CConstaterende datSúdwest-Fryslân
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 10 - Bijlage bij toelichting BGB-I - planMER

Raadsvergadering 28 september 2023, gemeente Súdwest-FryslânBij agendapunt: Bestimmingsplan ‘Buitengebied Súdwest-Fryslân I’25.829 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 4

94\137

planMER buitengebied SWF

Kenmerk R002-1211027FEE-efm-V02-NL

Figuur 6.10 Uitsnede cultuurhistorische kaart met daarin historische boerderijplaatsen (www.fryslan.flr)

De gemeente heeft eveneens een gedetailleerde cultuurhistorische inventarisatie uitgevoerd (Historisch-geografische inventarisatie en waardering van het buitengebied, cultuurland advies, augustus 2014). Achterliggende gedachte hierbij was om op perceelsniveau te kunnen aangeven welke historisch-geografische waarden de gemeente in het bestemmingsplan kan beschermen. Het gaat daarbij zowel om objecten als structuren. De inventarisatie dient als basis voor het vastleggen van cultuurhistorische waarden in bestemmingsplannen. De kaarten van deze studie zijn opgenomen in bijlage 9. 6.4.2

Archeologie

Het archeologisch erfgoed wordt binnen Nederland als zeer waardevol beschouwd. De Erfgoedwet legt de verantwoordelijkheid voor de bescherming van het archeologische erfgoed bij de gemeente. De taken in het kader van de Erfgoedwet behelzen onder andere het integreren van archeologie in de RO-procedures en de koppeling tussen bestemmingsplannen en archeologische waarden en verwachtingen. De Erfgoedwet verplicht gemeenten om bij de vaststelling van een bestemmingsplan rekening te houden met in de bodem aanwezige of te verwachten archeologische waarden.

planMER buitengebied SWF

95\137

Kenmerk R002-1211027FEE-efm-V02-NL

Om een zo goed mogelijk inzicht in de verwachte ligging, verspreiding en aard van het bodemarchief de FAMKE: Friese Archeologische Monumentenkaart Extra opgesteld. De FAMKE is in de eerste plaats gebaseerd op twee bestaande landelijke kaarten: de Archeologische Monumentenkaart (AMK) en de Indicatieve Kaart Archeologische Waarden (IKAW). Daarnaast houdt de FAMKE rekening met de kans dat de mogelijk aanwezige archeologische resten verstoord zijn. Aan de andere kant houdt de FAMKE ook rekening met de omvang van de bodemingreep. Dit alles bij elkaar is vertaald in provinciedekkende kaarten die aangeven hoe er het beste met het bodemarchief kan worden omgegaan. De FAMKE bestaat uit twee advieskaarten, één voor de periode steentijd - bronstijd (300.000 800 v Chr), en één voor de periode ijzertijd - middeleeuwen (800 v Chr - 1500 n Chr). Voor deze indeling in twee perioden is gekozen omdat de adviezen voor mogelijke vindplaatsen uit de steentijd vaak verschillen van die voor mogelijke jongere vindplaatsen. De adviezen die voor de verschillende zones in Fryslân gegeven worden variëren van ‘streven naar behoud' tot ‘geen nader onderzoek nodig'. Deze adviezen geven aan welke vervolgstappen noodzakelijk zijn om op een verantwoorde manier om te gaan met het bodemarchief in een nieuw te maken bestemmingsplan, een bestemmingsplanwijziging, een ontgronding of een sanering.

Een uitsnede van beide kaarten voor de gemeente Súdwest-Fryslân is op genomen in bijlage 9. 6.4.3

Aardkundige waarden

Aardkundige waardevolle gebieden (bodematlas provincie Fryslan), zie onderstaand figuur. Twee grote aardkundige waardevolle gebieden, en nog versnipperd enkele kleinere gebieden in het uiterste zuiden van het plangebied. Van noord naar zuid betreft het de gebieden:

96\137

Marneslenk: een fraai voorbeeld van een getijdesysteem, een grootschalig reliëf, waarvan de

verschillende geomorfologische onderdelen nog goed zichtbaar zijn Workum-Gaast: een gave en unieke getijde-oeverwal

Een klein deel van het Gaasterland, een stuwwalcomplex

planMER buitengebied SWF

Kenmerk R002-1211027FEE-efm-V02-NL

Figuur 6.11 Aardkundig waardevolle gebieden (Landschapsvisie Nationaal Landschap Zuidwest-Fryslân, 2012)

6.4.4

Effecten op cultuurhistorie, archeologie en aardkunde

Cultuurhistorie De in het plangebied voorkomende behoudenswaardige cultuurhistorische waarden worden beschermd door een dubbelbestemming of aanduiding waar specifieke regels voor gelden (onder meer voor karakteristieke panden). Daarnaast zijn deze waarden ook opgenomen in een omgevingsvergunning opgenomen voor een werk geen bouwwerk zijnde waarin in aangetoond dient te worden op welke wijze waarden worden ontzien. Op deze wijze in combinatie met de bepalingen op het gebied van landschap zijn historische geografische waarden in het gebied geborgd. De bescherming van rijks- en gemeentelijke monumenten in het plangebied geschiedt via sectorale regelgeving in de Erfgoedwet en het vastgesteld gemeentelijke beleid. Het effect op dit thema is neutraal (0).

planMER buitengebied SWF

97\137

Kenmerk R002-1211027FEE-efm-V02-NL

Archeologie Primair dient gestreefd te worden naar behoud “in situ” van de archeologische waarden. Indien wordt besloten wordt tot het opgraven van archeologische waarden of anderzijds het verstoren van waarden heeft dit een negatief effect. Ten aanzien van uitbreiding van bestaande bedrijven is er een kleine kans op aantasting van archeologische waarden ter plaatse. In het bestemmingsplan is een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden’ opgenomen voor gebieden met een archeologische verwachtingswaarde, inclusief de verplichting tot archeologisch onderzoek. Daardoor is de kans op aantasting van archeologische waarden zoveel mogelijk beperkt binnen de mogelijkheden die het bestemmingsplan biedt. Aantasting van archeologische waarden is niet aannemelijk. Het effect is neutraal (0). Aardkundige waarden Voor de belangrijkste aardkundige waarden in het plangebied worden voorwaardelijke bepalingen opgenomen in het bestemmingsplan. Hiermee wordt de aantasting van deze waarden zoveel mogelijk beperkt. Het effect is neutraal (0).

6.5

Bodem en water

6.5.1

Bodemopbouw

Bodembescherming De Wet bodembescherming richt zich op de bescherming van de bodem tegen verontreiniging en andere vormen van aantasting. Op grond van de Wet bodembescherming is een ieder die op of in de bodem handelingen verricht en die weet of redelijkerwijs had kunnen vermoeden dat die handelingen de bodem verontreinigen of aantasten, verplicht alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd om die verontreiniging of aantasting te voorkomen. Om dit te bereiken worden op grond van de Wet milieubeheer regels gesteld om verontreinigingen door bedrijven te voorkomen. Bij het opstellen van bestemmingsplannen is de vraag of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het huidige of toekomstige gebruik van die bodem en of deze optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Het uitgangspunt hierbij is dat aanwezige bodemverontreiniging geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem en dat de bodemkwaliteit niet verslechtert door grondverzet (bijvoorbeeld grondwerkzaamheden). Omdat het bestemmingsplan verder in hoofdzaak een conserverend plan is, waarin uitsluitend op perceelsniveau kleinschalige ontwikkelingen worden toegestaan, is in het kader van het plan geen nader onderzoek op het gebied van de bodemkwaliteit uitgevoerd.

98\137

planMER buitengebied SWF

Kenmerk R002-1211027FEE-efm-V02-NL

Het grootste deel van het plangebied ligt boven NAP (zie figuur 6.12). In het zuiden is sprake van enkele hogere delen, waar de bodemopbouw bestaat uit zand en leem.

Figuur 6.12 Actueel Hoogtebestand Nederland (Bron: www.fryslan.nl/kaarten)

De bodemopbouw binnen het plangebied is erg divers. Langs de kustzone zijn met name lichte en zware zavel en op enkele plaatsen zand (IJsselmeerkust) te vinden. Meer landinwaarts is sprake van lichte en zware klei (zie figuur 6.13).

planMER buitengebied SWF

99\137

Kenmerk R002-1211027FEE-efm-V02-NL

Figuur 6.13 Bodemopbouw (Bron: www.fryslan.nl/kaarten)

Het grondgebruik in het plangebied is vrij monotoon. In het gebied rondom Sneek en het plangebied ter hoogte van het IJsselmeer is met name sprake van agrarisch grasland en het verbouwen van maïs. In het gebied ten zuiden van Harlingen is een grotere variëteit aan grondgebruik te zien. Daar is sprake van het verbouwen van granen, bieten en aardappelen en vormt het agrarische grasland niet de overhand.

100\137

planMER buitengebied SWF

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13085893/4