CConstaterende datSudwest Fryslan
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 10 - Bijlage bij toelichting BGB-I - planMER

Raadsvergadering 28 september 2023, gemeente Sudwest FryslanBij agendapunt: Bestimmingsplan ‘Buitengebied Súdwest-Fryslân I’25.829 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

PlanMER bestemmingsplan Buitengebied Súdwest-Fryslân 2017

25 april 2017

Kenmerk R002-1211027FEE-efm-V02-NL

Verantwoording Titel

PlanMER bestemmingsplan buitengebied Súdwest-Fryslân

Opdrachtgever Projectleiding

Gemeente Sudwest Fryslan Martijn Gerritsen

Auteur(s)

Lex Bekker, Adrie van Hooff, Floris Eenink en Martijn Gerritsen

Projectnummer Aantal pagina's

1211027 137 (exclusief bijlagen)

Datum

25 april 2017

Handtekening

Ontbreekt in verband met digitale verwerking. Dit rapport is aantoonbaar vrijgegeven.

Colofon Tauw bv BU Ruimtelijke Kwaliteit Handelskade 11 Postbus 133 7400 AC Deventer Telefoon +31 57 06 99 91 1 Fax +31 57 06 99 66 6

Dit document is eigendom van de opdrachtgever en mag door hem worden gebruikt voor het doel waarvoor het is vervaardigd met inachtneming van de rechten die voortvloeien uit de wetgeving op het gebied van het intellectuele eigendom. De auteursrechten van dit document blijven berusten bij Tauw. Kwaliteit en verbetering van product en proces hebben bij Tauw hoge prioriteit. Tauw hanteert daartoe een managementsysteem dat is gecertificeerd dan wel geaccrediteerd volgens: -

NEN-EN-ISO 9001

planMER buitengebied SWF

3\137

Kenmerk R002-1211027FEE-efm-V02-NL

4\137

planMER buitengebied SWF

Kenmerk R002-1211027FEE-efm-V02-NL

Inhoud Verantwoording en colofon .......................................................................................................... 3 Samenvatting ............................................................................................................................... 10 1

Inleiding ................................................................................................................. 17

1.1

Een nieuw bestemmingplan buitengebied voor Súdwest-Fryslân .......................... 17

1.2

Doel van het bestemmingsplan .............................................................................. 17

1.3 1.4

Waarom dit MER? .................................................................................................. 18 Stappen in de m.e.r.-procedure .............................................................................. 19

1.5

Initiatiefnemer en bevoegd gezag ........................................................................... 20

1.6

Opbouw van dit milieueffectrapport ........................................................................ 20

2

Kader van dit MER ................................................................................................ 21

2.1 2.2

Kenschets gemeente Súdwest-Fryslân .................................................................. 21 Plan- en studiegebied ............................................................................................. 22

2.3

Kenschets veehouderij Súdwest-Fryslân in de huidige situatie .............................. 23

2.4 2.4.1

Beleids- en wettelijke kaders .................................................................................. 26 Beleid rondom agrarische sector en stikstofdepositie ............................................ 26

2.4.2

Overig relevant beleid ............................................................................................. 32

3

Onderzochte alternatieven en beoordelingsmethodiek .................................... 35

3.1

Alternatievenontwikkeling en –beoordeling ............................................................ 35

3.2 3.2.1

Te onderzoeken alternatieven: ............................................................................... 36 Alternatief 1: Referentiesituatie ............................................................................... 36

3.2.2

Alternatief 2: Worstcase .......................................................................................... 36

3.2.3 3.3

Alternatief 3: Het planalternatief ............................................................................. 36 Mogelijkheden van het bestemmingsplan ............................................................... 37

3.4

Beoordelingsmethodiek .......................................................................................... 40

3.4.1 3.4.2

Beoordelingscriteria ................................................................................................ 40 Effectwaardering ..................................................................................................... 41

4

Onderzoeksaanpak stikstof ................................................................................. 42

4.1

Gebiedsgerichte benadering ................................................................................... 42

4.1.1

Algemene toelichting op de methodiek ................................................................... 42

4.1.2 4.1.3

Vaststellen van de referentie situatie ...................................................................... 43 Kenmerken van de bouwvlakken ............................................................................ 44

planMER buitengebied SWF

5\137

Kenmerk R002-1211027FEE-efm-V02-NL

6\137

4.2

Referentiesituatie .................................................................................................... 47

4.2.1 4.2.2

Referentie vanuit de Wet natuurbescherming ........................................................ 47 Referentie vanuit de Wet milieubeheer (Wm): de Autonome Ontwikkeling ............ 49

4.3

Worstcase alternatief: maximale ontwikkelmogelijkheden landbouwsector ........... 50

4.4 4.4.1

Planalternatief ......................................................................................................... 51 Planologisch slot op de muur .................................................................................. 52

4.4.2

Fixeren van de harde muren ................................................................................... 52

4.4.3 4.4.4

Fixeren van het aantal dierplaatsen, ook in de melkveehouderij ............................ 52 Fixeren van de emissie / depositie ......................................................................... 53

4.5

Mogelijkheden en effecten van het fixeren van de emissie/depositie ..................... 54

4.5.1 4.5.2

Mogelijke maatregelen die de effecten kunnen voorkomen ................................... 54 Neveneffecten van de voorgestelde gebruiksbeperkingen ..................................... 54

4.5.3

Mogelijkheden om af te wijken van de generieke gebruiksregel ............................ 55

4.6 4.7

De resultaten van de emissieberekeningen samengevat ....................................... 56 Mogelijke effecten vanuit de glastuinbouw ............................................................. 57

5

Effecten op de natuur ........................................................................................... 58

5.1

Beoordelingskader .................................................................................................. 58

5.2

Huidige situatie en autonome ontwikkeling ............................................................. 58

5.2.1 5.2.2

Autonome ontwikkeling biodiversiteit ...................................................................... 59 Natura 2000-gebieden ............................................................................................ 60

5.2.3

Provinciale natuurbescherming Fryslân - NNN ....................................................... 66

5.2.4 5.3

Soortbescherming ................................................................................................... 69 Effecten Natura 2000-gebieden .............................................................................. 72

5.3.1

Bestemming van de speciale beschermingszone ................................................... 72

5.3.2 5.4

Ontwikkelingsmogelijkheden .................................................................................. 72 Effecten op verzuring en eutrofiering ...................................................................... 74

5.4.1

Effecten vanuit de veehouderij ............................................................................... 74

5.4.2 5.5

Mogelijke effecten vanuit de glastuinbouw ............................................................. 75 Effecten op het Natuurnetwerk Nederland (NNN) .................................................. 76

5.5.1

Gronden binnen het NNN ....................................................................................... 76

5.5.2 5.5.3

Gronden nabij het NNN .......................................................................................... 76 Ontwikkelingen binnen en nabij overige provinciale natuurgebieden ..................... 77

5.5.4

Conclusie ................................................................................................................ 78

5.6 5.6.1

Effecten beschermde soorten Wet natuurbescherming .......................................... 78 Belang van het plangebied als leefgebied .............................................................. 78

5.6.2

Conclusie ................................................................................................................ 81

5.7

Samenvatting .......................................................................................................... 81

planMER buitengebied SWF

Kenmerk R002-1211027FEE-efm-V02-NL

6

Milieueffecten overige thema’s ........................................................................... 83

6.1 6.2

Methodiek effectenonderzoek ................................................................................. 83 Beoordelingskader .................................................................................................. 83

6.3

Landschap .............................................................................................................. 84

6.3.1 6.3.2

Inleiding .................................................................................................................. 84 Huidige situatie ....................................................................................................... 84

6.3.3

Autonome ontwikkeling ........................................................................................... 91

6.3.4 6.4

Effecten ................................................................................................................... 92 Cultuurhistorie, archeologie en aardkunde ............................................................. 94

6.4.1

Cultuurhistorie (historische geografie en historische stedenbouw) ........................ 94

6.4.2 6.4.3

Archeologie ............................................................................................................. 95 Aardkundige waarden ............................................................................................. 96

6.4.4

Effecten op cultuurhistorie, archeologie en aardkunde ........................................... 97

6.5 6.5.1

Bodem en water ...................................................................................................... 98 Bodemopbouw ........................................................................................................ 98

6.5.2

Effecten / resultaten .............................................................................................. 106

6.6 6.6.1

Verkeer ................................................................................................................. 107 Huidige situatie en autonome ontwikkeling ........................................................... 107

6.6.2

Effecten op verkeer buitengebied ......................................................................... 108

6.7 6.7.1

Geluid ................................................................................................................... 109 Effecten / resultaten .............................................................................................. 111

6.8

Geur ...................................................................................................................... 112

6.8.1 6.8.2

Toetsingskader ..................................................................................................... 112 Effecten / resultaten .............................................................................................. 114

6.9

Luchtkwaliteit ........................................................................................................ 116

6.9.1 6.9.2

Toetsingskader voor fijn stof ................................................................................. 116 Effecten / resultaten .............................................................................................. 118

6.10

Lichthinder ............................................................................................................ 119

6.10.1 6.11

Effecten / resultaten .............................................................................................. 121 Gezondheid .......................................................................................................... 121

6.11.1

Huidige situatie en autonome ontwikkeling ........................................................... 121

6.11.2 6.12

Effecten / resultaten .............................................................................................. 122 Recreatieve ontwikkelingen .................................................................................. 124

6.12.1

Huidige situatie en autonome ontwikkeling ........................................................... 124

6.12.2

Effecten / resultaten .............................................................................................. 124

7

De effecten op een rij ......................................................................................... 125

7.1 7.2

Conclusies ............................................................................................................ 125 Natuur ................................................................................................................... 126

7.2.1

Natura 2000-gebieden .......................................................................................... 126

planMER buitengebied SWF

7\137

Kenmerk R002-1211027FEE-efm-V02-NL

8\137

7.2.2

Soorten ................................................................................................................. 126

7.2.3 7.3

Natuurnetwerk Nederland (NNN) .......................................................................... 127 Landschap, cultuurhistorie, archeologie en aardkunde ........................................ 127

7.3.1

Landschap ............................................................................................................ 127

7.3.2 7.3.3

Cultuurhistorie ....................................................................................................... 127 Archeologie ........................................................................................................... 127

7.3.4

Aardkunde ............................................................................................................ 128

7.4 7.4.1

Bodem en water .................................................................................................... 128 Bodem .................................................................................................................. 128

7.4.2

Water .................................................................................................................... 128

7.5 7.6

Verkeer ................................................................................................................. 129 Woon- en leefmilieu .............................................................................................. 129

7.6.1

Geluid ................................................................................................................... 129

7.6.2 7.6.3

Luchtkwaliteit ........................................................................................................ 129 Geur ...................................................................................................................... 129

7.7

Gezondheid .......................................................................................................... 130

7.8 7.9

Uitvoerbaarheid bestemmingsplan ....................................................................... 130 Vervolgproces ....................................................................................................... 131

8

Uitvoerbaarheid van het plan – alternatief ....................................................... 132

8.1

Algemene beoordeling van de uitvoerbaarheid .................................................... 132

8.2

Meer gedetailleerde analyse ................................................................................. 133

8.2.1 8.2.2

Percelen waar het plan-scenario voldoet .............................................................. 133 Dierenverblijven zonder emissie-reductie-potentie ............................................... 134

8.2.3

Nader te checken percelen ................................................................................... 134

8.2.4

Een uitvoerbaar plan-alternatief ............................................................................ 135

9

Leemten in kennis en evaluatie ......................................................................... 136

9.1

Leemten in kennis en informatie ........................................................................... 136

planMER buitengebied SWF

Kenmerk R002-1211027FEE-efm-V02-NL

Bijlage(n) 1 Stappen in de uitgebreide m.e.r.-procedure en koppeling m.e.r.-procedure met besluit 2

Begrippen- en afkortingenlijst

3 4

Wettelijke kaders en beleidsdocumenten Literatuurlijst

5

Beschrijving methodiek berekening ammoniakemissie

6 7

Huidige situatie en worst case Toetsing van de uitvoerbaarheid per perceel

8

Kaarten in groot formaat

planMER buitengebied SWF

9\137

Kenmerk R002-1211027FEE-efm-V02-NL

Samenvatting De gemeente Súdwest-Fryslân stelt een nieuw bestemmingsplan buitengebied op. Naast een actualiseringslag is het doel van het plan behouden en versterken van de kernkwaliteiten landbouw, landschap, natuur en recreatie. Voor het nieuwe bestemmingsplan is dit milieueffectrapport opgesteld. Aanleiding en voornemen De gemeente Súdwest-Fryslân is gestart met het maken van het bestemmingsplan buitengebied 2017. Dit nieuwe bestemmingsplan geldt voor delen van het buitengebied van de gemeente Súdwest-Fryslân. De gemeente is per 1 januari 2011 ontstaan als gevolg van een gemeentelijke herindeling. Daarbij zijn de gemeenten Bolsward, Nijefurd, Sneek, Wymbritseradiel en Wûnseradiel samengevoegd. In deze gemeenten waren verschillende bestemmingsplannen buitengebied van kracht van voor 2003. Per 1 juli 2013 mag een bestemmingplan niet ouder zijn dan 10 jaar. Indien een bestemmingsplan toch ouder is, dan vervalt de bevoegdheid tot het heffen van leges voor diensten die door de gemeente worden verleend die verband houden met het bestemmingsplan (artikel 3.1, lid 4 Wro). Om te voorkomen dat er geen leges in rekening gebracht kunnen worden, zijn voor de buitengebieden beheerverordeningen vastgesteld.

Dit is echter een tijdelijke situatie de gemeente werkt daarom aan één bestemmingsplan Waarin de buitengebieden van de voormalig gemeenten Nijefurd, Wûnseradiel en Sneek zijn opgenomen. Voor het nieuwe bestemmingsplan wordt deze planMER opgesteld. Waarom dit planMER Voor het nieuwe bestemmingsplan buitengebied moet een milieueffectrapport worden gemaakt, een zogenaamd planMER (als planMER met hoofdletters wordt geschreven wordt het milieueffectrapport bedoeld, met kleine letters (planm.e.r.) de procedure). Dit is nodig omdat het nieuwe bestemmingsplan het mogelijk maakt om bestaande agrarische bouwvlakken1 te vergroten. Daarmee vormt het bestemmingsplan het kader voor eventuele Besluitm.e.r. (beoordelings)plichtige activiteiten (kaderstelling: uitbreidingen van veehouderijen). In dat geval geldt vanuit het Besluitm.e.r, onderdeel D, categorie 14 dat voor het kaderstellende plan (het 1 In het nieuwe bestemmingsplan wordt een bouwvlak als stip op de plankaart vastgelegd. Daarmee wordt gewonnen aan flexibiliteit met betrekking tot de bestemmingsgrenzen. De totale grootte van het bouwvlak zal niet verschillen.

10\137

planMER buitengebied SWF

Kenmerk R002-1211027FEE-efm-V02-NL

bestemmingsplan Buitengebied van de gemeente Súdwest-Fryslân) een planMER opgesteld dient te worden. Het milieueffectrapport vormt een bijlage bij het bestemmingsplan. Als in een later stadium over vergunningverlening voor bijvoorbeeld uitbreiding van veehouderijbedrijven wordt besloten, is daarvoor een aparte milieueffectprocedure nodig, de Besluitm.e.r.-procedure. Doel van het MER? Het hoofddoel van dit planMER is het in beeld brengen van de milieugevolgen van de (met name agrarische) ontwikkelruimte die het bestemmingsplan biedt op het milieu en de benoemde kernkwaliteiten van het buitengebied. Plangebied en studiegebied De geografische reikwijdte van het planMER wordt gevormd door de grenzen van het bestemmingsplan. Doordat de gemeente Súdwest-Fryslân een fusiegemeente is, en voor een deel van het buitengebied (de buitengebieden van Bolsward en Wymbritseradiel) nog actuele bestemmingsplannen buitengebied gelden, resteren een drietal losse beheers verordeningen waarvoor nu een nieuw bestemmingsplan wordt opgesteld. De effecten van de voorgestelde activiteiten kunnen echter verder reiken dan de grenzen van het bestemmingsplan. Gedurende de planm.e.r. wordt daar rekening mee gehouden, dit noemen we het studiegebied. Zowel binnen het plangebied als in de directe nabijheid liggen verschillende Natura2000-gebieden.

De Natura2000-gebieden IJsselmeer, Oudegaasterbrekken en Fluessen en omgeving, de Waddenzee, Witte en Zwarte Brekken, Sneekermeer gebied en Deelen liggen op minder dan 10 km afstand van de rand van het plangebied. Deze gebieden maken ook onderdeel uit van het studiegebied. De omvang van het studiegebied kan daardoor per milieuaspect verschillen. Ontwikkelingsmogelijkheden De belangrijkste ontwikkelingsmogelijkheden uit het bestemmingsplan Buitengebied 2017 die van belang zijn voor het planMER betreffen de volgende: 

Bij recht krijgen bestaande agrarische bedrijven een erf met een oppervlakte van 1,5 ha. Het is toegestaan om ongebruikte ruimte te benutten op de bestaande bouwvlakken c.q. stippen. Middels een afwijking bestaat de mogelijkheid de ontwikkelingsmogelijkheden voor grondgebonden agrarische bedrijven te vergroten tot maximaal 2 hectare.

 

Onder voorwaarden is het mogelijk functiewijziging en nevenactiviteiten te realiseren. Kleinschalige ontwikkelingsmogelijkheden voor recreatie.

planMER buitengebied SWF

11\137

Kenmerk R002-1211027FEE-efm-V02-NL

Figuur 0.1 Plan gebied bestemmingsplan buitengebied

Op figuur 0.2 is te zien waar de genoemde Natura 2000-gebieden en Beschermde natuurmonumenten liggen in relatie tot het plangebied.

12\137

planMER buitengebied SWF

Kenmerk R002-1211027FEE-efm-V02-NL

Figuur 0.2 Natura 2000-gebieden nabij het plangebied (< 10 km afstand)

Opzet van het onderzoek Op basis van het bestemmingsplan Buitengebied 2017 kunnen milieueffecten op verschillende milieuthema’s worden verwacht. De gevolgen van de uitstoot van stikstof (met name landbouw) zijn in het bijzonder in beeld gebracht omdat het bestemmingsplan alleen uitvoerbaar is wanneer is aangetoond dat er binnen de nabijgelegen Natura 2000-gebieden, waar voor verzuring gevoelige natuur ligt, geen toename van de neerslag van stikstof plaatsvindt. Het onderzoek voor dit MER is daarom vooral gericht op de milieuthema’s natuur, geur, landschap en cultuurhistorie.

planMER buitengebied SWF

13\137

Kenmerk R002-1211027FEE-efm-V02-NL

Daarnaast zijn ook de overige ontwikkelingen die het bestemmingsplan mogelijk maakt beschouwd. Dat is kwalitatief, beschrijvend gedaan. Het gaat dan om de aspecten bodem en water, verkeer, luchtkwaliteit, geluid en gezondheid. Alternatieven Volgens de Wet Natuurbescherming moet voor plannen welke een significant effect kunnen hebben op Natura 2000-gebieden een toetsing plaatsvinden. Dit significante effect wordt in het kader van dit bestemmingsplan vooral gevormd door de depositie van stikstof op nabijgelegen Natura 2000-gebieden en natuurbeschermingsgebieden. In dit MER zijn voor de veehouderijbedrijven de volgende alternatieven onderscheiden:  Referentiesituatie Wet Natuurbescherming: huidige situatie. 

Referentiesituatie Wet milieubeheer: huidige situatie + autonome ontwikkeling (inclusief

handhaving van de via de AmvB Huisvesting opgelegde maatregelen). Worstcase alternatief: in beeld zijn gebracht de effecten die optreden als de ontwikkelmogelijkheden die er in het buitengebied worden geboden binnen de agrarische

bouwvlakken c.q. stippen maximaal worden benut, zonder de inzet van techniek. Planalternatief: door middel van het opleggen van een emissieplafond zijn emissietoenames uitgesloten.

Conclusies effectonderzoeken De te verwachten effecten op de verschillende milieuthema’s van de onderzochte alternatieven kunnen als volgt worden samengevat:

14\137

planMER buitengebied SWF

Kenmerk R002-1211027FEE-efm-V02-NL

Milieuaspecten

Criterium

Natura 2000-gebieden Natuur

Landschap

Alternatief worstcase

Planalternatief

Ten opzichte van

Ten opzichte van

referentiesituatie

referentiesituatie Wet referentiesituatie

--

Ten opzichte van

natuurbescherming

Wet milieubeheer

0

-

NNN

0

n.v.t.

0

Soorten

0

n.v.t.

0

Landschappelijke

0

n.v.t.

0

karakteristiek Cultuurhistorie /

Archeologie

0

n.v.t.

0

archeologie

Cultuurhistorie

0

n.v.t.

0

Aardkunde

0

n.v.t.

0

Verkeer

Knelpunten

0

n.v.t.

0

verkeersveiligheid Bodem

Bodem

0

n.v.t.

0

Water

Water

0

n.v.t.

0

Leefomgeving

Geur

0

n.v.t.

0

Fijn stof

0

n.v.t.

0

Geluid

0

n.v.t.

0

Gezondheid

0

n.v.t.

0

Het alternatief worstcase bestemmingsplan kan op het thema Natura 2000 negatieve effecten hebben door de in het bestemmingsplan opgenomen uitbreidingsmogelijkheden voor veehouderijen (bij toepassing van afwijkings- of wijzigingsbevoegdheden). Op basis van de resultaten van dit MER zijn in het bestemmingsplan de nodige voorwaarden opgenomen bij het toepassen van deze afwijkings- en wijzigingsbevoegdheden. Voor de stikstof emissies gaat het om een gebruiksregel in het bestemmingsplan, die uitgaat van interne saldering die tot gevolg heeft dat negatieve effecten op de verzuring en eutrofiëring in de dichtstbijzijnde kwalificerende habitats zijn uit te sluiten. Passende beoordeling De toetsing van effecten op Natura 2000-gebieden betreft een passende beoordeling zoals bedoeld in de Wet natuurbescherming. Daarbij is onder meer ruime aandacht besteed aan uitbreidingsmogelijkheden van agrarische bouwvlakken c.q. stippen in relatie tot de milieukwaliteit binnen het Natura2000-areaal (met name ammoniakdepositie).

planMER buitengebied SWF

15\137

Kenmerk R002-1211027FEE-efm-V02-NL

Gezien de huidige achtergronddepositie, die vrijwel overal en voor alle Natura 2000-gebieden hoger is dan de kritische depositiewaarde van tenminste de meest gevoelige habitattypen, is alleen een bestemmingsplan dat de huidige situatie van veehouderijen vastlegt uitvoerbaar. Dat betekent dat er planologische middelen moeten worden ingezet om de huidige situatie vast te leggen. Immers als alle ontwikkelingsmogelijkheden worden gebruikt zijn negatieve effecten niet uit te sluiten. Dat is in het voorliggende planMER gebleken bij de beoordeling van alternatief 2, het worstcase scenario (bestemmingsplan zonder emissieplafond zoals beschreven in hoofdstuk 3). Daarom is in het ontwerp-bestemmingsplan (alternatief 3, het planalternatief) de keuze gemaakt dat bij recht geen toename van stikstofemissie/depositie vanuit de betreffende inrichting plaats mag vinden. Tot een omvang van 1,5 hectare kan bij recht een omgevingsvergunning worden verstrekt aan een veehouderij als wordt aangetoond dat er geen sprake is van een dergelijke toename. Op basis van een afwijkingsprocedure is een ontwikkeling van grondgebonden veehouderijen tot 2 hectare mogelijk, onder dezelfde voorwaarde met betrekking tot de depositie.

Doordat het bestemmingsplan op deze manier is ingericht, is de huidige situatie vastgelegd en uitbreiding zodanig aan voorwaarden verbonden dat het ontwerp-bestemmingsplan geen significant negatieve effecten kan veroorzaken op de nabijgelegen Natura 2000-gebieden. Dat wil echter niet zeggen dat voor individuele bedrijven er geen uitbreidingsruimte geboden kan worden. Dit vergt evenwel maatwerk per geval.

16\137

planMER buitengebied SWF

Kenmerk R002-1211027FEE-efm-V02-NL

1 Inleiding Voor u ligt het milieueffectrapport (MER) over het nieuwe bestemmingsplan buitengebied van de gemeente Súdwest-Fryslân. Dit hoofdstuk beschrijft de aanleiding voor de m.e.r.procedure, de belangrijkste betrokken partijen en de stappen die in de m.e.r.-procedure worden gezet.

1.1

Een nieuw bestemmingplan buitengebied voor Súdwest-Fryslân

De gemeente Súdwest-Fryslân is gestart met het maken van het bestemmingsplan Buitengebied 2017. Dit nieuwe bestemmingsplan geldt voor delen van het buitengebied van de gemeente Súdwest-Fryslân. De gemeente is per 1 januari 2011 ontstaan als gevolg van een gemeentelijke herindeling. Daarbij zijn de gemeenten Bolsward, Nijefurd, Sneek, Wymbritseradiel en Wûnseradiel samengevoegd. In deze gemeenten waren verschillende bestemmingsplannen buitengebied van kracht van voor 2003. Per 1 juli 2013 mag een bestemmingplan niet ouder zijn dan 10 jaar. Indien een bestemmingsplan toch ouder is, dan vervalt de bevoegdheid tot het heffen van leges voor diensten die door de gemeente worden verleend die verband houden met het bestemmingsplan (artikel 3.1, lid 4 Wro). Om te voorkomen dat er geen leges in rekening gebracht kunnen worden zijn voor de buitengebieden beheers verordeningen vastgesteld. Dit is echter een tijdelijke situatie de gemeente werkt daarom aan één bestemmingsplan Waarin de buitengebieden van de voormalig gemeenten Nijefurd, Wûnseradiel en Sneek zijn opgenomen. Voor het nieuwe bestemmingsplan wordt deze planMER opgesteld. De bestemmingsplannen buitengebied van Bolsward en Wymbritseradiel zijn vastgesteld in 2010. Deze worden dus nog niet herzien.

Voor het nieuwe bestemmingsplan Buitengebied 2017 wordt wordt zoveel als mogelijk aangesloten met regeling in voorgenoemde bestemmingsplannen om te voorkomen dat binnen dezelfde gemeente verschillende regelingen van kracht zijn voor dezelfde functies.

1.2

Doel van het bestemmingsplan

Hoofddoel van het opstellen van het nieuwe bestemmingsplan buitengebied is (naast de wettelijke verplichting) het waarborgen van de kernkwaliteiten van het gebied. Dit betreffen:  Landbouw 

Landschap en natuur

Recreatie

planMER buitengebied SWF

17\137

Kenmerk R002-1211027FEE-efm-V02-NL

De kernkwaliteiten zijn benoemd met als doel de identiteit van het buitengebied te behouden en te versterken waar mogelijk. Met het nieuwe bestemmingsplan worden landbouw ontwikkelingsmogelijkheden geboden, maar wordt tegelijkertijd aandacht besteed aan het behoud en versterking van het landschappelijke karakter en de daarbij horende landschapswaarden van het buitengebied. Het bestemmingsplan is overwegend conserverend van aard. Het betekent dat de bestaande vergunde situatie een positieve bestemming krijgt. Het wordt bij recht in het bestemmingsplan toegestaan om ongebruikte ruimte te benutten op bestaande bouwvlakken c.q. stippen tot maximaal 1,5 hectare. Voor grondgebonden veehouderijen is een verdere uitbreiding van bouwvlakken c.q. stippen alleen mogelijk middels een afwijkingsbesluit of een partiële herziening, waarover meer in hoofdstuk 3.

1.3

Waarom dit MER?

Het nieuwe bestemmingsplan is planm.e.r.-plichtig omdat het bestemmingsplan Buitengebied 2017 het kader vormt voor eventuele Besluitm.e.r. (beoordelings)plichtige activiteiten (bijvoorbeeld uitbreidingen van veehouderijen). In dat geval geldt vanuit het Besluitm.e.r, onderdeel D, categorie 14 dat voor het kaderstellende plan (het bestemmingsplan Buitengebied Súdwest-Fryslân 2017) een planMER opgesteld dient te worden. M.e.r.2 heeft als doel het milieu een volwaardige plaats te geven in de bestuurlijke besluitvorming. De gemeente Súdwest-Fryslân kan bovendien met de uitkomsten van m.e.r. een solide onderbouwing geven vanuit de milieuaspecten voor het vast te stellen bestemmingsplan buitengebied. Wettelijke m.e.r.-plicht M.e.r. is wettelijk vastgelegd in de Wet milieubeheer. In de Wet milieubeheer (Wm) is in hoofdstuk 7 geregeld dat bij bepaalde plannen en/of besluiten met mogelijke grote milieugevolgen het verplicht is informatie te verzamelen over de als gevolg van de ingreep optredende milieugevolgen. Het doel is het milieubelang volwaardig te laten meewegen bij dergelijke plannen en/of besluiten. Voor deze plannen en/of besluiten wordt een milieueffectrapportage (m.e.r.) procedure doorlopen. In de bijlage bij het Besluit m.e.r. is bepaald voor welke ingrepen een m.e.r.-procedure doorlopen moet worden.

Dit is mede afhankelijk van de aard en omvang van de activiteit en het soort besluit.

2 Binnen de m.e.r.-procedure worden de volgende afkortingen gebruikt: de m.e.r. en het MER. De m.e.r. duidt de procedure van milieueffectrapportage aan, zoals het onderzoek, de inspraak en alle bijkomende adviezen en dergelijke. De afkorting MER staat voor het eindproduct, het milieueffectrapport

18\137

planMER buitengebied SWF

Kenmerk R002-1211027FEE-efm-V02-NL

1.4

Stappen in de m.e.r.-procedure

Op deze milieueffectprocedure is de uitgebreide m.e.r.-procedure van toepassing (art. 7.9 Wet Milieubeheer). Deze uitgebreide procedure is in acht genomen. Het MER is voorafgegaan door de notitie reikwijdte en detailniveau (vanaf hier: het startdocument). Dit document lag tussen 8 maart 2013 en 18 april 2013 ter inzage bij de gemeenteloketten van de gemeente Súdwest-Fryslân en was in die periode in te zien via de website www.gemeentesudwestfryslan.nl. Een ieder heeft de gelegenheid gekregen om zienswijzen in te dienen. Er zijn geen zienswijzen binnengekomen. Het gemeentebestuur heeft ervoor gekozen de Commissie voor de m.e.r. geen advies uit te laten brengen over het startdocument. De m.e.r.-procedure is gekoppeld aan de procedure van het bestemmingsplan Buitengebied 2017. Het MER wordt samen met het voorontwerpbestemmingsplan ter visie gelegd. De reacties op het MER worden verwerkt waarna het planMER opnieuw met het ontwerp ter inzage ligt. Vervolgens geeft de Commissie voor de m.e.r een (verplicht) toetsingsadvies (binnen de inspraaktermijn). De gemeenteraad neemt vervolgens een besluit op basis van het MER, de inspraakreacties en overige adviezen. Het besluit wordt bekend gemaakt. De procesgang wordt in figuur 1.1 geïllustreerd.

Na afronding van deze plan-m.e.r.-procedure ten behoeve van het bestemmingsplan kan sprake zijn van Besluitm.e.r.-plicht voor activiteiten die dit bestemmingsplan Buitengebied 2017 mogelijk maakt zoals uitbreidingen van veehouderijbedrijven. Dit is afhankelijk van de omvang van de bedrijven. De Besluitm.e.r. dient uitgevoerd te worden op individueel bedrijfsniveau in het kader van de vergunningverlening. Deze uitbreidingen zullen ook steeds getoetst moeten worden aan de Wet natuurbescherming. Niet uitgesloten is dat voor dergelijke uitbreidingen passende beoordelingen opgesteld moeten worden.

planMER buitengebied SWF

19\137

Kenmerk R002-1211027FEE-efm-V02-NL

Figuur 1.1 Milieueffectprocedure (m.e.r.) vanaf ter inzage ligging met het ontwerp bestemmingsplan. Bron: Commissie voor de m.e.r.

1.5

Initiatiefnemer en bevoegd gezag

Het MER doorloopt zijn eigen procedure, parallel aan die van het bestemmingsplan. In de m.e.r.-procedure is het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente SúdwestFryslân initiatiefnemer en daarmee de opsteller van het MER. De gemeenteraad van SúdwestFryslân is het bevoegd gezag en heeft de formele, procedurele verantwoordelijkheid.

1.6

Opbouw van dit milieueffectrapport

Hoofdstuk 1 bevat de inleiding. Hierin zijn onder andere het doel van het bestemmingsplan, en de aanleiding voor het m.e.r. beschreven. De uitgangspunten en het kader van dit milieueffectrapport worden behandeld in hoofdstuk 2. In hoofdstuk 3 wordt ingegaan op het plan, wijze van uitvoering en de (reële) alternatieven daarvoor. De onderzoeksaanpak stikstof wordt beschreven in hoofdstuk 4. Hoofdstuk 5 bevat de milieueffecten voor natuur. De overige milieueffecten zijn terug te vinden in hoofdstuk 6 (steeds voorafgegaan door de referentiesituatie). De vergelijking van de alternatieven staat in hoofdstuk 7. In hoofdstuk 8 worden conclusies getrokken omtrent de uitvoerbaarheid van het plan. Hoofdstuk 9 gaat in op de leemten in kennis.

20\137

planMER buitengebied SWF

Kenmerk R002-1211027FEE-efm-V02-NL

2 Kader van dit MER Dit hoofdstuk schetst het kader van dit MER: een kenschets van de gemeente, het plan- en studiegebied en het relevante beleid waaruit het bestemmingsplan Buitengebied 2017 is voortgekomen. Het hoofdstuk wordt afgesloten met een paragraaf over besluiten die (nog) genomen moeten worden.

2.1

Kenschets gemeente Súdwest-Fryslân

Uit de gemeenten Bolsward, Nijefurd, Sneek, Wymbritseradiel, Wûnseradiel is middels een gemeentelijke herindeling op 1 januari 2011 de gemeente Súdwest-Fryslân ontstaan3. De gemeente Súdwest-Fryslân is gelegen in het zuidwesten van de provincie Fryslân. De gemeente heeft 84.356 inwoners en een oppervlakte van ruim 841 km², onderverdeeld in 459.6 km² land en 383 km² water. Hiermee is het qua totaaloppervlakte de grootste gemeente van Nederland. Het buitengebied van de gemeente Súdwest-Fryslân kent een grote verscheidenheid aan functies en gebruik van percelen en bouwwerken. Deze functies zijn vaak nauw met elkaar verbonden en vormen de kernkwaliteiten van het buitengebied. Daarbij gaat het om landbouw, landschap en natuur en recreatie. Met het nieuwe bestemmingsplan wordt de landbouw ontwikkelingsmogelijkheden geboden. Daarbij gaat het om schaalvergroting, nevenactiviteiten, omvorming van boerderijen naar nieuwe functies en recreatieve ontwikkelingen (zoals kleinschalig kamperen). Daarbij wordt tegelijkertijd aandacht besteed aan het behoud en versterking van het landschappelijke karakter en de daarbij horende landschapswaarden van het buitengebied. Het landschap van de gemeente Súdwest-Fryslân wordt gekenmerkt door weilanden met dijken, boerderijen en terpdorpen, meren, dorpen en steden.

Op een flink aantal plaatsen heeft ruilverkaveling plaatsgevonden, wat tot uiting komt in rechte patronen en grote aaneengesloten percelen. Het buitengebied van de gemeente Súdwest-Fryslân kent een grote verscheidenheid aan functies en gebruik van percelen en bouwwerken. Deze functies zijn vaak nauw met elkaar verbonden en vormen de kernkwaliteiten van het buitengebied. De volgende kernkwaliteiten zijn door de gemeente Súdwest-Fryslân benoemd:  

Landbouw; Landschap en natuur

Recreatie.

3

Een deel van Boansterhim is daarna, op 1 januari 2014, onderdeel van de gemeente geworden.

planMER buitengebied SWF

21\137

Kenmerk R002-1211027FEE-efm-V02-NL

De kernkwaliteiten zijn benoemd met het doel de identiteit van het buitengebied te behouden en te versterken waar dat mogelijk is. Dit planMER toetst of de geboden ontwikkelingsmogelijkheden van het nieuwe bestemmingsplan dit niet belemmert.

2.2

Plan- en studiegebied

De geografische reikwijdte van het planMER wordt gevormd door de grenzen van het bestemmingsplan, zie figuur 2.1. Het plangebied bestaat uit twee te onderscheiden gebieden. Grofweg het buitengebied van de voormalige gemeente Sneek en het buitengebied van de voormalige gemeenten Nijefurd en Wûnseradiel. De effecten van de voorgestelde activiteiten kunnen echter verder reiken dan de grenzen van het bestemmingsplan. Gedurende de planm.e.r. wordt daar rekening mee gehouden, dit noemen we het studiegebied. Zowel binnen het plangebied als in de directe nabijheid liggen verschillende Natura2000-gebieden. Deze gebieden maken onderdeel uit van het studiegebied. De omvang van het plangebied kan daardoor per milieuaspect verschillen.

22\137

planMER buitengebied SWF

Kenmerk R002-1211027FEE-efm-V02-NL

Figuur 2.1 Indicatie plangrenzen bestemmingsplan Buitengebied Súdwest-Fryslân 2017.

2.3

Kenschets veehouderij Súdwest-Fryslân in de huidige situatie

Binnen het plangebied van de bestemmingsplannen buitengebied zijn circa 60 akkerbouw bedrijven gevestigd en ruim 400 veehouderijen. Daarbij gaat het zowel om varkenshouderijen, paardenhouderijen, schapenhouderijen pluimveebedrijven en melkveehouderijen. De nadruk ligt daarbij op de laatste drie categorieën. In figuur 2.2 is weergegeven hoe de veehouderijen geografisch over het plangebied zijn verspreid, en wat de dominante diersoort is van de bedrijven.

planMER buitengebied SWF

23\137

Kenmerk R002-1211027FEE-efm-V02-NL

Figuur 2.2 Spreiding veehouderijen in Sudwest-Fryslan

Tabel 2.1 geeft een overzicht weer van de veehouderij sector in Súdwest-Fryslân, inclusief de bedrijven waarvan op basis van hun BedrijfsOntwikkelPlan (BOP) verwacht wordt dat de bedrijfsvoering niet zal worden voortgezet per 1 januari 2020. Bovengenoemde inventarisatie is tevens het vertrekpunt voor het bepalen van de referentiesituatie. Zie paragraaf 4.3 hieromtrent.

24\137

planMER buitengebied SWF

Kenmerk R002-1211027FEE-efm-V02-NL

Tabel 2.1 Verdeling van het aantal dieren over de dominante diersoort per bedrijf

Dominante diersoort

Aantal dieren

CBS-geëxtrapoleerd

Melkvee

59.000

52.750

Varkens

8.500

6.700

Kippen

1.350.000

850.000

Paarden

800

950

Schapen

9.500

19.000

Overig

3.000

pm

Aantal dieren (verschil landbouwtelling en vergunningenbestand gemeente Súdwest-Fryslân) In het buitengebied van de gemeente Súdwest-Fryslân komt vooral melkvee voor (zie tabel 2.1). Voor de planMER zijn de gegevens over het aantal dieren vanuit het vergunningenbestand van de gemeente vergeleken met de landbouwtelling (ook wel ‘meitelling’ genoemd omdat de telling in die maand plaatsvindt) van het CBS. Een rechtstreeks vergelijking met de CBS cijfers is niet te maken omdat Súdwest-Fryslân een fusie gemeente is, en slechts een deel van het grondgebied onderdeel uitmaakt van het plangebied, een gebiedsverdeling die door het CBS niet meer inzichtelijk is gemaakt. Daarom is gepoogd om vanaf het jaar van voor de fusie, op basis van de in dat jaar door het CBS gerapporteerd gegevens, de stand van zaken in 2013 te herleiden op basis van extrapolatie. Heel nauwkeurig vergelijkingsmateriaal kan een dergelijke extrapolatie niet opleveren. Als de door ons geïnventariseerde gegevens worden vergeleken met de geëxtrapoleerde CBScijfers valt op dat het aantal runderen vrijwel met elkaar overeenkomt. Wat betreft het aantal kippen, varkens en schapen geldt dat niet. Voor wat betreft het aantal varkens en schapen geldt dat deze slechts zo’n klein deel van de gebiedsemissie veroorzaken dat een correctie geen noemenswaardig effect op de uitkomsten zal hebben.

De modelberekeningen zijn niet gecorrigeerd voor het aantal kippen waardoor er sprake is van een overschatting van de gebiedsemissies, en dus van de berekende effecten. Dynamiek in de sector Het buitengebied is in beweging. Voor het gebied geldt dat de grotere bedrijven blijven bestaan en de kleinere verdwijnen. In Súdwest-Fryslân zal deze ontwikkeling ook plaatsvinden. Tussen 2000 en 2016 hebben ruim 200 veehouderijen de bedrijfsvoering gestaakt (zie tabel 2.2). Het aantal intensieve veehouderijen is gedaald met 25%.

planMER buitengebied SWF

25\137

Kenmerk R002-1211027FEE-efm-V02-NL

Analyses van elders in het land laten zien dat op jaarbasis circa 5 % van de intensieve veehouderijen verwacht te stoppen. Dit percentage is ook voor de gemeente Súdwest-Fryslân denkbaar (het percentage is geverifieerd en gevalideerd door de gemeente). Eigenaren zoeken naar een nieuwe invulling of exploitatie van hun locatie. Het nieuwe plan moet ruimte bieden aan gewenste functiewijzigingen naar niet-agrarische functies. De overblijvende agrarische bedrijven willen blijven ontwikkelen en groeien. Tabel 2.2 Afname van het aantal veehouderijbedrijven in de gemeente Súdwest-Fryslân (bron: landbouwtelling CBS)

Aantal bedrijven 2000

2005

2010

2011

2012

2013

2014

2015

2016

Graasdieren

899

827

742

730

722

706

732

711

661

Hokdieren

36

32

30

26

25

27

27

23

22

Totaal

935

859

772

756

747

733

795

774

706

2.4

Beleids- en wettelijke kaders

Het bestemmingsplan staat niet op zichzelf. De voorgenomen ontwikkelingen hebben een relatie met diverse beleidskaders van de overheid. In deze paragraaf worden de belangrijkste beleidsstukken weergegeven. In paragraaf 2.4.1 wordt ingegaan op het PAS, de Programmatische Aanpak Stikstof). Het overige beleid komt in paragraaf 2.4.2 aan bod. 2.4.1

Beleid rondom agrarische sector en stikstofdepositie

Probleemschets stikstofdepositie In natuurgebieden (onder andere Natura 2000-gebieden) is er een overschot aan stikstof (ammoniak en stikstofoxiden). Verkeer, industrie en het houden van vee zorgen ervoor dat er

26\137

planMER buitengebied SWF

Kenmerk R002-1211027FEE-efm-V02-NL

extra stikstof in de lucht komt (stikstofemissie). De stikstof komt daarna in de natuur terecht (stikstofdepositie). Dit is schadelijk voor de natuur (verzuring en eutrofiëring). Het belemmert ook vergunningverlening voor activiteiten van onder meer veehouders en ondernemers in de land- en tuinbouwsector. Daarom heeft het Rijk met het Programma Aanpak Stikstof (PAS) het initiatief genomen om deze stikstofproblemen aan te pakken. In het PAS, dat op 1 juli 2015 in werking is getreden, werken overheden en maatschappelijke partners samen om de stikstofuitstoot te verminderen en economische ontwikkelingen mogelijk te maken. Op de volgende pagina is een tekstkader opgenomen met een toelichting op het PAS.

planMER buitengebied SWF

27\137

Kenmerk R002-1211027FEE-efm-V02-NL

Programma Aanpak Stikstof (PAS) Met de aanwijzing van ruim 160 Natura 2000-gebieden draagt Nederland bij aan het netwerk van natuurgebieden in Europa. Dit netwerk van natuurgebieden moet ervoor zorgen dat de achteruitgang van de natuur wordt gestopt. De bescherming van deze gebieden is vastgelegd in de Wet natuurbescherming. In Nederland, en specifiek in 117 Nederlandse Natura 2000-gebieden, is de zogeheten depositie van stikstof een van de belangrijkste oorzaken van de achteruitgang van de natuur. De bijzondere planten die in deze gebieden groeien dreigen te verdwijnen omdat ze het overschot aan stikstof niet kunnen verdragen. Het PAS combineert twee manieren om de natuur in de Natura 2000-gebieden te beschermen: • Maatregelen om stikstofgevoelige natuur te herstellen. • Maatregelen aan de bron om de stikstofdepositie blijvend omlaag te brengen. Natuur herstellen Rijk, provincies en natuurorganisaties nemen maatregelen om de natuur te herstellen, door bijvoorbeeld de waterstand te verhogen. Maatregelen aan de bron De industrie en het verkeer worden schoner door strengere regels. Door deze combinatie van maatregelen komt er minder stikstof in de lucht waardoor de natuur minder schade ondervindt. Agrarische ondernemers nemen maatregelen in hun bedrijfsvoering om de uitstoot van stikstof te verminderen.

Bijvoorbeeld stalsystemen (BBT-maatregelen) die de uitstoot van schadelijke stoffen beperken of het gebruik van aangepast voer. Binnen melkrundveehouderijen is via deze lijnen tussen de 20 en 40 % emissiereductie haalbaar. Dit is het percentage waar de sector van uitgaat in het kader van het PAS. Binnen de intensieve veehouderij wordt al uitgegaan van technische maatregelen die een reductie van 70 % tot 85 % bewerkstellingen. In de Regeling ammoniak en veehouderij (Rav) is 70 % reductie vooralsnog de minst vergaande nageschakelde techniek. Het PAS bepaalt dat een deel van de daling van de stikstofdepositie ten goede komt aan de natuur en een deel wordt ingezet voor economische ontwikkeling via activiteiten die stikstof veroorzaken. Dit deel noemen we de ontwikkelingsruimte. De ontwikkelingsruimte wordt verdeeld middels het verlenen van vergunningen. Door het PAS kunnen er weer vergunningen worden verleend voor nieuwe activiteiten of voor een wijziging of uitbreiding van activiteiten die stikstof veroorzaken. Bronnen: de website over het PAS van het ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie (http://pas.natura2000.nl/pages/home.aspx).

28\137

planMER buitengebied SWF

Kenmerk R002-1211027FEE-efm-V02-NL

Wet verantwoorde groei melkveehouderij Op 1 april 2015 is het systeem van melkquota vervallen. Met het vervallen van de melkquota is ook een indirecte beperking van het aantal melkkoeien vervallen. Om een verantwoorde groei van de melkveehouderij te borgen is op 1 januari 2015 de Wet verantwoorde groei melkveehouderij ingegaan. Kern van de wet is dat bedrijven met melkvee mogen groeien als er voldoende grond bij het bedrijf in gebruik is om de extra mest aan te wenden (grondgebondenheid), of als het bedrijf de extra geproduceerde mest volledig laat verwerken. Een combinatie van grond en mestverwerking om de extra mest te verantwoorden is ook mogelijk. De hoeveelheid mest die een bedrijf op eigen grond mag aanwenden, de fosfaatruimte, is beperkt op basis van fosfaatgebruiksnormen voor landbouwgrond en natuurterreinen. De Wet verantwoorde groei melkveehouderij en de fosfaatnormen hebben daarmee invloed op de wijze waarop een bedrijf kan of mag uitbreiden. Om meer dieren te houden dient een bedrijf over voldoende oppervlakte landbouwgrond te beschikken of een bedrijf moet (meer) mest laten verwerken. Wet grondgebonden groei melkveehouderij Sinds 1 januari 2016 is de Wet grondgebonden groei melkveehouderij in werking. Deze wet heeft tot doel om een groei van melkveehouderij zonder bijbehorende grond te voorkomen.

De wet introduceert via een getrapt stelsel een maximum op de hoeveelheid mest die verwerkt mag worden. De wet houdt in dat bij bedrijfsuitbreiding de eerste 20 kilo fosfaatoverschot per hectare zonder grondgebonden toepassing mag worden verwerkt. Bij overschotten tussen de 20-50 kilo per hectare moet 25 % van het overschot grondgebonden worden toegepast en bij overschotten boven de 50 kilo per hectare moet 50 % van het overschot grondgebonden worden toegepast. Daarmee is uitbreiding van melkveehouderijen zonder bijbehorende grond niet meer mogelijk. Fosfaatrechtenstelsel In juli 2015 heeft de Staatssecretaris de introductie van een fosfaatrechtenstelsel aangekondigd. Dit stelsel moet ertoe leiden dat de in Nederland geproduceerde hoeveelheid fosfaat - als bestanddeel van mest - weer onder het Europese maximum komt, en blijft. Uitgangspunt van het stelsel is dat boeren alleen fosfaat mogen produceren - en dus melkvee mogen houden - als ze voldoende fosfaatrechten hebben. De totale hoeveelheid rechten is echter te groot om de fosfaatproductie weer onder het Europese maximum te brengen. Daarom is het inkrimpen van de melkveestapel onvermijdelijk. Dat gebeurt via het afromen van fosfaatrechten. Besluit emissiearme huisvesting Het Besluit emissiearme huisvesting bepaalt dat dierenverblijven emissiearm moeten zijn als er emissiearme huisvestingssystemen beschikbaar zijn.

Het besluit bevat maximale emissiewaarden: alleen huisvestingssystemen met een emissiefactor die lager is dan of gelijk is

planMER buitengebied SWF

29\137

Kenmerk R002-1211027FEE-efm-V02-NL

aan de maximale emissiewaarde zijn toegestaan. De maximale emissiewaarden (ammoniak/fijn stof) gelden voor melkvee, vleeskalveren, varkens, kippen, vleeskalkoenen en vlees-eenden. Per 1 augustus 2015 is het Besluit emissiearme huisvesting in werking getreden. Een belangrijke wijziging is de uitbreiding en aanscherping van de maximale emissiewaarden voor ammoniak. Het beperken van de stalemissies is één van de maatregelen in het kader van de programmatische aanpak van het stikstofprobleem in Nederland. Daarnaast is uitbreiding en aanscherping nodig om te kunnen blijven voldoen aan de NEC-richtlijn (nationale emissieplafond). Tot slot zijn er ontwikkelingen in de stand der techniek (toepassen van Beste Beschikbare Technieken). Er zijn sinds inwerkingtreding van het Besluit emissiearme huisvesting diverse nieuwe emissiearme systemen beschikbaar gekomen. Deze systemen maken aanscherpen van de maximale emissiewaarden mogelijk. Een andere belangrijke wijziging is de opname van maximale emissiewaarden voor fijn stof. Dit zorgt op termijn voor verlaging van de fijn stofemissies. Het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) neemt de wijziging op als maatregel om de lokaal hoge achtergrondconcentraties aan te pakken. Wet natuurbescherming Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming in werking getreden.

De Wet natuurbescherming voegt drie bestaande natuurwetten samen: Flora- en faunawet, Natuurbeschermingswet, Boswet. In de Wet natuurbescherming worden de regels eenvoudiger en duidelijker voor: de bescherming van in het wild levende dieren en planten, Natura 2000-gebieden en bossen. Voor eenvoudige activiteiten (bijvoorbeeld reguliere onderhoudswerkzaamheden) komt er een meldplicht. Voor activiteiten waar een omgevingsvergunning nodig blijft, moet die binnen 13 weken worden gegeven. Als er niet binnen die termijn besloten wordt, dan is de vergunning automatisch verleend (lex silencio positivo). Wet geurhinder en veehouderij De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) is vanaf 1 januari 2007 van kracht en vormt het toetsingskader voor de beoordeling van geur veroorzaakt door het houden van dieren in dierenverblijven. De wet kent diercategorieën waarvoor een geuremissie factor is vastgesteld, zoals vleesvee, varkens, schapen en legkippen. Daarnaast kent de wet diercategorieën, zoals melkrundvee en paarden, waarvoor een vaste afstand geldt tussen het emissiepunt van de stal en een geurgevoelig object, zoals een woonhuis. Er wordt gerekend met “odour units” (ou) en geurgevoelige objecten, zoals huizen, krijgen een norm toegewezen voor de geurbelasting die de veehouderij mag veroorzaken.

De wet geeft gemeenten de mogelijkheid om via een verordening lokaal beleid vast te stellen voor de geurbelasting en de vaste afstanden. Dit om een gewenste ruimtelijke ontwikkeling mogelijk te maken. De vaste afstanden kunnen daarbij worden verkleind. Daarbij geldt binnen de

30\137

planMER buitengebied SWF

Kenmerk R002-1211027FEE-efm-V02-NL

bebouwde kom een minimale afstand van 50 meter tussen een bron en een geur gevoelig object (zoals een woning) en buiten de bebouwde kom een minimale afstand van 25 meter. De noodzaak voor lokaal geurbeleid moet worden onderbouwd, waarbij in elk geval aandacht moet worden besteed aan de gewenste ruimtelijke inrichting van het gebied. De gemeente SúdwestFryslân heeft in haar geurverordening vastgesteld op 12 november 2015 op perceelsniveau vastgelegd wat de minimale afstand tussen een (melk)veehouderij en een geurgevoelig object kan zijn. Wet ammoniak en veehouderij Voor het beoordelen van het aspect ammoniak afkomstig van dierenverblijven van veehouderijen, is de Wet ammoniak en veehouderij (Wav) een van de toetsingskaders. Echter, in (de nabije omgeving van) de gemeente zijn geen voor verzuring zeer kwetsbare gebieden aangewezen. Verordening Romte provincie Fryslân (2014) Op 25 juni 2014 hebben Provinciale Staten de Verordening Romte Fryslan/werkwijze RO 2014 vastgesteld. De verordening stelt regels die ervoor zorgen dat de provinciale ruimtelijke belangen doorwerken in de gemeentelijke ruimtelijke plannen.

Op grond van een aantal ontwikkelingen was aanpassing van de Verordening Romte Fryslân van 15 juni 2011 noodzakelijk:  Rijksbeleid en regelgeving (Besluit algemene regels ruimtelijke ordening, spoedwet reparatie Wro: beperking ontheffingsmogelijkheden in de provinciale verordeningen)  

‘Tuskentiidse evaluaasje Streekplan Fryslân' (2012). Totstandkoming van nieuw beleid voor veehouderij, weidevogels en herijking van de Ecologische hoofdstructuur.

Uitgangspunt is dat de verordening niet meer regelt dan noodzakelijk is. Wat elders al goed geregeld is (in de AMvB Ruimte of in andere wet- en regelgeving) hoeft niet over te worden gedaan. Verder is bij de wijze van regeling rekening gehouden met de verantwoordelijkheid van gemeenten. Binnen randvoorwaarden is ruimte voor lokaal maatwerk. In de verordening is het principe gehanteerd 'lokaal wat kan, provinciaal wat moet'. Met het oog op een goede ruimtelijke ordening kunnen provinciale belangen in de provinciale verordening in regels worden gesteld. Daar waar provincie en gemeenten onderkennen dat zij gezamenlijke belangen hebben worden deze bij voorkeur vormgegeven in een Samenwerkingsagenda. Hierin worden afspraken gemaakt die, voor zover nodig, juridisch worden geborgd door middel van de verordening.

planMER buitengebied SWF

31\137

Kenmerk R002-1211027FEE-efm-V02-NL

De verordening bevat regels voor de inhoud van gemeentelijke ruimtelijke plannen en de onderbouwing of motivering in de plantoelichting. De inhoudelijke bepalingen zijn onderverdeeld in: 

Algemene bepalingen over bundeling, zorgvuldig ruimtegebruik en ruimtelijke kwaliteit

Thematische bepalingen over wonen, werken, recreatie, landbouw, natuur, kustverdediging en windturbines

Het landschap is dermate belangrijk dat het bij mogelijke ontwikkelingen randvoorwaarden worden opgenomen. Ontwikkelingen in het landschap zijn mogelijk, maar alleen wanneer zij zich voegen naar en passen in maat en schaal van het landschap. Ten aanzien van agrarische ontwikkelingsmogelijkheden stelt de provinciale verordening dat: 

In een bestemmingsplan buitengebied een maximum oppervlak voor een grondgebonden

agrarisch bouwvlak c.q. stip mag worden opgenomen van 1,5 hectare Een afwijkingsbevoegdheid mag worden opgenomen tot 3,0 hectare mits het bedrijf grondgebonden blijft

Bij uitzondering worden agrarische bouwvlakken van meer dan 3,0 hectare toegestaan. Het moet in dat geval gaan om een grondgebonden bedrijf dat (vrijwel) al 3,0 hectare beslaat, de uitbreiding beperkt blijft en de nieuwe situatie een aanzienlijk maatschappelijk voordeel oplevert voor een of meer van de aspecten dierenwelzijn, milieubelasting, innovatieve bedrijfsvoering en/of landschappelijke verbetering.

Voor niet-grondgebonden bedrijven geldt een maximaal agrarisch bouwvlak van 1,5 hectare. Het niet-grondgebonden perceel van 1,5 hectare mag bij uitzondering vergroot worden, indien het bedrijf in dat geval al vrijwel 1,5 hectare beslaat, de uitbreiding beperkt blijft tot 10% en de nieuwe situatie een aanzienlijk maatschappelijk voordeel oplevert voor een of meer van de aspecten dierenwelzijn, milieubelasting, innovatieve bedrijfsvoering en/of landschappelijke verbetering.

Een bestemmingsplan buitengebied mag enkel nieuwe agrarische bouwpercelen bevatten voor grondgebonden bedrijven of voor verplaatsing van niet-grondgebonden bedrijven (met dringende redenen van maatschappelijke aard)

Er geen mogelijkheden mogen bestaan voor nieuwe niet-grondgebonden landbouw

2.4.2

Overig relevant beleid

Tabel 2.3 Overige belangrijkste beleidsstukken en hun relevantie voor dit planMER

Beleidsstukken Rijksniveau

Relevantie

Wet ruimtelijke ordening (Wro) en Besluit

De Wet ruimtelijke ordening regelt hoe de ruimtelijke

ruimtelijke ordening (Bro)

plannen gemaakt en gewijzigd worden. Het Besluit ruimtelijke ordening is een uitwerking van de bepalingen in de Wro.

32\137

planMER buitengebied SWF

Kenmerk R002-1211027FEE-efm-V02-NL

Beleidsstukken Rijksniveau

Relevantie

Wet algemene bepalingen omgevingsrecht

Deze wet regelt de omgevingsvergunningen voor de fysieke

(Wabo)

leefomgeving. Dit maakt het mogelijk om verschillende

Wet milieubeheer

Het wettelijke kader waarin de m.e.r. is vastgelegd, en bepaalt

activiteiten uit te voeren met één omgevingsvergunning.

welk wettelijk gereedschap kan worden ingezet om het milieu te beschermen, zoals milieuplannen, vergunningen, algemene regels en handhaving. Nationaal Samenwerkingsprogramma

Hierin staat wat knelpunten met betrekking tot de uitstoot van fijn

Luchtkwaliteit (NSL)

stof van veehouderijen zijn en hoe deze knelpunten moeten worden opgelost.

Wet Inrichting Landelijk Gebied

Deze wet het kader vormt voor de ruimtelijke ordening van het landelijk gebied.

Erfgoedwet 2016

Deze wet legt vast op welke wijze er rekening gehouden moet worden met cultureel erfgoed en de in de grond aanwezige, dan wel te verwachten, archeologische monumenten.

Beleidsstukken Provinciaal niveau

Relevantie

Verordening Rồmte

Met de verordening wil de provincie een balans vinden tussen de bescherming van waardevolle natuur enerzijds en ontwikkelingsmogelijkheden voor de agrarische sector anderzijds. Biedt het kader voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen.

Landschapsvisie Nationaal Landschap

Betreft inspiratiebron omtrent visie en kansen op het landschap

Zuidwest-Fryslân

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13085893/4