CConstaterende datSúdwest-Fryslân
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 10 - Bijlage bij toelichting BGB-I - planMER

Raadsvergadering 28 september 2023, gemeente Súdwest-FryslânBij agendapunt: Bestimmingsplan ‘Buitengebied Súdwest-Fryslân I’25.829 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

welke (op onderdelen) doorvertaling kan krijgen in het

Beleidsnotitie Intensieve veehouderij

Een heroverweging van het provinciale beleid voor intensieve

bestemmingsplan

veehouderij betreft waarbij nieuwe randvoorwaarden worden gesteld

Beleidsstukken lokaal niveau Visie Ruimtelijke kwaliteit

Relevantie Deze visie vormt een doorvertaling van de landschapsvisie Nationaal landschap Zuidwest-Fryslân. De visie vormt een basis voor andere sectorale beleidsvisies en andere ruimtelijke plannen, zoals gebiedsvisies, bestemmingsplannen. De visie zal daarnaast dienen als één van de toetsingskaders bij concrete initiatieven.

planMER buitengebied SWF

33\137

Kenmerk R002-1211027FEE-efm-V02-NL

Gemeentelijke geurverordening

In de geurverordening is bepaald wat de maximale waarde voor de geurbelasting in het buitengebied van de gemeente SúdwestFryslân.

Visie Toerisme en Recreatie

Het landelijk gebied mede gebruikt wordt voor recreatie en het bestemmingsplan hier ook ontwikkelingsmogelijkheden in biedt.

Erfgoedvisie en –nota en

Geeft de visie en missie op behoud en ontwikkeling van het

Erfgoedverordening

erfgoed weer en de richtlijnen voor onderzoek bij nieuwe ontwikkelingen

Gemeentelijk verkeer- en vervoerplan

Hierin het gemeentelijk beleid voor verkeer en

Uitgangspunten notitie voor dit

Inhoudelijk verder uitgewerkt in paragraaf 3.3 waarnaar wordt

bestemmingsplan

verwezen

verkeersveiligheid staat beschreven.

34\137

planMER buitengebied SWF

Kenmerk R002-1211027FEE-efm-V02-NL

3 Onderzochte alternatieven en beoordelingsmethodiek Kern van elk MER is de vergelijking van één of meer alternatieven met een referentiesituatie op verschillende (milieu-) aspecten. Dit hoofdstuk beschrijft de onderzochte varianten en de wijze waarop de verschillende varianten ontwikkeld zijn en met de referentiesituatie vergeleken worden (beoordelingskader en methodiek).

3.1

Alternatievenontwikkeling en –beoordeling

Wettelijk onderdeel van een milieueffectrapport is de ontwikkeling van alternatieven, het bepalen van de effecten van die alternatieven en de vergelijking van de effectresultaten. In dit milieueffectrapport worden de effecten van de verschillende functies aan de hand van verschillende alternatieven in beeld gebracht. Kwantitatieve benadering De alternatievenontwikkeling en –beoordeling vindt plaats in twee stappen. De eerste stap bestaat uit een kwantitatief onderzoek naar stikstofemissie en stikstofdepositie (hoofdstuk 4)4. In deze stap worden drie alternatieven uitgewerkt. Allereerst wordt de huidige situatie in beeld gebracht (zoals beschreven in paragraaf 3.2.1). Hiermee worden de effecten van de andere alternatieven vergeleken. Vervolgens wordt een Worstcase alternatief opgesteld (zoals beschreven in paragraaf 3.2.2). Dit alternatief bestaat uit maximale ontwikkelruimte voor (agrarische) functies zoals opgenomen in het voorontwerp van dit ruimtelijk plan. Indien uit de emissieberekeningen blijkt dat dit alternatief leidt tot een toename van de depositie op stikstofgevoelige natuurgebieden, vindt aanvullend onderzoek plaats om te bepalen welke beperkingen noodzakelijk zijn om dergelijke effecten te voorkomen.

De noodzakelijke maatregelen zoals die uit dit onderzoek voortvloeien liggen uiteindelijk aan de basis van het planalternatief zoals dat in het bestemmingsplan zal worden verwerkt en doorgevoerd. Kwalitatieve effectbeoordeling De tweede stap in het MER bestaat vervolgens uit een kwalitatieve effectbeoordeling van het worst case alternatief op de alle overige aspecten die benoemd worden in paragraaf 3.4.1. Voor het aspect natuur vindt deze effectbeoordeling plaats in hoofdstuk 5, voor de overige aspecten in hoofdstuk 6. Het worst case alternatief wordt daarbij vergeleken met de huidige situatie.

4

In hoofdstuk 6 wordt hier aansluiting op gezocht bij het vaststellen van mogelijke geurhinder.

planMER buitengebied SWF

35\137

Kenmerk R002-1211027FEE-efm-V02-NL

Ook voor geur wordt het worst case alternatief vergeleken met de huidige situatie, alleen dan grotendeels op basis van een berekening van de maximaal mogelijke achtergrondbelasting.

3.2

Te onderzoeken alternatieven:

In dit MER zijn de effecten van de verschillende functies in beeld gebracht voor drie alternatieven: de huidige situatie (alternatief 1), de worstcase (alternatief 2) en het planalternatief (alternatief 3). In deze paragraaf worden deze alternatieven toegelicht globaal toegelicht. In hoofdstuk 4 worden de details van de opgestelde alternatieven voor het stikstofonderzoek nader toegelicht. 3.2.1

Alternatief 1: Referentiesituatie

De referentiesituatie bestaat in principe uit de huidige situatie inclusief autonome ontwikkelingen. Dit alternatief is de situatie die in de toekomst ontstaat als het nieuwe bestemmingsplan niet wordt gerealiseerd. De effecten van de andere alternatieven worden hier mee vergeleken; in hoofdstuk 4 van het MER wordt een onderscheid aangebracht tussen de referentiesituatie vanuit de Wet natuurbescherming en de referentie situatie vanuit de Wet milieubeheer. In dit stadium is deze nuancering nog niet aan de orde. 3.2.2

Alternatief 2: Worstcase

Naast het in beeld brengen van de referentiesituatie, wordt als eerste alternatief de worstcasesituatie in beeld gebracht. Het gaat dan om de maximale invulling van de ontwikkelmogelijkheden die het nieuwe bestemmingsplan Buitengebied Súdwest-Fryslân 2017 mogelijk maakt (zie paragraaf 3.3). Het gaat om het benutten van alle ontwikkelmogelijkheden van het ontwerpbestemmingsplan zonder dat verdergaande (technische) emissie reducerende maatregelen worden ingezet door het bevoegd gezag of de ondernemers. Nog los van de bestemmingsplan technische maatregelen is eerst vastgesteld of deze worstcase binnen de milieugebruiksruimte past en of deze worstcase voldoende realiteitswaarde heeft. De overige ontwikkelingen, zoals die omtrent verbreding van de landbouw en kwaliteitsslagen binnen de recreatieve sector, zijn niet via alternatieven beschouwd. Van deze ontwikkelingen zal een inschatting van de (milieu)gevolgen worden gegeven als hier maximaal op wordt ingezet (worstcase). 3.2.3

Alternatief 3: Het planalternatief

Het planalternatief bestaat uit de mogelijkheden die worden geboden in het voorliggende bestemmingsplan Buitengebied Súdwest-Fryslân 2017 (zie paragraaf 3.3). Het verschil met het worstcase scenario (alternatief 2) is de toevoeging van een specifiek gebruiksverbod (emissieplafond) in de planregels van het bestemmingsplan Buitengebied. Door dit emissieplafond te hanteren zijn emissietoenames vanuit het plangebied uitgesloten, net als een daaruit voortvloeiende toename van de depositie. Hiermee wordt zeker gesteld dat uitvoering van

36\137

planMER buitengebied SWF

Kenmerk R002-1211027FEE-efm-V02-NL

het bestemmingsplan voor wat betreft stikstof niet leidt tot significant negatieve effecten op (omliggende) Natura 2000-gebieden.

3.3

Mogelijkheden van het bestemmingsplan

Bij de beoordeling van het planalternatief ten opzichte van de huidige situatie op de overige aspecten (hoofdstuk 6) wordt uitgegaan van de uitgangspunten zoals de gemeente SúdwestFryslân heeft vastgelegd in een uitgangspuntennotitie Buitengebied Súdwest-Fryslân. De uitgangspuntennotitie Buitengebied Súdwest-Fryslân is op 21 juni 2012 vastgesteld door de raad. De uitgangspunten zijn weergegeven in onderstaande tabel 3.1. Voor het buitengebied van Súdwest-Fryslân ligt het accent op het waarborgen van de kernkwaliteiten van het buitengebied. Daarbij worden voor landbouw en recreatie ontwikkelingskansen geboden. Tabel 3.1 Overzicht uitgangspunten bestemmingsplan Buitengebied Súdwest-Fryslân 2017

Onderwerp

Uitgangspunt

Agrarisch

Bij recht krijgen bestaande grondgebonden agrarische bedrijven een erf met een oppervlakte van 1,5 ha. Het is toegestaan om ongebruikte ruimte te benutten op de bestaande bouwvlakken c.q. stippen. Middels een afwijking bestaat de mogelijkheid de ontwikkelingsmogelijkheden voor grondgebonden agrarische bedrijven te vergroten tot maximaal 2 hectare5 Agrarische ontwikkelingsmogelijkheden voor niet grondgebonden agrarische bedrijven (intensieve veehouderijen): worden in principe bebouwingsmogelijkheden geboden tot een maximum van 1,5 hectare Bij een bestaand grondgebonden agrarisch bedrijf is (als neventak) vestiging van een niet-grondgebonden tak mogelijk met een oppervlakte van maximaal 500 m² De bouw van nieuwe losse veestallingen dan wel agrarische loodsen is niet mogelijk. De bestaande losse veestallingen worden in het plan opgenomen (zonder uitbreidingsmogelijkheden) Aan nieuwe agrarische bebouwing worden qua maatgeving eisen gesteld. De maximale bouwhoogte is 14 meter. De goothoogte van agrarische bedrijfsgebouwen bedraagt maximaal 4,5 meter. Middels een binnenplanse afwijkingsmogelijkheid kan medewerking worden verleend

5 In het nieuwe bestemmingsplan Buitengebied krijgt het erf dezelfde bestemming als het productiegebied zodat het erf indien gewenst met een afwijking kan worden vergroot tot maximaal 2 hectare. Hierbij wordt wel gewerkt met flexibele plangrenzen voor uitbreiding. De zogenaamde stippen. Het totaal aangesloten oppervlak mag echter de 2 ha niet overstijgen.

planMER buitengebied SWF

37\137

Kenmerk R002-1211027FEE-efm-V02-NL

Onderwerp

Uitgangspunt voor een goothoogte tot ten hoogste 6,5 meter. De bouwregels zijn afgestemd op de traditionele bedrijfsgebouwen in de bestemmingsplannen voor het buitengebied (niet voor losse veestallingen). De serrestal komt niet overeen met deze bouwregels. Om sturend op te kunnen treden, heeft de gemeente de mogelijkheid om voor serrestallen een binnenplanse afwijkingsmogelijkheid op te nemen met betrekking tot goothoogte en dakhelling.

Glastuinbouw

Glastuinbouw heeft de mogelijkheid uit te breiden binnen de bouwvlakken met de bestemming glastuinbouw.

Duurzame energie

Middels een binnenplanse afwijkingsprocedure kunnen biogasinstallaties als nevenactiviteit bij alle agrarische bedrijven worden toegestaan indien de installatie is gericht op het verwerken van bedrijfseigen mest

Woningbouw

Per agrarisch bedrijf mag één bedrijfswoning gerealiseerd worden, met een maximaal grondoppervlak van 150 m2 inclusief bijgebouwen en een maximale bouwhoogte en goothoogte van respectievelijk 10 en 4 meter Ruimte voor ruimte regeling, waarbij een nieuwe woning (direct aansluitend aan de bebouwde kom) gerealiseerd mag worden als minimaal 1.000 m2 beeldverstorende bebouwing of 3.000 m2 kassen worden geamoveerd

Overig

Paardenbakken mogen aangelegd worden binnen de agrarische bestemming maar hieraan worden wel voorwaarden gesteld (o.a. afstand tot het eigen erf en erf derden, oppervlakte en lichtmasten)

Functiewijziging en nevenactiviteiten

Functiewijziging naar niet-agrarische functies wordt mogelijk gemaakt onder enkele voorwaarden waarbij onderscheid wordt gemaakt naar de woonfunctie, zelfstandige (bedrijfsmatige) activiteiten en detailhanden & horeca. Voorkeur gaat uit naar uitbreiding van bestaande kampeerterreinen zonder dat nieuwe kampeerterreinen in of aansluitend op een stedelijk centrum, een regionaal centrum of een recreatiekern worden uitgesloten. Buiten de genoemde centra/kernen kan alleen het kleinschalig kamperen worden gefaciliteerd (zie volgende bullet). Verdere uitbreiding alswel de realisatie van nieuwe reguliere kampeerterreinen die niet aansluiten bij een (stedelijke of recreatieve kern) wordt niet wenselijk geacht.

Recreatie

Bij (voormalig) agrarisch bedrijven is het mogelijk om (aansluitend) op het erf kleinschalig kamperen toe te staan (maximaal 25 standplaatsen), een haventje voor maximaal 25 ligplaatsen of maximaal 10 trekkershutten. Voorkeur gaat uit naar uitbreiding van bestaande kampeerterreinen zonder dat nieuwe kampeerterreinen in of aansluitend op een stedelijk centrum,

38\137

planMER buitengebied SWF

Kenmerk R002-1211027FEE-efm-V02-NL

Onderwerp

Uitgangspunt een regionaal centrum of een recreatiekern worden uitgesloten. Buiten de genoemde centra/kernen kan alleen het kleinschalig kamperen worden gefaciliteerd (zie volgende bullet). Verdere uitbreiding alswel de realisatie van nieuwe reguliere kampeerterreinen die niet aansluiten bij een (stedelijke of recreatieve kern) wordt niet wenselijk geacht

Het nieuwe bestemmingsplan voor het buitengebied maakt het volgende expliciet niet mogelijk:  vestiging van nieuwe (niet) grondgebonden landbouw 

het oprichten van nieuwe kleine windturbines

Biogasinstallaties als nevenactiviteit In het planMER zijn de milieueffecten van (kleinschalige) mestbewerking in de vorm van biogasinstallaties niet meegenomen in de modellering van de stikstofeffecten (zie hoofdstuk 4). Hieronder wordt toegelicht waarom. Bij mestbewerking6 is er niet of nauwelijks sprake van een (langdurige) open mestopslag omdat de vrijkomende mest op locatie bewerkt wordt. Op een bedrijf dat een dergelijke kleinschalige mestbewerkingsinstallatie in gebruik neemt mag ervan uit gegaan worden dat de geproduceerde mest binnen een dag wordt bewerkt in de installatie. Daarmee worden de hoogste rendementen gehaald. In tegenstelling tot een mestsilo (die uitgaan van atmosferische opslag7) komen er uit een mestvergistingsinstallatie per definitie geen emissies vrij (want daarmee zou het geproduceerde biogas verloren gaan). Op grond daarvan kan de conclusie getrokken worden dat bij de kleinschalige mestbewerkingsinstallatie op locatie waar het hier om gaat, er intrinsiek sprake is van een (mogelijk sterke) emissiereductie ten opzichte van de huidige situatie. Echter, deskundigen zijn het er niet over eens hoeveel reductie er aan een dergelijk systeem toe te rekenen kan zijn. In de praktijk worden emissiereducties aangehaald die liggen tussen de 30 en 70 %.

Daar komt bij dat er in de Rav (Regeling ammoniak en veehouderij) (nog) geen stalsystemen zijn opgenomen die uitgaan van een dergelijk systeem. De emissie kengetallen voor stallen waar in het MER van uit wordt gegaan zijn allemaal terug te voeren op de wettelijke grondslag die de Rav aanbiedt. 6 Onder mestbewerking verstaan we technische handelingen met mest, waaruit mestproducten voortkomen die in de Nederlandse landbouw worden afgezet (voorbeelden: mestscheiding en mestvergisting). 7 Bij atmosferische opslag geldt dat de druk in de silo gelijk is aan de druk in de atmosfeer buiten. Om dit te kunnen realiseren is er bij een dergelijk systeem altijd sprake van uitwisseling van de lucht in de silo met de buitenlucht. Alleen als hier een technische voorziening op wordt geplaatst die deze luchtstroom zuivert van ongewenste componenten, kan een atmosferische opslag emissie-vrij gemaakt worden. Omdat een dergelijke voorziening nooit wordt aangebracht op een mest-silo moet er bij een mest-silo rekening gehouden worden met emissies vanuit de mest-opslag

planMER buitengebied SWF

39\137

Kenmerk R002-1211027FEE-efm-V02-NL

De mogelijkheden die het plan in Súdwest-Fryslân biedt met betrekking tot mestbewerking zullen zorgen voor een vermindering van de gebiedsemissie. Echter, het uitbreiden van de modellering van het voornemen met de effecten die zijn toe te rekenen aan de mogelijkheden die het plan biedt om de eigen mest te bewerken kan (nog) niet worden uitgevoerd op basis van emissie kengetallen die op onafhankelijke wijze zijn vastgesteld. De emissiereductie die er aan toegekend zou worden staat dus per definitie ter discussie. Afgezien van het bovenstaande is er jurisprudentie over het betrekken van effecten van mestbewerking (cq mestvergisting) in passende beoordelingen. Zie meer daarover in paragraaf 4.1.1.

3.4

Beoordelingsmethodiek

3.4.1

Beoordelingscriteria

De alternatieven worden op diverse thema’s vergeleken. Deze te beschouwen thema’s en de bijbehorende beoordelingsaspecten en -criteria staan weergegeven in onderstaande tabel 3.2. Tabel 3.2 Beoordelingscriteria per aspect

Functie / thema

Relevante te beschouwen

Beoordelingscriteria

aspecten 

Landbouw (veehouderijbedrijven)

(Verblijfs)recreatie

van de ecologische verscheidenheid

Werken / wonen

(Natura2000-gebieden, Beschermde

Overige thema’s

Natuur

Behoud en waar mogelijk versterking

natuurmonumenten, EHS en soorten) 

Landschap

Behoud en waar mogelijk versterking van de landschappelijke identiteit en verscheidenheid in de verschillende deelgebieden, zowel visueel-ruimtelijk als cultuurhistorisch gezien. Behoud en herstel van archeologische

Cultuurhistorie, archeologie gebieden, cultuurhistorische waarden, en aardkunde

structuren en clusters en aardkundige waarden. Behoud, herstel en ontwikkeling van

Water en bodem

het bestaande watersysteem, mede in relatie tot het vasthouden en bergen van gebiedseigen water. Zo veel mogelijk vasthouden van gebiedseigen

40\137

planMER buitengebied SWF

Kenmerk R002-1211027FEE-efm-V02-NL

Functie / thema

Relevante te beschouwen

Beoordelingscriteria

aspecten water, terugdringen van verdroging en het bereiken van de algemene waterkwaliteit Verslechteringen situaties op het 

Woon- en leefmilieu

gebied van geluid, geur en luchtkwaliteit. Kwalitatieve beschouwing effecten van veehouderijen op gezondheid (luchtkwaliteit, geur en zoönosen8). Toename / afname hinder, knelpunten

3.4.2

Verkeer

binnen verkeersstructuur

Effectwaardering

De te verwachte effecten worden per aspect in tabellen gewaardeerd (gescoord). Hierbij worden de volgende waarderingen onderscheiden: Tabel 3.3 Effectwaardering

Symbool

Betekenis

-

Negatief effect

0/-

Licht negatief effect

0

Geen effect (neutraal)

0/+

Licht positief effect

+

Positief effect

8

Een zoönose is een ziekte die kan worden overgedragen van dieren op mensen, denk aan Q-koorts of MRSA

planMER buitengebied SWF

41\137

Kenmerk R002-1211027FEE-efm-V02-NL

4 Onderzoeksaanpak stikstof Het onderzoek naar de verzurende en eutrofierende werking van stikstof richt zich in eerste instantie op de emissies vanuit het gebied. Op basis van de uitkomsten van de (ruimtelijke) afwegingen die op basis van dat vooronderzoek tot stand zijn gekomen is gekomen tot een set maatregelen die er ten eerst op zijn gericht om de kwaliteit van de natuur in de omgeving te beschermen. Maar er is ook gezocht naar het bieden en borgen van de ruimtelijke mogelijkheden die in het kader van het Programma Aanpak Stikstof (PAS) bestaan.

4.1

Gebiedsgerichte benadering

Het onderzoek wordt uitgevoerd in het kader van een ruimtelijk plan. Dit betekent dat de effecten op ‘strategisch niveau’ duidelijk moeten worden. Dit vraagt om een gebiedsgerichte benadering passend bij het abstractieniveau van het te nemen ruimtelijk besluit. In bijlage 5 is een algemene omschrijving van de gehanteerde stikstofonderzoeksmethodiek opgenomen. 4.1.1

Algemene toelichting op de methodiek

Om een gebiedsgericht onderzoek efficiënt in te kunnen richten, is het noodzakelijk om een zekere standaardisering aan te brengen (zie ook bijlage 5). De bronsterkte voor stikstofemissies vanuit het gebied wordt bepaald door het staltype9 en het aantal dierplaatsen. Het aantal dierplaatsen wordt grotendeels bepaald door de beschikbare omvang van het bouwvlak. Mestvergisting Biogasinstallaties als nevenactiviteit zijn bij alle agrarische bedrijven toegestaan indien de installatie is gericht op het verwerken van eigen geproduceerde mest (met eventuele toevoeging van derden afkomstige cosubstraten). Het betreft daarmee het lokaal bewerken van de vrijkomende mest. Jurisprudentie10 leert dat het gebruik van dergelijke mestvergistingsinstallaties ten behoeve van het eigen agrarische bedrijf niet betrokken hoeven te worden in planMER’s en de Passende beoordelingen omdat het een ondergeschikt onderdeel van de agrarische bedrijfsvoering is dat niet afzonderlijk behoeft te worden onderzocht. Ook omdat de inzet van een dergelijke installatie naar verwachting voor een afname van de bedrijfsemissies11 zal zorgen is deze ontwikkeling niet meegenomen in de gebiedsgerichte modellering. 9

De emissies vanuit de verschillende staltypes staan vastgelegd in de Rav, alleen deze kentallen zijn gebruikt RvS-uitspraak “Buitengebied” van de gemeente Oisterwijk”, 14 augustus 2013 / ECLI:NL:RVS:2013:697 11 Door de snelle verwerking van mest in een vergister wordt de emissie verlaagd; deze effecten zijn nog niet in een Rav-emissiefactor verdisconteerd. Dit betekent dat de nu berekende gebiedsemissie een overschatting is van de werkelijke situatie 10

42\137

planMER buitengebied SWF

Kenmerk R002-1211027FEE-efm-V02-NL

4.1.2

Vaststellen van de referentie situatie

De basis van het model is de inventarisatie van de vergunningendossiers zoals die bij de omgevingsdienst bekend zijn. Met de dossierkennis van het team Toezicht en Handhaving worden deze basis set gecorrigeerd om zo veel mogelijk aan te sluiten bij de huidige feitelijke situatie. Wat resteert zijn de bouwvlakken voor veehouderijen, totaal 401 bouwvlakken. In het model zijn hier de emissiegegevens uit het inrichtingenbestand (vergunde/gemelde dieraantallen/diercategorieën/stalsystemen) aan gekoppeld. Dit is het uitgangspunt geweest voor de uitgevoerde berekeningen. Het resultaat van deze opgeschoonde lijst is opgenomen in bijlage 6 – met de aanduiding “inventarisatie o.b.v. vergunningen”. Deze data set zou een gebiedsemissie opleveren van 682.347 kg/jaar. De gegevens in deze dataset zijn vervolgens gecorrigeerd voor de grenswaarden uit het “oude” Besluit huisvesting. Deze grenswaarden hadden namelijk al gerealiseerd moeten zijn. Om te kunnen voldoen aan de gangbare omschrijving van de referentie situatie (i.c. de huidige feitelijke, planologisch juridisch legale situatie) is deze correctie uitgevoerd. Tegelijk met de correctie voor de grenswaarden uit het oude Besluit Huisvesting is een correctie gemaakt voor de per 1 augustus 2015 bij recht doorgevoerde aanpassingen van de emissiefactoren voor de veehouderij.

De belangrijkste aanpassing waar voor is gecorrigeerd is de verhoging van de emissies uit een gangbare melkveestal, melkkoeien (A1.100) van 9,5 naar 13 kg/jaar en jongvee (A3.100) van 3,9 naar 4,4 kg/jaar. Zoals weergegeven in hoofdstuk 2 (tabel 2.1) is een correctie van de dieraantallen naar de meitellingen van het CBS in dit geval niet opportuun. In bijlage 6 wordt de huidige situatie in detail gerapporteerd. In bijlage 6 worden de onderstaande stappen doorlopen:  Aantal dieren per m2 wordt bepaald voor alle soorten die vergund zijn  

Het aantal dieren wordt gecorrigeerd De emissiefactor wordt gecorrigeerd voor het ‘oude’ Besluit Huisvesting

Maximale groei wordt uitgerekend door de bebouwing op te rekken tot het gekozen scenario in combinatie met de gekozen vulgraad; hier komt een emissie-vracht uit voort in combinatie met het daarbij behorende aantal dieren

Bij berekening worst case wordt, indien aan de orde, de geïnventariseerde emissie naar beneden bijgesteld voor de grenswaardes uit het Besluit emissiearme huisvesting

planMER buitengebied SWF

43\137

Kenmerk R002-1211027FEE-efm-V02-NL

4.1.3

Kenmerken van de bouwvlakken

Op basis van de beschikbare informatie is een grafische analyse gemaakt van de omvang van de bouwvlakken zoals die nu bij recht bestaan. Deze is weergegeven in onderstaande grafieken. Opgemerkt wordt dat in de huidige situatie de ruimte die beschikbaar is binnen de bouwvlakken nog niet volledig is benut. Zoals in bijlage 5 is onderbouwd is een maximaal haalbare vulgraad voor een intensieve veehouderij ongeveer 50 %. Dat dit binnen dit plangebied ook de praktijk is valt af te lezen uit de onderstaande staafdiagrammen. Het uitgangspunt voor de maximaal haalbare vulgraad is op basis van empirisch verkregen eigen data vastgesteld op 50 %. Dit kan gezien worden als een realistisch maximum. Deze aanname is ook getoetst bij de sector zelf (i.c. LTO). Bevestigd is dat een verdergaande vulgraad in feite onverantwoord is omdat er dan te veel concessies moeten worden gedaan aan de bereikbaarheid en de brandveiligheid.

44\137

planMER buitengebied SWF

Kenmerk R002-1211027FEE-efm-V02-NL

Vooral ook omdat silo’s binnen het bouwvlak gerealiseerd moeten worden zal met name bij de grondgebonden veehouderij (GG) het deel van het bouwvlak waar dierverblijven (kunnen) staan veel minder zijn. In bijlage 5 wordt nader onderbouwd dat voor een perceel met een grondgebonden melkveehouderij de maximaal mogelijke bebouwingsgraad veel eerder uitkomt op 20 % (zie figuur 4, bijlage 5). Dat dit in deze gemeente ook de praktijk is valt af te lezen uit de onderstaande staafdiagrammen. Als dergelijke silo’s, onder voorwaarden, ook buiten het bouwvlak gebouwd mogen worden dan zou voor de melkveehouderij 50 % ook het realistisch maximum zijn. Maar omdat deze mogelijkheid in dit plangebied niet wordt geboden is voor de melkveehouderij een maximale vulgraad van 20 % aangehouden. Opgemerkt wordt dat de gebruikte maximale vulgraadpercentages in feite aan de hoge kant zijn voor een bouwvlak dat zich bevindt in een historisch landschap. In een dergelijke omgeving zijn de eigenschappen van het omringende landschap mede bepalend voor de plaats en de vorm van het bouwvlak. Hierdoor is een optimale benutting van het beschikbare oppervlak vaak minder goed mogelijk. Als er in de berekeningen toch wordt uitgegaan van 50 % respectievelijk 20 %, is er sprake van een maximaal effect op emissies, en dus ook op depositie vanuit de dierverblijfplaatsen.

planMER buitengebied SWF

45\137

Kenmerk R002-1211027FEE-efm-V02-NL

46\137

planMER buitengebied SWF

Kenmerk R002-1211027FEE-efm-V02-NL

4.2

Referentiesituatie

In dit MER wordt invulling gegeven aan de vereisten die voortvloeien uit de Wet milieubeheer en de Wet natuurbescherming. De referentiesituaties die gehanteerd worden voor de effectbeschouwingen zijn echter voor beide kaders verschillend. Hieronder wordt aangegeven op welke wijze dit onderscheid in het MER wordt ingevuld. 4.2.1

Referentie vanuit de Wet natuurbescherming

Vanuit de directe en indirecte kaders die worden gesteld vanuit de (jurisprudentie met betrekking tot de) Wet natuurbescherming zijn de uitgevoerde inventarisaties erop gericht om de voorgenomen activiteit te kunnen vergelijken met het ‘huidig gebruik’. De basis voor de bepaling van het huidige gebruik in dit MER zijn de vergunningen geweest zoals die staan geregistreerd bij de gemeente. Het betreft een interne gemeentelijke inventarisatie uit 2015 die in 2017 is geactualiseerd. In de onderstaande figuur is verder toegelicht hoe de oorspronkelijke data zijn bewerkt om tot een valide referentie te kunnen komen.

planMER buitengebied SWF

47\137

Kenmerk R002-1211027FEE-efm-V02-NL

Vaststellen van de referentie situatie Wet natuurbescherming (Wnb) Inventarisatie van de vergunningen

Correctie door handhaving voor feitelijke werkelijkheid

Correctie voor grenswaarde uit "oude" besluit huisvesting op emissie factoren

Correctie op dieraantallen via meitellingen gerapporteerd door het CBS

Referentie situatie voor de Wnb: de feitelijk huidige planologisch juridisch legale situatie

Figuur 4.1 Toelichting op het vaststellen van de referentie situatie vanuit de Wet natuurbescherming

Op basis van de geregistreerde gebruiksgegevens is een eerste gebiedskaart gemaakt. Deze is vervolgens gecorrigeerd naar de feitelijke situatie, gebruik makend van de gebiedskennis zoals die bij de handhavers beschikbaar is. Na de boven aangegeven correcties is vastgesteld dat de gebiedsemissie ten opzichte waarvan in de Passende beoordeling getoetst wordt ruim 682.347 kg/jaar is.12 Daarmee is bewerkstelligd dat deze referentiesituatie zo goed als mogelijk overeenkomt met de definitie van ‘huidig gebruik’ zoals die voortkomt uit de Wet natuurbescherming. Het gaat dus om de feitelijke situatie op het moment van publicatie van het ontwerpbestemmingsplan.

12

48\137

De vergunde gebiedsemissie is hoger, namelijk meer dan 732.116 kg/jaar.

planMER buitengebied SWF

Kenmerk R002-1211027FEE-efm-V02-NL

Figuur 4.2 Resultaten van de gebiedsgerichte modelleringen van het huidig gebruik met een gebieds emissie vanuit de melkveehouderij en de intensieve veehouderij, zoals berekend met Aerius (na correctie voor onder andere de meitellingen)

4.2.2

Referentie vanuit de Wet milieubeheer (Wm): de Autonome Ontwikkeling

Vanuit de eisen die de Wet milieubeheer aan een MER stelt wordt de voorgenomen activiteit vergeleken met de Autonome Ontwikkeling. Daarvoor geldt dat in eerste instantie de huidige situatie in het referentiejaar 2017 beschreven moet worden en vervolgens de te verwachte autonome ontwikkelingen. Het gaat om de ontwikkelingen die voortkomen uit autonoom (reeds vastgesteld) beleid. De referentiesituatie13 bestaat uit:  

De huidige feitelijke situatie (vertrekpunt is geweest alle vergunde activiteiten die zijn gerealiseerd, uitgezonderd illegale activiteiten) De toekomstige zekere ontwikkelingen binnen en buiten het plangebied: dit zijn bestemde en vergunde activiteiten die zeker binnenkort ingevuld worden

13 Bron van deze opsomming is de Factsheet Referentiesituatie in MER voor bestemmingsplan van de Commissie voor de m.e.r. van 29 mei 2012

planMER buitengebied SWF

49\137

Kenmerk R002-1211027FEE-efm-V02-NL

Generieke, planoverstijgende ontwikkelingen, zoals normen die voortvloeien uit het strikt handhaven van het Besluit emissiearme huisvesting (voor veehouderij) of het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit

Figuur 4.3 Toelichting op de manier waarop de referentie situatie vanuit de Wm is vastgesteld

Vanuit het ruimtelijk spoor zijn er geen relevante autonome ontwikkelingen waar rekening mee gehouden moet worden. Vanuit de sectorale wetgeving is die er wel. Het Besluit emissiearme huisvesting schrijft namelijk voor dat de ammoniakemissies voor een aantal hoofdcategorieën dieren aan de grenswaardes uit het Besluit moeten voldoen. Voor deze diergroepen zijn daartoe een aantal emissiegrenswaarden vastgesteld zonder dat is voorgeschreven met welke middelen deze grenswaarden gehaald dienen te worden. Op grond van het Besluit emissiearme huisvesting mogen alleen nog huisvestingssystemen met een emissiefactor die lager is dan of gelijk is aan de maximale emissiewaarde, toegepast worden. Als op alle bestaande stallen de vanuit het Besluit emissiearme huisvesting opgelegde maatregelen worden geïnstalleerd om te kunnen voldoen aan de grenswaarden zonder dat er sprake is van groei van de dierstapel, dan zal de gebiedsemissie dalen met ongeveer 3 % tot 662.446 kg/jaar. De depositie op de omgeving neemt in de autonome ontwikkeling dus ook iets af ten opzichte van de huidige situatie. Dit is het resultaat van de emissiebeperkende maatregelen die vanuit het nieuwe besluit huisvesting genomen zullen moeten worden.

4.3

Worstcase alternatief: maximale ontwikkelmogelijkheden landbouwsector

Vervolgens wordt vastgesteld wat het maximaal mogelijke effect kan zijn vanuit het buitengebied van de gemeente Súdwest-Fryslân 2017 (‘worstcase’). Dat is gedaan door uit te gaan van de uitgangspunten en randvoorwaarden uit het ontwerp bestemmingsplan zoals die staan samengevat in paragraaf 3.3. Daarbij is de inzet van emissiebeperkende maatregelen beperkt tot de nieuw te bouwen dierenverblijfplaatsen conform het Besluit emissiearme huisvesting.

50\137

planMER buitengebied SWF

Kenmerk R002-1211027FEE-efm-V02-NL

Voor het maximaal opvullen van elk bouwvlak is daarbij uitgegaan van de maximale toename die nog past binnen de planologische randvoorwaarden. Zo geldt bijvoorbeeld (op basis van provinciaal beleid) dat binnen gebouwen ten hoogste één bouwlaag mag worden gebruikt voor het houden van dieren. Op basis van de in bijlage 5 onderbouwde maximale vulgraad van 50% is een worst case gebiedsemissie berekend van 1.404.056 kg/jaar Het effect van deze toename op de depositie staat weergegeven in de onderstaande figuur.

Figuur 4.4 Verschil van de depositie vanuit het worstcase gebruik van de huidige bouwvlakken ten opzichte van de huidige situatie (dus groei zonder het aanpassen van de emissie-factoren)

4.4

Planalternatief

Omdat er in de worstcase sprake blijkt te zijn van significant negatieve effecten op in (de omgeving van) het plangebied aanwezige Natura 2000-gebieden, worden, als onderdeel van de Passende beoordeling, maatregelen onderzocht die kunnen voorkomen dat er sprake zal zijn van dergelijke ongewenste effecten.

planMER buitengebied SWF

51\137

Kenmerk R002-1211027FEE-efm-V02-NL

4.4.1

Planologisch slot op de muur

In eerste instantie is onderzocht wat de effecten zouden kunnen zijn van het aanbrengen van een planologisch slot-op-de-muur. Een dergelijk slot-op-de-muur heeft gevolgen voor de omgeving, maar vooral voor de bedrijfsvoering. Het eindbeeld kan langs drie sporen worden bereikt: 

Fixeren van de harde veestalmuren op de nu geldende situatie

 

Fixeren van het aantal dieren dat wordt gehouden Fixeren van de emissie / depositie op de nu geldende situatie

Opgemerkt wordt dat in alle drie varianten het depositieprofiel van de huidige situatie niet verandert. Deze planregels kunnen dus, na invoering, significante effecten voorkomen ten opzichte van het huidig gebruik. 4.4.2

Fixeren van de harde muren

Het is in principe mogelijk om binnen het plangebied geen uitbreiding toe te staan van de ruimte die nu wordt gebruikt door gebouwen waarin dieren gehouden kunnen worden. In dat geval zou voor elke verbouwing een (uitgebreide) planologische procedure doorlopen moeten worden of in ieder geval een omgevingsvergunning die het toe staat om, in afwijking van de bestemming, een dergelijke uitbreiding toe te staan. Een dergelijk planologisch slot op de muur garandeert dat het aantal dierplaatsen niet toe kan nemen op basis van het onderhavige plan. Het zorgt echter ook voor een zware procedurele last voor de ondernemers die, om gezond te kunnen blijven boeren, de mogelijkheid moeten hebben om (kleine) veranderingen / verbeteringen aan te kunnen brengen in de manier waarop de bedrijfsvoering plaats vindt. Dit handvat biedt te weinig perspectief en zal niet worden aangegrepen. 4.4.3

Fixeren van het aantal dierplaatsen, ook in de melkveehouderij

Als het vanuit ruimtelijke overwegingen noodzakelijk is, kan worden overwogen om in het bestemmingsplan het aantal dierplaatsen vast te leggen in het bestemmingsplan (de uitspraak van 8 mei 2013 - nr. 201208118/1/R1 - bevestigt dat het vastleggen van een maximum aantal dieren in het bestemmingsplan kan). Een dergelijke invulling van een slot-op-de-muur geeft aan de ondernemers in het plangebied in ieder geval de mogelijkheid om verbeteringen aan te brengen in de bedrijfsgebouwen. Groei van de onderneming, bijna altijd een randvoorwaarde om ontwikkelingen mogelijk te maken, is ook in dit spoor echter alleen mogelijk door (uitgebreide) planologische procedures te doorlopen of in ieder geval een omgevingsvergunning aan te vragen die het toe staat om, in afwijking van de bestemming, een dergelijke uitbreiding toe te staan. Dit spoor levert wel meer flexibiliteit maar zorgt toch ook voor extra procedurele verplichtingen met alle nadelen van dien.

52\137

planMER buitengebied SWF

Kenmerk R002-1211027FEE-efm-V02-NL

Ook dit handvat biedt te weinig perspectief en zal niet worden aangegrepen. 4.4.4

Fixeren van de emissie / depositie

Een slot-op-de-muur kan ook langs een derde spoor worden bereikt, namelijk door in de planregels een voorwaardelijke verplichting op te nemen ook wel aangeduid als een ‘verbale regeling’ of een ‘vangnet constructie’. In materiële zin laat een dergelijk regeling alleen ontwikkelingen toe als is aangetoond dat de depositie in de nieuwe situatie niet zal toenemen ten opzichte van de huidige depositie. Het voordeel van een dergelijke regeling is dat er voor bedrijfsontwikkelingen geen aanvullende procedures doorlopen hoeven te worden. Doel van het onderzoek in dit stadium is aan te tonen of, en zo ja hoeveel, ontwikkelruimte er voor de sector beschikbaar is vanuit een interne saldering in het gebied, zonder dat er negatieve effecten op zullen treden ter plaatse van de kwalificerende habitats in de N2000-gebieden. In de onderstaande matrix is weergegeven wat het effect van sectorale emissie beperkende maatregelen kan zijn, langs het spoor van interne saldering per bouwvlak, op de emissies uit het gebied. Gerekend is voor 0% en 70% emissie reductie in de intensieve veehouderij. Voor de melkveehouderij is gerekend met 0%. 26%, 54% en 61% emissie reductie. In bijlage 5 worden deze reductie percentages afgeleid uit de Regeling ammoniak en veehouderij.

De berekeningen variëren tussen het gebruik van eerder uitgegeven bouwvlakken (“huidig bouwvlak”) tot de mogelijkheid voor melkveehouderijen om te ontwikkelen tot een maximum van 3,0 hectare. De ruimte die aan intensieve veehouderijen wordt geboden is beperkt tot 1,5 hectare. Tot slot is er voor de vulgraad (het deel van het bouwvlak waar dierenverblijfplaatsen staan) gebruik gemaakt van de maxima die staan onderbouwd in paragraaf 4.1.3 en bijlage 5. Huidige gebiedsemissie: 682,347 kg/jaar vulgraad 50% voor I.V. versus 20% voor MVH emissie reductie % uitbreidingen tot maximaal (in hectares); met een maximum van 1.5 ha voor I.V. Intensieve Melkvee huidig 0.5 HA 0.75 HA 1 HA 1.25 HA 1.5 HA veehouderij houderij bouwvlak 0 0 819,447 866,022 898,372 957,644 1,027,521 1,115,139 0 26 639,952 676,217 701,836 749,251 805,484 875,203 0 54 446,651 471,812 490,183 524,828 566,368 616,809 0 61 398,325 420,711 437,270 468,722 506,589 552,211 70 70 70 70

0 26 54 61

744,032 564,538 371,236 322,911

786,528 596,724 392,319 341,217

814,795 618,259 406,606 353,693

865,639 657,246 432,823 376,718

924,763 702,727 463,611 403,832

1,001,030 761,093 502,700 438,101

1.75 HA

2 HA

3 HA

1,208,408 945,302 661,957 591,121

1,363,514 1,942,586 1,061,909 1,497,647 737,105 1,018,480 655,903 898,689

1,093,477 830,371 547,026 476,189

1,247,146 1,819,589 945,542 1,374,649 620,737 895,483 539,536 775,692

planMER buitengebied SWF

53\137

Kenmerk R002-1211027FEE-efm-V02-NL

4.5

Mogelijkheden en effecten van het fixeren van de emissie/depositie

In deze paragraaf wordt ingegaan op de mogelijkheden die geboden worden door het fixeren van de emissie/depositie op het referentieniveau. Daarbij wordt ook gekeken naar eventuele onwenselijke gevolgen van een dergelijke maatregel. 4.5.1

Mogelijke maatregelen die de effecten kunnen voorkomen

Om de negatieve effecten uit de worst case te voorkomen zijn (planologische) maatregelen noodzakelijk. De emissieberekeningen gepresenteerd in paragraaf 4.4.4 hebben aangetoond dat bij de inzet van emissiebeperkende maatregelen op bestaande en nieuwe dierverblijfplaatsen, een groei van de bouwvlakken tot 1,5 ha (voor IV) en tot 2 ha voor melkveehouderij, redelijkerwijs mogelijk is zonder dat er sprake is van een toename van de gebiedsemissies. Het is daarom niet onredelijk om een voorwaardelijke beperking in het bestemmingsplan op te nemen: wijzigingen en/of uitbreidingen van de dierverblijfplaatsen zijn mogelijk, binnen het bestaande bouwvlak dan wel op een bouwvlak dat wordt uitgebreid tot 1,5/2,0 ha, met dien verstande dat het gebruik van de bestaande en nieuwe dierverblijfplaatsen onmogelijk is als er sprake zou zijn van een toename van de emissie/depositie uit het bouwvlak ten opzichte van de referentie situatie. Opgemerkt wordt dat het toepassen van deze regeling op basis van de uitspraak 201201041/1/R4 van 1 juni 2016 (in zake het bestemmingsplan Weststellingwerf) beschouwd kan worden als in lijn met de geldende jurisprudentie. 4.5.2

Neveneffecten van de voorgestelde gebruiksbeperkingen

De boven genoemde generieke gebruiksbeperking is effectief in het voorkomen van negatieve effecten op de kwalificerende habitats. Op basis van deze regeling geldt dat ieder gebruik van een bouwvlak dat een toename van de emissies/depositie ten opzichte van de referentie situatie zou veroorzaken tot gevolg heeft dat dit gebruik strijdig is met een goede ruimtelijke ordening vanuit de Wro. Opgemerkt wordt echter dat sinds 1 juli 2015, het PAS in werking is getreden. Dit programma heeft tot doel de natuurwaarden in de Nederlandse Natura 2000 gebieden te versterken en tegelijk een zekere economische ontwikkeling mogelijk te maken. Om te borgen dat deze twee doelstellingen tegelijk gerealiseerd kunnen worden zijn er door Nederland maatregelen genomen die de natuur versterken, worden de emissies op macro-niveau teruggedrongen, is een landelijke ‘stikstof-administratie’ opgezet en wordt elk half jaar beoordeeld of het programma bijstelling behoeft. In de Passende beoordeling die in 2015 voor het programma is opgesteld zijn ook grensoverschrijdende effecten beoordeeld. Gebleken is in dat onderzoek dat implementatie van het programma niet lijdt tot negatieve effecten in de ecologische beschermingszones buiten Nederland.

Het totaal aan maatregelen in het programma maakt het mogelijk aan individuele ondernemers mogelijk om, binnen strikte randvoorwaarden, de emissies vanuit de bedrijfsvoering te doen toenemen.

54\137

planMER buitengebied SWF

Kenmerk R002-1211027FEE-efm-V02-NL

Geconstateerd wordt dat een generieke gebruiksregel die tot doel heeft te voorkomen dat er sprake is van een toename van emissies, vanuit de ruimtelijke ordening strengere randvoorwaarden oplegt aan de ondernemers in het plangebied dan de sectorale natuurwetgeving van waaruit het PAS is ontwikkeld. De consequentie van een dergelijke gebruiksregel zou zijn dat elke ondernemer die voornemens is een projectmatige toename van de emissies te realiseren die op basis van het PAS vergunbaar zou zijn, een buitenplanse procedure zou moeten doorlopen om te voorkomen dat er een strijdigheid met het bestemmingsplan zou gaan ontstaan. Een dergelijk neveneffect van de generieke gebruiksbeperking is dus op te lossen met een buitenplanse procedure voor elk bouwvlak dat het betreft. Dit doet het af aan de overzichtelijkheid van de planologische randvoorwaarden in het buitengebied: een buitenplanse procedure zal resulteren in een kleine ‘postzegel’ met (deels) eigen regels en randvoorwaarden. Om dit te voorkomen is gezocht naar een planologische vertaling van de mogelijkheden die het PAS biedt. 4.5.3

Mogelijkheden om af te wijken van de generieke gebruiksregel

De uitspraak 201201041/1/R4 van 1 juni 2016 (in zake het bestemmingsplan Weststellingwerf) biedt in ieder geval één mogelijkheid om af te wijken van de gebruiksregel zoals die is beschreven in paragraaf 4.5.1. Deze door de Raad van State aangehaalde mogelijkheid om een uitzondering te maken op de gebruiksregel wordt gevormd door al die bouwvlakken waarvoor op de datum dat het bestemmingsplan definitief wordt vastgesteld geldt dat er een onherroepelijke vergunning Wet natuurbescherming is afgegeven14. Opgemerkt wordt dat de uitspraak inzake het bestemmingsplan Weststellingwerf dateert van begin 2015, toen het PAS nog niet in werking was getreden. Met de komst van het PAS medio 2015 zijn er vanuit de Wet natuurbescherming economische ontwikkelingen mogelijk die op een ecologisch verantwoorde wijze, en onder strikte randvoorwaarden, een zekere toename van de emissie zouden kunnen veroorzaken. Zolang kan worden aangetoond dat een dergelijke activiteit beneden de grenswaarde blijft is in het PAS aangetoond dat de effecten die daar uit voortkomen zeer gering zijn. Het PAS heeft aangetoond dat het zelfs niet noodzakelijk is om in dat geval een Wnb-vergunning aan te vragen voor een dergelijke activiteit. Een gedocumenteerde melding volstaat.

Mocht de grenswaarde wel worden overschreden dan kan een dergelijke activiteit vanuit de Wet natuurbescherming desalniettemin mogelijk worden gemaakt als aan de provinciale beleidsregels voor de vergunbaarheid wordt voldaan. In deze beleidsregels is onder andere opgenomen dat

14 Voor de randvoorwaarden waaraan deze beschikking dient te voldoen wordt verwezen naar de uitspraak van 1 juni 2016 in het algemeen, en naar paragraaf 49.9 van deze uitspraak in het bijzonder.

planMER buitengebied SWF

55\137

Kenmerk R002-1211027FEE-efm-V02-NL

een toename van de depositie op een Nederlands deel van de Natura 2000 beschermingszone van ten hoogste 3 mol/ha/jaar nog vergunbaar kan zijn. Een generiek beroep op dit beleidsmatig vastgestelde maximum zou, als in de worstcase alle ondernemers binnen het plangebied daar een beroep op gaan doen, aanleiding geven tot een onaanvaardbare toename van de depositie ter plaatse van de kwalificerende habitats vanuit het plangebied. Het plangebied omvat namelijk 401 agrarische bouwvlakken. Als aan elk hiervan de mogelijkheid zou worden geboden de depositie met 3 mol/ha/jaar te doen toenemen dan is dat niet langer ecologisch verantwoord. Een afwijkingsbevoegdheid voor B&W om, in afwijking van de generieke gebruiksbeperking aan individuele percelen een toename van de depositie tot 3 mol/ha/jaar toe te staan, zal dus tot significant negatieve effecten op de kwalificerende habitats kunnen leiden vanuit het plangebied. Een dergelijk mechanisme kan binnen de stikstofhuishouding van het PAS zelf zich ook manifesteren. Dit is ondervangen door de vergunbaarheid van individuele projecten te koppelen aan de hoeveelheid ‘ontwikkelruimte’ die er nog over is, rekening houdend met de eerder afgegeven vergunningen. Voor projecten geldt in het PAS dus het principe van ‘wie het eerst komt, het eerst maalt’.

Om B&W op een ecologisch verantwoorde manier de boven beschreven afwijkingsbevoegdheid in het plan toe te kunnen kennen is het dus noodzakelijk dat er door B&W advies wordt aangevraagd bij het betrokken bevoegd gezag Wet natuurbescherming, tenzij de aanvrager zelf deze afstemming reeds vooraf heeft verzorgd. De vraag van B&W zal zijn of er volgens het bevoegd gezag Wet natuurbescherming er in Nederland nog voldoende ontwikkelruimte beschikbaar is om voor de beoogde ontwikkeling op een verantwoorde wijze gebruik te kunnen maken van de afwijkingsbevoegdheid. Het advies dat door B&W wordt aangevraagd gaat in op de voortgaande implementatie van een landelijk vastgesteld programma dat al sinds 1 juli 2015 van kracht is met daarin opgenomen een brede beoordeling van alle mogelijke gevolgen op de instandhoudingsdoelstellingen van de speciale beschermingszones in Nederland, Duitsland en België.

4.6

De resultaten van de emissieberekeningen samengevat

Door emissieberekeningen is vastgesteld dat er maatregelen nodig zijn om de bouwvlakken in het bestemmingsplan op basis van een generieke wijzigingsbevoegdheid te kunnen laten groeien tot een maximum van 40% van de omvang zoals die nu op de plankaart staat aangegeven, zonder dat daar significante effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van de kwalificerende habitats uit voortvloeien. Door in een generieke gebruiksbeperking de toename van emissies uit een bouwvlak tot strijdig gebruik te verklaren kunnen significante effecten worden voorkomen. Een ongewenst neveneffect van deze gebruiksbeperking is echter dat voor ieder project dat op basis van het PAS wel

56\137

planMER buitengebied SWF

Kenmerk R002-1211027FEE-efm-V02-NL

vergunbaar zou zijn een buitenplanse procedure doorlopen zou moeten worden om een dergelijk project ruimtelijk inpasbaar te kunnen laten worden. Voorkomen kan worden dat er buitenplanse procedures nodig zijn voor ontwikkelingen die vanuit het PAS mogelijk zijn. Dit is mogelijk door aan B&W in het plan de bevoegdheid te geven om af te wijken van de generieke gebruiksbeperking. Van deze afwijkingsbevoegdheid kan in twee gevallen gebruik gemaakt worden: 

Als er op het moment van het vaststellen van het plan er sprake is van een Wnb-vergunning (of een formele Aerius-melding) die voldoet aan de criteria beschreven in de uitspraak van 1 juni 2016 in zake het bestemmingsplan voor Weststellingwerf.

Als er advies is ingewonnen, door B&W of aanvrager zelf, bij het desbetreffende bevoegd gezag Wnb-vergunning. In dat advies moet tenminste duidelijkheid worden gecreëerd over de generieke vergunbaarheid.

Een en ander betekent dat significant negatieve effecten op de kwalificerende habitats kunnen worden voorkomen door in het plan een gebruiksbeperking op te nemen waardoor een toename van de emissie/depositie tot strijdig gebruik zal leiden, in combinatie met een afwijkingsbevoegdheid van deze gebruiksbeperking waar B&W alleen gebruik van mag maken op basis van een onherroepelijke vergunning Wet natuurbescherming (inclusief Passende beoordeling) die aan het bestemmingsplan wordt gekoppeld dan wel op basis van een ingewonnen advies van het bevoegd gezag Wet natuurbescherming.

4.7

Mogelijke effecten vanuit de glastuinbouw

In het plangebied wordt ook aan de bestaande glastuinbouw, in zekere mate, de mogelijkheid geboden uit te breiden. Echter, deze sector is niet erg omvangrijk en bestond tot voor kort uit vijf ondernemingen. Drie daarvan houden op te bestaan. Op de twee resterende ondernemingen bestaat de mogelijkheid om in beperkte mate te groeien, tot wat nu bij recht mogelijk is. Een volledige realiseren van de planologische ruimte, met inzet van 50% emissiereductie (i.c. BBT)15 zou per saldo leiden tot een afname van de gebiedsemissie. Het aandeel van de emissie van deze sector is gering ten opzichte van de emissies uit de dierverblijfplaatsen. Daarom zijn deze emissies niet verder betrokken bij de berekeningen.

15

Best Beschikbare Technieken in de glastuinbouw; een Vlaams onderzoek uit 2005

planMER buitengebied SWF

57\137

Kenmerk R002-1211027FEE-efm-V02-NL

5 Effecten op de natuur Een belangrijk onderwerp van dit milieueffectrapport is het effect op natuur. Dit hoofdstuk heeft als doel de ontwikkelingsmogelijkheden in het bestemmingsplan te toetsen in het licht van natuurwetgeving, met name de Wet natuurbescherming. De centrale vraag is: kunnen significant negatieve effecten optreden door een ontwikkeling(mogelijkheid) die een probleem vormen voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan?

5.1

Beoordelingskader

De ontwikkelingsruimte van het bestemmingsplan kan op verschillende manieren van invloed zijn op beschermde natuur. In onderstaande tabel is aangegeven welke beoordelingskaders zijn toegepast voor dit onderdeel. Tabel 5.1 Wijze van beoordeling natuur

Natuur Aspect

Criterium

Gebiedsbescherming - Natura 2000

Redelijke uitvoerbaarheid bestemmingsplan, betreft: Effecten op instandhoudingsdoelen door mogelijk gemaakte ontwikkelingen

Gebiedsbescherming Natuurnetwerk Nederland (NNN)

Beoordeling Kwantitatief en kwalitatief

Redelijke uitvoerbaarheid bestemmingsplan, betreft: Effecten op wezenlijke waarden en kenmerken door

Kwalitatief

mogelijk gemaakte ontwikkelingen Redelijke uitvoerbaarheid bestemmingsplan, betreft:

Soortbescherming

Effecten op zwaarder beschermde soorten, mogelijkheid overtreding verbodsbepalingen door

Kwalitatief

mogelijk gemaakte ontwikkelingen

Leeswijzer De bovenstaande beoordelingskaders komen in dit hoofdstuk achtereenvolgens aan bod. Paragraaf 5.2 beschrijft de aanwezige natuurwaarden en de toetsingskaders. In paragrafen die daarop volgen worden de ontwikkelingsmogelijkheden getoetst aan deze kaders.

5.2

Huidige situatie en autonome ontwikkeling

De natuurwaarden binnen het buitengebied van Súdwest-Fryslân zijn voornamelijk afhankelijk van de bos- en natuurgebieden, maar ook van landschapselementen en bebouwing in het agrarisch gebied. Er zijn natuurwaarden aanwezig die zijn beschermd door de verschillende onderdelen zoals vermeld in tabel 5.1.

58\137

planMER buitengebied SWF

Kenmerk R002-1211027FEE-efm-V02-NL

5.2.1

Autonome ontwikkeling biodiversiteit

Uit de Balans van de Leefomgeving 2016 [PBL, 2016] blijkt dat de Nederlandse natuur zich langzaam hersteld, maar dat dit onvoldoende is om gestelde doelen binnen Europa te behalen. Dit gemiddelde beeld van herstel wordt echter sterk gekleurd door de toename van algemenere soorten. Voor veel zeldzame soorten is sprake van een aanhoudende teruggang. Met name soorten die hoge eisen stellen aan de kwaliteit van het leefgebied en soorten die kenmerkend zijn voor het agrarisch landschap nemen in veel gevallen nog steeds sterk af. Deze negatieve trend valt onder andere te verklaren doordat ruimtelijke en milieucondities nog onvoldoende zijn voor herstel. Door aanhoudende verdroging, vermesting, verzuring en een gebrek aan ruimtelijke samenhang blijft sprake van een ‘vervlakking’ van de biodiversiteit. Wetgeving Er mag van worden uitgegaan dat de gebieds- en soortenbescherming in het kader van de Wet natuurbescherming, behoud en ontwikkeling van het NNN en andere ruimtelijke beschermingsregimes een belangrijke bijdrage leveren aan het remmen van de achteruitgang van biodiversiteit. Dat er desondanks toch nog steeds sprake is van een vervlakking van de biodiversiteit hangt, zoals hiervoor omschreven, dus vooral samen met een onvoldoende verbetering van duurzame ruimtelijke en milieucondities.

Hoewel de milieucondities de laatste decennia wel verbeterd zijn, is momenteel sprake van een afvlakking van de snelheid van verbetering. Op korte termijn zullen daardoor de gestelde doelen voor duurzame milieucondities voor behoud van biodiversiteit nog niet gehaald worden. Hoewel er veel onzekerheid is over de doelstellingen in de tijd, geldt wel dat de ambities voor het realiseren van het NNN grotendeels blijven. In het kader van de Habitat- en Vogelrichtlijn heeft Nederland zich verder verplicht om zorg te dragen voor het behalen van de instandhoudingsdoelen voor Natura 2000-gebieden. Ook voor veel Europees en nationaal bedreigde soorten geldt dat sprake blijft van een passende bescherming via de Wet natuurbescherming, waar het gaat om bijvoorbeeld ruimtelijke ingrepen zowel binnen als buiten natuurgebieden. Inpassing in ruimtelijk beleid en toetsing Beïnvloeding van milieucondities hangt veelal samen met langlopende beleidsambities en ontwikkelingen op landelijke of zelfs internationale schaal. Deze worden niet wezenlijk beïnvloed door het ruimtelijke ordeningsspoor op lokale schaal, en blijven hier verder buiten beschouwing. Vanuit het perspectief van het bestemmingsplan hanteren we daarom als uitgangspunt dat de autonome ontwikkeling van natuurwaarden op basis van geldend beleid en geldende wetgeving minimaal neutraal zal (moeten) zijn.

Dit betekent concreet dat we de autonome ontwikkeling gelijk stellen aan de huidige situatie. Bij de beschrijvingen van de natuurwaarden voor het buitengebied

planMER buitengebied SWF

59\137

Kenmerk R002-1211027FEE-efm-V02-NL

van Súdwest - Fryslân is daarom geen nadrukkelijk onderscheid gemaakt tussen de huidige situatie en de autonome ontwikkeling. 5.2.2

Natura 2000-gebieden

Rondom en in het plangebied liggen diverse gebieden die zijn beschermd onder gebiedsbescherming van de Wnb (zie figuur 5.1 en tabel 5.2). Al deze gebieden zijn definitief aangewezen als Natura 2000-gebied (Ministerie van EL&I, 2013). Effecten op gebieden die meer dan tien kilometer van het plangebied liggen zijn uitgesloten, vanwege de tussengelegen afstand en de aard van de ontwikkelingen. Nagenoeg alle gebieden die zijn opgenomen in tabel 5.2, bevinden zich ten minste deels binnen het plangebied. Alleen Deelen ligt ongeveer 9,1 km verwijderd van de plangrens.

60\137

planMER buitengebied SWF

Kenmerk R002-1211027FEE-efm-V02-NL

Figuur 5.1 Plangebied en nabijgelegen Natura 2000-gebieden (< 10 km afstand).

planMER buitengebied SWF

61\137

Kenmerk R002-1211027FEE-efm-V02-NL

Tabel 5.2 Natura 2000-gebieden binnen een straal van 10km rondom het plangebied. Per gebied is de minimale tussengelegen afstand (indicatief) weergegeven tot het bestemmingsplangebied.

Natura 2000-gebieden

Afstand tot plangebied (in km)

IJsselmeer

0

Oudegaasterbrekken, Fluessen en omgeving

0

Sneekermeergebied

0

Waddenzee

0

Witte en Zwarte brekken

0

Deelen

9,1

Natura 2000-gebied IJsselmeer Het IJsselmeer is ontstaan door de afsluiting van de voormalige Zuiderzee met de afsluitdijk, de aanleg van de IJsselmeerpolders en de Houtribdijk. De buitendijkse kweldergebieden hebben zilte en brakke milieus. In de natte terreindelen treedt moerasvorming op in de vorm van biezenstroken. Op de overgang van water en land en op de laagliggende delen van de oude platen komt rietland voor. Bij verdere successie verruigt het rietland en vindt opslag van wilg plaats. Vooral op de hogere delen ontwikkelen struwelen en bos. De graslanden zijn soortenrijk, vooral op kalkrijk en vochtig substraat. Tabel 5.3 IJsselmeer: Habitattypen en soorten

62\137

Habitattypen

KDW (mol N/ha/jr)

Habitatrichtlijnsoorten

H3150 Meren met krabbenscheer en fonteinkruiden H6330A Ruigten en zomen (moerasspirea) H6430B Ruigten en zomen (harig wilgenroosje) H7140A Overgangs- en trilvenen (trilvenen)

2143 >2400 >2400 1214

Rivierdonderpad Meervleermuis Noordse woelmuis Groenknolorchis

Vogelrichtlijnsoorten broedvogels Aalscholver Roerdomp Lepelaar Bruine Kiekendief Porseleinhoen Bontbekplevier Kemphaan Visdief Snor Rietzanger

Vogelrichtlijnsoorten niet-broedvogels Fuut Slobeend Aalscholver Tafeleend Lepelaar Kuifeend Kleine Zwaan Toppereend Toendrarietgans Brilduiker Kleine Rietgans Nonnetje Kolgans Grote Zaagbek Grauwe Gans Meerkoet Brandgans Kluut Bergeend Goudplevier Smient Kemphaan Krakeend Grutto Wintertaling Wulp Wilde eend Dwergmeeuw

planMER buitengebied SWF

Kenmerk R002-1211027FEE-efm-V02-NL

Pijlstaart Slobeend Pijlstaart

Reuzenstern Zwarte Stern

Natura 2000-gebied Oudegaasterbrekken, Fluessen en omgeving Het Natura 2000-gebied ‘Oudegaasterbrekken, Fluessen en omgeving’ is een gebied van circa drieduizend hectare. Het is een open gebied met een afwisseling van gebruikte grasvelden, extensief gebruikte zomerpolders en boezemlanden en vaarten, plassen en grote meren, met daarlangs plaatselijk brede rietkragen. De plassen met open water zijn ontstaan door vervening. Tabel 5.4 Oudegaasterbrekken, Fluessen en omgeving: Habitattypen en soorten Habitattypen

KDW (mol N/ha/jr)

Habitatrichtlijnsoorten

H3150 Meren met krabbenscheer en fonteinkruiden H6330A Ruigten en zomen (moerasspirea) H6430B Ruigten en zomen (harig wilgenroosje)

2143 >2400 >2400

Meervleermuis Noordse woelmuis

Vogelrichtlijnsoorten broedvogels Porseleinhoen

Vogelrichtlijnsoorten niet-broedvogels Kleine Rietgans Nonnetje Brandgans Kemphaan Smient Wulp Kuifeend

Natura 2000-gebied Sneekermeergebied Het Sneekermeergebied bestaat uit het Sneekermeer, Goëngarijpsterpoelen, Terkaplesterpoelen en Akmarijp. Deze gebieden zijn historisch en geomorfologisch te beschouwen als één gebied. Het landschap is er vrijwel open. Kenmerkend voor het centrale merengebied van Fryslân is de afwisseling tussen grote en kleinere wateroppervlakten, omgeven door kades en rietkragen en uitgestrekte graslandpolders. Tabel 5.5 Sneekermeergebied Aangewezen vogelrichtlijnsoorten Habitattypen

KDW (mol N/ha/jr)

Habitatrichtlijnsoorten

N.v.t.

N.v.t.

N.v.t.

Vogelrichtlijnsoorten broedvogels Porseleinhoen Kwartelkoning Kemphaan Rietzanger

Vogelrichtlijnsoorten niet-broedvogels Kleine Rietgans Slobeend Kolgans Meerkoet Brandgans Goudplevier Smient Kievit Krakeend Kemphaan Wintertaling Grutto Wilde eend Wulp

planMER buitengebied SWF

63\137

Kenmerk R002-1211027FEE-efm-V02-NL

Natura 2000-gebied Waddenzee De Waddenzee bestaat uit een complex van diepe geulen en ondiep water met zand- en slibbanken waarvan grote delen bij eb droogvallen. Deze banken worden doorsneden door een fijn vertakt stelsel van geulen. Langs het vaste land en de eilanden liggen verspreid kweldergebieden, die door grote verschillen in vocht- en zoutgehalte bijdragen aan een zeer diverse vegetatie. Tabel 5.6 Waddenzee: Habitattypen en soorten Habitattypen

KDW (mol N/ha/jr)

Habitatrichtlijnsoorten

H1110A Permanent overstroomde zandbanken (getijdengebied) H1140A Slik- en zandplaten (getijdengebied) H1310A Zilte pionierbegroeiingen (zeekraal) H1310B Zilte pionierbegroeiingen (zeevetmuur) H1320 Slijkgrasvelden H1330A Schorren en zilte graslanden (buitendijks) H1330B Schorren en zilte graslanden (binnendijks) H2110 Embryonale duinen H2120 Witte duinen *H2130A Grijze duinen (kalkrijk) *H2130B Grijze duinen (kalkarm) H2160 Duindoornstruwelen H2190B Vochtige duinvalleien (kalkrijk)

>2400

Nauwe korfslak

>2400 1643 1500 1643 1571 1571 1429 1429 1071 714 2000 1429

Zeeprik Rivierprik Fint Grijze zeehond Gewone zeehond

Vogelrichtlijnsoorten broedvogels Lepelaar Eider Bruine Kiekendief Blauwe Kiekendief Kluut Bontbekplevier Strandplevier Kleine Mantelmeeuw Grote stern Visdief Noordse Stern Dwergstern Velduil

64\137

planMER buitengebied SWF

Vogelrichtlijnsoorten niet-broedvogels Fuut Slechtvalk Aalscholver Scholekster Lepelaar Kluut Kleine Zwaan Bontbekplevier Toendrarietgans Goudplevier Grauwe Gans Zilverplevier Brandgans Kievit Rotgans Kanoet Bergeend Drieteenstrandloper Smient Krombekstrandloper Krakeend Bonte strandloper Wintertaling Grutto Wilde eend Rosse grutto Pijlstaart Wulp Slobeend Zwarte ruiter Toppereend Tureluur Eider Groenpootruiter Brilduiker Steenloper Middelste Zaagbek Zwarte Stern Grote Zaagbek

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13085893/4