broeden. Deze soort zal incidenteel in het plangebied aanwezig zijn.

Ransuil Bosschages en dichte Door het kappen van Behoud van voldoende bosschages naaldbomen in tuinen zijn bomen verdwijnt en open landschap om te geschikt als nestlocatie en broedgelegenheid en foerageren. Eventueel aanplanten

16[1] Bron: http://www.hetlnvloket.nl/onderwerpen/vergunning-en-ontheffing/dossiers/dossier/flora-en-faunawet-ruimtelijkeingrepen/soortenstandaards

planMER buitengebied SWF

79\137

Kenmerk R002-1211027FEE-efm-V02-NL

Soort

Steenuil

Kerkuil

Gierzwaluw, huismus en vleermuizen

Ooievaar

Roek

Groene glazenmaker Rugstreeppad

80\137

Inschatting geschikt Mogelijke effecten Mogelijke mitigerende leefgebied maatregelen van bomen in de nabijheid van vaste rust- en verblijfplaats. mogelijk een jaarrond geschikt foerageergebied. Voldoende nesten van zwarte beschermde verblijfplaats. kraai en ekster die als nest van de ransuil kunnen dienen. Uitgestrekt agrarisch gebied biedt voldoende foerageermogelijkheden. Inventariseren van territoria van Het plangebied biedt geschikt Zeer gevoelig voor ruimtelijke ontwikkelingen steenuilen. Plekken waar geen leefgebied in de vorm van door de onlosmakelijke steenuilen zitten of waar gebouwd erven met schuren die in wordt geschikt maken voor samenhang tussen de nestgelegenheid voorzien. Boerderijen met bomenrijen, vaste verblijfplaats en de steenuilen in combinatie met het functionele leefomgeving aanbieden van alternatieve vaste paaltjes, grasland, (foerageergebied) in de verblijfplaatsen (nestkasten). Zie rommelhoekjes voorzien in directe omgeving van de ook soortenstandaard. geschikt foerageergebied. vaste verblijfplaats. Het plangebied biedt geschikt Gevoelig voor ruimtelijke Inventariseren van territoria van kerkuilen. Op plekken waar geen ontwikkelingen. leefgebied in de vorm van kerkuilen zitten of waar gebouwd Vergelijkbaar met erven met schuren die in steenuil maar kerkuil is in wordt kan een alternatieve vaste nestgelegenheid voorzien.

verblijfplaats (nestkast) worden Boerderijen met bomenrijen, staat om aangeboden in een gebouw dat foerageergebieden te paaltjes, grasland, rommelhoekjes en uitgestrekt bereiken die verder van geschikt is als broedlocatie en agrarisch gebied voorzien in zijn vaste verblijfplaats af binnen het bereik van geschikt foerageergebied ligt. Zie ook liggen. geschikt foerageergebied. soortenstandaard. Mitigerende maatregelen bestaan Bij aantasting Veel type gebouwen uit het - na inventariseren verblijfplaatsen (sloop) (woningen, schuren etc.) aanbrengen van tijdelijke of kunnen effecten herbergen potentiële permanente alternatieve optreden. Het verblijfplaatsen. Daarnaast kunnen de bomen op en om bestemmingsplan maakt verblijfplaatsen (vogelkasten of geschikte vleermuiskasten). Zie ook agrarische bouwvlakken een dat niet rechtstreeks rol spelen als paarplaats voor mogelijk. Kap van bomen soortenstandaard voor huismus, gierzwaluw, gewone en ruige de Ruige dwergvleermuis en kan resulteren in dwergvleermuis en gewone aantasting van als onderdeel van grootoorvleermuis. Aantasting van vliegroutes of vliegroutes. vliegroutes kan voorkomen worden paarplaatsen. Ook door het (her)plaatsen/of planten renovaties of van bomen of struikgewas. Zie ook verbouwingen kunnen soortenstandaard. verblijfplaatsen aantasten.

Mitigerende maatregelen zijn Bij aantasting (sloop, Nestelt op speciale eenvoudig namelijk uit het ooievaarspalen of op speciale renovatie of grote aanbieden van een nestpaal op een verbouwingen) kunnen geprepareerde plekken op geschikte locatie. effecten optreden. Het daken, bomen in het bestemmingsplan maakt plangebied lijken niet dat niet rechtstreeks geschikt te zijn. mogelijk. Bosjes of bomenrijen in Koloniebroeder, daardoor Inventariseren broedkolonie. Zo agrarisch gebied zijn gevoelig voor kap van nodig bomen met broedkolonie geschikte locaties voor bomen. Hierdoor kan een ontzien, of aanbieden alternatieven broedkolonies hele broedkolonie nestlocaties. Zie ook verdwijnen soortenstandaard. Alleen bij aantasting van Inventariseren en ontzien van Sporadisch: brede brede wateren met geschikte voortplantingswateren watergangen met krabbenscheer is een krabbenscheer effect mogelijk Afschermen van werkgebieden Geschikt leefgebied komt In staat om snel nieuw

planMER buitengebied SWF

Kenmerk R002-1211027FEE-efm-V02-NL

Soort

Grote modderkruiper

5.6.2

Inschatting geschikt Mogelijke effecten Mogelijke mitigerende leefgebied maatregelen zodat kolonisatie wordt voorkomen. leefgebied te voor in het gehele gebied. Eventueel aanwezige dieren koloniseren. Bij de Voortplantingswateren wegvangen en in tijdelijk alternatief beperkte ruimtelijke bestaan uit de -kleinehabitat (evt. nieuwe watergangen) ontwikkelingen die het watergangen. Landhabitat uit zetten. Bij vergraving van kan onder andere bestaan uit bestemmingsplan schuilplaatsen onder of nabij toestaat is een kans dat watergangen dient aangrenzend alternatief leefgebied voorhanden te de rugstreeppad het bebouwing. zijn en/of kunnen de watergangen gebied koloniseert, geschikt gehouden blijven. Zie ook voortzetting van de werkzaamheden is dan in soortenstandaard. overtreding van de Wet natuurbescherming. Bij vergraving van watergangen kan schade optreden. Alleen bij aantasting van Inventariseren en ontzien van Sporadisch: brede genoemde watergangen geschikte leefgebieden. Bij effecten: (geïsoleerde) watergangen creëren alternatief leefgebied. met goed ontwikkelde Eventueel ontwikkelen van nieuw watervegetaties leefgebied. Zie ook soortenstandaard.

Conclusie

Op basis van de eisen die aan individuele ontwikkelingen worden gesteld en de praktische mogelijkheden om beschermde soorten in te passen in lokale ontwikkelingen, zijn als gevolg van het bestemmingsplan geen wezenlijke effecten op beschermde soorten te verwachten. Dit betekent dat ook geen belemmeringen voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan aan de orde zijn. Het effect is dus als ‘neutraal’ beoordeeld.

5.7

Samenvatting

In onderstaande tabel is de beoordeling van de effecten op natuur samengevat. De beoordeling is toegelicht in onderstaande paragrafen. Tabel 5.12 Beoordeling effecten op natuur, per onderdeel

Onderdeel

Beoordeling

Gebiedsbescherming - Natura 2000

neutraal

Gebiedsbescherming - Natuurnetwerk

neutraal

Nederland (NNN) Soortbescherming

neutraal

Totaal

neutraal

Gebiedsbescherming - Natura 2000-gebieden Rondom en in het bestemmingsplangebied liggen verschillende Natura 2000-gebieden. Ontwikkelingsmogelijkheden leiden naar verwachting niet tot (significant) negatieve effecten op

planMER buitengebied SWF

81\137

Kenmerk R002-1211027FEE-efm-V02-NL

instandhoudingsdoelen. Het effect op Natura 2000-gebieden is dus als ‘neutraal’ beoordeeld. Gebiedsbescherming - NNN In het plangebied zijn gebieden aangewezen als NNN en anders beschermde gebieden aanwezig. Het bestemmingsplan heeft de bescherming van het NNN en andere gebieden voldoende ingepast in de bestemming en planregels. De ontwikkelingsmogelijkheden leiden niet tot aantasting van het NNN. Het effect is dus als ‘neutraal’ beoordeeld. Soortbescherming Het onderdeel soortbescherming onder de Wet natuurbescherming regelt de bescherming van plant- en diersoorten in Nederland. Het bestemmingsplan heeft een conserverend karakter, en maakt geen ontwikkelingen mogelijk waarvan op voorhand een negatief effect op beschermde soorten wordt verwacht. Incidenteel kunnen ruimtelijke ontwikkelingen, die voortvloeien uit het nieuwe bestemmingsplan, een effect hebben op beschermde soorten of de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen hiervan. In dit geval kan in de planning- en uitvoeringsfase overtreding van de wet worden voorkomen. Afhankelijk van de soort(en) en het project, kan dit door te werken met een ecologische gedragscode, het treffen van mitigerende of compenserende maatregelen, of het aanvragen van een ontheffing. Daarom is het effect op dit onderdeel als ‘neutraal’ beoordeeld.

82\137

planMER buitengebied SWF

Kenmerk R002-1211027FEE-efm-V02-NL

6 Milieueffecten overige thema’s In hoofdstuk 5 staan de effecten voor natuur beschreven. Dit hoofdstuk geeft de effecten voor de andere thema’s weer. De volgende thema’s komen achtereenvolgens aan de orde: Landschap, Cultuurhistorie, Archeologie, Water en bodem, Verkeer en Woon- en leefmilieu (geluid, geur, luchtkwaliteit en gezondheid).

6.1

Methodiek effectenonderzoek

De milieueffecten hebben betrekking op het plan- en studiegebied. De reikwijdte van het studiegebied kan per aspect verschillen. Om effecten correct te kunnen bepalen, moet eerst een goede referentiesituatie worden vastgelegd. De referentiesituatie betreft de huidige situatie en de autonome ontwikkeling. Deze zijn eerder in hoofdstuk 3 al globaal beschreven. In dit hoofdstuk wordt voor elk milieuaspect de meer specifieke referentiesituatie toegelicht.

6.2

Beoordelingskader

Tabel 6.1 Beoordelingskader

Activiteit

Aspecten

Natuur

Veehouderij

Landschap Cultuurhistorie en archeologie Water en bodem Verkeer Woon- en leefmilieu 

Teeltondersteunende voorzieningen

Landschap Water en bodem Natuur (i.v.m. weidevogels en ganzen)

Nevenactiviteiten (o.a. recreatie en detailhandel)

Natuur Landschap Cultuurhistorie en archeologie Water en bodem Verkeer Woon- en leefmilieu

Toeristische Overstapplaatsen (TOP’s)

Natuur Landschap Verkeer Woon- en leefmilieu

planMER buitengebied SWF

83\137

Kenmerk R002-1211027FEE-efm-V02-NL

Activiteit

Aspecten

Natuur

Extensief recreatief medegebruik

Landschap Verkeer Woon- en leefmilieu 

Wonen (inclusief hergebruik vrijkomende agrarische Natuur bedrijfslocaties)

Landschap Cultuurhistorie en archeologie Water en bodem Verkeer Woon- en leefmilieu

Paardenbakken en schuilstallen

Landschap Woon- en leefmilieu (verlichting)

Niet-agrarische bedrijvigheid

Natuur Landschap Verkeer Woon- en leefmilieu

6.3

Landschap

6.3.1

Inleiding

Deze paragraaf beschrijft naast de landschappelijke karakteristiek van het plangebied de mogelijke effecten op die karakteristiek ten gevolge van de ontwikkelingen zoals deze in het bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt. Hierbij wordt uitgegaan van de worstcase situatie. 6.3.2

Huidige situatie

Het landschap binnen het plangebied is onder te verdelen in een aantal landschappelijke deelgebieden (zie ook figuur 6.1): 

Kust

 

Kleigebied (inclusief het gebied ten noorden van afsluitdijk en de A7) Veengebied (inclusief het gebied rond Sneek)

Het Stuwwallandschap

De verschillende deellandschappen worden navolgend nader beschreven.

84\137

planMER buitengebied SWF

Kenmerk R002-1211027FEE-efm-V02-NL

Figuur 6.1 Landschapskaart plangebied (Visie Ruimtelijke Kwaliteit, Gemeente Sudwest fryslan)

Kust De kust wordt gekenmerkt door een afwisselend kustbeeld van waterkeringen, ondiepe en soms bekade voorlanden, waardevolle stedelijke waterfronten, havens, oude zeeweringen en vergezichten op het achterland en waterpanorama’s op het IJsselmeer. De ca. 5 meter hoge voormalige Zuiderzeedijk is langs het IJsselmeer in de 13de eeuw tot stand gekomen en heeft het 19de eeuwse profiel voor het merendeel behouden. Binnendijks wordt de groene dijk veelal begeleid door de Dyksfeart en dijksputten die ontstaan zijn door kleiwinning ten behoeve van de dijkbedekking. Ter hoogte van het stuwwallenlandschap, waar de heuvels hoog genoeg waren en de dijken ontbraken, ontstonden door de werking van de golven van de Zuiderzee op de stugge keileemgrond plaatselijk steile kliffen. Binnen het plangebied ligt de Roode Klif. De stedelijke

planMER buitengebied SWF

85\137

Kenmerk R002-1211027FEE-efm-V02-NL

waterfronten van achtereenvolgens Makkum, Workum, Hindeloopen en Stavoren hebben elk hun eigen karakteristiek. De Waddenzeedijk kent een veel forser karakter en grenst aan de zeezijde aan het typische waddengebied met droogvallende platen, getijgeulen en kwelders. Elementen en structuren De kenmerkende elementen en structuren voor dit landschappelijk deelgebied zijn de IJsselmeerdijk, Buitendijkse polders en platen, de Kliffen en de waterfronten. De IJsselmeerdijk heeft over de gehele lengte een eenduidig beeld. Het is een grasdijk met aan de buitendijkse voet stenen en soms houten versterkingen. Aan de binnenzijde wordt de dijk begeleidt door een Dyksfeart. De gemiddelde hoogte is ca. 4,5 meter boven NAP. Binnendijks komen op verschillende plaatsen dijksputten voor. Die zijn ontstaan door het opgraven van klei ten behoeve van de verzwaring en ophoging van de dijk. De Makkumer Noord- en Zuidwaard zijn buitendijkse platen die na de aanleg van de Afsluitdijk zijn ontstaan. Polder Geele Strand is een buitendijkse polder, die na de aanleg van de Afsluitdijk is ingepolderd. De platen zijn ingericht als natuurgebied. De kliffen zijn voor Nederland zeer bijzondere aardkundige elementen. Na de aanleg van de Afsluitdijk is de werking van de golven sterk afgenomen en zijn de kliffen groener en minder steil geworden. Een aantal dorpen en stadjes zijn aan de kust gesitueerd.

Makkum, Workum, Hindeloopen en Stavoren oriënteren zich direct op het water. Gaast, Piaam en in mindere mate Molkwerum en Laaksum liggen verscholen achter de dijk. Hun relatie met het IJsselmeer is minder groot. Makkum, Workum hebben een waterfront waarvan het beeld grotendeels door recente recreatieve ontwikkelingen en grote bedrijfsloodsen bepaald wordt. Langs de waddenzeekust zijn binnen het plangebied geen plaatsen gelegen.

Figuur 6.2 Typisch stukje IJsselmeerdijk met Dyksfeart en dijksputten en Het Roode Klif nabij Warns (Landschapsvisie Nationaal Landschap Zuidwest-Fryslân, 2012)

86\137

planMER buitengebied SWF

Kenmerk R002-1211027FEE-efm-V02-NL

Belangrijkste kenmerken en kwaliteiten De belangrijkste kenmerken en kwaliteiten van het kustlandschap zijn:  Zeer grootschalig open landschap met weidse horizon, lange zichtlijnen en markante oriëntatiepunten langs de kust 

Afwisselend kustbeeld van waterkeringen, (ondiepe) voorlanden, waardevolle stedelijke waterfronten oude zeeweringen, klifkusten en vergezichten op achterland

Contrasten tussen dynamisch beeld bij recreatieve plaatsen en concentratiepunten en meer ingetogen landelijk beeld daarbuiten, tussen strakke lijnen van Afsluitdijk en glooiende lijnen van oude Zuiderzeekust, tussen groene dijken en grilliger klifkusten bij Gaasterland

Nagenoeg volledig natuurlijke structuren bij gebieden met natuurfunctie

Kleilandschap Het kleigebied is een open en grootschalig landschap met structurerende elementen als dijken, terpen, paden, eendenkooien en vaarten. Het grondgebruik bestaat voor het overgrote deel uit grasland. Boerderijen en gehuchten liggen omlijst met beplanting als punten in het weidse landschap. Heel kenmerkend voor het kleigebied zijn de Hemmen met de Hemdijken. Deze vormen een krans rondom de voormalige Middelzee. Naast de Hemdijken liggen er ook een aantal slaperdijken. Het kleigebied wordt aan de westzijde begrensd door de steeds aanwezige groene IJsselmeerdijk en aan de noordzijde van de afsluitdijk aan de dijk langs de Waddenzee. Elementen en structuren Het kleigebied herbergt een grote variatie aan verkavelingstypen. De Hempolders (aan de noordoostzijde van het plangebied) worden over het algemeen gekenmerkt door een blokstrookverkaveling. Deze verkaveling vormt de geleidelijke overgang naar de opstrekkende verkaveling van de veengebieden aan oostzijde van het plangebied. Het kleigebied ten noordwesten van dit gebied heeft een onregelmatige blokverkaveling. In de droogmakerijen overheerst de regelmatige blokverkaveling. Bij Gaast en Doniaburen liggen restanten van een repelvormige verkaveling, gekenmerkt door zeer smalle langgerekte percelen. Het relatief hooggelegenzavelige bouwland is hier verdeeld in lange, smalle percelen die haaks op de dorpsas staan.

Het is een zeer zeldzame vorm van verkaveling. Hier en bij Idsegahuizum vinden we bovendien zogeheten kruinige percelen. Dat zijn bolronde akkers op lichte kleigronden, die dankzij deze door ploegen verkregen vorm niet gemakkelijk verstuiven en een goede afwatering hebben. Ten oosten van Cornwerd komen afgetichelde percelen voor. Dit zijn percelen waarvan de klei is afgegraven ten behoeve van de aardewerknijverheid in Makkum. Daarnaast zijn er verschillende gebieden te vinden ten zuidoosten van Engwier en rondom Exmorra. Elders, zoals in de Riperhem, Morrahem en Scherwolderhem die gebruikt voor moernering. Moernering is het winnen van zout uit verzilt veen. Deze activiteiten hebben bijgedragen aan het microreliëf in het kleigebied.

planMER buitengebied SWF

87\137

Kenmerk R002-1211027FEE-efm-V02-NL

Figuur 6.3 Regelmatige blokverkaveling in de droogmakerijen en onregelmatige blokverkaveling in het kleigebied

Het watersysteem was van oudsher het belangrijkste vervoerssysteem en daarom onlosmakelijk met het landschap verbonden. In het kleien veengebied was een fijnmazig stelsel van vaarten en opvaarten aanwezig, allemaal onderdeel van het boezemsysteem waarvan ook de meren deel uitmaken. In de loop der jaren is het transport over water steeds minder belangrijk geworden en zijn vooral veel opvaarten in onbruik geraakt en van de boezem afgesloten. Vooral het noordelijk deel van het plangebied kent veel terpen. De eerste terpen werden vanaf 500 v.Chr. opgeworpen. Met de komst van de eerste dijken zo rond 1000, werden er geen nieuwe terpen meer opgeworpen. Aan het begin van de 20ste eeuw werden veel terpen (gedeeltelijk) afgegraven. De vrijgekomen grond werd o.a. gebruikt om elders de landbouwgronden te verrijken. Wons, Dedgum, Makkum en Gaast zijn voorbeelden van dorpen die ontstaan zijn op een terp.

Figuur 6.4 Typische opvaart en terpdorp

Belangrijkste kenmerken en kwaliteiten De belangrijkste kenmerken en kwaliteiten van het kleilandschap zijn:  Open en grootschalig met structurerende elementen als dijken, kwelderwallen, slenken, terpen, paden, eendenkooien, vaarten 

88\137

Onregelmatige blokverkaveling en rationele verkaveling in de droogmakerijen en de repelvormige blokverkaveling Gaast en Doniaburen

planMER buitengebied SWF

Kenmerk R002-1211027FEE-efm-V02-NL

Beplanting puntvormig geconcentreerd rondom boerderijen en dorpen en langs

hoofdontsluitingswegen Aanwezigheid van grasland in lagere delen en akker- en tuinbouw op de kwelderwallen.

Figuur 6.5 Het open kleipolderlandschap met rechts een boerenerf

Veengebied Het veengebied wordt gekenmerkt door een grootschalige openheid en weidsheid. Binnen deze weidsheid liggen puntvormige of lineaire verdichtingen zoals dorpen, gehuchten en boerderijen met erfbeplanting. Juist deze kleinschaligheid van gehuchten en dorpjes binnen het grootschalig landschap is karakteristiek voor het veengebied. Het grondgebruik bestaat voor het grootste deel uit grasland, met afwisselend water en natuur van uiteenlopende omvang. De randen van meren en vaarten worden omzoomd door brede rietkragen. De veengronden zijn ontgonnen in een opstrekkende verkaveling. Elementen en structuren De veengebieden kenmerken zich door een opstrekkende verkaveling. Deze is qua oriëntatie veelal nog goed intact, maar qua slootdichtheid sterk verschraald. Door de landinrichting zijn veel onregelmatigheden in de percelering opgeruimd. Belangrijke elementen in dit landschap zijn de oude grenzen van de ontginningsblokken. Waar ze onderdeel uitmaken van grotere vaarwegen, is hun voortbestaan meestal gewaarborgd. Maar omdat de ontginningsgrenzen vaak niet makkelijk zijn waar te nemen in het veld, dreigt het gevaar dat er bij nieuwe ontwikkelingen geen rekening wordt gehouden met deze voor het landschap belangrijke lijnen. In het landschap is het eigenlijk niet waarneembaar, op de kaart valt het pas op: de doorlopende lijnen van de ontginningen aan weerskanten van de meren.

Op sommige plekken zijn veenriviertje nog te herkennen in een oud slootrestant, dat door zijn onregelmatigheid opvalt.

planMER buitengebied SWF

89\137

Kenmerk R002-1211027FEE-efm-V02-NL

Figuur 6.6 Voorbeeld opstrekkende verkaveling in veengebied

Figuur 6.7 Het zeer open landschap in het veengebied met als groene eilanden de “beplante erven”

Het watersysteem was van oudsher het belangrijkste vervoerssysteem in het veengebied. De meren in dit gebied zijn zeer kenmerkend. Ze zijn bijna allemaal ontstaan in de Middeleeuwen als gevolg van de ontginning van het veengebied door de mens en klimaatverandering. Er is onderscheid te maken in grote open meren, zoals de Fluezen, en in kleinere meren waarvan langs de randen vaak beplanting is opgeslagen, zoals het gebied rond de Aldegeaster Brekken, Reidmar en Sipkemar. Kenmerkend zijn de zogenaamde bûtlannen. Deze bûtlannen liggen voor de boezem omgeven door een lage kade. ‘s Winters loopt een deel van deze bûtlannen onder. Vroeger als extra ruimte voor de boezem, nu ook vanwege natuurbeheer. Belangrijkste kenmerken en kwaliteiten  Grootschalige openheid en weidsheid, met een grote afwisseling tussen overwegend grasland, natuur en water van gevarieerde omvang  

Water met oeverbegroeiing (rietkragen) langs meren, vaarten en kanalen Ondergeschikte puntvormige verdichtingen (vaart)dorpen, (agrarische) bebouwing met erfbeplanting

 

90\137

Onregelmatige, opstrekkende strokenverkaveling Aanwezigheid van grasland

planMER buitengebied SWF

Kenmerk R002-1211027FEE-efm-V02-NL

Het Stuwwallandschap Het stuwwallenlandschap is door de afwisseling in reliëf een bijna on-Nederlands landschap en is als een complex van zandeilanden tussen veen en IJsselmeer te beschouwen. Samen met de afwisseling in schaal is het reliëf een belangrijk kenmerk van het stuwwallenlandschap. De schaal varieert van besloten en kleinschalig, deels half open tot open landschap met op sommige plekken grootse vergezichten op het IJsselmeer. De hogere (tot 12 m hoogte), veelal beboste delen vormen een contrast met de laaggelegen open delen, zoals de polders voor de zeedijk. In het stuwwallenlandschap is een verscheidenheid aan structurerende elementen te vinden zoals bos, houtwallen, tuunwallen, paden, kanalen en vaarten. Heel karakteristiek zijn de klifkusten, alhoewel deze met het afsluiten van het IJsselmeer minder steil zijn geworden. Verder zijn er op de hoge delen (gaasten) in het stuwwallenlandschap ook enkele esdekken aanwezig. De belangrijkste vormen van landgebruik zijn grasland, akkerbouw, bos, natuurbeheer en plaatselijk tuinbouw. In het plangebied is maar een klein deel van dit landschap aanwezig. Het betreft alleen het gebied rond Hemelum, bij Skarl (Roode klif), een langgerekt lint van Laaxum naar Warns en een gebied nabij Koudum. Het landschap is hier kleinschaliger met meer lanen, singels en bosschages.

Belangrijkste kenmerken en kwaliteiten  Kleinschalige en meer besloten karakter van bosschages, singels en lanen

Figuur 6.8 Het meer besloten landschap nabij Koudum

6.3.3

Autonome ontwikkeling

Het grootste deel van de landbouw in het plangebied is veeteelt. Een belangrijke (autonome) ontwikkeling in de veeteelt is schaalvergroting. Dit leidt tot de vraag naar grotere bouwpercelen. In het proces van schaalvergroting hebben we te maken met reguliere ontwikkelingen en schaalsprongen. Onder de reguliere ontwikkelingen verstaan we de doorgroei in kleine stappen. In ruimtelijke zin betekent dit, dat bestaande stallen en bebouwing worden uitgebreid. Een schaalsprong betekent een uitbreiding in één of meerdere grote stappen waarbij een nieuwe

planMER buitengebied SWF

91\137

Kenmerk R002-1211027FEE-efm-V02-NL

moderne ligboxenstal met bijbehorende ruwvoeropslag en werktuigenloods worden gebouwd, afgestemd op de gewenste schaalgrootte. 6.3.4

Effecten

Zoals beschreven bestaat uit plangebied uit een divers en waardevol landschap. De inpassing van nieuwe ontwikkelingen binnen de in de voorgaande paragraaf benoemde kenmerken en kwaliteiten zijn van belang voor het behoud van deze unieke landschappen. Zoals benoemd onder de autonome ontwikkeling leidt een schaalvergroting in het landschap in veel gevallen tot een negatieve beïnvloeding. Het zorgvuldiger inpassen van nieuwe ontwikkelingen en de kaders/ handreikingen die het nieuwe bestemmingsplan hiervoor biedt zijn van invloed op de beoordeling in dit MER (zie ook figuur 6.8). Dit kan zelfs leiden tot een versterking van het bestaande landschap. Naast bebouwing hebben ook ontwikkelingen zoals het samenvoegen van percelen, aanleg van wegen, et cetera invloed op de kwaliteiten van het landschap.

Figuur 6.9 Voorbeeld uit de landschapsontwikkelingsvisie Nationaal Landschap Zuidwest Fryslan

In het nieuwe bestemmingsplan heeft de grootste impact op het landschap de uitbreidingen van agrarische bedrijven binnen bestaande bouwvlakken c.q. stippen tot 1,5 hectare en de bij afwijkingsbevoegdheid geregelde uitbreiding van melkveehouderijen tot maximaal 2 hectare. Daarnaast spelen voor het landschap nog verschillende andere relevante ontwikkelingen. Deze zijn benoemd in tabel 6.1.

92\137

planMER buitengebied SWF

Kenmerk R002-1211027FEE-efm-V02-NL

Uitgangspunt van het bestemmingsplan is dat met betrekking tot het voorkomen van verrommeling van het landelijk gebied de bouw van nieuwe losstaande veestallingen dan wel agrarische loodsen moet worden voorkomen. De bestaande losstaande veestallingen worden in het plan opgenomen (zonder uitbreidingsmogelijkheden). Het gebruik beperkt zich tot agrarische activiteiten en inpandige opslag. Voor niet losstaande veestallingen geldt dat een maat van 14 meter als maximum voor de bouwhoogte worden gehanteerd. De goothoogte van agrarische bedrijfsgebouwen bedraagt 5 meter. Middels een binnenplanse afwijkingsmogelijkheid kan medewerking worden verleend voor een goothoogte tot ten hoogste 6,5 meter voor gebouwen die worden gebruikt als werktuigberging17. Deze bouwregels zijn afgestemd op de traditionele bedrijfsgebouwen in de bestemmingsplannen voor het buitengebied. De serrestal komt niet overeen met deze bouwregels. Om sturend op te kunnen treden, heeft de gemeente de mogelijkheid om voor serrestallen en boogstallen een binnenplanse afwijkingsmogelijkheid op te nemen met betrekking tot goothoogte en dakhelling. Verder geldt bij de vergroting van het bouwvlak dat om medewerking te kunnen verlenen aan een aanvraag omgevingsvergunning een landschappelijke inpassing conform de werkwijze van “De Nije Pleats” vereist is18 (zie ook kader).

Dit geldt zowel voor een partiële herziening van het bestemmingsplan tot 3 ha als voor een afwijking tot maximaal 2 ha op grond van het bestemmingsplan. Voorbeeld richtlijnen voor het veengebied uit het Werkboek de Nije Pleats:      

Zoek bij voorkeur een locatie met een bestaande boerderij Nieuwe boerderijen koppelen aan linten om de open ruimte gaaf te houden óf nieuwe boerderijen situeren op enige afstand van het lint in de opstrekkende verkaveling Afstand tot het lint is lokaal maatwerk Erfbeplanting in principe aan 3 zijden in een kantige opzet Trots van het erf uitstralen aan de wegzijde Bomen als hoofdsoort [es, els, berk, populier, wilg]. Parkbomen in de voortuin

Met een binnenplanse afwijkingsprocedure kunnen biogasinstallaties als nevenactiviteit bij alle agrarische bedrijven worden toegestaan indien de installatie is gericht op het verwerken van eigen geproduceerde mest (met eventuele toevoeging van derden afkomstige cosubstraten). In het bestemmingsplan is een aparte regeling opgenomen voor biomassa / vergistingsinstallaties zodat uit ruimtelijk oogpunt sturing aan deze ontwikkeling kan worden gegeven”.

17

Dubbellaags gebruik van dierenverblijfsplaatsen is en blijft niet mogelijk. Een in 2009 in opdracht van de provincie Fryslan ontwikkelde werkwijze om de landschappelijke inpasbaarheid van de ruimtelijke schaalvergroting in de landbouw te borgen 18

planMER buitengebied SWF

93\137

Kenmerk R002-1211027FEE-efm-V02-NL

Wat betreft kleinschalig kamperen geldt dat opschaling naar 25 kampeermiddelen alleen mogelijk is wanneer een goede landschappelijke inpassing gegarandeerd moet worden (geen gebouwde objecten zoals stacaravans en chalets). Dit geldt ook voor jachthavens en overige recreatieve ontwikkelingen. Voor werkzaamheden in het agrarisch gebied en voor het aanleggen van een waterbergingsgebied is daarnaast een omgevingsvergunning opgenomen ter bescherming van landschappelijke waarden. Conclusie De schaalvergroting die ook dit bestemmingsplan niet in de wegstaat kan bij een onzorgvuldige inpassing leiden tot een verdere achteruitgang van de kwaliteiten van het landschap. Daarom moet per opgave een zorgvuldige afweging plaatsvinden hoe een initiatief ingepast kan worden in het betreffende landschapstype rekening houdend met de specifieke kwaliteiten van de plek. In het veengebied leidt dit tot een andere afweging dan bijvoorbeeld het stuwwallandschap. Iedere opgave blijft dus maatwerk en vraagt om een nader landschappelijk inpassingsonderzoek. In het bestemmingsplan is in principe voor alle ruimtelijke ontwikkelingen die in het kader van het nieuwe bestemmingsplan worden gerealiseerd een zorgvuldige landschappelijke inpassing als voorwaarde opgenomen. Hiermee zijn landschappelijke waarden in het gebied geborgd. Het effect is neutraal (0).

6.4 6.4.1

Cultuurhistorie, archeologie en aardkunde Cultuurhistorie (historische geografie en historische stedenbouw)

De gemeente Súdwest-Fryslân heeft een rijke cultuurhistorische geschiedenis. Het buitengebied kent een lange historie, heeft een fraai landschap en bijzondere gebouwen. Voor het behoud en ontwikkeling van dit erfgoed heeft de gemeente Súdwest-Fryslân de Erfgoedvisie opgesteld. De gemeente ligt in een cultuurlandschap dat grotendeels is aangewezen als Nationaal Landschap. In het gebied is een groot aantal terreinen met archeologische waarde aanwezig, die nationaal erkend zijn. Op het gebied van gebouwd erfgoed is het de grootste monumentengemeente in de provincie Friesland en landelijk de grootste op het gebied van beschermde stads- en dorpsgezichten. Op grond van de bekende en te verwachten cultuurhistorische waarden is de provinciale cultuurhistorische kaart (CHK) opgesteld. Op deze kaart staan ook de bekende en te verwachten cultuurhistorisch waarden binnen Súdwest-Fryslân aangegeven. De CHK bestaat uit meerdere lagen waarin informatie over de cultuurhistorische waarden wordt verstrekt. De CHK dient als beleidsinstrument om beslissingen te kunnen nemen ten aanzien van bekende en te verwachten cultuurhistorische waarden. De kaart is daarmee de onderlegger voor het beleid in de erfgoednota geformuleerde beleid.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13085893/4